6.4 Bijlage bij toelichting 1. Verkennend bodem- en asbestonderzoek Westerringweg 11 Creil- KLEINER.pdf
Tekst van het document
Verkennend bodemonderzoek en verkennend ASBESTONDERZOEK IN BODEM WESTERRINGWEG 11 TE CREIL
Opdrachtgever:
HBC Planontwikkeling B.V. Lopikerplein 2a 2871 AN SCHOONHOVEN
Rapportnummer:
AT20012
Datum:
maart 2020
Opgesteld door:
ing. P. Blom
BRLSIKB2000 Protocollen 2001, 2002 en 2018
Milieu Advies INHOUDSOPGAVE 0.
SAMENVATTING__________________________________________________________________1
1.
INLEIDING_______________________________________________________________________5
1.1 1.2
Aanleiding van het onderzoek Doel van het onderzoek
2.
VOORONDERZOEK________________________________________________________________ 6
2.1 2.2 2.3 2.4
Locatiegegevens Historische informatie Bodemopbouw en geohydrologie Hypothese
6 8 9 9
3.
ONDERZOEKSSTRATEGIE
11
3.1 3.2 3.3
Uitvoering bodemonderzoek Boorplan en analyses Kwaliteitsborging
11 13 14
4.
UITVOERING ONDERZOEK_________________________________________________________ 15
4.1
Veldwerk 4.1.1 Resultaten visuele maaiveldinspectie Uitgevoerde werkzaamheden Veldwaarnemingen 4.3.1 Bodemopbouw 4.3.2 Zintuiglijke waarnemingen 4.3.3 Grondwater Afwijkingen Laboratoriumonderzoek 4.5.1 Uitgevoerde analyses Toetsingsnormen 4.6.1 Wet bodembescherming (Wbb) 4.6.2 Asbest Toetsing analyseresultaten 4.7.1 Grond getoetst aan Wet bodembescherming (Wbb) 4.7.2 Grondwater 4.7.3 Asbest
4.2 4.3
4.4 4.5 4.6
4.7
5 5
15 15 15 16 16 16 19 19 19 19 22 22 25 26 26 28 28
5.
INTERPRETATIE ONDERZOEKSRESULTATEN EN CONCLUSIE______________________________ 33
5.1 5.2 5.3
Interpretatie onderzoeksresultaten verkennend bodemonderzoek Interpretatie onderzoeksresultaten verkennend asbestonderzoek in bodem Conclusie en advies
33 35 37
Milieu Advies BIJLAGEN 1)
Regionale ligging van de locatie op de topografische overzichtskaart, anno 2018, ^ schaal 1 : 25.000 ^ schaal 1 : 10.000
2)
Situatietekening onderzoekslocatie met plaats van boringen, peilbuizen en inspectiegaten, schaal 1 : 500
3)
Boorprofielen
4)
Analyseresultaten en toegepaste analysemethoden
5)
Toetsingsnormen, achtergrond- en interventiewaarden voor grondwater
6)
Toetsing analyseresultaten, • Toetsing aan achtergrond- en interventiewaarden grond • Toetsing aan streef- en interventiewaarden grondwater
7)
Historische informatie onderzoekslocatie
8)
Foto's van onderzoekslocatie en foto's van inspectiegaten
9)
Verklaring onafhankelijkheid veldwerk
interventiewaarden
voor
grond
en
streef-
en
Milieu Advies 0. SAMENVATTING Door HBC Planontwikkeling B.V. is opdracht gegeven aan AT MilieuAdvies B.V. voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem aan Westerringweg 11 te Creil. In tabel 1 is een samenvatting van het onderzoek opgenomen. Tabel 1._____ Samenvatting onderzoek Locatiegegevens
Aanleiding onderzoek
Doel onderzoek
Opzet onderzoek
De onderzoekslocatie is gelegen aan Westerringweg 11 in het buitengebied ten zuidwesten van de woonkern Creil. De te onderzoeken locatie, met een oppervlakte van 11.578 m2, is momenteel in gebruik als agrarisch erfperceel. Op het noordelijke deel van de locatie staan een woonboerderij, een kistenbewaring, een werktuigenloods, een bewaarschuur (met koelruimte), een sorteerloods, een koepelvormige kas, twee kleinere schuurtjes en nog een andere loods. Rondom de bebouwing bevindt zich een erf en is een tuin aanwezig. Aan de noordzijde van de locatie zijn twee dammen aanwezig. Het zuidelijke deel van de locatie is in gebruik als grasland. Verder zijn op de locatie een ondergrondse septictank, een gedempte sloot, een afgebrande opstal, een aggregaat (op betonplaat), een brandplaats van afval, een bestrijdingsmiddelenopslagplaats en een bovengrondse dieseltank gesitueerd. In januari 2020 is door Best4best B.V. een asbestinventarisatierapport opgesteld (projectnr. 718B19). Uit deze rapportage blijkt dat meerdere opstallen op de locatie zijn voorzien van asbesthoudend dak- en/of wandplaatmateriaal. Bij de woonboerderij is een ondergrondse asbesthoudende rioolbuis aangetroffen. Deze rioolbuis loopt vanuit de kelder naar een ondergrondse septictank.
Verder zijn ter plaatse van het buitenterrein op het noordelijk deel van de locatie aan het maaiveld op diverse plaatsen asbestrestanten geconstateerd. De aanleiding voor de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek betreft de voorgenomen eigendomsoverdracht (aankoop) en de mogelijke herinrichting van de locatie ten behoeve van woningbouw, industrie en/of kantoren. De aanleiding voor de uitvoering van het verkennend asbestonderzoek in bodem betreffen de resultaten van het asbestinventarisatierapport van Best4best B.V. uit januari 2020. Mogelijk dat elders op de locatie in de bodem ook nog bijmengingen aan puin aanwezig zijn. Een bijmenging aan puin zou kunnen duiden op de aanwezigheid van asbest in de bodem. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De multifunctionaliteit van de bodem kan bij overschrijding van normen van verontreinigende stoffen worden aangetast. Hierdoor kunnen beperkingen ten aanzien van het gebruik van de bodem worden gesteld. Het doel van het verkennend asbestonderzoek in bodem is om na te gaan of de verdenking op bodemverontreiniging met asbest terecht is. Op verzoek van opdrachtgever is een dubbele onderzoeksinspanning gehanteerd voor zowel het verkennend bodemonderzoek als voor het verkennend asbestonderzoek in bodem.
Het verkennend bodemonderzoek is verricht volgens de richtlijn NEN 5740M1:2016, conform de onderzoeksstrategie voor een "diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming" (VED-HE-NL). Eén van de peilbuizen is bij de ondergrondse septictank geplaatst. Verder is extra aandacht uitgegaan naar de twee dammen, de gedempte sloot, de afgebrande opstal, het aggregaat (op betonplaat), de brandplaats van afval en de bestrijdingsmiddelenopslagplaats. Het onderzoek ter plaatse van de bovengrondse dieseltank is uitgevoerd volgens het protocol VEP (verdacht met plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern), zoals omschreven in de NEN 5740M1:2016. Voor het onderzoek bij de tank is geen dubbele onderzoeksinspanning toegepast. Het verkennend asbestonderzoek in bodem is uitgevoerd conform de onderzoeksopzet voor een "diffuus belaste locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op schaal van monsterneming", zoals omschreven in de NEN 5707. Hierbij is extra aandacht besteed aan de afwateringszones van asbesthoudend dak- en/of wandplaatmateriaal, de asbesthoudende rioolbuis tussen de woonboerderij en de septictank en aan de aanwezige asbestrestanten op het buitenterrein (zie asbestinventarisatierapport van Best4best B.V.). Ook is aandacht besteed aan puinbijmengingen in de bodem.
Resu ltaten onderzoek
L
Verkennend bodemonderzoek - verspreid over de locatie
Naast de geconstateerde asbestrestanten door Best4best B.V. (zie asbestinventarisatierapport) zijn ten tijde van de uitvoering van onderhavig bodemonderzoek op nog meer plaatsen aan het maaiveld stukken of stukjes asbestverdacht materiaal gevonden. Ter verificatie is een tweetal gevonden losse stukjes plaatmateriaal op het maaiveld dubbel verpakt en meegenomen (monstercodering: A01 en A02). Aangezien de twee bemonsterde stukjes plaatmateriaal van hetzelfde type zijn, is uiteindelijk alleen monster A01 in het milieulaboratorium geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. Het onderzochte stukje materiaal bleek asbest te bevatten.
