6.1 Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens'.pdf
Tekst van het document
Situatie in en bij het plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met de blauwe contour) en omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl)
Binnen het plangebied zelf en in de omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere risicovolle inrichtingen (rode stip met rode contour). Het betreffen bovengrondse opslagtanks (propaan of ander vloeibaar gemaakt brandbaar gas). De plaatsgebonden risicocontour van de bovengrondse opslagtank bedraagt voor de tank binnen het plangebied 20 meter. Verder ligt op circa 700 meter ten westen van het plangebied het Basisnet wegtraject “N50: Knp. Emmeloord afrit N352 (Ens)”. Over dit traject worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het groepsrisico-plafond ligt op 48 meter. Er geldt voor dit traject geen plasbrandaandachtsgebied. In voorliggend geval gaat het uitsluitend om de functiewijziging van een agrarische bedrijfswoning naar reguliere woningen. Daarnaast wordt een nieuwe werktuigenberging binnen het agrarische deel van het erf gerealiseerd. Door de ontwikkeling neemt het aantal personen dat verblijft binnen het plangebied niet toe. Er is daarom eveneens geen toename van het groepsrisico. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is daardoor niet noodzakelijk. Uit de inventarisatie blijkt verder dat de locatie: • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
26
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp 5.4.3
Conclusie
Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De VNG-uitgave gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of bedrijven op een passende afstand van woningen worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. In voorliggend geval is sprake van buitengebied met verspreid liggende agrarische en woonerven. Er is in dit geval sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp 5.5.3
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. Dit plan voorziet in de gedeeltelijke functiewijziging van agrarisch naar wonen. De functie wonen is geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is daarmee geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Daarnaast wordt het agrarisch bouwvlak aan de achterzijde verruimd ten behoeve van een nieuwe werktuigenberging ten behoeve van akkerbouwactiviteiten. Hierbij worden de agrarische gebruiksmogelijkheden terug geschaald naar materieelopslag en opslag van agrarische producten. Een dergelijke functie kan op basis van de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden gezien als ‘Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen)’. Het betreft een milieucategorie 2 activiteit met in het omgevingstype ‘gemengd gebied’ een grootste richtafstand van 10 meter voor eventuele geluidshinder. De richtafstanden voor geur, stof bedragen 0 meter. De woning ligt in de huidige situatie op voldoende afstand (ruim 40 meter).
In voorliggend geval worden de agrarische en woonbestemming via planologisch maatwerk naast elkaar mogelijk gemaakt. Enerzijds worden de agrarische activiteiten beperkt tot opslag ten behoeve van het akkerbouwbedrijf (maximaal categorie 2). Verder wordt ter plaatse van de woning een bouwvlak opgenomen en wordt op het achterste deel van de woonbestemming, een strook van 10 meter, geen verblijfsobjecten toegestaan. Op deze wijze kunnen de woning en bijbehorende bouwwerken met een verblijfsfunctie in de toekomst niet binnen hindercontour van de agrarische activiteiten worden gerealiseerd. Andere woonfuncties bevinden zich op ruim afstand van het plangebied en ondervinden geen hinder. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. De nieuwe werktuigenberging binnen het agrarische gedeelte betreft geen milieugevoelig object en ondervindt ook geen hinder van omliggende functies. Een deel van het erf krijgt in de nieuwe situatie een woonbestemming. De functie wonen is aan te merken als milieugevoelige functie, maar het betreft in dit geval een reeds bestaande bedrijfswoning. Deze bedrijfswoning is reeds beschermd tegen hinder van omliggende (agrarische) bedrijven. Het beschermingsniveau veranderd daarom niet.
Daarnaast wordt opgemerkt dat omliggende agrarische bedrijven (Sloefweg 3 en 7 en Drietorensweg 2) allen op meer dan 230 meter afstand van het plangebied liggen. In voorliggend geval wordt aan alle richtafstanden voldaan. Gezien de afstand tot omliggende milieubelastende functies en het planologisch maatwerk met betrekking tot de agrarische en woonfunctie binnen het plangebied (paragraaf 5.5.3.2) mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van het plangebied sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor inrichtingen, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorie is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën, waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • • 5.6.2
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Situatie plangebied
In voorliggend geval worden binnen het agrarische deel van het plangebied geen veehouderijactiviteiten toegestaan. Agrarische erven in de omgeving waar wel veehouderijactiviteiten zijn toegestaan bevinden zich allen op meer dan 230 meter afstand van het plangebied. Er wordt ruimschoots aan de afstanden zoals aangeven in de Wgh voldaan. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp Natuur Netwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. 5.7.2.2 Situatie plangebied In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Gronden die tot Natura 2000-gebied ‘Zwarte meer’ behoren, liggen op circa 7 kilometer afstand van het plangebied . In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden weergegeven.
