3.1 Ruimtelijke onderbouwing - Oosterringweg 39 te Luttelgeest 3.pdf
Tekst van het document
a EcoMilieu Verontreiniging (7) Verontreiniging heeft meestal betrekking op afstroming van water (‘run-off) met daarin bijvoorbeeld zware metalen, organische stoffen of strooizout. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Door de geplande ingrepen komen geen verhoogde concentraties gebieds-, ecosysteem vreemde stoffen vrij. Er wordt gewerkt volgens de reguliere wettelijke normen, waardoor negatieve effecten als gevolg van verontreiniging op kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten daarom niet aan de orde zijn. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Verdroging (8) Door de geplande ingrepen treedt geen verandering op in lokale en regionale kweldruk aangezien het grondwaterpeil onveranderd blijft ten opzichte van de huidige situatie. Er zijn geen veranderingen in de grondwaterhuishouding. Negatieve effecten op kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten als gevolg van verdroging zijn daardoor uit te sluiten. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Verstoring door geluid ill), licht (14). trílling (iţ). optische verstoring (16) en mechgnische effecten (17) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied.
Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijn soorten niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Gezien de geplande ingrepen, situering van het plangebied en afstand van het plangebied tot het N2000 gebied, wordt het onwaarschijnlijk geacht dat de geplande ingrepen leiden tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten. Gezien de beperkte locale aard van de activiteiten die gepaard gaan met de geplande ingrepen, kunnen nadelige effecten door geluid, licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten worden uitgesloten. Cumulatieve effecten Voor zover bekend is, ten aanzien van de geplande ingrepen, op dit moment geen sprake van cumulatieve effecten.
Flora, dagvlinders, libellen, reptielen, vissen, overige insecten en ongewervelde Uit de resultaten van het natuurwaardenonderzoek blijkt dat het voorkomen van beschermde ontheffingsplichtige soorten uit deze soortgroepen in het plangebied, vanwege de terreingesteldheid, situering van het plangebied en verspreidingsgegevens, redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Negatieve effecten op soorten uit deze soortgroepen, zijn daarmee redelijkerwijs uit te sluiten. De geplande ingrepen houden voor deze soortgroepen dan ook geen overtreding van de verbodsbepalingen Wnb in.
Amfibieën en grondgebonden zoogdieren Vrijgestelde soorten Door de geplande ingrepen zijn er mogelijk tijdelijk negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren. Voor algemene amfibieën en grondgebonden zoogdieren geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen vrijstelling van de verboden zoals opgenomen in artikel 3.10 Wnb.
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
«J1
EcoMilieu êé»
Ontheffingsplichtige soorten Er zijn geen ontheffingsplichtige soorten amfibieën of grondgebonden zoogdieren aangetroffen en dezen worden vanwege de terreingesteldheid, situering van het plangebied en verspreidingsgegevens ook niet verwacht in het plangebied. De ingrepen houden voor deze soorten dan ook geen overtreding van de verbodsbepalingen Wnb in.
5-5
Vleermuizen Uit de resultaten van het natuurwaardenonderzoek blijkt dat in het plangebied geen vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen of te verwachten zijn. Er worden in het plangebied tevens geen vliegroutes verwacht. Het plangebied wordt verder potentieel gebruikt door vleermuizen als foerageerroute en -gebied. Gezien de hoeveelheid alternatief foerageergebied in de directe omgeving, wordt door de geplande ingrepen geen negatieve effecten verwacht op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. In Tabel 3 is weergegeven op welke in het onderzoekgebied potentieel voorkomende combinatie van soortfuncties mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn. Tabel 3: De potentieel voorkomende combinatie van soortfuncties in en rond het plangebied en mogelijke negatieve effecten. -M
fū JS Q. Vļ—
3 O > o E
3 O > E ojru
i-
0
-M
-M
fū JS Q. Vļ—
i-
ì-
ISJ
-M
fū JS 3. ų— 3 O > fū fū ŭ.
i-
ì-
řūfū 3. 3 O > O -M c i
Rosse vleermuis Laatvlieger Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Kleine dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis
i-
ì-
Q1
-M
O 3 O O' CU
-M
ì-
s
3 O OO O' řū O O LIìì-
ì-
X X X X X X
X = potentieel aanwezig |= Negatief effect niet te verwachten = Negatief effect op dit moment niet uit te sluiten
5.6
Vogels Alle broedvogels zijn gedurende hun broedseizoen beschermd en mogen in deze periode niet verstoord of geschaad worden. Als broedseizoen wordt gehanteerd: periode van nestbouw, periode van broed op de eieren en de periode dat de jongen op het nest gevoerd worden.
Jaarrond beschermde nesten Uit de resultaten van het natuurwaardenonderzoek blijkt dat in het plangebied geen vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn aangetroffen of worden verwacht.
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
Pagina | 18
EcoMilieu Vanwege de terreingesteldheid, afwezigheid van zicht- en geluidswaarnemingen, sporen, nesten, uitwerpselen etc. tijdens het veldbezoek, vormt het onderzoeksgebied tevens geen essentieel leefgebied van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. De geplande ingrepen houden voor wat betreft vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten en essentieel leefgebied dan ook geen overtreding van de verbodsbepalingen Wnb in.
Jaarrond beschermd functioneel leefgebied In het onderzoeksgebied zijn geen vogelsoorten met jaarrond beschermd functioneel leefgebied aangetroffen en deze worden gezien de terreingesteldheid ook niet verwacht. De geplande ingrepen houden voor deze soortgroep dan ook geen overtreding van de verbodsbepalingen Wnb in.
Overige broedvogels Gezien de terreingesteldheid, worden in het onderzoeksgebied verder alleen functies van algemene broedvogels van het buitengebied verwacht.