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
1
Milieu Advies Tabel 1._____ Samenvatting onderzoek_____________________________________________________ Ter plaatse van de ondergrondse septictank, de afgebrande opstal en de twee dammen is zintuiglijk geen afwijkende bodemopbouw aangetroffen. Het bodemprofiel komt overeen met de bodemopbouw elders op de locatie. In de voormalige sloot is zintuiglijk geen bodemvreemd dempingsmateriaal waargenomen. Waarschijnlijk is de voormalige sloot gedempt met gebiedseigen grond. Hierdoor zijn de verkregen grondmonsters ter plaatse van de septictank, de afgebrande opstal, de twee dammen en de gedempte sloot gebruikt ter bepaling van de algemene bodemkwaliteit (of is geen grondanalyse uitgevoerd). In het bovengrondmengmonster, bestaande uit grind- en baksteenhoudend zand, direct onder de betonverharding van het erf zijn licht verhoogde gehalten aan kobalt en PCB aangetoond (0,1-0,3 m -mv). Voor de overige onderzochte stoffen uit het standaard analysepakket zijn in dit mengmonster geen overschrijdingen van de achtergrondwaarde vastgesteld. Het separaat geanalyseerde bovengrondmonster, bestaande uit zand met bijmengingen aan puin en baksteen, direct onder de betonverharding van het erf bevat licht verhoogde gehalten aan enkele zware metalen (0,13-0,4 m -mv).
In het bovengrondmengmonster, bestaande uit zintuiglijk schoon zand, direct onder de betonverharding van het erf is een licht verhoogd gehalte voor kwik gemeten (0,13-0,5 m -mv). Het bovengrondmengmonster, bestaande uit zintuiglijk schoon zand, direct onder de betonvloeren van de aanwezige bebouwing op de locatie bevat geen verhoogde gehalten voor de onderzochte stoffen (0,12-0,6 m -mv). In het bovengrondmengmonster, bestaande uit humeus zand, rondom de bebouwing en het met beton verharde erf op het noordelijk deel van de locatie is alleen een licht verhoogd gehalte aan kwik aangetoond (0,0-0,5 m -mv). Het bovengrondmengmonster, bestaande uit humeus zand met een bijmenging aan sintels, ter hoogte van de brandplaats van afval bevat matig verhoogde gehalten aan koper en zink en licht verhoogde gehalten voor een aantal andere zware metalen en minerale olie (0,0-0,5 m -mv). In het bovengrondmengmonster, bestaande uit humeus zand, ter plaatse van het grasland op het zuidelijke deel van de locatie zijn geen verhoogde gehalten gemeten voor de onderzochte stoffen uit het standaard analysepakket (0,0 0,5 m -mv). Het ondergrondmengmonster, bestaande uit zand met een zwakke bijmenging aan puin, ter hoogte van de aanwezige puinverharding op het maaiveld nabij de bovengrondse dieseltank bevat licht verhoogde gehalten aan kwik en PCB (0,25-0,75 m -mv).
In het individueel geanalyseerde bovengrondmonster, bestaande uit zintuiglijk schoon zand, direct onder de betonvloer ter plaatse van de bestrijdingsmiddelenopslagplaats is een licht verhoogd gehalte voor alfa-HCH aangetoond (0,15-0,3 m -mv). Deze parameter betreft een organochloorbestrijdingsmiddel (OCB). Het separaat onderzochte bovengrondmonster, bestaande uit humeus zand, in de koepelvormige kas bevat geen verhoogde gehalten voor OCB (0,0-0,25 m -mv). In het individueel geanalyseerde bovengrondmonster, bestaande uit zand, direct naast het aggregaat op de betonplaat is geen verhoogd minerale oliegehalte gemeten (0,0-0,5 m -mv). Het grondwater ter plaatse van de afgebrande opstal en het grasland (zuidelijk deel locatie) bevat licht verhoogde gehalten aan barium. In het grondwater ter hoogte van de ondergrondse septictank zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte stoffen uit het standaard analysepakket aangetoond. De oorzaak van de licht verhoogde gehalten voor barium in het grondwater is onduidelijk; een (punt)bron is niet aanwijsbaar. Waarschijnlijk kunnen de licht verhoogde gehalten voor barium in het grondwater worden aangemerkt als verhoogde achtergrondwaarden. Uitsplitsing Door de aangetoonde matig verhoogd gehalten aan koper en zink in het sintelhoudende bovengrondmengmonster ter hoogte van de brandplaats van afval is een uitsplitsing verricht.
Hierbij zijn de individuele grondmonsters uit het desbetreffende mengmonster geanalyseerd op koper en zink. Uit de resultaten van het uitgesplitste mengmonster is gebleken dat het bovengrondmonster ter plaatse van boring 29 (0,0-0,5 m -mv) sterk verontreinigd is met koper en matig verontreinigd is met zink. In het andere bovengrondmonster, van boring 28 (0,0-0,1 m -mv), is alleen een licht verhoogd gehalte voor zink aangetoond. Nader bodemonderzoek direct naast en rondom boring 29 In de omgeving van boring 29 is nader bodemonderzoek ingesteld voor de horizontale en verticale afbakening van de (matig tot) sterke verontreiniging met koper en zink in de grond. Voor het nader onderzoek zijn 8 extra karteerboringen (nrs. 101 7m 108) verricht. Boring 101 is direct naast boring 29 gesitueerd ten behoeve van de verticale afperking. Boringen 102 7m 108 zijn uitgevoerd rondom boring 29 in het kader van de horizontale afbakening. In eerste instantie zijn separate ondergrondmonsters ter plaatse van boring 29 geanalyseerd op koper en zink (0,5 1,05 m -mv), hetgeen heeft geresulteerd in matig tot sterk verhoogde gehalten. Derhalve is voor de verticale afperking ook het diepere ondergrondmonster van boring 101 chemisch-analytisch onderzocht (1,1-1,5 m -mv). Hierbij is nog steeds een sterke verontreiniging met koper aangetroffen.
Zowel boring 29 als boring 101 zijn gestuit op een ondoordringbare laag op een diepte van respectievelijk 1,05 m -mv en 1,5 m -mv (mogelijk op een oude fundering en/of stortingsmateriaal). Ook boring 102, welke zich ten zuiden van boring 29 bevindt, is gestuit op deze ondoordringbare laag (op 0,9 m -mv). De sterke verontreiniging met koper en zink in de grond kon verticaal dus niet verder worden afgeperkt. De individueel onderzochte grondmonsters ter plaatse van boringen 102 7m 108 zijn ten hoogste licht verontreinigd ______________________ met koper en zink. Hiermee is de sterke verontreiniging met koper en zink in horizontale zin afgebakend._________
L
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
2
Milieu Advies Tabel 1._____ Samenvatting onderzoek_____________________________________________________ Omvang en ernst verontreiniging De hoeveelheid sterk met koper en zink verontreinigde grond in de omgeving van boring 29 wordt op basis van de onderzoeksresultaten ingeschat op circa 20 m3 (oppervlakte verontreiniging ongeveer 15 m2 x laagdikte 1,5 m). Van een geval van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb) is sprake, wanneer in meer dan 25 m3 grond de interventiewaarde wordt overschreden. Een geval van ernstige bodemverontreiniging houdt in dat saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn. Op basis van de ingeschatte omvang van de sterke verontreiniging met koper en zink in de grond tot circa 1,5 m -mv in de omgeving van boring 29 (ongeveer 20 m3) is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, waardoor geen saneringsplicht geldt. Bovengrondse dieseltank In het bovengrondmengmonster, bestaande uit sterk puinhoudend humeus zand, ter plaatse van de bovengrondse dieseltank zijn licht verhoogde gehalten aan kwik, zink en minerale olie aangetoond (0,0-0,25 m -mv). De hoofdzakelijk aangetroffen ketenlengten (fracties C16-C35) en het bijbehorende chromatogram duiden niet op een specifieke oliesoort. Het licht verhoogde gehalte aan minerale olie is waarschijnlijk toe te schrijven aan de bijmenging aan puin in de bodem.