Afbeelding 5.2
Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS.nl)
Gezien de grote afstand tot Natura 2000-gebied, de kleinschalige aard en omvang van de ontwikkeling en het gebruik van het tussenliggende gebied voor landbouw, infrastructuur en bebouwing (barrièrewerking), wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. 5.7.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op minimaal 1,7 kilometer afstand van het plangebied. In afbeelding 5.3 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (groene vlak) weergegeven.
Afbeelding 5.3
Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (Bron: Provincie Flevoland)
Gelet op de grote afstand en de plaatsgebondenheid van eventuele effecten van de ontwikkeling worden geen negatieve effecten op het NNN verwacht. 5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. In voorliggend geval is door Alcedo natuurprojecten een QuickScan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Voor de rapportage van het onderzoek wordt verwezen naar bijlage 2 van deze toelichting.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp 5.7.3.2 Resultaten Quickscan natuurwaardenonderzoek Op basis van deze quickscan kan het volgende worden geconcludeerd: • • •
5.7.4
Er zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels aangetroffen en het kan worden uitgesloten dat ze aanwezig zijn; Ten aanzien van de voorgenomen plannen is het niet noodzakelijk vervolgonderzoek uit te voeren volgens kennisdocument huismus, kerkuil of steenuil; Ten aanzien van de voorgenomen plannen is het niet noodzakelijk vervolgonderzoek uit te laten voeren volgens het vleermuisprotocol 2021, omdat kan worden uitgesloten dat er ter plaatse vaste verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn; Conclusie
Er worden geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Noordoostpolder heeft haar archeologische beleid vastgelegd in het rapport “Erfgoed in de polder, Actualisatie van de archeologische waarden en verwachtingen kaart van de gemeente Noordoostpolder (2018)”. Op de archeologische beleidsadvieskaart hebben de gronden binnen het plangebied een verwachtingswaarde WA-8 (laag). Voor de gronden met verwachtingswaarde WA-8 geldt een onderzoeksplicht voor bodemingrepen groter dan 100.000 m2 en dieper dan 1 m. Deze onderzoeksgrens wordt niet overschreden door de bouw van de nieuwe werktuigenbergen. Nader onderzoek naar archeologische waarden in de bodem is niet vereist. In voorliggend bestemmingsplan is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde WA8’ opgenomen. Om de bescherming van archeologische waarden richting de toekomst te waarborgen. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan ‘een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden’ dient te bevatten. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich binnen het plangebied op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Flevoland geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden. In de directe omgeving van het plangebied komen eveneens geen monumenten of cultuurhistorische waarden voor. Het plangebied en de directe omgeving kent wel een aantal cultuurhistorische karakteristieken die kenmerkend zijn voor de Noordoostpolder. Door die kenmerken, en de zichtbaarheid daarvan, draagt het perceel bij aan de herkenbaarheid van de Noordoostpolder en daarmee haar bijzondere identiteit. Karakteristieke structuren en kenmerken in de omgeving, zoals de laanbeplantingen en verkavelingspatronen zijn aanwezig. In het voorliggende initiatief wordt de oorspronkelijke inrichting van het voorerf met de bedrijfswoning en bijbehorende schuur, bijbehorende erfsingels en entree van het erf behouden. De aanblik van het erf blijft hiermee gaaf beeld en de aanwezige karakteristieken blijven behouden. 5.8.3
Conclusie
Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. In het plangebied en in de omgeving van het plangebied komen geen cultuurhistorische waarden voor.
5.9
Kabels & leidingen
In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante kabels of leidingen aanwezig.
5.10
Besluit milieueffectrapportage
5.10.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan of ruimtelijk plan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • • •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp 5.10.2 Situatie projectgebied 5.10.1.1 Art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 7 kilometer afstand van het projectgebied. Gezien de kleinschalige aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit project dan ook niet noodzakelijk. 5.10.1.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Dit project voorziet enerzijds in de uitbreiding van het agrarische deel van het erf. Anderzijds krijgt het voorerf een woonbestemming. Het betreffen directe eindbestemmingen. Het bestemmingsplan voldoet daarmee aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit ruimtelijke plan m.e.r.(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.plichtig.