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
Pagina | 19
EcoMiíieu
EFFECTENTOETSING GEBIEDSBESCHERMING Op basis van de onderzoeksresultaten en de te verwachten effecten van de ingrepen is een toetsing aan de gebiedsbescherming Wnb, NNN beleid en beschermde houtopstanden Wnb uitgevoerd. Hierdoor is inzichtelijk gemaakt of door de geplande ingrepen mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde N2000 en NNN gebieden of beschermde houtopstanden en of hiervoor een passende beoordeling, danwel een ontheffing I vrijstelling I kapmelding in het kader van de Wnb of NNN vereist is. 6.1
Effectentoetsing Habitattypen N2000 Wnb In een oriënterende toetsing aan de gebiedsbescherming Wnb dient nagegaan te worden of het optreden van (significante) negatieve effecten op aangewezen habitattypen door activiteiten en ontwikkelingen in of nabij N2000-gebieden al dan niet met zekerheid kunnen worden uitgesloten. In sommige situaties dienen ook ruimtelijke ingrepen buiten de begrenzing van deze gebieden getoetst te worden op mogelijke schadelijke uitstralende effecten, de zogeheten ‘externe werking’. Enigzins binnen de externe invloedsfeer op een afstand van ca. 5,3 kilometer rond het plangebied ligt het N2000 gebied Weerribben (fig. 4). Het N2000 aanwijzingsbesluit is weergegeven in bijlage II. Met behulp van de effectenindicator van het Ministerie van EZ, kan een oriëntatie worden uitgevoerd naar potentiële (significante) negatieve effecten op kwalificerende habitattypen door bepaalde activiteiten. De effectenindicator geeft informatie over de meest voorkomende storingsfactoren en de gevoeligheid hiervoor van de aangewezen beschermde habitattypen. In figuur 6 zijn de resultaten van de effectenindicator en daarmee de potentiële optredende storingsfactoren voor het Natura2000 gebied opgenomen ten aanzien van de activiteit industrie.
In deze paragraaf wordt verder ingegaan op de eventuele effecten die de geplande ruimtelijke ingrepen kunnen hebben op de kwalificerende habitattypen van het N2000-gebied. Effectenbeoordeling potentiële storingsfactoren N2000 Vanwege de aard van de ingrepen en de ligging I terreingesteldheid van het plangebied kunnen de volgende negatieve effecten op kwalificerende N2000 habitattypen door de storingsindicator opgesomde storingsfactoren worden uitgesloten. Oppervlakteverlies (1) en versnippering (2) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende habitattypen niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Hierdoor treedt vanwege de geplande ingrepen geen oppervlakteverlies of versnippering op. Deze aspecten worden derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen. Verzurína (lí en vermesting (ã) door N-depositie uit de lucht Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitattypen niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in of rond het plangebied. De voorgenomen plannen kunnen mogelijk extra stikstofemissie tot gevolg hebben. Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
Pagina | 20
EcoMiíieu In dit oriënterend natuurwaardenonderzoek is geen toetsing uitgevoerd aan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op omliggende Natura 2000-gebieden. Eventuele effecten van stikstofemissie op omliggende Natura 2000-gebieden tijdens de aanleg- en gebruiksfase dienen met behulp van de geactualiseerde AERIUS calculator inzichtelijk gemaakt te worden en separaat ter beoordeling voorgelegd te worden aan het bevoegd gezag. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effecten beoordeling meegenomen. Verontreiniging (7) Verontreiniging heeft meestal betrekking op afstroming van water (‘run-off) met daarin bijvoorbeeld zware metalen, organische stoffen of strooizout. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende habitattypen niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied. Door de geplande ingrepen komen geen verhoogde concentraties gebieds-, ecosysteem vreemde stoffen vrij. Er wordt gewerkt volgens de reguliere wettelijke normen, waardoor negatieve effecten als gevolg van verontreiniging op kwalificerende habitattypen niet aan de orde zijn. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen.
(Ō «3
8- 8
ūí (t üíţd.
fr S-
? į s.
I S. S
I ï İ 11 .
8 í
flf 3" 3" 5"r tũ 3 tű 3 Ů. Q3' 3 I» . 3.
Storingsfactor Kra nswi erwateren Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden Vochtige heiden Blauwgraslanden Ruigten en zomen
-i C
CIOIO
^ ^
Q
8 13 14 15 15 17
UEMmuu
IiSiII
■ BIIU i m ei ei 11
■ IIIU
*Galigaanmoerassen
i B y y 11 IiSiII
*Hoogveenbossen
■ IIIU
Overgangs- en trilvenen
I zeer gevoelig M gevoelig M niet gevoelig H n.v.t. -- onbekend
Fig. 6: Potentieel optredende storingsfactoren op beschermde Habitattypen Natura2000 door activiteit woningbouw (bron: synbiosys.alterra.nl).
Verdroging (8) Door de geplande ingrepen treedt geen verandering op in lokale en regionale kweldruk aangezien het grondwaterpeil onveranderd blijft ten opzichte van de huidige situatie. Er zijn geen veranderingen in de (grond)waterhuishouding. Negatieve effecten op kwalificerende habitattypen als gevolg van verdroging zijn daardoor uit te sluiten. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegenomen.
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
Pagina | 21
a EcoMilieu Verstoring door optische verstoring (16) en mechanische effecten (17) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een beschermd N2000 gebied. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende habitattypen niet zijn aangetroffen ofte verwachten zijn in het plangebied. Habitattypen zijn niet gevoelig voor verstoring door licht, geluid of trilling. Gezien de afstand van het plangebied ten opzichte van het N2000 gebied, de beperkte locale activiteiten die gepaard gaan met de geplande werkzaamheden en de ligging van het plangebied, kunnen nadelige effecten door geluid, licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten worden uitgesloten. Dit aspect wordt derhalve niet verder in deze effectenbeoordeling meegeomen. Cumulatieve effecten Voor zover bekend, is ten aanzien van de geplande activiteiten geen sprake van cumulatieve effecten.
Beschermde Houtopstanden Wnb In de Wnb zijn bomen, bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplantingen van bosplantsoenen beschermd als: " de houtopstand buiten de 'bebouwde kom Wet natuurbescherming' ligt; " de houtopstand groter is dan 10 are (1.000 m2); " het om bomen gaat in een rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Het plangebied ligt niet in de bebouwde kom. Er wordt alleen jonge aanplant verwijderd in een bestaande houtwal I erfafscheiding. Deze houtwal wordt verplaatst en blijft daardoor bestaan. Hierdoor zijn negatieve effecten op beschermde houtopstanden of een overtreding van de Wnb voor wat betreft het kappen of verwijderen van beschermde houtopstanden uitgesloten.
