CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

4.0 Beleidsinput tbv formatie

Gemeenteraad 17 juni 2026, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 4: Verantwoording (in)formatie coalitie en college28.183 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

20 alinea's met “economie”: 49 127 128 129 130 131 134 139 177 223 224 236 237 240 280 359 403 404 405 406

0

INPUT BELEIDSINFORMATIE ten behoeve van

COALITIEONDERHANDELINGEN 2026

APRIL 2026 0

INLEIDING Dit document bevat informatie over de belangrijkste opgaven waar de gemeente Noordoostpolder momenteel aan werkt. Het is een overzicht vanuit beleidsclusters van de stand van zaken medio maart 20026. Dit document en de hierin opgenomen informatie is bedoeld als achtergrondinformatie ten behoeve van de coalitieonderhandelingen. Het is een niet onuitputtelijk overzicht en is alleen bedoeld ter ondersteuning bij het formuleren van de ambities en prioriteiten van een nieuwe coalitie. De indeling die gevolgd is past bij de door de gemeenteraad vastgestelde beleidsprogramma’s en pijlers van klimaat en energie, samen & gezond, leefbaarheid en wonen, aangevuld met onderwerpen die passen bij het programma bestuur en dienstverlening zoals gehanteerd in de huidige programmabegroting 2026-2029 en bedrijfsvoering. Per onderdeel wordt een beknopte inleiding gegeven. Dan wordt ingegaan op wat er speelt, wat vastligt en welke keuzes en mogelijkheden er beleidsmatig onderscheiden worden. Er is geen apart hoofdstuk opgenomen over de gemeentelijke over financiën. Informatie hierover is op 23 maart met de gemeenteraad gedeeld met de presentatie ‘Financiële staat gemeente Noordoostpolder in relatie tot de uitdagingen voor de komende jaren’. Daar is ook een beeld geschetst van nog te verwachten informatie over het gemeentefonds en de Algemene Uitkering.

De komende periode zal op basis van de nieuw ontvangen informatie telkens een nieuwe financiële startsituatie voor de op te stellen begroting 2027-2030 verstrekt worden aan het bestuur en de onderhandelaars.

1

INHOUDSOPGAVE Inleiding ..............................................................................................................................1 Inhoudsopgave ....................................................................................................................2 1.

klimaat & energie, landelijk gebied en voedsel ...............................................................3

2.

klimaat & energie, klimaatadaptatie en biodiversiteit .....................................................8

3.

klimaat & energietransitie en duurzame mobiliteit ....................................................... 13

4.

klimaat & energie, circulair en verantwoord gebruik van materialen en grondsto en ..... 20

5.

samen & gezond, bestaanszekerheid .......................................................................... 24

6.

samen & gezond, gezond samenleven......................................................................... 29

7.

samen & gezond, kansengelijkheid ............................................................................. 36

8.

leefbaarheid & wonen, ondernemerschap en bereikbaarheid ...................................... 43

9.

leefbaarheid & wonen, inclusieve en toekomstige woningvoorraad .............................. 48

10.

leefbaarheid & wonen, (maatschappelijke) voorzieningen ........................................ 52

11.

omgevingswet ........................................................................................................ 56

12.

opvang oekraÏners .................................................................................................. 60

13.

veiligheid ............................................................................................................... 62

14.

handhaving ............................................................................................................ 68

15.

regionale samenwerkingsverbanden ....................................................................... 70

16.

dienstverlening ...................................................................................................... 72

17.

inwoners- en overheidsparticipatie ......................................................................... 74

18.

bedrijfsvoering en informatiemanagement .............................................................. 75

19.

bedrijfsvoering en organisatie ................................................................................. 78

Bijlage, overzicht samenwerkingsverbanden ....................................................................... 81 bijlage, brede welvaart ....................................................................................................... 84

2

1. KLIMAAT & ENERGIE, LANDELIJK GEBIED EN VOEDSEL Inleiding Ons landelijk gebied is vitaal en vruchtbaar. Samen met de agrarische ondernemers werken we aan een toekomstbestendige landbouw met aandacht voor natuur, klimaat en een gezonde leefomgeving. We werken water- en bodemsturend. We verbeteren, beschermen en versterken het unieke landschap en de natuurgebieden van de Noordoostpolder.

Wat speelt er rond dit onderwerp Ontwikkelingen in het landelijk gebied vragen om een visie en keuzes. In het programmaplan Klimaat en Energie zijn drie strategische doelen beschreven voor het landelijk gebied.  Toekomstbestendige landbouw  Water en bodem worden sturend bij Ruimtelijke Ontwikkelingen  Landschap en natuur beschermen Om dit verder te brengen wordt een ambitiedocument “vruchtbaar en vitaal landelijk gebied” opgesteld in 2026 waarin ook korte termijn en middellange termijn doelen vastgesteld worden door de gemeenteraad. Dit om richting te geven aan de keuzes die gemaakt moeten worden ten aanzien van de mogelijke oplossingen voor de opgaven die er liggen in het landelijk gebied. In het document wordt ook de ruimtelijke doorwerking van de keuzes die voorliggen binnen de opgaven in het landelijk gebied opgenomen. Ook dient het document als kapstok voor de strategische doelen uit de beleidsprogramma's. Hiervoor moet onderzoek worden gedaan naar de volgende punten:  Koppositie van de landbouw in de Noordoostpolder behouden;  De behoefte van voedsel beleid;  De rol van het landelijk gebied in de circulaire economie;  Zoetwaterberging en waterzuivering om waterschaarste tegen te gaan;  De rol van de gemeente t.a.v.

bodemverbetering;  De behoefte voor beleid op ondergrondse systemen;  De rol van het landelijk gebied in relatie tot Toerisme & Recreatie;  Mogelijkheden voor passende gebiedsfondsen.

Wat ligt vast en waarom De volgende nationale beleidsstukken richten zich gezamenlijk op de transitie naar een toekomstbestendig landelijk gebied waarin landbouw, natuur, water en klimaat in balans worden gebracht:  Het Klimaatakkoord Nederland vormt hierin een belangrijke basis. Met Landbouw en landgebruik klimaatneutraal in 2050 (Klimaatakkoord NL) wordt gestuurd op het drastisch verminderen van broeikasgasemissies in het landelijk gebied. Dit wordt ondersteund door het stimuleren van Duurzame kringlooplandbouw en koolstofvastlegging (Klimaatakkoord NL), waarin bodemverbetering, gesloten kringlopen en CO₂-opslag centraal staan. Tegelijkertijd wordt innovatie aangejaagd via Innovaties en investeringen in duurzame en 3

emissiearme technologieën (Klimaatakkoord NL), gericht op modernisering van de agrarische sector en het beperken van emissies naar bodem, lucht en water. Als onderdeel van dit klimaatakkoord is de Landelijke Bossenstrategie vastgesteld, met als doel een uitbreiding van het bosareaal met 10% in 2030, wat bijdraagt aan CO₂-vastlegging, biodiversiteit en landschappelijke kwaliteit. Deze uitbreiding raakt direct het landelijk gebied door extra ruimte voor natuur, mengvormen met landbouw en versterking van groene structuren. Het Nationaal Deltaprogramma richt zich op een klimaatbestendige en water robuuste inrichting van Nederland. Voor het landelijk gebied betekent dit het voorkomen van wateroverlast en droogte, voldoende zoetwaterbeschikbaarheid en het aanpassen van landbouw- en natuurgebieden aan veranderende weersomstandigheden. Hiermee ondersteunt het programma zowel de veiligheid als de duurzaamheid van het landelijk gebied. Tot slot benadrukt de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) met Natuur en landbouw verweven: groenblauwe dooradering van het landelijk gebied het belang van een fijnmazig netwerk van natuur en waterstructuren. Deze dooradering verbetert biodiversiteit, waterbeheer en de kwaliteit van het landschap, en stimuleert integratie tussen landbouw en natuur.