In het grondwater bij de bovengrondse dieseltank is alleen een licht verhoogd gehalte aan barium gemeten. Voor de overige onderzochte stoffen (inclusief minerale olie en vluchtige aromaten) zijn in het grondwater geen verhoogde gehalten vastgesteld. Verkennend asbestonderzoek in bodem - verspreid over de locatie
In de grove bodemfractie ^20 mm) ter plaatse van inspectiegaten IG06, IG07, IG26 zijn stukjes asbestverdacht plaatmateriaal gevonden. In de grove bodemfractie ^20 mm) van alle overige uitgevoerde inspectiegaten zijn geen stukjes asbestverdacht materiaal aangetroffen. Ná analyse is gebleken dat de onderzochte stukjes asbestverdacht materiaal afkomstig uit de grove bodemfractie asbesthoudend zijn. In het onderzochte bovengrondmengmonster ter plaatse van inspectiegat IG07 (0,0-0,1 m -mv) is een totaal gewogen asbestconcentratie aangetroffen van 266,3 mg/kg ds. Deze asbestconcentratie overschrijdt de interventiewaarde voor asbest (van 100 mg/kg ds). Inspectiegat IG07 bevindt zich in een afwateringszone van de kistenbewaring én nabij een vindplaats van asbestrestanten op het maaiveld door Best4best B.V. (zie asbestinventarisatierapport). Het bovengrondmengmonster ter plaatse van inspectiegat IG26 (0,0-0,5 m -mv) bevat een totaal gewogen asbestconcentratie van 87,0 mg/kg ds, hetgeen een overschrijding van de tussenwaarde (van 50 mg/kg ds) inhoudt. Inspectiegat IG26 is ter plaatse van één van de twee grondruggen gesitueerd. In de overige onderzochte grondmengmonsters, inclusief die bij de asbesthoudende rioolbuis van de woonboerderij naar de septictank, alsook op plaatsen waar in de bodem een bijmenging aan puin aanwezig is, wordt de tussenwaarde voor asbest niet overschreden.
Verondersteld wordt dat de interventiewaarde voor asbest (100 mg/kg ds) hier niet zal worden overschreden. Nader bodemonderzoek Doordat in de bovengrond van inspectiegaten IG07 (0,0-0,1 m -mv) en IG26 (0,0-0,5 m -mv) de normwaarde voor asbest wordt overschreden, is nader bodemonderzoek naar asbest verricht. In verband met de beperkte ruimte zijn voor het nader onderzoek geen proefsleuven gegraven, maar inspectiegaten. Voor het nader onderzoek zijn in totaal 10 extra karteerinspectiegaten (inspectiegatnrs. IG101 7m IG110) verricht rondom inspectiegaten IG07 en IG26, ten behoeve van de horizontale afbakening. Voor de verticale afperking is het ondergrondmengmonster van inspectiegat IG07 (0,1-0,5 m -mv) geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. Uit de analyseresultaten blijkt dat in dit ondergrondmengmonster wel asbest is aangetoond, maar in een concentratie (ver) beneden de tussenwaarde. De verontreiniging met asbest ter plaatse van inspectiegat IG07 is hiermee in verticale zin afgeperkt. De asbestconcentratie in de ondergrond van inspectiegat IG26 (0,5-1,0 m -mv) was al in het verkennend bodemonderzoek naar asbest reeds vastgesteld, waarbij geen noemenswaardige asbestverontreiniging is aangetroffen. De verontreiniging met asbest ter plaatse van inspectiegat IG26 is hiermee verticaal afgeperkt.
De grondmengmonsters die zijn geanalyseerd ter plaatse van karteerinspectiegaten IG101 7m IG110, in het kader van de horizontale afbakening, bevatten geen asbest of asbestconcentraties beneden de tussenwaarde. De verontreiniging met asbest ter plaatse van inspectiegaten IG07 en IG26 is hiermee in horizontale zin afgebakend. Omvang en ernst verontreiniging De omvang van de met asbest verontreinigde bovengrond tot boven de interventiewaarde in de omgeving van inspectiegat IG07 wordt op basis van de onderzoeksresultaten ingeschat op enkele kuubs (oppervlakte verontreiniging ongeveer 20 m2 x laagdikte 0,1 m). Van een geval van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb) is sprake wanneer de interventiewaarde voor asbest wordt overschreden. Conform de Wet bodembescherming (Wbb) is ter hoogte van inspectiegat IG07 derhalve sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierdoor geldt ten ______________________ aanzien van asbest een saneringsplicht._______________________________________________________________
L
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
3
Milieu Advies Tabel 1._____ Samenvatting onderzoek
Conclusie onderzoek en advies
Aangezien in de omgeving van inspectiegat IG26 de interventiewaarde voor asbest in zowel het verkennend als in het nader bodemonderzoek niet wordt overschreden, wordt verondersteld dat hier geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Op basis van de resultaten van het verkennend en nader bodemonderzoek (chemisch-analytisch onderzoek) bestaat conform de Wet bodembescherming (Wbb) geen aanleiding voor de uitvoering van saneringsmaatregelen. Over het algemeen zijn in de grond en het grondwater ten hoogste lichte verontreinigingen aangetoond voor de onderzochte stoffen. Alleen in de grond ter plaatse van boring 29 is een sterke verontreiniging met koper en zink aangetroffen tot een diepte van circa 1,5 m -mv. Gezien de beperkte omvang van deze sterke verontreiniging (ongeveer 20 m3) is volgens de Wet bodembescherming geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, waardoor geen saneringsplicht geldt. Aandachtspunt hierbij is dat in de omgeving van boring 29 zich in de bodem een ondoordringbare laag bevindt op een diepte van 0,9 à 1,5 m -mv. Geconcludeerd wordt dat de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek geen beperkingen geven ten aanzien van het huidige gebruik en de mogelijke herinrichting van de locatie ten behoeve van woningbouw, industrie of kantoren.
De resultaten van het verkennend en nader asbestonderzoek in bodem geven conform de Wet bodembescherming wel aanleiding voor het nemen van saneringsmaatregelen. In de bovengrond ter plaatse van inspectiegat IG07 (0,0 0,1 m -mv) wordt namelijk de interventiewaarde voor asbest overschreden. De hoeveelheid met asbest verontreinigde grond tot boven de interventiewaarde is hier ingeschat op enkele kuubs, bij een verontreinigingsoppervlak van ongeveer 20 m2. Omdat sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde voor asbest is conform de Wet bodembescherming sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest, waardoor een saneringsplicht geldt. Op het overige deel van de locatie zijn geen noemenswaardige asbestverontreinigingen in de grond aangetroffen. De locatie wordt, zonder de uitvoering van saneringsmaatregelen ten aanzien van asbest, niet geschikt geacht voor herinrichting ten behoeve van woningbouw, industrie of kantoren. Omdat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (met asbest) is het niet toegestaan om saneringswerkzaamheden te verrichten zonder voorafgaand een saneringsplan op te stellen of een BUS-melding te verrichten. Het saneringsplan of de BUS-melding dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag (Provincie Flevoland of Omgevingsdienst Flevoland, Gooi en Vechtstreek).
De sanering van de verontreiniging dient plaats te vinden onder milieukundige begeleiding. Bij een ontgravingsvariant met afvoer van verontreinigde grond kan de acceptant mogelijk onderzoek naar PFAS voorschrijven. Geadviseerd wordt om alle aanwezige asbestrestanten op het maaiveld van de locatie te verwijderen, dubbel te verpakken en af te voeren naar een stortplaats.
L
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
4
Milieu Advies 1. INLEIDING Door HBC Planontwikkeling B.V. te Schoonhoven is op 24 januari 2020 per e-mail opdracht gegeven aan AT MilieuAdvies B.V. te Schoonhoven voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem aan Westerringweg 11 te Creil (conform offerte AT20/021). In januari 2020 is door Best4best B.V. een asbestinventarisatierapport opgesteld (projectnr. 718B19). Dit rapport is door de opdrachtgever ter beschikking gesteld. Uit deze rapportage blijkt dat meerdere opstallen op de locatie zijn voorzien van asbesthoudend dak- en/of wandplaatmateriaal. Bij de woonboerderij is een ondergrondse asbesthoudende rioolbuis aangetroffen. Deze rioolbuis loopt vanuit de kelder naar een ondergrondse septictank. Verder zijn ter plaatse van het buitenterrein, rondom de aanwezige bebouwing, aan het maaiveld op diverse plaatsen asbestrestanten geconstateerd. In het voorliggende rapport komt eerst het vooronderzoek aan de orde (hoofdstuk 2), waarbij de historische informatie is verzameld conform de richtlijn NEN 5725. Vervolgens worden in hoofdstukken 3 en 4 de opzet, uitvoering en de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek beschreven. Tenslotte komt, na de interpretatie van de resultaten in hoofdstuk 5, de conclusie van het onderzoek aan bod en het eventueel daaruit voortvloeiend advies.