Effectentoetsing NNN beleid Het NNN is een netwerk van natuur- en groen-blauwe landschapselementen, waaronder de Ecologische Hoofstructuur (fig. 7). Het plangebied ligt niet binnen de NNN begrenzing. Er is geen afname of versnippering van NNN areaal en er wordt niet binnen de NNN begrenzing gewerkt. Door de geplande ingrepen treedt geen verandering op in lokale en regionale kweldruk aangezien het grondwaterpeil onveranderd blijft ten opzichte van de huidige situatie. Er zijn geen veranderingen in de (grond)waterhuishouding. Negatieve effecten op kwalificerende Habitattypen als gevolg van verdroging zijn daardoor uit te sluiten. Door de geplande ingrepen komen geen verhoogde concentraties gebieds-, ecosysteem vreemde stoffen vrij. Er wordt gewerkt volgens de reguliere wettelijke normen, waardoor negatieve effecten als gevolg van verontreiniging op kwalificerende Habitattypen daarom niet aan de orde zijn. Uit het natuurwaardenonderzoek blijkt dat de kwalificerende Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten of overige beschermde soorten Wnb niet zijn aangetroffen of te verwachten zijn in het plangebied.
Gezien de afstand van het plangebied ten opzichte van omliggende NNN gebieden en de beperkte locale activiteiten die gepaard gaan met de geplande werkzaamheden, kunnen tevens nadelige effecten door geluid, licht, trilling, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten worden uitgesloten, waardoor negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN uitgesloten worden. De geplande werkzaamheden passen daarnaast binnen de gewenste verduurzaming ontwikkelingen in Flevoland.
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
a EcoMilieu
4#
Fig. 7: Plangebied versus omliggende NNN gebieden (bron: PDok).
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
Pagina | 23
*»
EcoMilieu
CONCLUSIES 8t AANBEVELINGEN EcoMilieu Advies heeft een ecologische oriëntatie natuurwetgeving uitgevoerd inzake de onderbouwing voor ruimtelijke planvorming op locatie Oosterringweg 39 te Luttelgeest, gemeente Noordoostpolder, provincie Flevoland. Het plangebied ligt ten noordwesten van de bebouwde kom van Luttelgeest. Het plangebied is in gebruik als Biovergistingsbedrijf. Het onderzoeksgebied betreft loodsen en biobed silo’s met rondomliggend grijs en groen. Gepland staat o.a. de realisatie van een nieuw biobed silo op bestaande verharding, een vacuüm verdampingsinstallatie, een opwaardeer installatie tbv Bio-LNG met opslag tank en laad punt voor vrachtwagens, een opwaardeer installatie tbv groengas en een een CO2 vervloeiing installatie en verplaatsen van een deel van een jonge groensingel. De daaruit voortvloeiende ingrepen zijn het verwijderen van een deel gazon en deel jonge boomaanplant, bouwrijp maken van de gronden, het nieuwbouwen van installaties tbv de biovergisting en verplaatsen van een deel jonge groensingel. Het plangebied ligt niet in het Flevolandse deel van het NNN en ligt op een afstand vanaf ca. 5,3 kilometer ten opzichte van omliggende Natura2000 gebieden. In onderhavig rapport is een oriëntatie uitgevoerd aan gebieds- en soortbescherming in het kader van de Wnb en het NNN beleid.
7.1
Conclusies en aanbevelingen Soortbescherming Wnb Uit de effectentoetsing Soortbescherming Wet natuurbescherming wordt geconcludeerd dat bij uitvoering van de geplande ingrepen negatieve effecten mogelijk zijn op: "
(Broed)vogels.
Er worden door de geplande ingrepen geen negatieve effecten verwacht op de overige beschermde ontheffingsplichtige soorten of aanwezige functies. (Broed)vogels Gedurende de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Verstoring van broedgevallen van vogels dient ten alle tijde te worden voorkomen. Voor de in het plangebied te verwachten vogelsoorten kan hiermee rekening gehouden worden door werkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, globaal wordt de periode half maart tot medio juli aangehouden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het feit dat veel vogels meerdere legsels per jaar kunnen hebben. Om te voorkomen dat vogels tot broeden komen binnen het plangebied kunnen, in overleg met een ecoloog, voorbereidende maatregelen worden getroffen om het plangebied ongeschikt te maken.
Zorgplicht en vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën Indien de planning het toelaat, kan schade aan de algemene vrijgestelde grondgebonden zoogdieren en amfibieën worden geminimaliseerd door werkzaamheden zoveel als mogelijk uit te voeren buiten de voortplantingsperiode februari t/m augustus. De minst schadelijke periode is de vorstvrije periode in september t/m november.
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
Pagina | 24
a EcoMilieu
Wette lijk kader Wet natuurbescherming: Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Çi.3. Beschermingsmaatregelen algemeen. Artikel 1.11. (Zorgplicht) Voor de Nederlandse soort- en gebiedsbescherming gelden tevens de algemene beschermingsmaatregelen van Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming: 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
7.2
Conclusies bescherming Gebieden en houtopstanden Wnb en NNN Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming Het dichtstbijzijnde N2000 gebied Weerribben ligt op een afstand van ca. 5,3 kilometer van het plangebied. Gezien de locale aard van de geplande werkzaamheden, ligging van het plangebied en ruime afstand ten opzichte van het N2000 gebied wordt het onwaarschijnlijk geacht dat de geplande ingrepen leiden tot negatieve effecten op kwalificerende Habitattypen. Vervolgstappen in het kader van de Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming zijn dan ook niet aan de orde.
Beschermde houtopstanden Wnb Door de geplande ingrepen worden geen negatieve effecten op beschermde houtopstanden of een overtreding van de Wnb verwacht voor wat betreft het kappen of verwijderen van beschermde houtopstanden. Een overtreding van de Wnb met betrekking tot beschermde houtopstanden is uitgesloten.
Natuurnetwerk Nederland beleid Het plangebied ligt niet binnen de NNN begrenzing. Er is geen afname of versnippering van NNN areaal en er wordt niet binnen de NNN begrenzing gewerkt. Gezien de afstand van het plangebied ten opzichte van omliggende NNN gebieden en de beperkte locale activiteiten die gepaard gaan met de geplande werkzaamheden worden negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN uitgesloten. Vervolgstappen in het kader van het NNN beleid is dan ook niet aan de orde.