De volgende regionale en provinciale beleidsstukken voor het landelijk gebied vormen samen een bestuurlijke en inhoudelijke basis om landbouw, natuur, water en bodem in samenhang te verbeteren.  Het Ambitiedocument Landelijk Gebied Flevoland geeft hierbij de richting: een toekomstbestendig landelijk gebied waarin landbouw duurzaam kan produceren, natuurkwaliteit wordt versterkt en het landschap zich kan aanpassen aan klimaatverandering. Het document schetst de opgaven en gewenste transities voor de lange termijn.  Het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied Flevoland vertaalt deze ambities naar concrete acties, projecten en samenwerkingsvormen. Het doel is om met gebiedsgerichte maatregelen bodemkwaliteit, biodiversiteit, waterbeheer en de vitaliteit van het agrarisch landschap stapsgewijs te verbeteren.  De Intentieverklaring bestuurlijke samenwerking legt de basis voor een gezamenlijke aanpak tussen provincie, gemeenten, waterschappen en andere partijen. Het doel hiervan is om integrale keuzes te kunnen maken in het landelijk gebied, versnippering tegen te gaan en samenhang te brengen in investeringen en maatregelen.  Binnen het Gebiedsproces Oostrand (gemeente Noordoostpolder) werken overheden en gebiedspartners aan een gezamenlijke agenda om lokale opgaven op het gebied van landbouw, landschap, natuur en recreatie te verbinden.

Dit proces zorgt ervoor dat regionale belangen en toekomstplannen op elkaar worden afgestemd.  Het Gebiedsproces Bodemdaling (samenwerkingsovereenkomst) richt zich op het beperken van de gevolgen van bodemdaling voor landbouw, infrastructuur en waterbeheer. Hiermee wordt toegewerkt naar een robuuster bodem- en watersysteem dat de toekomstbestendigheid van het landelijk gebied ondersteunt. 4

Tot slot richt het Ontwikkelen van een regionale sponsstrategie zich op het versterken van het waterbergend vermogen van het landschap. Door water langer vast te houden, wordt gewerkt aan vermindering van droogte, betere waterkwaliteit en een veerkrachtiger bodemen watersysteem.

Adequaat waterbeleid is een hoge prioriteit. De beschikbaarheid van voldoende zoet (drink)water in Noordoostpolder is in het geding. Dit raakt onze inwoners, ondernemers en agrariërs. Ook de drinkwatervoorziening staat onder druk. Vitens heeft de maximale leveringscapaciteit bereikt, waardoor nieuwe grootzakelijke aansluitingen worden geweigerd en woningbouw risico loopt. Om continuïteit te waarborgen, is 20% besparing in 2035 nodig via circulair hergebruik van proceswater en toepassing van regenwater voor laagwaardig gebruik. We werken binnen de gemeente Noordoostpolder richting een ‘ambitiedocument Landelijk Gebied’ waarin alle bovenliggende beleidstukken landen en de verschillende beleidsvelden integraal afgewogen worden. Veel beleid heeft namelijk impact op het landelijk gebied. Dit vraagt om een scherpe afweging want er zijn opgaven die elkaar zullen raken. Beleidsstukken die meegenomen worden in het ambitiedocument landelijk gebied zijn:  Visie op recreatie en toerisme  Mobiliteitsvisie  Ontwikkelstrategie werklocaties  Ontwikkelperspectief Noordoostpolder 2025-2035  Klimaatadaptatievisie  Beleidsplan erfgoed

Waar liggen keuzes voor Afhankelijk van de ambities en prioriteiten van de coalitie zijn dit onderwerpen waarin richting gekozen kan worden: 1. Waterbeleid. (Regie bij Waterschappen, Rijkswaterstaat en Vitens)  Inzet op profileren van poldersloten voor waterbu ering Afwegen in welke mate wordt ingezet op het verbeteren van de poldersloten om zowel water te kunnen bu eren als vlotte ontwatering te behouden, gezien de toenemende druk op de zoetwatervoorziening in de Noordoostpolder.  Versterken van waterbergend vermogen in het landschap Bepalen of actief wordt gestuurd op maatregelen die het landschap meer water laten vasthouden en of toekomstige keuzes op dit principe worden gebaseerd, met aandacht voor e ecten op landbouw, natuur en bebouwing.  Peildi erentiatie toepassen waar mogelijk Richting kiezen of peildi erentiatie wordt gestimuleerd in gebieden waar dit veilig en e ectief kan, om beter in te spelen op droogte, verzilting en verschillen in bodemgebruik.  Reguleren van het gebruik van ondergrondse waterbronnen Bepalen hoe wordt omgegaan met ondergrondse onttrekkingen: ongelimiteerd boren 5

2. 

3. 

4.

5.

toestaan of juist reguleren om schaarste en risico’s voor drinkwatervoorziening, landbouw en natuur te beperken. Stimuleren van circulair gebruik van proceswater Overwegen of circulair proceswatergebruik actief wordt gestimuleerd om de benodigde 20% besparing in 2035 te realiseren, bijvoorbeeld door inzet bij agrariërs, industrie en gemeentelijke voorzieningen. Keuzes bij overbelasting van het afvalwatersysteem Afwegen tussen bronmaatregelen — zoals verdere stimulering van afkoppelen — of investeren in end-of-pipe oplossingen, zoals uitbreiding van riolering, gemalen en de zuiveringsinstallatie in Tollebeek, rekening houdend met de leeftijd van het leidingstelsel en de beperkte capaciteit van de AWZI. We kunnen alles bij het Waterschap en de Provincie neerleggen, maar wat kunnen en willen we zelf als gemeente in dit vraagstuk. De vraag is of we op dit dossier als overheden samen willen werken. Onze rol als gemeente kan ook zijn om te lobbyen voor onze inwoners en bedrijven bij de andere overheden. Beleid bodemgebruik (Regie bij Provincie/RVB/Rijk) Rol van de gemeente in toekomstgericht bodembeheer Afwegen of een meer proactieve rol wordt genomen in bodembeleid — gericht op het mitigeren van bodemdaling, verzilting, bodemuitputting en verminderde waterkwaliteit — of dat de huidige, meer faciliterende en responsieve rol wordt voortgezet binnen provinciale en Rijkskaders.

Sturing op ondergrondse initiatieven en meervoudig bodemgebruik Bepalen in welke mate wordt ingezet op beleid voor de ondergrond, bijvoorbeeld rond waterberging, energieopwekking en ondergrondse infrastructuur, zodat de gemeente tijdig positie kan innemen en sturing kan houden tijdens de komende coalitieperiode. Gebiedsproces Bodemdaling (Regie mede bij Provincie/Waterschap/RVB) Toekomstige inrichting van gebieden met bodemdaling Afwegen welke bestuurlijke keuzes nodig zijn voor gebieden waar bodemdaling doorzet en hoogwaardige landbouw op termijn niet meer haalbaar is, terwijl technische maatregelen worden ontwikkeld om bodemdaling te remmen. Toekomst van de groenstrategie in relatie tot polder-DNA Afwegen in welke mate het huidige open polderlandschap past bij toekomstige groen- en blauwe opgaven, zoals klimaatadaptatie en ecologische versterking. Bepalen of wordt vastgehouden aan zichtlijnen en openheid, of dat ecologische structuren en klimaatadaptieve inrichting zwaarder gaan wegen als middel om bijvoorbeeld het gebruik van bestrijdingsmiddelen te verminderen. Prioriteit voor erfsingels binnen ruimtelijke kwaliteit Richting kiezen in de aandacht en handhaving voor erfsingels, inclusief maatregelen om excessen te voorkomen en eerdere aanplant verplicht te stellen bij grotere bedrijven als onderdeel van de droge dooradering.

Bepalen of bij uitbreidingen standaard wordt uitgegaan van aanleg van erfsingels op de maximale contour (150 × 200 meter).