In onderdeel D wordt de ontwikkeling eveneens niet specifiek genoemd. Het dichtst in de buurt komt de activiteit: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De ontwikkeling in een bestemmingsplan is m.e.r.beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
Gezien de drempelwaarden kan worden geconcludeerd dat in geval van voorliggend project geen sprake is van een m.e.r.-beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien de mogelijkheden van dit project worden vergeleken met de drempelwaarden uit onderdeel D van het Besluit m.e.r. kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele malen kleinschaliger is. Van een m.e.r.-plichtig stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r. is dan ook geen sprake. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk aan bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 5.10.3 Conclusie Dit project is niet m.e.r.-plichtig omdat het geen stedelijk ontwikkelingsproject betreft. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de voorliggend project.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
HOOFDSTUK 6 6.1
WATERASPECTEN
Algemeen
In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
6.2
Beleidskaders
6.2.1
Waterbeheerplan 2016-2021
Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) is de opvolger van WPB2+ en bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema ‘water en ruimte’. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen. 6.2.2
Stroomgebiedsvisie Flevoland (2003)
De Noordoostpolder is gelegen binnen het plangebied van de stroomgebiedsvisie Flevoland. In de watervisie voor 2015 wordt het plangebied aangeduid als een gebied met een vitaal watersysteem. Voor de gemeente Noordoostpolder zijn de wateropgaven onderverdeeld in een aantal generieke maatregelen en in de resterende wateropgave. De generieke maatregelen houden onder andere in: • • •
afvoerblokkering in natuurgebieden; vasthouden van water in natuurgebieden en landbouwgebied; realisatie van duurzame oevers.
Oplossingsrichtingen voor de resterende wateropgave zijn onder andere bergen in open water en efficiënt uitmalen.
6.3
Watertoetsproces
Het waterschap Zuiderzeeland is geïnformeerd over het plan. De beantwoording van de vragen van de digitale watertoets heeft ertoe geleid dat de ‘korte procedure’ van toepassing is. De planontwikkeling heeft een geringe invloed op de waterhuishouding en de afvalwaterketen. Het watertoetsresultaat en wateradviezen van waterschap Zuiderzeeland zijn opgenomen in bijlage 3 en 4 van deze plantoelichting. Bij het advies van 1 oktober zit tevens een bijlage met mogelijke vervolgstappen voor de initiatiefnemer. Hieronder wordt aan de hand van de standaard waterparagraaf ingegaan op de relevante waterthema’s voor het plangebied. Thema Veiligheid Het plan ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
Thema Voldoende water Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunt wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Binnen het plangebied bedraagt de toename van het verharde oppervlak per saldo ca. 515 m2. In de huidige situatie staat er een schuur van 420 m2. Deze wordt gesloopt en vervangen door een schuur van 700 m2. Daarnaast wordt er 235 m2 extra bestrating aangelegd. Door de geringe toename van het verharde oppervlak (minder dan 2.500 m2 in landelijk gebied) is geen compensatie noodzakelijk voor dit plangebied. Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk.
Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarde(n) goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen heeft voor het streefpeil van het oppervlakte water in of in de omgeving van het plangebied. Het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren. Het plangebied bevindt zich binnen tien meter afstand van een bestaande watergang. De watergang wordt ten minste aan één zijde voorzien van een obstakelvrije werkstrook van minimaal 5 meter breed. Bij een waterbreedte vanaf 12 meter geldt dit aan weerszijden. Bij een talud van 1:4 of flauwer is geen onderhoudsstrook nodig.
Thema Schoon Water Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Uitgangspunten In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Randvoorwaarde(n) Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig. Lozingen op oppervlaktewater als gevolg van uitlogende materialen verwerkt in bouwwerken (bijvoorbeeld zinken of koperen daken) zijn vergunningplichtig. Lozingen op kwetsbaar water van alle typen oppervlakken gemaakt van uitlogende materialen worden verboden door het waterschap. Planspecifiek Het hemelwater afkomstig van de nieuwe werktuigenberging wordt via een erfsloot afgevoerd. De bestaande erfsloot wordt hiervoor verlegd. Dit is aangeven op de erfinrichtingstekening in bijlage 1 van de regels. Er worden geen uitlogende (bouw)materialen toegepast bij de bouw van de werktuigenbergen. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Uitgangspunt(en) Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. Planspecifiek In voorliggend geval wordt geen bedrijfsafvalwater geproduceerd. Het betreft uitsluitend een werktuigenberging.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
HOOFDSTUK 7 7.1
JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
7.2
Opzet van de regels
7.2.1. Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1 inleidende regels; 2 bestemmingsregels; 3 algemene regels 4 overgangs- en slotregels. 7.2.2.
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •
begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.
•
Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp 7.2.3.
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemming. De regels zijn onderverdeeld in: •
Bestemmingsomschrijving Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies.
•
Bouwregels In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd.
7.2.4.
Algemene regels
Hoofstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •
Anti-dubbeltelregel (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.
•
Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel staat beschreven welk gebruik van gronden en bouwwerken in elk geval strijdig zijn met het bestemmingsplan.
•
Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.
•
Overige regels (Artikel 9) In dit artikel is een regel opgenomen ten aanzien van de inwerkingtreding van de wettelijke regels die zijn vastgelegd in het bestemmingsplan.