1.1
Aanleiding van het onderzoek
De aanleiding voor de uitvoering van het verkennend bodemonderzoek betreft de voorgenomen eigendomsoverdracht (aankoop) en de mogelijke herinrichting van de locatie ten behoeve van woningbouw, industrie en/of kantoren. De aanleiding voor de uitvoering van het verkennend asbestonderzoek in bodem betreffen de resultaten van het asbestinventarisatierapport van Best4best B.V. uit januari 2020. Mogelijk dat elders op de locatie in de bodem ook nog bijmengingen aan puin aanwezig zijn. Een bijmenging aan puin zou kunnen duiden op de aanwezigheid van asbest in de bodem.
1.2
Doel van het onderzoek
Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De multifunctionaliteit van de bodem kan bij overschrijding van normen van verontreinigende stoffen worden aangetast. Hierdoor kunnen beperkingen ten aanzien van het gebruik van de bodem worden gesteld. Het doel van het verkennend asbestonderzoek in bodem is om na te gaan of de verdenking op bodemverontreiniging met asbest terecht is.
L
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
5
Milieu Advies 2. VOORONDERZOEK 2.1
Locatiegegevens
Adres locatie Kadastraal bekend Gebruik van locatie Oppervlakte RD-coördinaten
Westerringweg 11 te Creil gemeente Noordoostpolder, sectie E, nr. 2442 agrarisch erfperceel 11.578 m2 X: 172.739 Y: 529.684
De onderzoekslocatie is gelegen aan Westerringweg 11 in het buitengebied ten zuidwesten van de woonkern Creil. De te onderzoeken locatie, met een oppervlakte van 11.578 m2, is momenteel in gebruik als agrarisch erfperceel. Op het noordelijke deel van de locatie staan een woonboerderij, een kistenbewaring, een werktuigenloods, een bewaarschuur (met koelruimte), een sorteerloods, een koepelvormige kas, twee kleinere schuurtjes en nog een andere loods. Rondom de bebouwing bevindt zich een erf en is een tuin aanwezig. Aan de noordzijde van de locatie zijn twee dammen gesitueerd. Het zuidelijke deel van de locatie is in gebruik als grasland. De Westerringweg (N712) bevindt zich ten oosten van de onderzoekslocatie. Aan de overige zijden van de locatie is akkerbouwland van derden gesitueerd. In bijlage 1 is de topografische overzichtskaart opgenomen met daarop aangegeven de regionale ligging van de onderzoekslocatie. In bijlage 2 is een situatietekening van de locatie opgenomen. In bijlage 8 zijn foto's van de locatie opgenomen, waarbij de plaats en de opnamerichting van de foto's zijn aangegeven op de tekening in bijlage 2. Maaiveldverhardingen De meeste opstallen op de locatie zijn voorzien van betonvloeren. In één van de twee kleinere schuurtjes bevindt zich een tegelvloer.
Het erf rondom de bebouwing is grotendeels verhard met beton(platen) en voor een kleiner deel met tegels en klinkers. Op het overige deel van de locatie geen maaiveldverhardingen aanwezig. Locatie-inspectie Tijdens de locatie-inspectie d.d. 10 februari 2020 is naar voren gekomen dat op de betonverharding van het erf een buiten gebruik gesteld bovengrondse olietankje in lekbak staat (onder een afdak). Voor de situering van dit buiten gebruik gestelde bovengrondse olietankje wordt verwezen naar foto 25 in bijlage 8. Omdat het tankje buiten gebruik is gesteld, op de betonverharding van het erf staat en in een lekbak is gesitueerd, wordt als gevolg van het tankje geen bodemverontreiniging verwacht. Hierdoor wordt aan dit tankje verder geen aandacht meer besteed in onderhavig bodemonderzoek. Elders op de locatie staat een grotere nog in gebruik zijnde bovengrondse dieseltank, die zich eveneens in een lekbak en onder een afdak bevindt. Voor de situering van de nog in gebruik zijnde bovengrondse dieseltank wordt verwezen naar de tekening in bijlage 2. In de omgeving van de nog in gebruik zijnde bovengrondse dieseltank is het maaiveld verhard met puinhoudend materiaal. Daarnaast is op het maaiveld aan de zuidzijde van de werktuigenloods nog een stortplaats van puin aangetroffen. Nabij de inrit, die toegang tot de locatie verschaft, is een stukje onverhard pad gesitueerd.
L
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
6
Milieu Advies Verder zijn op het buitenterrein ter plaatse van het noordelijk deel van de locatie een aggregaat (op betonplaat), een brandplaats van afval en twee grondruggen aangetroffen. Er wordt vanuit gegaan dat de twee grondruggen uit gebiedseigen grond bestaan. Bij de locatie-inspectie zijn aan het maaiveld geen verkleuringen of verzakkingen geconstateerd. Ook zijn geen olievlekken op de aanwezige maaiveldverhardingen waargenomen. Asbest In verband met de aanwezigheid van puinhoudend materiaal dient op de locatie rekening te worden gehouden met asbest op of in de bodem. Uit een door opdrachtgever ter beschikking gestelde asbestinventarisatie1, verricht door Best4best B.V., is naar voren gekomen dat meerdere opstallen op de locatie zijn voorzien van asbesthoudend dak- en/of wandplaatmateriaal. De meeste asbestdaken zijn voorzien van goed functionerende dakgoten, alleen bij het dak van één van de twee kleinere schuurtjes op de locatie en bij het afdak van de nog in gebruik zijnde bovengrondse dieseltank ontbreken goten. Zowel het dak van het schuurtje als het afdak boven de tank wateren af op onverharde grond. Verder watert een aantal asbesthoudende wanden van opstallen af op onverharde grond. Hierdoor dient in de afwateringszone rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van asbest op of in de bodem.
Door verwering en/of beschadiging zouden asbestrestanten van het dak- en/of wandplaatmateriaal via het regenwater kunnen afspoelen en zodoende in de bodem terecht kunnen komen. Bij de woonboerderij is nog een ondergrondse asbesthoudende rioolbuis geconstateerd van de kelder naar een ondergrondse septictank. Tot slot zijn op het buitenterrein rondom de bebouwing door Best4best B.V. op diverse plaatsen asbestrestanten op het maaiveld aangetroffen. Deze vindplaatsen zijn overgenomen op de situatietekening in bijlage 2. PFAS In grote delen van Nederland worden diffuus verhoogde waarden voor de stoffengroep PFAS2 aangetroffen. In eerste instantie werden alleen de Chemours-pluim (verdacht op PFOA; PerFluorOctaanzuur) en vliegvelden (verdacht op PFOS; PerFluorOctaanSulfonzuur) als verdacht aangemerkt. Uit vervolgonderzoek blijkt dat deze stoffen op meer plaatsen in Nederland kunnen voorkomen. Ter plaatse van onderhavige onderzoekslocatie worden geen verhoogde gehalten aan PFAS verwacht, waardoor onderzoek naar deze stoffengroep niet noodzakelijk is. Toekomstige bestemming Op de locatie is herontwikkeling gepland. Na de sloop van de huidige bebouwing op het noordelijke deel van de locatie, zal nieuwbouw worden gerealiseerd. Het zuidelijke deel van de locatie, bestaande uit grasland, blijft waarschijnlijk gehandhaafd.
1 2
L
Asbestinventarisatierapport Westerringweg 11 te Creil, Best4best B.V., januari 2020, projectnr.: 718B19 PFAS: Poly- en perfluor alkyl stoffen. Door de unieke eigenschappen van deze stoffen zijn ze vanaf de jaren '60 grootschalig toegepast. Dat gecombineerd met de zeer slechte afbreekbaarheid van deze verbindingen, heeft er voor gezorgd dat de stoffen wijd verspreid zijn. In Europa is PFOS, onder andere bekend van blusschuim, sinds 2010 verboden en wordt het gebruik van PFOA, onder andere bekend van teflon en de Chemoursfabriek te Dordrecht, in 2020 verboden.
