5.1 Bestemmingsplan Landelijk gebied, Drietorensweg 40-2 te Ens_split_4.pdf
Tekst van het document
5.1.3.
Vervoersbewegingen De verkeersroute verloopt vanaf de planlocatie, via de Drietorensweg en Zwartemeerweg, naar de Frieseweg (N765). Eenmaal aangekomen op de N765 gaat het verkeer op het overige verkeer.
De gegevens ten aanzien van het (aanvullende) wegverkeer zijn gebaseerd op ervaringsgetallen. Dit betreft een worst-case benadering. De volgende gegevens zijn gehanteerd: -
Licht verkeer (woon-werkverkeer): 10 voertuigen per etmaal (20 bewegingen).
-
Middelzwaar vrachtverkeer (leveranciers): 2 voertuigen per etmaal (4 bewegingen).
-
Zwaar
vrachtverkeer
(aam/afvoer
producten,
e.d.):
5
voertuigen
per
etmaal
(10
bewegingen).
212200-210830-HK-Voortoets Wnb (N-dep).docx
9
A 6.
CONCLUSIE
In tabel 6.1 worden de resultaten samengevat. Indien sprake is van een toename aan stikstofdepositie op (bijna) overbelaste habitats ^ 0,00 mol/ha/jaar) dan zijn vervolgacties benodigd aangezien dit kan leiden tot een significant negatief effect op beschermde Natura 2000-habitat(s). Op basis van het huidige beleid kan een plan pas doorgang vinden als significante negatieve effecten zijn uitgesloten.
Uit de berekeningen komt naar voren dat het beoogde plan geen significante invloed heeft op nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden.
Tabel 6.1: Samenvatting resultaten
Scenario
Beoogd gebruik
Totale emissie (kg/j)
Max. bijdrage
NOx
NH3
(mol/ha/j)
515,89
1,28
0,00
Vervolgacties
N.v.t.
Uit de berekeningen middels AERIUS Calculator komt naar voren dat de depositie van het beoogde plan 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het project geen stikstofdepositie veroorzaakt op nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en dus niet leidt tot significante effecten. Verdere vervolgacties zijn niet noodzakelijk. Ten aanzien van het aspect gebiedsbescherming vanuit de Wnb is het plan uitvoerbaar.
212200-210830-HK-Voortoets Wnb (N-dep).docx
10
Overzicht gegevens berekening Beoogd gebruik Locatie Drietorensweg 40-2
212200-210830-HK-Beoogd.xlsx
Oppervlakte
Kengetal
Uitstoot
Hoogte
Warmteinhoud
0,47 ha
1.004 kg/j/ha
474 kg/j
11,0 m1
0,400 MW
1 van
1
AERIUSB CALCULATOR Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Beoogd gebruik Kenmerken
* Samenvatting emissies * Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RRvUj8Ty7GLo (30 augustus 2021) pagina 1/5
Resultaten
AERIUSn CALCULATOR Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Kwekerij Wouters B.V.
Drietorensweg 40-II, 8307 PH Ens
Omschrijving
AERIUS kenmerk
212200
RRvUj8Ty7GLo
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
30 augustus 2021, 09:57
2022
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Situatie 1
NOx
515,89 kg/j
NH3
1,28 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Toelichting
Beoogd gebruik.
Resultaten
Beoogd gebruik
RRvUj8Ty7GLo (30 augustus 2021) pagina 2/5
Resultaten
AERIUSB CALCULATOR
Locatie Beoogd gebruik
Emissie
Bron Sector
Emissie NH3
Emissie NOx
Beoogd gebruik Kas
474,00 kg/j
Landbouw | Glastuinbouw
Verkeer
1,28 kg/j
41,89 kg/j
Wegverkeer | Buitenwegen
Resultaten
Beoogd gebruik
RRvUj8Ty7GLo (30 augustus 2021) pagina 3/5
Resultaten
AERIUSB CALCULATOR
Emissie (per bron)
Kas 186116, 515500 11,0 m 0,5 ha
Naam Locatie (X,Y)
Beoogd gebruik
Uitstoothoogte Oppervlakte
NOx
4,0 m 0,400 MW Verwarming van ruimten (zonder seizoenscorrectie) 474,00 kg/j
Naam
Verkeer
Locatie (X,Y)
186016, 514721
NOx
41,89 kg/j 1,28 kg/j
Spreiding Warmteinhoud Temporele variatie
NH3
1 501
0m
1
Soort
Voertuig
Aantal voertuigen
Stof
Standaard
Licht verkeer
20,0 / etmaal
NOx
4,09 kg/j
NH3
< 1 kg/j
NOx
7,52 kg/j
NH3
< 1 kg/j
NOx
30,28 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Standaard
Middelzwaar
4,0 / etmaal
vrachtverkeer
Standaard
Resultaten
Beoogd gebruik
Zwaar vrachtverkeer
10,0 / etmaal
Emissie
RRvUj8Ty7GLo (30 augustus 2021) pagina 4/5
Resultaten
AERIUSB CALCULATOR
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS
versie 2020_202l0525_2040287d5b
Database
versie 2020_202l07l3_c09C249ebe
Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
Beoogd gebruik
RRvUj8Ty7GLo (30 augustus 2021) pagina 5/5
bestemmingsplan Landelijk gebied, Drietorensweg 40-2 te Ens
Bijlage 5
Quickscan Ecologie
bestemmingsplan (ontwerp)
351
Blom Ecologie b.v. AAB Nederland
ADVIES k ONDERZOEK
T.a.v. dhr. ing. R.E. van der Wel Jupiter 420
Zandweg 46
2675 LX Honselersdijk
4181 PM Waardenburg
10418 82Û288
Datum
6 oktober 2021
Kenmerk
BE/2021/880/r
Uw kenmerk
Email d.d. 24 augustus 2021
Auteur(s)
ing. M.A. Brinkbaumer
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
e įnfo@blomecologíe.n] i www.blomecologie.nl
KvK 67221904 BTW 856882999B01 IBAN NL21RABÛ0314240683