7.2.5.
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
7.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp ‘Agrarisch’ (Artikel 3) De bestemming ‘Agrarisch’ met een bouwvlak is opgenomen voor de gronden aan de achterzijde van het erf ten behoeve van de opslag van materieel en agrarische producten van het akkerbouwbedrijf. Daarnaast is deze bestemming opgenomen ter plaatse van de gronden aan de oost- en westzijde van het woonerf waar het bestaande agrarisch bouwvlak vervalt. De gebruiksmogelijkheden zijn beperkt tot agrarische bedrijvigheid in de vorm van het weiden van vee en/of het telen van gewassen en ter plaatse van het bouwvlak agrarische bedrijvigheid in de vorm van opslag van materieel en agrarische producten ten behoeve van een akkerbouwbedrijf. Binnen het bouwvlak mogen bedrijfsgebouwen worden gebouwd, een bedrijfswoning is expliciet uitgesloten. Verder is in de gebruiksregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van nieuwe bouwwerken zonder de aanplant en instandhouding van een erfsingel conform de in Bijlage 1 van de regels opgenomen erfinrichtingstekening. ‘Wonen – Voormalige agrarische erven’ (Artikel 4) Voor de voormalige bedrijfswoning en bijbehorend erf is de bestemming ‘Wonen – Voormalige agrarische erven’ opgenomen. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor wonen.
Binnen deze bestemming mogen woning, bijhorende bouwwerken en andere bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd. Woningen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen uitgesloten – verblijfsfunctie, zijn verblijfsruimte in bijbehorende bouwwerken uitgesloten. Dit omdat ze anders te dichtbij de agrarische functie komen. Verder is een aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijfsactiviteit onder voorwaarden toegestaan. ‘Waarde– Archeologische verwachtingswaarde WA-8 (Artikel 5) De voor 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde WA-8' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische verwachtingswaarden. Bij bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 100 cm beneden maaiveld is archeologisch onderzoek vereist.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
HOOFDSTUK 8
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Wel wordt met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst gesloten zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
HOOFDSTUK 9
VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is vooroverleg vereist met het waterschap en met de diensten van de provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.
9.1
Vooroverleg
9.1.1 Het Rijk In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2 Provincie Flevoland Het conceptbestemmingsplan is ter vooroverleg naar de provincie Flevoland gestuurd. De provincie heeft aangegeven dat er extra aandacht besteed dient te worden aan de toetsing van de ‘Beleidsregel Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijke gebied 2008’ en dan met name de voorwaarde dat het ruimtelijk splitsen van een (voormalig) agrarisch bouwperceel niet is toegestaan. In paragraaf 4.2.4.2 is dit nader onderbouwd. 9.1.3 Waterschap Zuiderzeeland Het conceptbestemmingsplan is ter vooroverleg naar het waterschap Zuiderzeeland gestuurd. Het waterschap heeft positief geadviseerd over de ontwikkeling. In hoofdstuk 6 is hier reeds nader op ingegaan.
9.2
Inspraak
Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval wordt er, gezien de aard van dit bestemmingsplan, geen inspraak verleend.
9.2
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 9 september tot en met 20 oktober 2021 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen binnengekomen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
Bijlage 1
Bodemonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
Bijlage 2
Quickscan natuurwaarden
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
Bijlage 3
Watertoetsresultaat
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
Bijlage 4
Wateradvies waterschap
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
47
Verkennend Bodemonderzoek
Project:
2021-023
Locatie:
Sloefweg 5 te Ens
Opdrachtgever:
BJZ.nu Twentepoort Oost 16a 7609 RG Almelo
Datum:
10 maart 2021
Verkennend bodemonderzoek Sloefweg 5 te Ens
Verkennend Bodemonderzoek Sloefweg 5 te Ens
Opdrachtgever:
BJZ.nu Twentepoort Oost 16a 7609 RG Almelo
Adviesbureau:
Terra Agribusiness BV Eerste Stegge 54 7631 AE Ootmarsum
Status: Versie: Datum versie: Projectnummer:
Definitief 1 10-3-21 2021-023
Auteur:
Joost Stevelink*
Paraaf:
Kwaliteitscontrole:
Niek Hesselink*
Paraaf:
Veldwerkers:
Joost Stevelink
*De vermelde personen zijn akkoord met de openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving.