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
7
Milieu Advies 2.2
Historische informatie
Informatie uit topografisch kaartmateriaal Bij de projectie van de historische kaart anno 1960 (www.topotiidreis.nl) op meer recent kaartmateriaal tot het jaar 2018 (zie bijlage 1) blijkt dat de eerste bebouwing op de locatie dateert van de jaren '70. Voorheen was de locatie in gebruik als akkerbouwland. De openbare weg (Westerringweg) was in 1960 al aanwezig. Ná 1970 is de bebouwing op het noordelijk deel van de locatie uitgebreid. De bebouwingscontouren zijn in de loop der tijd enkele malen gewijzigd, waarbij waarschijnlijk enkele opstallen zijn gesloopt. Het zuidelijke deel van de locatie (grasland) is waarschijnlijk nooit bebouwd geweest. Parallel aan de oostgrens van de locatie is in het verleden een sloot gedempt. Voor de situering van de gedempte sloot wordt verwezen naar de tekening in bijlage 2. Uit de (historische) topografische kaarten komt voor de locatie verder geen informatie naar voren die kan duiden op de aanwezigheid van ophogingen, stortingen, opvullingen, (lozings)putten, veranderingen in de verkaveling en specifieke verdachte agrarische activiteiten zoals (glas)tuinbouw, bollenteelt en fruitteelt. In bijlage 7 zijn de historische topografische kaarten opgenomen.
Informatie uit digitaal Bodemloket Uit het digitale Bodemloket (www.bodemloket.nl) blijkt dat op het adres van de onderzoekslocatie een bovengrondse dieseltank en een bestrijdingsmiddelenopslagplaats geregistreerd staan. Voor zover bekend is op de locatie niet eerder bodemonderzoek uitgevoerd. Volgens het digitale Bodemloket zijn in de directe omgeving van de onderzoekslocatie geen historische bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten, bodemonderzoeken en saneringen verricht. Informatie verkregen van Provincie Flevoland en van Omgevingsdienst Flevoland, Gooi en Vechtstreek Uit de opgevraagde omgevingsrapportage bij Provincie Flevoland komen voor onderhavige onderzoekslocatie geen aanvullende gegevens naar voren, anders dan hiervoor reeds omschreven. De omgevingsrapportage is opgenomen in bijlage 7. Uit het digitale bodeminformatiesysteem van Omgevingsdienst Flevoland, Gooi en Vechtstreek blijkt dat de locatie deel uitmaakt van een gebied met de bodemfunctieklasse Overig. De bovengrond behoort tot bodemkwaliteitszone B1 'Overig bebouwd- en buitengebied Flevoland'. De ondergrond is ingedeeld in bodemkwaliteitszone O1 'Ondergrond Flevoland'. Op de Ontgravingskaart Bovengrond, Ontgravingskaart Ondergrond en Toepassingskaart Bovengrond ligt de locatie in een gebied dat is geclassificeerd als klasse Landbouw/natuur.
Informatie van opdrachtgever Volgens de door opdrachtgever beschikbaar gestelde informatie dateert de woonboerderij van 1955 en is deze onderkelderd. Bij de woonboerderij ligt een ondergrondse septictank. In 1960 is de bewaarschuur gebouwd. De sorteerloods is gerealiseerd in 1977 en de werktuigenloods in 1995. De kistenbewaring dateert van 1990 en het bouwjaar van de andere loods betreft 1976.
L
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
8
Milieu Advies Informatie van eigenaar Om een indruk te verkrijgen van de eigendomsgegevens en de historie van de locatie is door de huidige eigenaar (de heer L. Hermus) een door AT MilieuAdvies B.V. opgestelde vragenlijst ingevuld. Uit deze vragenlijst blijkt dat de locatie sinds 1983 in eigendom is bij de heer L. Hermus. Het voormalige gebruik betrof een akkerbouwbedrijf, waarbij een bestrijdingsmiddelenopslag in een daarvoor bestemde kast in de luchtsluis van de kistenbewaring aanwezig was. Enigszins centraal op het erf, ter plaatse van de betonverharding, is volgens de eigenaar in 1989 een opstal afgebrand. Gelijktijdig met de sloop van de afgebrande opstal zijn ook de daarin verwerkte asbesthoudende toepassingen verwijderd. Voor de situering van de bestrijdingsmiddelenopslagplaats en de afgebrande opstal wordt verwezen naar de tekening in bijlage 2.
2.3
Bodemopbouw en geohydrologie
Het geohydrologische profiel van het gebied waarbinnen de locatie is gesitueerd, wordt in tabel 2 weergegeven. Tabel 2. Geohydrologisch profiel (Bron: Grondwaterkaart van Nederland, ____________ inventarisatierapport Lelystad, Dienst Grondwaterverkenning TNO 1980, GWK 27)_______ Pakket
Diepte [m] t.o.v. NAP
deklaag
-4
-
-11
1e watervoerend pakket
-11
-
-21
Twente
Zand met inschakelingen aan klei en veen Slibhoudende fijne tot grove zanden
scheidende laag
-21
-
-26
Kreftenheye
Leem
Geohydrologische formatie Westland
Samenstelling
De stromingsrichting van het grondwater uit het eerste watervoerend pakket is waarschijnlijk oostelijk. De locatie maakt, voor zover bekend, geen deel uit van een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebied.
2.4
Hypothese
Vanwege het jarenlange gebruik (diffuse belasting) en/of de aanwezigheid van 'open' verhardingen wordt de locatie als verdacht aangemerkt. De bodem, met name de bovengrond, is ten gevolge van de aanwezigheid van verhardingen en/of stortingen mogelijk verontreinigd geraakt. Als potentieel bodemverontreinigende stoffen worden zware metalen, PAK, PCB en minerale olie aangemerkt. Deze stoffen kunnen ook ter plaatse van de twee dammen, de afgebrande opstal, de ondergrondse septictank en de brandplaats van afval worden verwacht. Verder kunnen ter plaatse van de bestrijdingsmiddelenopslagplaats verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen (OCB) aanwezig zijn. Ook de bodem ter plaatse van de bovengrondse dieseltank en het aggregaat (op betonplaat) wordt als verdacht aangemerkt. Mogelijk is de bodem ten gevolge van lek- en/of morsverliezen verontreinigd geraakt. Als potentieel bodemverontreinigende stoffen worden hier minerale olie en vluchtige aromaten aangemerkt. De bodem ter plaatse van de voormalige sloot wordt eveneens als verdacht aangemerkt. Onduidelijk is waarmee de voormalige sloot is gedempt. Mogelijk is verontreinigd dempingmateriaal toegepast.
L
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
9
(9
Milieu Advies De locatie wordt vanuit het oogpunt van bodemverontreiniging ten aanzien van asbest als verdacht aangemerkt. Dit door de aanwezigheid van asbesthoudend dak- en/of wandplaatmateriaal ter plaatse van meerdere opstallen, waarbij afwatering soms op onverharde grond plaatsvindt. Verder bevindt zich op de locatie een asbesthoudende rioolbuis van de woonboerderij naar de septictank en zijn elders op het buitenterrein op diverse plaatsen asbestrestanten aangetroffen. Daarnaast kunnen op de locatie bijmengingen aan ongedefinieerd puin in de bodem aanwezig zijn.
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
10
Milieu Advies 3. ONDERZOEKSSTRATEGIE Onderzoeksopzet Op verzoek van opdrachtgever wordt een dubbele onderzoeksinspanning gehanteerd voor zowel het verkennend bodemonderzoek als voor het verkennend asbestonderzoek in bodem. Het verkennend bodemonderzoek wordt verricht volgens de richtlijn NEN 5740^1:2016, conform de onderzoeksstrategie voor een "diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming" (VED-HE-NL). Eén van de peilbuizen wordt bij de ondergrondse septictank geplaatst. Verder gaat extra aandacht uit naar de twee dammen, de gedempte sloot, de afgebrande opstal, het aggregaat (op betonplaat), de brandplaats van afval en de bestrijdingsmiddelenopslagplaats. Bij de bestrijdingsmiddelenopslagplaats wordt een aanvullende bovengrondanalyse op OCB (organochloorbestrijdingsmiddelen) verricht. Het onderzoek ter plaatse van de bovengrondse dieseltank wordt uitgevoerd volgens het protocol VEP (verdacht met plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern), zoals omschreven in de NEN 5740^1:2016. Voor het onderzoek bij de tank wordt geen dubbele onderzoeksinspanning toegepast.
