4.1 Rekenkameronderzoek Armoedebeleid.pdf
Tekst van het document
Evaluatie armoedebeleid gemeente Noordoostpolder
Definitief
Voorwoord armoedebeleid In de kinderboeken die ik in mijn jeugd las, was armoede een duidelijk afgebakend begrip. Arme mensen leefden in slechte huizen, liepen vaak in lompen en hadden geen geld. Voor steun waren ze goeddeels overgeleverd aan de goedertierenheid van andere mensen. Overheid en een georganiseerde maatschappelijke solidariteit leken niet te bestaan. Of dat tijdsbeeld in die boeken klopt heeft de rekenkamer niet onderzocht. Wel heeft de rekenkamer gemeend het beleid ten aanzien van armoede van de gemeente Noordoostpolder te moeten onderzoeken. Het resultaat ligt thans voor u. Als rekenkamer zijn wij verheugd te constateren dat de gemeente armoede en armoede bestrijding serieus neemt. Zeker ook omdat wij ook hebben vastgesteld dat de intrinsieke motivatie van de mensen (ambtenaren en bestuurders) die zich hier mee bezighouden hoog is. Desalniettemin heeft de rekenkamer ook vastgesteld dat het beleid op onderdelen verbeterd kan worden. Wij hebben dat vastgelegd in de conclusies en aanbevelingen. De rekenkamer heeft het vertrouwen dat hierdoor een goed gesprek tussen het college en de raad op gang kan komen, waarbij de wil om armoede uit te bannen centraal staat. Dat is deels een kwestie van geld, maar eveneens een kwestie van motivatie bij alle partijen.
Op 26 februari 2024 werd het rapport van de parlementaire enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening gepresenteerd. Een belangrijk en terugkerend punt dat hier aan de orde kwam is de spanning tussen enerzijds rechtmatigheid en anderzijds menslievendheid. Rekenkamers richten zich in het bijzonder op doeltreffendheid en doelmatigheid. In het kader van een “zachte” overheid zou doelmatigheid ook als menslievendheid kunnen worden uitgelegd. Ik heb er vertrouwen in dat dit ook de drijvende emotie is bij de gemeente Noordoostpolder om de armoede te bestrijden. Efficiënt, doeltreffend en menslievend. Joris van Enst Voorzitter Rekenkamer gemeente Noordoostpolder
1
Definitief
Evaluatie armoedebeleid gemeente Noordoostpolder Een onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het armoedebeleid in de gemeente Noordoostpolder.
Colofon Opdrachtgever Rekenkamer Noordoostpolder Datum Januari 2024 Auteurs Bert van Putten Anieta Boer Jitske Kooistra – van der Wijk KWIZ Stavangerweg 23 - 5 9723 JC Groningen 050 - 5252473 contact@kwiz.nl Uitgave Deze publicatie is een uitgave van KWIZ. Het overnemen van cijfers en / of teksten is toegestaan, mits de bron duidelijk wordt vermeld. Niets uit deze publicatie mag worden verveelvoudigd en / of openbaar gemaakt worden in welke vorm dan ook zonder voorafgaande toestemming van KWIZ.
2
Definitief
Inhoudsopgave Voorwoord armoedebeleid ......................................................................................................... 1 Inleiding ......................................................................................................................................... 5 Deel A Bevindingen, conclusies en aanbevelingen................................................................. 9 B1 Bevindingen ........................................................................................................................ 10 C1 Conclusies .......................................................................................................................... 14 C2 Aanbevelingen.................................................................................................................... 16 Bestuurlijke reactie................................................................................................................... 19 Nawoord ................................................................................................................................... 22 Deel B Nota van bevindingen ................................................................................................... 23 1. Armoedebeleid in de gemeente Noordoostpolder................................................................... 30 1.1.
Lokale context ................................................................................................................... 30 1.2. Beleidsvisie en doelstellingen armoedebeleid .................................................................. 31 1.3. Uitvoering armoedebeleid op hoofdlijnen ......................................................................... 34 2. Resultaten Deelplan Minima ................................................................................................... 39 2.1. Inwoners zijn zoveel mogelijk zelfredzaam ...................................................................... 39 2.2. Minimaregelingen zijn activerend en gericht op meedoen ............................................... 40 2.3. Meedoen- en inkomensondersteunende regelingen zijn vindbaar en de doelgroep wordt beter bereikt ............................................................................................................................. 47 2.4. De toegang tot gemeentelijke minimaregelingen is laagdrempelig en gericht op de doelgroep ................................................................................................................................. 49 2.5. Het minimabeleid past binnen de financiële kaders ......................................................... 52 3.
Rol van de gemeenteraad ....................................................................................................... 57 3.1. Informatie richting gemeenteraad ..................................................................................... 57 3.2. Controle vanuit de gemeenteraad .................................................................................... 57 4. Bijlagen .................................................................................................................................... 58 Bijlage 1. Normenkader ............................................................................................................... 59 Bijlage 2. Resultaten behoeftepeiling doelgroep ......................................................................... 62 B2.1 Respons .......................................................................................................................... 62 B2.2 Regelingen bij geldzorgen ............................................................................................... 62 B2.4 Aanbod minimaregelingen en andere hulp ..................................................................... 65 B2.5 Aanvragen van regelingen ..............................................................................................
66 B2.6 Invloed van de regelingen ............................................................................................... 67 B2.7 Rapportcijfers .................................................................................................................. 67 4.1. B2.8 Tips voor de gemeente............................................................................................. 67 B2.9 Achtergrondinformatie respondenten .............................................................................. 70 5. Bijlage 3. Resultaten Burgerpanel ........................................................................................... 71 B3.1 Respons .......................................................................................................................... 71 B3.2 Ondersteuning van de gemeente .................................................................................... 71 5.1. B3.3 Informatie.................................................................................................................. 72 B3.4 Financiële situatie ............................................................................................................ 73 B3.5 Achtergrondinformatie respondenten .............................................................................. 75 Bijlage 4.
Overzicht indicatoren vanuit beleidsplan sociaal domein............................................ 76 Bijlage 5. Chronologisch overzicht belangrijkste stukken gemeenteraad ................................... 78 Bijlage 6 Lokale context gemeente Noordoostpolder.................................................................. 85 Bijlage 7 Wettelijk kader armoedebeleid ..................................................................................... 87 Bijlage 8. Inkomenseffectrapportage ........................................................................................... 88 B8.1 Introductie ........................................................................................................................ 88 B8.2 Onderzoeksmethodiek .................................................................................................... 88 B8.3 Het effect van het landelijk beleid is groter dan het gemeentelijk beleid ........................ 92 B8.4 Opbouw maandelijkse gemeentelijke bijdrage op 100% Wsm ....................................... 93 B8.5 Het maandelijks vrij te besteden budget verschilt per huishoudtype .............................. 94 B8.6 Werken vanuit de bijstand loont ......................................................................................
96 B8.7 Invloed van de energietoeslag ........................................................................................ 99 B8.8 Overzicht minimaregelingen .......................................................................................... 102 B8.9 Opbouw totaal inkomen 100 tot 130% Wsm ................................................................. 103 B8.10 Financieel maandoverzicht.......................................................................................... 105
3
Definitief
4
Definitief
Inleiding Aanleiding onderzoek Het armoedebeleid is in de gemeente Noordoostpolder een actueel thema. De Rekenkamer Noordoostpolder (RK) heeft op basis van het gesprek met de verschillende fracties in de gemeenteraad besloten om een onderzoek te doen naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van het armoedebeleid en de uitvoering. Door het uitvoeren van een onderzoek wenst de RK de gemeenteraad inzicht te geven in de doelmatigheid en doeltreffendheid van het huidige beleid en daarmee tevens handvatten bieden voor hun kaderstellende rol. Het huidige beleid dateert uit 2021. Afbakening onderzoek Dit onderzoek richt zich op het armoedebeleid. De gemeente Noordoostpolder noemt in haar beleid de definitie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), de lage inkomensgrens, als het meest passend om te kunnen vergelijken met andere gemeenten. De gemeentelijke regelingen zijn gebaseerd op het wettelijk sociaal minimum (de bijstandsnorm). Feitelijk hanteren we voor dit onderzoek de beleidsmatige inkomensgrens, die is gebaseerd op het wettelijk sociaal minimum. De afwijkingen tussen de lage inkomensgrens en de beleidsmatige inkomensgrens zijn volgens het CBS gering1. Het onderzoek betreft de beleidsperiode 2019 tot heden. Onderzoeksvragen Voor het onderzoek gaan we uit van de onderzoeksvragen die de Rekenkamer heeft opgesteld.