2021-023
10-3-21
Pagina 2 van 17
Verkennend bodemonderzoek Sloefweg 5 te Ens
Inhoudsopgave Pagina 1
Inleiding
3
2
Vooronderzoek
4
3
4
5
2.1 Locatie gegevens
5
2.2 Algemene informatie locatie
5
2.3 Eerder uitgevoerd bodemonderzoek
5
2.4 Directe omgeving locatie
6
2.5 Regionale bodemopbouw en geohydrologie
6
2.6 Vooronderzoek PFAS
7
2.7 Vooronderzoek NEN 5707 Asbest
7
Onderzoeksprogramma 3.1 Hypothesestelling
8
3.2 Onderzoeksopzet
8
3.3 Analysestrategie
8
Onderzoeksresultaten
9
4.1 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen
9
4.2 Analyseresultaten
10
4.3 Toetsing van de hypothese
10
4.4 Toetsing aan de noodzaak tot vervolgonderzoek
10
Samenvatting en conclusie
BIJLAGE I: BIJLAGE II: BIJLAGE III: BIJLAGE IV: BIJLAGE V: BIJLAGE VI:
1
8
11
Situering van de locatie Situering van de locatie (schaal 1: 1000) Overzichtstekening boorpunten Boorstaten Analysecertificaten en Overschrijdingstabellen Foto's onderzoekslocatie
Inleiding
2021-023
10-3-21
Pagina 3 van 17
Verkennend bodemonderzoek Sloefweg 5 te Ens
In opdracht van BJZ.nu heeft Terra Agribusiness BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Sloefweg 5 te Ens. De regionale ligging van de locatie is weergegeven in bijlage I. Aanleiding van het onderzoek is in het kader van voorgenomen bestemmingswijziging. Doel van het onderzoek is het door middel van een steekproef conform het soort bodemonderzoek, nagaan van de huidige kwaliteit van de grond op de locatie. Het onderzoek is niet bedoeld om de exacte aard en omvang van een eventuele verontreiniging aan te geven. Het verkennend onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen: - NEN 5725 Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek (NEN5725:2017); - NEN 5740 Bodem - Landbodem - strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond (NEN5740:2009+A1:2016); - NEN 5707 Bodem – Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem. (NEN 5707+C2:2017) - VKB Protocol 2001 “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen” - VKB Protocol 2002 “Het nemen van grondwatermonsters” - VKB Protocol 2018 “Locatie inspectie en monsterneming van asbest in bodem"
Het procescertificaat van Terra Agribusiness Bodem & Milieutechniek en het hierbij behorende keurmerk (BRL SIKB 2000) zijn van toepassing op de activiteiten inzake het milieukundig veldwerk, inclusief de daarbij behorende veldwerkregistratie, en de overdracht van de monsters aan een erkend laboratorium. Om de onafhankelijkheid van het onderzoek te waarborgen, verklaart Terra Agribusiness Bodem & Milieutechniek op geen enkele wijze gelieerd te zijn aan de te onderzoeken projectlocatie, zowel in juridische, financiële of personele sfeer. De opbouw van dit rapport wordt als volgt weergegeven: - vooronderzoek naar historie en bodemgesteldheid; - opstellen van een hypothese; - opstellen van een onderzoeksstrategie; - resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek; - conclusies, aanbevelingen en samenvatting. In geval van klachten kan de opdrachtgever zich wenden tot Terra-Agribusiness BV en zo nodig tot de certificerende-instelling (Normec).
2
Vooronderzoek
2021-023
10-3-21
Pagina 4 van 17
Verkennend bodemonderzoek Sloefweg 5 te Ens
Conform het onderzoeksprotocol NEN 5725 is ten behoeve van de onderzoeksstrategie op de locatie een vooronderzoek uitgevoerd. De onderstaande informatie is afkomstig uit: Tabel 1 Bronnen vooronderzoek Bron
Omschrijving
www.ahn.nl
AHN (Algemeen Hoogtebestand Nederland)
www.bodemloket.nl
Bodemloket van Nederland
www.topotijdreis.nl
Historische kaarten
www.dinoloket.nl
Ondergrond gegeven van Nederland
BAG viewer
Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG)
Provincie Flevoland
Bodematlas van Flevoland
Gemeente Noordoostpolder
Historische informatie van de Gemeente
Informatie Opdrachtgever
BJZ.nu
Inspectie onderzoekslocatie
Visueel inspectie van de locatie
2.1 Locatie gegevens Gegevens over de locatie zijn weergegeven in onderstaande tabel Tabel 2 Locatiegegevens Adres onderzoekslocatie
Sloefweg 5 te Ens
Kadastrale gemeente
Noordoostpolder
Sectie
C
Percelen
4109
Oppervlakte van de onderzoekslocatie
<3000 m2
Eigenaar / gebruiker
-
Korte beschrijving van de onderzoekslocatie
De onderzoekslocatie bestaat uit een woning met twee schuren en tuin
Bebouwing
Ter plaatse staat een woning en twee schuren
Verharding
De onderzoekslocatie is deels verhard met beton
2.2 Algemene informatie locatie De onderzoekslocatie bevindt zich aan de Sloefweg in het buitengebied van Ens. Op het perceel bevindt zich een woning met tuin en twee schuren. De meest noordelijke schuur maakt geen deel uit van onderhavige onderzoekslocatie. Op historische kaarten is vanaf 1964 bebouwing op de locatie te zien. Echter volgens het BAGregister is de huidige woning gebouwd in 1951. Volgens het register zijn de schuren eveneens gebouwd in 1951. Uit de historische informatie is gebleken dat er op de locatie een tractorpetroleumpompinstallatie (carburine) aanwezig is (geweest). Het is niet bekend geworden waar de installatie heeft gestaan. Er is verder geen bodemrelevante informatie van de onderzoekslocatie bekend bij de geraadpleegde bronnen. 2.3 Eerder uitgevoerd bodemonderzoek Voor zover bekend zijn in er in het verleden op de locatie geen bodemonderzoeken uitgevoerd.
