3. Evaluatie armoedebeleid - RK Noordoostpolder definitief (002).pdf
Tekst van het document
11-11-2019
Minder mensen in armoede- Ingetrokken
Speerpunt 1.1 Minder mensen in armoede (pagina 87) aan te vullen me: We onderzoeken de mogelijkheid ter aanvulling en ondersteuning van de burger en keten tot het aanstellen van sociale raadslieden in de Gemeente Noordoostpolder in 2020.
27-1-2020
Financiële grip in het sociaal domein: 'Wat mag het sociaal domein kosten?"Verworpen
Kennis te nemen van de notitie financiële grip in het sociaal domein: 'wat mag het sociaal domein kosten?' Scenario 1 (voorzieningenniveau handhaven) en scenario 2 (stabiliseren) scenario 3 (minimaliseren) verder uit te laten werken.
9-11-2020
Kwijtschelding algehele schuldenIngetrokken
Aandacht voor de mogelijkheid tot algehele kwijtschelding van schulden.
13-9-2021
Deelplan minima– 120% regelingVerworpen
bijzondere bijstand: 120% individuele inkomenstoeslag: tekst blijft gelijk individuele studietoeslag: 100% meerkostenregeling chronisch zieken en gehandicapten: 120% Meedoenpakket kinderen: tekst blijft gelijk Meedoenbon van ouderen: 120% of schuldhulpverleningstraject
4-7-2022
Jaarstukken 2021 – energietarievenAangenomen
Besluit punten: Hierbij het positieve resultaat van € 7.532.963 over 2021 als volgt te bestemmen: Een bedrag van € 500.000 wordt toegevoegd aan het reserve beleidsplan - oormerk risicoreserve onzekerheden sociaal domein; Een bedrag van € 200.000 wordt toegevoegd aan het reserve beleidsplan - oormerk risicoreservering energietoeslag, vanwege de verhoging van de inkomensgrens naar 130% in te zetten wanneer de beschikbaar gestelde rijksbijdrage onvoldoende blijkt; dit oormerk vervalt zodra blijkt dat de risicoreservering niet is benodigd.
14-11-2022
Programmabegroting 2023-2026 JeugdeducatiefondsAangenomen
Besluit: Door samenwerking met JEC via scholen kinderen bereiken die in armoede verkeren. €20.000 per jaar reserveren voor cofinanciering Jeugdeducatiefonds.
80
Definitief
Startnotitie onderzoek armoedevalAangenomen
Besluit: de Startnotitie ‘Onderzoek naar armoedeval’ vast te stellen, maar als volgt aan te passen: Toevoegen van deelvraag 6 op pagina 3: Onderzoeken in hoeverre het invoeren van een geleidelijke staffel voor de gemeentelijke minimaregelingen een oplossing voor het verkleinen van de armoedeval is.
Reservering sociaal domein/krachtig NoordoostpolderVerworpen
Besluit punten: Hierbij het positieve rekeningresultaat Over 2022 ad €10.395.252 als volgt te bestemmen:
Wanneer
Onderwerp
Toelichting
4-7-2016
Perspectiefnota 20172020 minimabeleidAangenomen
Draag het college op: Bij de evaluatie van het minimabeleid uitdrukkelijk het streven te benoemen om de 110% te evalueren in relatie tot een op 120% gebaseerd minimabeleid
10-7-2017
Perspectiefnota, armoede- en minimabeleidIngetrokken
Draagt het college op: vooruitlopend op de evaluatie in de begroting minimaal € 100.000 extra wordt opgenomen voor toekomstig aanvullend armoede- en minimabeleid
13-11-2017
Oormerken extra budget minimabeleid 2018-Aangenomen
Verzoekt het college: Het restant van het budget van het minimabeleid geoormerkt over te hevelen naar het nieuwe jaar en dat zichtbaar te maken in de decemberrapportage
13-11-2017
Donatie st. LeergeldVerworpen
Verzoekt het college: Een donatie van € 2.500 over te maken aan st. Leergeld en dit te bekostigen uit het extra bedrag van € 367.000
18-12-2017
Verordening participatiewetVerworpen
Verzoekt het college: Het kortingspercentage van 5% op de uitkering van Wajongers met arbeidsvermogen te compenseren en deze 5% toch beschikbaar te stellen. Dit tot de vaststelling van het nieuwe minimabeleid van de gemeente in 2018. De benodigde middelen te onttrekken aan de reserves sociaal domein
8-5-2023
10-7-2023
Toevoeging aan de reserve beleidsplan, oormerk energietoeslag 2023 €1.054.389 Toevoeging aan de reserve beleidsplan, oormerk Wet inburgering 2021 €136.000 Toevoeging aan de reserve beleidsplan, oormerk sociaal domein/Krachtig Noordoostpolder €4.390.000 Het oormerk risicoreserve onzekerheden sociaal domein in het reserve beleidsplan € 500.000 te laten vervallen en toe te voegen aan het reserve beleidsplan, sociaal domein/krachtig Noordoostpolder.
Moties
81
Definitief
1-10-2018
Armoedebeleid / MeedoenregelingVerworpen
Draagt het college op: De nog in ontwikkeling zijnde beleidsmaatregelen Krachtig tegen Armoede integraal aan te bieden aan de raad; Bij het nog te ontwikkelen beleid Krachtig tegen Armoede nadrukkelijk in te zetten op preventieve maatregelen; De monitoring van de effectiviteit van de afzonderlijke maatregelen en het pakket van maatregelen in haar geheel op te nemen bij de nog in ontwikkeling zijnde beleid binnen Krachtig tegen Armoede
8-7-2019
Krachtig tegen Armoede-Ingetrokken
Draagt het college op: Te komen met een evaluatie van de eerste ontwikkelagenda Krachtig tegen Armoede Op basis hiervan een van (integrale) kadernotitie Krachtig tegen Armoede met een uitvoeringsagenda op te stellen
16-12-2019
Subsidie aan Stichting Samen Zijn We Er Voor ElkaarVerworpen
Verzoekt het college: Haar standpunt te wijzigen omtrent het verlenen van de subsidie en alsnog over te gaan tot ondersteuning van de SZWEVE
29-6-2020
Armoedeval en flexwerkersIngetrokken
Verzoekt het college met een raadsvoorstel te komen met voorstellen c.q. maatregelen naar de raad om de armoedeval voor ZZP-ers en flexwerkers te voorkomen en/of deze groep te helpen in het hanteren van minder inkomen
13-9-2021
Minimabeleid en armoedevalIngetrokken
Draagt het college op: De mogelijkheden tot het invoeren van een geleidelijke schaal bij inkomensondersteunende maatregelen uit het minimabeleid te onderzoeken; De raad over de uitkomsten daarvan nog in deze raadsperiode te informeren
14-7-2022
Inkomensgrens armoedebeleid naar 130%-Ingetrokken
verzoekt het college: De inkomensgrens verhogen van 120% naar 130%, voor 1 januari 2023; In de tussen liggende periode de Mee(r)doen-regeling ruimhartiger toe te passen, zodat kinderen niet de dupe worden van de huidige crisis; Dit in te passen in Ambitie 4 Meedoen in de samenleving (Zoeken naar oplossingen voor de armoedeval); In de Programmabegroting 2023 - 2026 voldoende budget op te nemen om hier uitvoering aan te kunnen geven
