CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

4.1 Bestemmingsplan randweg 9 Emmeloord.pdf

Commissie Woonomgeving 20 maart 2023, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: (Ontwerp)bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Randweg 9 te Emmeloord’24.207 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Randweg 9 te Emmeloord Toelichting

Amri Beheer B.V. 6januari 2023

Project Opdrachtgever

Document Status Datum Referentie

Projectcode Projectleider Projectdirecteur

Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door

Bestemmingsplan Randweg 9 te Emmeloord Amri Beheer B.V.

Toelichting Definitief 02 6januari 2023 128786/23-000.161

128786 I AC. Al MSc Drs. MJ. Schilt

Mr. A. Goldebeld, W. Claus MSc J.B. Oegema MSc, mr. EJ. Overbosch-de Graaf I AC. Al MSc

Paraaf

Ad res

Witteveen + Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Koningin Julianaplein 10, 12e etage Postbus 85948 2508 CP Den Haag +31 (0)70 370 07 00 www.witteveenbos.com KvK 38020751

Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen + Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001, © Witteveen + Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schríftelijke toestemming van Witteveen + Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schríftelijk anders overeengekomen, Witteveen + Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de ínhoud van het door Witteveen + Bos geleverde document,

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Ligging plangebied

6

1.3

Vigerend bestemmingsplan

6

1.5

Leeswijzer

7

2

BESCHRIJVING PLANGEBIED

8

2.1

Huidige situatie

8

2.2

Toekomstige situatie

9

3

BELEIDSKADER

11

3.1

Rijksbeleid

11

3.1.1 3.1.2 3.1.3

11 11 12

3.2

3.3

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening(Barro) Besluit ruimtelijke ordening - Laddersystematiek

Provinciaal beleid

13

3.2.1 3.2.2 3.2.3

13 13 14

Omgevingsvisie FlevolandStraks Omgevingsverordening provincie Flevoland Beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008

Gemeentelijk beleid

16

3.3.1

Structuurvisie Noordoostpolder 2025

16

4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

17

4.1

Ecologie

17

4.1.1 4.1.2 4.1.3

Soortenbescherming Gebiedsbescherming Houtopstanden

17 18 20

4.2

Water

20

4.3

Bodem

21

4.4

Ontplofbare Oorlogsresten

21

4.5

Archeologie

22

4.6

Bedrijven en milieuzonering

23

4.7

Geluid

24

4.8

Luchtkwaliteit

24

4.9

Verkeer en parkeren

25

4.10

Cultuurhistorie en landschap

26

4.10.1 4.10.2

26 26

Cultuurhistorie Landschap

4.11

Externe veiligheid

26

5

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

29

5.1

Algemeen

29

5.1.1 5.1.2 5.1.3

29 29 30

Wat is een bestemmingsplan? Over bestemmen en aanduiden Hoofdstukopbouw van de regels

5.2

Dit bestemmingsplan

30

5.3

Toelichting op de regels

30

5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4

30 31 31 32

Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels

6

UITVOERBAARHEID

33

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

33

6.2

Economische uitvoerbaarheid

33

7

PROCEDURE

34

7.1

Inleiding

34

7.2

Ontwerpfase

34

7.2.1 7.2.2

Vooroverleg Zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan

34 34

7.3

Vaststellingsfase

34

7.4

Beroepsfase

34

Laatste pagina

35

Bijlage(n)

Aantal pagina's

1

Inrichtingstekening erfsingels

1

II

Stikstofdepositieberekening

15

III

Watertoets

28

IV

M.e.r.-aanmeld notitie

9

INLEIDING

1.1

Aanleiding

Amri Beheer B.V. is voornemens om een verhuisbedrijf te vestigen aan de Randweg 9 te Emmeloord. Dit voornemen past niet binnen het huidige planologische regime, omdat het verhuisbedrijf niet binnen de toegestane bedrijfsactiviteiten behoort. Binnen het plangebied is de beheersverordening 'Landelijk gebied' (vastgesteld op 21 maart 2016) van toepassing en in die beheersverordening wordt het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' van toepassing verklaard. Om het vestigen van een verhuisbedrijf planologisch mogelijk te maken, dient een nieuw bestemmingsplan vastgesteld te worden die een bedrijfsbestemming toewijst aan het erf. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de juridisch-planologische vertaling van het voornemen.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied is zuidwestelijk gelegen ten opzichte van de dorpskern van Emmeloord. Het plangebied bevindt zich in een landelijk gebied. Afbeelding 1.1 geeft de ligging van het plangebied weer.

Afbeelding 1.1 Ligging plangebied

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Binnen het plangebied is de op 21 maart 2016 vastgestelde beheersverordening 'Landelijk gebied' van toepassing. In de beheersverordening wordt het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' van toepassing verklaard.

6 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

Afbeelding 1.2 toont een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan, met rood omlijnd het plangebied. Zoals op de verbeelding is te zien, wordt in het bestemmingsplan aan het perceel de enkelbestemming 'Agrarisch gebied' (artikel 5) in combinatie de aanduiding 'Openheid van het landschap' toegekend. Het plangebied bevat tevens een bouwvlak. Een verhuisbedrijf past niet binnen de agrarische bestemming.

Afbeelding 1.2 Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004'

Legenda: Plangebied

l. 4

Andere procedure(s) en gerelateerde projecten

Op grond van onderdeel D11.3 van het Besluit milieueffectrapportage geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. De m.e.r.-beoordelingsplicht geldt voor gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. De voorgenomen ontwikkeling blijft ruim onder deze drempelwaarde. Omdat sprake is van het vaststellen van een plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening is een vormvrije m. e.r.-beoordeling noodzakelijk. De vormvrije m.e.r.-beoordeling (aanmeldnotitie) is opgenomen in bijlage IV van deze toelichting.