6

6. Geschiktheid van Noordoostpolder voor uitbreiding bosareaal Afwegen of uitbreiding van bosareaal wenselijk is binnen de gemeente en bepalen in welke gebieden bosuitbreiding het meest bijdraagt aan CO₂-vastlegging, biodiversiteit en landschap. 7. Kaders voor agroforestry op landbouwgronden Richting kiezen voor de mate waarin agroforestry wordt gereguleerd en bepalen op welke locaties ruimte wordt geboden of beperkt, in samenwerking met de provincie. 8. Beschermen van agrarische ondernemers en landbouwstructuur Bepalen of beschermde landbouwgebieden worden aangewezen waarin ondernemers binnen kaders maximale ruimte krijgen om te ondernemen. Afwegen of actief wordt ingezet op nieuwe grootschalige praktijkonderzoekslocaties om de transitie naar toekomstbestendige landbouw te versnellen. 9. Kiezen tussen woningbouw en voorzorg bij spuitzonering Beslissen welk speerpunt prioriteit krijgt wanneer landelijk beleid uitblijft: ruimte voor woningbouw of het voorzorgs- en gezondheidsprincipe bij spuitzonering. 10. Koers bepalen voor ervenbeleid en VAB-aanpak Richting kiezen of het beleid wordt gevolgd zoals nu onder provinciale regie, of dat een eigen gemeentelijke koers wordt ingezet, rekening houdend met directe koppelingen tussen spuitzonering, ervenbeleid en leefbaarheid. 11.

Aanpak van buitenwegen, in- en uitritten en bermen Afwegen of routes met veel zwaar landbouwverkeer worden verbreed om veiligheid te vergroten, of dat daarvan wordt afgezien vanwege de forse investeringen voor een beperkte doelgroep. 12. Inrichten van een gebiedsfonds voor ruimtelijke kwaliteit Beslissen of wordt ingezet op een gebiedsfonds waarmee financiële bijdragen van initiatiefnemers worden gebruikt om ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke kernwaarden in het buitengebied te versterken, in samenhang met keuzes over ervenbeleid.

7

2. KLIMAAT & ENERGIE, KLIMAATADAPTATIE EN BIODIVERSITEIT Inleiding We streven naar een samenleving en leefomgeving die volledig klimaatbestendig en waterrobuust zijn. Onze buitenruimte wordt ingericht als een veerkrachtige en leefbare omgeving, waarin we voorbereid zijn op de gevolgen van klimaatverandering. We werken toe naar een situatie waarin hitte, droogte en wateroverlast geen structurele schade veroorzaken en waarin gezondheidsrisico’s worden beperkt. Daarnaast zetten we in op een soortenrijk en groen landschap. We behouden en versterken de biodiversiteit en zorgen voor een weerbaar ecosysteem dat bijdraagt aan het voorkomen van de verspreiding van ziekten en plagen. Hiermee versterken we de samenhang tussen natuur, gezondheid en leefkwaliteit.

Wat speelt er rond dit onderwerp In de Klimaatadaptatievisie (september 2023) worden op het gebied van Klimaatadaptatie en Biodiversiteit een aantal opgaves benoemd. Deze opgaves worden in het programmaplan Klimaat en Energie bekrachtigd. 1. We zorgen voor een warmtewerende inrichting van onze kernen. Onze inwoners, werkgevers en werknemers weten hoe zij gezond kunnen blijven tijdens perioden van hitte. 2. We houden een goede balans tussen waterkwaliteit en kwantiteit. Onze inwoners en ondernemers weten wat zij kunnen doen om hemelwater op eigen terrein vast te houden en zo mogelijk te benutten. 3. We zorgen dat ook tijdens extreme weersomstandigheden vitale en kwetsbare functies beschikbaar blijven. 4. We behouden een weerbaar ecosysteem en voorkomen de verspreiding van ziektes en plagen. We zetten in op de meer verbindingen tussen natuurgebieden en meer variatie in bestaand (openbaar) groen. Uitgangspunten uit de klimaatadaptatievisie:  We geven zelf het goede voorbeeld.  We betrekken elke doelgroep.  We ontwerpen Klimaatbestendige nieuwbouw.  We streven naar maatwerk in bestaande situaties.  We streven naar een groene en biodiverse leefomgeving.  We werken aan een groenblauwe dooradering.

In 2026 stelt de gemeente een ‘uitvoeringsagenda voor klimaatadaptatie’ op met concrete acties om de doelen uit de klimaatadaptatievisie en het programmaplan Klimaat en Energie te realiseren; deze agenda is gebaseerd op stresstesten, die in kaart brengen hoe kwetsbaar de buitenruimte in de Noordoostpolder is voor hitte, droogte, wateroverlast en overstromingen, en 8

op risicodialogen, waarin inwoners, organisaties en andere betrokkenen samen met de gemeente bespreken welke risico’s acceptabel zijn en waar maatregelen nodig zijn om schade en overlast te beperken. De impulsgelden van het DPRA zijn rijksmiddelen uit de ‘Impulsregeling Klimaatadaptatie’ waarmee wij als gemeente maatregelen tegen wateroverlast, droogte en overstromingsrisico’s versneld kunnen uitvoeren. Deze gelden worden op dit moment actief ingezet, via de DPRA-werkregio, om projecten zoals vergroening, waterberging, infiltratie en andere klimaatadaptieve ingrepen te realiseren of uit te breiden. Daarmee versterken we de lokale leefomgeving en versnellen we de uitvoering doordat de rijksbijdrage fungeert als cofinanciering. De gemeente Noordoostpolder beschikt voor de stimuleringsregeling klimaatadaptatie in 2026, 2027 en 2028 over een totaalbudget van € 53.662, bestaande uit een eigen bijdrage van € 30.000, aanvullende middelen van € 7.000 en een Rijksbijdrage van € 16.662 (3 × € 5.554). Hierdoor geeft de gemeente met een klein budget toch ondersteuning aan particuliere klimaatmaatregelen. In het Beleidsplan Openbare Ruimte (BOR) worden kaders gegeven voor de openbare ruimte ten aanzien van klimaatadaptatie en biodiversiteit.

Wat ligt vast en waarom Mondiaal en landelijk zijn er verordeningen en zijn er beleidskaders opgesteld omdat natuur, water en klimaat onder druk staan en overheden deze willen herstellen, beschermen en toekomstbestendig maken.  De Natuurherstelverordening moet achteruitgaande ecosystemen in Europa versterken.  De richtlijn stedelijk afvalwater zorgt voor schoner water en betere bescherming van volksgezondheid en natuur.  De Kaderrichtlijn Water verplicht landen schoon en gezond water te realiseren.  Het Klimaatakkoord legt afspraken vast om de uitstoot te verminderen en klimaatverandering te beperken.  Het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie helpt Nederland zich aan te passen aan extremere weersomstandigheden.  De Kamerbrief Water & Bodem sturend maakt water en bodem leidend in ruimtelijke keuzes om toekomstige problemen te voorkomen. E  Het Deltaplan Biodiversiteitsherstel stimuleert brede samenwerking om biodiversiteitsverlies om te buigen naar herstel. Ook regionaal is er het nodige vastgelegd of in voorbereiding.  De Regionale Adaptatiestrategie Flevoland beschrijft hoe de provincie zich voorbereidt op toenemende klimaate ecten zoals hitte, droogte, wateroverlast en risico’s voor waterveiligheid.

Overheden in Flevoland werken samen binnen Klimaatadaptief Flevoland (KAF) aan een klimaatbestendig en waterrobuust Flevoland richting 2050, waarbij de strategie dient als basis voor verdere uitwerking en toekomstig provinciaal beleid.  Het Provinciaal Actieplan Biodiversiteit Flevoland richt zich op het herstellen en versterken van biodiversiteit vóór 2030 door steden, dorpen, landbouwgebieden en 9

natuurgebieden beter met elkaar te verbinden via de zogenoemde Groene Draad. De provincie zet in op natuurinclusieve landbouw, ecologisch beheer van bermen en oevers, vergroening van tuinen en nauwe samenwerking met gemeenten, bewoners en natuurorganisaties om de natuur robuuster en beter verbonden te maken. De Regionale Sponsstrategie Regio Zwolle (stroomgebied Flevoland) (in ontwikkeling) ontwikkelt een integrale aanpak om water langer vast te houden, te vertragen en te bergen om beter om te gaan met extreme droogte, hevige regenval en wisselende waterstanden. In samenwerking met provincies, waterschappen en gemeenten worden per stroomgebied analyses en maatregelen opgesteld om het watersysteem klimaatrobuust te maken en toekomstige verstedelijking verantwoord vorm te geven.