2021-023
10-3-21
Pagina 5 van 17
Verkennend bodemonderzoek Sloefweg 5 te Ens
2.4 Directe omgeving locatie De onderzoekslocatie bevindt zich in het buitengebied van Ens. In de directe omgeving bevinden zich meerdere agrarische bedrijven en agrarische percelen. Westelijk van de locatie op een afstand van circa 750 meter ligt de autoweg N50. Op historische kaarten wordt de omgeving aangeduid als "Hoge Bavel". Er is geen bodemrelevante informatie van de directe omgeving van de onderzoekslocatie bekend welke mogelijk invloed heeft gehad op de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. 2.5 Regionale bodemopbouw en geohydrologie De regionale geohydrologische bodemopbouw is weergegeven in onderstaande figuur. Figuur 1 Geologisch opbouw landelijk model DGM v2.2
De boorlocatie bevindt zich circa 3 meter beneden NAP.
2021-023
10-3-21
Pagina 6 van 17
Verkennend bodemonderzoek Sloefweg 5 te Ens
2.6 Vooronderzoek PFAS PFAS komt op verschillende manieren in het grond- en grondwatersysteem in Nederland terecht. Bij lokaal gebruik en calamiteiten leidt dit tot het 'klassieke' bron-grondwaterpluim beeld. Het meest verdacht voor PFAS in het milieu zijn die locaties waar PFAS worden geproduceerd. Ook de brandweeroefenplaatsen waar met grote regelmaat brandblusschuim is toegepast, zijn verdacht. Er zijn echter ook vele andere toepassingen van PFAS die kunnen leiden tot een grondof grondwaterverontreiniging. In het handelingskader van Expertisecentrum PFAS zijn alle bedrijfsactiviteiten en toepassingen beschreven waar PFAS wordt gebruikt en de kans dat daarbij PFAS in het milieu vrijkomt. Uit historisch onderzoek van onderhavig onderzoekslocatie blijkt dat geen van de beschreven toepassingen uit het handelingskader plaats heeft gevonden op of nabij de onderzoekslocatie. Op basis van de verkregen informatie kan gesteld worden dat de onderzoekslocatie als onverdacht gedefinieerd kan worden met betrekking tot PFAS in de bodem. 2.7 Vooronderzoek NEN 5707 Asbest Uit de verkregen historische informatie blijkt dat er sinds circa 1951 bebouwing op de locatie aanwezig is. Het is aannemelijk dat er tijdens (ver)bouwwerkzaamheden asbest in verwerkt is. Het is echter niet aannemelijk dat er asbest in de bodem van onderhavige onderzoekslocatie is terecht gekomen.
Op basis van de verkregen informatie kan gesteld worden dat de onderzoekslocatie als onverdacht gedefinieerd kan worden met betrekking tot asbest in de bodem.