De hoofdvraag voor het onderzoek luidt: “Hoe wordt het gemeentelijk armoedebeleid uitgevoerd en hoe is deze uitvoering te beoordelen in termen van doeltreffendheid en doelmatigheid? En wordt de gemeenteraad in staat gesteld om het beleid en de kaders op basis van toereikende informatie doeltreffend vast stellen, de uitvoering van het armoedebeleid en de besteding van de financiële middelen te controleren? En welke verbetermogelijkheden zijn er?” Daarnaast is er een aanvullend onderzoek gedaan naar de situaties waarin de armoedeval optreedt2. De hoofdvraag voor dit onderzoek luidt: In hoeverre en in welke situaties komt armoedeval, bij (meer) loon door werk, voor als we kijken naar de gemeentelijke regelingen en welke oplossingsrichtingen zijn er voor de gesignaleerde knelpunten? Naast de hoofdvraag zijn er diverse deelvragen opgesteld. De deelvragen zijn thematisch onder te verdelen in de volgende onderwerpen. Beleid en Kaders: 1. Wat is de definitie van armoede in de gemeente?; 2. Wat zijn de doelen?; 3. Is deze definitie actueel en afgestemd op de samenstelling van de samenleving in de gemeente?; 4. Welke minimaregelingen zijn beschikbaar?; 5. Voor welke doelgroepen zijn deze bedoeld?; 6.
Hoe zijn de financiële middelen begroot?; Uitvoering (van regelingen), demografische en armoedeanalyse van indicatoren: 1 Op deze website staan de verschillen tussen beide definities nader uitgelegd:
https://longreads.cbs.nl/armoede-en-sociale-uitsluiting-2023/bijlage/ 2 Gelijktijdig met het rekenkameronderzoek heeft het College van B&W besloten een onderzoek uit te gaan voeren naar de effecten op het inkomen na werkaanvaarding, de zogenoemde armoedeval. Gezien de samenloop van deze onderzoeken heeft de Rekenkamer Noordoostpolder in overleg met het College besloten het onderzoek naar de armoedeval op te nemen in de evaluatie van het armoedebeleid.
5
Definitief
7. Zijn de doelgroepen voor de diverse regelingen duidelijk geïdentificeerd (eventueel ook uitgesplitst naar Emmeloord en de omliggende dorpen)?; 8. Wat is de duiding en verklaring van de scores van de verschillende beleidsindicatoren met betrekking tot armoede in de gemeente Noordoostpolder?; 9. Hoe verloopt de samenwerking met ketenpartners op het gebied van armoede voor de verschillende doelgroepen en inwoners in het centrum en de dorpen?; Doelbereik: 10. Wat zijn de ontwikkelingen van de doelgroepen (instroom en uitstroom) en het bereik van de doelgroepen (in centrum en dorpen) van de verschillende instrumenten? Wat zijn de mogelijke oorzaken van de mismatch? Heeft de gemeente zicht op deze ontwikkelingen?; 11. Zijn de beoogde effecten van de genomen maatregelen duidelijk en worden doeltreffendheid en doelmatigheid voldoende geëvalueerd? Wat is er dan op grond van de beschikbare gegevens te zeggen over de doelmatigheid en doeltreffendheid? Welke indicatoren worden gehanteerd?; 12. Is het doelbereik voldoende of mist het beleid van de gemeente doelgroepen of instrumenten, gezien vanuit de samenstelling van de inwoners van de gemeente? Zo ja, welke doelgroep(en) of instrumenten zijn dat? 13. Is er ook ruimte in het gemeentelijk beleid om inwoners buiten de armoedecriteria tegemoet te komen? Zo ja, in welke aantallen gebeurt dat?; 14.
Hoe is de gemeenteraad geïnformeerd over de uitvoering van het beleid en de besteding van de beschikbare financiële middelen? 15. Welke aanvullende beleidsinstrumenten heeft de gemeente om armoede onder haar inwoners te bestrijden? Wat is het mogelijke effect van die aanvullende instrumenten?; 16. Op welke wijze kan de raad (beter) in staat worden gesteld om de uitvoering van het beleid en de besteding van de beschikbare financiële middelen te controleren?
Onderzoek armoedeval3 1. In hoeverre veroorzaken landelijke regelingen op het gebied van inkomensondersteuning armoedeval? 2. Wat zijn de effecten van het gemeentelijke beleid op het inkomen van minima en in welke situatie(s) is er sprake van armoedeval? 3. Welke oplossingsrichtingen zijn mogelijk voor de gesignaleerde knelpunten? In dit onderzoek definiëren we een armoedeval als een terugval in het totale inkomen ten opzichte van het uitgangsinkomen. Dat komt voor wanneer huishoudens een inkomensstijging doormaken en door het wegvallen van landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen uitkomen op een totaal inkomen dat onder het uitgangsinkomen ligt. We berekenen de inkomenseffecten van het lokale en landelijke beleid in 2023 voor zes generieke voorbeeld huishoudtypen die in de samenleving voorkomen. Het gaat om niet AOW-gerechtigden: alleenstaande;, paar zonder kinderen, alleenstaande ouder met twee kinderen (8 en 13 jaar), paar (twee volwassenen) met twee kinderen (8 en 13 jaar) en twee huishoudtypen met de AOW-gerechtigde leeftijd: alleenstaande en paar (twee volwassenen) Vanzelfsprekend kan de situatie voor individuele huishoudens in de praktijk afwijken van deze standaardhuishoudens. Meer informatie over de definities en uitgangspunten staan beschreven in bijlage 8, paragrafen B8.1 en B8.2.
3 In de opzet van het onderzoek naar de armoedeval zoals het college die wilde uitvoeren, zat een
specifieke onderzoeksvraag naar welke regelingen de gemeente kent. Deze vraag was al onderdeel van het reguliere deel van het rekenkameronderzoek. Daarnaast was een onderzoeksvraag: In hoeverre speelt het thema armoedeval een rol bij de keuze van inwoners om wel of niet (meer) te gaan werken? Deze vraag is niet meegenomen in dit onderzoek.
6
Definitief
Op basis van deze onderzoeksvragen is een normenkader ontwikkeld, te vinden in bijlage 1. Onderzoeksaanpak en verantwoording Het onderzoek is uitgevoerd in een aantal fasen. De eerste fase van het onderzoek bestond uit deskresearch. In deze fase is een uitgebreide analyse uitgevoerd van het geformuleerde beleid, de verantwoording en de wijze waarop de gemeenteraad is betrokken bij de kaderstelling en het controleren van de voortgang. Vervolgens zijn in de tweede fase de uitkomsten van de analyse getoetst en verdiept in een tweetal interviews met beleidsadviseurs en uitvoerend medewerkers van de gemeente. Ook heeft er een groepsgesprek plaatsgevonden met de belangrijkste ketenpartners die actief zijn op het gebied van armoede en schulden in de gemeente Noordoostpolder.