Quickscan Wet natuurbescherming Enserweg 19-1 en Drietorensweg 38-2 / 40-2 te Ens Aan de Enserweg 19-1 is de glastuinbedrijf Kwekerij Wouters gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens het bedrijf uit te breiden. De uitbreiding betreft de nieuwbouw van kassen van circa 63.147 m2 waarvan circa 11.780 m2 schuurkas. Voor deze uitbreiding dient de bebouwing en aanwezige bomensingel aan de Drietorensweg 40-1 dient volledig verwijderd te worden en een enkele schuur op Drietorensweg 38-2 te worden gesaneerd. De overige bebouwing aan de Enserweg 19-1 en Drietorensweg 38-2 zal behouden blijven in de beoogde ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Tevens is de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en beschermde structuren in kaart gebracht en eventuele effecten beoordeeld.
AAB Nederland begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: ^
Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel)
^
Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg
^
Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen
aanwezig op de planlocatie? van de beoogde ruimtelijke ingreep? van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland? ^
Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd?
^
Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
čCO-b'gic (de; v) 1 wetenschap die de betrekkingen tussen de organismen en hun omgeving bestudeert, 2 die betrekkingen zelf; t'CO-IO-glSCll (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord)
1 m.b.t. de ecologie, 2 milieuvriendelijk; flo ril (de; v(m); meervoud: flora’s) 1 alle planten van een bep. gebied, 2 boek dat de opsomming en beschrijving ervan bevat; f(Ul-tUl (de; v(m); meervoud: fauna's) 1 de dierenwereld van een gebied.
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Enserweg 1-19 te Ens en betreft een voormalig agrarisch perceel (figuur 1). Aan de zuidoost en noordwestzijde is een kavelsloot gelegen. Ook over het midden van het perceel is een kavelsloot gelegen. Hiervan zullen een aantal delen van sloten worden en delen van sloten ontgrond (figuur 2). Op de Drietorensweg 38-2 (binnen de planlocatie) is een schuur aanwezig, welke gesaneerd zal worden.
Deze schuur is opgetrokken uit damwand
beplating als gevels en een golfplaten dak. Aan de Drietorensweg 40-2 is een voormalig dierenpension met vrijstaande woning en kennel gesitueerd. Dit perceel bevat rondom een els en essen boomsingel. Zowel de bebouwing als de bomensingel dienen verwijderd te worden. In figuur 3 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De
directe
omgeving
van
de
planlocatie
wordt
gekenmerkt
door
kassencomplexen,
tuinbedrijven, agrarische percelen. Op een afstand van circa 1,2 km ten zuiden is het Ramsdiep gelegen. Dit betreft een stormvloedkering tussen het Zwarte Meer en het Ketelmeer.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Enserweg 19-1 te Ens (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Binnen de planlocatie zullen (delen van) sloten gedempt worden en één sloot ontgrond worden.
Figuur 3
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De te saneren schuur (linksboven; 38-2) en het voormalig agrarisch perceel (rechtsboven). Het dierenpension (linksonder) op het perceel (40-2) met els en essensingel (rechtsonder).
Functieverandering en werkzaamheden De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van een van de schuren en de realisatie van kassen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: ^
dempen (en ontgronden) van sloten: graaf- en dempwerkzaamheden;
^
verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden,
•
egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport;
•
realisatie kassencomplexen: algemene bouwwerkzaamheden;
•
revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
transport (afvoer) van materiaal en groen;
3
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: AAB NL).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen.
Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 13 september 2021 en is uitgevoerd door ing. M.A. Brinkbaumer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 7/8 bewolkt, 180 Celsius en windkracht 2-3 (Bft).
Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de
Natuurbeschermingswet
1998,
vervangen
door
de Wet natuurbescherming
(Wnb).
Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie.
Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
4
(a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de Omgevingsverordening Flevoland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:
Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Flevoland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden.
Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn.
Provinciaal beleid Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het 'nee, tenzij'-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c)
fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f)
uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden;
g) het dunnen van een houtopstand;
5
h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'Andere soorten') geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is.
