4.1 Bestemmingsplan Westerringweg 11 te Creil.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan
Landelijk gebied, Westerringweg 11 te Creil Gemeente Noordoostpolder
Planstatus:
ontwerp
Plan identificatie:
NL. IMRO.0171. BP00717-ON01
Datum:
2022-08-22
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. R. van der Made
Kenmerk Buro SRO:
SR200209
Opdrachtgever:
HBC Planontwikkeling
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding............................................................................................................................................................. 5 1.2 Ligging plangebied................................................................................................................................................. 5 1.3 Geldend planologisch regime................................................................................................................................6 1.4 Leeswijzer.............................................................................................................................................................. 7
2 Planbeschrijving....................................................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie................................................................................................................................................. 8 2.2 Toekomstige situatie............................................................................................................................................. 8
3 Beleidskader........................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid.................................................................................................................................................. 12 3.2 Provinciaal beleid................................................................................................................................................ 14 3.3 Gemeentelijk beleid............................................................................................................................................ 16
4 Milieu- en omgevingsaspecten..............................................................................................................22 4.1 Milieueffectrapportage.......................................................................................................................................22 4.2 Bodem................................................................................................................................................................. 23 4.3 Waterhuishouding............................................................................................................................................... 25 4.4 Geluid.................................................................................................................................................................. 28 4.5 Luchtkwaliteit..................................................................................................................................................... 28 4.6 Milieuzonering.................................................................................................................................................... 30 4.7 Ecologie...............................................................................................................................................................
31 4.8 Cultureel erfgoed................................................................................................................................................ 32 4.9 Externe veiligheid................................................................................................................................................ 33 4.10 Verkeer en parkeren......................................................................................................................................... 36
5 Juridische planbeschrijving....................................................................................................................38 5.1 Algemeen ........................................................................................................................................................... 38 5.2 Verbeelding ........................................................................................................................................................ 38 5.3 Planregels ........................................................................................................................................................... 38 5.4 Wijze van bestemmen......................................................................................................................................... 39
6 Uitvoerbaarheid......................................................................................................................................40 6.1 Economische uitvoerbaarheid.............................................................................................................................40 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................................................................... 40
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Westerringweg 11 in Creil is een agrarisch bedrijfsperceel gelegen met daarop een bedrijfswoning en opstallen die in het verleden ten behoeve van een agrarisch bedrijf in gebruik waren. Initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing, met uitzondering van de bedrijfswoning, te saneren en hiervoor in de plaats logiesgebouwen voor de huisvesting van maximaal 150 arbeidsmigranten te realiseren. De voormalige bedrijfswoning zal gebruikt worden als beheerderswoning en kantoor. Het voorgenomen plan is niet toegestaan binnen de bestemming ‘Agrarisch gebied' van het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2004', waarnaar in de geldende beheersverordening ‘Landelijk gebied' wordt verwezen. Om de hierboven geschetste ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan vereist waarbij de agrarische bestemming wijzigt in een bestemming ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten. Vanuit de gemeente Noordoostpolder is er een positieve grondhouding ten opzichte van de ontwikkeling aan de Westerringweg 11. Het voorliggende bestemmingsplan heeft als doel een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader te bieden dat de realisatie van logiesgebouwen voor de huisvesting van maximaal 150 arbeidsmigranten mogelijk maakt.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen in het buitengebied van Creil aan de Westerringweg 11 ten zuidwesten van de kern van Creil. Creil is onderdeel van de gemeente Noordoostpolder. Het plangebied is kadastraal bekend onder de kadastrale gemeente Noordoostpolder, sectie E, perceel 2442 (deels), met een oppervlakte van ca. 8.000 m2. De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied (rode omcirkeling, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
5
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: ruimteliikeplannen.nl)
1.3 Geldend planologisch regime De geldende beheersverordening ter plaatse van het plangebied is de beheersverordening 'Landelijk gebied', vastgesteld op 21 maart 2016 door de gemeenteraad van de gemeente Noordoostpolder. In de beheersverordening is in de regels, artikel 2 sub a, vermeld dat de regels en verbeelding uit het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004', zoals vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Noordoostpolder op 19 september 2005, van toepassing zijn. Verder geldt het bestemmingsplan 'Parapluplan parkeren', vastgesteld op 8 juli 2019.
6
De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding ter plaatse van het plangebied.
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' (plangebied rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Voor de betreffende gronden geldt in het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' de bestemming 'Agrarisch gebied'. De hiervoor aangewezen gronden zijn voornamelijk bestemd voor agrarische bedrijvigheid. Binnen het aangegeven bouwvlak mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de agrarische bedrijvigheid. De inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer dan 1.200 m3 bedragen en de gezamenlijke oppervlakte van bij een bedrijfswoning behorende vergunningsplichtige bijgebouwen mag niet meer dan 120 m2 bedragen. Verder geldt een goothoogte van minimaal 4,5 m en niet meer dan 6 m en een maximaal bouwhoogte van 10 m. Ten behoeve van de agrarische bedrijvigheid mag niet meer dan 2.500 m2 aan opstallen worden gebouwd. Buiten het aangegeven bouwvlak mogen uitsluitend bouwwerken voor mestopslag, sleufsilo's en andere silo's en boogkassen worden gebouwd. Een logiesfunctie voor het huisvesten van maximaal 150 arbeidsmigranten is niet toegestaan binnen de bestemming 'Agrarisch gebied', waardoor een bestemmingswijziging vereist is. Onderhavig plan voorziet hierin.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader uiteengezet. Hierin wordt het voor dit wijzigingsplan relevante rijks-, provinciaal, en gemeentelijke beleid beschreven, en wordt het wijzigingsplan tevens getoetst aan de wijzigingsbevoegdheid. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan komen aan bod in hoofdstuk 6, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening zijn opgenomen.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied van Creil aan de Westerringweg 11. In de omgeving van het plangebied zijn met name agrarische bedrijven gevestigd gericht op akkerbouw. Typerend voor de agrarische erven is dat de erven aan drie zijden worden omzoomd door een erfsingel. Aan de kant van de openbare weg is het erf transparant begrensd. De erfinrichting heeft als effect dat de erven van buitenaf gezien als landschapselement worden ervaren. Het plangebied aan de Westerringweg 11 betreft een voormalig agrarisch erf. Voorheen was ter plaatse een agrarisch bedrijf gevestigd. Onderstaande afbeelding toont de omgeving van het plangebied.