19-9-2022
Energietoeslagnorm naar 130%Aangenomen
De energietoeslagnorm per direct te verhogen van 120% naar 130%; Een aanvullende risicoreservering van € 300.000 te oormerken uit het reserve beleidsplan; De communicatie breed uit te zetten, dus naast de website ook via de krant en sociale media onder de aandacht te brengen
82
Definitief
19-9-2022
Armoede rijst de pan uit, alle hens aan dek!Aangenomen
Verzoekt het college: De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening uit te voeren voor de vroeg signalering van schulden en hierbij bijgaande tijdelijke uitgangspunten te hanteren; Een definitief beleidskader in het eerste kwartaal van 2023 aan de raad voor te leggen; De raad in januari 2023 te rapporteren, inclusief cijfers, over de ontvangen signalen over 2022 en wijze van opvolging hiervan en een vooruitblik naar 2023
14-11-2022
Inkomensgrens naar 130%-Verworpen
Verzoekt het college: Om de inkomensgrens voor alle minimaregelingen verhogen 130%, voor 1 januari 2023, Om het opgegeven bedrag van € 1.780.000 uit te splitsen per regeling en deze te verzenden aan de commissie SLZ voor het eind van het jaar 2022, Dat de gemeenteraad dit als keuzedocument krijgt voorgelegd in Q1 2023, zodat wij een goede afweging kunnen maken voor welke regelingen de verhoging gaat gelden bij de perspectiefnota van 2024-2027; 4. in de tussenliggende periode de Mee(r)doen-regeling ruimhartiger toe te passen, zodat kinderen/volwassenen niet de dupe worden van de huidige crisis; Dit in te passen in Ambitie; Meedoen in de samenleving (zoeken naar oplossingen voor de armoedeval); Een begrotingswijziging te maken voor de financiering voor het jaar 2023 en te dekken uit het jaarresultaat 2022 (ingeschat op 2,95 miljoen) en het als structureel bedrag op te nemen voor de volgende jaren
14-11-2022
Inkomensgrens alle minimaregelingen 120%-Verworpen
Verzoekt het college: De inkomensgrens voor alle minimaregelingen te verhogen naar 120%, vanaf 1 januari 2023; In de tussenliggende periode de Mee(r)doen-regeling ruimhartiger toe te passen, zodat kinderen/volwassenen niet de dupe worden van de huidige crisis; Dit in te passen in Ambitie 4 Meedoen in de samenleving en de effecten van de verschillende minimaregelingen bespreken in het gesprek in de commissie SLZ rondom de armoedeval; Een begrotingswijziging te maken voor de financiering in het jaar 2023 en te dekken uit het jaarresultaat 2022 (ingeschat op 2,95 miljoen) en het als structureel bedrag op te nemen in de Perspectiefnota 2024-2027
12-12-2022
Eenmalige subsidie voor Stichting Samen Zijn We Er Voor Elkaar (SZWEVE)
Verzoekt het college: Een eenmalige subsidie te verstrekken ter grootte van € 5.200 als tegemoetkoming in de (distributie)kosten van SZWEVE; Het benodigde bedrag aan de raad voor te leggen middels de eerste clusterkwartaalbegrotingswijziging van 2023.
83
Definitief
10-7-2023
Verruiming Bijzondere bijstand-Aangenomen
Verzoekt het college: et volgende in de begroting op te nemen: Naast het onderzoek naar de armoedeval, onderzoek te doen naar verruimen van maatwerk binnen de Bijzondere bijstand; Met een plan voor verruiming maatwerk bijzondere bijstand te komen in Q1 2024
10-7-2023
Tegengaan van nietgebruik inkomensregelingenVerworpen
Verzoekt het college: Te zorgen voor voldoende kennis en capaciteit bij uitvoerende professionals, zodat zij signalen van nietgebruik vroeg kunnen herkennen; Mensen in de bijstand actief te benaderen met een vaste contactpersoon; Uitleg te geven waarom aanvrager wel/niet voldoet aan de voorwaarden, mondeling en schriftelijk. Aanvragen te vereenvoudigen en extra hulp te bieden bij het invullen van formulieren, met zowel digitale als fysieke mogelijkheden voor ondersteuning; De (gemeentelijke) hulpverlening verder te ontwikkelen door structureel over regelingen te communiceren in begrijpelijke taal (en in meerdere talen)
84
Definitief
Bijlage 6 Lokale context gemeente Noordoostpolder De gemeente Noordoostpolder bestaat uit twaalf plaatsen. De plaats Emmeloord heeft veruit de meeste inwoners. In deze bijlage staat een overzicht van enkele kerncijfers rond armoede en schulden van de inwoners van de gemeente Noordoostpolder. Ontwikkeling in aantal en aandeel huishoudens in armoede De gemeente heeft in het Deelplan Minima aangegeven dat zij voor het vergelijken met andere gemeenten de definitie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) als basis gebruikt. Het CBS hanteert de definitie van de lage inkomensgrens voor het afbakenen van het risico op armoede. Deze grens staat voor een vast koopkrachtbedrag en wordt jaarlijks alleen gecorrigeerd voor prijsontwikkeling41. Onderstaande tabel geeft de ontwikkeling van het aantal huishoudens dat rond dient te komen van een laag inkomen in de gemeente Noordoostpolder op basis van deze definitie. Tabel B6.1 Ontwikkeling aantal en aandeel huishoudens in armoede, bron CBS Statline 42
Jaar
Lage inkomensgrens
Inkomen tot 110 procent sociaal minimum
Inkomen tot 120 procent sociaal minimum
Inkomen tot 130 procent sociaal minimum
2019
1.200 (6,3%)
1.600 (8,6%)
2.100 (11,2%)
2.600 (15,6%)
2020
1.100 (5,8%)
1.600 (8,6%)
2.100 (11,2%)
2.600 (15,6%)
2021
1.000 (5,4%)
1.600 (8,2%)
2.000 (10,4%)
2.500 (15,2%)
De omvang van de doelgroep is de afgelopen jaren in absolute en relatieve zin gedaald. In 2019 moesten 2.100 huishoudens rond komen van een inkomen tot 120 procent van het Wettelijk Sociaal Minimum, in 2021 is dit gedaald naar 2.000 huishoudens. Het aandeel huishoudens dat rond dient te komen van een laag inkomen is ook gedaald. Het aandeel huishoudens dat van een minimuminkomen moet rondkomen ligt in de gemeente Noordoostpolder onder het landelijk gemiddelde43. Het aantal bijstandsuitkeringen per 10.000 inwoners in gemeente Noordoostpolder (314) komt overeen met het aantal huishoudens dat een bijstandskering ontvangt in de provincie Flevoland (314). Het aantal bijstandsuitkering is echter hoger in vergelijking met vergelijkbare gemeentes in termen van inwoneraantal (245) en mate van stedelijkheid (221)44.