Het verkennend asbestonderzoek in bodem wordt uitgevoerd conform de onderzoeksopzet voor een "diffuus belaste locatie met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging op schaal van monsterneming", zoals omschreven in de NEN 5707. Hierbij wordt extra aandacht besteed aan de afwateringszones van asbesthoudend dak- en/of wandplaatmateriaal, de asbesthoudende rioolbuis tussen de woonboerderij en de septictank en aan de aanwezige asbestrestanten op het buitenterrein (zie asbestinventarisatierapport van Best4best B.V.). Indien op de locatie puinbijmengingen in de bodem voorkomen, dan wordt hier ook aandacht aan besteed.
3.1
Uitvoering bodemonderzoek
Verkennend bodemonderzoek Voorafgaand aan de uitvoering van de boringen wordt een visuele maaiveldinspectie uitgevoerd naar de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Indien asbestverdachte materialen worden gevonden, zal hiervan per type asbestverdacht materiaal een representatief monster worden genomen. Vervolgens worden met behulp van een Edelmanboor verspreid over de locatie boringen verricht tot een diepte van tenminste 1,0 m -mv. Een aantal boringen wordt doorgezet tot een diepte van circa 2,0 m -mv en minimaal 0,5 m onder de grondwaterstand. Van de diepere boringen wordt er meerdere afgewerkt met een peilbuis. In verband met de aanwezigheid van een betonverhardingen worden 14 boringen voorgeboord met een diamantboorinstallatie. De boorgaten worden afgewerkt met ronde vloeistofdichte straatpotten of met beton. Tijdens de uitvoering van de boringen wordt de opgeboorde grond beschreven en geclassificeerd, zintuiglijk beoordeeld op eventuele verontreinigingen en bemonsterd in trajecten van maximaal 0,5 m. Van de verrichte boringen worden boorbeschrijvingen gemaakt.
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
11
(9
Milieu Advies Van de boven- en ondergrond worden grond(meng)monsters geanalyseerd op het NEN 5740-grondpakket (NEN-G; zie tabel 3), OCB en/of minerale olie. Bij het samenstellen van 'verdachte' mengmonsters worden maximaal 4 grondmonsters gemengd. Bij 'onverdachte' mengmonsters worden maximaal 10 grondmonsters gemengd. Voor het berekenen van de gecorrigeerde concentraties van de geanalyseerde stoffen (bodemtypecorrectie) worden aanvullend de gehalten lutum en/of organische stof bepaald. Het grondwater uit de peilbuizen wordt een week na plaatsing bemonsterd. De aan de peilbuizen te onttrekken grondwatermonsters worden geanalyseerd op het NEN 5740-grondwaterpakket (NEN-W; zie tabel 3). Bij de grondwaterbemonstering worden de grondwaterstand, de troebelheid (NTU), de zuurgraad (pH) en de elektrische geleidbaarheid (EC) van het grondwater gemeten. Verkennend asbestonderzoek in bodem Met behulp van een spade worden verspreid over de locatie inspectiegaten gegraven van 0,3 m (lengte) x 0,3 m (breedte) in lagen van 5 à 10 cm tot een diepte van tenminste 0,5 m in de verdachte laag of tot op de ongeroerde ondergrond. De inspectiegaten worden gegraven op de meest verdachte plekken, bijvoorbeeld op plaatsen waar een bijmenging aan puin in de bodem wordt aangetroffen. Ook in de afwateringszones van opstallen met asbesthoudend dak- en/of wandplaatmateriaal worden inspectiegaten gegraven.
Hierbij wordt de bovenste 0,1 m van de bodem apart bemonsterd. Verder worden inspectiegaten gegraven ter plaatse van de door Best4best B.V. geconstateerde asbestrestanten op het buitenterrein alsmede bij de asbesthoudende rioolbuis tussen de woonboerderij en de septictank. Voorafgaand aan het graven van een inspectiegat wordt het bodemvochtpercentage gemeten. Indien het bodemvochtpercentage beneden de 10% ligt, wordt het maaiveld bevochtigd met water. Is het bodemvochtpercentage hoger dan 10% dan zijn geen aanvullende veiligheidsmaatregelen noodzakelijk. De standaard veiligheidsmiddelen kunnen worden gehanteerd, die ook bij een regulier bodemonderzoek worden gebruikt. Het opgegraven bodemmateriaal wordt beschreven en geclassificeerd, zintuiglijk beoordeeld op eventuele verontreinigingen en bemonsterd in trajecten met een maximale laagdikte van 0,5 m. Van elk inspectiegat wordt in het veld een bodemprofielbeschrijving gemaakt. Voorafgaand aan de monstername wordt het materiaal gezeefd (maaswijdte 20 mm) of geharkt (maaswijdte 20 mm), afhankelijk van de bodemsamenstelling. De gezeefde of geharkte grove fractie wordt visueel geïnspecteerd op asbestverdacht materiaal. Bij het aantreffen van asbestverdacht materiaal wordt per bodemlaag van elk type een representatief materiaal(verzamel)monster samengesteld, dubbel verpakt en meegenomen voor eventuele analyse.
Per type asbestverdacht materiaal wordt in het veld het totaalgewicht bepaald. Ook de gezeefde of geharkte grove fractie wordt gewogen. Indien bodemvreemd materiaal wordt waargenomen zal hiervan het gewichtspercentage worden bepaald. Bij minder dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal wordt van de fijne fractie per inspectiegat in het veld een grondmengmonster samengesteld uit 20 grepen van elk 0,5 kg (tenminste 10 kg ds per grondmengmonster). Op een aantal representatieve grondmengmonsters wordt een asbest kwantificatie-onderzoek uitgevoerd (zie tabel 3). Daarbij wordt de concentratie asbest in de fijne bodemfractie bepaald. Bij meer dan 50 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal vervalt de opzet conform NEN 5707 en is de NEN 5897 van toepassing (er is dan geen sprake meer van grond). Van de fijne puinfractie per inspectiegat wordt in het veld dan een mengmonster samengesteld van minimaal 25 kg ds.
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
12
(9
Milieu Advies Een aantal inspectiegaten wordt met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 12 cm uitgeboord tot een diepte van ongeveer 1,0 m -mv of tenminste 0,5 m onder een eventueel aan te treffen asbestverdachte bodemlaag. Het opgeboorde materiaal wordt beschreven en geclassificeerd, visueel geïnspecteerd op eventuele (asbest)verontreinigingen en bemonsterd in trajecten van maximaal 0,5 m. Van de verrichte boringen worden in het veld boorprofielbeschrijvingen gemaakt.