Impressie huidige situatie vanaf de Westerringweg (bron: Google Streetview)
Binnen de plangrens is grenzend aan de Westerringweg een bedrijfswoning gesitueerd met daarachter verschillende bedrijfsmatige opstallen.
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens de gronden aan de Westerringweg 11 in Creil te herontwikkelen. Het plan is om de bedrijfsbebouwing, met uitzondering van de (bedrijfs)woning, te slopen en hiervoor in de plaats logiesgebouwen voor de huisvesting van maximaal 150 arbeidsmigranten te realiseren. Onderdeel hiervan zijn een recreatie- en sportruimte. De voormalige bedrijfswoning zal gebruikt worden als beheerderswoning en kantoor.
8
De onderstaande afbeelding toont de situatietekening en een impressie van de beoogde situatie.
Situatietekening beoogde situatie (bron: 1:1 Architectuur)
9
Impressie beoogde situatie (bron: 1:1 Architectuur)
Bebouwing Initiatiefnemer is voornemens huisvesting te realiseren voor maximaal 150 arbeidsmigranten. Het uitgangspunt is dat er maximaal 150 arbeidsmigranten worden gehuisvest in drie logiesgebouwen bestaande uit twee bouwlagen met een kap. De gebouwen worden vormgegeven als schuurvolumes. Er worden studio's voor vier personen met een keukenvoorziening en badkamer gerealiseerd. Verder zal de voormalige bedrijfswoning worden omgezet naar een beheerderswoning en een kantoor. Tevens wordt er in één van de logiesgebouwen (gebouw B) een recreatieruimte gerealiseerd waarin ook wordt voorzien in sport en spelmogelijkheden. Voor de beoogde gebouwen zijn de volgende beeldkwaliteitsrichtlijnen van toepassing: ^ ^ ^
schuurvormig landelijk karakter; eigentijds maar refererend naar vroegere schuren; robuust volume en heldere vormgeving, refereert naar agrarische schuur;
^ •
hoofdvorm met zadeldak; dakkapellen mits hoofdvolume intact en herkenbaar blijft; binnen hoofdvolume;
• • •
matte pan (niet glimmend); natuurlijke kleur gebruiken, eigen aan materialen als hout, beton en baksteen; materialisatie beperken tot aarde kleuren en grijstinten;
Landschappelijk inpassing Van belang is dat er aandacht wordt besteed aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, waaronder de verkavelingsrichting en de erfsingels. In de huidige situatie is het voormalig agrarisch erf begrensd door middel van een kenmerkende erfsingel. In de toekomstige situatie zal het plangebied aan de niet naar de weg gekeerde zijden omgeven worden door een erfsingelbeplanting met een breedte van ten minste 6 m, zoals dat ook bij omliggende agrarische bedrijven het geval is. Het voornemen is om de bestaande erfbeplanting te behouden en waar nodig verder aan te planten met bomen en struweel. Met het initiatief blijft het bouwperceel rechthoekig en daarmee past het in zijn omgeving. In de regels is binnen de bestemming 'Wonen - Huisvesting arbeidsmigranten' een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Hiermee wordt geregeld dat er binnen drie jaar na inwerkingtreding van onderhavig bestemmingsplan invulling dient te worden gegeven aan de landschappelijke inpassing. Die bestaat uit de
10
erfsingel en het onderhoud daarvan. De erfsingel heeft in het voorliggende bestemmingsplan de bestemming 'Groen - Erfsingel'. Beheer en veiligheid Op een grotere huisvestingslocatie zoals de voorgenomen ontwikkeling wordt het beheer en toezicht op professionele wijze verzorgd. Het beheer zal 24 uur per dag worden gevoerd. De beheerder(s) zijn belast met de handhaving van het huisreglement wat er op de locatie gaat gelden. Tevens zijn zij het aanspreekpunt voor buurtbewoners en/of hulpdiensten. Overige taken van de beheerder zijn het schoon en leefbaar houden van de huisvestingslocatie. Het terrein is zodanig ingericht dat de beheersbaarheid en veiligheid optimaal is. Verkeer en parkeren Het parkeren van vervoersmiddelen van of met betrekking tot de arbeidsmigranten mag uitsluitend binnen de erfgrenzen plaatsvinden. De gemeente Noordoostpolder hanteert als parkeernorm dat per twee arbeidsmigranten 1,5 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Dit betekent dat er binnen de plangrens, afgerond, 113 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Er zijn 113 parkeerplaatsen beoogd, waarmee in de parkeerbehoefte wordt voorzien en wordt voldaan aan de gemeentelijke beleidsregels ten aanzien van parkeren. Aangezien binnen het plangebied voldoende parkeerplaatsen zijn, veroorzaakt het plan geen parkeeroverlast in de omgeving. De ontsluiting vindt rechtstreeks plaats op de Westerringweg.
In toelichting paragraaf 4.10.1 wordt nader ingegaan op de verkeersgeneratie die de realisatie van logiesgebouwen voor maximaal 150 arbeidsmigranten met zich meebrengt.
11
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Het onderhavige initiatief draagt bij aan de prioriteiten 2, 3 en 4 en is op die wijze in lijn met de NOVI. Voorts wordt aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit. Conclusie Het voorgenomen plan sluit aan bij de ambities en belangen uit de NOVI. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken.
Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied. Conclusie Het Barro omvat geen belemmeringen voor de planontwikkeling.