41 De normbedragen per maand per 1 juli 2023 zijn als volgt voor personen van 21 jaar tot de AOW leeftijd
Alleenstaanden/eenpersoonshuishoudens: €1.216,62 Alleenstaande ouders / Eenpersoonshuishouden: €1.216,62 Partners / gehuwden en samenwonenden: €1.738,02 Als er sprake is van kostendelers, wordt daar op gecorrigeerd. 42 Bron CBS Statline, Inkomen van particuliere huishoudens, tenminste 1 jaar op dat inkomen ongeacht vermogen, StatLine - Laag en langdurig laag inkomen; huishoudenskenmerken, regio (indeling 2022) (cbs.nl). Het CBS beschikt niet over meer recente cijfers dan 2021. 43 Waar staat je gemeente (z.d.). https://www.waarstaatjegemeente.nl/jive?workspace_guid=ac5a090c99ce-41a6-89e9-1f15cf8561ed. 44 Waar staat je gemeente (z.d.) Bijstandsuitkering per 1.000 inwoners (2021)
85
Definitief
Ontwikkeling in aantal en aandeel kinderen in armoede De ontwikkeling van het aantal kinderen in armoede staat in onderstaande tabel weergegeven. Tabel B6.2 Ontwikkeling aantal en aandeel kinderen in armoede, bron CBS Statline
Jaar
Lage inkomensgrens
Inkomen tot 110 procent sociaal minimum
Inkomen tot 120 procent sociaal minimum
Inkomen tot 130 procent sociaal minimum
2019
800 (7,5%)
800 (7,7%)
1.000 (9,4%)
1.100 (10,8%)
2020
700 (6,7%)
700 (7,2%)
900 (9,3%)
1.100 (10,9%)
2021
600 (5,7%)
700 (6,7%)
800 (8,3%)
1.000 ( 9,8%)
Het aantal en aandeel kinderen dat opgroeit in een huishouden met een laag inkomen is sinds 2019 gedaald. Het totaal aantal kinderen in de gemeente Noordoostpolder is in deze periode licht gedaald van 10.727 naar 10.532. Schulden en vermogen De gemiddelde schuld van huishoudens in de Noordoostpolder lag in 2019 op ruim 101.000 euro45. Dat is lager dan het landelijk gemiddelde en de gemiddelde schuld van huishoudens in de provincie Flevoland. In de gemeente Noordoostpolder zijn er in 2020 1.350 huishoudens met problematische schulden in beeld. Dit is 7 procent van alle huishoudens. Het aandeel huishoudens met problematische schulden ligt in Noordoostpolder onder het landelijk gemiddelde van 7,9 procent46. Het gemiddelde vermogen per particulier huishouden in de gemeente Noordoostpolder is 289.000 euro en is daarmee hoger dan het gemiddelde van Nederland (260.700 euro) en Flevoland (193.300 euro). Het vermogen wordt gedefinieerd als het saldo van alle bezittingen en schulden47. Het mediaan vermogen voor inwoners van de Noordoostpolder is 67.100 euro48. Dat is iets meer dan het landelijke mediane vermogen. Ook ten opzichte van Flevoland als provincie ligt het mediaan vermogen in Noordoostpolder hoger. Dit kan te maken hebben met de relatief grote agrarische sector in de gemeente Noordoostpolder.
45 Monitor Brede Welvaart gemeente Noordoostpolder 2020, CBS 46 Waar staat je gemeente (z.d.). https://www.waarstaatjegemeente.nl/jive?workspace_guid=5095a348-
f74b-4fed-a889-7ca27e407bec. 47 Bron CBS statline, Vermogen, totaal, gemiddeld mediaan: StatLine – Vermogen van huishoudens; huishoudenskenmerken, regio (indeling 2022) 48 Dit betekent dat de helft van alle huishoudens in Noordoostpolder meer dan 67.100 euro aan vermogen heeft, de andere helft minder, bron Monitor Brede Welvaart gemeente Noordoostpolder 2020, CBS.
86
Definitief
Bijlage 7 Wettelijk kader armoedebeleid In deze bijlage staat het landelijk beleidskader weergegeven voor het armoedebeleid. Gemeenten hebben een zorgplicht voor hun inwoners op het gebied van welzijn en sociale zaken. De Participatiewet (2015) biedt gemeenten een wettelijk kader voor maatregelen die zijn gericht op de inkomenssituatie van burgers. Daarbij vullen nationale en lokale regelingen elkaar aan. Geldzorgen hebben een negatief effect op het welzijn van burgers, bijvoorbeeld doordat ze deelname aan de samenleving belemmeren en tot stress leiden. Met armoedebeleid, werktoeleiding (Participatiewet), door ondersteuning op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en met correcte uitvoering van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening kunnen gemeenten hun zorgplicht invullen. De Participatiewet draagt gemeenten op te voorzien in een bijstandsuitkering, waarvan het Rijk de hoogte en de criteria bepaalt. Gemeenten krijgen hiervoor deels financiële compensatie. Het Rijk verwacht van gemeenten dat ze maatwerk bieden bij de bestrijding van armoede en de arbeidsactivatie.
Met de Participatiewet hebben ze daarvoor meer beleidsruimte gekregen dan ervoor: ● De regeling voor individuele bijzondere bijstand voor daadwerkelijk gemaakte kosten is verruimd: bijzondere bijstand wordt niet meer categoriaal verstrekt maar wordt nu verstrekt op basis van de te maken noodzakelijke kosten; ● Er is extra aandacht voor gezinnen met kinderen, werkenden met een laag inkomen en ouderen met een klein pensioen. Dit houdt in: meer ruimte voor een aanvullende zorgverzekering of een pas voor culturele en maatschappelijke voorzieningen en sport; ● Mensen die langdurig moeten rondkomen van een laag inkomen (zonder zicht op verbetering), krijgen een jaarlijkse toeslag op individuele basis: de individuele inkomenstoeslag. In de Participatiewet is vastgelegd dat de gemeente een aantal minimaregelingen moet aanbieden. Hieronder vallen de (algemene) bijstand, de Individuele inkomenstoeslag, de Individuele studietoeslag, loonkostensubsidie en bijzondere bijstand. In het uitvoeren van deze regelingen heeft de gemeente weinig bewegingsruimte, maar heeft wel als taak om bepaalde lokale maatwerkvoorzieningen te treffen. Voorbeelden hiervan zijn het beoordelen van de noodzaak van kosten voor de bijzondere bijstand en het vaststellen van de hoogte en doelgroep van de Individuele inkomenstoeslag.
Daarnaast heeft de gemeente als plicht verordeningen vast te stellen met daarin regels voor een tegenprestatie van de bijstand, voor het niet nakomen van verplichtingen, voor de manier van arbeidsinschakeling en wie hier ondersteuning bij krijgt, en voor het aanbieden van beschut werk. Hierbij heeft de gemeente enige bevoegdheid om deze regels zelf vast te stellen. Elke gemeente in Nederland maakt aanspraak op een extra bedrag vanuit het Rijk om armoede onder kinderen te bestrijden. Dit bedrag dient uitsluitend in te worden gezet ten behoeve van kinderen, en de waarde daarvan dient in natura te worden verstrekt. Daarnaast is er vanaf 2022 extra geld beschikbaar gekomen voor financiële educatie in het onderwijs en voor maatschappelijke organisaties die kinderarmoede bestrijden.
87
Definitief
Bijlage 8. Inkomenseffectrapportage In deze bijlage geven we inzicht in de effecten van het landelijke en gemeentelijke beleid op de inkomenssituatie van minimahuishoudens.