Lokaal zijn er een aantal beleidsstukken vastgesteld die elkaar aanvullen en gezamenlijk richting geven aan de doelen die gesteld zijn op klimaatadaptatie en biodiversiteit:  De Omgevingsvisie biedt een visie richting 2050 waarin ook klimaatadaptatie en biodiversiteit wezenlijke onderdelen zijn;  Het Programmaplan Klimaat & Energie concretiseert deze thema's in ambities via programmalijnen voor zowel een veerkrachtige en leefbare omgeving, als een soortenrijk én groene buitenruimte;  De Visie Klimaatadaptatie vormt de inhoudelijke basis om toe te werken naar een klimaatbestendige en waterrobuuste Noordoostpolder in 2050, waarbij vergroening en het versterken van ecosystemen expliciet als richting worden gegeven;  Het Beleidsplan Openbare Ruimte (BOR) vertaalt de doelen naar de dagelijkse inrichting, het beheer en de kwaliteitsambities van de fysieke leefomgeving, met nadruk op multifunctioneel groen en klimaatadaptieve maatregelen in alle gebiedstypen en  Het Watertakenplan ondersteunt dit geheel met integraal waterbeheer, stresstesten en adaptieve maatregelen tegen wateroverlast, droogte en hitte, waarbij water- en bodemsystemen richtinggevend zijn.

Waar liggen keuzes voor Afhankelijk van de ambities en prioriteiten van de coalitie zijn dit onderwerpen waarin richting gekozen kan worden: 1. Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie In september 2023 is de klimaatadaptatievisie door de raad vastgesteld. In 2026 wordt een uitvoeringsagenda voor klimaatadaptatie opgesteld. De afweging is om de middelen nu al te reserveren om direct te starten met de uitvoeringsagenda klimaatadaptatie, of dat wordt gewacht totdat de kaders definitief zijn vastgesteld, inclusief de keuze om dit structureel in het uitvoeringsbudget op te nemen. 2. Waterberging en vergroening op particulier terrein In de Omgevingsvisie is vastgelegd dat we gaan werken aan een klimaatbestendige leefomgeving. In het BOR hebben we hiervoor de ambities vastgelegd voor de openbare ruimte. Waterschap Zuiderzeeland is bezig met het actualiseren van de beleidsregel voor compensatie 10

bij toename van verhard oppervlak en versnelde afvoer. Door klimaatverandering neemt de noodzaak toe om extra ruimte te reserveren voor waterbergingsvoorzieningen.  Vormgeven van inzet richting inwoners en ondernemers Bepalen of waterberging en vergroening worden gestimuleerd via informeren, subsidiëren of reguleren, passend bij de groeiende opgaven door klimaatverandering en de wens om particuliere gronden beter te benutten.  Organiseren van structurele stimuleringsmiddelen Overwegen of structureel budget wordt vrijgemaakt om particulieren en ondernemers actief te ondersteunen naast de bestaande stimuleringsregeling klimaatadaptatie. 3. Hittestress In de Omgevingsvisie is vastgelegd dat we gaan werken aan een klimaatbestendige leefomgeving. In het BOR hebben we hiervoor de ambities vastgelegd voor de openbare ruimte. Als vervolg op de vastgelegde ambities stellen we een Hitteplan op. 

Prioriteit geven aan groen ten opzichte van andere opgaven Afwegen of passieve koeling door bomen en groen prioriteit krijgt boven andere ruimtelijke functies, zoals parkeren, bij inrichting, onderhoud en vernieuwing van de openbare ruimte. Prioriteit geven aan het opstellen van een Hitteplan Bepalen of het Hitteplan met voorrang wordt opgesteld, zodat de gemeente voorbereid is op langdurige hitteperioden; uitstel betekent dat tijdens extreme hitte nog geen concreet handelingsperspectief beschikbaar is.

4. Klimaat en biodiversiteit Uitvoeringsplan Groen – bepalen van tempo en ambitie binnen BOR en Vitaal Groen Vaststellen hoe de ambities uit het Beleidsplan Openbare Ruimte (BOR) worden vertaald naar een Uitvoeringsplan Groen, waarin maatregelen worden uitgewerkt voor klimaatadaptatie en biodiversiteit. Dit vindt plaats naast het meerjarige investeringsprogramma Vitaal Groen, dat gericht is op het op orde brengen van het bestaande groenareaal. 

BOR en grondexploitatie – bepalen ambitie Bepalen hoe de ambities uit het Beleidsplan Openbare Ruimte (zoals meer groen, ontmoeting, bewegen en waterberging) worden meegenomen in de grondexploitatie van nieuwe gebieden. Dit omvat de vraag in hoeverre hogere kwaliteit acceptabel is als dit leidt tot een minder gunstige (eventueel negatieve) grondexploitatie. Beleidskeuzes BOR met e ect op het beheerbudget Richting bepalen voor de omgang met bewonersinitiatieven inclusief het overnemen van beheer wanneer initiatiefnemers dit niet meer kunnen uitvoeren. Afwegen of Right to Challenge structureel wordt voortgezet. Vaststellen in hoeverre de gemeente kiest voor uitbreiding van het openbaar groen en voor ecologisch beheer, wetende dat dit leidt tot hogere onderhoudskosten. Dit raakt zowel extra m² groen (door BOR-ambities) als voorzieningen voor bewegen en ontmoeten. 11

Waar mogelijk benutten we subsidies. Kunnen bestaande subsidies worden ondersteund als daar cofinanciering gevraagd wordt? Motie Groen op Bedrijventerreinen (Motie 2026-01-25) – verdere vergroening van bedrijventerreinen Afwegen hoe actief de gemeente inzet op het vergroenen van bedrijventerreinen, naast het al gehanteerde principe van 10% groen op eigen terrein. Daarbij speelt mee in hoeverre ervaringen van het revitaliseringstraject en Werklandschappen van de Toekomst bruikbaar zijn op andere terreinen, die mogelijk andere behoeften en ondernemersprofielen hebben. Werklandschappen van de Toekomst – positie gemeente binnen financiering en samenwerking Bepalen welke financiële bijdrage de gemeente levert aan het programma Werklandschappen van de Toekomst, waarvoor Bedrijven voor Noordoostpolder (BVN) een provinciale bijdrage (via groeifonds) heeft ontvangen. Ook ondernemers worden geacht financieel bij te dragen. De vraag is of er ook een gemeentelijke bijdrage beschikbaar gesteld wordt. Motie Vergroenen Oevers van de Grachten (Motie 2025-09-25) – bepalen van ecologische ambitie voor de grachtzone Vaststellen hoe ambitieus de gemeente de vergroening van de grachtzones wil invullen, in lijn met de motie die inzet op meer ecologie, variatie en verbindingen langs de grachten. Een voorstel volgt dit jaar richting de raad.

Motie Vergroenen Centrum (Motie 2025-09-26) – mate van vergroening en financiële onderbouwing Richting bepalen voor de vergroening van het centrum, waarbij een voorstel inclusief financiële uitwerking wordt voorbereid. Het dilemma betreft de ruimtelijke ambitie versus de benodigde middelen. Groen-blauwe verbindingen – ontwikkeling van een samenhangend netwerk voor klimaatadaptatie en biodiversiteit o Bepalen in hoeverre een groen-blauw netwerk wordt ontwikkeld dat kernen, dorpsranden en recreatieve routes verbindt, gericht op waterberging, schaduw, biodiversiteit en een aantrekkelijk recreatief landschap. o Afwegen hoe deze netwerken kunnen worden verbonden met andere beleidsopgaven, zoals recreatie, mobiliteit of gebiedsontwikkeling, om meervoudige waarde te creëren. o Vaststellen hoe klimaatadaptieve maatregelen (bijv. beplanting, natuurlijke obstakels, inrichtingselementen) kunnen worden ingezet om ook verkeersveiligheid te bevorderen. o Bepalen of kunstwerken en cultuuruitingen strategisch kunnen worden verbonden met groen-blauwe structuren, bijvoorbeeld door integratie van beplanting of wateropvang. o Afwegen welke maatregelen worden ingezet om sportparken te vergroenen en te verkoelen, bijvoorbeeld via schaduw, wateropvang en bloemrijke randen.