1.5

Leeswijzer

De toelichting bij voorliggend bestemmingsplan bestaat uit 7 hoofdstukken. Na dit eerste inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven dat van toepassing is op het plangebied. Hoofdstuk 4 onderbouwt de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 worden de planregels nader toegelicht. Vervolgens worden in hoofdstuk 6 en 7 de uitvoerbaarheid respectievelijk de bestemmingsplanprocedure beschreven.

7 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

2 BESCHRIJVING PLANGEBIED In dit hoofdstuk wordt het plangebied beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt ingegaan op de toekomstige situatie.

2.1

Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Randweg 9 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder. Het plangebied aan de Randweg 9 te Emmeloord bevat de gehele percelen behorend bij de kadastrale nummers 2976 en 2977. Daarnaast bevat het plangebied een klein gedeelte van de grond behorend bij het kadastrale nummer 2978. De grond van het kadastrale perceel 2978 is niet in eigendom van de initiatiefnemer. Dit perceel is in eigendom van de naastgelegen bewoner en wordt gebruikt voor agrarische bedrijfsvoering (akkerbouw). Het plangebied wordt begrensd door een erfsingel. Op afbeelding 2.1 is de begrenzing van het plangebied met een rood kader weergegeven. Op afbeelding 2.2 is de kadastrale situatie weergegeven.

Afbeelding 2.1 Begrenzing plangebied

8 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

Afbeelding 2.2 Kadastrale situatie

2978

Op het kadastrale perceel met nummer 2976 staat een gebouw dat op dit moment gebruikt wordt als woning. Daarnaast staat er een tuinhuisje op het kadastrale perceel met nummer 2976. Op het kadastrale perceel met nummer 2977 staan twee schuren. De westelijk gelegen schuur wordt op dit moment gebruikt als caravanstalling. In de oostelijk gelegen schuur worden geen bedrijfsmatige activiteiten verricht (de schuur wordt gebruikt als opslag van openhaardhout en een camper (privé)). Op het kadastrale perceel 2978 staat een schuur. Het gehele plangebied heeft op basis van de beheersverordening 'Landelijk gebied' in combinatie met het bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' een agrarische bestemming.

2.2

Toekomstige situatie

Amri Beheer B.V. is voornemens om aan de Randweg 9 te Emmeloord een verhuisbedrijf te vestigen (kadastrale percelen 2976 en 2977). Het verhuisbedrijf is kleinschalig van aard. Het bedrijf kent vijf medewerkers. De medewerkers gebruiken een tweetal vrachtwagens en een tweetal kleinere busjes. Het erf zal in de toekomst gebruikt worden voor de stalling van deze bedrijfswagens. Om de kleinschaligheid van het verhuisbedrijf te borgen, is uitbreiding van het aantal bedrijfswagens niet mogelijk. Dit is geborgd in artikel 3.3 van de planregels. De oostelijk gelegen schuur op het kadastrale perceel 2977 zal in de toekomst gebruikt worden als ruimte voor inboedelopslag, de westelijk gelegen schuur is hier niet geschikt voor en zal enkel als privéopslag gebruikt worden. Voor het vestigen van het verhuisbedrijf hoeft niet gebouwd te worden). Om deze reden kan er volstaan worden met een enkele functiewijziging. Op het gehele erf (zie afbeelding 2.1) zal de vigerende agrarische bestemming gewijzigd worden naar een bedrijfsbestemming, zodat het exploiteren van het verhuisbedrijf is toegestaan. De binnen het plangebied aanwezige woning zal ook in de toekomst als woning worden gebruikt.

9 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

In de toekomstige situatie blijft de agrarische bedrijfsvoering, in de vorm van bedrijfsgebouwen, mogelijk op het kadastrale perceel met nummer 2978. Dit is geborgd in het bestemmingsplan door middel van een aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch.

10 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden voor onderhavig plan relevante ruimtelijk beleid beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het plan en het beleid en getoetst wordt of het plan in overeenstemming is met het geldende beleid.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Algemeen

Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio's; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. In de NOVI worden 21 nationale belangen genoemd, worden nationale keuzes gemaakt, wordt richting gegeven aan decentrale afwegingen en wordt gebiedsgericht gewerkt. Met de NOVI wil het Rijk in concrete gebieden tot keuzes komen. De NOVI staat voor een 'omgevingsinclusief' beleid en onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal en afwentelen wordt voorkomen. Toetsing

De voorgenomen ontwikkeling raakt vanwege het kleinschalige karakter geen nationaal belang als bedoeld in de NOVI. Conclusie

De NOVI vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Algemeen

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, in werking getreden op 30 december 2011, bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de NOVI ten aanzien van de daarin genoemde nationale belangen.

11 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing

De voorgenomen ontwikkeling heeft geen betrekking op een nationaal belang zoals opgenomen in het Barro. Conclusie

Het Barro staat niet in de weg aan het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling.

3.1.3

Besluit ruimtelijke ordening - Laddersystematiek

Algemeen

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. Toetsing

In een uitspraak1 oordeelt de Afdeling dat een bestemmingsplan dat ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan geen uitbreiding van de maximaal toegelaten oppervlakte aan bedrijfsbebouwing mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, in beginsel niet voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, tenzij die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voorliggend bestemmingsplan bevat enkel een functiewijziging. Als gevolg van voorliggend plan is geen sprake van een uitbreiding van stedelijk ruimtebeslag. Daarnaast is de planologische functiewijziging niet van zodanige aard en omvang dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarnaast is in voorliggend bestemmingsplan de kleinschaligheid van het verhuisbedrijf geborgd, door het aantal vrachtwagens (verhuiswagens) en bestelbusjes ieder te beperken tot maximaal twee. Om die reden hoeft er niet getoetst worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie

De laddertoets is niet van toepassing, omdat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

1

ECLI:NL:RVS:2016:1075.