Planten Binnen een straal van 2,0 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: kartuizer anjer (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. De kartuizer anjer groeit op droge, matig voedselarme, basenrijke en kalkhoudende grond. Gezien het feit dat de vereiste groeiomstandigheden niet aanwezig zijn op de planlocatie wordt het voorkomen van de kartuizer anjer op de planlocatie uitgesloten. De planlocatie betreft een voormalig agrarisch perceel en een sterk overwoekerd dierenpension. Op de akker werd dit jaar nog mais geteeld. Dergelijke intensief gebruikte akkers bieden weinig geschikt habitat voor beschermde plantensoorten. Enkele aangetroffen soorten betreffen dan ook smalle weegbree, grote brandnetel en riet. Dit duidt op een sterk verstoorde bodem. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten.
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2,0 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, boommarter, bunzing, egel, haas, hermelijn huisspitsmuis, konijn, otter, ree, steenmarter, veldmuis en vos (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, bunzing, hermelijn, otter en steenmarter. Voor de bever en otter ontbreekt geschikt habitat als zoetwatergebieden van voldoende omvang. De boommarter maakt gebruik van aaneengesloten bosgebieden. De boomsingel rondom de Drietorensweg 40-2 betreft een op zichzelf staand gebied en staat niet in verbinding met overige houtopstanden. Verder is de dichtstbijzijnde waarneming gedaan op ca. 1,5 km zuidelijk en zijn er tijdens het veldbezoek geen sporen in de boomsingel of op het perceel waargenomen als; krabsporen, prooiresten of uitwerpselen. Derhalve valt de aanwezigheid van de boommarter uit te sluiten van de planlocatie. Anders dan de boommarter komt de steenmarter voor in kleinschalige parklandschappen waar dekkingsstructuren, bebouwing en agrarisch gebied elkaar afwisselt. Waar de boommarter (over het algemeen) bebouwing en mensen vermijdt wordt de steenmarter geregeld aangetroffen in schuren,
boerderijen
en
zolders.
De
steenmarter
markeert
territoria
veelvoudig
met
geurmarkeringen en uitwerpselen. In de te saneren schuur aan de Drietorensweg 38-2 zijn meerdere (verse) territoriummarkeringen (figuur 4) aangetroffen rondom de opslag van appelkratten.
6
Figuur 4
Enkele aangetroffen sporen, links een veelvoudig gebruikte markeerplaats en rechts een verse markering.
Het aantreffen van sporen maakt dat er aanvullend onderzoek noodzakelijk is om vast te stellen of er sprake is van een vaste rust- en/of verblijfplaats in de te saneren schuur. Aanvullend onderzoek naar de steenmarter is maatwerk en zal middels wildcamera's uitgevoerd worden (zie vervolgstappen). Mogelijk heeft de planlocatie verder een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
Vleermuizen Binnen een straal van 2,0 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, kleine
dwergvleermuis,
laatvlieger,
rosse vleermuis en ruige
dwergvleermuis (NDFF 2011-2021). Tijdens het veldbezoek zijn er sporen van vleermuizen aangetroffen.
Onder de Wet natuurbescherming zijn
alle in Nederland voorkomende
vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Tijdens de veldinspectie is de te saneren boomsingel zeer gericht onderzocht op holtes, openingen of losse bastdelen, echter zijn deze niet waargenomen. Het gros van de bomen betreffen elzen en essen, soorten welke beschadigingen vrij snel genezen. Door de snel genezende aard van de bomen en het niet waarnemen van holtes zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen in de boomsingel uitgesloten. De te saneren schuur is grondig geïnspecteerd op eventuele aanwezige ruimtes welke gebouwbewonende
vleermuizen
kunnen
benutten.
De
schuur
is
opgetrokken
uit
damwandbeplating en een golfplaten dak. Hierdoor is er geen ruimte aanwezig die soorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger gebruiken als verblijfplaats. Soorten als gewone grootoorvleermuis kunnen de aanwezige vrij hangende houten balken als rustplaats gebruiken. De schuur is echter niet volledig af te sluiten (er ontbreek een toegangsdeur). Hierdoor is de binnenruimte gedurende de dag erg verlicht. De lichtschuwe gewone grootoorvleermuis zal deze locatie derhalve niet gebruiken als rustplaats. De locatie aan de Drietorensweg 40-2 bestaat uit een woning en hondenkennel gelegen te midden van een bomensingel. Beide gebouwen zijn opgetrokken uit gemetselde muren met spouw, de woning bevat een dakpannen dak en de kennel bevat een golfplaten dak. Beide gebouwen verkeren in erbarmelijke staat en bevatten open stootvoegen, ventilatievoegen en kierende kantpannen (woning). Via dergelijke openingen kunnen gebouwbewonende vleermuizen mogelijk vast rust- en/of verblijfplaatsen vinden in de dak- of spouwruimte (figuur 5).
7
Figuur 5
De aanwezige bebouwing op het perceel van de Drietorensweg 40-2 met rood omcirkeld of aangegeven enkele invliegopeningen geschikt voor vleermuizen.