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
Pagina | 25
a EcoMilieu
Aanbevelingen bovenwettelijke maatregelen Bovenwettelijke maatregelen zijn natuurinclusieve inpassingsmaatregelen die wettelijk gezien niet verplicht zijn om een project te realiseren. Duurzaam behoud en ontwikkeling van de biodiversiteit in de ruimtelijke omgeving blijkt echter steeds belangrijker te zijn voor de mens. Vogels en vleermuizen zijn bijv. belangrijke biocontrollers (natuurlijke bestrijders) die plaagsoorten als eikenprocessierupsen, muggen, slakken, wespen, muizen, ratten, etc. effectief en gratis bestrijden. Door tijdens ruimtelijke ontwikkelingen zoals renovatie en nieuwbouw met bijvoorbeeld eenvoudige duurzame houtbetonnen voorzieningen (van bijv. waveka.nl of vivara.nl) in of aan gebouwen natuurinclusief te bouwen, helpt u de natuur te verduurzamen, maar ook zeker de eigen omgeving plaagvrij en leefbaar te houden. De volgende natuurinclusieve aanbevelingen worden gedaan: " "
"
Voor mezen (natuurlijke bestrijding eikenprocessierupsen) kunnen houtbetonnen nestkasten aan opgehangen worden. Voor vleermuizen (natuurlijke bestrijding eikenprocessie(rups)vlinders, muggen, etc.) kunnen houtbetonnen vleermuiskasten opgehangen worden. Vleermuizen kunnen io-tallen vlinders van de eikenprocessierups eten per nacht, die vervolgens geen eieren meer kunnen afzetten op de bomen. Door bij een eventuele beplantingsplan, rekening te houden met de aanplant van rijkelijk bloeiende nectarhoudende bomen en struiken, kunnen de bovenstaande en andere biocontrollers naar het plangebied gelokt worden, om daar hun werk te doen en duurzaam verblijf te nemen.
Er zijn veel soorten natuurinclusieve maatregelen mogelijk. Voor een overzicht van de mogelijkheden om deze en andere natuurinclusieve maatregelen duurzaam in uw project in te passen, wordt doorverwezen naar de volgende links: "
https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/qebouwen/techniekenbeheer-en-innovatie/natuurinclusief-bouwen
"
https://www.arnhemklimaatbestendiq.nl/wp-content/uploads/201qo228Natuurinclusief-bouwen-en-ontwerpen-TOE-Brochure-NIB- 2018-v4.pdf
"
https://www.waveka.nl
"
https://www.vivara.nl
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
EcoMilieu
GERAADPLEEGDE BRONNEN Dietz, C, O. von Heiversen, D. Nill, 2011. Vleermuizen, alle soorten vleermuizen van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Natuur i.s.m. Zoogdierverenining. Kapteyn, K., 1995. Vleermuizen in het landschap; Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Schuyt 81 Co Uitgevers en Importeurs BV/ Provincie NoordHolland, Haarlem. Krijgsveld, K.L., et al, 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels: Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Vogelbescherming Nederland. Gegevensautoriteit Natuur BIJ12, Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging, 2017. Het protocol voor vleermuisinventarisaties. Lange, R., P. Twisk , A. van Winden 81 A. van Diepenbeek, 2003. Zoogdieren van WestEuropa. Stichting Uitgeverij van de KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert 81W. Bongers (red.), 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Ministerie van LNV, 2004. Besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit TRCJZ/2004/5727, houdende vaststelling van rode lijsten flora en fauna. Opzeeland, I. et al, 2007. Herrie onder water: Vissen en geluidsoverlast. De Levende Natuur,jaargang 108, nummer 2. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014. Soortenstandaard Grote modderkruiper 2.0. Sierdsema, H., 1995. Broedvogels en beheer.
Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SOVON-onderzoeksrapport 1995/04. Staatsbosbeheerrapport 1995-1. SOVON, 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels. Nederlands Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij en EIS-Nederland, Leiden. Sparreboom (red.), 1981. De amfibieën en reptielen van Nederland, België en Luxemburg. Twisk, P. et al, 2010. Veldgids Europese Zoogdieren. KNNV Uitgeverij en Zoogdiervereniging. Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra 81T. Westra, 1994. Nederlandse oecologische flora: wilde planten en hun relaties 1 t/m 5. KNNV Uitgeverij IIVN, Utrecht. Websites: SOVON (www.sovon.nl). BIJ12 (www.ndff-ecogrid.nl). RAVON, Reptielen Amfibieën en Vissen Onderzoek Nederland, (www.ravon.nl). Rijkswaterstaat (www.rijkswaterstaat.nl). Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl). Wetten.Overheid (https://wetten.overheid.nl).
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
Pagina | 27
a
EcoMilieu
•4İ
BIJLAGEN
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
Pagina | 28
«»
a EcoMilieu
BIJLAGE I: FOTO-IMPRESSIE 8» PLANONTWERP Plangebied
Plangebied
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
Pagina | 29
a EcoMilieu
Plangebied
Plangebied
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
Pagina | 30
Planontwerp
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
Pagina | 31
BIJLAGE
N2000 AANWIJZINGSBESLUIT
Program mad irectie Natura 2000 | PDN/2013-034 | 034 Weerribben
Natura 2000-gebied Weerribben De Staatssecretaris van Economische Zaken Gelet op artikel 3, eerste lid, en artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206); Gelet op het Uitvoeringsbesluit van de Commissie 2013/26/EU van 16 november 2012 op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad, tot vaststelling van een zesde bijgewerkte lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio (PbEU 2013, L 24/379); Gelet op artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20); Gelet op de artikelen 10a en 15 van de Natuurbeschermingswet 1998;
BESLUIT: Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen: het op de bij dit besluit behorende kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam: Weerribben. 2. De in het eerste lid bedoelde speciale beschermingszone is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire habitattypen zijn met een sterretje (*) aangeduid: H3140 Kalkhoudende oligo-mesotrofe wateren met benthische Chara spp. vegetaties H3150 Van nature eutrofe meren met vegetatie van het type Magnopotamion of Hydrocharitĩon H4010 Noord-Atlantische vochtige heide met Erica tetralix H6410 Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige, of lemige kleibodem (Molinion caeruleae) H6430 Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van de montane en alpiene zones H7140 Overgangs- en trilveen H7210 *Kalkhoudende moerassen met Cladiummaríscus en soorten van het Caricion davallianae H91D0 *Veenbossen 3.