B8.1 Introductie Op verzoek van de gemeente Noordoostpolder is er een aanvullend onderzoek gedaan naar de situaties waarin de armoedeval optreedt49. De hoofdvraag voor dit onderzoek luidt: In hoeverre en in welke situaties komt armoedeval, bij (meer) loon door werk, voor als we kijken naar de gemeentelijke regelingen en welke oplossingsrichtingen zijn er voor de gesignaleerde knelpunten? Om deze vragen te beantwoorden is de bijlage als volgt opgebouwd. De volgende paragraaf geeft inzicht in de onderzoeksmethodiek van de inkomenseffectrapportage (paragraaf B8.2). We geven hierbij een overzicht van de verschillende inkomsten en uitgaven die worden onderscheiden, evenals de aannames die worden gedaan. Vervolgens komen de inkomenseffecten aan bod. In paragraaf B8.3 wordt de verhouding geschetst tussen de uitkering, landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen per huishoudtype per maand. In paragraaf B8.4 wordt de gemeentelijke bijdrage uitgesplitst naar de verschillende minimaregelingen. Daarna wordt inzicht gegeven in de ontwikkeling van het vrij besteedbaar budget (paragraaf B8.5) en de ontwikkeling van het totale inkomen (B8.6). Tot slot schetsten we de invloed van de energietoeslag op de inkomenssituatie van minimahuishoudens (B8.7). Daarna volgen enkele paragrafen die achtergrondinformatie of een verdiepend inzicht geven.
Paragraaf B8.8 geeft een overzicht van de beschikbare minimaregelingen. Vervolgens geven we inzicht in de opbouw van het totale inkomen (B8.9) en de financiële maandoverzichten per huishoudtype (B8.10). Definities Onderzoek naar de invloed van het landelijke en gemeentelijke beleid op de inkomenspositie van minimahuishoudens gaat gepaard met een aantal veelgebruikte termen. Hieronder worden deze toegelicht: • Armoedeval: in voorliggend onderzoek definiëren we een armoedeval als een terugval in het totale inkomen tot onder het uitgangsinkomen. Dus wanneer huishoudens een inkomensstijging doormaken, en door het wegvallen van landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen uitkomen op een totaal inkomen dat onder het uitgangsinkomen ligt. • Totaal inkomen: verwijst naar de optelsom van een uitkering, landelijke toeslagen en gemeentelijke regelingen. • Vrij besteedbaar budget: het bedrag dat overblijft wanneer de uitgaven van de inkomsten worden afgetrokken. Het vrij besteedbaar budget wordt afgezet tegen het normbedrag voor sociale participatie (Nibud); op basis hiervan wordt duidelijk of huishoudens voldoende financiële ruimte hebben om te participeren.
B8.2 Onderzoeksmethodiek Huishoudens en inkomensgrenzen We berekenen de inkomenseffecten van het lokale en landelijke beleid in 2023 voor zes generieke voorbeeldhuishoudtypen die in de samenleving voorkomen. Het gaat om de volgende huishoudtypen:
49 Gelijktijdig met het rekenkameronderzoek heeft het College van B&W besloten een onderzoek uit te
gaan voeren naar de effecten op het inkomen na werkaanvaarding, de zogenoemde armoedeval. Gezien de samenloop van deze onderzoeken heeft de Rekenkamer Noordoostpolder in overleg met het College besloten het onderzoek naar de armoedeval op te nemen in de evaluatie van het armoedebeleid.
88
Definitief
Niet AOW-gerechtigden: • alleenstaande; • paar zonder kinderen; • alleenstaande ouder met twee kinderen (8 en 13 jaar); • paar (twee volwassenen) met twee kinderen (8 en 13 jaar). AOW-gerechtigden: • alleenstaande; • paar (twee volwassenen. We brengen de inkomenseffecten in beeld voor huishoudens met inkomens van 100, 110, 120 en 130 procent Wsm. Inkomensbronnen Het totaal inkomen van de minimahuishoudens is opgebouwd uit het netto-inkomen, de gemeentelijke regelingen en diverse toeslagen van het Rijk. Specifiek gaat het om de volgende categorieën: • netto-inkomen inclusief vakantietoeslag; • bijdrage Rijk: o huurtoeslag; o zorgtoeslag o kinderbijslag; o kindgebonden budget; o combinatiekorting. • gemeentelijke minimaregelingen. Gemeentelijke minimaregelingen In de onderstaande tabel volgt een overzicht van de gemeentelijke minimaregelingen in 2023. In bijlage 10 worden deze regelingen verder toegelicht. Tabel B8.2.1 Gemeentelijke minimaregelingen in Noordoostpolder Regelingen opgenomen in begrotingen50 Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen Individuele inkomenstoeslag (3 jaar of langer) Meedoenpakket (kinderen 4 – 18 jaar) Meedoenpakket (AOW-gerechtigde ouderen) Stichting Leergeld
Inkomensgrens 100% Wsm 100% Wsm 120% Wsm 110% Wsm 150% Wsm51
Regelingen niet meegenomen in begrotingen52: Bijzondere bijstand Studietoeslag Meerkostenregeling chronisch zieken Maatwerkbudget Energietoeslag
110% Wsm Situatieafhankelijk 110% Wsm Situatieafhankelijk 130% Wsm
Niet meegenomen regelingen Een aantal regelingen wordt niet meegenomen in de berekeningen en begrotingen. In de meeste gevallen gaat het om een regeling die incidenteel wordt verstrekt of een beperkte doelgroep heeft. Hieronder staat beschreven wat de precieze reden is dat de regeling niet is meegenomen. 50 Regelingen waarvan het bedrag één keer per jaar wordt verstrekt, zijn omgezet naar een maandbedrag
om zo tot een maandelijks financieel overzicht te kunnen komen. Deze jaarbedragen zijn gedeeld door 12 maanden. 51 Stichting Leergeld heeft per 1 december 2022 haar inkomensgrens tijdelijk verruimd naar 150 procent Wsm. 52 Regelingen waarvan het bedrag één keer per jaar wordt verstrekt, zijn omgezet naar een maandbedrag om zo tot een maandelijks financieel overzicht te kunnen komen. Deze jaarbedragen zijn gedeeld door 12 maanden.
89
Definitief
• •
• •
•
De bijzondere bijstand is niet meegenomen in de berekeningen omdat deze vorm van bijstand wordt verstrekt voor noodzakelijke onvermijdbare individuele uitgaven en dit niet maandelijks bij iedereen voorkomt. De studietoeslag is eveneens niet doorgerekend in de financiële overzichten. Deze regeling kent een specifieke doelgroep; studenten met een lichamelijke of psychische beperking, die niet in staat zijn naast hun te studie werken. In deze inkomenseffectrapportage is geen huishouden opgenomen waarbij deze regeling van toepassing is. De meerkostenregeling voor chronisch zieken is niet meegenomen in de berekeningen, omdat in de inkomenseffectrapportage geen huishoudtypen met een zorgvraag zijn opgenomen. Het maatwerkbudget wordt verstrekt bij incidentele, noodzakelijke kosten die buiten de andere minimaregelingen vallen. Hiervan is niet bij alle inwoners in de minimadoelgroep sprake, daarom blijft deze regeling buiten beschouwing. De energietoeslag wordt in 2022 en 2023 verstrekt naar aanleiding van sterk gestegen energielasten voor gas en elektriciteit. Wegens de tijdelijke aard van deze regeling, is het bedrag niet opgenomen in de begrotingen. Gezien de omvang van het beschikbare budget per huishouden (€ 1.300 per huishouden) geven we een overzicht van het effect van de energietoeslag in paragraaf B8.7.
Uitgaven De uitgaven zijn gecategoriseerd naar: • vaste lasten. Dit zijn uitgaven die regelmatig terugkomen. Voorbeelden zijn huur, energiekosten53 en verzekeringen; • reserveringsuitgaven. Dit zijn uitgaven die niet regelmatig voorkomen en waarvan de hoogte vooraf niet bekend is. Er moet in principe een bedrag voor gereserveerd worden. Voorbeelden zijn kosten voor inventaris, kleding en het eigen risico voor de zorgverzekering; • huishoudelijke uitgaven. Dit zijn terugkerende uitgaven aan voeding, persoonlijke verzorging en dergelijke; • werkgerelateerde uitgaven. Dit zijn uitgaven die gemaakt worden als een persoon werkt. Voorbeelden zijn de kosten van woon-werkverkeer en werkkleding. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de huur en lokale heffingen. De andere bedragen zijn gebaseerd op landelijke berekeningen van het Nibud. De normbedragen staan per huishoudtype in het financieel maandoverzicht in de bijlage. We benadrukken dat het bij alle posten gaat om de basale uitgaven en dat de normbedragen gemiddelden betreffen. Het is mogelijk dat een huishouden maandelijks minder uitgeeft dan de normbedragen waarmee in deze rapportage wordt gerekend, bijvoorbeeld omdat het huishouden minder geld per maand reserveert voor onregelmatige uitgaven.
Individuele situaties kunnen daarom afwijken van de begrotingen zoals opgenomen in deze rapportage. Vrije bestedingen Het budget dat na aftrek van de uitgaven (zie voorgaande paragraaf) overblijft is het zogenaamde vrij besteedbaar budget. Dit kan worden uitgegeven aan sociale en recreatieve activiteiten, in die zin is dit het bedrag waarvan mensen kunnen meedoen. Voor deze vrije bestedingen is eveneens uitgegaan van het normbedrag dat het Nibud per huishoudtype hanteert. Dit is terug te vinden in de begrotingen aan het eind van deze bijlage. Aannames Voor de inkomsten en uitgaven doen we de volgende aannames: • De huishoudens maken van alle beschikbare regelingen gebruik en ontvangen daarvoor het maximale bedrag. De ervaring uit de praktijk is echter vaak dat huishoudens van een 53 Kosten gas en elektriciteit zijn gebaseerd op tarieven van Vattenfall (Nederlandse groene stroom en
aardgas variabel), de kosten voor water op de tarieven van Vitens. Heffingskortingen zijn in de maandprijs verrekend. Gegevens over het gemiddelde gebruik per huishoudtype zijn afkomstig van het Nibud (water en gas) en Essent (elektriciteit).
90
Definitief
•
•
•
•
• • • • • •
(uiteenlopend) aantal regelingen, en niet alle regelingen, gebruikmaken. In werkelijkheid valt het vrij besteedbare budget waarschijnlijk vaak lager uit, dan weergegeven in deze rapportage. Daarnaast doen we de aanname dat huishoudens geen schulden hebben. Bij de inkomenseffecten wordt uitgegaan van gemiddelden. Dit betekent ook dat een ongunstige situatie, bijvoorbeeld een hogere huurprijs of een slecht geïsoleerd huis, direct gevolgen kan hebben voor de inkomenseffecten zoals in dit rapport zijn weergegeven. Iedereen woont in een huurwoning. We gaan uit van € 559 kale huur per maand voor een alleenstaande en € 607 kale huur per maand voor een meerpersoonshuishouden. Deze bedragen zijn gebaseerd op huurtoeslaggegevens van de Rijksoverheid over de gemeente Noordoostpolder. alleenstaande ouders met een inkomen gelijk aan de bijstandsnorm werken niet of zitten in een traject waarbij de kinderopvang wordt vergoed. We gaan ervan uit dat alleenstaande ouders met inkomens tegen 110 en 120 procent Wsm gebruikmaken van twee dagdelen van 4 uur BSO per week. Alleenstaande ouders met en inkomen van 130 procent Wsm maken gebruik van drie dagdelen BSO per week. Dit alles tegen een tarief van € 8,73 (gemiddelde uurprijs in 2023). Bij een paar met twee kinderen en een inkomen hoger dan 100 procent Wsm werkt slechts één van beide partners. Anders is het huishoudinkomen hoger.
Daarom gaan we er vanuit dat deze huishoudens geen kinderopvang nodig hebben omdat één van beide partners thuis is voor de kinderen. Dit is eveneens waarom een paar met kinderen geen combinatiekorting krijgt bij werkaanvaarding. Huishoudens in de bijstand werken niet, en hebben daarom geen werkgerelateerde kosten. Bij een inkomen vanaf 110 procent Wsm werkt één persoon in het huishouden, en is er wel sprake van deze kosten. Huishoudens maken een eigen keuze uit verschillende zorgverzekeraars; de gemeente Noordoostpolder biedt namelijk geen collectieve zorgverzekering aan. Hiervoor is een gemiddelde prijs54 berekend van € 154 per polis. Vanwege het verwachte verschil in zorgkosten geldt de aanname dat AOW-gerechtigde huishoudens gebruikmaken van een uitgebreider zorgverzekeringspakket. Hiervoor is een gemiddelde prijs55 berekend van € 193 per polis. Kinderen tot 18 jaar en AOW-gerechtigden kunnen aanspraak maken op een Meedoenpakket. Volwassenen tot de AOW-gerechtigde leeftijd hebben hier geen recht op. Stichting Leergeld ondersteunt kinderen gemiddeld met een bedrag van € 70 per kind in 202156 en dat bedrag wordt meegenomen in de begrotingen. Gemeente Noordoostpolder is aangesloten bij waterschap Zuiderzeeland. Kwijtschelding is mogelijk voor zuiveringsheffing en watersysteemheffing.
Vanuit de gemeente is volledige kwijtschelding mogelijk van de afvalstoffenheffing (vast en variabel deel) en de rioolheffing.
54 Een basisverzekering met een aanvullende verzekering waarbij 9 fysiotherapie behandelingen worden
verzekerd en een tandartsverzekering. 55 Een basisverzekering met een extra aanvullende verzekering waarbij een laag eigen risico geldt, vrije ziekenhuiskeuze en een uitgebreide tandverzekering. 56 Bron: Jaarverslag Stichting Leergeld Noordoostpolder 2021. Stichting Leergeld heeft aangegeven dat het gemiddelde verstrekte bedrag per kind in eerdere jaren veelal hoger lag. De daling heeft onder meer te maken met de invoering van het gemeentelijke Meedoenpakket, de coronaperiode (geen schoolreizen e.d.) en de invoering van de wettelijke regeling betreffende schoolreizen en ouderbijdrage (waardoor Stichting Leergeld deze vaak niet meer vergoed). Landelijk ziet Stichting Leergeld echter een toename van het aantal aanvragen.
91
Definitief
B8.3 Het effect van het landelijk beleid is groter dan het gemeentelijk beleid In figuur B8.3.1 is de opbouw van het maandelijks totaal inkomen bij een inkomen van 100 procent Wsm per huishoudtype weergegeven. Hier is te zien dat het totale dat huishoudens van het Rijk kunnen ontvangen (zoals bijstandsuitkering, huurtoeslag, zorgtoeslag en de kinderbijslag) hoger is dan de totale gemeentelijke bijdrage, die men kan ontvangen als men gebruikmaakt van alle regelingen. In de praktijk is dit bedrag lager omdat niet alle huishoudens daadwerkelijk gebruikmaken van de beschikbare regelingen. Omdat de aanname is gedaan dat de huishoudens kortdurend minima zijn, is de individuele inkomenstoeslag niet meegenomen in de gemeentelijke bijdragen. Huishoudens met kinderen kunnen een hoger bedrag aan toeslagen vanuit het Rijk en gemeentelijke bijdragen ontvangen dan huishoudens zonder kinderen. Dit komt omdat er regelingen beschikbaar zijn voor specifiek gezinnen dan wel kinderen.
Als voorbeeld: een alleenstaande ouder met twee kinderen (8 en 13 jaar) ontvangt maandelijks € 1.217 aan bijstandsuitkering (inclusief vakantietoeslag). Als hij gebruikmaakt van alle landelijke toeslagen, ontvangt hij daar maandelijks € 1.295 voor. Daarnaast kan hij maximaal € 106 aan gemeentelijke regelingen ontvangen als hij gebruikmaakt van de kwijtschelding gemeentelijke belastingen, het Meedoenpakket (kinderen) en de bijdrage vanuit Stichting Leergeld. Figuur B8.3.1 Maandelijks inkomen op 100% Wsm, uitgesplitst naar huishoudtype
Maandelijkse bijdragen Uitkering
Toeslagen Rijk
Bijdrage gemeente
€ 3.500 € 3.000
€ 164
€ 2.500
€ 83 € 592
€ 2.000 € 1.500
€ 60 € 449
€ 1.000 € 500
€ 164 € 1.295
€ 1.738 € 1.217
€ 99
€ 1.117
€ 68 € 451 € 1.738
€ 1.217
€ 595
€ 1.844 € 1.358
€0 Alleenstaande Paar zonder Alleenstaande Paar met Alleenstaande Paar AOWkinderen ouder met kinderen (8 en AOW-leeftijd leeftijd kinderen (8 en 13 jaar) 13 jaar)
92
Definitief
B8.4 Opbouw maandelijkse gemeentelijke bijdrage op 100% Wsm Uit de vorige paragraaf blijkt dat de (maximale) maandelijkse gemeentelijke bijdrage verschilt per huishoudtype. In figuur B8.4.1. is de opbouw van het totale bedrag aan gemeentelijke regelingen per huishoudtype weergegeven voor minima met een inkomen van 100 procent Wsm. Bij de opbouw van de maandelijkse gemeentelijke bijdrage geven we ook de individuele inkomenstoeslag weer waar minima die drie jaar of langer van een minimuminkomen tot 100 procent Wsm moeten rondkomen, recht op hebben. Als voorbeeld: een alleenstaande ouder ontvangt maandelijks (maximaal) € 94 voor de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, € 58 vanuit het Meedoenpakket (kinderen) vanuit de gemeente. Vanuit Stichting Leergeld kan hij aanspraak maken op een bijdrage van € 12. In totaal ontvangt hij dan € 164 per maand vanuit de gemeentelijke regelingen. Als hij al drie jaar of langer een inkomen op bijstandsniveau heeft, krijgt hij daar bovenop € 49 voor de individuele inkomenstoeslag. Bij een langdurig minimuminkomen ontvangt hij € 213 als gemeentelijke bijdrage. Figuur B8.4.1 Maandelijks bedrag per regeling op 100% Wsm, per huishoudtype
Maandelijkse gemeentelijke bijdragen Individuele inkomenstoeslag Stichting Leergeld Noordoostpolder Meedoenpakket voor ouderen vanaf AOW-gerechtigde leeftijd Meedoenpakket kinderen Kwijtschelding € 250 € 200 € 150 € 54
€ 100
€ 49
€ 54
€ 12
€ 12
€ 58
€ 58 € 17
€ 38 € 50 € 60
€ 83
€ 94
€ 94
€8 € 60
€ 83
€0 Alleenstaande
Paar zonder kinderen
Alleenstaande Paar met Alleenstaande ouder met kinderen (8 en AOW-leeftijd kinderen (8 en 13 jaar) 13 jaar)
93
Paar AOWleeftijd
Definitief
B8.5 Het maandelijks vrij te besteden budget verschilt per huishoudtype Alle minimahuishoudens houden door de gemeentelijke regelingen (meer) geld over voor het doen van vrije bestedingen (bedoeld voor sociale participatie, zie kader). Het Nibud hanteert per huishoudtype een normbedrag dat nodig wordt geacht voor sociale participatie. Deze staan ook in de figuur. Uiteraard zal iemand die nauwelijks geld meer over heeft, dat niet per definitie daaraan besteden. Duiding vrij besteedbaar budget Het vrij besteedbaar budget is bedoeld voor sociale participatie (een krant, abonnement, dagje uit, op bezoek gaan et cetera). Dat huishoudens in de plus staan betekent niet direct dat huishoudens ook op een minimaal niveau sociaal kunnen participeren. Een paar met twee kinderen heeft volgens het Nibud € 309 nodig voor minimale sociale participatie). In figuur B8.5.2 is te zien dat er op bijstandsniveau zonder de gemeentelijke bijdragen niet voldoende budget is voor vrije bestedingen, een paar met twee kinderen heeft dan namelijk een budget van € 198. Indien het paar met kinderen gebruik maakt van alle gemeentelijke regelingen is er (€ 198 + € 164 =) € 362 beschikbaar voor vrije bestedingen. Een paar met kinderen heeft dan voldoende budget voor sociale participatie.
In de volgende figuren staat per huishoudtype het budget dat zij overhouden voor vrije bestedingen weergegeven, opgesplitst in wat zij zonder de gemeentelijke regelingen zouden overhouden en wat de gemeentelijke regelingen toevoegen aan het vrij besteedbaar budget. De meeste huishoudtypen houden bij ieder hoger inkomen ook telkens een groter bedrag over voor het doen van vrije bestedingen.
B8.5.1 Minimahuishoudens zonder kinderen Alleenstaanden hebben bij ieder inkomen voldoende budget voor het doen van vrije bestedingen als zij maximaal gebruikmaken van alle gemeentelijke regelingen. Echter, op bijstandsniveau (100 procent Wsm) hebben alleenstaanden net voldoende voor de norm van minimale sociale participatie (€ 110), maar weinig ruimte voor onvoorziene situaties. Paren zonder kinderen hebben zonder gemeentelijke bijdragen bij een inkomen van 100 procent Wsm onvoldoende budget voor het doen van vrije bestedingen; ze houden weliswaar geld over per maand op bijstandsniveau (€ 117) maar dit is minder dan het normbedrag voor vrije bestedingen (€ 176). Vanaf een inkomen van 110 procent Wsm zijn zij niet meer afhankelijk van de gemeentelijke regelingen; zij kunnen hier boven de inkomensgrens van 100 procent Wsm overigens ook geen gebruik meer van maken.
94
Definitief
Figuur B8.5.1 Maandelijks vrij besteedbaar budget huishoudens zonder kinderen, niet-AOW
Vrij besteedbaar budget: huishoudens zonder kinderen Zonder gemeentelijke bijdrage
Met alle gemeentelijke bijdragen
Alleenstaande
100% Wsm
Paar zonder kinderen
Normbedrag sociale participatie € 110
100% Wsm
€ 110
€ 60
€ 162
110% Wsm
€ 284
120% Wsm
€ 390
130% Wsm € 117
€ 83
€ 221
110% Wsm
€ 322
120% Wsm
€ 391
130% Wsm €0
€ 100 € 200 € 300 € 400 € 500 Normbedrag sociale participatie € 176
€ 600
€ 700
B8.5.2 Minimahuishoudens met kinderen Alleenstaande ouders hebben op ieder inkomensniveau meer budget voor vrije bestedingen dan paren met kinderen. Alleenstaande ouders hebben namelijk langer recht op hetzelfde bedrag aan landelijke toeslagen en ontvangen een hoger bedrag voor het kindgebonden budget. Voor paren nemen de landelijke toeslagen sneller af. Alleenstaande ouders met kinderen hebben op alle inkomensniveaus voldoende budget voor sociale participatie (conform de Nibud norm) en zijn hiervoor niet afhankelijk van gemeentelijke regelingen. Heet bedrag dat alleenstaande ouders met kinderen overhouden bij 110 procent Wsm ligt wel iets lager dan bij 100 procent Wsm. Dit is – naast het wegvallen van het recht op kwijtschelding van gemeentelijke belastingen - te verklaren door werkgerelateerde kosten57 en uitgaven aan kinderopvang. Paren met kinderen zijn daarentegen bij inkomens tegen 100 en 110 procent Wsm afhankelijk van de gemeentelijke bijdragen voor voldoende sociaal participatiebudget, zij houden weliswaar budget over voor vrije bestedingen. maar dat is minder dan de norm die hiervoor staat. Paren met kinderen ervaren geen teruggang in hun vrij besteedbare budget.
Hoewel landelijke toeslagen teruglopen kunnen zij deze daling compenseren met de inkomensstijging, vooral omdat zij het recht op de gemeentelijke regelingen voor kinderen behouden tot 120 procent Wsm (Meedoenpakket) en 130 procent Wsm (Stichting Leergeld58).
57
Tussen 100 en 110 procent Wsm aanvaardt de alleenstaande ouder werk. Daarom worden werkgerelateerde kosten doorgerekend in de inkomenseffecten. 58 Stichting Leergeld vergoedt kosten tot een inkomensniveau van 150 procent Wsm, maar dit inkomensniveau is niet weergegeven in de inkomenseffecten.
95
Definitief
Figuur B8.5.2 Maandelijks vrij besteedbaar budget huishoudens met kinderen, niet-AOW
Vrij besteedbaar budget: huishoudens met kinderen Zonder gemeentelijke bijdrage
Met alle gemeentelijke bijdragen
Alleenstaande Paar met ouder met kinderen (8 en kinderen (8 en 13 jaar) 13 jaar)
Normbedrag sociale participatie € 227 € 328
100% Wsm
€ 164
€ 381
110% Wsm
€ 70 € 508
120% Wsm
€ 70
€ 616
130% Wsm € 198
100% Wsm
€ 164
€ 302
110% Wsm
€ 12
€ 70
€ 403
120% Wsm
€ 70
€ 472
130% Wsm
€ 12
€0 € 100 € 200 € 300 Normbedrag sociale participatie € 309
€ 400
€ 500
€ 600
€ 700
B8.5.3 AOW-gerechtigde minimahuishoudens Alleenstaande AOW-gerechtigden zijn niet afhankelijk van gemeentelijke bijdragen om voldoende budget voor vrije bestedingen te hebben. Wanneer zij (maximaal) gebruikmaken van de beschikbare gemeentelijke regelingen loopt hun vrije bestedingsruimte bovendien verder op. Een AOW-gerechtigd paar heeft de gemeentelijke regelingen nodig om vrij besteedbaar budget te hebben op een inkomensniveau van 100 procent Wsm. Als zij een inkomen tegen 110 procent Wsm of hoger hebben, zijn zij niet afhankelijk van gemeentelijke bijdragen. Figuur B8.5.3 Maandelijks vrij besteedbaar budget per huishoudtype, AOW-gerechtigd
Vrij besteedbaar budget: huishoudens AOW gerechtigd Zonder gemeentelijke bijdrage
Met alle gemeentelijke bijdragen
Paar AOWleeftijd
Alleenstaande AOW-leeftijd
Normbedrag sociale participatie € 110 € 181
100% Wsm
€ 68 € 317
110% Wsm
€8 € 436
120% Wsm
€ 514
130% Wsm € 122
100% Wsm
€ 99 € 299
110% Wsm
€ 17 € 446
120% Wsm
€ 559
130% Wsm €0
€ 100
€ 200
€ 300
€ 400
€ 500
€ 600
€ 700
Normbedrag sociale participatie € 176
B8.6 Werken vanuit de bijstand loont Een hoger inkomen leidt voor alle (voorbeeld)huishoudens in deze rapportage tot een hoger totaal inkomen dan in de bijstand. Er is daarmee geen sprake van een feitelijke armoedeval voor de
96
Definitief
voorbeeldhuishoudtypen in deze inkomenseffectrapportage. Het is wel zo dat voor de meeste huishoudens de bijdragen van het Rijk en de gemeente dalen en/of vervallen wanneer het inkomen stijgt. Dit zorgt ervoor dat het totaal inkomen van een huishouden niet altijd evenredig met het loon stijgt. Hieronder geven we de inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding vanuit de bijstand tot een inkomen van maximaal 130 procent Wsm weer per huishoudtype. Daarna leggen we de inkomensvooruitgang per inkomensniveau uit aan de hand van een casus. In paragraaf 8.9 worden al deze inkomens per huishoudtype uitgesplitst naar inkomenssoort waarmee visueel wordt weergegeven waarom het totaal inkomen stijgt of daalt.
B8.6.1 Alleenstaanden en paren zonder kinderen Zowel alleenstaanden als paren zonder kinderen gaan er bij ieder hoger loon (tot en met 130 procent Wsm) op vooruit ten opzichte van de bijstand; zij krijgen een hoger totaal inkomen. De procentuele inkomensgroei ten opzichte van de bijstand is sterker voor alleenstaanden dan voor paren zonder kinderen. Oftewel: alleenstaanden gaan er méér op vooruit dan paren wanneer ze gaan werken. Dit is te verklaren door het wegvallen van de gemeentelijke regelingen en dalende toeslagen vanuit het Rijk. Bij paren dalen de landelijke toeslagen sneller én harder als ze gaan werken dan bij alleenstaanden (paren krijgen bij 130 procent Wsm maandelijks € 178 minder aan landelijke toeslagen dan in de bijstand terwijl deze afname bij alleenstaanden slechts € 15 is). Figuur B8.6.1 Inkomensvooruitgang t.o.v. 100% Wsm bij werkaanvaarding, huishoudens zonder kinderen
Inkomensgroei huishoudtypes zonder kinderen 110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm
4% Alleenstaande
11% 17% 4%
Paar zonder kinderen
8% 11%
Tabel B8.6.1 Inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding, huishoudens zonder kinderen
Huishoudtype Alleenstaande 100% Wsm 110% Wsm 120% Wsm 130% Wsm Paar zonder kinderen 100% Wsm 110% Wsm 120% Wsm 130% Wsm
Netto inkomen incl. VT
Bijdrage Rijk
Bijdrage gemeente
Totaal inkomen
Verschil tov 100% Wsm (€)
Verschil tov 100% Wsm (%)
1.217 1.338 1.460 1.582
449 449 449 434
60 0 0 0
1.726 1.787 1.909 2.016
62 183 290
+ 4% + 11% + 17%
1.738 1.912 2.086 2.259
592 592 519 414
83 0 0 0
2.413 2.504 2.605 2.673
91 192 261
+ 4% + 8% + 11%
B8.6.2 Alleenstaande ouders en ouderparen Alleenstaande ouders hebben bij ieder hoger loon een hoger totaal inkomen. Procentueel gezien ontvangen zij bijvoorbeeld een hoger inkomen als ze gaan werken tegen een inkomen op 120 procent Wsm dan op 110 procent Wsm. Zij behouden lange tijd hetzelfde bedrag aan landelijke toeslagen en door de combinatiekorting stijgt de Rijksbijdrage zelfs. Het wegvallen van het recht
97
Definitief
op lokale regelingen wordt gecompenseerd door de inkomensstijging waardoor werken tegen een hoger loon, financieel gezien ook méér loont. Ouderparen hebben daarentegen te maken met een demping/ stabilisatie van de procentuele groei van hun inkomen, wanneer het loon stijgt naar 130 procent Wsm (+ € 10; 0 procentpunt groei). Oftewel: hun inkomen stijgt minder snel tussen 120 en 130 procent Wsm dan tussen 100 en 120 procent Wsm. De loonstijging draagt wel voldoende bij aan een compensatie voor het wegvallen van gemeentelijke regelingen en landelijke toeslagen. Figuur B8.6.2 Inkomensvooruitgang t.o.v. 100% Wsm bij werkaanvaarding, huishoudens met kinderen
Inkomensgroei huishoudtypes met kinderen 110% Wsm
120% Wsm
130% Wsm 3%
Alleenstaande ouder met kinderen (8 en 13 jaar)
7% 10% 3%
Paar met kinderen (8 en 13 jaar)
6% 6%
Tabel B8.6.2 Inkomensvooruitgang na werkaanvaarding, huishoudens met kinderen
Huishoudtype
Netto inkomen incl. VT
Bijdrage Rijk
Bijdrage gemeente
Totaal inkomen
Verschil tov 100% Wsm (€)
Verschil tov 100% Wsm (%)
Alleenstaande ouder met twee kinderen (8 en 13 jaar) 100% Wsm 1.217 1.295 164 2.675 110% Wsm 1.338 1.335 70 2.743 68 + 3% 120% Wsm 1.460 1.340 70 2.870 195 + 7% 130% Wsm 1.582 1.346 12 2.939 264 + 10% Paar met twee kinderen (8 en 13 jaar) 100% Wsm 1.738 1.117 164 3.018 110% Wsm 1.912 1.117 70 3.098 80 + 3% 120% Wsm 2.086 1.044 70 3.199 181 + 6% 130% Wsm 2.259 939 12 3.210 191 + 6%
98
Definitief
B8.6.3 Voorbeeldcasus inkomensvooruitgang bij werkaanvaarding Casus: paar met kinderen (zie tabel B8.6.2) Daan en Sam hebben twee kinderen 8 en 13 jaar oud en krijgen een bijstandsuitkering, wat neerkomt op een netto-inkomen van € 1.738 per maand (dit is inclusief vakantietoeslag). Zij hebben maandelijks recht op € 1.117 aan toeslagen van het Rijk. Voor het gezin bestaat dit uit huurtoeslag, zorgtoeslag, kinderbijslag en kindgebonden budget. Tot slot kunnen Daan en Sam rekenen op een financiële bijdrage vanuit de gemeente van € 164 per maand. Dit bestaat uit kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Voor hun kinderen maken zij nog aanspraak op het Meedoenpakket en een bijdrage vanuit Stichting Leergeld. In totaal hebben Daan en Sam een inkomen van € 3.018 per maand. Als Daan of Sam werk krijgt tegen een inkomen van 110 procent Wsm, dan stijgt hun netto-inkomen naar € 1.912 per maand. Zij houden recht op de toeslagen van het Rijk, dus in totaal € 1.117. Ze kunnen geen kwijtschelding meer aanvragen, maar houden wel recht op de andere gemeentelijke regelingen. De gemeentelijke bijdragen zijn dan € 70 per maand. Het totaal inkomen van Daan en Sam is bij een inkomen van 110 procent Wsm € 3.098. Dit is een stijging van € 80 (3 procent) ten opzichte van hun totaal inkomen bij een bijstandsuitkering.
Wanneer Daan of Sam tegen een loon van 120 procent Wsm gaat werken, stijgt hun netto-inkomen naar € 2.086 per maand. De bijdrage van het Rijk neemt iets verder af, en is nu € 1.044. Het gezin behoudt het recht op de gemeentelijke regelingen; het totale bedrag is € 70. Het totale inkomen van het gezin is dan € 3.199 per maand. Dit is € 195 (7 procent) meer dan wanneer zij een bijstandsuitkering hebben. Als Daan of Sam gaat werken tegen een inkomen van 130 procent Wsm dan stijgt hun netto-inkomen naar € 2.259 per maand. De bijdragen van het Rijk dalen verder naar € 939 per maand. Het gezin kan nog aanspraak maken op de ondersteuning vanuit Stichting Leergeld tegen een bedrag van € 12. Het totale inkomen van Daan en Sam is nu € 3.210 per maand, dit is € 191 (6 procent) meer dan toen zij een bijstandsuitkering hadden.
B8.7 Invloed van de energietoeslag Wegens sterk stijgende energiekosten heeft het Rijk in 2022 een tijdelijke energietoeslag geïntroduceerd. Deze tegemoetkoming is in 2023 opnieuw beschikbaar. Hiervoor is een bedrag van € 1.300 per huishouden gereserveerd waarbij de gemeente de precieze beleidskaders zelf mag vaststellen. De gemeente Noordoostpolder keert in 2023 opnieuw een energietoeslag van € 1.300 uit aan minimahuishoudens met een inkomen tot 130 procent Wsm. In de weergave van de inkomenseffecten (tot nu toe) is de energietoeslag buiten beschouwing gelaten wegens de tijdelijke aard van de regeling. De regeling is echter wel beschikbaar in het huidige aanbod aan minimaregelingen vanuit de gemeente Noordoostpolder. Daarom laten onderstaande figuren de invloed van de energietoeslag op het vrij besteedbaar budget en de inkomensvooruitgang van de verschillende huishoudtypen. Invloed op vrij besteedbaar budget Alle huishoudtypen krijgen meer ruimte voor vrije bestedingen als zij in aanmerking komen en gebruikmaken van de energietoeslag; per maand hebben zij € 108 meer te besteden. Dit effect valt met name op voor de huishoudens zonder kinderen. Zij kunnen binnen het reguliere aanbod aan minimaregelingen geen aanspraak maken op een gemeentelijke regeling vanaf een inkomensniveau van 110 procent Wsm; de energietoeslag wordt echter verstrekt tot 130 procent Wsm.
99