Via de vorensgenoemde invliegopeningen kunnen vleermuizen toegang krijgen tot eventuele vaste rust- of verblijfplaatsen. Aangezien de bebouwing bestaat uit 1 of 2 bouwlagen is vooraf uitgesloten dat er sprake is van massawinterverblijfplaatsen. Verder is er geen sprake van groot oppervlaktewater in de directe omgeving of van open agrarische schuren zonder veel daglicht waar specifieke vleermuissoorten (meervleermuis, watervleermuis of grootoorvleermuis) gebruik van kunnen maken. Wegens de grootte van de openingen ^15 mm) is er geen sprake van geschikte verblijfplaatsen voor de laatvlieger. Derhalve is enkel onderzoek noodzakelijk naar dwergvleermuizen. Aanvullend onderzoek naar dwergvleermuizen bestaat uit 4 veldbezoeken verspreid tussen april en oktober (zie Vervolgstappen). Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden
uitvoeren
tussen
zonsopkomst
en
zonsondergang.
Mocht
verlichting
noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.
Amfibieën Binnen een straal van 2,0 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker,
bruine
kikker,
gewone
pad,
kleine
watersalamander,
meerkikker
en
rugstreeppad (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: rugstreeppad. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie
zoals
braakliggende
bouwterreinen,
zandafgravingen
en
duingebieden.
Het
voorplantingswater is ondiep en warmt snel op en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). In de omgeving is het voorkomen van de soort veelvuldig bekend. Binnen de planlocatie zijn diverse sloten aanwezig. Een aantal hiervan zijn zeer geschikt voor de rugstreeppad (niet te diep, geen sterke stroming, weinig onderwatervegetatie en een flauw talud). De overige sloten beschikken minder over deze potentie, maar dienen volledigheidshalve meegenomen te worden met het aanvullend onderzoek. Om de aan- dan wel afwezigheid van de rugstreeppad aan te tonen dient is besloten de kavelsloten te samplen middels e-DNA (zie Vervolgstappen).
8
Figuur 6
De aanwezige en te dempen sloten bieden in meer of mindere mate potentie als voortplantingswater van de rugstreeppad.
Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde
amfibieën zijn derhalve
uitgesloten.
Reptielen Binnen een straal van 2,0 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2011 2021).
Voor
alle
inheemse
reptielen
geldt
dat
deze
beschermd
zijn
onder
de
Wet
natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.
Vissen Binnen een straal van 2,0 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde vissoorten: grote modderkruiper en kwabaal (NDFF 2011-2021). Voor de aanwezigheid van grote modderkruiper dienen verschillende functionaliteiten binnen een watergang aanwezig te zijn, namelijk: de plekken waar gebaltst of gepaard wordt, de plekken waar eitjes afgezet worden en opgroeien en de plekken die door de larven of jonge visjes worden gebruikt.
De ondiepe paaizones zijn
onderwatervegetatie,
helofyten
of
vaak
sterk zonbeschenen
ondergelopen
gras
(BIJ12
en rijk begroeid met kennisdocument
Grote
modderkruiper, 2017). Delen van de te dempen of ontgronden sloten zijn in meer of mindere mate geschikt als leef- of voortplantingsgebied voor de grote modderkruiper (figuur 7). Om aanwezigheid uit te sluiten wordt geadviseerd om middels e-DNA de sloten te bemonsteren (zie
Vervolgstappen).
9
Figuur 6
Delen van de sloten bieden in meer of mindere mate geschikt leefgebied voor de grote modderkruiper.
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2,0 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: teunisbloempijlstaart (NDFF 2011-2021). De teunisbloempijlstaart komt voor op open plekken in vochtige bossen, bosranden en warme open plaatsen. Waardplanten voor de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Gezien binnen de planlocatie geen geschikte habitatonderdelen of waardplanten voor de soort aanwezig zijn kan de aanwezigheid van teunisbloempijlstaart worden uitgesloten. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, kauw, koolmees, Turkse tortel, pimpelmees, zilverreiger.
Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Door het ontbreken van (geschikte) bebouwing op de akkerpercelen kan de aanwezigheid van nestlocaties van huismus daar uitgesloten worden. De schuur aan de Drietorensweg 38-2 is binnen geïnspecteerd op nesten, deze waren niet aanwezig. De hondenkennel aan de Drietorensweg 40-1 is wegens het golfplaten dak en het ontbreken van een geschikte dakgootconstructie niet geschikt als nestlocatie van de huismus. De woning bevat echter een dakpannen zadeldak (dan wel niet met vrij platte dakpannen) met een dakgoot. Om zeker te zijn dat er geen sprake is van overtreding van verbodsbepalingen wordt geadviseerd een technische inspectie onder het dak van de woning uit te voeren (zie Vervolgstappen) Voor de gierzwaluw is de aanwezige bebouwing te laag (bebouwing op 40-2 is < 3 m) of totaal ongeschikt (schuur aan 38-2).
10
Nesten van steen- en kerkuil zijn tevens niet aangetroffen. Doordat de realisatie plaatsvindt op een braakliggend kavel, is essentieel foerageergebied van uilen- en roofvogelsoorten uitgesloten. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.
Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De boomsingel kan gebruikt worden door duiven en zangvogels en de oevers van de sloten kunnen voor de meerkoet geschikte nestlocaties vormen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Beoordeling (b) gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,2 km ligt het dichtbijzijnde Natura 2000-gebied 'Zwarte Meer' (figuur 7).