12
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442 (Wierden) blijkt dat een ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als stedelijke ontwikkeling aangemerkt te kunnen worden. Wanneer een ontwikkeling voorziet in één van de andere in artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro genoemde stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2, dient deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Het beoogde plan voorziet in de realisatie van logiesfunctie voor arbeidsmigranten. Ten behoeve van het voorgenomen plan wordt de bestaande bebouwing gesloopt en worden logiesgebouwen met een totaal oppervlakte van ca. 1.250 m2 gerealiseerd. Conform het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' mag binnen het agrarisch bouwvlak een bedrijfswoning met een oppervlakte van 120 m2 en gebouwen met een gezamenlijk bedrijfsvloeroppervlakte van 2.500 m2 worden gerealiseerd.
Hieruit kan geconcludeerd worden dat het beoogde plan een ruimtebeslag van kleiner dan 500 m2 betreft en wordt derhalve niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling aangemerkt waardoor een nadere toetsing aan de ladder niet noodzakelijk is. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
13
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie FlevolandStraks De Omgevingsvisie FlevolandStraks, vastgesteld op 8 september 2017, geeft de visie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. De visie gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen en opgaven er voor Flevoland liggen en welke ambities we hebben voor de toekomst. Het bijzondere verleden van de jongste provincie van Nederland vormt de basis van de visie. Vanuit de omgevingsvisie worden er drie kernopgaven beschreven: ^ ^ ^
Het Verhaal van Flevoland (fysieke omgeving). Krachtige Samenleving (sociaal-economische omgeving). Ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving).
Deze opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is. In de strategische opgaven staan de belangrijkste vraagstukken en ambities voor de toekomst beschreven. Het gaat om de volgende opgaven: ^ ^
Duurzame Energie. Regionale Kracht.
^ ^
Circulaire Economie. Landbouw: Meerdere Smaken.
Planspecifiek De omgevingsvisie is een visie op hoofdlijnen waarin de toekomst van Flevoland wordt weergegeven. Omtrent de agrarische sector wordt de ambitie uitgesproken om blijvend een speler van wereldformaat te zijn. Om dit te bereiken is een agrosector met diversiteit en het vermogen om zich voortdurend te verbeteren van belang. In Flevoland vinden nieuwe ontwikkelingen, bedrijfsvormen, technieken en kennis de weg naar de praktijk. Flevolandse agrarische bedrijven zijn het praktijklaboratorium. De realisatie van een huisvestingsvoorziening voor arbeidsmigranten is van belang voor de toekomstbestendigheid van de agrarische sector. In de omgevingsvisie worden geen specifieke uitspraken gedaan over de huisvesting van arbeidsmigranten. Hiervoor wordt verwezen naar het omgevingsprogramma van de provincie Flevoland, zie toelichting paragraaf 3.2.2. 3.2.2 Omgevingsprogramma Flevoland In 2017 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie FlevolandStraks vastgesteld (zie toelichting paragraaf 3.2.1). Hierin is in hoofdlijnen de strategische visie op de toekomst van Flevoland weergegeven.
Deze eerste versie van het Omgevingsprogramma Flevoland is vastgesteld door Provinciale Staten van Flevoland op 27 februari 2019.In deze versie is er voor gekozen al het bestaande beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving te bundelen in één programma dat digitaal beschikbaar is. Op deze wijze zijn de provinciale beleidskeuzes compact beschreven en is de samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen het beste gewaarborgd. De provincie streeft ernaar om dit programma jaarlijks te actualiseren en waar nodig aan te vullen met overig provinciaal beleid. Zo kunnen in volgende versies onderwerpen worden toegevoegd die betrekking hebben op bijvoorbeeld economisch of sociaal beleid. Ook kunnen programma's worden toegevoegd met een meer gebiedsgebonden of thematische aanpak. Arbeidsmigranten Omtrent arbeidsmigranten wordt in het Omgevingsprogramma Flevoland gesteld dat Flevolandse bedrijven vaak afhankelijk van tijdelijke werknemers zijn. De provincie wil ruimte bieden om de betreffende bedrijven te faciliteren in de huisvesting van hun arbeiders. Op dit moment is er geen concreet beleid geformuleerd
14
voor de grootschalige huisvesting van arbeidsmigranten. Om deze ontwikkelingen toch te faciliteren, zijn er diverse experimentkaders opgesteld die getoetst zijn aan het provinciaal beleid. Planspecifiek In dit geval is de 'Beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008' van toepassing, zie toelichting paragraaf 3.2.4. Het Omgevingsprogramma Flevoland gaat wel in op de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van de provincie. Het zijn de dijken, vaarten, interne ontsluiting, flankerende beplanting, wegbeplanting en de bosranden. Deze wil de provincie behouden en de kwaliteiten ervan inzetten bij nieuwe ontwikkelingen, zodat zij een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie verwacht van de gemeenten dat zij bij de besluitvorming over nieuwe ontwikkelingen expliciet rekening houden met zowel de cultuurhistorische en landschappelijke kern- als basiskwaliteiten. Ten behoeve van het voorgenomen plan is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zie toelichting paragraaf 2.2. Hierbij is rekening gehouden met de landschappelijke kernkwaliteiten van de omgeving. 3.2.3 Omgevingsverordening Flevoland De Provinciale Staten van de provincie Flevoland hebben op 27 februari 2019 de Omgevingsverordening Flevoland vastgesteld, welke op 15 maart 2019 in werking is getreden.
De omgevingsverordening is hierna enkele keren op bepaalde thema's gewijzigd. De laatste wijziging is op 15 september 2021 vastgesteld. In de Omgevingsverordening van provincie Flevoland zijn alle regels vastgelegd die de provincie hanteert op het gebied van onder andere wegen, water, milieu, bodem, natuur, wonen en ruimte. Dit kunnen zowel regels zijn voor burgers of bedrijven als (instructie-)regels voor andere overheden. In geval van de voorgenomen ontwikkeling is met name artikel 7.5 van de omgevingsverordening van belang. Artikel 7.5 (Bescherming) - Natuurnetwerk Nederland 1.