12 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie FlevolandStraks

Algemeen

De Omgevingsvisie FlevolandStraks is vastgesteld op 8 november 2017. De Omgevingsvisie FlevolandStraks geeft de visie van de provincie Flevoland over de periode tot 2030 en verder. De omgevingsvisie geeft bovendien inzicht in de kansen, opgaven en ambities voor Flevoland. In de omgevingsvisie worden 3 kernopgaven voor de provincie Flevoland benoemd: 1 het Verhaal van Flevoland (fysieke leefomgeving); 2 krachtige Samenleving (sociaaleconomische omgeving); 3 ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving). Deze 3 opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is. In de omgevingsvisie staan naast de 3 kernopgaven ook 4 strategische opgaven benoemd: 1 duurzame Energie; 2 regionale Kracht; 3 circulaire Economie; 4 landbouw: Meerdere Smaken. Toetsing

Eén van de drie kernwaarden uit de Omgevingsvisie FlevolandStraks van de provincie Flevoland is het bieden van ruimte voor initiatief (bestuurlijke omgeving). De provincie stimuleert daarmee initiatieven van inwoners en organisaties en de provincie biedt ruimte voor ondernemingen en mensen die hun droom willen realiseren. FHet initiatief voor het vestigen van een verhuisbedrijf leent zich hier goed voor. Daarnaast past de ontwikkeling goed binnen het voornemen om voor landbouw(gronden) meerdere smaken toe te staan. Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan de doelstellingen van de Omgevingsvisie FlevolandStraks.

3.2.2

Omgevingsverordening provincie Flevoland

Algemeen

De Omgevingsverordening Flevoland is vastgesteld op 27 februari 2019. De omgevingsverordening geeft regels voor de fysieke leefomgeving. In de Omgevingsverordening Flevoland worden regels gegeven voor die betrekking hebben op de volgende thema's: schaliegas: in de Omgevingsverordening regels zijn regels gesteld met het oog op het borgen dat bij het opsporen en winnen van schaliegas en -olie de provinciale belangen niet worden geschaad; wind: in de Omgevingsverordening zijn regels gesteld met het oog op het cyclisch opschalen en saneren van windmolens zodat steeds meer windenergie met minder molens kan worden opgewekt; bescherming landschap: de Omgevingsverordening schrijft voor dat het verboden is om zonder ontheffing 1 of meerdere borden te plaatsen, te doen plaatsen, geplaatst te houden, aan te brengen, te doen aanbrengen of aangebracht te houden op een onroerende zaak; watersystemen: de Omgevingsverordening schrijft regels voor die betrekking hebben op het watersysteem; Natuurnetwerk Nederland (werkingsgebied): in de Omgevingsverordening zijn regels gesteld over Natuurnetwerk Nederland (NNN); luchtvaart: in de Omgevingsverordening worden regels gesteld met betrekking tot het aanvragen of vaststellen of wijzigen van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling gelegen in de provincie Flevoland; bodemsanering: de Omgevingsverordening geeft regels over bodemsanering in

aanvulling op de Wet bodembescherming.

13 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

Toetsing

schaliegas: voorgenomen plan maakt opsporing en winnen van schaliegas en -olie niet mogelijk; wind: voorliggend plan voorziet niet in de planologische inpassing van windturbines; bescherming landschap: het plaatsen van borden maakt geen deel uit van voorgenomen plan; watersystemen: in paragraaf 4.2 van deze toelichting wordt gemotiveerd dat het onderwerp water geen belemmering vormt voor voorgenomen plan; Natuurnetwerk Nederland (werkingsgebied): in paragraaf 4.1.2 Is het aspect gebiedsbescherming beschreven en aangetoond dat dit aspect geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling; luchtvaart: het aanvragen, vaststellen of wijzigen van een luchthavenbesluit of luchthavenregeling is niet van toepassing op voorgenomen plan; bodemsanering: in paragraaf 4.3 van deze toelichting wordt gemotiveerd dat de bodem geen belemmering vormt voor voorgenomen plan. Conclusie

De Omgevingsverordening provincie Flevoland vormt alles overziend geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.2.3

Beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008

Algemeen

Het landelijk gebied van Flevoland heeft voor een groot deel een agrarische functie en de provincie Flevoland acht het wenselijk om in de landbouwsector meer ruimte te bieden aan kleinschalige nietagrarische functies, voor zover deze de bestaande activiteiten en functies niet hinderen, niet leiden tot verstedelijking van het landelijk gebied en landschappelijk, milieutechnisch en verkeerskundig goed worden ingepast. In de Beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008 (vastgesteld op 18 december 2018) wordt aangegeven welke grenzen de provincie hanteert voor de toelaatbaarheid van verschillende niet-agrarische en agrarisch aanverwante activiteiten en voor de vergroting van het (voormalige) agrarische bouwperceel. Toetsing

In de onderstaande tabel (3.1) wordt getoetst aan de artikelen in de Beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008.

Tabel 3.1 Overzicht resultaten toetsing Artikel

Bepaling

Toetsing voorgenomen ontwikkeling

art. 4.1

geen belemmering voor bestaande functies

het dichtstbijzijnde geluidgevoelige object betreft de woning op de Randweg 7 te Emmeloord en ligt op meer dan 200 meter afstand van het plangebied; eventuele nadelige gevolgen (zoals belemmeringen en hinder voor het functioneren van het wonen aan de Randweg 7 in Emmeloord) ligt vanwege die grote afstand niet voor de hand. Daarnaast zijn de activiteiten van het verhuisbedrijf (inboedelopslag en stalling van bedrijfswagens) geen activiteiten waardoor belemmeringen en hinder voor omliggende bedrijven en/of activiteiten te verwachten zijn

niet-agrarische en/of agrarisch aanverwante activiteiten op (voormalige) agrarische bouwpercelen zijn mogelijk, tenzij belemmeringen en hinder ontstaan voor het functioneren van de naastgelegen (agrarische) bedrijven en/of activiteiten, zoals wonen en recreëren. Indien nodig en mogelijk zal dit nader worden geregeld in een (milieu)vergunning

art. 4.2

voorkomen van verstedelijking landelijk gebied I

niet-agrarische en/of agrarisch aanverwante activiteiten op (voormalige) agrarische bouwpercelen zijn mogelijk, mits deze

14 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

de opzet van het verhuisbedrijf is kleinschalig. Het heeft 5 medewerkers in dienst en beschikt over twee

Artikel

art. 4.3

Bepaling

Toetsing voorgenomen ontwikkeling

activiteiten in opzet en ontwikkelingsperspectief kleinschalig van karakter zijn en blijven

vrachtwagens en twee bestelbusjes. De activiteiten blijven ook kleinschalig van karakter, omdat in het bestemmingsplan is geborgd dat het aantal vrachtwagens (verhuiswagens) en bestelbusjes ieder beperkt zijn tot maximaal twee

voorkomen van verstedelijking landelijk gebied II

zoals reeds vermeld betreft het een klein verhuisbedrijf (5 medewerkers, twee vrachtwagens en twee busjes) en is die kleinschaligheid is geborgd in de planregels

niet toegestaan zijn niet-agrarische en/of agrarisch aanverwante activiteiten die qua aard, omvang, verkeersaantrekkende werking en aantal werknemers primair thuishoren op een bedrijventerrein of industrieterrein dan wel in of aansluitend aan de bebouwde kom. Dit geldt in ieder geval voor activiteiten die vallen in de milieucategorie 4 of hoger

art. 4.7

landschappelijke inpassing

vergroting van de (voormalige) agrarische bouwpercelen en ontwikkeling van niet-agrarische en/of agrarisch aanverwante activiteiten is mogelijk, tenzij de landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten worden aangetast. Hiervoor geldt dat: a bij niet-agrarische en/of agrarisch aanverwante activiteiten de erfsingel behouden moet blijven of hersteld moet worden b de vergroting van het (voormalige) agrarische bouwperceel landschappelijk wordt ingepast, door middel van het herstellen of opnieuw aanplanten van de erfsingel c er naar gestreefd dient te worden, dat de vorm van het (voormalige) agrarische bouwperceel past in het aanwezige landschap Art. 4.8

verkeerskundige inpassing

vergroting van de (voormalige) agrarische bouwpercelen dan wel de ontwikkeling van niet agrarische en/of agrarisch aanverwante activiteiten op (voormalige) agrarische bouwpercelen zijn mogelijk, tenzij dit leidt tot knelpunten of onveilige situaties in de verkeersafwikkeling. Voorts geldt dat: a voorzien moet worden in voldoende manoeuvreerruimte op het eigen (voormalige) agrarische bouwperceel b er bij voorkeur geen sprake is van meer dan één uitrit; c parkeren geschiedt op het eigen (voormalige) agrarische bouwperceel d de niet-agrarische en/of agrarisch aanverwante activiteiten op het (voormalig) agrarisch bouwperceel zijn afgestemd op de aard en capaciteit van de weg waaraan het betreffende bouwperceel is gelegen

1 5 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

daarnaast zal de verkeersaantrekkende werking beperkt zijn; enkel het aan- en afrijden van het personeel en de bedrijfswagens zal tot extra verkeersbewegingen leiden. Tevens vallen de activiteiten niet in milieucategorie 4 of hoger. Voorliggend bestemmingsplan staat bedrijven met een milieucategorie 1 en 2 bij rechttoe (lichte milieucategorie). Met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - verhuisbedrijf wordt een verhuisbedrijf toegestaan. De effecten van het verhuisbedrijf zijn qua aard en omvang gelijkte stellen aan een milieucategorie 1 of 2 binnen het plangebied is een erfsingel aanwezig, die conform sub a behouden moet blijven. Van de erfsingel is een inrichtingstekening bijgevoegd bij voorliggend bestemmingsplan (zie bijlage I van deze toelichting). In de planregels is geborgd dat de erfsingel in stand gelaten wordt. De landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten worden derhalve niet aangetast

de bedrijfswagens worden gestald op het eigen erf en het erf heeft genoeg manoeuvreerruimte voor de bedrijfswagens. Daarnaast heeft het erf slechts één uitrit. De ontwikkeling leidt derhalve niet tot knelpunten of onveilige situaties in de verkeersafwikkeling. Parkeren geschiedt op het eigen terrein. De bedrijfswagens (twee bestelbusjes en twee verhuiswagens) rijden gemiddeld genomen één keer per dag op en aan. Gezien de beperkte toename van de hoeveelheid verkeer is er geen aanleiding om voor de directe omgeving verkeersproblemen te verwachten. Voor een nadere beschouwing van de verkeerskundige inpassing wordt verwezen naar paragraaf 4.9 (Verkeer en Parkeren)

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling past binnen de gestelde grenzen van de provincie Flevoland in de beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Noordoostpolder 2025

Algemeen

De 'Structuurvisie Noordoostpolder 2025' beschrijft de huidige en gewenste waarden en kwaliteiten en kijkt daarbij vooruit naar 2025. De visie heeft als doel verschillende belangen, zoals voor het landschap, de kernen en de gemeenschap, zorgvuldig af te wegen en hieruit een integrale ontwikkelingsrichting te bepalen voor de periode tot 2025. In de structuurvisie 'Noordoostpolder 2025' is in paragraaf 5.6 onder het kopje 'Vrijkomende agrarische bedrijfskavels' (afgekort: vab's) aangegeven dat vab's bij uitstek geschikt zijn voor de uitoefening van niet agrarische bedrijfsactiviteiten in de lichte milieucategorieën. Hierbij is dan wel aandacht nodig de mogelijke negatieve effecten op omliggende bedrijven en de landschappelijke inpassing in de vorm van een volwaardige erfsingel. In paragraaf 5.7 van de structuurvisie wordt onder het kopje 'niet agrarische bedrijven in het landelijk gebied' aangegeven dat het toestaan van kleinschalige niet-agrarische bedrijvigheid (zoals loonbedrijven, timmerbedrijven, recreatiebedrijven, horeca en detailhandel) kansen biedt voor de leefbaarheid van het landelijk gebied. Onder voorwaarden wordt de vestiging van die soort bedrijven toegestaan op de vab's. De erfsingel moet behouden blijven, dan wel opnieuw worden aangeplant. Erfuitbreiding is niet mogelijk Als bedrijven te groot worden dan moeten ze verhuizen naar één van de bedrijventerreinen.

Toetsing

Voorliggend bestemmingsplan staat bedrijven met een milieucategorie 1 en 2 bij recht toe (lichte milieucategorie). Met de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - verhuisbedrijf' wordt een verhuisbedrijf toegestaan. De effecten van het verhuisbedrijf zijn qua aard en omvang gelijk te stellen aan een milieucategorie 1 of 2. In paragraaf 4.6 wordt het aspect 'bedrijven en milieuzonering' beschouwd. Negatieve effecten op omliggende bedrijven zijn niet te verwachten en in een goede landschappelijke inpassing is voorzien; het behoudt van de erfsingel is geborgd in de planregels. Daarnaast is van erfuitbreiding geen sprake en wordt er enkel van de bestaande gebouwen gebruik gemaakt. Het vestigen van een verhuisbedrijf aan de Randweg 9 biedt kansen voor de leefbaarheid van het landelijk gebied. Conclusie

De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen ontwikkeling.

16 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een bestemmingsplan door middel van een integrale ruimtelijke benadering nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving en omwonenden. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening'. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de bespreking van diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond.

4.1

Ecologie

De Wet natuurbescherming regelt op hoofdlijnen drie zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten; 2 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden; 3 bescherming van bos en houtopstanden.

4.1.1

Soortenbescherming

Algemeen

Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in drie categorieën: vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; Habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn vijf categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5). De categorie 'andere soorten' gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden.

De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Toetsing

De functies worden mogelijk gemaakt door gebruik te maken van de bestaande bebouwing. Tevens hoeven er geen bomen gekapt te worden of andere werkzaamheden verricht te worden.

17 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

Derhalve vinden er geen fysieke ingrepen plaats in het plangebied of in de directe omgeving van het plangebied. Om deze reden zijn er geen negatieve effecten op flora en fauna te verwachten. Conclusie

Vanuit het omgevingsaspect soortenbescherming zijn er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

4.1.2

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden

Algemeen De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wet natuurbescherming de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Toetsing Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Ketelmeer 8i Vossemeer (zie afbeelding 4.1). Dit gebied ligt op circa 9 km ten zuiden van het plangebied en is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Omdat het plangebied dusdanig ver verwijderd is van het Ketelmeer 8i Vossemeer, is ruimtebeslag niet aan de orde. Overige directe effecten van voorgenomen plan op het Natura 2000-gebied zijn ook uitgesloten: geluid, licht en trillingen dragen minder ver dan de genoemde 9 km. Daarnaast liggen er nog een drietal andere Natura 2000-gebieden in de verdere omgeving: De Wieden, Zwarte Meer, Weerribben en IJsselmeer. Deze Natura 2000-gebieden liggen op een afstand van meer dan 9 km van het plangebied. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de verandering in het aantal vervoersbewegingen.

De berekening is opgenomen in bijlage II van deze toelichting. Conclusie Uit de uitgevoerde stikstofdepositieberekening blijkt dat het gebruik van het verhuisbedrijf na realisatie niet leidt tot depositietoenames op nabijgelegen Natura 2000-gebieden van 0,005 mol/ha/jr of meer. Daarmee kunnen significante negatieve effecten door stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden tijdens de gebruiksfase worden uitgesloten. Vervolgstappen in het kader van de Wnb, onderdeel Natura 2000, zijn niet noodzakelijk. Overige directe effecten van voorgenomen plan op het Natura 2000-gebied zijn ook uitgesloten: geluid, licht en trillingen dragen minder ver dan de genoemde 9 km.

18 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

Afbeelding 4.1 Ligging plangebied (rode stip) ten opzichte van de Natura 2000-gebied ® Natura 2000-gebieden

Weerribben

IJsselmeer De Wieden

M'»»"

Zwarte meer Ketelmeer 8t Vossemeer Winbar,"

lltttlmuidvfl Kampen

Lelystad

NNN-gebieden

Algemeen In de omgeving van het plangebied, op ongeveer 800 meter verwijderd, bevindt zich het natuurgebied 'Verbindingszone Urker- en Zwolse Vaart', dat is aangewezen als NNN-gebied (zie afbeelding 4.2). Het NNN-gebied heeft de volgende wezenlijke kenmerken en waarde: een verbindingszone voor vissen, een foerageergebied van en corridor voor meervleermuis en watervleermuis en een verbindingszone en potentieel leefgebied voor de otter.

Afbeelding 4.2 Ligging NNN-gebied in de nabijheid van het plangebied

O Legenda Q

Plangebied NNN-gebied

19 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

Het plangebied ligt buiten de grenzen van het NNN. Uit artikel 7.5 van de Omgevingsverordening Flevoland blijkt dat bij ruimtelijke plannen ook bekeken moet worden of er sprake is van externe werking op het NNN-gebied. Dit houdt in dat beoordeeld dient te worden of de functiewijziging een significante negatieve aantasting van het NNN tot gevolg heeft. Toetsing Omdat het plangebied buiten het NNN-gebied ligt zijn directe effecten als ruimtebeslag en versnippering uitgesloten. Van directe effecten is zodoende geen sprake. Gezien de afstand van het plangebied tot het NNN-gebied (ongeveer 800 meter) en het gegeven dat het om een enkele functiewijziging gaat, zijn eventuele negatieve effecten van geluid, licht en trilling tevens uitgesloten binnen het NNN-gebied. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat geen sprake is van een significante negatieve aantasting van het NNN-gebied door de beoogde functiewijziging. Verdere maatregelen in het kader van NNN zijn niet nodig.

4.1.3

Houtopstanden

Algemeen

Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan volgens de Wet natuurbescherming. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Het is verboden een houtopstand, buiten de bebouwde kom, geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. Onder houtopstand wordt in de Wet natuurbescherming verstaan: zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer; of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Toetsing

In het kader van voorliggend bestemmingsplan worden geen bomen omgehakt dan wel gerooid. Conclusie

Het aspect houtopstanden vormt derhalve geen belemmering in het kader van voorliggend plan.

4.2

Water

Algemeen

De voorgenomen ontwikkeling kan effecten hebben op de waterhuishoudkundige situatie, zowel kwantitatief als kwalitatief. Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets is een procesinstrument waarbij de waterbeheerders in een vroegtijdig stadium worden betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling, zodat verschillende aspecten van 'water' een goede plaats krijgen in de planvorming. In de waterparagraaf worden de effecten van het ontwerp op deze verschillende aspecten omschreven, zoals waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, beheer en onderhoud en het effect op grondwaterpeilen. Toetsing

De digitale watertoets is doorlopen (zie bijlage lil bij deze toelichting). Op basis van inhoudelijke beoordeling van de ontwikkeling is de korte procedure van toepassing voor de watertoets. Er zijn beperkte effecten op het watersysteem (namelijk een beperkte toename van huishoudelijk afvalwater). Er is geen watervergunning vereist voor waterschap Zuiderzeeland en er worden geen meldingsplichtige activiteiten ondernomen, mits uit het doorlopen van de AIM-module blijkt dat het een type A inrichting betreft.

20 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

Waterveiligheid

Het plan ligt niet buitendijks of in een beschermingszone van een waterkering. Op basis van de huidige plannen over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Voldoende water

Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Omdat er geen toename in verharding wordt gerealiseerd heeft de voorgenomen bestemmingsplanwijziging hier geen invloed op. Schoon water

Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar het realiseren van een ecologisch gezond watersysteem. Oevers worden bij voorkeur duurzaam en indien passend bij de functie natuurvriendelijk ingericht. De voorgenomen bestemmingsplanwijziging heeft hier geen directe invloed op. Een aandachtspunt is het afvalwater. In de nabijheid van de ontwikkeling is momenteel geen openbaar rioolsysteem aanwezig. De lozingsroute van het huishoudelijk afvalwater na de IBA is onbekend. Het effect van het huidige planvoornemen op het volume afvalwater is marginaal. Dit komt doordat er geen fysieke uitbreiding of nieuwbouw plaatsvindt en door de beperkte schaal van het verhuisbedrijf. Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.

4.3

Bodem

Algemeen

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Met andere woorden: is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt voor de beoogde bestemmingfenj/functiefs)? Is er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, levert dit gezondheidsrisico's, ecologische risico's of verspreidingsrisico's op en kan er tijdig iets aan gedaan worden? Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Toetsing

Het bestemmingsplan behelst enkel een functiewijziging van de reeds aanwezige bebouwing. Er zullen geen bouwwerkzaamheden verricht worden. Hierdoor hoeven er geen grondroerende werkzaamheden plaats te vinden (er is dus niet voorzien in een uitvoeringsfase). Tijdens het exploiteren van het verhuisbedrijf worden geen bodembedreigende stoffen gebruikt. De bodemkwaliteit zal derhalve niet verslechteren. Conclusie

Het aspect bodem vormt om die reden geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.

4.4

Ontplofbare Oorlogsresten

Algemeen

Na de Tweede Wereldoorlog zijn op diverse plekken in Nederland ontplofbare oorlogsresten (voorheen bekend als: niet-gesprongen explosieven achtergebleven. Deze ontplofbare oorlogsresten vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd, zoals graven. Toetsing

Het oostelijk deel van Flevoland is tussen 1950 en 1957 aangelegd, dus na de Tweede Wereldoorlog, en was voordien nog water. Om deze reden bestaat er geen concrete verwachting voor de aanwezigheid van

21 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

ontplofbare oorlogsresten. Desondanks kan het altijd voorkomen dat er ontplofbare oorlogsresten in de bodem aanwezig zijn. In het kader van het planvoornemen worden er geen bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt daarmee geen risico voor het planvoornemen. Conclusie

Het aspect ontplofbare oorlogsresten is hiermee geen belemmering voor voorgenomen plan.

4.5

Archeologie

Algemeen

Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan dient inzicht te zijn verkregen in bekende en te verwachten archeologische waarden in het plangebied en omgeving, en wat de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden zijn en of deze een bedreiging vormen voor het bodemarchief. Indien dit het geval is, wordt geadviseerd op welke wijze hiermee in het vervolgtraject van de plannen rekening dient te worden gehouden. De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erfgoedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. Onderdelen van de Monumentenwet, die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet, die naar verwachting op 1 juli 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is daartoe in de Erfgoedwet voor de periode 2016 - 2021 een overgangsregeling opgenomen. De Erfgoedwet regelt onder andere de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Archeologisch onderzoek zal moeten worden uitgevoerd indien er sprake is van een hoge trefkans of indien het plangebied niet is gekarteerd. Toetsing

Op de speciaal voor de gemeente Noordoostpolder ontwikkelde beleidskaart is aangegeven welke gebieden een hoge, een gematigde, dan wel een lage verwachtingskans op archeologische vondsten hebben. Verder is op de kaart aangegeven waar zich scheepswrakken bevinden en welke gebieden een archeologisch monument betreffen. Op deze beleidskaart zijn de beleidscategorieën weergegeven. Het plangebied heeft geen beleidscategorie (zie daarvoor afbeelding 4.3). Dit houdt in dat geen voorschriften voor een aanlegvergunning (omgevingsvergunning - uit voeren van werken) dienen te worden opgenomen in de planregels. Daarnaast worden er geen bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd.

22 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

Afbeelding 4.3 Uitsnede archeologische beleidskaart (plangebied rood omkaderd) legenda Beleidscategorieën I///J

WM WA-1 (archeologisch Rijksmonument) W/V2 WA-3 WM WA-5

WM WA-7 WAr7 (middeleeuwse dijken en sloten) WM geen Overig I

1

contour UNESCO-WerekJerfgoedgebed Schokland (tevens AMK-terrėn en PArK-gebied)

Ţ—j

contour PArK-gebed

L_______ ]

gemeentegrens

Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Bedrijven en milieuzonering

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies (zoals wonen en recreëren) anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. De onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het zoveel mogelijk beperken of voorkomen van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen verrichten. Toetsing

De nieuwe functie als verhuisbedrijf is niet als aparte categorie opgenomen in de activiteitenlijst van de publicatie 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' (2009) van de VNG. Wel zijn de categorieën 'goederenwegvervoersbedrijven' ^1.000 m2 cat. 3.1), 'pakhuis' (cat. 3.1) en opslaggebouwen (verhuur opslagruimte)' (cat. 2) opgenomen in de handreiking. De richtafstanden van de VNG-publicatie gelden tot het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen hanteert de VNG een verkleining van de richtafstanden met 1 afstandsstap. Het gaat hierom 'gemengd gebied'. Een gemengd gebied is volgens de VNG-brochure een gebied met een matige tot sterke functiemenging. De effecten van het verhuisbedrijf zijn qua aard en omvang gelijk te stellen aan een milieucategorie 1 of 2. Voor de toetsing aan de VNG-richtlijnen wordt daarom veiligheidshalve een milieucategorie 3.1 aangehouden. Dit houdt in dat de afstand tussen de nieuwe bedrijfsbestemming en het gebiedstype 'rustige woonwijk' niet minder dan 30 meter mag bedragen (geluid is maatgevend). Sommige bedrijven die vallen binnen de milieucategorie 2 kennen ook een richtafstand van 30 meter voor geluid. De woning op de Randweg 7 te Emmeloord is het meest nabij gelegen geluidgevoelige object. De afstand tot deze woning is ruim 200 m. De afstand van 200 m voldoet ruim aan de richtafstand van 30 meter.

23 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt daarmee geen belemmering voor het voorliggend plan.

4.7

Geluid

Algemeen

Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient het aspect geluid beoordeeld te worden. Bij het aspect geluid gaat het om het ruimtelijk mogelijk maken van geluidsbron (zoals wijzigingen aan een weg, spoorweg of industrie) enerzijds, en aan bestemmingen die een zekere mate van rust nodig hebben (zoals woningen, scholen en ziekenhuizen) anderzijds. Ruimtelijke plannen moeten voldoen aan de wet- en regelgeving die is opgenomen in de Wet geluidhinder (Wgh), de Wet milieubeheer (Wm) en onderliggende besluiten en regelingen. Wet- en regelgeving over geluid (zoals de Wet geluidhinder) bevatten geen specifieke geluidsnormen voor een functiewijzigingen als deze, maar er dient in deze toelichting er moet wel beoordeeld worden of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening dan wel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als gevolg van eventuele geluidstoenamen. Toetsing

Het bestemmingsplan voorziet niet in het toevoegen van geluidsgevoelige objecten. Als gevolg van voorliggend plan zullen er wel meer verkeersbewegingen ontstaan die mogelijk extra geluid veroorzaken. De geluidhinder als gevolg van het extra wegverkeer is echter dusdanig gering, dat dit geen verslechtering van het aanvaardbaar woon- en leefklimaat tot gevolg heeft. Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en staat niet aan de uitvoerbaarheid van dit plan in de weg. Daarmee blijft een goed dan wel aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.

4.8

Luchtkwaliteit

Algemeen

Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen. Voor projecten die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer geeft aan wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is.

Het bevoegde bestuursorgaan moet dan aannemelijk maken, dat het project aan 1 of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet: een project is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen; een project draagt alleen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; er is geen sprake van een feítelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. De Wet milieubeheer (Wm) geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM 10 en PM2,5). Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient getoetst te worden of de

24 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

ontwikkeling ervoor zorgt dat grenswaarden worden overschreden. Deze grenswaarden liggen voor zowel NO2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3. Toetsing

De functiewijziging heeft slechts een zeer beperkte verkeersaantrekkende werking; enkel het dagelijks aanen afrijden van de vijf medewerkers en het aan- en afrijden van de vier bedrijfswagens leidt tot extra verkeersbewegingen. De berekening is gebaseerd op 5 werkdagen. Zie afbeelding 4.4 voor een worst-case berekening aan de hand van de NIBM-tool.

Afbeelding 4.4 Uitkomst worst-case berekening NIBM-tool

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2022

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

100

Aandeel vrachtverkeer

Wo

N02 in gg/m3

0,12

PM10 in gg/m3

0,02

Maximale bijdrage extra verkeer

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in gg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Het voorgenomen plan draagt dan ook niet in betekende mate bij aan luchtverontreiniging. Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Verkeer en parkeren

Algemeen

Het bevoegd gezag is verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' op grond van artikel 3.1 Wro. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet het bevoegd gezag de diverse belangen voor de lokale situatie dus onderling afwegen. In dat kader dient ook eventuele verkeersaantrekkende werking en parkeeroverlast betrokken te worden. Toetsing

In de toekomst worden door het vestigen van het verhuisbedrijf meer voertuigbewegingen verwacht van en naar de Randweg 9 te Emmeloord. Het op- en aanrijden van de bedrijfswagens en de verkeersbewegingen van de medewerkers zijn daar de oorzaak van. Het verhuisbedrijf heeft 5 medewerkers die elke werkdag eenmalig op- en aanrijden. De bedrijfswagens (twee bestelbusjes en twee verhuiswagens) rijden gemiddeld genomen ook één keer per dag op en aan. Gezien de beperkte toename van de hoeveelheid verkeer is er geen aanleiding om voor de directe omgeving verkeersproblemen te verwachten. Met betrekking tot het parkeren zijn geen gevolgen voor de omgeving te verwachten, aangezien de bedrijfswagens op eigen terrein geparkeerd worden.

25 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren levert geen belemmering op ten aanzien van de voorgenomen plan.

4.10

Cultuurhistorie en landschap

4.10.1 Cultuurhistorie Algemeen

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht om in een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de manier waarop er rekening is gehouden met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden (gebouwd erfgoed, cultuurlandschap en archeologie). Hierbij gaat het om zowel beschermde objecten en structuren, als niet beschermde objecten als structuren. De bescherming van archeologisch en cultureel erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het op een projectlocatie aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Dit houdt in dat bescherming moet worden geboden aan de aanwezige Rijksmonumenten, provinciale en gemeentelijke monumenten. Met als doel cultuurhistorische belangen te laten meewegen in de ruimtelijke ordening is per 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Toetsing

Op of in de directe nabijheid van het plangebied zijn geen monumenten of andere cultuurhistorische waarden aanwezig zijn. Het plan voorziet niet in het wijzigen of aantasten van monumenten. Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.10.2 Landschap Algemeen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet in de planvorming rekening worden gehouden met het aspect landschap. Hierbij gaat het onder andere om kenmerkende ruimtelijke patronen/structuren, karakteristieke beplantingsvormen en gebruikte soorten, de ruimtelijke opbouw van bebouwing in een gebied en de natuurwaarden in de omgeving. Toetsing

In het kader van de landschappelijke inpassing wordt opgemerkt dat de volwaardige erfsingel rond het perceel in stand wordt gelaten. Een tekening van de erfsingel is bijgevoegd in bijlage I van deze toelichting. In artikel 3.3 van de planregels van het bestemmingsplan is het behoud van de erfsingel geborgd. Conclusie

Het aspect landschap vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11

Externe veiligheid

Algemeen

Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico's met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongewoon voorval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met het beheersen van de hieraan verbonden risico's voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Daarnaast horen bij externe veiligheid de risico's volgend uit het in werking hebben van windturbines en luchthavens.

26 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

Het Nederlandse externe veiligheidsbeleid is gericht op de bescherming van individuen die zich bevinden in beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten1. Deze twee soorten (kwetsbare) objecten worden ook wel de risico-ontvangers genoemd. In het kader van het vaststellen van nieuwe ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan moet worden getoetst of het realiseren van het plan een onacceptabel externe veiligheidsrisico oplevert. Bij de toetsing moet gekeken worden naar twee soorten risico's, plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon, die zich gedurende een jaar onafgebroken en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 1 O6 (1 op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze contour mogen in ieder geval geen kwetsbare objecten (onder andere scholen, gebouwen waar zich veel mensen bevinden en gebouwen waar zich minder zelfredzame personen kunnen bevinden) aanwezig zijn of geprojecteerd worden. Het groepsrisico is de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Toetsing

De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot de realisatie van een nieuwe risicobron in het plangebied en vormt daarmee ten aanzien van externe veiligheid geen nieuw risico voor de omgeving. Daarom wordt alleen onderzocht in hoeverre omliggende risicobronnen invloed hebben op de voorgenomen functiewijziging. Op de onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de Signaleringskaart (geraadpleegd op 14 september 2022). Hieruit blijkt dat aan de noordzijde en de zuidzijde van het plangebied aardgasleidingen liggen. Uit de Signaleringskaart blijkt daarnaast dat op het plangebied een inrichting is gesitueerd, niet zijnde een BEVI of BRZO inrichting, waar propaan wordt opgeslagen. Deze inrichting is niet meer aanwezig. De milieuvergunning voor deze inrichting wordt ingetrokken wanneer het verhuisbedrijf zich vestigt op de planlocatie. Een nadere toetsing aan de risicocontouren van deze inrichting is daarom niet noodzakelijk.

1

In artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen is de definitie opgenomen van kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten.

27 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

Afbeelding 4.5 Uitsnede Signaleringskaart (terreingrens komt overeen met het plangebied)

I m ammonia» ļ 0 opslag i « •mpl»c*ro«nt

i !

m defensie e wjui*»#rt e nuclear

e Overig iĩerremgreruen (freeze) PR10-G en veiligheidszones (freeze)

rj

[Buisleidmgen RRGS 100S leuelzone (indicatief) aardgas

rj

IS letaalzone (indicatief) aardgas

D

Plaatsgebonden risico De plaatsgebonden risicocontouren van de gasleidingen liggen niet in het plangebied en leiden daarom niet tot een belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Groepsrisico Beide gasleidingen hebben een 100 %-letaliteitsgrens en een 1 %-letaliteitsgrens. De 100 96- of 1 96letaliteitsgrens is de grens waarbinnen, in geval van een ongeval, 100 96 respectievelijk 1 96 van de in het invloedsgebied aanwezige onbeschermde personen komt te overlijden. Het plangebied ligt zowel binnen de 100 96- als de 1 96 letaliteitszone van beide gasleidingen. Ingevolge artikel 12 lid 3 sub b Bevb is een verantwoording van het groepsrisico niet nodig, indien de toename van het groepsrisico niet hoger is dan een bij regeling van Onze Minister gestelde waarde. Ingevolge artikel 8 lid 2 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is deze waarde 'een toename van het groepsrisico van minder dan 10 96'. Met voorliggend bestemmingsplan worden geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten toegestaan. De binnen het plangebied aanwezige bedrijfswoning blijft in gebruik als bedrijfswoning. Gelet op de aard van het bedrijf zullen naar verwachting geen medewerkers langdurig op de locatie aanwezig zijn. Er is daarom geen sprake van een verandering in het groepsrisico. Het groepsrisico is reeds afgewogen in het vigerende bestemmingsplan. Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

28 | 35

Witteveen + Bos | 128786/23-000.161 | Definitief 02

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. Achtereenvolgens wordt ingegaan op de algemene opzet van de planregels en een toelichting op de regels (onder andere bestemmingsregels).

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan?

Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder, et cetera) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1 de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren; 2 de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning tot bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken' (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt: 1 het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen). En een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: 1 het bebouwen van de gronden; 2 het verrichten van werken (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.

Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2015/documents/33633