3.2
Boorplan en analyses
In tabel 3 wordt het boor- en analyseprogramma weergegeven in de vorm van aantallen uit te voeren boringen, inspectiegaten en analyses. De exacte monsternamepunten worden tijdens het veldwerk bepaald. Tabel 3._____ Boor- en analyseprogramma Verkennend bodemonderzoek
Aantal boringen
Diepte [m -mv]
Waarvan met peilbuis
Analyses grond
-
36 én
1,0
-
4 x NEN-G 4 x H+L 1 x OCB
12
2,0*
4 (n)
4 x NEN-G 4 x H+L
4x NEN-W
3
2,0*
-
1 x MO 1xH
-
Aantal inspectie gaten
Diepte [m -mv]
Analyses grond
Analyses puin
Analyses plaatmateriaal
36 én
0,5
8 x asbest-G
-
4 x asbest-M
8
1,0**
-
-
-
Verspreid over de locatie (oppervlakte ca. 1,2 hectare)
Bovengrondse dieseltank Verkennend asbestonderzoek in bodem
Verspreid over de locatie (oppervlakte ca. 1,2 hectare)
* ** (n) H (+L) NEN-G NEN-W OCB MO asbest-G asbest-M
Analyses grondwater
Opmerkingen - waarvan 14 (inpandige) betonboringen - waarvan één peilbuis bij ondergrondse septictank, één peilbuis bij bovengrondse dieseltank (gecombineerd onderzoek) en één peilbuis tpv afgebrande opstal - waarvan 1 boring en bovengrondanalyse op OCB tpv bestrijdingsmiddelenopslagplaats - waarvan 1 boring per dam en 3 boringen in gedempte sloot - waarvan 1 boring bij aggregaat (op betonplaat) en 1 boring thv brandplaats van afval één van de boringen wordt afgewerkt als peilbuis (gecombineerd met verkennend onderzoek elders op de locatie)
Opmerkingen - waarvan aantal inspectiegaten in afwateringszones van opstallen met asbesthoudend dak- en/of wandplaatmateriaal (bovenste 0,1 m apart bemonsteren) - waarvan 1 inspectiegat thv asbesthoudende rioolbuis tussen woonboerderij en septictank en meerdere inspectiegaten tpv aangetroffen asbestrestanten op buitenterrein
boring tot circa 2,0 m -mv en tenminste 0,5 m onder de grondwaterstand inspectiegat tot 0,5 m -mv en vanaf 0,5 m -mv uitboren tot 1,0 m -mv of minimaal 0,5 m onder een eventueel aanwezige asbestverdachte bodemlaag bovenzijde van het filter van de peilbuis op 0,5 m onder de grondwaterstand organische stof (en lutum) droge stof, de zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK som 10), PCB (som-7) en minerale olie (C10-C40) de zware metalen barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink, vluchtige aromaten (BTEXN), gechloreerde koolwaterstoffen en minerale olie (C10-C40) bestrijdingsmiddelen, 24 verbindingen GC/MS (waaronder DDT en drins) minerale olie (C10-C40) asbestconcentratie grond kwantitatief, mg/kg ds, 10 kg ds, NEN 5898 asbestonderzoek stereo/pol plaatmateriaal kwan/kwalitatief (m/mŵ), materiaal 5 x 5 cm, NEN 5896
De grond- en grondwateranalyses worden verricht conform AS3000.
L
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
13
Milieu Advies 3.3
Kwaliteitsborging
AT MilieuAdvies B.V. heeft, als onafhankelijk adviesbureau, geen relatie met de opdrachtgever anders dan opdrachtgever/opdrachtnemer. AT MilieuAdvies B.V. "keurt geen eigen grond" waarmee de onafhankelijkheid van het onderzoek is gewaarborgd. Het kwaliteitssysteem van AT MilieuAdvies B.V. voldoet aan de eisen van de NEN-EN ISO 9001:2015 (certificaatnr.: EC-KWA-99019). De veldwerkzaamheden worden uitgevoerd naar de richtlijnen van de BRL SIKB 2000 conform de daarbij behorende protocollen. AT MilieuAdvies B.V. is gecertificeerd voor de protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018 (certificaatnr.: EC-SIK-20244). Het protocol 2001 is bestemd voor het correct verrichten van veldwerk, zoals het plaatsen van boringen en peilbuizen. Het protocol 2002 geeft voorschriften voor het bemonsteren van het grondwater uit peilbuizen. Het protocol 2003 heeft betrekking op het uitvoeren van veldwerkzaamheden ten behoeve van waterbodemonderzoek. De richtlijnen voor asbestonderzoek in bodem zijn omschreven in het protocol 2018. Bij afwijking van de kritieke proceseisen van de BRL en/of de protocollen wordt het onderzoek niet gerapporteerd onder certificaat. In de rapportage wordt dan melding gemaakt van de kritieke afwijkingen.
De fysische en chemische analyses worden uitgevoerd door de door de Raad van Accreditatie conform criteria voor testlaboratoria geaccrediteerde milieulaboratoria Eurofins Analytico B.V. te Barneveld (nr. RvA L 010) en Eurofins Omegam B.V. te Amsterdam-Duivendrecht (nr. RvA L 086). Bij ieder milieukundig bodemonderzoek wordt gestreefd naar een optimale representativiteit. Toch is een dergelijk onderzoek gebaseerd op een beperkt aantal boringen, inspectiegaten en analyses. Hierdoor blijft het mogelijk dat lokale afwijkingen in de samenstelling van de bodem aanwezig kunnen zijn, die tijdens het bodemonderzoek niet naar voren zijn gekomen. Verder is een milieukundig onderzoek een momentopname. Beïnvloeding van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zal ook plaats kunnen vinden na de uitvoering van het onderzoek. AT MilieuAdvies B.V. acht zich niet aansprakelijk voor eventuele schade of gevolgen voortvloeiend uit het bodemonderzoek.
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
14
Milieu Advies 4. UITVOERING ONDERZOEK 4.1
Veldwerk
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door Mario van Kooten van AT MilieuAdvies B.V. conform de richtlijnen in de BRL SIKB 2000 en de daarbij behorende protocollen 2001, 2002 en 2018. Het veldwerk is onafhankelijk van de opdrachtgever uitgevoerd conform de eisen aan de externe functiescheiding in de BRL SIKB 2000. De verklaring van onafhankelijkheid is opgenomen in bijlage 9.
4.1.1 Resultaten visuele maaiveldinspectie De visuele maaiveldinspectie is uitgevoerd met regenachtig weer, maar met goed zicht. De visuele maaiveldinspectie heeft plaatsgevonden op de vrij toegankelijke terreindelen. Door de aanwezigheid van vegetatie (onkruid, gras, struiken en bomen), bladerdek en opslag van materiaal wordt de inspectieefficiëntie op het inspecteerbare deel van de locatie ingeschat op ongeveer 50%. Naast de geconstateerde asbestrestanten door Best4best B.V. (zie asbestinventarisatierapport) zijn ten tijde van de uitvoering van onderhavig bodemonderzoek op nog meer plaatsen aan het maaiveld stukken of stukjes asbestverdacht materiaal gevonden. De vindplaatsen zijn weergegeven op de tekening in bijlage 2. Ter verificatie is een tweetal gevonden losse stukjes plaatmateriaal op het maaiveld dubbel verpakt en meegenomen (monstercodering: A01 en A02). Aangezien de twee bemonsterde stukjes plaatmateriaal van hetzelfde type zijn, is uiteindelijk alleen monster A01 in het milieulaboratorium geanalyseerd op de aanwezigheid van asbest. De terreindelen waar geen visuele maaiveldinspectie heeft plaats kunnen vinden, zoals in niet toegankelijke gebouwen, blijven formeel als asbestverdacht aangemerkt.
4.2
Uitgevoerde werkzaamheden
Verkennend bodemonderzoek Het veldwerk voor het verkennend bodemonderzoek is verricht in week 7 en week 8 van het jaar 2020 conform de onderzoeksopzet in hoofdstuk 3. Daarbij zijn verspreid over de locatie 51 handboringen verricht (nrs. 01 Vm 51). Een deel van de boringen is uitgevoerd ter plaatse van de afgebrande opstal (boring 04), de bestrijdingsmiddelenopslagplaats (boring 10), de ondergrondse septictank (boring 20), het aggregaat op de betonplaat (boring 26), de brandplaats van afval (boring 28), de gedempte sloot (boornrs. 36 t/m 38), de twee dammen (boringen 40 en 41) en de bovengrondse dieseltank (boringen 49 Vm 51). De boringen zijn verricht met behulp van een Edelmanboor, puinboor en zuigerboor. Door de aanwezigheid van betonverhardingen zijn 14 boringen voorgeboord met een diamantboorinstallatie. De boorgaten van boringen 04, 20, 45 en 49 zijn ten behoeve van de grondwatermonstername afgewerkt met een peilbuis (peilbuizen 04, 20, 45 en 49). De plaatsen van de boorpunten zijn aangegeven op de tekening in bijlage 2.