Figuur 7
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,2 km tot het dichtbijzijnde Natura 2000-gebied 'Zwarte Meer' (bron: www.geocontent.rvo.nl/Natura2000/Overzichtskaart).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een kassencomplex. Nieuwe glastuinbouw dient te voldoen aan hoge bouweisen met nauwelijks stikstofuitstoot. Ondanks dat negatieve stikstofeffecten minimaal worden geacht, zijn alle effecten inzichtelijk gemaakt in de separaat uitgevoerde AERIUS-calculatie uitgevoerd door AAB Nederland.
11
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 3,9 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 8). Ten aanzien van het Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
| N50
Figuur 8
De planlocatie ligt op een afstand van circa 3,9 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: www.arcgis.com).
Beoordeling (c) houtopstanden Wet natuurbescherming De beoogde ontwikkelingen voorzien kapwerkzaamheden aan een boomsingel om het perceel aan de Drietorensweg 40-2. Deze boomsingel is qua oppervlakte van onvoldoende formaat om onder een houtopstand te vallen (500 m2), echter is er wel sprake van een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. De singel valt echter binnen de kadastrale grenzen van de Drietorensweg 40-2 waardoor er sprake is van een houtopstand op erven of in tuinen (Art. 4.1, lid b.). Hierdoor is er geen meldingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming.
Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. De gemeente waarin de planlocatie is gelegen betreft gemeente Noordoostpolder. De APV verwijst door naar de Bomenverordening Noordoostpolder 2005. In de Bomenverordening Noordoostpolder 2005 wordt gesteld dat er structuurbepalende houtopstanden (erfsingels alsmede wegbeplanting, bestaande uit houtopstanden (hakhout, een houtwal of één of meer bomen) die zorgdragen voor de landschappelijke herkenbaarheid van de Noordoostpolder) vallende buiten de bebouwde kom van Noordoostpolder dienen te worden behouden. Voor het vellen of te doen vellen anders dan bij wijze van dunning is een schríftelijke vergunning vereist (zie Vervolgstappen).
12
Conclusies Samenvatting (a)
Soortenbescherming
Voorafgaand aan het dempen/ontgronden van de watergangen is aanvullend onderzoek vereist naar de grote modderkruiper en rugstreeppad. Voorafgaand aan de sloop van de schuur aan de Drietorensweg 38-2 is aanvullend onderzoek naar de steenmarter vereist. Voor de sloop van de bebouwing aan de Drietorensweg 40-2 is aanvullend onderzoek naar gebouwbewonende vleermuizen en een technische inspectie naar de huismus vereist. De planlocatie is verder mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli). (b)
Gebiedsbescherming
De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Voor mogelijke stikstof effecten wordt verwezen naar de separaat opgestelde AERIUS-berekening van AAB Nederland. Een Voortoets en 'nee, tenzij'-toets is niet vereist bij de beoogde ontwikkeling. (c)
Houtopstanden
Op de planlocatie is geen sprake van houtopstanden zoals bepaald in de Wnb, derhalve is er geen sprake van een meldingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming. Wel is er sprake van structuurbepalende houtopstand zoals bepaald in de gemeentelijke APV (Bomenverordening Noordoostpolder 2005). Derhalve is voorafgaand aan de kap van de boomsingel aan de een schriftelijke vergunning van de gemeente Noordoostpolder vereist.
Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is.
Soortgroep
Soortenbescherming Beschermings Soortspecifiek onderzoek regime Wet nb
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren Steenmarter
Artikel 3.10
Ja
Territorium/foerageergebied of verblijfplaats
Vleermuizen Amfibieën Rugstreeppad
Artikel 3.5
Ja
Verblijfplaatsen
Artikel 3.5
Ja Nee
Leefgebied
Artikel 3.10
Ja Nee
Leefgebied
Artikel 3.1
Ja Nee
N estlocatie/foerageergebied
Reptielen Vissen Grote modderkruiper Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Vogels (cat. 5)
Tabel 3
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
1,2 km
Separatie calculatie
Separate calculatie
Natuurnetwerk Nederland
3,9 km
Geen
N.v.t.
Tabel 4
13
Mogelijk functie plangebied
Overzicht van beschermde Houtopstanden.
Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Bomen
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Uitvoerbaarheid De
beoogde
ontwikkeling
leidt
niet
tot
overtreding
van
verbodsbepalingen
omtrent
gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een functie heeft voor huismus, steenmarter of vleermuizen. Voorafgaand aan het dempen van de sloten dient onderzocht te worden of er sprake is van een relevante functie voor rugstreeppad en grote modderkruiper
(soortenbescherming).
Indien
er
sprake
is
van
overtreding
van
verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
Conclusie Het saneren van een schuur aan de Drietorensweg 38-2, verwijderen van terreininrichting aan de Drietorensweg 40-2, dempen (of ontgronden) van diverse sloten en de realisatie van een kassencomplex aan de Enserweg 19-1 te Ens is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
Vervolgstappen Saneren van schuur aan Drietorensweg 38-2 Voor het vaststellen van aan- of afwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen van de steenmarter in de schuur van de Drietorensweg 38-2 dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.