Regionale ecologische structuur: Bepalen of en hoe de N50-corridor en Lelylijntracé infrastructuurlijnen kunnen dienen als dragende ecologische verbinding tussen natuurgebieden en kernen.

12

3. KLIMAAT & ENERGIETRANSITIE EN DUURZAME MOBILITEIT Inleiding Hoe ziet het energiesysteem van de toekomst eruit? In de uitwerking van de kernopgave 3 van de Omgevingsvisie staat het volgende opgenomen: ”Energie is een basisbehoefte maar in de toekomst niet vanzelfsprekend. Daarom houden we bij ruimtelijke en economische ontwikkelingen rekening met de energetische behoefte en opwek, netcongestie en schaarste van energie. We wekken alle benodigde energie zelf duurzaam op, waarbij lokaal gebruik en eigendom de norm is. Door conversie, opslag en slimme netwerken zorgen we dat de duurzaam gewonnen elektriciteit en warmte het hele jaar beschikbaar is voor inwoners en ondernemers.” Ambitiedocument Energietransitie pag. 11: In ons toekomstige energiesysteem is balans in een gebied en in de tijd belangrijk. Om deze balans tussen vraag en aanbod te krijgen, worden de opslag van energie en flexibel gebruik van energie belangrijk. Maar het bouwen van een nieuw energiesysteem is veel meer dan alleen een technisch vraagstuk. De energietransitie is ook een ruimtelijk, economisch, juridisch en sociaal vraagstuk. Het energiesysteem beïnvloedt ook de leefbaarheid in onze samenleving en is medebepalend voor de mate waarin we als samenleving weerbaar zijn.

Hoe robuuster onze energievoorziening hoe beter we in staat zijn onze inwoners en ondernemers toegang tot betrouwbare en betaalbare duurzame energie te bieden. Duurzame mobiliteit heeft, als het gaat om de verduurzaming van mobiliteit, een groot e ect op het toekomstige energiesysteem. Een groot deel van de vervoersmiddelen zal in de toekomst elektrisch worden. Dit zal e ect hebben op de ontwikkeling van het toekomstige energiesysteem.

Wat speelt er rond dit onderwerp Een systeemtransitie is een complex en dynamisch proces waar onverwachte dingen gebeuren, innovaties worden bedacht en nieuwe uitgangspunten worden toegepast. Het is van belang om ons als gemeentelijke overheid hier toe (blijvend) te verhouden. De problemen op het elektriciteitsnet (netcongestie) blijven minimaal de komende 5-10 jaar een knelpunt in de transitie naar een energiesysteem die voor een groot deel uitgaat van elektriciteit. We moeten echter vooruitkijken naar het energiesysteem van de toekomst. Daarom zijn er in het ambitiedocument Energietransitie die door de raad is vastgesteld een aantal leidende principes opgenomen die richting geven naar de toekomst.

13

Omgevingsprogramma Energietransitie De gemeente heeft vanuit de Klimaatwet de regierol op het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Er moeten keuzes gemaakt worden welke instrumenten we hiervoor in gaan zetten. Dit werken we op dit moment uit in een omgevingsprogramma Warmtetransitie, dat onderdeel is van het omgevingsprogramma Energietransitie. Vanuit het Klimaatakkoord zijn er gelden beschikbaar om in te zetten voor personele capaciteit (Capaciteit Decentrale Overheden voor Klimaat en Energie (CDOKE)). Deze worden voor een groot deel ingezet op de energietransitie. Voor een deel zijn er nog keuzes te maken waar deze gelden op in te zetten. Naast gelden voor personeel zijn er ook Specifieke Uitkeringen (SPUKS) voor de energietransitie, die ingezet worden. Te denken valt aan:  De subsidie voor Isolatie bij particulieren (SPUK LAI) en  De Energiearmoede (SPUK Energiearmoede). Voor deze laatste is er inzet geregeld in de vorm van de Energiebus die bij mensen thuiskomt om kleine energiebesparende maatregelen toe te passen en een eerste advies te geven. Voor het vervangen van witgoed bestaat de Witgoedredeling voor mensen met een kleine beurs. Energieplanologie In de Nota Ruimte wordt energie erkend als ruimtelijk sturend principe: Energie-infrastructuur, opwek van energie, opslag. Het vraagt allemaal om ruimte.

Daarnaast is de beschikbaarheid van voldoende elektriciteit en warmte op een locatie essentieel voor het slagen van een gebiedsontwikkeling. Via de Omgevingswet, Wet Collectieve Warmte en Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie kunnen we hier lokaal invulling aan geven.

Wat ligt vast en waarom In het programmaplan Klimaat & Energie is een overzicht gegeven van de context waarbinnen de opgaven staan in relatie tot mondiale, nationale en regionale afspraken. Naast domein specifieke ontwikkelingen, richtlijnen en wetgeving zijn specifiek voor de algemene (digitale) publieke dienstverlening de volgende kaders relevant en actueel en leiden tot inspanning om daaraan (blijvend) te voldoen: 14

Nationaal:  De nationale klimaatdoelen in de Klimaatwet zijn vastgelegd om duidelijkheid en richting te geven aan de aanpak van klimaatverandering. Ze vormen een wettelijk kader dat verplicht tot het geleidelijk verminderen van broeikasgasemissies en sluiten aan bij internationale afspraken, zoals het Klimaatakkoord van Parijs en de Europese klimaatwet.  De doelstellingen – 55% CO₂-reductie in 2030, aardgasvrije gebouwde omgeving in 2050 en 95% CO₂-reductie in 2050 – bieden langetermijnzekerheid voor investeringen, versterken de energietransitie en maken Nederland minder afhankelijk van fossiele brandsto en. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het realiseren van deze doelen via de warmtetransitie. Regionaal: Afspraken die we hebben gemaakt voor de Regionale Energiestrategie (RES) om invulling te geven aan grootschalige energieopwekking zijn grotendeels ingevuld in onze gemeente. Ten aanzien van netcongestie liggen er mogelijkheden om gebruik te maken van de experimenteerruimte die landelijk is het Rijk heeft toegekend aan de provincie Flevoland.

Lokaal Voor de thema’s energiesysteem, warmtetransitie en duurzame mobiliteit is in september 2025 een ambitiedocument Energietransitie vastgesteld met de volgende doorwerking van de leidende principes: Deze principes hebben we vastgesteld om praktische handvatten te geven om stappen te zetten die aansluiten bij de landelijke en lokale ambities in het energiesysteem, de warmtetransitie en duurzame mobiliteit.

In de laadvisie die is vastgesteld in maart 2025 staan de keuzes hoe wij als gemeente omgaan met de mogelijkheden voor het opladen van elektrische voertuigen. Om te zorgen dat laadinfrastructuur geen belemmering vormt voor de groei van elektrisch vervoer werken we aan een dekkend, toegankelijk, veilig en betrouwbaar netwerk van laadinfrastructuur. 15

Waar liggen keuzes voor Afhankelijk van de ambities en prioriteiten van de coalitie zijn dit onderwerpen waarin richting gekozen kan worden: Toewerken naar een decentraal energiesysteem 1. Versnelling netuitbreiding Vaststellen hoe de gemeente haar belangen en ruimtelijke randvoorwaarden inbrengt binnen landelijke en regionale netuitbreidingsprojecten, zoals de 380 kV-verbindingen Diemen–Ens en Vierverlaten–Ens (inclusief de uitbreiding van station Ens) en middenspanningsprojecten zoals Nulelie (Liander), met bijbehorende verzwaringen van de onderstations Emmeloord en Luttelgeest. Daarbij moet worden afgewogen in hoeverre strikte gemeentelijke voorwaarden gewenst zijn wanneer dit risico’s geeft op vertraging van cruciale ruimtelijke ontwikkelingen. 2. Energyhubs Bekijken hoe de gemeente bedrijven kan ondersteunen bij het ontwikkelen van Energyhubs via Groeps Transport Overeenkomsten (GTO’s), als middel om netcongestie te verminderen en stappen te zetten richting een decentraal energiesysteem. Daarbij hoort de keuze in welke mate de gemeente een initiatierol vervult en of een (eenmalige) opstartsubsidie wenselijk is om hubs in oprichting te faciliteren. 3. Inzetten op Energiegemeenschappen Bepalen hoe de gemeente particuliere samenwerking in energiegemeenschappen (zoals energiecoöperaties) ondersteunt als onderdeel van de overgang naar een decentraal energiesysteem.