In de derde fase is er een enquête4 gehouden onder de mensen die gebruikmaken van een regeling in het kader van armoedebeleid in de gemeente. De vragenlijst is verstuurd naar 2.200 inwoners in de gemeente Noordoostpolder met een voorziening uit het armoedebeleid. In totaal hebben 389 respondenten de enquête ingevuld (61 online en 328 op papier). Dat brengt de respons op 18 procent. De respons is voldoende om uitspraken te doen over de volledige doelgroep van huishoudens die gebruikmaken van het minimabeleid in de gemeente Noordoostpolder. Zij zijn gevraagd naar hun mening over het beleid, de effecten en de verbeterpunten. De resultaten uit de enquête zijn puur gebruikt om meer inkleuring en duiding te geven aan de feiten uit de documentenstudie en de gesprekken. Aanvullend hierop is tevens een enquête uitgezet middels het burgerpanel van de gemeente Noordoostpolder. Het burgerpanel is een enquête waar inwoners van de gemeente Noordoostpolder gemiddeld 4 keer per jaar hun mening geven over verschillende onderwerpen. Inwoners kunnen zich hiervoor aanmelden. De leden van het burgerpanel zijn bevraagd op de bekendheid van gemeentelijke ondersteuning bij geldzorgen, financiële situatie en gewenste informatiebronnen5. Voor het burgerpanel zijn 1396 mensen aangeschreven. Daarvan hebben 437 mensen de vragenlijst ingevuld (al dan niet volledig).
Door de oproep in de krant (De Noordoostpolder) en via sociale media hebben nog 76 mensen de vragenlijst ingevuld. In totaal hebben dus van 513 mensen de enquête ingevuld. Ook deze resultaten De resultaten uit de enquête zijn puur gebruikt om meer inkleuring en duiding te geven aan de feiten uit de documentenstudie en de gesprekken. In het onderzoek naar de armoedeval zijn de effecten van de lokale en landelijke regelingen op het inkomen van inwoners in kaart gebracht. Dit rapport is integraal weergegeven in bijlage 8. Op basis van de bevindingen uit deze fasen is de bevindingenrapportage opgesteld en zijn de conclusies en aanbevelingen geformuleerd. Dankzegging Zonder de zeer coöperatieve medewerking van betrokkenen vanuit de gemeente Noordoostpolder en de ketenpartners was dit onderzoek niet tot stand gekomen. We willen daarom de gemeente en betrokken partijen hartelijk danken voor de prettige samenwerking gedurende het onderzoek.
Leeswijzer De rapportage begint met Deel A. In dit deel staan de belangrijkste bevindingen op een rij. Daarnaast wordt hier ingegaan op de conclusies uit dit onderzoek en formuleert de Rekenkamer Noordoostpolder de aanbevelingen.
4 De resultaten van deze behoeftepeiling zijn opgeleverd als bijlage zodat de diagrammen en bijbehorende
duiding weergegeven kunnen worden. In voorliggend rapport is een samenvatting van de resultaten opgenomen. Dit komt de leesbaarheid en gerichte beantwoording van de onderzoeksvragen ten goede. 5 Voor de weergave van de resultaten is dezelfde opzet gekozen als de behoeftepeiling, zie voetnoot 1.
7
Definitief
In deel B, de bevindingenrapportage, staan de feitelijke bevindingen uit het onderzoek beschreven, aangevuld en ingekleurd met de resultaten van de verschillende interviews en de gehouden enquêtes. De opbouw van deze rapportage is als volgt. De bevindingenrapportage begint met een samenvattende weergave van de bevindingenrapportage. Vervolgens wordt in het eerste hoofdstuk nader ingegaan op de lokale context van het armoedebeleid en de visie en de doelstellingen van het armoedebeleid in de gemeente Noordoostpolder. In dit hoofdstuk komen onder meer de feitelijke armoedeproblematiek, de geldende visie en doelstellingen die de gemeente Noordoostpolder hanteert voor het sociaal domein breed en meer specifiek voor het armoedebeleid. Ook staat in grote lijnen beschreven op welke wijze inwoners een aanvraag voor een voorziening uit het armoedebeleid kunnen doen en met welke samenwerkingspartners de gemeente samenwerkt hierin.
Het tweede hoofdstuk gaat nader in op de resultaten die de gemeente Noordoostpolder wil behalen in het armoedebeleid. Deze beoogde resultaten zijn uitgewerkt in het Deelplan Minima 2021-2024. Per beoogd resultaat staan de te behalen doelen, de acties die de gemeente hiervoor wil uitvoeren en de wijze van monitoring uitgewerkt. Vervolgens wordt weergegeven in welke mate de gemeente de doelen, acties en monitoring ook daadwerkelijk heeft gerealiseerd. In het derde hoofdstuk wordt nader ingegaan op de rol van de gemeenteraad in het armoedebeleid. Hierbij gaat het om de informatie richting gemeenteraad en de wijze waarop de gemeenteraad haar controlerende en kaderstellende rol heeft ingevuld. Bij het rapport zitten verschillende bijlagen. In bijlage 1 staat het normenkader weergegeven dat wordt gehanteerd voor dit onderzoek. In bijlage 2 staan de resultaten van de behoeftepeiling onder de doelgroep uitgewerkt. In de derde bijlage staan de resultaten van de enquête die uitgezet is onder het Burgerpanel. Bijlage 4 bevat een overzicht van de indicatoren vanuit beleidsplan sociaal domein. In bijlage 5 staat een chronologisch overzicht van de belangrijkste stukken rond het armoedebeleid die aan de orde zijn geweest in de gemeenteraad. De lokale context van armoede in de gemeente Noordoostpolder wordt in bijlage 6 meer in detail beschreven.
Bijlage 7 bevat een overzicht van het wettelijk kader van het armoedebeleid. In bijlage 8 wordt het onderzoek naar de armoedeval beschreven.
8
Definitief
Deel A Bevindingen, conclusies en aanbevelingen In dit deel staan de belangrijkste bevindingen samengevat op een rij en worden de conclusies op basis van de bevindingen opgesomd. Vervolgens worden de aanbevelingen genoemd. Deze aanbevelingen zijn generiek en kunnen op één of een deel van de conclusies zijn gebaseerd. Er wordt niet specifiek naar die conclusies verwezen.
9
Definitief
B1 Bevindingen B1 Beleid en kader armoedebeleid gemeente Noordoostpolder B1.1 De definitie van armoede en ontwikkeling in de doelgroepen De gemeente Noordoostpolder heeft in haar beleidsdocumenten niet beschreven welke definitie van armoede er wordt gehanteerd. Wel staat in het Deelplan Minima aangegeven dat de gemeente voor het vergelijken met andere gemeenten de definitie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) als basis gebruikt: de lage inkomensgrens voor het afbakenen van het risico op armoede.
Deze definitie sluit aan op de risicogroepen die de gemeente signaleert: sociaaleconomische risicogroepen (bijstandsgerechtigden, werkende armen, ZZP’ers, inwoners bij wie ingrijpende levensgebeurtenissen plaatsvinden en laagopgeleiden) en demografische risicogroepen (eenoudergezinnen, alleenstaanden onder de AOW-leeftijd en vluchtelinghuishoudens). De hoogte van het inkomen vormt hierbij het uitgangspunt, al is er verbreding van de definitie naar inwoners die ingrijpende levensgebeurtenissen meemaken en door schulden, echtscheiding en andere problematische situaties in geldnood zijn gekomen. Uit de openbare CBS-cijfers blijkt dat de omvang van de doelgroep de afgelopen jaren in absolute en relatieve zin is gedaald. Het aantal huishoudens dat rond moet komen van een inkomen tot 120 procent van het wettelijk sociaal minimum daalde van 2.100 in 2019 naar 2.000 huishoudens in 2021 . Ook het aantal kinderen dat opgroeit in een huishouden met een laag inkomen is sinds 2019 gedaald.
B1.2 Doelstellingen beleid De gemeente beschikt momenteel over een door de raad vastgesteld beleidskader voor het sociaal domein en een beleidsplan rond armoede, het “Deelplan Minima” vastgesteld op 11 september 2021. Het beleid voor het sociaal domein (2021) is gebaseerd op vier leidende principes: 1. Iedereen doet mee. Inwoners doen, zelfstandig of met hulp, mee aan de samenleving en aan de arbeidsmarkt. 2. Voorkomen staat voorop. Er is een preventieve infrastructuur van vrijwilligers, mantelzorgers, initiatieven en andere oplossingen aanwezig. 3. Passende ondersteuning voor wie dat nodig heeft. De ondersteuning is afgestemd op de vraag van inwoners en gaat uit van wat zij wél kunnen. De ondersteuning kan bestaan uit een zelfstandige oplossing van de inwoner, hulp uit de sociale omgeving en/of de inzet van een algemene- en/of een maatwerkvoorziening 4. Financieel houdbaar stelsel. Inwoners worden zo goed mogelijk ondersteund, zonder dat hier financiële problemen mee gepaard gaan. In het Deelplan Minima staan vijf te behalen resultaten en doelstellingen centraal. De beoogde resultaten zijn niet vertaald naar meetbare indicatoren. De resultaten en onderliggende doelstellingen zijn: 1. Inwoners zijn zoveel mogelijk zelfredzaam: a. meer inwoners zijn voldoende zelfredzaam; b. inwoners met (dreigend) armoederisico weten de weg naar ondersteuning; 2.
Minimaregelingen zijn activerend en gericht op meedoen; de bijbehorende doelen zijn: a. inwoners hebben meer sociale contacten; b. meer inwoners, met name kinderen, doen mee in de samenleving. 3. Meedoen- en inkomensondersteunende regelingen zijn vindbaar en de doelgroep wordt beter bereikt: a. Inwoners met een (dreigend) armoederisico zijn vroegtijdig in beeld.
10
Definitief
4.
5.
b. Inwoners met een minimuminkomen maken doelmatig gebruik van de bestaande regelingen. De toegang tot gemeentelijke minimaregelingen is laagdrempelig en gericht op de doelgroep; a. inwoners vinden gemakkelijk de weg naar gemeentelijke minimavoorzieningen; b. onze dienstverlening sluit aan bij de belevingswereld van de doelgroep. Het minimabeleid past binnen de financiële kaders: a. we besteden de beschikbare budgetten doelmatig en rechtmatig; b. we bereiken in 2024 met het minimabeleid de taakstelling, zoals opgenomen in het uitvoeringsplan ‘Grip op het sociaal domein’.
B1.3.Uitvoering en de beschikbare regelingen Informatievoorziening en bekendheid verschillende regelingen De gemeente heeft een duidelijk overzicht beschikbaar voor inwoners van de beschikbare gemeentelijke regelingen. Ook is per regeling de doelgroep duidelijk beschreven. Toch geeft de doelgroep zelf aan dat de informatievoorziening over de regelingen beter kan. Ook de ketenpartners vinden de informatie over de regelingen lastig te vinden. De inwoners zijn in verschillende mate op de hoogte van de regelingen die gemeente biedt. Regelingen als de energietoeslag, de kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen en de bijzondere bijstand zijn bekend onder de meerderheid van de doelgroep. De helft van de doelgroep is verder op de hoogte van de Meedoenpakketten. De voornaamste reden voor het niet-gebruiken van regelingen, is dat inwoners de regelingen niet kennen. Inwoners willen graag meer informatie ontvangen van de gemeente over de beschikbare regelingen en ondersteuning. Uit de peiling in het Burgerpanel blijkt dat relatief veel inwoners op de hoogte ervan zijn dat de gemeente ondersteuning biedt aan mensen met een laag inkomen is De inhoud van de verschillende regelingen De regelingen hebben een inkomensgrens van 100 en 110 procent van het wettelijk sociaal minimum, waarbij voor sommige regelingen een vermogensgrens wordt meegenomen.
Het Meedoenpakket voor jongeren heeft als enige regeling een inkomensgrens van 120 procent van het wettelijk sociaal minimum en de eenmalige energietoeslag 2022 had een inkomensgrens van 130 procent van het wettelijk sociaal minimum. De inkomensgrens, 150 procent van het wettelijk sociaal minimum, voor Stichting Leergeld wordt bepaald door de stichting zelf. De Stichting Leergeld opereert onafhankelijk van de gemeente Noordoostpolder. De gemeente heeft bij een aantal gemeentelijke minimaregelingen ruimere voorwaarden opgesteld, waardoor een bredere doelgroep in aanmerking komt voor de regelingen. Zo is er een draagkrachtberekening bij de bijzondere bijstand, ruimte voor een marginale overschrijding bij de individuele inkomenstoeslag en de Meedoenpakketten voor ouderen en jongeren kunnen ook aangevraagd worden wanneer er sprake is van een schuldhulpverleningstraject. Daarnaast past de gemeente Noordoostpolder het maatwerkbudget toe als er een andere passende voorziening of regeling ontbreekt. Deze bijdrage is eenmalig en incidenteel en is bedoeld als overbrugging naar een structurele oplossing. Het maatwerkbudget mag alleen ingezet worden voor participatiedoeleinden. Ondanks de vastgelegde werkinstructie, is er geen eenduidig begrip over de inzet van dit budget bij medewerkers van de gemeente.
De omvang van de bestedingen vanuit het maatwerkbudget is zeer gering (in 2022 2.770,- euro).
In het aanbod aan minimaregelingen van de gemeente zitten geen dubbelingen. Wel is er voor kinderen die opgroeien in een huishouden met een laag inkomen zowel het Meedoenpakket kinderen als het aanbod van Stichting Leergeld beschikbaar. Deze regelingen kennen geen inhoudelijke overlap, maar wel andere inkomensgrenzen. Stichting Leergeld verwijst door naar de gemeente als voorliggende voorziening indien aan de orde. De gemeente beschikt niet over een participatieregeling voor volwassenen onder de pensioengerechtigde leeftijd. Inwoners geven aan een dergelijke regeling te missen, net als een vergoeding voor (hoge) zorgkosten voor inwoners met een laag inkomen. .
11
Definitief
Toegang tot de verschillende regelingen van de gemeente De toegang tot de voorzieningen voor het minimabeleid gaat in principe via het Sociaal Loket van de gemeente Noordoostpolder. De inwoner kan bij Humanitas Thuisadministratie ondersteuning krijgen bij het invullen van de formulieren. Het Sociaal Loket geeft aan ook geen tijd te hebben om de inwoner hierbij te helpen. De organisaties vinden dat de gemeente het hiermee de inwoner onnodig lastig maakt. De aanvraagprocedure wordt door een deel van klantgroep en ook door de ketenpartners als (te) lastig ervaren. De digitalisering van de aanvraagprocedure speelt daarbij ook een rol. Zoals eerder gemeld, moeten inwoners voor ondersteuning bij de aanvraag zich melden bij Humanitas Thuisadministratie. Dit wordt als extra drempel ervaren. Positief is dat veel mensen uit het Burgerpanel weten welk aanbod de gemeente heeft voor inwoners met een laag inkomen en ook dat men bij verschillende maatschappelijke organisaties terecht kan. De helft van de respondenten van het Burgerpanel zou geen aanvraag doen voor een regeling, omdat men zelfredzaamheid belangrijk vindt en waar nodig eerder op een vrijwilligersorganisatie wil terugvallen.
Tevredenheid van de (potentiële) doelgroep Uit de resultaten van de enquête uit het burgerpanel blijkt dat respondenten met een inkomen tot € 2.000 per maand vaker moeite hebben om zaken als leuke dingen ondernemen, boodschappen, noodzakelijke spullen, meedoen aan sport en cultuur te bekostigen dan inwoners met een hoger netto-inkomen. Tevens geven zij aan dat zij (denken) niet in aanmerking te komen voor gemeentelijke regelingen.
B1.4.Samenwerking De samenwerking met maatschappelijke partners is opgenomen in het overkoepelende plan “Krachtig Noordoostpolder 2.0”, waarin ook afspraken staan over de integrale samenwerking. Stichting Leergeld Noordoostpolder neemt in het netwerk rond minimabeleid een afwijkende positie in. De stichting is een belangrijke samenwerkingspartner voor de uitvoering van het minimabeleid, maar heeft (bewust) geen subsidierelatie met de gemeente. Er zijn geen nadere samenwerkingsafspraken met de partners in het werkveld rond het armoedebeleid. Er is dan ook geen afgesproken uniforme werkwijze. Elke organisatie, inclusief de gemeente, heeft haar eigen werkwijze en een echte integrale benadering ontbreekt. Wel geven de ketenpartnerorganisaties aan goed onderling contact te onderhouden en korte lijnen te hebben. Aangegeven wordt ook dat er gezien het grote verloop onder personeel er structureel geïnvesteerd dient te worden in het onderhouden van het netwerk. De gemeente en samenwerkingspartners overleggen regelmatig, op management- en uitvoeringsniveau met elkaar. Een breed netwerkoverleg ontbreekt en de regie van de gemeente wordt gemist. Zo is het niet altijd duidelijk voor samenwerkingspartners welke partij (gemeente of partnerorganisatie) op welk moment de verantwoordelijkheid heeft. Ook vinden organisaties dat de gemeente (te) verkokerd handelt.
Hierdoor is het soms lastig de juiste contactpersoon te vinden. In 2023 is een nieuw manifest opgesteld. De gemeente is voornemens het veld met zorgorganisaties te hervormen. Dit is met name gericht op het zorglandschap, maar kan gevolgen hebben voor het minimabeleid. Aan het plan “Krachtig Noordoostpolder 2.0” is (nog) geen uitvoeringsplan opgesteld. Hetzelfde geldt voor het recent opgestelde manifest. Het nieuwe manifest is zeer ambitieus. In 2040 is de situatie in de Noordoostpolder volgens het manifest als volgt: Niemand leeft in armoede. Iedereen kan voorzien in de eigen levensbehoeften. Inwoners vinden direct een huis. Noordoostpolder is de gezondste gemeente van Nederland.
12
Definitief
B1.5.Financiën De sturing op het minimabeleid vindt plaats middels de reguliere Planning en Control cyclus van begroting en verantwoording in de jaarrekening. De uitgaven voor de regelingen bleven zowel in 2021 als 2022 achter bij de begroting met respectievelijk circa 260.000 euro en 500.000 euro. Het betrof in 2022 26,7% van de begrote uitgaven. Per regeling zijn er grote verschillen te zien. De individuele inkomenstoeslag kost jaarlijks circa 50.000 euro meer dan begroot. De bestedingen voor bijzondere bijstand en de Meedoenregeling blijven behoorlijk achter ten opzichte van de begroting. De begroting wordt niet aangepast op basis van de financiële resultaten van het voorgaande jaar.
B2.Doelbereik, monitoring en effecten armoedebeleid De gemeente heeft vastgelegd hoe de doelstellingen uit het minimabeleid worden gemonitord. Per te behalen resultaat is beschreven hoe dit wordt gemeten. Er is geen nadere definiëring en duiding vastgelegd hierover. In de jaarrekening wordt op andere doelstellingen gerapporteerd dan vastgelegd in het Deelplan Minima. Het is dan ook niet inzichtelijk in hoeverre de doelstellingen voor het minimabeleid zijn gerealiseerd. Ook wordt er niet gerapporteerd over afwijkingen. Inhoudelijk heeft de gemeente wel gehandeld op basis van signalen vanuit het maatwerkbudget: zo zijn de voorwaarden voor de laptopregeling verruimd. In de interviews met de gemeente is aangegeven dat het niet verantwoorden op de vastgelegde doelen onder andere te maken heeft met het verloop onder en het tekort aan personeel. Er wordt dan ook niet gerapporteerd op de ontwikkeling van de doelgroep, het bereik van regelingen en de mate waarin de regelingen aansluiten op de behoefte. De gemeente monitort niet actief op de kerngegevens rond armoede zoals de doelgroepen inclusief de uitsplitsing naar Emmeloord en de dorpen, en het bereik van de regelingen. Hierdoor ontbreekt ook een analyse van de gemeente over de mate waarin de regelingen aansluiten op de doelgroepen van het beleid.
Uit de bevindingen van voorliggend onderzoek blijkt dat het bereik van de regelingen in de gemeente goed is, maar hoe effectief de regelingen zijn bij de verschillende doelgroepen in de gehele gemeente is niet bekend. Uitzondering is het Meedoenpakket voor ouderen. Uit de gesprekken met de gemeente en ketenpartners komt dat sommigen groepen moeilijker te bereiken zijn voor de gemeente, waaronder werkende armen en zelfstandige ondernemers (waaronder ook agrariërs), ouderen en ggz-groepen. Hoewel dit niet actief wordt gemonitord door de gemeente, is er door het verstrekken van de energietoeslag wel meer zicht op nieuwe doelgroepen. De gemeente heeft hier nog geen nadere actie op gezet. Uit de behoeftepeiling onder de doelgroep en de uitvraag onder het burgerpanel komt een aantal bevindingen rond de effecten en het bereik van regelingen. Van de respondenten van de behoeftepeiling geeft 80 procent aan (soms) actief mee te kunnen doen in de samenleving. Belemmeringen voor inwoners om te participeren zijn onder meer een slechte gezondheid (37 procent), weinig geld (28 procent) en weinig sociale contacten (19 procent). Verder geven inwoners aan niet altijd voldoende budget hebben voor leuke dingen, sportieve activiteiten of noodzakelijke spullen te kopen. Gemiddeld geven ze een 6,6 voor het minimabeleid van de gemeente.
Witte vlekken in het beleid zijn bekend. De gemeente weet dat er bij de inwoners een aanvullende ondersteuningsbehoefte ligt rond een participatieregeling voor volwassenen en ondersteuning bij hoge zorgkosten. Ook beseft de gemeente dat niet alle doelgroepen worden bereikt. Zoals eerder beschreven, beschikt de gemeente over een maatwerkbudget voor inwoners die buiten de reguliere regelingen vallen. Dit maatwerkbudget kent echter strikte toegangscriteria, waardoor deze in de praktijk beperkt toegankelijk is. Dit blijkt ook uit de kosten van het maatwerkbudget, die zeer laag zijn.
13
Definitief
B3.Armoedeval Uit dit onderzoek naar de armoedeval blijkt dat het bedrag dat minima vanuit het Rijk aan toeslagen kunnen ontvangen hoger is dan het bedrag dat ze aan gemeentelijke regelingen kunnen ontvangen. Financieel gezien is de invloed van de gemeente dan ook kleiner dan de invloed van het Rijk. Het bedrag aan landelijke toeslagen neemt voor de meeste huishoudens geleidelijk af bij een hoger inkomen. Wanneer huishoudens in de gemeente Noordoostpolder vanuit de bijstand gaan werken, gaan zij er in totaal inkomen altijd op vooruit ten opzichte van de bijstandssituatie. Het totaal inkomen bestaat uit het netto-inkomen (inclusief vakantietoeslag), landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen. Er is echter niet altijd sprake van méér inkomensgroei. Landelijke toeslagen lopen namelijk terug en het recht op gemeentelijke regelingen vervalt. Relatief gezien gaan alleenstaanden er het meest op vooruit bij ieder hoger loon. Huishoudens met kinderen gaan er minder op vooruit, met name vanwege de terugval in landelijke toeslagen.
B4.Rol van de gemeenteraad De gemeente rapporteert middels jaarverslagen de voortgang terug aan de gemeenteraad. Zoals ook hierboven gemeld, wordt de voortgang van de indicatoren uit het deelplan minima niet periodiek aan de gemeenteraad teruggekoppeld. Indicatoren die in de begroting zijn ingebouwd, gaan wel richting de gemeenteraad, net als de bestede middelen ten opzichte van de begroting. De gemeenteraad heeft het onderwerp wel een aantal keer besproken op een gemeenteraadsvergadering. De gemeenteraad is niet heel actief op het onderwerp. Ook wordt er vanuit de gemeenteraad niet actief verzocht om een voortgangsrapportage van het Deelplan Minima. De gemeenteraad maakt ook geen keuze wat te doen met het overschot aan middelen voor het armoedebeleid.
C1 Conclusies 1. Het armoedebeleid van de gemeente Noordoostpolder is sociaal, ambitieus, maar niet zo toetsbaar 1a Het manifest uit 2023 is zeer ambitieus en zal veel van de gemeente en haar middelen vergen. De gemeente Noordoostpolder heeft met het beleid als doel dat iedere inwoner mee kan doen en dat niemand leeft in armoede. De ambitie is om een zo groot mogelijke groep inwoners te bereiken die valt binnen de doelgroep van het beleid. De gemeente probeert de ondersteuning passend af te stemmen op de specifieke situatie van de inwoner binnen een houdbaar financieel stelsel. 1b. De definitie armoede wordt niet integraal in beleidsstukken gehanteerd. De gemeente hanteert voor de praktische vergelijking met andere gemeenten een duidelijke definitie van armoede, maar gebruikt deze verder niet in het beleid. Ook is voor deze definitie niet gekeken naar de actuele situatie en in hoeverre deze aansluit bij de samenstelling van de doelgroep in de gemeente. 1c Doelstellingen zijn niet toetsbaar en hebben onvoldoende samenhang met de visie a. In de beleidsperiode 2021 – 2024 is het Deelplan Minima het leidende beleidskader voor het minimabeleid. In het Deelplan Minima staat een vijftal te behalen resultaten met bijbehorende doelstellingen geformuleerd.
De onderlinge samenhang van deze te behalen resultaten en doelstellingen is duidelijk aanwezig net als de samenhang met de overkoepelende visie op het sociaal domein. b. De doelen zijn niet toetsbaar. In het beleid van de gemeente staat beschreven op basis van welke indicatoren de gemeente wil meten hoe de doelstellingen en te behalen resultaten voor het minimabeleid gerealiseerd gaan worden. Deze toetsbaarheid is ook niet
14
Definitief
uitgewerkt in de beleidsvisie en exacte definities ontbreken. De afgelopen periode zijn de metingen ook niet uitgevoerd. 2. De sturing, monitoring, controle van het beleid kan beter 2.a Kerngegevens worden niet structureel bijgehouden. De gemeente monitort niet actief op de kerngegevens rond armoede (Emmeloord en dorpen) en stuurt niet op het bereik van de verschillende instrumenten. 2. b De rapportage in de jaarrekeningen heeft geen relatie met het Deelplan Minima. Hierdoor zijn er ook geen afwijkingen bekend en heeft de gemeente daarin niet de resultaten actief toegepast in de PDCA-cyclus. De gemeente heeft wel accuraat gereageerd op het verstrekken van de eenmalige energietoeslag. Ook heeft de gemeente op basis van signalen vanuit het maatwerkbudget aanpassingen doorgevoerd in het beleid.
2. c Gemeentelijke regelingen sluiten niet volledig aan op de doelgroepen en voldoende monitoring ontbreekt a. De gemeente beschikt over een overzicht van alle gemeentelijke regelingen en voor wie deze bedoeld is. De gemeente monitort niet actief op de mate van aansluiting tussen de regelingen en de samenstelling van de doelgroep zelf. b. De klantgroep zelf geeft het minimabeleid gemiddeld een 6,6. Inwoners missen een participatieregeling voor volwassenen en willen graag meer informatie over regelingen en beschikbare ondersteuning. Voor de groep die buiten de formele criteria valt heeft de gemeente het Maatwerkbudget, maar dat is alleen in zeer specifieke gevallen toegankelijk voor de doelgroep. 3. Armoedeval treedt beperkt op in de Noordoostpolder De gemeente heeft met haar beleid invloed op de armoedeval door de gehanteerde inkomensgrenzen, (die gemiddeld lager zijn dan bij andere gemeenten) voor de regelingen en de normbedragen voor de regelingen. Eén van de redenen voor het beperkt optreden van de armoedeval is dat het beleid vrij sober is qua inkomensgrenzen en regelingen. 4. Het bereiken van inwoners uit de doelgroep kan beter 4a Communicatie en voorlichting over regelingen is niet optimaal. Voor bijzondere bijstand en de meedoen pakketten is de toegang verruimd.
Stichting Leergeld heeft de inkomensgrens verhoogd naar 150 procent van het wettelijk sociaal minimum en kan daarmee een grotere groep huishoudens bedienen. Gezien de uitkomsten uit het burgerpanel is er een groep huishoudens die nu (nog) geen gebruik maakt van een regeling omdat zij denkt niet in aanmerking te komen. De doelgroep zelf is in verschillende mate op de hoogte van de regelingen die aangeboden worden in de gemeente. 4b. De aanvraagprocedure wordt als (te) lastig ervaren. Voor gezinnen met kinderen zijn er feitelijk twee loketten (Stichting Leergeld en de gemeente) waar men een aanvraag in kan dienen. Beide organisaties onderzoeken daarbij bij wie de aanvrager terecht kan als voorliggende voorziening. De aanvraagprocedure wordt door een deel van klantgroep en ook door de ketenpartners als (te) lastig ervaren. De digitalisering van de aanvraagprocedure speelt daarbij ook een rol.
4c. De gemeente heeft goed zicht op de organisaties die actief zijn rond het thema armoede. Zowel in 2019 als in 2023 zijn er samenwerkingsafspraken gemaakt, maar in beide gevallen heeft dit niet geleid tot een uitvoeringsplan. Zowel de gemeente als de organisaties geven aan dat de samenwerking goed gaat en men elkaar goed weet te vinden. Er is een overleg op bestuurlijk niveau, maar een breed netwerkoverleg ontbreekt. De gemeente neemt geen regie. Organisaties geven aan dat het soms lastig is om de juiste persoon bij de gemeente te vinden.
15
Definitief
5. De effecten van de onderschrijding van de begroting kunnen beter inzichtelijk gemaakt worden voor de gemeenteraad 5a De uitgaven voor het minimabeleid zijn de laatste jaren ruim binnen de begroting gebleven. Er is geen relatie tussen de begroting en de te bereiken doelstellingen. Jaarlijks wordt er een flink bedrag van de begroting niet besteed. Ondanks deze onderbesteding vindt er nauwelijks aanpassing op de begroting plaats en vindt er geen analyse plaats van de oorzaken ervan en de gevolgen voor de geformuleerde ambities in het beleid en de afgesproken ambities met andere organisaties. 5b.De gemeenteraad krijgt geen rapportage op basis van het Deelplan Minima. De gemeenteraad kan de uitvoering van het beleid en de besteding van de financiële middelen op basis van het Deelplan Minima dan ook niet controleren. Jaarlijks in de jaarrekening wordt inzicht gegeven in de voortgang van het minimabeleid.
C2 Aanbevelingen i.
Maak een duidelijke keuze voor de definitie van armoede. Sluit aan bij het inkomensbegrip, omdat deze het meest is te objectiveren of bij de nieuwe landelijke definitie die in de loop van dit jaar bekend wordt..
ii.
Ontwerp voor kerngegevens een systematiek, zodat periodiek kan worden geëvalueerd of de regelingen nog aansluiten op de doelgroep van de regeling en maak dit onderdeel van de beleidscyclus. Begin met een nulmeting: breng de actuele omvang van de doelgroep van het armoedebeleid in kaart en onderzoek of er daadwerkelijke verschillen zijn tussen Emmeloord en de omliggende dorpen. Bezie of de verschillen dienen te leiden tot een gebiedsgerichte aanpak (mede in het licht van het leidende principe ‘voorkomen staat voorop’). Actualiseer de inkomenseffectrapportage ook jaarlijks. Zeker ook omdat het rijksbeleid van grote invloed is op de inkomensontwikkeling. Denk daarbij aan de huuren zorgtoeslag, maar ook de verschillende heffingskortingen.
iii.
Ontwikkel voor de nieuwe beleidsperiode toetsbare en navolgbare doelstellingen met indicatoren. Vertaal deze naar de indicatoren waarmee de voortgang van het gemeentelijke beleid is te toetsen. Zet de geformuleerde doelstellingen en de te behalen resultaten op basis van indicatoren dan ook centraal in de verantwoording naar de gemeenteraad. Op dat moment kan er ook actief gestuurd worden op de resultaten van beleid. Stimuleer ook dat de rapportages over de uitvoering gericht zijn op de eerder afgesproken doelstellingen.
iv.
Onderzoek de mogelijkheden om een regeling voor participatie voor volwassenen en een regeling voor hoge zorgkosten in te stellen. Betrek hierbij ook het functioneren van het Maatwerkbudget. Nu is deze alleen in te zetten voor participatie. Kijk daarvoor bij de wijze waarop andere gemeenten deze regelingen hebben ontwikkeld of sluit voor de participatieregeling voor volwassenen aan bij het Volwassenenfonds.
Evalueer het Maatwerkbudget en bekijk of deze kan worden omgezet naar een regeling die toegankelijk is voor een bredere groep die vanwege omstandigheden buiten de bestaande regelingen vallen. Ook kan aansluiting bij een Stichting Urgente Noden (SUN) een overweging zijn. SUN is een landelijke stichting met regionale of lokale uitvoeringsorganisaties die giften verstrekt aan inwoners die geen aanspraak kunnen maken op een voorliggende voorziening. Hiermee krijgt het Maatwerkbudget een grotere impact v.
Verbeter de communicatie en voorlichting over de gemeentelijke regelingen, zodat de toegang en afstemming verbetert. De gemeente heeft de regelingen wel beschreven, toch geeft de doelgroep zelf aan dat de informatie beter kan. Maak een
16
Definitief
duidelijke informatiefolder over de regelingen en verspreidt deze ook onder de ketenpartners. De toegang tot de regelingen voor kinderen is nu zowel bij de gemeente als bij Stichting Leergeld belegd. Op zich hoeft dit geen probleem te zijn, maar door het verschil in de gehanteerde inkomensgrenzen kan dit tot onduidelijkheid leiden voor de doelgroep en over de beschikbare voorliggende voorzieningen. Zorg voor goede afstemming tussen beide organisaties op uitvoeringsniveau. vi.
Onderzoek en verbeter de werkwijze, de inrichting en de toegang van het Sociaal Loket a. Kijk opnieuw kritisch naar de inrichting van de werkwijze rond het Sociaal Loket. b. Evalueer de aanvraagprocedure. Neem daarbij ook de positie van het Sociaal Loket in ogenschouw en bekijk of de inwoner direct bij de aanvraag bij het Sociaal Loket ondersteund kan worden. De aanbeveling is om de hulp bij het invullen van formulieren en het afhandelen van de aanvraag op één plek te doen, zodat inwoners niet naar verschillende plekken hoeven te gaan. c. Bekijk ook of de ervaren complexiteit in het aanvraagproces kan worden verminderd. Kijk hierbij kritisch naar de verschillende gebruikte formulieren. d. Ook is een aanbeveling om te onderzoeken of de gemeente kan overgaan naar één beoordeling van een inwoner per jaar. Indien de inwoner dan recht heeft op een regeling, kunnen ook de vergoedingen vanuit andere regelingen worden toegekend.
vii.
Geef uitvoering aan het plan om het maatschappelijk voorveld te hervormen en neem dit breder dan alleen voor het zorglandschap. Betrek hierbij ook de afspraken die gemaakt zijn in het kader van Krachtig Noordoostpolder 2.0. Laat de organisaties actief participeren in de uitwerking ervan en bespreek ook of een structurele vorm van netwerkoverleggen gewenst is door de gemeente en door het werkveld. Indien dit gewenst is, draag dan ook zorg voor de implementatie ervan. Werk het (zeer ambitieuze) manifest uit in concrete en haalbare doelstellingen en bezie of de uitgangspunten passen bij het beleid en de financiële mogelijkheden van de gemeente. Maak daarbij ook meer concrete werkafspraken over de integrale werkwijze. Maak duidelijk wat hier onder verstaan wordt en werk het proces nader uit. Dit zal leiden tot een meer uniforme werkwijze binnen de gemeente Noordoostpolder voor de inwoners. Ook zal dit leiden tot nog meer duidelijkheid over de onderlinge taakverdeling tussen organisaties.
viii.
Onderzoek de redenen waarom de uitgaven altijd binnen de begroting zijn gebleven. Heeft dit te maken met een weinig taakstellende of ambitieuze begroting of wordt er te ruim begroot? Pas daarop de systematiek van begroten aan en zorg dat deze taakstellend is en in relatie is tot de te bereiken doelstellingen vanuit het armoedebeleid. Een mogelijkheid is ook dat de raad de begrotingsruimte gebruikt voor verruiming van het beleid. Biedt de raad (op basis van het onderzoek) scenario’s aan voor het inzetten of afromen van de begrotingsruimte.
ix.
Onderzoek verder in scenario’s hoe de gemeente de inkomensgrenzen en het normbedrag voor een regeling zodanig kan aanpassen om de demping van de groei van het inkomen voor haar inwoners te verzachten. De gehanteerde inkomensgrenzen en de bedragen zijn in vergelijking met andere gemeenten relatief laag. Neem dit mee in de herijking van het beleid door dit in verschillende scenario’s in kaart te brengen. Kijk daarbij ook naar de te hanteren inkomensgrens voor deze regeling. Voor een aantal regelingen hanteert de gemeente Noordoostpolder met 110 procent van het wettelijk sociaal minimum een relatief lage inkomensgrens.
17
Definitief
x.
Neem als gemeenteraad meer de regie op de sturing van het beleid. Maak duidelijke afspraken over de informatieproducten die in elke fase rond besluitvorming opgeleverd dienen te worden. Schematisch is in het onderstaande figuur een weergave van de informatieproducten ten behoeve van besluitvorming door de gemeenteraad. Bezie ook op welke wijze het financiële overschot aangewend kan worden. Beoordelingscriteria informatieproducten:
Initiatieffase Uitwerkingsfase
Probleemanalyse Doelstellingen
Beleidskeuzes Afweging alternatieven Relevante onderzoeken Raakvlakken ander beleid Belangen doelgroep en derden
Risico’s Partners Planning Begroting Voortgangsrapportages
- Aanwezig - Begrijpelijk - Vergelijkbaar - Tijdig
In de initiatieffase dient idealiter informatie te worden geleverd over het probleem, over mogelijke oplossingen en over doelstellingen. In de uitwerkingsfase dient informatie te worden geleverd over alternatieven, over de weging van de alternatieven, relevante onderzoeken, raakvlakken met ander beleid en belangen van doelgroepen en derden. In de laatste fase gaat het om de besluitvorming over het beste alternatief. Voor dat alternatief moet er een helder en controleerbaar plan liggen waarin vragen worden beantwoord als: wat gaan we precies doen, wat mag dat kosten, wie doet wat, wanneer is het klaar, hoe is de informatievoorziening over de voortgang georganiseerd en hoe vindt de monitoring plaats van de te behalen doelstellingen etc.