Dit
wordt
uitgevoerd
middels
het
plaatsen
van
diverse
wildcamera's
en
sporenonderzoek.
Saneren van bebouwing aan de Drietorensweg 40-2 Voorafgaand aan het saneren van de woning als de kennel aan de Drietorensweg 40-2 is aanvullend onderzoek naar dwergvleermuizen vereist. Dit aanvullend onderzoek bestaat uit 4 veldbezoeken verspreid uitgevoerd tussen april en oktober, waarvan 2 in het voorjaar en 2 in het najaar
Kappen van bomensingel aan de Drietorensweg 40-2 Voor het kappen van de erfsingel aan de Drietorensweg 40-2 is volgens de Bomenverordening Noordoostpolder 2005 een schríftelijke vergunning vereist van de gemeente Noordoostpolder.
Dempen of ontgronden van de sloten Voorafgaande de beoogde ontwikkeling dient middels veldbezoeken of een e-DNA onderzoek de mogelijke aanwezigheid van de rugstreeppad en grote modderkruiper in de te dempen kavelsloten op de planlocatie inzichtelijk gemaakt te worden. In bijlage 3 van dit rapport is uiteengezet wat een e-DNA onderzoek inhoudt.
14
Te treffen maatregelen ^
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora
^
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor
en fauna (Algemene zorgplicht). beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. ^
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
^
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke
verlichtingswijze
toepassen
(amberkleurig
licht,
lichtbundel
nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). •
De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Grote modderkruiper Misgurnus fossilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Overheid.nl, 2005. Verordening op het bewaren van structuurbepalende houtopstanden vallende buiten de bebouwde kom van Noordoostpolder.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.geocontent.rvo.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
15
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V.,
Blom Ecologie B.V.,
ing. M.A. Brinkbaumer
ir. ing. K.J. Rebergen
Auteur
Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming Bijlage 3 Environmental DNA (eDNA)
© Blom Ecologie B.V. Zandweg 46a - 4181 PM Waardenburg Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
16
Bijlage 1 Fotografische impressie
17
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Enserweg 19-1 te Ens en bestaat uit een schuur (linksachter) op defoto en een voormalig agrarisch perceel. De overige bebouwing binnen de kadastrale grens van de planlocatie behoort niet tot de planlocatie.
Figuur 2
De binnenzijde van de te saneren schuur.
18
Figuur 3
Het perceel aan de Drietorensweg 40-2 te Ens waar de groenstructuren en bebouwing verwijderd dient te worden.
Figuur 4
Een van de te dempen of te ontgronden sloten op de percelen.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit 'Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen' van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
19
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b). 4
Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.
er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b.
zij is nodig: l0.
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
20.
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
3“.
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen,
40.
ter bescherming van flora of fauna;
50.
voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van
visserij of wateren;
soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 60.
om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c.
de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b). 5
Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.
er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b.
zij is nodig: l0.
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in
20.
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen,
het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
30.
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
40.
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of
5”.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
c.
er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
20
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid
2). 2
Artikel 3.8. met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen:
a.
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
b.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;
c.
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
d.
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
e.
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of
f.
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen,
bosbouw;
watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
g.
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of
h.
21
in het algemeen belang.
Bijlage 3 Environmental DNA (eDNA) Alle dieren laten middels urine, uitwerpselen, huidcellen, haar of geslachtscellen hun DNA achter in de omgeving waarin ze leven. Dit DNA kan worden geëxtraheerd uit milieumonsters zoals bodem, water, uitwerpselen, etc. Op basis van deze DNA sporen kunnen soorten worden gedetecteerd. De environmental DNA methode (afkorting: eDNA methode) is een relatief nieuwe benadering om de verspreiding van soorten te inventariseren, ongeacht levensstadium of geslacht. Wanneer eDNA zich in het milieu bevindt kan het worden getransformeerd of afgebroken door verschillende biotische en abiotische factoren. De relatief korte persistentie van eDNA in aquatische milieus kan worden gebruikt als momentopname van de aanwezige soorten. In deze context kan eDNA daarom worden gebruikt als krachtig middel om vast te stellen welke soorten in het water aanwezig zijn, en of deze aanwezigheid recent (tot enkele weken terug) was. De trefkans kan omschreven worden als de kans dat eDNA van de doelsoort gedetecteerd wordt met de eDNA methode, aangenomen dat de doelsoort aanwezig is op een locatie. Deze trefkans is afhankelijk van de bemonstering, dichtheid en ecologie of gedrag van de doelsoort. In veel onderzoeken bleek eDNA een hogere trefkans te hebben dan traditionele methoden.
Dit geldt met name voor zeldzame soorten (die in lage dichtheden voorkomen) en soorten die moeilijk waarneembaar zijn met traditionele methoden. Met de eDNA methode is het mogelijk soorten te detecteren zonder deze daadwerkelijk waar te nemen of te vangen.