De in het eerste lid bedoelde speciale beschermingszone is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire soorten zijn met een sterretje (*) aangeduid: H1016 Zeggekorfslak (Vertigo moulinsiana) H1042 Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis) H1060 Grote vuurvlinder (Lycaena dispar) H1082 Gestreepte waterroofkever (Graphoderus bilineatus) H1134 Bittervoorn {Rhodeus amaruś) Hl 145 Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) Hl 149 Kleine modderkruiper (Cobitĩs taenia) H1163 Rivierdonderpad (Cottus gobio) H1318 Meervleermuis (Myotis dasycneme) H1903 Groenknolorchis (Liparis loeselii) H4056 Platte schijfhoren (Anisus vorticuius)
ï
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
EcoMilieu
Program mad i recti e Natura 2000 | PDN/2013-036 | 036 Uiterwaarden Zwarte Wateren Vecht
d.
e.
A037 Kleine zwaan (Cygnus bewickii (Cygnus columbianus bewickii)) Al 19 Porseleinhoen (Porzana porzana) A122 Kwartelkoning [Crex crex) A197 Zwarte stern (Chlidonias niger) de in de aanhef bedoelde speciale beschermingszone geldt als te zijn aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 2009/147/EG: A041 Kolgans {Anser aibifrons) A050 Smient (Anas penelope) A054 Pijlstaart {Anas acuta) A056 Slobeend (Anas dypeata) Al25 Meerkoet (Fulica atra) A156 Grutto (Limosa iimosa) A298 Grote karekiet (Acrocephaius arundinaceus) de kaart voor zover van toepassing op het in de aanhef genoemde besluit wordt ingetrokken.
Artikel 3 1. Dit besluit gaat vergezeld van een Nota van toelichting inclusief bijlagen en een kaart die integraal deel uitmaken van dit besluit. 2. De in de artikelen 1 en 2 genoemde speciale beschermingszones vormen samen het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, waarvan de instandhoudingsdoelstelling in de zin van artikel 10a, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 is opgenomen in de Nota van toelichting. Artikel 4 Als onderdeel van het beschermd natuurmonument Kievitsbloementerrein Zwarte Water, zoals aangewezen bij besluit van 1 februari 1977 (NLB/N-22936), komen te vervallen: de in paragraaf 3.5 van de Nota van toelichting van dit besluit bedoelde terreindelen, welke zijn aangegeven op de kaart opgenomen in bijlage A2 bij deze Nota van toelichting Artikel 5 1. De bekendmaking van dit besluit geschiedt in de Staatscourant. 2. Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking in de Staatscourant. De Staatssecretaris van Economische Zaken, w.g. Sharon A.M. Dijksma d.d. 4 juli 2013
Dit aanwijzingsbesluit en de daarbij behorende Nota van toelichting worden gedurende zes weken ter inzage gelegd. De exacte periode en locatie worden vermeld in de bekendmaking die wordt gepubliceerd in de Staatscourant en in de advertentie die wordt gepubliceerd in gedrukte media en op internet. Het aanwijzingsbesluit kan digitaal worden ingezien via de website www.rijksoverheid.nl/natura2000.
Belanghebbenden die hun zienswijze als bedoeld in artikel 3:15 van de Algemene wet bestuursrecht naar voren hebben gebracht of die het redelijkerwijs niet verweten kan worden geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, kunnen gedurende zes weken ná de bekendmaking beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA te Den Haag. 2
Quickscan Natuurtoets Oosterringweg 39 Luttelgeest
Pagina | 33
r
\
BIJLAGE 11
v__________ j
■v
Geurts Technisch Adviseurs
Rapport
Akoestisch onderzoek voor Peters Biogas B.V. aan de Oosterringweg 39 te Luttelgeest (gemeente Noordoostpolder)
Datum
Vrijgave
Oss, 14 februari 2023 8.5574 Ing. R.M. Nijdam 4 14-02-2023
Opdrachtgever
ĽOCİS Adviseurs
Contactpersoon
De heer M. Daalwijk
Projectnummer Auteur Versie
Geurts Technisch Adviseurs BV Postbus 470 5340 AL Oss Telefoon (0412) 62 49 80 E-mail algemeen@geurtsbv.nl Website www.geurtsbv.nl Rabobank 18 04 04 709 BIC RABONL2U IBAN NL55 RABO 0180 4047 09 Handelsregister KvK 16043365 BTW-NL 0058.50.071.B01
Alle opdrachten worden aanvaard en uitgevoerd overeenkomstig de Rechts verhouding opdrachtgever-architect, ingenieur en adviseur DNR 2011.
• Machine-
en
apparatenbouw
M
ndustriële
Automatisering
A Proces
en
m
ieutechniek
•f ínhoud 1
Inleiding...............................................................................................................................3
2 2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.2.4 2.2.5 2.2.6 2.2.7 2.2.8 2.3 2.4 2.4.1 2.5
Bedrijfsomschrijving........................................................................................................... 4 Algemeen.............................................................................................................................4 Geluidmetingen I bronvermogens..................................................................................... 5 Lossen mest I co-producten............................................................................................... 5 Vergisters I stationaire bronnen mestvergisting...............................................................5 Opslag akkerbouwproducten (uien)................................................................................... 6 Gasopwaardering I overkapping loods K...........................................................................6 Luchtwasser en biobed loods G......................................................................................... 7 WKK installatie.....................................................................................................................7 Shovel..................................................................................................................................8 Overige geluidbronnen.......................................................................................................