18
Definitief
19
Definitief
20
Definitief
21
Definitief
Armoedebeleid Nawoord rekenkamer Noordoostpolder n.a.v. de bestuurlijke reactie De rekenkamer van de gemeente Noordoostpolder is verheugd over de constructieve en positieve reactie van het college van B&W op ons rapport over het armoedebeleid. Deze reactie geeft ons hoop over de opvolging van onze conclusies en aanbevelingen. Desalniettemin wil de rekenkamer toch een aantal punten die ook in de bestuurlijke reactie ter sprake kwamen belichten. Een belangrijk punt is dat de rekenkamer vaststelt dat het gemeentelijke beleid sober is en dat de uitgaven voor de bestrijding van armoede een aanzienlijke onderschrijding kent van 260.000 euro in 2021 en 500.000 euro in 2022, zonder dat er duidelijke alternatieve beleidsdoelen zijn waar dit geld door herschikking aan uitgegeven zal worden. De rekenkamer meent derhalve dat juist op dit punt er een goed gesprek met de raad noodzakelijk is om te bezien wat er gedaan kan worden met de financiële ruimte die er is binnen het budget van het armoedebeleid. Evenzo heeft het college niet gereageerd op de ambities die zijn neergelegd in het nieuwe manifest dat stelt dat er in 2040 geen armoede meer bestaat in de gemeente Noordoostpolder. Ook bestaat er nog geen uitvoeringsplan dat recht doet aan die ambitie.
Zeker in combinatie met de eerder geconstateerde budgettaire onderschrijding lijkt er financiële ruimte te zijn om ook budgettair meer invulling aan deze ambitie te geven. De rekenkamer is ook positief over het feit dat het college instemt met de aanbeveling de aanvraagprocedure te evalueren. De reacties op de vragenlijsten geven aan dat een belangrijk deel van de inwoners de aanvraagprocedure als te ingewikkeld ervaart en daarom geen aanvraag indient. Ook wordt persoonlijk contact op prijs gesteld. Zeker bij een beleidsveld als armoede dient de bedrijfsvoering naar de mening van de rekenkamer ondergeschikt te zijn aan het doelbereik. Volgens het onderzoek speelt de armoedeval minder in de gemeente Noordoostpolder.. Natuurlijk kunnen er individuele gevallen zijn waar het wel zou kunnen plaatsvinden. Door de sobere regelingen is de bijdrage aan het meerdere netto inkomen gering waardoor er in de meeste gevallen geen armoedeval optreedt. De rekenkamer heeft in het gesprek dat zij gevoerd heeft met de verantwoordelijke wethouder over de bestuurlijke reactie geconstateerd dat de wethouder en het college zeer gemotiveerd is om de conclusies en aanbevelingen in goed overleg met de raad te gaan opvolgen. Dat geeft ons het vertrouwen dat dit rapport kan bijgedragen aan een verdere verbetering van het armoedebeleid in de gemeente.
Dit rapport was niet tot stand gekomen door de grote en deskundige inzet van bureau KWIZ uit Groningen, dat het onderzoek heeft uitgevoerd. Ook de ambtelijke ondersteuning van de gemeente was uitstekend. Onze dank gaat daarom uit naar zowel KWIZ als de betrokken medewerkers van de gemeente. Joris van Enst Voorzitter rekenkamer Noordoostpolder
22
Definitief
Deel B Nota van bevindingen
23
Definitief
24
Definitief
25
Definitief
26
Definitief
27
Definitief
28
Definitief
29
Definitief
1. Armoedebeleid in de gemeente Noordoostpolder In dit hoofdstuk staat het armoedebeleid van de gemeente Noordoostpolder centraal. Na een schets van de armoedeproblematiek in de gemeente volgt in paragraaf 1.2 de visie en de doelstellingen van het minimabeleid. Paragraaf 1.3 gaat in op de uitvoering van het armoedebeleid en de regelingen die de gemeente heeft voor haar inwoners met een laag inkomen.
1.1. Lokale context De gemeente Noordoostpolder bestaat uit twaalf plaatsen. De plaats Emmeloord heeft veruit de meeste inwoners. In deze paragraaf staan enkele kerngegevens over de inkomens- en vermogenspositie van huishoudens en inwoners van de gemeente Noordoostpolder. Aangezien de gemeente Noordoostpolder zelf niet actief monitort op de ontwikkeling in de doelgroep voor het armoedebeleid is voor dit onderzoek in het onderstaande gebruik gemaakt van beschikbare cijfers van het CBS. In bijlage 6 staat een meer uitgebreid overzicht van de cijfers. Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van het aantal huishoudens dat rond dient te komen van een laag inkomen in de gemeente Noordoostpolder op basis van deze definitie. Tabel 1.1.1 Ontwikkeling aantal en aandeel huishoudens in armoede, bron CBS Statline 6
Jaar
Inkomen tot 101 procent sociaal minimum
Inkomen tot 111 procent sociaal minimum
Inkomen tot 121 procent sociaal minimum
Inkomen tot 131 procent sociaal minimum
2019
1.200 (6,3%)
1.600 (8,6%)
2.100 (11,2%)
2.600 (15,6%)
2020
1.100 (5,8%)
1.600 (8,6%)
2.100 (11,2%)
2.600 (15,6%)
2021
1.000 (5,4%)
1.600 (8,2%)
2.000 (10,4%)
2.500 (15,2%)
De omvang van de doelgroep is de afgelopen jaren in absolute en relatieve zin gedaald. In 2019 moesten 2.100 huishoudens rond komen van een inkomen tot 120 procent van het Wettelijk Sociaal Minimum, in 2021 is dit gedaald naar 2.000 huishoudens. Het aandeel huishoudens dat van een minimuminkomen moet rondkomen ligt in de gemeente Noordoostpolder onder het landelijk gemiddelde7. De ontwikkeling van het aantal kinderen in armoede staat in onderstaande tabel weergegeven. Tabel 1.1.2 Ontwikkeling aantal en aandeel kinderen in armoede, bron CBS Statline
Jaar
Inkomen tot 101 procent sociaal minimum
Inkomen tot 111 procent sociaal minimum
Inkomen tot 121 procent sociaal minimum
Inkomen tot 131 procent sociaal minimum
2019
800 (7,5%)
800 (7,7%)
1.000 (9,4%)
1.100 (10,8%)
2020
700 (6,7%)
700 (7,2%)
900 (9,3%)
1.100 (10,9%)
2021
600 (5,7%)
700 (6,7%)
800 (8,3%)
1.000 ( 9,8%)
6 Bron CBS Statline, Inkomen van particuliere huishoudens, tenminste 1 jaar op dat inkomen ongeacht
vermogen, StatLine - Laag en langdurig laag inkomen; huishoudenskenmerken, regio (indeling 2022) (cbs.nl). Het CBS beschikt niet over meer recente cijfers dan 2021. 7 Waar staat je gemeente (z.d.). https://www.waarstaatjegemeente.nl/jive?workspace_guid=ac5a090c99ce-41a6-89e9-1f15cf8561ed.
30
Definitief
Het aantal en aandeel kinderen dat opgroeit in een huishouden met een laag inkomen is sinds 2019 gedaald. Het totaal aantal kinderen in de gemeente Noordoostpolder is in deze periode licht gedaald van 10.727 naar 10.532. Schulden en vermogen De gemiddelde schuld van huishoudens in de Noordoostpolder is lager en het gemiddelde vermogen is hoger dan het landelijk gemiddelde en het gemiddelde van huishoudens in de provincie Flevoland. In de gemeente Noordoostpolder zijn er in 2020 1.350 huishoudens met problematische schulden in beeld. Dit is 7 procent van alle huishoudens. Het aandeel huishoudens met problematische schulden ligt in Noordoostpolder onder het landelijk gemiddelde van 7,9 procent8. Signaleringen rond de ontwikkeling in de doelgroep vanuit de interviews In de interviews is ten aanzien van de ontwikkelingen in de doelgroep een aantal (nietgeverifieerde) signaleringen gedaan. Ketenpartners signaleren dat inwoners die zich bij hen melden, hogere schulden hebben dan voorheen. Ook ziet men een verschuiving in de doelgroep; men ziet in verhouding minder inwoners met een bijstandsuitkering en juist meer werkenden. Ketenpartners zien dat de individualisering in Noordoostpolder doorzet. In de dorpen is de sociale basis9 weliswaar sterker dan in Emmeloord zelf, de basis is echter minder sterk dan voorheen.