2.
Een ruimtelijk plan of besluit, voor zover het betrekking heeft op een gebied binnen of nabij de aangewezen het Natuurnetwerk Nederland: a. strekt mede tot bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied; b. maakt activiteiten alleen mogelijk als die ten opzichte van het ten tijde van de inwerkingtreding van deze titel van de verordening geldende bestemmingsplan, mits die per saldo niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gebieden, of van de samenhang tussen die gebieden. Voor zover een bestemmingsplan strijdig is met de bescherming en de mogelijkheden bedoeld in het eerste lid stelt de gemeenteraad binnen drie jaar na het inwerkingtreden van deze titel dat plan opnieuw vast met inachtneming van de bepalingen in het eerste lid.
Planspecifiek De locatie waar voorgenomen ontwikkeling betrekking op heeft ligt op ca. 2,7 km afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN) behoren. Zoals aangegeven in toelichting paragraaf 4.7 worden er gelet op de afstand tot het NNN en de aard en omvang van de ontwikkeling, geen negatieve effecten verwacht op de gebieden die behoren tot het NNN. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met artikel 7.5 van de Omgevingsverordening Flevoland.
15
3.2.4 Beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008 De provincie Flevoland heeft op 17 juni 2008 de 'Beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008' vastgesteld. Deze beleidsregel is specifiek gericht op ontwikkelingen in het buitengebied. Het gaat hier vooral om de belangrijkste randvoorwaarden voor bijvoorbeeld uitbreiding van bouwpercelen en functiewijzigingen. Het landelijk gebied van Flevoland heeft voor een groot deel een agrarische functie. Ontwikkelingen in de landbouwsector maken het wenselijk meer ruimte te bieden aan kleinschalige niet-agrarische of agrarisch aanverwante functies en vergroting van (voormalige) agrarische bouwpercelen, voor zover deze de bestaande activiteiten en functies niet hinderen, niet leiden tot verstedelijking van het landelijk gebied en landschappelijk, milieutechnisch en verkeerskundig goed worden ingepast. Daarbij dienen de ontwikkelingsmogelijkheden van de landbouw behouden te blijven of verder versterkt te worden. Op 18 december 2018 is een wijziging van de 'Beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008' vastgesteld. De wijziging van de beleidsregel heeft betrekking op de verankering van het beleid voor de huisvesting van arbeidsmigranten in de Noordoostpolder.
Voor de huisvesting van arbeidsmigranten in de gemeente Noordoostpolder worden twee categorieën onderscheiden: 1. 2.
Seizoenshuisvesting: tot 150 personen per (voormalig) agrarisch bouwperceel op maximaal 15 locaties verspreid liggend in het landelijk gebied. Jaarrondhuisvesting: tot 300 personen op 3 verspreid liggende locaties binnen de begrenzing van de twee in figuur 14 van het Omgevingsplan Flevoland 2006 aangegeven glastuinbouwgebieden (kaart Landelijke gebied en glastuinbouw van het ontwerp-Omgevingsprogramma Provincie Flevoland).
Planspecifiek Onderhavige ontwikkeling betreft de herontwikkeling van een voormalig agrarisch bouwperceel ten behoeve van de realisatie van logiesgebouwen voor maximaal 150 arbeidsmigranten. Conform de 'Beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008' is het mogelijk om maximaal 15 locaties in gemeente Noordoostpolder, in het landelijk gebied, te herontwikkelen ten behoeve van de seizoenshuisvesting van arbeidsmigranten. Op dit moment zijn er twee locaties in de gemeente Noordoostpolder waar de huisvesting van maximaal 150 arbeidsmigranten plaatsvindt. Derhalve past het voorgenomen plan binnen de 'Beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008'.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Noordoostpolder 2025 De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is op 15 januari 2014 vastgesteld door de gemeenteraad. De structuurvisie is een integrale ruimtelijke visie, die de huidige en gewenste waarden en kwaliteiten beschrijft. De structuurvisie heeft als doel de verschillende belangen, zoals het landschap, de kernen en de gemeenschap, zorgvuldig af te wegen en hieruit een integrale ontwikkelingsrichting te bepalen voor de periode tot 2025. De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke, economische en sociale kwaliteiten en daarmee op het versterken van het landschap en leefbaarheid in de gemeente Noordoostpolder. De Structuurvisie is een document voor de langere termijn. Daarom kent de Structuurvisie Noordoostpolder 20205 een zekere mate van globaliteit en abstractie. De visie vormt de basis voor het toekomstig beleid, Ter uitwerking van de structuurvisie zijn gebiedsvisies, masterplannen, uitwerkingsplannen, bestemmingsplannen en beleidsplannen nodig om concrete (plan)ontwikkelingen in gang te zetten. Arbeidsmigranten Er werken steeds meer arbeidsmigranten in de gemeente Noordoostpolder. Dat heeft tot gevolg dat er behoefte is aan huisvesting voor deze (tijdelijke) inwoners. Conform het ‘Beleid arbeidsmigranten
16
Noordoostpolder' worden verschillende vormen van huisvesting toegestaan en bieden deze de mogelijkheid om afhankelijk van de verblijfsduur - en daarmee vaak samenhangend de mate van integratie - een andere vorm van huisvesting te kiezen. Planspecifiek Het mogelijk maken van logiesgebouwen ten behoeve van maximaal 150 arbeidsmigranten past binnen de Structuurvisie Noordoostpolder 2025, doordat wordt ingespeeld op de behoefte aan huisvesting voor arbeidsmigranten. In de Structuurvisie Noordoostpolder 2025 wordt verder verwezen naar het ‘Beleid arbeidsmigranten Noordoostpolder', hiervoor wordt verwezen naar toelichting paragraaf 3.3.2. 3.3.2 Beleid arbeidsmigranten Noordoostpolder Op 13 november 2012 heeft de gemeenteraad het gemeentelijk beleidskader voor de huisvesting van arbeidsmigranten vastgesteld. Voor de gemeente Noordoostpolder zijn arbeidsmigranten van economisch belang. Dit blijkt uit gegevens van de provincie Flevoland: 10% van de beroepsbevolking is arbeidsmigrant. Het aantal arbeidsmigranten is de laatste jaren toegenomen en deze lijn zet zich de komende jaren door mede door keuzes van de gemeente. Zo koos de gemeente Noordoostpolder voor een uitbreiding van het glastuinbouwgebied. In de glastuinbouw werken veel migranten, dus betekent een uitbreiding van glastuinbouw automatisch ook meer arbeidsmigranten.