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
15
(9
Milieu Advies Naar aanleiding van de analyseresultaten (zie Ş 4.7.1) is in overleg met de opdrachtgever nader bodemonderzoek ingesteld. In de bovengrond van boring 29 zijn namelijk matig tot sterk verhoogde gehalten aan koper en zink aangetoond. Voor het nader onderzoek zijn op 9 maart 2020 in totaal 8 extra karteerboringen (nrs. 101 Vm 108) in de omgeving van boring 29 verricht. De plaatsen van de karteerboringen zijn aangegeven op de tekening in bijlage 2. Verkennend asbestonderzoek in bodem Het veldwerk ten behoeve van het verkennend asbestonderzoek in bodem is verricht in week 7 en week 8 van het jaar 2020 conform de onderzoeksopzet in hoofdstuk 3. Daarbij zijn met behulp van een spade verspreid over de locatie 44 inspectiegaten gegraven (nrs. IG01 Vm IG44). Een deel van de inspectiegaten is verricht in afwateringszones van asbesthoudend dak- en/of wandplaatmateriaal (inspectiegatnrs. IG01 7m IG11). Ook zijn inspectiegaten uitgevoerd ter hoogte van de asbesthoudende rioolbuis tussen de woonboerderij en de septictank (inspectiegat IG12) en ter plaatse van aanwezige asbestrestanten op het maaiveld (inspectiegaten IG13 Vm IG16). De situering van de inspectiegaten is weergegeven op de tekening in bijlage 2. Door de analyseresultaten (zie Ş 4.7.3) is in overleg met de opdrachtgever nader bodemonderzoek naar asbest ingesteld.
In de bovengrond van inspectiegaten IG07 en IG26 wordt namelijk de normwaarde voor asbest overschreden. In verband met de beperkte ruimte zijn voor het nader onderzoek geen proefsleuven gegraven, maar inspectiegaten. Voor het nader bodemonderzoek naar asbest zijn op 9 maart 2020 in totaal 10 extra karteerinspectiegaten (inspectiegatnrs. IG101 Vm IG110) verricht in de omgeving van inspectiegaten IG07 en IG26. De plaatsen van de karteerinspectiegaten zijn aangegeven op de tekening in bijlage 2.
4.3
Veldwaarnemingen
4.3.1 Bodemopbouw Bij het veldwerk is gebleken dat het bodemprofiel tot de geboorde einddiepte van circa 3,2 m -mv hoofdzakelijk uit zand bestaat, waarbij op meerdere plaatsen inschakelingen aan veen of klei voorkomen. De grondwaterstand is tijdens de uitvoering van de boringen waargenomen op een diepte variërend van 0,7 tot 1,7 m -mv. Voor een beschrijving van de aangetroffen bodemlagen en de trajecten van monstername wordt verwezen naar de boorbeschrijvingen in bijlage 3.
4.3.2 Zintuiglijke waarnemingen Verkennend bodemonderzoek De zintuiglijke waarnemingen die kunnen duiden op een (mogelijke) verontreiniging van de bodem zijn opgenomen in tabel 4. Ook de zintuiglijke waarnemingen van de extra uitgevoerde karteerboringen voor het nader bodemonderzoek zijn alvast in deze tabel verwerkt. Tabel 4._____ Zintuiglijke waarnemingen Diepte boring [m -mv] Verspreid over de locatie Boring
01
1,00
Traject
Hoofdgrond soort
Bijmenging(en)
0,15 - 0,25
Zand
sterk grindhoudend, zwak baksteenhoudend
0,25 - 0,40
--
volledig baksteen
[m -mv]
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
16
Milieu Advies Tabel 4._____ Zintuiglijke waarnemingen Boring
Diepte boring [m -mv]
Traject [m -mv]
Hoofdgrond soort
Bijmenging(en) sporen baksteen
02
2,00
0,12 - 0,20
Zand
06
1,00
0,10 - 0,30
Zand
sporen baksteen
08
1,00
0,13 - 0,40
Zand
matig puinhoudend, laagjes baksteen
28
1,00
0,00 - 0,10
Zand
sporen sintels
29
1,05
0,00 - 1,00
Zand
zwak sintelhoudend
31
0,50
1,00 - 1,05 0,00 - 0,30
Zand Zand
gestuit sterk puinhoudend
0,30 - 0,50
Zand
zwak puinhoudend, gestuit (puin)
39
1,00
0,00 - 0,25
--
volledig baksteen
40
0,50
0,00 - 0,50
Zand
gestuit (massief)
41
1,00
0,13 - 0,20
Zand
sporen baksteen
Bovengrondse dieseltank 49
2,90
0,00 - 0,20
Zand
brokken puin
50
1,15
0,00 - 0,25
Zand
sterk puinhoudend
0,25 - 1,15
Zand
zwak puinhoudend, gestuit (puin)
51
1,15
0,20 - 1,15
Zand
gestuit (grof puin?)
Nader bodemonderzoek direct naast en rondom boring 29 101
1,50
0,40 - 0,80
Zand
zwak sintelhoudend
0,80 - 1,10
Zand
resten hout
Klei Zand
gestuit sporen puin, gestuit
Zand
resten planten
102
0,90
1,10 - 1,50 0,50 - 0,90
105
1,00
0,50 - 1,00
106 1,10 0,00 - 0,50 Zand matig houtskoolhoudend Mate van bijmenging: 0-2% sporen, 2-5% resten, 5-15% zwak, 15-40% matig, 40-60% sterk, 60-100% volledig (>50%, geen grond)
Tijdens het zintuiglijk onderzoek zijn verder geen afwijkingen geconstateerd aan het opgeboorde bodemmateriaal; er is geen olie-water reactie waargenomen. Ook is geen afwijkend (of bodemvreemd) dempingsmateriaal aangetroffen ter plaatse van de voormalige sloot op de locatie. In de bodem ter plaatse van de boorpunten zijn ook geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Verkennend asbestonderzoek in bodem De zintuiglijke waarnemingen die kunnen duiden op een (mogelijke) asbestverontreiniging van de bodem zijn opgenomen in tabel 5. Tabel 5._____ Zintuiglijke waarnemingen asbestonderzoek Afmetingen monsternamepunt Inspectiegat [lengte x breedte, m] Verspreid over de locatie IG01
0,70 x 0,30
Diepte monsternamepunt
Traject
[m -mv]
[m -mv]
0,50
0,30 x 0,30 IG02
0,65 x 0,40
0,50
0,30 x 0,30 IG03
0,80 x 0,35 0,30 x 0,30
L
0,50
Hoofd grond soort
Bijmenging(en)
Aantal gevonden stukjes asbestverdacht materiaal in grove fractie ^20 mm)/ totaal gewicht van de stukjes
0,00 - 0,10
Zand
zwak puinhoudend
0 stukjes
0,10 - 0,50
Zand
zwak puinhoudend
0 stukjes
0,00 - 0,10
Zand
zwak puinhoudend
0 stukjes
0,10 - 0,50
Zand
0 stukjes
0,00 - 0,10
Zand
0,10 - 0,50
Zand
sporen puin zwak puinhoudend, matig plastichoudend zwak puinhoudend, zwak baksteenhoudend
Verkennend bodemonderzoek en verkennend asbestonderzoek in bodem, Westerringweg 11 te Creil Rapportnr.: AT20012, maart 2020
0 stukjes 0 stukjes
17
Milieu Advies Tabel 5._____ Zintuiglijke waarnemingen asbestonderzoek Inspectiegat
IG04
Afmetingen monsternamepunt [lengte x breedte, m]
Diepte monsternamepunt
Traject
[m -mv]
[m -mv]
0,65 x 0,60
0,60
0,40 x 0,30 IG05
0,75 x 0,45
0,50
0,30 x 0,30 IG06
0,65 x 0,60
0,50
0,30 x 0,30 IG07
0,70 x 0,40
0,50
0,30 x 0,40 IG10
0,70 x 0,70
0,27
0,30 x 0,30 IG12
0,45 x 0,30
1,00
0,30 x 0,30
Hoofd grond soort
Bijmenging(en)
Aantal gevonden stukjes asbestverdacht materiaal in grove fractie ^20 mm)/ totaal gewicht van de stukjes
0,00 - 0,10
Zand
zwak puinhoudend
0 stukjes
0,10 - 0,60
Zand
sterk puinhoudend, gestuit (puin)
0 stukjes
0,00 - 0,10
Zand
zwak puinhoudend
0 stukjes
0,10 - 0,50
Zand
0 stukjes
0,00 - 0,10
Zand
0,10 - 0,50
Zand
0,00 - 0,10
Zand
0,10 - 0,50
Zand
zwak puinhoudend, gestuit (beton) zwak puinhoudend, zwak asbestverdacht materiaalhoudend zwak puinhoudend, zwak asbestverdacht materiaalhoudend. gestuit (beton) zwak asbestverdacht materiaalhoudend sporen puin
0,00 - 0,10
Zand
sporen grind
0 stukjes
0,10 - 0,20
--
volledig beton
0 stukjes
0,20 - 0,27
Zand
0 stukjes
0,00 - 0,50