2021-023
10-3-21
Pagina 7 van 17
Verkennend bodemonderzoek Sloefweg 5 te Ens
3
Onderzoeksprogramma
3.1
Hypothesestelling
Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn voor de locatie één of meer hypotheses geformuleerd ten aanzien van grond en grondwaterverontreiniging. De volgende deellocaties en hypotheses worden aangehouden: Tabel 3 Deellocaties en hypothese NEN5740 Locatie Gehele locatie Carburine-installatie
Hypothese
Verdachte stoffen
Opmerking
Verdacht (VED-HE) Verdacht (VEP)
Zware metalen, PAK Minerale olie + BTEXN
-
3.2 Onderzoeksopzet De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 25 februari 2021 (plaatsing peilbuis en monstername grond), 4 maart 2021 (monstername grondwater). De positie van de boorlocaties zijn weergegeven in bijlage III. Tabel 4 Onderzoeksopzet NEN 5740 (VED-HE) Locatie
Ondiepe boringen1
Gehele locatie Carburine-installatie
11 2
Diepe boringen2
Peilbuizen
2 -
1* 1*
Analyses grond
Analyses water
3x st. grond AS3000 1x Min olie
1x st. grondwater AS3000* 1x Min olie + BTEXN*
1
Ondiepe boringen standaard tot 0,5 m-mv. Diepe boringen tot de grondwaterstand met een minimum van1,0 m-mv en een maximum van 2,0 m-mv. * Peilbuis en bijbehorende watermonster gecombineerd 2
3.3 Analysestrategie Ten behoeve van het analytisch onderzoek zijn op het laboratorium mengmonsters samengesteld. In de onderstaande tabel is de samenstelling van de monsters verwerkt. Tabel 5 Analyse onderzochte monsters Analyse monster BM1
Traject (m-mv) 0,00 - 0,50
BM2
0,00 - 0,50
BM3
0,00 - 0,50
BM4
0,10 - 0,50
Analyse monster PB1 WM1
Traject (m-mv) 1,80 - 2,80
Deelmonsters
Analyse
1 (0,00 - 0,50) 2 (0,00 - 0,50) 3 (0,00 - 0,50) 4 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) 6 (0,00 - 0,50) 8 (0,00 - 0,50) 9 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 16 (0,10 - 0,50) 17 (0,10 - 0,50)
Minerale Olie GC (AS3000)
AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb
AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb
AS3000 NEN 5740 Standaard incl struct excl voorb
Analyse NEN 5740gw standaardpakket (AS3000)
Alle monsters ten behoeve van de NEN 5740 zijn geanalyseerd door AL-West Agrolab. Alle analyses zijn AS3000 erkende verrichtingen.
2021-023
10-3-21
Pagina 8 van 17
Verkennend bodemonderzoek Sloefweg 5 te Ens
4
Onderzoeksresultaten
4.1 Bodemopbouw en zintuiglijke waarnemingen In bijlage V zijn de visuele waarnemingen in de vorm van boorprofielen weergegeven. Veldwaarnemingen De bovengrond bestaat uit sterk kleiig, matig fijn zand. De ondergrond bestaat uit matig zandig klei. In de onderstaande tabel zijn de zintuiglijk waargenomen bijzonderheden weergegeven: Tabel 6 Zintuiglijk waargenomen bijzonderheden Boring 1
Diepte boring (m -mv) 2,80
2 3 4 5 6 7 8 9 10
0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 0,50 2,00
11 12
0,50 2,00
13 14 15 16 17
0,50 0,50 0,50 0,50 0,50
Traject (m -mv) 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 1,00 - 1,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 1,00 - 1,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,50 - 1,00 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,50 0,00 - 0,10 0,00 - 0,10
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
Zand Zand Klei Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Zand Klei Zand Zand Zand Zand Zand Zand
sporen schelpen zwak roesthoudend zwak roesthoudend sporen schelpen sporen schelpen sporen schelpen sporen schelpen sporen schelpen sporen schelpen sporen schelpen sporen schelpen sporen schelpen zwak roesthoudend sporen schelpen sporen schelpen zwak roesthoudend sporen schelpen sporen schelpen sporen schelpen volledig beton volledig beton
Er is geen puin of asbestverdacht materiaal aan het oppervlak of in de boringen aangetroffen. Omdat niet duidelijk is geworden waar de tractorpetroleuminstallatie heeft gestaan, is de zuidelijke schuur als meest voor de hand liggende plaats aangewezen. Na plaatsing van de peilbuis en de boringen blijkt dat de installatie achter op het terrein aanwezig is, op een geruime afstand, buiten de huidige onderzoekslocatie (zie bijlage III). De woning is nog reeds bewoond waardoor het niet wenselijk is om inpandig te gaan boren. De kwaliteit van de bodem onder de woning wordt niet slechter verwacht dan de bodemkwaliteit naast de woning. Het mengmonster BM1 is samengesteld uit de individuele grondmonsters van de bovengrond ter plaatse van de zuidelijke schuur. Het mengmonster BM2 is samengesteld uit de individuele grondmonsters van de bovengrond in de tuin, zuidelijk van de onderzoekslocatie. Het mengmonster BM3 is samengesteld uit de individuele grondmonsters van de bovengrond in de tuin oostelijk van de onderzoekslocatie. Het mengmonster BM4 is samengesteld uit de individuele grondmonsters van de bovengrond onder de betonverharding. De mengmonsters zijn ten behoeve van de NEN5740 samengevoegd door AL-West Agrolab.