8 Representatieve bedrijfssituatie (RBS)...............................................................................9 Incidentele bedrijfssituatie (IBS)...................................................................................... 12 Piekafvoer mest.................................................................................................................12 Uitgangspunten.................................................................................................................12
3 3.1 3.2
Normstelling......................................................................................................................13 Nota geluid onderdeel industriegeluid gemeente Noordoostpolder............................. 13 Indirecte hinder (verkeersaantrekkende werking)..........................................................13
4 4.1 4.2 4.3
Rekenmodel.......................................................................................................................14 Overdrachtsberekeningen................................................................................................ 15 Geluidsbronnen.................................................................................................................16 Bedrijfsduur.......................................................................................................................17
5 5.1 5.2 5.3 5.4
Rekenresultaten................................................................................................................19 Overdrachtsberekeningen representatieve bedrijfssituatie (RBS)................................. 19 Incidentele bedrijfssituatie (IBS)...................................................................................... 19 Beste Beschikbare Technieken (BBT)............................................................................... 20 Indirecte Hinder................................................................................................................ 21
6
Conclusie............................................................................................................................22
Bijlage(n) Bijlage I Bijlage II Bijlage III Bijlage IV Bijlage V Bijlage VI
Milieutekening situatie en plattegrond Invoergegevens representatieve bedrijfssituatie (RBS) Rekenresultaten representatieve bedrijfssituatie (RBS) Invoergegevens en rekenresultaten incidentele bedrijfssituatie (INC) Indirecte hinder Bronvermogens 7 geluidmetingen
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaand schríftelijk toestemming van Geurts Technisch Adviseurs BV.
1
Inleiding In opdracht van Locis Adviseurs is door Geurts Technisch Adviseurs BV een onderzoek uitgevoerd naar de geluidsemissie van Peters Biogas B.V. aan de Oosterringweg 39 te Luttelgeest (gemeente Noordoostpolder). Op het bedrijf is een biogasinstallatie op basis van mestvergisting (co-vergisting) ten behoeve van opwekken van groen gas (biogas) in combinatie met een WKK-installatie voor opwekking van elektriciteit aanwezig en vinden akkerbouwactiviteiten plaats zoals opslag van uien en stalling van materieel. Er wordt een verruiming van de vergistingscapaciteit aangevraagd (van 50.000 naar 80.000 ton/jaar). Het bedrijf is tevens voornemens de bestaande activiteiten (productie van biogas) uit te breiden met een installatie waarmee LNG (Liquified Natural Gas) kan worden geproduceerd en vindt vervloeiing van C02 plaats (opslag van vloeibaar C02). In het akoestisch onderzoek worden de akoestische effecten als gevolg van de bedrijfsactiviteiten inzichtelijk gemaakt en wordt de geluidsbelasting inzichtelijk gemaakt ter plaatse van de meest nabij gelegen woningen van derden en op 50 meter van de terreingrens. De geluidbelasting wordt vervolgens getoetst aan de van toepassing zijnde streefwaarden uit de Nota geluid onderdeel industriegeluid gemeente Noordoostpolder en de Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening (1998).
Het onderzoek is uitgevoerd volgens de "Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai" 1999 met behulp van het rekenprogramma industrielawaai Geomilieu 2022.4
8.5574/14-02-23 Pagina 3 van 22
2
Bedrijfsomschrijving
2.1
Algemeen Het onderzoek heeft betrekking op het bedrijf aan de Oosterringweg 39 met de bedrijfstakken akkerbouw en mestvergisting waarbij onder andere opwaardering naar groen gas en LNG plaatsvindt. Het bedrijf is gelegen in het buitengebied van de gemeente Noordoostpolder op circa 2 kilometer ten westen van Luttelgeest. De meest nabij gelegen geluidgevoelige bestemmingen liggen ten noorden en oosten van het bedrijf aan de Oosterringweg 36, 37 en 38 en ten westen aan de Kuinderweg 25 en 27.
De akoestisch relevante bedrijfsactiviteiten in het bedrijf zijn ventilatoren (biobed, akkerbouw opslagloods, opslagsilo's en gasopwaardering installatie) koelinstallaties en roerwerken en in mindere mate de WKK-installatie en transportbewegingen en laaden losactiviteiten. In bijlage I is de geactualiseerde milieutekening van de locatie bijgevoegd.
8.5574/14-02-23 Pagina 4 van 22
2.2
Geluid metingen I bronvermogens Op woensdag 2 november 2022 zijn geluidmetingen verricht aan de bestaande aanwezige stationaire geluidbronnen en enkele mobiele geluidbronnen en laad- en losactiviteiten. De geluidmetingen zijn verricht met een geluidniveaumeter fabricaat Cirrus (G303528 met software type CR:171B) en bijbehorende kalibrator. Voor en na de geluidmetingen is het meetsysteem gekalibreerd. In bijlage VI zijn de resultaten van de geluidmetingen weergegeven evenals de bepaling van de bronvermogens conform de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (H.M.R.I.). In onderstaande paragrafen zijn de geluidmetingen nader toegelicht waarbij de methoden 11.2, 11.3 en 11.7 verwijzen naar de betreffende meet- en rekenmethoden uit de H.M.R.I..
2.2.1
Lossen mest Z co-producten
Tijdens het lossen van mest is een geluidmeting verricht op enige afstand aan de achterzijde van de vrachtwagen (eigen losinstallatie) en op enige afstand aan de voorzijde van de vrachtwagen (stationair draaien motor). Met methode 11.2 is het bronvermogen bepaald op respectievelijk 108 dB(A) (nr. 91) en 106 dB(A) (nr. 92). Voor het lossen van mest is deze worst case situatie aangehouden evenals de piekafvoer en laden van mest. Later op de dag is nog een vrachtwagen (stillere uitvoering) mest komen lossen waarbij dezelfde metingen herhaald zijn en middels methode 11.2 de bronvermogens zijn bepaald op pomp achterzijde: 100 dB(A) (nr. 122) en stationair draaien vrachtwagen: 99 dB(A) (nr. 123). Hieruit blijkt dat er een spreiding zit in de verschillende losinstallaties en vrachtwagens. Aangezien het lossen van co-producten op basis van kengetallen en ervaringscijfers over het algemeen stiller is dan het laden van mest, zijn bovengenoemde bronvermogens daarvoor gehanteerd. Voor het laden/lossen van mest zijn bovenstaande worst case bronvermogens gehanteerd. De geluidbronnen zijn gemodelleerd met de optie "negeer reflectie" om te corrigeren voor de reflecties die optraden tijdens het meten op de locaties tussen de silo's en loods K.