Dit omvat de keuze of er een aanjager wordt ingezet die wijken, buurten en dorpen actief bezoekt om bewoners te informeren en te activeren, en in hoeverre de gemeente bestaande buurt-, wijk- en dorpsinitiatieven versterkt en faciliteert. 4. Uitvoeringsmiddelen voor pilots Afwegen op welke manier de gemeente pilots ondersteunt die gericht zijn op duurzame opwek, opslag, waterstof, warmte en duurzame mobiliteit, ter uitvoering van A M E N D E M E N T 2025-09-20b. De keuze betreft het bestendigen en koppelen van bestaande middelen uit het coalitieakkoord, het jaarlijks aanvullen op basis van behoefte, of het vrijmaken van geheel nieuwe middelen. 5. Netbewust bouwen en ontwikkelen Een keuze maken hoe het gemeentelijke ambitiedocument Energietransitie en de in ontwikkeling zijnde provinciale verordening voor netbewust ontwikkelen worden vertaald naar gemeentelijke projecten. Dit vraagt om een keuze tussen het consequent inzetten op netbewust ontwikkelen, wat leidt tot meer zekerheid over netcapaciteit op de langere termijn, of het prioriteren van betaalbare woningbouw op de kortere termijn 6. Gemeentelijk beleid energieopslagsystemen (EOS) Afwegen hoe de gemeente verdere invulling geeft aan energieopslagsystemen, bovenop het provinciale beleid dat in het eerste kwartaal van 2026 wordt vastgesteld.

Dit betreft de keuze of aanvullende gemeentelijke regelgeving wenselijk is, gericht op toepassingen in woonwijken en op bedrijventerreinen, en op het beter borgen van ruimtelijke impact en omgevingsveiligheid.

16

7. Windmolens bij dorpen en bedrijventerreinen Bepalen hoe de gemeente omgaat met de inzet van windenergie binnen toekomstige energiegebieden, mede in het licht van het RES-rapport dat in 2026 de mogelijkheden voor wind op en nabij bedrijventerreinen inzichtelijk maakt. Provinciaal beleid biedt hiervoor al ruimte. De vraag is op welke wijze het bestuur ruimte wil creëren voor windenergie en welke voorwaarden daarbij passend zijn. 8. Aflopen van SDE+ en vergunningen van windparken Vaststellen hoe de gemeente zich voorbereidt op het aflopen van vergunningen voor grootschalige windparken en het beëindigen van SDE+-subsidies en exploitatiecontracten binnen circa vijf jaar. Dit vraagt om richtinggevende keuzes over een toekomststrategie voor deze windparken én over de wijze waarop kansen voor lokaal mede-eigendom worden benut bij nieuwe afspraken of herontwikkeling. 9. Lokaal mede-eigendom Verder uitwerken hoe de gemeente lokaal eigendom verder vormgeeft, passend bij het streven uit de Omgevingsvisie en de in februari 2026 aangenomen verordening lokaal eigendom (met amendement). Daarbij hoort de keuze of de eerdergenoemde pilots voldoende ondersteuning bieden voor het stimuleren van lokaal eigendom, en welke concrete vormen van mede-eigendom in de komende vier jaar een plek krijgen binnen gemeentelijk beleid. Het aanjagen daarvan vraag extra middelen. 10.

Kansen en bedreigingen door netcongestie Bepalen hoe de gemeente haar ruimtelijke instrumenten inzet nu energievoorziening steeds nadrukkelijker richtinggevend wordt voor de vestiging van bedrijven. Een analyse van energieprofielen kan helpen om te sturen welke bedrijven passen binnen de beschikbare netcapaciteit, terwijl de beperkte aansluitruimte in de Flevopolder tegelijkertijd kansen biedt voor versnelling van woningbouw in de Noordoostpolder. De keuze ligt in het ontwikkelen van een strategische koers voor bedrijfsvestiging en/of woningbouwontwikkeling. 11. Rol in de Energieregio (ISA en RES) Overwegen welke positie de gemeente inneemt nu de RES-regio’s onder de Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda Energiesysteem doorgroeien naar Energieregio’s, binnen de samenwerkingsafspraken van de Energy Board Flevoland. Daarbij hoort de vraag of de gemeente primair vanuit regionale kaders naar lokale toepassing werkt, of juist vanuit lokale opgaven richting de regio, en hoeveel ruimte hiervoor wordt geboden binnen de Provinciale Omgevingsvisie.

17

Aardgasvrije gemeente in 2050 1. Bodemenergie beleid Richting geven aan het gemeentelijk gebruik van bodemenergie, nu WKO-systemen en bodemlussen steeds vaker worden toegepast en de provincie deze mogelijk gaat betrekken bij het vaststellen van netbudgetten voor gebieden en ontwikkelingen. Omdat de gemeente momenteel geen bodemenergiebeleid heeft, bestaat het risico op onderlinge interferentie tussen systemen en ine iciënt gebruik van bodemenergie. De keuze ligt bij het aanwijzen van interferentiegebieden of het opstellen van een bodemenergieplan, en de vraag of dit de komende periode prioriteit krijgt. 2. Wet collectieve warmte: De nieuwe Wet collectieve warmte (Wcw) schrijft voor dat collectieve warmtesystemen met meer dan 1500 aansluitingen voor minimaal 51% in publieke handen moeten zijn. In het ambitiedocument is bovendien vastgelegd dat collectieve oplossingen de voorkeur krijgen boven individuele alternatieven. De vraag die voorligt betreft de mogelijke gemeentelijke betrokkenheid bij collectieve warmtesystemen:  Welke rol de gemeente (eventueel samen met de provincie) hierin zou vervullen;  In hoeverre publieke deelname passend of noodzakelijk wordt geacht;  En of deze rol ondersteund moet worden met aanvullende uitvoeringsmiddelen. 3.

Regie in de vorm van een warmtebedrijf: De vraag die voorligt betreft de manier waarop de gemeente regie wil houden op het toekomstige energiesysteem. Daarbij zijn verschillende opties denkbaar, variërend van het oprichten van een gemeentelijk warmtebedrijf tot het overlaten van de uitvoering aan marktpartijen of het onderbrengen van taken in een coöperatieve vorm. Voor een zorgvuldige besluitvorming is een verkenning nodig naar de mogelijke rollen en naar de voor- en nadelen van een gemeentelijk warmtebedrijf. 4. Kansen voor geothermie in glastuinbouwgebieden In het glastuinbouwgebied kan mogelijk opnieuw een aanvraag worden gedaan om te boren naar geothermie. Dit kan kansen bieden voor het aansluiten van delen van de gebouwde omgeving, mede vanwege beschikbare subsidieregelingen. De keuze die voorligt is of de gemeente dit actief verder onderzoekt en inzet op aansluiting van bijvoorbeeld Marknesse, Luttelgeest en delen van Emmeloord, hoe deze optie zich verhoudt tot individuele oplossingen zoals warmtepompen, en of een proactieve of juist reactieve houding richting marktpartijen wenselijk is. 5. Inzetten van de aanwijsbevoegdheid WGIW Binnen wijkaanpakken voor de warmtetransitie kan de gemeente de wettelijke aanwijsbevoegdheid (WGIW) gebruiken om gebieden een termijn te geven waarbinnen bewoners moeten overstappen van aardgas naar een alternatief.

De overweging of en in welke situaties deze bevoegdheid wordt ingezet ligt voor. 6. Verduurzaming maatschappelijk vastgoed Voor het gemeentelijk vastgoed ligt een opgave om gebouwen te verduurzamen, conform het ambitiedocument Energietransitie en het door de raad aangenomen is AMENDEMENT 202509-20a waarin netbewust bouwen als norm voor eigen vastgoed is vastgelegd. Deze opgave brengt structurele financiële gevolgen met zich mee die momenteel nog niet in de begroting 18

zijn opgenomen. De vraag die voorligt is of deze investeringen structureel in de begroting moeten worden opgenomen, of dat per project afzonderlijk moet worden bepaald welke middelen worden ingezet. Voorkomen van onnodige en fossiele mobiliteit

1. Slim laden Slim laden is een uitgangspunt in het ambitiedocument. De overweging die voorligt is of de gemeente hiervoor eigen beleid ontwikkelt, of dat er afspraken worden gemaakt met exploitanten van laadinfrastructuur om dit gezamenlijk te organiseren. 2. Fietsbeleid/STOMP Het STOMP-principe uit het ambitiedocument vraagt om verdere uitwerking. Na de benodigde onderzoeken zullen maatregelen moeten volgen. De vraag ligt voor in welke mate wordt geïnvesteerd in fietsinfrastructuur en opwaardering daarvan, of dat wordt gewacht op koppelkansen bij groot onderhoud. Daarnaast is aan de orde welke stimulerende, meer ‘zachte’ maatregelen worden ingezet om fietsen en lopen te bevorderen. 3. Beleid collectieve laadpleinen en gemeentelijke organisatie: Binnen de gemeentelijke organisatie liggen kansen om het goede voorbeeld te geven op het gebied van duurzame mobiliteit. Dit vraagt om een keuze of een voorbeeldproject wordt opgezet en welke vorm dit zou krijgen. Denk aan  Solarcarport voor laden elektrische voertuigen medewerkers en bezoekers met Parkeerplaats Bosbadcomplex en Gemeentehuis als pilot locaties daarvoor  Koppelen van laadvoorzieningen aan gemeentelijk/maatschappelijk vastgoed met opwekinstallaties?  Gebruik van de dienstauto's elektrificeren en koppelen aan eigen opwek-installaties?

19

4. KLIMAAT & ENERGIE, CIRCULAIR EN VERANTWOORD GEBRUIK VAN MATERIALEN EN GRONDSTOFFEN Inleiding Circulariteit raakt steeds vaker aan strategische vraagstukken zoals schaarste aan grondsto en en economische weerbaarheid. Gemeenten hebben geen invloed op mondiale ketens, maar kunnen wel sturen op gebruik, levensduur, hergebruik en inkoop. De komende coalitieperiode vraagt daarom expliciete keuzes over de rol die de gemeente wil nemen.

Wat speelt er rond dit onderwerp Eind vorig jaar is het Ambitiedocument Circulair en verantwoord gebruik van materialen en grondsto en vastgesteld door de raad. Met dit ambitiedocument is de koers vastgelegd richting een circulaire economie. Het algemene doel is om bij te dragen aan een duurzame en economisch sterke toekomst, door circulariteit structureel te verankeren in beleid, uitvoering en samenwerking met inwoners, ondernemers en partners. In het ambitiedocument zijn leidende principes en uitgangspunten opgenomen hoe we als gemeente Noordoostpolder toe willen werken richting deze circulaire economie. Bij het formuleren van de strategische doelen is aansluiting gezocht op de circulaire doelstellingen van het Rijk. De strategische doelen zijn:  Inwoners: Verminderen van huishoudelijk restafval en het stimuleren van bewustwording over het gebruik van grondsto en.  Circulair ondernemen: Inzetten op meer circulair ondernemerschap.  Circulaire bouw: Onderzoek naar inzet op meer circulaire bouw.  Circulaire gemeentelijke organisatie: We geven zelf het goede voorbeeld. De lokale leidende principes die daarbij horen:  We onderkennen het belang van de circulaire economie als het onvermijdelijke economische systeem van de toekomst.  We hanteren de R-ladder als uitgangspunt bij het maken van circulaire keuzes.

 We werken zoveel mogelijk samen met het bedrijfsleven om de circulaire economie te ontwikkelen.  We streven naar zoveel mogelijk circulaire en Biobased bouw. In 2026 wordt een uitvoeringsagenda voor “circulair en verantwoord gebruik van materialen en grondsto en” opgesteld met concrete acties om de doelen uit het ambitiedocument en het programmaplan Klimaat en Energie te realiseren.

Wat ligt vast en waarom Landelijk: Nationaal Programma Circulaire Economie. Om de overgang naar een circulaire economie te versnellen, heeft het Rijk landelijke principes en vijf transitie-agenda’s opgesteld. Deze agenda’s beschrijven de concrete acties die nodig zijn binnen de vijf meest impactvolle sectoren en ketens van de Nederlandse economie; de sectoren die het meest belastend zijn voor het milieu. De landelijke principes en transitie-agenda’s 20

helpen lokale overheden om heldere ambities te formuleren op het gebied van circulaire economie. In het ambitiedocument Circulair en verantwoord gebruik van materialen en grondsto en zijn de volgende ambities vastgelegd:  We sluiten aan bij de ambities en maatregelen die uitgewerkt worden in het Afvalbeleidsplan 2026-2030.  We streven naar een bewust duurzame gemeente met een minimale ecologische voetafdruk.  We vergroten kennis en bewustwording en stimuleren consuminderen, hergebruik, reparatie en delen.  We stimuleren ondernemers om circulair te denken en te handelen, en dragen zo bij aan een sterke en toekomstbestendige lokale economie.  We zetten in op het versterken van de basis door kennis te delen, netwerken op te bouwen en koplopers zichtbaar te maken.  We onderzoeken hoe we ondernemers beter kunnen ondersteunen bij het ontwikkelen van duurzame bedrijfsmodellen.  We brengen partijen samen en faciliteren initiatieven die leiden tot e iciënter grondsto engebruik en minder reststromen.  We streven naar een lage milieu-impact van de bouw- en sloopsector.  We verminderen de vraag naar primaire grondsto en zoals nieuw beton, keramiek en fossiele isolatiematerialen.  We voorkomen afval bij sloop en renovatie door hergebruik en circulair ontwerp te stimuleren.

 We verkennen mogelijkheden om de markt acceptatie van Biobased en duurzame materialen te versnellen, met name binnen maatschappelijk vastgoed.  We vergroten transparantie en traceerbaarheid van materiaal- en afvalstromen om beter te kunnen sturen op hergebruik en circulair materiaalgebruik.  We geven als gemeente het goede voorbeeld in de overgang naar een circulaire economie.  We werken toe naar een organisatie waarin circulariteit de norm is in beleid, bedrijfsvoering en dagelijks handelen.  We verminderen het gebruik van materialen en grondsto en door bewuste keuzes te maken en circulariteit te verankeren in onze processen.  We maken inkoop stap voor stap circulair, verankeren circulaire criteria in beleid en aanbestedingen en stimuleren lokale ondernemers (voorkeur voor MKB).  We vergroten kennis en bewustwording bij medewerkers en nemen hen actief mee in circulair denken en doen.  We monitoren materiaalstromen en milieu impact om gericht te kunnen sturen op verdere verduurzaming

21

Waar liggen keuzes voor 1. Afval De kosten voor afvalverwerking stijgen de komende jaren, onder meer door hogere landelijke tarieven voor het verbranden van restafval. Hoewel in Noordoostpolder al veel afval gescheiden wordt aangeboden, zijn er aanvullende kansen om afvalscheiding en -preventie te versterken, zoals via een circulair ambachtscentrum, gerichte communicatie en onderzoek. Ook kan de afvalinzameling worden geoptimaliseerd, bijvoorbeeld door aanpassingen in inzamelfrequentie of kostene iciëntie. De centrale vraag is welke maatregelen prioriteit krijgen om restafval te beperken en kosten te beheersen. 2. Circulair ondernemerschap Door grondsto en schaarste en duurzaamheidsopgaven wordt de vraag relevanter welke rol de gemeente neemt bij het versterken van circulair ondernemerschap in de Noordoostpolder. Daarbij liggen keuzes voor over de mate van gemeentelijke betrokkenheid:  Faciliteren wat al ontstaat of actief richting geven aan circulaire bedrijvigheid?  Het extra beschikbaar stellen van uitvoeringsmiddelen uit duurzaamheidsfonds/ duurzaamheidspilots om projecten te kunnen financieren die bijdragen aan circulariteit conform AMENDEMENT 2025-12-14b:  Gericht inzetten op enkele circulaire ketens (bijv.