Methode eDNA kan worden aangetoond in bodem-, feces- of watermonsters. Afhankelijk van de grootte van het plangebied en de grootte van het aanwezige functioneel leefgebied. De monsters dienen altijd ten minste in duplo genomen te worden. Bij het nemen van de monsters is het belangrijk dat er steriel wordt gewerkt, om besmetting van de monsters te voorkomen. De monsters worden vervolgens verstuurd naar een deskundig laboratorium, waar het DNA van de doelsoort wordt geïsoleerd en vermenigvuldigd. Middels deze methode (qPCR, oftewel kwantitatieve PCR) kan de aanwezig- dan wel afwezigheid binnen het plangebied worden aangetoond.
Tijdsduur De tijd die nodig is van bemonstering tot resultaat omvat de bemonstering zelf, het transport naar het lab en de tijd die nodig is voor de extractie en analyse van de monsters. In het algemeen werken labs gelijktijdig aan vele projecten om zo de kosten voor de analyses te beperken. De tijd van bemonstering tot resultaat ligt daarom in het algemeen tussen de 4 en 6 weken.
Resultaten De resultaten komen per monster, waardoor per locatie een afweging gemaakt kan worden omtrent de effecten van de beoogde ingreep op de aanwezige soort.
Beschikbare te onderzoeken soorten Momenteel kan de aanwezigheid van de volgende soorten worden vastgesteld middels eDNA:
Tabel 1
Soorten die kunnen worden vastgesteld middels eDNA. Schuingedrukte soorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming Amfibieën
Zoogdieren
Vissen
Heikikker Kamsalamander Knoflookpad Rugstreeppad
Beverrat
Beek- of rivierprik
Muskusrat
Bittervoorn
Noordse woelmuis Otter Waterspitsmuis
Grote modderkruiper
Graskarper Karper Kleine modderkruiper Kroeskarper Zonnebaars Zwartbekgrondel
22
bestemmingsplan Landelijk gebied, Drietorensweg 40-2 te Ens
Bijlage 6 Aanvullend onderzoek grote modderkruiper en rugstreeppad
374
bestemmingsplan (ontwerp)
Notitie e-DNA
Blom Ecologie b.v. ADVIES fc ONDERZOEK
AAB Nederland T.a.v. dhr. ing. R.E. van der Wel
Zandweg 46
Jupiter 420
4181 PM Waardenburg
2675 LX Honselersdijk
10418 820 288 e inřoŵblomecologie.nl i www.blomecologic.nl
KvK 67221904
Datum
20 oktober 2021
BTW 856882999B01
Kenmerk
BE/2021/1007/n
IBAN NL21RABO0314240683
Onderwerp
e-DNA onderzoek grote modderkruiper en rugstreeppad Enserweg 19-1 te Ens
Auteur(s)
ing. M.A. Brinkbaumer
Voor de uitbreiding van een glastuinbouwbedrijf aan de Enserweg 19-1 te Ens wordt een nieuw kassencomplex gerealiseerd op diverse akkerpercelen aan de Drietorensweg 38-2 en 40-2 te Ens. Ten behoeve van de ontwikkeling worden diverse gebouw gesaneerd en groenstructuren verwijderd. Verder is benodigd dat er diverse watergangen gedempt worden. Wegens de ligging, slootstructuur en de bekende waarnemingen kon de aanwezigheid van grote modderkruiper en rugstreeppad niet worden uitgesloten tijdens het veldbezoek. Aangezien er deels sprake is van volledige demping en deels ontgronding kunnen er mogelijk negatieve effecten ten aanzien van deze soorten optreden. In figuur 1 en 2 wordt de planlocatie weergegeven en een voorbeeld laten zien van een van de sloten. AAB Nederland begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht om de aan- dan wel afwezigheid van grote modderkruiper en rugstreeppad op het plangebied aan te tonen.
eco-IO'įļic (de; v) 1 wetenschap die de betrekkingen tussen de organismen en hun omgeving bestudeert, 2 die betrekkingen zelf; rCO-ÌO-gist'h (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord)
1 m.b.t. de ecologie, 2 milieuvriendelijk; fĩo-ĩí1 (de; v(m); meervoud: flora's) 1 alle planten van een bep. gebied, 2 boek dat de opsomming en beschrijving ervan bevat; fíìtl-ttiì (de; v(m); meervoud: fauna's) 1 de dierenwereld van een gebied.
Figuur 2
Een van de onderzochte watergangen op de planlocatie
Environmental DNA (e-DNA) Deze methode is gebaseerd op het achterhalen van stukken DNA via feces, urine en huidcellen. Door het unieke oplossende vermogen van water worden deze stukjes DNA verspreid over een groot oppervlak. Middels het bemonsteren van de watergangen is onderzocht of dergelijke DNA stukjes aanwezig zijn in de watergangen. Voor de grote modderkruiper is e-DNA een onder de Wet natuurbescherming gevalideerde methode van onderzoek. Voor de rugstreeppad wordt dit reeds onderzocht. Op 28 september 2021 is door een medewerker van Blom Ecologie B.V. een veldbezoek afgelegd voor het verzamelen van mogelijk e-DNA. Hierbij zijn trajecten van ca. 50 m tot 300 m (afhankelijk van lengte van sloot) gelopen, waarbij op diverse plaatsen een subsample werd genomen. In totaal zijn 5 van dergelijke trajecten uitgevoerd (zie figuur 3). De sloten ten zuiden van sloot 1 stonden in directe verbinding met sloot 1, hierdoor is de locatie vlak dekkend onderzocht.