2.2.2
Vergisters Zstationaire bronnen mestvergisting
Op het terrein zijn verschillende silo's aanwezig (vergister 1 t/m 6 en hydrolyse/mest opslag silo op tekening). Per silo zijn 1 ventilatoren voor het op drukhouden van het afdekzeil en een 1 uitlaat ontluchting aanwezig en een aantal roerwerken (motoren) afhankelijk van de grootte van de silo (in totaal 22 stuks). Aan de ventilator voor beluchting, de ontluchting en roerwerk van silo 5 zijn geluidmetingen verricht en met methode 11.2 de bronvermogens bepaald op 87 dB(A) (nr. 93), 81 dB(A) (nr. 96) en 91 dB(A) (nr. 94). De geluidbronnen nr. 93 en 94 zijn gemodelleerd met de optie "negeer reflectie" om te corrigeren voor de reflecties die optraden in de wand van de betreffende vergister. Bij het meten aan geluidbron nr. 96 traden geen reflecties op. Aan de ventilator van silo 6 is nog een aanvullend geluidmeting verricht en is het bronvermogen bepaald op 84 dB(A) (nr. 100). Voor alle vergisters is in het rekenmodel uitgegaan van de meting aan silo 5 (worst case). De ventilatoren, ontluchting en roerwerken van de vergistingssilo's zijn gedurende 330Zo van de tijd in werking (10 minuten aan 20 minuten uit).
8.5574/14-02-23 Pagina 5 van 22
2.2.3
Opslag akkerbouwproducten (uien)
In loods H, I en J vindt in verschillende opslagvakken (cellen) opslag van uien plaats. Ten behoeve van het ventileren van de ruimte (drogen van de producten) zijn in de oostgevel enkele ventilatoren inpandig aanwezig en vindt luchtaanzuiging via een rooster met overkapping plaats. Tijdens het in werking zijn van de ventilatoren van één van de 3 cellen nabij de oostgevel is een meting in het open geveldeel onder de overkapping uitgevoerd en middels 11.3 het bronvermogen bepaald op 90 dB(A). Deze bron is vervolgens 3 maal (98 a, b en c) in het rekenmodel opgenomen voor de worst case situatie dat alle ventilatoren in deze gevel in werking zijn. In de voorgevel van de loods is een geluidmeting verricht om de geluiduitstraling van de ventilatoren door de opslag en open voorgevel te bepalen. Met methode 11.3 is het bronvermogen bepaald op 86 dB(A) (nr. 102). Daarnaast is onder de overkapping een koelinstallatie aanwezig voor de koeling van producten. Deze was ten tijde van de metingen buiten werking maar kan in een worst case situatie (warme periode) in werking zijn en is derhalve handmatig ingeschakeld. Op afstand is een geluidmeting verricht en met methode 11.2 het bronvermogen bepaald op 97 dB(A) (nr. 99). In de achtergevel van de loods is een gevelopening aanwezig met daarachter een ruimte waar nog een koelinstallatie ten behoeve van de akkerbouwproducten staat opgesteld.
In het meetvlak is een geluidmeting verricht en het bronvermogen is bepaald middels methode 11.3 op 88 dB(A) (nr. 101). In loods K vindt in het oostelijk gedeelte eveneens opslag van akkerbouwproducten plaats. In de voorgevel (noordzijde loods) zijn 4 luiken aanwezig waardoor lucht wordt aangezogen voor ventilatie en koeling van producten die inpandig zijn opgeslagen. Deze installatie is handmatig ingeschakeld waarbij aan 2 luiken gelijktijdig op voldoende afstand een geluidmeting is verricht en het bronvermogen is bepaald met methode 11.2 op 92 dB(A) (nr. 103). Aangezien er 4 luiken aanwezig zijn is deze geluidbron 2 maal in het model opgenomen (103 a en b) en gemodelleerd als normale puntbron zonder gevelreflectie. Aan het luchtkanaal van het biobedfilter van loods K aan de voorzijde is een geluidmeting verricht en middels methode 11.2 het bronvermogen bepaald op 74 dB(A). Deze bron was nauwelijks waarneembaar De ventilator is inpandig geplaatst en akoestisch niet relevant naar de omgeving.
2.2.4
Gasopwaardering f overkapping loods K
Aan de westzijde van loods K is een overkapping aanwezig. Onder de overkapping staat een installatie voor gasopwaardering opgesteld waarin het gas uit de vergisting wordt opgewerkt naar groengas dat geleverd kan worden aan het gasnet. De installatie is in een omkasting geplaatst waarbij de gevelopeningen I ventilatieroosters een relevante geluidemissie veroorzaken. Hieraan zijn metingen verricht en met behulp van methode 11.2 de bronvermogens bepaald (nr. 105 t/m 109) variërend van 83 tot 90 dB(A). Daarnaast zijn nog enkele koelinstallaties in werking waaronder de koeler Lennox akoestisch het meest relevant is. Op een afstand van 18 meter in westelijke richting is
8.5574/14-02-23 Pagina 6 van 22
een geluidmeting verricht en het bronvermogen bepaald met methode 11.2 op 98 dB(A) (nr. 113). Op een tweetal punten op 6 meter van de overkapping is een controlemeting verricht waarbij zowel de gasopwerking als de koeler relevant waren. Hier zijn geluidniveaus van 72 en 71 dB(A) gemeten (zie bijlage VI) hetgeen overeenkomst met de berekende deelbijdrage van de stationaire bronnen op deze punten met een onzekerheid van maximaal 4- of- 1 dB(A). Op het dak van het afdak is nog een koelinstallatie aanwezig. Op enige afstand is een geluidmeting verricht en het bronvermogen is bepaald met methode 11.2 op 92 dB(A) (nr. 120). De bronnen onder het afdak zijn als puntbron zonder reflecties in het gebouw gemodelleerd (en dus niet als afstralende gevel) omdat deze zich meer als puntbron gedragen ten aanzien van de verspreidingsberekeningen. Het betreft de ventilatoren en kleine roosters in de gevels van de opwaardeerunits (bronnen 105 t/m 109) en een onder het afdak opgestelde koelinstallatie (bron 113).