bouw, agro, maakindustrie) of generiek beleid voeren  Actief ruimte faciliteren voor circulaire activiteiten (in samenhang met EZ), of beperken tot netwerk en kennisdeling  Alleen faciliterend ondersteunen (kennis, netwerk, vergunningen) of ook financieel stimuleren (stimuleringsmiddelen (financieel)/pilots)  Beperkte netwerkrol of expliciet inzetten op landbouw als onderdeel van lokale circulaire ketens Ruimte voor circulaire economie De vraag ligt voor of in het ruimtelijk-economisch beleid expliciet ruimte wordt gereserveerd of aangewezen voor circulaire functies op bedrijventerreinen, zoals hubs, reparatieactiviteiten, verwerking of opslag, of dat deze ontwikkelingen spontaan ontstaan binnen de bestaande beleids- en planologische kaders. Kritieke grondsto en & weerbaarheid: Positionering circulair ondernemerschap binnen economische weerbaarheid Overwogen kan worden om circulair ondernemerschap expliciet te positioneren als onderdeel van economische weerbaarheid, bijvoorbeeld door minder afhankelijkheid van grondsto en en meer inzet op hergebruik en recycling, in aansluiting op Europees beleid rond kritieke grondsto en. Bedrijfsafval in centrumgebieden Moet het gemeentelijk beleid zich vooral richten op het stimuleren van goede afvalscheiding bij 22

bedrijven in centrumgebieden, of wordt handhavend optreden ook ingezet om circulaire doelstellingen te realiseren. 3. Circulaire bouw Circulair en Biobased bouwen – beleidsuitwerking De gemeente staat voor de vraag hoe beleid voor circulair en Biobased bouwen verder wordt ontwikkeld en toegepast binnen bouwprojecten en gebiedsontwikkeling.  Een overweging is het Convenant Toekomstbestendig Bouwen alsnog te ondertekenen en de uitgangspunten in projecten te borgen.  Ook speelt de vraag of de gemeente een sturende rol wil innemen bij de nationale Biobased-doelstelling (30-30-30 richting 2030) binnen aanbestedingen en gebiedsontwikkeling, of dat dit aan de markt wordt overgelaten.  Werken we daarbij toe naar een concrete ambitie (bijvoorbeeld 30 procent Biobased materialen in nieuwbouw tot 2030) of blijft de focus op verkenningen en pilots.  Daarnaast is aan de orde wat circulaire en Biobased ambities betekenen voor haalbaarheid en betaalbaarheid van woningbouw, en of wordt gekozen voor lange termijn kwaliteit of lagere kosten op de korte termijn.  Welke rol gaat de gemeente innemen: faciliterend of meer actief, mede in relatie tot AMENDEMENT 2025-12-14b.

4. Circulaire gemeentelijke organisatie  Voorbeeldrol van de gemeente De vraag is hoe ver de voorbeeldrol van de gemeente moet reiken: beperkt tot de eigen bedrijfsvoering, of ook van toepassing op gemeentelijk vastgoed en de openbare ruimte.  Circulariteit in vervangingsopgaven Aan de orde is in welke mate circulariteit wordt meegenomen in vervangingsopgaven voor infrastructuur en vastgoed, en welke ambitie hierbij wordt gehanteerd.  Circulair inkopen en uitvoering Te bepalen is of circulair inkopen structureel wordt verankerd in beleid en aanbestedingen, inclusief de consequenties die dit kan hebben voor kosten, werkwijzen en processen.

23

5. SAMEN & GEZOND, BESTAANSZEKERHEID Inleiding Bestaanszekerheid is de situatie waarin inwoners – ongeacht hun achtergrond – kunnen vertrouwen op hun eigen inkomen, woonomgeving, gezondheid en toegang tot voorzieningen. De gemeente Noordoostpolder ziet bestaanszekerheid als:  Financiële stabiliteit, met een sterke focus op een soepele overgang van bijstand naar werk.  Toegang tot voorzieningen, met begrijpelijke en cultureel toegankelijke informatie en ondersteuning.  Preventie van armoede, via een integrale en proactieve aanpak die rekening houdt met een samenloop van risico's op meerdere levensdomeinen. Het gaat ook om het hebben van een toekomstperspectief, woonzekerheid, gezondheid, financiële stabiliteit en maatschappelijke participatie. Zo streeft de gemeente naar een omgeving waarin elke inwoner – fysiek, mentaal én sociaal – de zekerheid heeft om volwaardig mee te kunnen doen in de samenleving. In deze factsheet worden drie onderdelen (die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden) uitgelicht: 1. Asiel, integratie en arbeidsmigranten 2. Schulddienstverlening en minima 3. Participatie

Wat speelt er rond dit onderwerp 1. Asiel, integratie en arbeidsmigranten Asiel Gemeente Noordoostpolder is bezig met het opstellen van een deelplan Asiel & Integratie (in 2026). Onderdeel daarvan is het vraagstuk van huisvesting. Als gemeente hebben we een verplichte taakstelling voor het huisvesten van statushouders, een inspanningsverplichting voor het opvangen van Oekraïners en het huisvesten van andere aandachtsgroepen zoals arbeidsmigranten en in het kader van de maatschappelijke opvang. Huisvesting is schaars en inzet op flexibele duurzame huisvesting voor deze doelgroepen is wenselijk. Integratie: We krijgen steeds meer nieuwkomers in onze gemeente. In welke mate moet er aandacht zijn voor hun integratie in de Noordoostpolder samenleving. Denk hierbij aan aandacht voor taal, werk en maatschappelijke participatie. Arbeidsmigranten: In onze gemeenten werken en wonen veel arbeidsmigranten. Dit is bevorderlijk voor de lokale economie. Nu is 10% van de inwoners van NOP arbeidsmigrant. Dit vraagt om aandacht voor de dienstverlening in brede zin, en in het bijzonder voor passende huisvesting, om eventuele maatschappelijke overlast te voorkomen.

24

2. Schulddienstverlening en minima In oktober 2025 heeft de gemeenteraad van NOP het ‘deelplan schulddienstverlening’ vastgesteld. De komende coalitieperiode ligt de vraag voor op welke wijze we de schulddienstverlening willen vormgeven. Willen we dat uitbesteden of in eigen beheer doen. Daarnaast is er in september 2025 ingestemd met de tijdelijke participatieregeling voor volwassenen en de tegemoetkoming op mondzorg en brillen. 3. Participatie Als gemeente implementeren we de wijzigingen uit de ‘Participatiewet in balans’. De ‘Participatiewet in balans’ wil dat iedereen kan beschikken over een toereikend en zeker bestaansminimum. Mensen moeten daarnaast gestimuleerd en ondersteund worden om naar vermogen deel te nemen op de arbeidsmarkt en aan de samenleving. De acties uit het programmaplan worden opgepakt wanneer het rijk daartoe beslist. Sommige acties worden in de geest van de wet al eerder opgepakt.

Wat ligt vast en waarom 1. Asiel, integratie en arbeidsmigranten Asiel Gemeenten hebben een resultaatsverplichting om opvangplekken te realiseren voor asielzoekers wanneer zij daartoe worden aangewezen via de spreidingswet of via afspraken met het COA. Gemeenten zijn wettelijk verplicht om statushouders woonruimte te bieden volgens een jaarlijkse taakstelling (Wet inburgering + Huisvestingswet). Integratie (alle groepen migranten & statushouders) Onder de Wet inburgering 2021 hebben gemeenten een uitvoeringsplicht voor  Inburgering en taalleertrajecten  Maatschappelijke begeleiding  Monitoring en handhaving van inburgeringsvoortgang 2. Schulddienstverlening en minima Op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening moet de gemeente inwoners helpen die hun schulden niet meer kunnen overzien. De gemeenteraad moet hiervoor eens in de vier jaar een plan vaststellen en het college is verplicht om inwoners toegang te bieden tot schuldhulp, inclusief intake binnen vier weken en vroegsignalering bij betalingsachterstanden. Voor het minimabeleid geldt de Participatiewet als basis. Gemeenten hebben de plicht om bijzondere bijstand te verstrekken voor noodzakelijke kosten die iemand niet zelf kan betalen, maar hebben verder ruime vrijheid om eigen minimaregelingen in te richten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2378/documents/44843