2
Het bemonsteren van de watergangen is uitgevoerd middels een e-DNA oplossingen van
Sylphium Molecular Ecology. De samples zijn na het veldbezoek geanalyseerd door Sylphium (zie bijlage voor rapportage).
Resultaten en conclusie Tijdens het veldbezoek van de quickscan kon potentie voor aanwezigheid van de grote modderkruiper en rugstreeppad niet uitgesloten worden. Op korte afstand ^200 m) waren meerdere waarnemingen bekend van de rugstreeppad (NDFF, 2011-2021). Het makkelijk koloniserende karakter van de soort maakte dat aanwezigheid op de planlocatie (ondanks dat de watergangen niet ideaal geschikt waren) niet uit te sluiten was. Een deel van de watergangen stond in verbinding met overig oppervlaktewater, hierdoor bestond de mogelijkheid dat de grote modderkruiper (in het verleden) de watergangen heeft gekoloniseerd. Uit de analyse van Sylphium is duidelijk geworden dat geen van de bemonsterde watergangen DNA van de grote modderkruiper of rugstreeppad bevatten. Derhalve is uit te sluiten dat deze soorten voorkomen in de te dempen of ontgronden watergangen. Aangezien de omgeving van de planlocatie bestaat uit agrarisch gebied is er sprake van veel vergelijkbaar en eventueel beter geschikt leefgebied, is het niet ondenkbaar dat de planlocatie (wegens beperkte potentie) niet gekoloniseerd is. De waarnemingen van de rugstreeppad centreren zich hoofdzakelijk rond één woonperceel ten westen van de planlocatie (vijver en overig oppervlaktewater). Hierdoor is aannemelijk dat deze locatie beter geschikt is als leefgebied dan de planlocatie.
Aangezien de aanwezigheid van beide soorten uitgesloten is van de planlocatie zijn er geen vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming. Wel dienen er enkele maatregelen getroffen te worden in het kader van de Algemene zorgplicht. Mogelijk zijn er algemene soorten (amfibieën, insecten of vissen) aanwezig in de watergangen. Om effecten op deze soorten te minimaliseren dienen de werkzaamheden in 1 richting uitgevoerd te worden zodat de dieren de mogelijkheid krijgen om weg te zwemmen. Indien de watergang volledig gedempt wordt en de dieren geen wegzwem mogelijkheden hebben, dient er eerst afgevist te worden.
3
Wij hopen u met deze notitie voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.
Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. M.A. Brinkbaumer
Bijlage 1
Rapportage analyse e-DNA grote modderkruiper en rugstreeppad door Sylphium.
Zandweg 46 - 4181 PM Waardenburg Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
4
bestemmingsplan Landelijk gebied, Drietorensweg 40-2 te Ens
REGELS
bestemmingsplan (ontwerp)
379
bestemmingsplan Landelijk gebied, Drietorensweg 40-2 te Ens
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 1.1
Begrippen
plan:
het bestemmingsplan Landelijk gebied, Drietorensweg 40-2 te Ens met identificatienummer NL.IMRO.0171.BP00701-ON01 van de gemeente Noordoostpolder; 1.2
bestemmingsplan:
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3
aanduiding:
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4
aanduidingsgrens:
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5
agrarisch bedrijf:
een bedrijf, dat geheel of overwegend gericht is op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten, niet zijnde (bio)gas, of elektriciteit, door het telen van gewassen en/of het houden van dieren, met uitzondering van een paardenpension, manege en intensieve veehouderij; 1.6
agrarische bedrijvigheid
bedrijvigheid, geheel of overwegend gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen van producten door het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in: a. b. c. d.
e. f. g.
1.7
akker- en tuinbouw: de teelt van gewassen op open grond; daaronder niet begrepen bosbouw, sierteelt en fruitteelt; fruitteelt: de teelt van fruit op open grond; grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond, waaronder begrepen de teelt van ruwvoedergewassen; intensieve veehouderij: agrarische bedrijvigheid bestaande uit fokkerij, houderij en/of mesterij van vee, zoals varkens, kalveren en pluimvee, die functioneel geheel of overwegend niet afhankelijk is van de ter plaatse bij het agrarisch bedrijf behorende grond als productiemiddel en die plaatsvindt zonder of nagenoeg zonder weidegang; glastuinbouw: de teelt van tuinbouwgewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen; paardenfokkerij: het fokken van veulens en de opfok van jonge paarden met de daaraan verbonden basistraining tot een leeftijd van 2 à 3 jaar; kwekerij: het telen, kweken en verzorgen van bomen, heesters, struiken, planten en bloemen of tuinbouwzaden, al dan niet met behulp van kassen en al dan niet gecombineerd met de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten en niet zijnde een tuincentrum; ander-bouwwerk: