CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

4.1 Ontwerpbestemmingsplan 'Landelijk gebied, Onderduikerspad 4 te Espel'.pdf

Commissie Woonomgeving 26 september 2022, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: (Ontwerp)bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Onderduikerspad 4 te Espel’22.952 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Wonen - Voormalige agrarische erven Het nieuwe woonperceel krijgt de bestemming 'Wonen - Voormalige agrarische erven'. Woningen dienen ter plaatse van het bouwvlak gebouwd te worden. Per woning is 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken toegestaan. Dit is inclusief de bestaande bebouwing. Deze oppervlakte telt mee in de toegestane 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken. Per bouwvlak is één woning toegestaan. Voor het nieuwe woongedeelte in de bestaande (dubbele) schuur geldt een goot- en bouwhoogte van respectievelijk van 8,5 - en 11 meter conform de bestaande maatvoering van de schuur. Voor de bestaande woning geldt een goot- en bouwhoogte van respectievelijk van 6 -en 10 meter conform de bestaande maatvoering van de woning. Voor de nieuwe woning ter plaatse van de bestaande kapschuur geldt een goot- en bouwhoogte van 3 -en 6 meter. Daarnaast wordt middels een voorwaardelijke verplichting de uitvoering en het in stand houden van de landschappelijke inpassing gewaarborgd.

33/154

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpbestemmingsplan wordt voor zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kan een ieder zienswijzen tegen het bestemmingsplan kenbaar maken. Het bestemmingsplan wordt vervolgens gewijzigd vastgesteld. Uiteindelijk is tegen het vaststellingsbesluit beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van een plan wordt in eerste instantie bepaald door de financiële haalbaarheid ervan. Daarnaast is de grondexploitatieregeling uit de Wro van belang voor de economische uitvoerbaarheid. Deze regeling bepaalt dat de gemeente de door haar gemaakte kosten kan verhalen. Het kostenverhaal heeft dus ook invloed op de haalbaarheid van het plan.

Financiële haalbaarheid De ontwikkeling betreft een particulier initiatief, waarmee de gemeente geen directe financiële bemoeienis heeft. Aangenomen wordt dat deze over de financiële middelen beschikt om het plan uit te kunnen voeren en alle kosten voor de uitvoering voor rekening neemt.

Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, woningbouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De gemeente moet, volgens de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de gemaakte gemeentelijke kosten verhalen op de initiatiefnemers van de ontwikkeling. Dit geldt overigens alleen wanneer sprake is van bouwplannen, zoals opgenomen in het Bro. Het bouwplan dat dit bestemmingsplan mogelijk maakt is niet aangemerkt als een bouwplan in de zin van het Bro. Het opstellen van een exploitatieplan is derhalve niet nodig. Wel wordt met de initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afgesloten.

34/154

Bijlagen bij de toelichting

35/154

36/154

Bijlage 1

37/154

Inrichtingsplan

LEGENDA : Onbebouwde zone, 4,0m

100,2m 60,7m 32,5m

: Begrenzing Erf dan wel Erfgrens

17,0m

: Erfsloot, 4,0m, hart sloot op erfgrens : Erfsingel, 6,0m, begroeiing volgens voorschriften : Venster in de erfsingel, geen ondergroei V

:Voorgevel, naar de weg gekeerde gevel

V

Verplichtingen (aantal en afstanden)

'püir^'

- Er wordt in 5 rijen geplant. - De onderlinge afstand van de rijen is maximaal 150 centimeter. - De onderlinge afstand in de rijen is maximaal 150 centimeter. - Per 2,25 m2 wordt tenminste één boom/struik geplant.

88,8m

- De erfsingel dient minimaal 6 meter breed te zijn, gemeten van hart boom/struik 1e rij tot hart boom/struik laatste rij. - Een bredere singel is toegestaan

BEPLANTINGSPLAN Bomen Cb Carpinus betulus Tc Tilia cordata Qr Quercus robur Ac Acer campestre Ag Alnus glutinosa Ap Acer pseudoplatanus

Haagbeuk Winterlinde Zomereik Veldesdoorn Els Esdoorn

Aandeel 5y0 ioy0 ioy0 5y0 ioy0 ioy0

Hoogte in cm 60-100 80-100 80-120 60-100 80-100 80-100

Struiken Pp Prunus padus Ee Euonymus europaeus Rc Rosa canina Vo Vibumum opulus Rhc Rhamnus cathartica Cs Cornus sanguinea Cm Cornus mas Lv Ligustrum vulgare Ca Corylus avellana

Vogelkers Kardinaalsmuts Hondsroos Gelderse roos Wegedoorn Rode kornoelje Gele kornoelje Liguster Hazelaar

Aandeel 5y0 5y0 5y0 10y0 5y0 5y0 5y0 5y0 5070

Hoogte in cm 50-80 50-80 60-100 50-80 50-80 60-100 50-80 50-80 60-100

Projectnummer Tekeningnummer Schaal Datum Status

3721 VO-011 1:500 06-07-2022 DEFINITIEF

N K4 Architecten Koningin Julianastraat 21 8302 CC Emmeloord 0527 613140 info@k4architecten.nl Opdrachtgever Project

dhr. W. Metsemakers Onderduikerspad 4 8311 PV Espel

Ontwerp Fase

Situatie Voorlopig ontwerp

Bijlage 2

39/154

Historische erfsingels

Boerderij aan de Veneweg ten zuidoosten van Runen: de schokbetonnen schuur van de tweede serie en depachterswoning type L hebben een afwijkende dakhelling en zijn haaks op elkaar gebouwd, 17 augustusl964 (fotoJ. U. Potuyt).

was de afstand tussen de pachterswoningen in alle gevallen 45 meter (15 meter wegbreedte plus twee maal de rooilijnafstand van 15 meter).41 Steeds werd ernaar gestreefd de woningen en de koestallen op het zuiden te oriënteren.Voor de ligging van de schuren waren er in feite slechts twee mogelijkheden: loodrecht op of evenwijdig aan de weg. Alleen op scheve kavels deden zich uitzonderingen voor. Indien een vrijstaande pachterswoning dezelfde dakhelling had als de erbij behorende schuur, werden beide gebou­ wen zodanig geplaatst dat de nokken parallel liepen. Hadden de daken van schuur en woning ieder hun eigen schuinte dan werd ervoor gekozen deze gebouwen haaks op el­ kaar te plaatsen. Door het gebruik van dezelfde dakbedekking (rode pannen) werd dan toch geprobeerd enige samenhang aan te brengen.42 Windsingels

De hoogte van de schuren en pachterswoningen was zodanig dat er windsingels werden aangelegd die op den duur zouden bestaan uit een bovenscherm van bomen en een benedenscherm van struiken. Dit werd de beste beschutting geacht voor de gebouwen op en de gebruikers van het boerenerf.43 De windsingels werden door en voor rekening van de Directie van deWieringermeer aangelegd door de Afdeling Bebossing en Beplanting. De betrokkenheid van de Directie had vooral te maken met de betekenis die aan de boe­ renerven in het landschap was toegekend en met de wens om de weg- en erfbeplantingen 129

Windsingel met een dicht onder- en een luchtig bovenscherm0p het boerenerf van een akkerbouwbedrijfvan 48 hectarejuni 1955 (foto Vent Wijk).

130

op elkaar te laten aansluiten. Door deze aansluiting zou de betekenis van beide worden versterkt en zou, zo was de verwachting, hun homogeniteit een karakteristiek van het polderlandschap kunnen worden.44 Voor de breedte en de invulling van de windsingels hield men in de Noordoostpolder nadrukkelijk rekening met de inzichten van Bijhouwer. De breedte was trouwens niet alleen afhankelijk van de grootte en de ligging van een bedrijf, maar ook van de plaats van boomgaard en moestuin op het erf. Op de grote bedrijven waren de singels aan de noord- en westzijde maximaal 7 meter en aan de oostzijde maximaal 5 meter breed. Op de kleinere bedrijven waren de maten respectievelijk 5 en 3 meter. Lag de boomgaard van grote bedrijven aan de oostzijde dan werd daar een singelbreedte van 3 meter aangehouden.Voor de zuidzijde van alle erven hanteerde men singels van ten hoogste 3 me­ ter. Wanneer de zuidzijde van een erf langs de weg lag, werd aan die zijde slechts een singel geplant langs de boomgaard. Langs de moestuin kwam aan de wegzijde alleen een circa 1,50 meter hoge heg. Voor het woonhuis werd de beplanting onderbroken, om zo de bewoners vrij uitzicht te geven.45 De hoofdsoorten van de windsingels, die op den duur de boometage moesten vormen, kwamen overeen met die van de wegbeplantingen. Soberheid in de keuze van de soorten gold in de polder als een algemeen uitgangspunt.

Volgens Overdijkink, de schrijver van de toelichting van het Algemeen Beplantingsplan, zou hierdoor een evenwichtig land­ schapsbeeld verkregen kunnen worden“dat de monumentaliteit van de wijdte - de verte - in zich draagt”.46 Feitelijk wilde men door soberheid vooral de aanplant van exotische bomen en struiken tegengaan. In navolging van opvattingen van Bijhouwer voelde men wel voor enige differentiatie bij de houtsoortenkeuze op basis van de bodemgesteld­ heid.47 Zo plantte men in het oosten van de polder in de singels veel eik, in het midden nogal wat es, in infiltratiegebieden de snelgroeiende wilg, nabij Urk en Creil iep en ten zuidwesten van Nagele veel populier. Tien tot twintig populieren kwamen trouwens in elke singel voor. Ze moesten de boomschermen snel hoogte geven.48 Naast de hoofdhoutsoorten werden in de singels eik en esdoorn aangeplant. Dit waren

P. Kelder, 1971.

soorten die ook als hakhout dienst zouden kunnen doen en die in de samenstelling van de windsingels enige afwisseling brachten. Als struiken koos men voor soorten die scha­ duw goed verdroegen, zoals veldesdoorn, haagbeuk en beuk, en bloeiende planten, zoals vlier, lijsterbes, krenteboom, sleedoorn en meidoorn.49 De aanleg van beplanting op de eerste boerenerven vond plaats in het plantseizoen 1942/ 1943 (herfst 1942-Iente 1943).50 Toen kregen elf erven een windsingel. Door gebrek aan jonge bomen en struiken moest de overige beplanting van de erven worden uitge­ steld tot het voorjaar van 1944.51 Wel werden in de tweede helft van 1943 beplantingsplannen gemaakt voor alle tot dan toe gerealiseerde en nog in aanbouw zijnde ontginningsboerderįjen.52 De aanleg en het onderhoud van erfbeplantingen zette zich gedurende de laatste twee bezettingsjaren moeizaam voort.53 Na 1945 werden de beplantingsactiviteiten met kracht ter hand genomen en werd ookde groei van bomen en struiken op verschillende bodemsoorten nauwlettend gevolgd. De houtgewassen werden daartoe zelfs enige tijd nauwkeurig opgemeten en gefotogra­ feerd.54 Voordat de singel kon worden aangelegd werd de grond tot een diepte van on­ geveer 30 centimeter mechanisch bewerkt. Daarna werden in een plantverband van 80 bij 100 centimeter de verschillende houtsoorten gepoot.

Dit plantverband werd onder andere aangehouden met het oog op mechanische onkruidbestrijding. De helft van het plantmateriaal bestond uit de zo even genoemde houtsoorten, de andere helft uit zwarte els. De els moest ertoe bijdragen dat de singel zich zo spoedig mogelijk sloot,waarna de els in de loop der jaren kon worden verwijderd. Bij de aanplant van de hoofdhoutsoor­ ten, waarvoor men zoveel mogelijk uit eigen kwekerij afkomstige twee- en driejarige stekken gebruikte, werd rekening gehouden met een eventuele dunning in de toekomst.55 Binnen de singels Op de erven werden naast windsingels ook hagen en struiken geplant. Ze vormden de scheiding tussen moestuin, siertuin, boomgaard en werkerf. De precieze indeling van een erf werd door de Directie van de Wieringermeer bepaald na overleg met de pachter. De Directie wenste namelijk dat iedere boerderij gelegen zou zijn op een doelmatig in­ gedeeld erf. Hierdoor kon een moderne, rationele bedrijfsvoering worden bevorderd. Voor ieder boerenerf werden de afspraken over de verdeling van de verschillende be­ stemmingen op een tekening vastgelegd. De ontwerparbeid voor de boerenerven lag voor een belangrijk deel in handen van ing. P.

Kelder, een landschapsarchitect van Staatsbosbeheer die deel uitmaakte van de Afdeling Bebossing en Beplanting van de Directie van de Wieringermeer.56 De kosten van de aanleg van hagen en struikenwerden gedragen door de Directie. Voor het plantwerk deed men net als bij de singels een beroep op arbeiders die betrokken waren bij de ontginning van de polder. Wat betreft de planten werd zoveel mogelijk aan­ gesloten bij de soorten die ook bij andere polderbeplantingen werden toegepast. Veld­ esdoorn, meidoorn, beuk en haagbeuk kwamen het meeste voor. Daarnaast werd ook gewone liguster aangeplant. Een lage heg bestond in het algemeen uit een rij struiken, die op korte afstand van elkaar waren geplant, dat wil zeggen drie à vier stuks per strekkende meter. Bij de hogere heg131

gen, zoals bijvoorbeeld rond de boomgaard, werden de struiken in twee rijen op ruimere afstand van elkaar, zo’n 50 centimeter, gepoot. De struiken konden daardoor wat meer uitgroeien. Soms werd als afscheiding een snel groeiend singeltje van els en later weg te kappen struiken geplant.57 De aanleg van boomgaard, moestuin en siertuin was een zaak van de pachters. Voor de aanplant van fruitbomen konden zij terugvallen op een advies van de Nederlandsche Heidemaatschappij.58 De moestuin werd veelal naar eigen inzicht aangeplant. Groen­ ten en kruiden waarmee men van oudsher vertrouwd was, maakten het leeuwendeel uit van hetgeen werd verbouwd.59 Als aanzet voor de siertuin kregen de boeren van de Directie van de Wieringermeer 25 grove sierheesters.60 De Directie hoopte dat de boeren hun siertuinen zouden afstem­ men op het landschap van het nieuwe land en zo zouden inrichten dat er weinig onder­ houd nodig was: “Daar de tuinen in een polderlandschap liggen, een landschap met over het algemeen sprekende kleuren, rechte lijnen en een strakke, eenvoudige beplanting, behoren ook de tuinen zich hierbij aan te passen. Rotspartijen, slingerpaden en andere ‘ornamen­ ten’ zijn hier niet op hun plaats. De opzet dient eenvoudig te zijn, zo eenvoudig zelfs dat de tuin gedurende de drukke oogstperiode nog in een verloren uurtje kan worden onderhouden.

De hoofdmotieven in de tuin moeten worden gevormd door een groot gazon, wat heestergroepen, enkele bomen en een rand van vaste planten, rozen en/ of zaaibloemen. De keuze van de te gebruiken soorten kan eenvoudig zijn; exoten en vooral een overmaat van coniferen dient te worden vermeden/’61 De Directie van de Wieringermeer dacht bij de vormgeving van de siertuin in de Noordoostpolder niet aan nieuwe versies van de drie traditionele boerentuintypen. Ze voelde dus geenszins voor een ‘versierde' nutstuin, noch voor boerentuinen in een formele of een landschapsstijl.62 Ook de aanleg van tuinen die bij stadswoningen of villa’s gebrui­ kelijk waren, kon haar instemming niet wegdragen. De ideale siertuin in de Noordoostpolder diende een duidelijk polderkarakter te dragen. Inspiratie daarvoor kon worden opgedaan in de Wieringermeer, waar vele boerderijen van ‘mooie' en grote poldertuinen waren voorzien.63 In een schrijven aan de pachters van de uitgifte 1949 constateerde het hoofd van de Sociaal-economische Afdeling Minderhoud eind oktober 1950 dat een aantal tuinen er weliswaar behoorlijk uitzag, maar ook dat velen “de toets van een gematigde critiek” niet konden doorstaan.

Aangezien de verantwoorde aanleg van een tuin “bijzondere vakbekwaamheid” vereiste, had de Directie besloten een tuinarchitect aan te trekken die de pachters voorlichting kon geven.64 Eind januari 1951 deelde men de boeren mede dat ze voortaan adviezen konden inwinnen bij tuinarchitect J. Meijers, die enkele dagen per week zitting zou houden in het kantoor van de Bouwkundige Afdeling te Emmeloord.6S De in Dordrecht woonachtige Meijers maakte deel uit van het Tuinarchitectenbureau Buys-Meijers (later Buys-Meįjers-Warnau) te ’ s-Hertogenbosch, maar verrichtte op per­ soonlijke titel werkzaamheden voor de Directie.66 Hij beschouwde “het ontwerpen van een aanvaardbare en aesthetisch verantwoorde erfsituatie voor iedere pachter afzonder132

Een siertiiin zoals de Directie van de Wieringermeer die graag zag, op kavel M88 aan de Lindeweg ten zuidwesten van Luttelgeest (bedrijf E. van de Deen),juni 1955 (foto Van Wijk).

lijk” als zijn primaire polderactiviteit.67 Vandaar dat hij zijn werkzaamheden ook niet beperkte tot advisering omtrent de aanleg van boerentuinen. Dit was zeer tegen de zin van de Afdeling Bebossing en Beplanting, die meende dat de tuinarchitect zich te ruime bevoegdheden aanmatigde. Landschapsarchitect Kelder, die aan deze afdeling verbon­ den was, beklaagde zich er dan ook al medio 1951 over dat Meijers zich in toenemende mate bemoeide met de indeling van erven, de beplanting van singels en de aanplant van fruitbomen.68 De gerezen problemen kwamen voort uit het feit dat Meijers bij de aanvang van zijn werkzaamheden geen heldere taakomschrijving had gekregen. Het leek de directiever­ gadering in oktober 1951 dan ook raadzaam alsnog tot zo’n omschrijving te komen. Zo kon ook het aantal dagen dat de tuinarchitect in de Noordoostpolder geacht werd door te brengen beter worden vastgesteld.69 A.G. Lindenbergh, die belast was de leiding van de Onderafdeling Domeintoezicht, stelde daarop voor de indeling van de erven toe te vertrouwen aan een nog op te richten commissie en de werkzaamheden van Meijers te beperken tot adviezen over de wijze waarop pachters “een nette boerentuin” konden aanleggen.

Door Meijers een strak afgebakende taak te geven, kon tevens flink worden bespaard op de uitgaven die met zijn werkzaamheden waren gemoeid.70 De directievergadering kon zich in de strekking van Lindenberghs rapport vinden, maar vond wel dat Meijers in de voorgestelde commissie zitting moest hebben.71 Op 18 februari 1952 kwam de ‘Commissie voor de indeling van boerderijerven’ voor het eerst 133

bijeen. Aanwezig waren domeinopziener A. de Groene, rijkstuinbouwconsulent ir J.J. Pettinga, houtvester in de Noordoostpolder ir L.W. Wilmes, boerderij-architect Noback, Kelder en Lindenbergh. De laatste trad op als voorzitter en zette beknopt de werk­ wijze uiteen: “Door de Commissie wordt aan de hand van door de Bouwk. Afd. vervaardigde situ­ aties, waarop alleen de grenzen van het erf, de gebouwen en de paden zijn aangegeven, een erfindeling gemaakt. De plaats van de singels, siertuin, moestuin en boomgaard wordt bepaald, waarbij voldoende bedrijfsruimte voor opslag van producten en voor eventueel door de pachters te bouwen silo’s wordt gereserveerd. De Landmeetk. Afdeling maakt van deze aldus vastgestelde erfindeling een tekening, waarvan een exemplaar wordt toegezonden aan de betrokken pachter, de domeinopzieners te Emmeloord en aan de heren Meijers, Ir Wilmes en Ir Pettinga. Vervolgens worden de pachters in de gelegenheid gesteld om de erfindeling te komen bespreken en hun wen­ sen kenbaar te maken. Zonodig kan de erfindeling dan gewijzigd worden. Van de ge­ wijzigde erfindeling wordt dan opnieuw een kaartje getekend en aan de betrokkenen toegezonden. Aan de hand van de aldus vastgestelde erfindeling kan de Afd.

Bebos­ sing en Beplanting dan de singels en erfscheidingen planten, de heer Pettinga kan ad­ viseren over de aanleg van de boomgaard en de heer Meijers kan advies geven over de aanleg van de siertuin.”72 A.G. Lindenbergh, 7 oktober 1949 (ĵotoJ. U. Potuyt).

134

Begin 1953 werd de werkwijze van de commissie enigszins vereenvoudigd. De leden be­ sloten zich tijdens hun vergaderingen niet meer te buigen over ieder boerenerf, maar zich alleen nog bezig te houden met het ontwerpen van erfindelingen voor elk type uit te geven bedrijf. L. H. Bos, tekenaar in dienst van de Directie van de Wieringermeer, moest daarna de erfindeling voor elk afzonderlijk bedrijf in kaart brengen. Zijn tekenin­ gen werden vervolgens op een aantal nader te bepalen dagen met de pachters besproken. Op diezelfde dagen kon Meijers in de polder zitting houden om de boeren advies te ge­ ven over de aanleg van een siertuin.73 Bos had vanaf het begin van Meijers’ bezigheden in de polder vele hand- en spandiens­ ten verleend aan de tuinarchitect. Door de taakafbakening van Meijers kwam er ten dele een einde aan die ondersteuning. Bos mocht de door Meijers gemaakte tuinontwerpen nog wel uitwerken, maar voor verdere diensten werd hij niet meer beschikbaar gesteld. De tuinarchitect zelf werd te verstaan gegeven dat zijn wens om ingeschakeld te worden bij het ontwerpen van algemene beplantingen in de polder “voorshands niet voor ver­ wezenlijking vatbaar” was.

Ook liet deWieringermeerdirectie Meijers weten dat hij dui­ delijk onderscheid diende te maken tussen zijn jaarlijkse ontwerparbeid voor de nieuw uit te geven bedrijven en zijn andere vormgevingsactiviteiten, zoals het aanpassen van reeds bestaande siertuinen. Alleen de eerstgenoemde activiteit verrichtte hij in opdracht van de Directie en brachten voor de polderboeren geen kosten met zich mee. De overige werkzaamheden werden als particuliere opdrachten beschouwd.74 Door de werkzaamheden van de Commissie voor de indeling van boerderijerven en de nauwkeurige omschrijving van de adviseringstaak van de tuinarchitect nam het aantal dagen dat Meijers in de Noordoostpolder actief was gestaag af. In 1951 verbleef hij twee à drie dagen per week in de polder, na 1955 niet meer dan drie à vier dagen per jaar.75

DIPEC'M'E VAN DE WIERIİíCĩ:.!iio:.ZR ( N'oordooet polierwerken) ZWOLU

De ĉoor

C» kewierk

J» brief -«a

Clr.s .eemerk Cd.19011

íwdU 29 Juni 1954

Ond.«M«rp - erfaituatu.

Hierbij u'ld .;c I-;' me tetomog van ne erŕinidllng cp :J* bedrijf, zoals dia door 1o Direetis a gedicht. De S1B..Cİ3 er. de scheidingen tu,Hn de versohillen.1e on­ derdelen ,..n het or:" 90rd«n door de Af:1. B.,boaelt1,i; es Beplantii:ic van do Directie geplant, Tevuns zijn op de texamlti( 4a erfvarbaNingen aange.,...run. Hot bruin gekleurde pad nerd* vanwege do Dirscho aan,. legt. de rast der paden moot .oor ‘J self wor:len ai^hF- Hiervoor kan U «en ř-.MVoolhold verhardingMateriaal (pom) ran ~l JjsJ beschikbaar.wonden gestold voor de helft van de pňja, 'zijnd, J ,.- per . Jochr. U meer 1 p.m «nllsn hebben dan du a hMv+alheid , l«o kan dit eveneens werden g.leveri, doch dHrroor l j dan do volīo prijs ţ/ Ő-- por m!) De dikte van :te puinlaag voer snaar vcrxeoi moet 20-25 ei-, zijn, dh voor licht verkeer * 15 cc, "!Ha ovoral voldoesdo za&lld (.. 40 cm) wordt aaage't:r:1cbt. Zand kunt U op eon nader at te wijzen nl!ddep6t halen , — ai.rvoor verC'alnning op liet ::cnemkantoor te ^l.aillMloord verkregti'n te hebben. Georao vernoea ut vždr 7 Juli ą.a. of U.op levering van tove^^noomdc hoeveelheid pulnï/4*- por sr prijo stelt «n hooveol puin extra moat wordon gei.-verd à, S.- p.,r m:s. Ų k\.ot hiervoor gebmk maken van bijgaand for-rul.'ľ'ïrtjo, ïoveas «rit tt uitj^noéisd- CII' op ^^^^/loen^ag Juli a^ a« oII (..().

—uur :ip het DMieiakantoor te ^^eloord de e:-1'in!eliq t, ««e n besproken, wurtlJ U eventuele wìJeigmgen Kunt voorsten, n. Tuinarchitect îu ai« -rs hiertij lld'fies pvcn over ie unleg van de aiortuin. ViX'tB I1S, DISSC"lWB VAÎd DE WlifitNGERifZSB (Noordoostpolderwerken) Bijlagen: l tekening, l

vCRHMOlilG. DCNtHlE BEPLANTING __ .-RASTER h

ŵ kOEMENTUIH V MOUTUIN

• 8^—

0 Vl'UCNT800f!4. 0 GIOKCLŨU RIOOL K Kl"CNMOK. _____tUCTR KABEL _____ TtLCr'OON KABL P .PCTKOUUMTANK _____WATCRLtlOM l.SILO ..........OOIKER ^ BRANOKRAAN OP'tll ONOCRMU0TC OPŞTAUU !IJN QCBOUWO 000" Ot 2IIÇļ4Ţ(a ,----- --- HAAG

•z 29.,s.'54

VOORGUTELDC

ERFMOCUNG

PACHTER: AJ 11:QtSLAC.

8 BOCROCRU NO W.WOMINC. HO. T .TRANSFORMATOR MO . KI ICAPSCRG

DIRECTIE VAN

OE WIERINGERMEER

NOOROOOSTPOLOERWCRKEN 00MEIN8EHEER

V«l' Ot

N.O POLDER

BEORUr: K-51 BELEGEN AAN DE HOPWEG

De ontwerparbeid voor de erven van enkele staatsboerderijen76 werd in 1955 door Van Eck toevertrouwd aan de tuin- en landschapsarchitecte Mien Ruys, die grote bekend­ heid genoot door de voorbeeldtuinen die ze in Dedemsvaart aanlegde.77 De bouwkun­ dige was met Ruys in contact gekomen door haar lidmaatschap van de architectengroep ‘de 8’, die nauw betrokken was bij de planvorming en -realisering van het polderdorp Nagele. Met de opdracht aan Ruys werd afgeweken van de ‘normale' gang van zaken bij de erfaanleg van staatsbedrijven. Gewoonlijk lagen zowel het ontwerp voor de erfindeling als de keuze van het plantmateriaal en de aanleg van singels en heggen geheel in handen van de Afdeling Bebossing en Beplanting van de Wieringermeerdirectie.78

135

Bijlage 3

47/154

Geluidsonderzoek wegverkeer

RHO ADVISEURS - MEMO DATUM KENMERK VAN AAN CC

16 maart 2022 20220102^001 Rients Koster

PROJECT OPDRACHTGEVER

Espel - Onderduikerspad 4 K4 Architecten

AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLWAAI INLEIDING Het perceel Onderduikerspad 4 te Espel wordt geherstructureerd, waarbij in een deel van de bestaande schuur een tweede woning wordt gerealiseerd. Het beoogde gebruik is in strijd met de geldende beheersverordening "Landelijk gebied 2004". In dit plan heeft het perceel de bestemming "Agrarisch gebied", waarbinnen ten hoogste één bedrijfswoning is toegestaan. Omdat er in de gewenste situatie twee (burger)woningen zijn beoogd, is het beoogde gebruik in strijd met de beheersveror­ dening. De gemeente Noordoostpolder heeft aangegeven aan de ontwikkeling te willen meewerken. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch toch te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan nood­ zakelijk. In het kader van de bestemmingsplanprocedure dient een toetsing aan de Wet geluidhinder plaats te vinden en is een akoes­ tisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsbelasting vanwege wegverkeer op het plangebied/perceel als gevolg van het On­ derduikerspad. De uitgangspunten, berekeningen en resultaten zijn vastgelegd in voorliggend memo. De gehanteerde akoestische begrippen worden in bijlage 1 toegelicht.

PLANBESCHRIJVING De bestaande (bedrijfs)woning op het perceel is verbonden met het bestaande bedrijfsgebouwschuur; dit gedeelte wordt ver­ bouwd en vervolgens gesplitst, waarbij de ene helft in gebruik wordt genomen ten behoeve van de bestaande woning en andere helft wordt in gebruik genomen ten behoeve van de nieuwe (extra) woning op de locatie van de nu aanwezige kapschuur. In figuur 1 is een overzicht gegeven van de nieuwe situatie (verbeelding bestemmingsplan).

RHO ADVISEURS Figuur 1:

2/6

plansituatie (verbeelding bestemmingsplan)

RHO ADVISEURS TOETSINGSKADER WET GELUIDHINDER Wettelijke zones langs wegen Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege een weg aan bepaalde wettelijke normen dient te voldoen. De breedte van een geluidzone voor wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de binnen- of buitenstedelijke ligging. De breedte van een geluidzone van een weg is in tabel 1 weergegeven. Tabel 1: schema zonebreedte aan weerszijden van de weg volgens artikel 74 Wgh aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

breedte van de geluidzone [m] buitenstedelijk gebied stedelijk gebied 600 350 400 350 250 200

De breedte van de geluidzone wordt hierbij gemeten vanaf de as van de weg en is gelegen aan de buitenste rand van de weg. In artikel 1 van de Wgh zijn de definities opgenomen van stedelijk en buitenstedelijk gebied. Deze definities luiden: -

stedelijk gebied: gebied binnen de bebouwde kom, doch, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft

-

een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg; buitenstedelijk gebied: gebied buiten de bebouwde kom alsmede, voor de toepassing van de hoofdstukken VI en VII voor zover het betreft een autoweg of autosnelweg als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, het gebied binnen de be­ bouwde kom, voor zover liggend binnen de zone langs die autoweg of autosnelweg;

Dosismaat Lden De berekende geluidsniveaus wordt beoordeeld op basis van de Europese dosismaat Lden (Lday-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De berekende geluidwaarde in Lden vertegenwoordigt het gemiddelde geluidniveau over een et­ maal. Aftrek op basis van artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden gelden inclusief de standaard aftrek op basis van artikel 110g van de Wgh. Dit artikel houdt in dat een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het verkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. Voor wegen met een representatief te achten snelheid lager dan 70 km/u geldt een aftrek van 5 dB. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of hoger geldt de volgende aftrek: ^ 4 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 3.4 RMG 2012 57 dB bedraagt; ^ 3 dB voor situaties dat de geluidbelasting zonder aftrek artikel 3.4 RMG2012 56 dB bedraagt; ^ 2 dB voor andere waarden van de geluidbelasting. De toegestane aftrek conform artikel 3.4 uit het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is op alle genoemde geluidbe­ lastingen toegepast, tenzij anders vermeld.

Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting op de gevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluid­ zone van een weg, gelden bepaalde voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden. In bepaalde gevallen is vast­ stelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat

3/6

RHO ADVISEURS maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltref­ fend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, land­ schappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde voor wegen is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de bestemmingen (binnen- of buitenstedelijk). Bestemmingen met een binnenstedelijke ligging, maar binnen de geluidzone van een autosnel­ weg, worden bij het bepalen van de geluidzone voor die autosnelweg gerekend tot buitenstedelijk gebied. Voor het de nieuwe woning in het plangebied geldt dat dit binnen de wettelijke zone ligt van het Onderduikerspad en dat dat er sprake is van een buitenstedelijke situatie; de maximale grenswaarde bedraagt dan Lden = 53 dB. De voorkeursgrens­ waarde bedraagt Lden = 48 dB. 30 km-wegen Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur of lager zijn op basis van de Wgh niet gezoneerd. Akoestisch onderzoek zou achterwege kunnen blijven. Echter dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat.

Indien dit niet het geval is, dient te worden onderbouwd of maatregelen ter beheersing van de geluidbelasting aan de gevels noodzakelijk, mogelijk en/of doel­ matig zijn. Ter onderbouwing van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting wordt bij gebrek aan wettelijke normen aan­ gesloten bij de benaderingswijze die de Wgh hanteert voor gezoneerde wegen. Vanuit dat oogpunt worden de voorkeurs­ grenswaarde en de maximale ontheffingswaarde als referentiekader gehanteerd. De voorkeursgrenswaarde geldt hierbij als richtwaarde en de maximale ontheffingswaarde als maximaal aanvaardbare waarde.

UITVOERING BEREKENINGEN Uitgangspunten Onderduikerspad Van het Onderduikerspad zijn geen verkeersgegevens bekend. De weg wordt in hoofdzaak gebruikt door bestemmingsver­ keer, waaronder landbouwverkeer. Worst-case is uitgegaan van een intensiteit van 1.000 mvt/etmaal. De rijsnelheid be­ draagt 60 km/uur en het Onderduikerspad is voorzien van een standaard asfaltverharding. Berekeningen Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd conform de Standaard Rekenmethode II uit het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG 2012). De overdrachtsmodellen zijn opgesteld in het softwareprogramma Geomilieu, versie V2021.1 van dgmr-software. In bijlage 2 is een overzicht gegeven van de ingevoerde wegen. Ten behoeve van het onderzoek is een akoestisch rekenmodel opgesteld, waarbij rekening is gehouden met alle relevante gebouwde ruimtelijke objecten in de omgeving van de plangebieden. De ingevoerde wegen zijn geschematiseerd in rijlijnen die standaard 0,75 m boven het wegdek liggen. Voor het bodem-model zijn harde (wegen, water, etc.) en zachte (onverhard terrein) bodemgebieden van belang. Verharde gebieden zijn zoveel als mogelijk ingevoerd. Voor de niet gedefinieerde bodemgebieden is uitgegaan van een 50% absorbe­ rende bodem (Bf = 0,5).

Ter plaatse van de nieuwe woning (locaties kapschuur) en de zuidgevel van de bestaande schuur zijn rekenpunten ingevoerd om de geluidbelasting te berekenen met een hoogte van ho = +1,5 m/4,5 m/7,5 m.

4/6

RHO ADVISEURS Het maximum aantal reflecties waarmee de berekeningen zijn uitgevoerd bedraagt 1 reflectie en een sectorhoek van T, conform de aanbeveling van de projectgroep Vergelijkend Onderzoek Akoestische Bureaus (VOAB). In deze projectgroep VOAB zijn afspraken gemaakt om de onderlinge verschillen in rekenprogrammatuur te minimaliseren. Rekenresultaten In figuur 2 is een overzicht gegeven van de berekende geluidbelasting vanwege het Onderduikerspad. Figuur 2:

5/6

overzicht van de berekende geluidbelasting Lden in dB vanwege het Onderduikerspad (inclusief 5 dB aftrek o.b.v. artikel 110g Wgh)

RHO ADVISEURS CONCLUSIE Uit figuur 2 blijkt dat de nieuwe woningen een geluidbelasting ondervindt vanwege het Onderuikerspad van ten hoogste Lden = 45 dB. Daarmee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Een en ander betekent dat de Wet geluidhinder de uitvoering van het plan niet in de weg staat; een hogere waarde procedure is niet aan de orde.

6/6

Bijlage 1:

begrippen

Decibel A, afgekort dB(A): een maat voor de sterkte van geluid, zoals het door de mens wordt waargeno­ men, ten opzichte van een referentiedruk van 20.10"5 Pa. Equivalent geluidsniveau LAeq,T in dB(A): het energetisch gemiddelde van de fluctuerende niveaus van het ter plaatse, in de loop van een bepaalde periode optredende geluid. Gestandaardiseerd immissieniveau Li in dB(A): het equivalente geluidsniveau dat tijdens een bepaalde bedrijfstoestand onder meteoraamomstandigheden op een bepaalde plaats en hoogte wordt vastgesteld. Immissierelevante bronsterkte Lwr in dB(A): het geluidvermogensniveau van een denkbeeldige bron, gelegen in het centrum van de werkelijke geluidsbron, die in de richting van het immissiepunt dezelfde geluiddrukniveaus veroorzaakt als de werkelijke geluidsbron. Langtijdgemiddeld deelgeluidsniveau Ueqi,LT in dB(A): equivalent A-gewogen geluidsniveau over een specifieke beoordelingsperiode ten gevolge van een specifieke bedrijfstoestand op een immissiepunt, bij een meteoraamgemiddelde geluidsoverdracht, zo nodig gecorrigeerd voor de gevelreflectie. Langtijdgemiddeld deelbeoordelingsniveau Uri,LT in dB(A): equivalent A-gewogen geluidsniveau over een specifieke beoordelingsperiode ten gevolge van een specifieke bedrijfstoestand op een beoordelingspunt, zo nodig gecorrigeerd voor de aanwezigheid van impulsachtig geluid, zuivere tooncomponent of muziekgeluid.

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Ur,LT in dB(A): energetische sommatie van de langtijdgemiddelde deelbeoordelingsniveaus. Etmaalwaarde van het equivalente geluidsniveau vanwege het industrieterrein Letmaal in dB(A): hoogste van de volgende drie waarden: Ur.LT over de dagperiode; Ur.LT over de avondperiode + 5; Ur.LT over de nachtperiode + 10. Europese dosismaat Lden in dB(A): avondperiode en nachtperiode.

de

gewogen gemiddelde van het geluidsniveau in de dagperiode,

Dagperiode: de beoordelingsperiode van 07.00 tot 19.00 uur. Avondperiode: de beoordelingsperiode van 19.00 tot 23.00 uur. Nachtperiode: de beoordelingsperiode van 23.00 tot 07.00 uur. Maximaal geluidsniveau (piekgeluidsniveau) Umax in dB(A): het maximaal te meten A-gewogen geluidsni­ veau, meterstand "fast" gecorrigeerd met de meteocorrectieterm Cm. Immissiepunt: de plaats waarop het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt bepaald. Representatieve bedrijfssituatie: toestand waarbij de voor de geluidproductie relevante omstandigheden kenmerkend zijn voor een bedrijfsvoering bij volledige capaciteit in de te beschouwen etmaalperiode. Bedrijfstoestand: toestand van een inrichting, die relevant is voor te verrichten metingen. Meteoraam: de meteorologische omstandigheden waaronder een goede en stabiele geluidoverdracht plaatsvindt. Stoorgeluid: het op een bepaalde plaats optredende geluid, veroorzaakt door andere geluidsbronnen dan die waarvan het geluidsniveau wordt bepaald. Zone: een rond een industrieterrein gelegen gebied, waarbuiten een bepaalde geluidsbelasting vanwege dit terrein niet wordt overschreden.

Espel-Onderduikerspad 4

Model:: Groep::

Bijlage 2: ingevoerde wegen

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer

Naam

Omschr.

1

Onderduikerspad

X-1

Y-1

X-n

Y-n

H-1

H-n

171729,65

528004,64

172435,46

527998,80

0,00

0,00

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

16-3-2022 08:53:39

Espel-Onderduikerspad 4

Model: Groep:

Bijlage 2: ingevoerde wegen

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer

Naam

M-1

M-n

ISO^

1

0,00

0,00

0,00

Type

Cpl

Cp^W

V(MR(D))

V(MR(A))

V(MR(N))

V(MR(P4))

Verdeling

False

1,5

--

--

--

--

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

16-3-2022 08:53:39

Espel-Onderduikerspad 4

Model Groep

Naam 1

Bijlage 2: ingevoerde wegen

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer V(LV(D)) 60

V(LV(A)) V(LV(N)) 60 60

V(LV(P4)) —

V(MV(D)) 60

V(MV(A)) 60

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

V(MV(N)) V(MV(P4)) 60 --

V(ZV(D)) 60

V(ZV(A)) 60

16-3-2022 08:53:39

Espel-Onderduikerspad 4

Model: Groep:

Naam 1

Bijlage 2: ingevoerde wegen

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer V(ZV(N))

V(ZV(P4))

30 km/uur

60

--

False

Wegdek W1

Totaal aantal

%Int(D)

%Int(A)

%Int(N)

%Int(P4)

%MR(D)

1000,00

7,00

2,60

0,70

--

--

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

16-3-2022 08:53:39

Espel-Onderduikerspad 4

Model: Groep:

Naam 1

Bijlage 2: ingevoerde wegen

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer IMR(A)

IMR(N)

IMR(P4)

ILV(D)

ILV(A)

ILV(N)

ILV(P4)

IMV(D)

IMV(A)

IMV(N)

IMV(P4)

IZV(D)

IZV(A)

--

--

--

91,44

91,44

91,44

--

6,74

6,74

6,74

--

1,82

1,82

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

16-3-2022 08:53:39

Espel-Onderduikerspad 4

Model: Groep:

Naam 1

Bijlage 2: ingevoerde wegen

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer %ZV(N) 1,82

%ZV(P4)

MR(D)

MR(A)

MR(N)

MR(P4)

LV(D) 64,01

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

LV(A) 23,77

LV(N)

LV(P4)

MV(D)

6,40

--

4,72

16-3-2022 08:53:39

Espel-Onderduikerspad 4

Bijlage 2: ingevoerde wegen

Model: Groep:

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer

Naam

MV(A)

1

1,75

MV(N) 0,47

MV(P4) --

ZV(D) 1,27

ZV(A) 0,47

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

ZV(N)

ZV(P4)

0,13

--

LE (D)

Totaal 103,00

LE

(A)

Totaal 98,69

16-3-2022 08:53:39

Espel-Onderduikerspad 4

Model: Groep:

Naam 1

Bijlage 2: ingevoerde wegen

eerste model (hoofdgroep) Lijst van Wegen, voor rekenmethode Wegverkeerslawaai - RMG-2012, wegverkeer LE

(N)

Totaal 93,00

LE (P4)

Totaal --

Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Rho - Rotterdam

16-3-2022 08:53:39

Bijlage 4

63/154

Watertoets

Digitale Watertoets Resultaat van de check gedaan op 20-04-2022

Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.

VOOR DE ACTIVITEIT DIGITALE WATERTOETS IS OP BASIS VAN DE GEGEVEN ANTWOORDEN NODIG: 1.

korte procedure

2.

Advies geen primaire waterkeringen

3.

Advies kwelwaterkwaliteit

4.

Advies watersysteem

5.

Advies geen regionale waterkeringen

6.

Advies geen overige kering

7.

Advies wateroverlast toename verharding zonder compensatie

OP BASIS VAN ONDERSTAANDE LOCATIE

20-04-2022, 10:12

Pagina 1 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

20-04-2022, 10:12

Pagina 2 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets VRAGEN EN ANTWOORDEN UIT DE CHECK

1.

Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt? »

2.

Is er sprake van een uitbreiding of wijziging van de lozing(en)? «

3.

nee

Kernzone overige kering *

11.

nee

Buitendijksgebied beschermd *

10.

nee

Buitendijksgebied dubbelregime «

9.

nee

Buitendijksgebied kernzone »

8.

nee

Primaire waterkering buitenbeschermingszone »

7.

nee

Primaire waterkering tussenbeschermingszone «

6.

nee

Primaire waterkering binnenbeschermingszone *

5.

nee

Primaire waterkering kernzone *

4.

nee

nee

Beschermingszone overige kering «

nee

20-04-2022, 10:12

Pagina 3 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets 12.

Aandachtsgebieden wateroverlast en onvoldoende drooglegging 2050 *

13.

Neemt het verhard oppervlak in stedelijk gebied toe? «

14.

nee

Worden in het plan maatregelen getroffen waardoor het waterpeil verandert met 10 cm of meer? *

22.

nee

Is er binnen het plangebied sprake van de toelating, aanwezigheid of aanleg van drijvende woningen/woonboten? *

21.

ja

Worden kunstwerken zoals bijvoorbeeld duikers of bruggen aangelegd? *

20.

nee

Kwelkwaliteit slecht -

19.

nee

Wordt er nieuw open water aangelegd? (bijv. ter compensatie toename verharding) »

18.

nee

Is er sprake van afstromend regenwater van een oppervlak van 50 of meer parkeerplaatsen en/of een weg met meer dan 1000 voertuigbewegingen per dag? »

17.

nee

Betreft het een nieuw verhard oppervlak in landelijk gebied groter dan 2500 m2 of in stedelijk gebied groter dan 750m2? »

16.

nee

Neemt het verhard oppervlak in landelijk gebied toe? »

15.

nee

nee

Wordt er in het plangebied mogelijk gebruik gemaakt van bodemenergie, ook wel warmte koude opslag (WKO) genoemd? *

nee

20-04-2022, 10:12

Pagina 4 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets 23.

Rijkswater *

nee

20-04-2022, 10:12

Pagina 5 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets DETAILS i.

korte procedure Op basis van uw locatie en gegeven antwoorden volgt u de korte procedure.

Wat moet ik doen? U neemt een waterparagraaf op in uw ruimtelijke plan. Zo onderbouwt u een goede ruimtelijke ordening voor het omgevingsaspect water. Onderstaande concept-waterparagraaf kunt u gebruiken als basis. De tekst vult u waar nodig aan met een concrete uitwerking voor de ontwikkeling. De voor de ontwikkeling niet-relevante onderdelen (aangeduid met 'optioneel') laat u weg. De relevante wateraspecten, zoals waterkeringen en oppervlaktewater, neemt u ook op in de verbeelding en/of in de regels van het ruimtelijk plan. Gebruik de knop 'DIRECT AANVRAGEN' om Waterschap Zuiderzeeland op de hoogte te stellen van uw plannen. Hiervoor is een eenmalige registratie benodigd. Als u een wateradvies wilt ontvangen stuurt u uw uitgewerkte conceptwaterparagraaf mee met de aanvraag of via watertoets@zuiderzeeland.nl. Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening.

Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is vroegtijdige actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Na het streefbeeld vindt u het uitgangspunt: het vertrekpunt bij de verwezenlijking van het streefbeeld. U krijgt vervolgens een overzicht van de gerelateerde randvoorwaarden.

Thema Waterveiligheid Het plan ligt niet buitendijks of in een beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

Thema Voldoende water 20-04-2022, 10:12

Pagina 6 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.

Uitgangspunt wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Binnen het plangebied is geen sprake van een toename in verhard oppervlak, of deze is gering (minder dan 750 m2 in stedelijk gebied of minder dan 2.500 m2 in landelijk gebied). Daarom is geen compensatie noodzakelijk voor dit plan. ^ul aan met: *

Het plangebied ligt in [keuze: stedelijk/landelijk] gebied.

*

een beschrijving van de fysieke wijzigingen

*

een kwantificering van de eventuele netto toename in verharding

Goed functionerend watersysteem Streefbeeld: Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties.

Randvoorwaarde(n) goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen voor het streefpeil van het oppervlaktewater in of in de omgeving van het plangebied. Het functioneren van het huidige watersysteem (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren. Optioneel: Nabij watergang Het plangebied bevindt zich binnen tien meter afstand van een bestaande watergang. De watergang wordt ten minste aan één zijde voorzien van een obstakelvrije werkstrook van minimaal 5 meter breed en 4 meter hoog. Bij een waterbreedte vanaf 12 meter geldt dit aan weerszijden. Bij een talud van 1:4 of flauwer is geen onderhoudsstrook nodig. Optioneel: Woonboten In het plangebied zijn woonboten voorzien. Gezien het waterhuishoudkundige belang geldt er in principe een verbodsbepaling voor de aanleg van woonboten/drijvende woningen in de kernzone van de watergang. Met een watervergunning kan aanleg 20-04-2022, 10:12

Pagina 7 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets toegestaan worden. Het is dan onder andere van belang dat de breedte van de watergang voldoende ^10 meter) is en het onderhoud goed geregeld wordt. De criteria zijn te vinden op www.zuiderzeeland.nl (zoek naar Beleidsregel drijvende woningen). Optioneel: Dempen bestaand oppervlaktewater In het plangebied wordt water gedempt. Voordat met enige demping wordt gestart, dient de compensatie van open water (verleggen, verbreden of nieuw aanleggen) te zijn aangelegd. De voor demping van bestaande watergangen gebruikte materialen moeten voldoen aan de eisen uit het Besluit Bodemkwaliteit en /of de waterbodemkwaliteitskaart van waterschap Zuiderzeeland. Optioneel: Graven nieuw oppervlaktewater In het plangebied wordt nieuw water gegraven. Er wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Aanvullen: Hier worden alle aanpassingen in het watersysteem aangegeven en

wordt aangegeven hoe de waterhuishoudkundige zaken bestemd worden. Bijvoorbeeld de aanleg van watergangen, infiltratievoorzieningen. Daarnaast worden hier ook de dimensies van het watersysteem aangegeven of randvoorwaarden voor de aanleg hiervan (voor zover ruimtelijk relevant). Bijvoorbeeld de dieptes van watergangen bij streefpeil, de profielen en randvoorwaarden waaraan het watersysteem zal voldoen.

Anticiperen op watertekort Streefbeeld: Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Optioneel: Graven nieuw oppervlaktewater Uitgangspunt In het hele beheergebied streeft het waterschap na dat de aanwezige functies worden gefaciliteerd door goed en voldoende water. Echter binnen een klimaatbestendig en robuust watersysteem past afhankelijkheid van wateraanvoer niet. Met het oog op toekomstige watertekorten is het wenselijk de hoeveelheid aanvoerwater zoveel mogelijk te beperken.

Randvoorwaarden Nieuwe watersystemen worden dusdanig ingericht dat ze zelfvoorzienend zijn. Uitbreiding van wateraanvoer bij de huidige functies is niet wenselijk. De afweging van wateraanvoer vindt plaats op basis van robuustheid, effectiviteit en efficiency Hierbij geldt als uitgangspunt dat herverdeling van water binnen de polder de voorkeur heeft boven wateraanvoer van buiten de polder.

Thema Schoon Water Optioneel: Graven nieuw water/aanpassing watersysteem Goede structuurdiversiteit Streefbeeld Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied.

Uitgangspunt Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een 20-04-2022, 10:12

Pagina 8 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets ecologisch gezond watersysteem. Oevers worden bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de functie natuurvriendelijk ingericht. Bij de dimensionering van het watersysteem wordt rekening gehouden met de te verwachten waterkwaliteit.

Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Optioneel: Wijziging lozing(en) Uitgangspunten In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron.

Randvoorwaarde(n) Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig. Optioneel: Uitlogende materialen Lozingen op oppervlaktewater als gevolg van uitlogende materialen verwerkt in bouwwerken (bijvoorbeeld zinken of koperen daken) zijn meldingsplichtig. Voor lozingen in kwetsbaar water van alle typen oppervlakken gemaakt van uitlogende materialen worden voorwaarden gesteld door het waterschap. Optioneel: Dempen oppervlaktewater De voor demping van bestaande watergangen gebruikte materialen moeten voldoen aan de eisen uit het "Besluit bodemkwaliteit (BBK)" en/of de Waterbodemkwaliteitskaart van waterschap Zuiderzeeland. Optioneel: Materialen inrichting watersysteem Bij de inrichting van het watersysteem zijn alleen milieuvriendelijke, niet-uitlogende en gecertificeerde materialen toegestaan. Voor beschoeiing geldt aanvullend dat de materialen niet-oxydeerbaar zijn.

Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. De lozingssituatie blijft ongewijzigd: Door de ontwikkeling wijzigt de hoeveelheid afvalwater en hemelwater niet. Ook de samenstelling van de bestaande lozingen wijzigt niet. Concept waterparagraaf korte procedure - versie: alle vragen beantwoord met 'nee', maar wijziging lozing 'ja'

Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld 20-04-2022, 10:12

Pagina 9 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is vroegtijdige actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Na het streefbeeld vindt u het uitgangspunt: het vertrekpunt bij de verwezenlijking van het streefbeeld.

U krijgt vervolgens een overzicht van de gerelateerde randvoorwaarden.

Thema Waterveiligheid Het plan ligt niet buitendijks of in een beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

Thema Voldoende water Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen.

Uitgangspunt wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Binnen het plangebied is geen sprake van een toename in verhard oppervlak, of deze is gering (minder dan 750 m2 in stedelijk gebied of minder dan 2.500 m2 in landelijk gebied). Daarom is geen compensatie noodzakelijk voor dit plan. Vul aan met: *

Het plangebied ligt in -keuze: stedelijk/landelijk- gebied.

*

een beschrijving van de fysieke wijzigingen

*

een kwantificering van de eventuele netto toename in verharding

Goed functionerend watersysteem Streefbeeld

20-04-2022, 10:12

Pagina 10 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties.

Randvoorwaarde(n) goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen voor het streefpeil van het oppervlaktewater in of in de omgeving van het plangebied. Het functioneren van het huidige watersysteem (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren. Optioneel: Nabij watergang Het plangebied bevindt zich binnen tien meter afstand van een bestaande watergang. De watergang wordt ten minste aan één zijde voorzien van een obstakelvrije werkstrook van minimaal 5 meter breed en 4 meter hoog. Bij een waterbreedte vanaf 12 meter geldt dit aan weerszijden. Bij een talud van 1:4 of flauwer is geen onderhoudsstrook nodig. Optioneel: Woonboten In het plangebied zijn woonboten voorzien. Gezien het waterhuishoudkundige belang geldt er in principe een verbodsbepaling voor de aanleg van woonboten/drijvende woningen in de kernzone van de watergang. Met een watervergunning kan aanleg toegestaan worden.

Het is dan onder andere van belang dat de breedte van de watergang voldoende ^10 meter) is en het onderhoud goed geregeld wordt. De criteria zijn te vinden op www.zuiderzeeland.nl (zoek naar Beleidsregel drijvende woningen). Optioneel: Dempen bestaand oppervlaktewater In het plangebied wordt water gedempt. Voordat met enige demping wordt gestart, dient de compensatie van open water (verleggen, verbreden of nieuw aanleggen) te zijn aangelegd. De voor demping van bestaande watergangen gebruikte materialen moeten voldoen aan de eisen uit het Besluit Bodemkwaliteit en /of de waterbodemkwaliteitskaart van waterschap Zuiderzeeland. Optioneel: Graven nieuw oppervlaktewater In het plangebied wordt nieuw water gegraven. Er wordt gestreefd naar aaneengesloten waterelementen met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Aanvullen: Hier worden alle aanpassingen in het watersysteem aangegeven en wordt aangegeven hoe de waterhuishoudkundige zaken bestemd worden. Bijvoorbeeld de aanleg van watergangen, infiltratievoorzieningen. Daarnaast worden hier ook de dimensies van het watersysteem aangegeven of randvoorwaarden voor de aanleg hiervan (voor zover ruimtelijk relevant). Bijvoorbeeld de dieptes van watergangen bij streefpeil, de profielen en randvoorwaarden waaraan het watersysteem zal voldoen.

Anticiperen op watertekort 20-04-2022, 10:12

Pagina 11 van 20

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets

Streefbeeld Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Optioneel: Graven nieuw oppervlaktewater Uitgangspunt In het hele beheergebied streeft het waterschap na dat de aanwezige functies worden gefaciliteerd door goed en voldoende water. Echter binnen een klimaatbestendig en robuust watersysteem past afhankelijkheid van wateraanvoer niet. Met het oog op toekomstige watertekorten is het wenselijk de hoeveelheid aanvoerwater zoveel mogelijk te beperken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1942/documents/31578