Arbeidsmigranten verdienen een plek in de samenleving daarom vindt de gemeente het belangrijk dat arbeidsmigranten goed kunnen wonen, leven en werken in Noordoostpolder. Haar grondhouding is dan ook “Arbeidsmigranten zijn welkom in Noordoostpolder”. De gemeente hecht grote waarde aan een kwalitatief goede huisvesting van arbeidsmigranten. Hiervoor zijn een aantal randvoorwaarden opgenomen waarbinnen een locatie ontwikkeld moet worden. Bij huisvesting van 100 personen of meer in het buitengebied wordt daarnaast een klankbordgroep opgericht. In deze klankbordgroep praten omwonenden en andere direct belanghebbenden mee bij de uitwerking van de plannen. Het instellen van een klankbordgroep gebeurt nadat het betreffende conceptplan voldoende concreet is bevonden door B&W. Dat is ruimschoots voordat er voor het specifieke plan de benodigde bestemmingsplanprocedure wordt gestart. Deze klankbordgroep kan zo vooraf aan de eigenlijke procedure haar wensen, zorgen en ideeën kenbaar maken. De gemeente en de aanvragende partij houden hier rekening mee bij het opstellen van het bestemmingsplan. Beleidsregels buitengebied In het buitengebied worden verschillende vormen van huisvesting mogelijk gemaakt. Aan elk van deze vormen wordt een specifieke regeling in de vorm van beleidsregels getroffen.
Daarnaast is het van belang dat bij alle locaties aandacht wordt besteed aan verkeer en onder andere de verkeersveiligheid. Ook moet bekend zijn waar omwonenden terecht kunnen met vragen of eventuele klachten en moet het beheer van de locatie goed geregeld zijn. Ook wordt aandacht besteed aan de spreiding van locaties. Ten slotte is de ruimtelijke inpassing, onder andere in relatie tot de karakteristiek van het landschap, van belang. Planspecifiek Het voorgenomen plan betreft de realisatie van logiesgebouwen voor maximaal 150 arbeidsmigranten in het buitengebied van Creil. Hierdoor zijn de beleidsregels voor het buitengebied van toepassing. In toelichting paragraaf 3.3.3 vindt de toetsing aan de beleidsregels plaats. Verder wordt in toelichting paragraaf 2.2 ingegaan op de toekomstige verkeerssituatie en ruimtelijke inpassing. Conclusie De beoogde realisatie past binnen het gemeentelijk beleidskader voor de huisvesting van arbeidsmigranten in het buitengebied.
17
3.3.3 Beleidsregel huisvesting arbeidsmigranten landelijk gebied Noordoostpolder Op 5 februari 2018 is de Beleidsregel huisvesting arbeidsmigranten landelijk gebied Noordoostpolder vastgesteld. Het verzoek betreft een huisvesting in categorie 2. zoals bedoeld in artikel 3, namelijk voor 21 tot en met 150 arbeidsmigranten. De Beleidsregel huisvesting arbeidsmigranten landelijk gebied Noordoostpolder is van toepassing op de gewenste ontwikkeling. Voor huisvestingscategorie 2 zijn de toetsingscriteria van artikel 4 en 7 van toepassing. Artikel 4
Een ontwikkeling voor de huisvesting arbeidsmigranten wordt in elk geval getoetst aan de volgende criteria: a. b. c. d. e. f. g. h. i.
huisvesting vindt plaats in gebouwen; huisvesting in losse units of (sta)caravans is niet toegestaan. Uitzondering hierop zijn de tijdelijke losse units of (sta)caravans zoals bedoeld in artikel 5; er is voldoende leefruimte met voldoende privacy voor de bewoners waarbij wordt uitgegaan van een gebruiksoppervlakte van minimaal 12 m2 per bewoner; parkeren gebeurt op het erf of op gronden waar de huisvesting plaatsvindt; de huisvesting belemmert omliggende erven niet onevenredig; de wijze van ontsluiting van het perceel en de verkeersafwikkeling in relatie tot de toename van verkeer; het aantal parkeerplaatsen, waarbij bij toetsing wordt uitgegaan van een parkeernorm van minimaal 1,5 parkeerplaats per twee te huisvesten arbeidsmigranten; de verkeersveiligheid binnen en buiten het terrein en welke extra maatregelen eventueel worden genomen om die te borgen of te verbeteren; de wijze waarop de brandveiligheid is gewaarborgd.
Artikel 7
Een ontwikkeling voor huisvestingscategorie 2 dient te voldoen aan de volgende toetsingscriteria: a. b. c. d. e. f. g. h. i.
van huisvestingcategorie 2 mogen er binnen gemeente Noordoostpolder maximaal vijftien worden gerealiseerd; huisvesting vindt plaats op een solitair erf in het landelijk gebied; huisvesting vindt plaats in logiesgebouwen en wordt zoveel mogelijk in bestaande bebouwing gerealiseerd; binnen een straal van 750 meter van een bestaande huisvestingscategorie 2 of 3 wordt geen nieuwe huisvestingscategorie 2 gerealiseerd; huisvestingscategorie 2 wordt niet gerealiseerd binnen een straal van 400 meter van een huisvestingscategorie 1; op het erf dat wordt gebruikt voor huisvestingscategorie 2 vinden geen andere bedrijfsmatige activiteiten plaats; de huisvesting is stedenbouwkundig en landschappelijk goed ingepast. Dit blijkt uit het inrichtingsplan; er is een gemeenschappelijke recreatieruimte en er zijn sport- en spelmogelijkheden aanwezig; vóór de start van de te volgen procedure: 1. voert de aanvrager overleg met de gemeente waarin afspraken worden gemaakt over de riolering; 2. sluit de aanvrager een exploitatieovereenkomst met de gemeente. In deze overeenkomst worden afspraken gemaakt over het te realiseren initiatief en daarmee samenhangende kosten zoals bovenwijkse voorzieningen en riolering. Eventuele planschade wordt verhaald op de aanvrager; 3. worden omwonenden per brief geïnformeerd over het initiatief.
In deze informerende brief staat feitelijke informatie over in hoeverre dit initiatief gevolgen kan hebben voor de mogelijkheden op de naastgelegen percelen, informatie over riolering en waar men terecht kan met vragen; 4. wordt een klankbordgroep om advies gevraagd. Het advies van de klankbordgroep weegt mee bij de besluitvorming.
18
j.
de huisvesting voldoet aan de actuele criteria voor huisvesting van Stichting Normering Flexwonen (SNF) of daaraan gelijk te stellen. De aanvrager toont dit aan door binnen drie maanden na ingebruikname van de huisvesting de certificatie volgens SNF of daaraan gelijk te stellen certificatie te overleggen aan de gemeente
Onderstaand is aangegeven op welke wijze de planontwikkeling aansluit op de in de beleidsregel genoemde toetsingscriteria. Planspecifiek Toetsingscriteria artikel 4 a) Huisvesting vindt plaats in gebouwen Het voorgenomen plan betreft de realisatie van logiesgebouwen voor maximaal 150 arbeidsmigranten. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde dat de huisvesting in gebouwen moet plaatsvinden. b) Huisvesting in losse units of (sta)caravans is niet toegestaan. Uitzondering hierop zijn de tijdelijke losse units of (sta)caravans zoals bedoeld in artikel 5. De huisvesting zal niet plaatsvinden in losse units of (sta)caravans. c) Er is voldoende leefruimte met voldoende privacy voor de bewoners waarbij wordt uitgegaan van een gebruiksoppervlakte van minimaal 12 m2 per bewoner. Per vier bewoners voorziet de voorgenomen ontwikkeling in een gezamenlijke woonkamer met keukenvoorziening en een badkamer, met een totale gebruiksoppervlakte van ca. 60 m2. Dit is per bewoner ca. 15 m2 gebruiksoppervlakte. d) Parkeren gebeurt op het erf of op gronden waar de huisvesting plaatsvindt. De gemeente Noordoostpolder hanteert als parkeernorm dat per twee arbeidsmigranten 1,5 parkeerplaatsen aanwezig moeten zijn. Dit betekent dat er binnen de plangrens, afgerond, 113 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
Er zijn 113 parkeerplaatsen beoogd, waarmee in de parkeerbehoefte wordt voorzien en wordt voldaan aan de gemeentelijke beleidsregels ten aanzien van parkeren. De beoogde parkeergelegenheid wordt op het bestaande erf gerealiseerd. e) De huisvesting belemmert omliggende erven niet onevenredig. De huisvesting beperkt de mogelijkheden van aangrenzende gronden en bebouwing niet onevenredig, omdat de activiteiten en het gebruik slechts beperkt zijn tot het erf. De huisvesting staat op voldoende afstand van omliggende agrarische bedrijven en van woningen (zie toelichting paragraaf 4.6). f) De wijze van ontsluiting van het perceel en de verkeersafwikkeling in relatie tot de toename van verkeer. In toelichting paragraaf 4.10.1 wordt de toekomstige verkeerssituatie beschreven. De verwachting is dat de toename van verkeer geen belemmering vormt voor onderhavige planontwikkeling. g) Het aantal parkeerplaatsen, waarbij bij toetsing wordt uitgegaan van een parkeernorm van minimaal 1,5 parkeerplaats per twee te huisvesten arbeidsmigranten. Met het voorgenomen plan wordt een parkeernorm van 1,5 parkeerplaats per twee te huisvesten arbeidsmigranten gehanteerd (zie ook artikel 4 onder d). h) De verkeersveiligheid binnen en buiten het terrein en welke extra maatregelen er eventueel worden genomen om die te borgen of te verbeteren.
Binnen het plangebied wordt de verkeersveiligheid geborgd door de voorzijde overzichtelijk in te richten. Buiten het terrein vindt de ontsluiting direct op de Westerringweg plaats, gelijk aan de bestaande situatie. Het vrijliggende fietspad en de bermen maken dat er sprake is een overzichtelijke situatie. Hierbij blijft gelden dat fietsers voorrang hebben, wat de beheerder zal communiceren naar de toekomstige bewoners. i) De wijze waarop de brandveiligheid is gewaarborgd. De ontwikkeling als geheel voldoet aan het Bouwbesluit, ook zullen de logiesgebouwen voldoen aan de actuele criteria voor huisvesting van Stichting Normering Flexwonen (SNF).
19
Toetsingscriteria artikel 7
a) Van huisvestingcategorie 2 mogen er binnen gemeente Noordoostpolder maximaal vijftien worden gerealiseerd. Op dit moment zijn er binnen de gemeente Noordoostpolder twee locaties voor arbeidsmigranten in de huisvestingscategorie 2. b) Huisvesting vindt plaats op een solitair erf in het landelijk gebied. Het voorgenomen plan vindt plaats op een voormalig agrarisch bedrijfsperceel in het landelijk gebied van Creil. Doordat de niet naar de weg gekeerde zijden van de plangrens reeds zijn omgeven bestaande erfbeplanting is sprake van een solitair erf. c) Huisvesting vindt plaats in logiesgebouwen en wordt zoveel mogelijk in bestaande bebouwing gerealiseerd. Het voorgenomen plan voorziet in de sloop van de voormalige bedrijfsgebouwen. Hiervoor in de plaats worden drie logiesgebouwen voor maximaal 150 arbeidsmigranten gerealiseerd. De bestaande bedrijfswoning zal behouden blijven en in gebruik worden genomen als beheerderswoning. Vanuit zowel uit financieel als bouwkundig oogpunt is het niet haalbaar om de bestaande bedrijfsbebouwing te transformeren ten behoeve van de huisvesting van maximaal 150 arbeidsmigranten. d) Binnen een straal van 750 meter van een bestaande huisvestingscategorie 2 of 3 wordt geen nieuwe huisvestingscategorie 2 gerealiseerd.
Binnen een straal van 750 m is geen locatie ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten in de huisvestingscategorie 2 en 3 gesitueerd. e) Huisvestingscategorie 2 wordt niet gerealiseerd binnen een straal van 400 meter van een huisvestingscategorie 1. Binnen een straal van 400 m is geen locatie ten behoeve van de huisvesting van arbeidsmigranten in de huisvestingscategorie 1 gesitueerd. f) Op het erf dat wordt gebruikt voor huisvestingscategorie 2 vinden geen andere bedrijfsmatige activiteiten plaats. Binnen de plangrens vindt uitsluitend de huisvesting van maximaal 150 arbeidsmigranten plaats. g) De huisvesting is stedenbouwkundig en landschappelijk goed ingepast. Dit blijkt uit het inrichtingsplan. Bij het voorgenomen plan is aandacht voor het behoud en waar nodig het verder aanplanten van de erfsingel (zie toelichting paragraaf 2.2). Middels een voorwaardelijke verplichting in de regels wordt de aanleg, het onderhoud en de instandhouding hiervan gewaarborgd. h) Er is een gemeenschappelijke recreatieruimte en er zijn sport- en spelmogelijkheden aanwezig. Met het voorgenomen plan wordt voormalige bedrijfswoning omgezet naar een beheerderswoning en een kantoor. Verder zal in de nieuwe gebouwen ruimte zijn voor een gemeenschappelijke recreatieruimte en sport- en spelmogelijkheden.
i) Vóór de start van de te volgen procedure: Voert de aanvrager overleg met de gemeente waarin afspraken worden gemaakt over de riolering. De aanvrager heeft contact gehad met de gemeente over de riolering en de indicatieve kosten voor de aanleg van drukriolering. Sluit de aanvrager een exploitatieovereenkomst met de gemeente. In deze overeenkomst worden afspraken gemaakt over het te realiseren initiatief en daarmee samenhangende kosten zoals bovenwiikse voorzieningen en riolering. Eventuele planschade wordt verhaald op de aanvrager. Initiatiefnemer zal een exploitatieovereenkomst met de gemeente sluiten waarin de afspraken, daarmee samenhangende kosten en de tegemoetkoming in eventuele planschade zijn opgenomen. Worden omwonenden per brief geïnformeerd over het initiatief. In deze informerende brief staat feítelijke informatie over in hoeverre dit initiatief gevolgen kan hebben voor de mogelijkheden op de naastgelegen percelen, informatie over riolering en waar men terecht kan met vragen.
20
De initiatiefnemer zal de omwonenden informeren over het plan. Daarnaast is er een klankbordgroep opgericht. j) Wordt een klankbordgroep om advies gevraagd. Het advies van de klankbordgroep weegt mee bij de besluitvorming. Er is een klankbordgroep opgericht. In toelichting paragraaf 6.2.1 worden het proces beknopt beschreven. k) De huisvesting voldoet aan de actuele criteria voor huisvesting van Stichting Normering Flexwonen (SNF) of daaraan gelijk te stellen. De aanvrager toont dit aan door binnen drie maanden na ingebruikname van de huisvesting de certificatie volgens SNF of daaraan gelijk te stellen certificatie te overleggen aan de gemeente. Initiatiefnemer zal binnen drie maanden na ingebruikname van de huisvesting het certificaat volgens de SNF overleggen aan de gemeente.
21
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen' geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen', van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden, waarna op 18 december 2020 de meest recente versie in werking is getreden. In het Besluit m.e.r. staat de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn voor de in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Wanneer er geen noodzaak bestaat voor het opstellen van een m.e.r.-beoordeling, dient het bevoegd gezag op grond van artikel 7.19 Wm een expliciet besluit te nemen. Dit besluit dient uiterlijk op het moment van de tervisielegging van het ontwerp bestemmingsplan genomen te zijn. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (D 10 a: de aanleg, wijziging of uitbreiding van vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen; D 11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarden uit kolom 2. Met onderhavig plan worden logiesgebouwen voor de huisvesting van maximaal 150 arbeidsmigranten mogelijk gemaakt.
Er kan daarmee volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. Naast deze aspecten dient op basis van het toetsingskader van bijlage III EU-richtlijn milieubeoordeling projecten te
22
worden beoordeeld of belangrijke nadelige gevolgen door het project uitgesloten kunnen worden. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten komen hierbij aan bod. Kenmerken van het project Het beoogde plan maakt de realisatie van logiesgebouwen voor de huisvesting van maximaal 150 arbeidsmigranten en bijbehorende voorzieningen mogelijk. De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergeleken met de bestaande situatie niet toe. Conform het geldende bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' mag binnen het agrarisch bouwvlak een bedrijfswoning met een oppervlakte van 120 m2 en gebouwen met een gezamenlijk bedrijfsvloeroppervlakte van 2.500 m2 worden gerealiseerd. Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van logiesgebouwen voor de huisvesting van maximaal 150 arbeidsmigranten. De logiesgebouwen hebben een totaal oppervlakte van ca. 1.150 m2. Hieruit blijkt dat de bebouwingsmogelijkheden met het voorgenomen plan niet zullen toenemen. Plaats van het project De locatie van het project beperkt zicht tot het voormalige agrarische bedrijfsperceel van circa 8.000 m2, dat in het landelijk gebied van de Noordoostpolder is gelegen. De locatie ligt aan de provinciale weg N712 (Westerringweg). Gezien de ligging aan deze weg, is de locatie goed ontsloten voor autoverkeer.
De afstand tot Natura 2000-gebieden is ruim 3,5 km. Ook andere gevoelige gebieden als het Natuurnetwerk Nederland, stiltegebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en archeologische monumenten ontbreken binnen het effectgebied van de projectlocatie. Kenmerken van de potentiële effecten Voor de beoogde ontwikkeling geldt dat er geen relatie met andere ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied is, waarvan de effecten in cumulatie met elkaar in acht moeten worden. Daarbij komt dat het een ontwikkeling is die zich beperkt tot het voormalige agrarische bedrijfsperceel, waardoor productie van afvalstoffen, gebruik van hulpbronnen, kans op verontreiniging en risico's op ongevallen per saldo beperkt zijn dan wel afnemen. De belangrijkste effecten van het project ontstaan in de tijdelijke aanlegfase. Tijdens de aanlegfase is tijdelijk sprake van een toename aan verkeer en werkzaamheden. Hierbij zijn luchtverontreiniging en geluidhinder relevant. Door de tijdelijke aard van de aanlegfase heeft dit geen belangrijke nadelige gevolgen. Verder wordt bij de werkzaamheden voor het aanleggen van de fundering gegraven in de bodem. Voor de bouw worden daarnaast de reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal. Het gebruik van deze hulpbronnen heeft geen permanente nadelige gevolgen. Bouwafval wordt conform wet- en regelgeving afgevoerd.
Er is geen sprake van de productie van (gevaarlijke) afvalstoffen met nadelige milieugevolgen. Ook afvalstoffen die in de gebruiksfase vrijkomen zullen conform wet- en regelgeving verwerkt worden. De planlocatie ligt in of nabij gevoelige gebieden. Uit toelichting paragraaf 4.7 volgt dat het plan geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden heeft. Conclusie Op basis van deze plantoelichting, die gezien kan worden als aanmeldingsnotitie, kan geconcludeerd worden dat belangrijke milieugevolgen uitgesloten kunnen worden. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de vormvrije m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.-beoordelingsbesluit.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
23
Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Voorheen waren de gronden met een agrarische bestemming bestemd. De herbestemming van een agrarische bestemming naar een woonbestemming ten behoeve van een logiesfunctie voor arbeidsmigranten betreft een wijziging naar een strenger gebruik. In dat geval is een bodemonderzoek noodzakelijk. Derhalve is een bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (AT Milieu Advies B.V., AT20012, maart 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). De belangrijkste onderzoeksresultaten worden hieronder uiteengezet. Resultaten bodemonderzoek Op basis van de resultaten van het verkennend en nader bodemonderzoek (chemisch-analytisch onderzoek) bestaat conform de Wet bodembescherming (Wbb) geen aanleiding voor de uitvoering van saneringsmaatregelen. Over het algemeen zijn in de grond en het grondwater ten hoogste lichte verontreinigingen aangetoond voor de onderzochte stoffen. Alleen in de grond ter plaatse van boring 29 is een sterke verontreiniging met koper en zink aangetroffen tot een diepte van circa 1,5 m -mv.
Gezien de beperkte omvang van deze sterke verontreiniging (ongeveer 20 m3) is volgens de Wet bodembescherming geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging, waardoor geen saneringsplicht geldt. Aandachtspunt hierbij is dat in de omgeving van boring 29 zich in de bodem een ondoordringbare laag bevindt op een diepte van 0,9 à 1,5 m -mv. Geconcludeerd wordt dat de resultaten van het chemischanalytisch onderzoek geen beperkingen geven ten aanzien van het huidige en het beoogde gebruik. Resultaten asbestonderzoek De resultaten van het verkennend en nader asbestonderzoek in de bodem geven conform de Wet bodembescherming wel aanleiding voor het nemen van saneringsmaatregelen. In de bovengrond ter plaatse van inspectiegat IG07 (0,0-0,1 m -mv) wordt namelijk de interventiewaarde voor asbest overschreden. De hoeveelheid met asbest verontreinigde grond tot boven de interventiewaarde is hier ingeschat op enkele kuubs, bij een verontreinigingsoppervlak van ongeveer 20 m2. Omdat sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde voor asbest is conform de Wet bodembescherming sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest, waardoor een saneringsplicht geldt. Op het overige deel van de locatie zijn geen noemenswaardige asbestverontreinigingen in de grond aangetroffen.
De locatie wordt, zonder de uitvoering van saneringsmaatregelen ten aanzien van asbest, niet geschikt geacht voor het beoogde gebruik. Conclusie Omdat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (met asbest) is het niet toegestaan om saneringswerkzaamheden te verrichten zonder voorafgaand een saneringsplan op te stellen of een BUS melding te verrichten. Het saneringsplan of de BUS-melding dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag (provincie Flevoland of Omgevingsdienst Flevoland, Gooi en Vechtstreek). De sanering van de verontreiniging dient plaats te vinden onder milieukundige begeleiding. Voor de nog uit te voeren sanering is een eerste kostenopgaaf opgesteld. De kosten welke gepaard gaan met de sanering van de gronden staan de realisatie van het voorgenomen plan niet in de weg. Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor saneren van de met asbest verontreinigde bodem.
24
4.3 Waterhuishouding 4.3.1 Inleiding Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening moet in bestemmingsplannen een waterparagraaf te worden opgenomen. In deze paragraaf wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in de ruimtelijke plannen en besluiten'. Het plangebied valt in het werkgebied van het waterschap Zuiderzeeland. 4.3.2 Waterbeleid Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw' (WB21).