2021-023
10-3-21
Pagina 9 van 17
Verkennend bodemonderzoek Sloefweg 5 te Ens
Grondwater De filterbuis wordt minimaal een halve meter beneden de grondwaterspiegel geplaatst, waarna de dichte buis tot iets boven maaiveld wordt gemonteerd en afgedicht met bentoniet om instroom van oppervlaktewater te voorkomen. In onderstaande tabel zijn de gegevens betreffende de grondwaterbemonstering opgenomen: Tabel 7 Metingen grondwater Peilbuis
Filterdiepte (m -mv) 1,80 - 2,80
PB1 WM1
Grondwater-stand (m -mv) 1,19
pH (-) 5,8
EC (µS/cm) 844
Troebelheid (NTU) 16,4
Geen van de gemeten waarden wijkt duidelijk af van de waarde, welke gezien de natuurlijke omstandigheden verwacht kan worden.
4.2 Analyseresultaten De resultaten van de chemische analyses zijn weergegeven in bijlage V. Alle monsters ten behoeve van de NEN 5740 zijn geanalyseerd door AL-West Agrolab te Deventer. Deze analyses zijn allen AS3000 erkende verrichtingen. Tabel 8 Analyseresultaten NEN 5740 Monster
Traject (m-mv)
BM1
0,00 - 0,50
BM2
0,00 - 0,50
BM3
0,00 - 0,50
BM4
0,10 - 0,50
PB1 WM1
1,80 - 2,80
Samenstelling 1 (0,00 - 0,50) 2 (0,00 - 0,50) 3 (0,00 - 0,50) 4 (0,00 - 0,50) 10 (0,00 - 0,50) 6 (0,00 - 0,50) 8 (0,00 - 0,50) 9 (0,00 - 0,50) 12 (0,00 - 0,50) 13 (0,00 - 0,50) 14 (0,00 - 0,50) 15 (0,00 - 0,50) 16 (0,10 - 0,50) 17 (0,10 - 0,50) PB1
Verhogingen -
-
PCB (som 7)*
1,1,2-Trichloorethaan*, Zn*, Ba*
* verhoging groter dan streefwaarde ** verhoging groter dan tussenwaarde *** verhoging groter dan interventiewaarde
4.3
Toetsing van de hypothese
Deellocatie Gehele locatie Carburine-installatie
Gestelde hypothese Verdacht (VED-HE)
Hypothese verworpen of aangenomen Aangenomen
Verdacht (VEP)
Verworpen
Opmerkingen
4.4 Toetsing aan de noodzaak tot vervolgonderzoek Er zijn geen concentraties in de grond en het grondwater boven de tussenwaarde aangetroffen, dit houdt in dat er geen aanleiding bestaat voor het laten uitvoeren van een nader onderzoek.
2021-023
10-3-21
Pagina 10 van 17
Verkennend bodemonderzoek Sloefweg 5 te Ens
5 Samenvatting en conclusie Op een locatie gelegen aan de Sloefweg 23 te Ens, kadastraal bekend gemeente: Noordoostpolder, Sectie: C, nummer(s): 4109 is op 25 februari 2021 een verkennend bodemonderzoek conform NEN5740 uitgevoerd. Op het perceel bevindt zich een woning met tuin en twee schuren. De meest noordelijke schuur maakt geen deel uit van onderhavige onderzoekslocatie. In de bovengrondmengmonsters (BM1, BM2 en BM4) zijn geen verhogingen aangetroffen. In het bovengrondmengmonster (BM3) is een lichte verhoging PCB som 7 aangetroffen. In het grondwatermonster (PB1 WM1) zijn lichte verhogingen 1,1,2-Trichloorethaan, zink en barium aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Algemeen Als grond van de locatie vrijkomt, moet er rekening mee worden gehouden dat deze niet zonder meer elders toepasbaar is. Op hergebruik van grond is het “Besluit bodemkwaliteit” van toepassing. De toepassing van grond elders moet worden gemeld via het ‘meldpunt bodemkwaliteit’. Naast het “Besluit bodemkwaliteit” dient opgemerkt te worden dat in het kader van de “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond en baggerspecie” ook onderzoek naar PFAS noodzakelijk is.
Hoewel het verrichte veld- en laboratoriumonderzoek volgens de geldende normen zijn uitgevoerd, dienen de onderzoeksresultaten met enige voorzichtigheid te worden gehanteerd. Door de bodem steekproefsgewijs te onderzoeken is ernaar gestreefd om een representatief beeld te krijgen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater. Het is echter nooit uit te sluiten dat er lokaal afwijkingen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in het grondwater voorkomen. Het uitgevoerde onderzoek is verkennend en betreft een momentopname.
2021-023
10-3-21
Pagina 11 van 17
BIJLAGE I Situering van de locatie
Omgevingskaart
Deze kaart is noordgericht. Hier bevindt zich de onderzoekslocatie