2.2.5
Luchtwasser en biobed loods G
Loods G (verwerkingsruimte) is aangesloten op een luchtwasser en na geschakeld biobed. De ventilator die akoestisch relevant is staat buiten opgesteld, is na de luchtwasser geplaatst en zuigt de lucht vanuit de ruimte door de luchtwasser. Vervolgens wordt de lucht via luchtkanalen naar het biobed geleid. Aan de ventilator is een meting verricht in westelijke richting (op 10 meter 75 dB(A)) waarbij meerdere reflecties tussen de gebouwen optraden en in mindere mate de bijdrage van de leidingen ook gemeten is. Met methode 11.2 is na correctie van 3 dB(A) het bronvermogen bepaald op 101 dB(A) (nr. 117). In oostelijke richting is op 10 meter afstand een meting gedaan waar de bijdrage van de leidingen (bron 116) op het geluid ter plaatse verwaarloosbaar was en blijkt het bronvermogen bepaald met methode 11.2 (70 dB(A) op 10 meter) circa 2 dB(A) lager te zijn (99 dB(A)). Worst case is uitgegaan van het bronvermogen van 101 dB(A) (nr. 117) omdat de ventilator in noordwestelijke richting meer geluid uitstraalt dan in oostelijke richting. Wel is de optie "negeer reflectie" gehanteerd omdat in noordwestelijke richting is gemeten waarbij meerdere reflecties optraden en in oostelijke richting waarbij in minimaal één object reflecties optraden.
Aan de leidingen van de ventilator naar het biobed (opgedeeld in 3 onderdelen) zijn ook metingen verricht en met methode 11.3 (rondom methode) de verschillende bronvermogens bepaald (nr. 114, 115 en 116) (90 - 93 dB(A)). Hierbij is zowel het luchtgeluid als het ventilatorgeluid door de leidingen relevant. De bronnen zijn gemodelleerd als lijnbronnen waarbij het totale berekende bronvermogen van een leidingdeel van enkele meters is gemodelleerd. De geluidbronnen zijn gemodelleerd met de optie "negeer reflectie" om te corrigeren voor de reflecties die optraden tijdens het meten op de locatie tussen de vergisters en het biobed.
2.2.6
WKK installatie
Aan de uitlaat van de WKK-installatie is een geluidmeting verricht en met methode 11.2 het bronvermogen bepaald op 86 dB(A) (nr. 121). Deze uitlaat bevindt zich op een hoogte van 10 meter. Er is op korte afstand gemeten (hoogwerker) waarbij de
8.5574/14-02-23 Pagina 7 van 22
bijdrage van het omgevingsgeluid (bron 119 roosters) verwaarloosbaar was. De koelinstallatie (bron 13*) was buiten werking. Een van de koelinstallaties op het dak van het WKK-gebouw is volledig buiten werking en de andere koelinstallatie functioneert als noodkoeler. Deze is alleen bij calamiteiten in werking en in gevallen waarin de WKK-installatie buiten werking is. Deze geluidbron is derhalve niet meegenomen (nr. 13*). In de gevel van het WKK-gebouw zijn enkele gedempte roosters aanwezig. Ook hieraan is een geluidmeting verricht en met methode 11.3 op korte afstand zonder stoorgeluid het bronvermogen bepaald op 78 dB(A) (nr. 119). 2.2.7
Shovel
De shovel waaraan een geluidmeting is verricht (Volvo L60H) is over het algemeen in de loods voor opslag van co-producten (loods K) aanwezig voor verschillende werkzaamheden en tevens gedeeltelijk in de verwerkingsruimte (loods G). Tussendoor kan de shovel sporadisch op het buitenterrein in werking zijn voor intern transport. Tevens is nog een andere shovel in gebruik (voornamelijk inpandig) welke een lager vermogen heeft (Giant knik loader V452T). Worst case wordt uitgegaan van het gebruik van de Volvo LH60 op het buitenterrein. Tijdens het manoeuvreren op het buitenterrein is een geluidmeting verricht en het bronvermogen bepaald met methode 11.2 op 99 dB(A) (nr. 124). Tijdens inpandige werkzaamheden waarbij de overheaddeur geopend is, is eveneens een geluidmeting verricht en met methode 11.3 het bronvermogen van de geopende deur bepaald op 78 dB(A) (nr. 126). In verband met geurverspreiding zijn de overheaddeuren van loods K zoveel mogelijk gesloten. Het komt derhalve slechts sporadisch voor dat deze deur geopend is.
2.2.8
Overige geluidbronnen
Voor de overige geluidbronnen is voor wat betreft de bronvermogens uitgegaan van ervaringscijfers en geluidmetingen op vergelijkbare locaties, te weten: Vrachtwagens rijden I manoeuvreren: 102 dB(A); Tractoren rijden: 104 dB(A); Tractoren stationair: 98 dB(A); Personenauto's en bestelbussen: 91 en 92 dB(A); Propaan lossen: 102 dB(A); Laden/lossen C02 container 101 dB(A); Vrachtwagen stationair: 96 dB(A); Piekgeluid vrachtverkeer: 103 dB(A); Piekgeluid tractoren: 104 dB(A). Voor de nieuw te plaatsen geluidsbronnen is uitgegaan van de aanzichts- en 3D tekening van de installatie en de proces omschrijving (zie bijlage VI). Ten aanzien van de relevant geluidemissie wordt uitgegaan van een koelinstallatie (condensor) en de containers van de LNG installatie. Op basis van specificaties van de leverancier (zie bijlage VI) is uitgegaan van onderstaande bronvermogens: Warm glycol air cooler (5): Lw = 85 dB(A); MR Compressor package (4) in container: Lw = 85 dB(A); Container met 3 x cooling module (6 - 8) -r warm glycol pump (6) + ammoniak verdichter (8): Lw = 91 dB(A) (4 x 85 dB(A) + 70 dB(A) logaritmisch opgeteld);
8.5574/14-02-23 Pagina 8 van 22
2.3
Representatieve bedrijfssituatie (RBS) De maximaal representatieve bedrijfssituatie betreft activiteiten die vaker dan 12 keer per jaar plaatsvinden en mogelijk gelijktijdig op één en dezelfde dag plaatsvinden. Hierbij is rekening gehouden met alle mogelijke laad- en loslocaties en er als worst case scenario van uit gegaan dat het aanvoeren van voer, laden en lossen van dieren en aan- en afvoer van overige producten allen gelijktijdig op een dag plaatsvinden.
AanVafvoer diversen Dagelijks bezoekt één vrachtwagen van derden de inrichting voor de aan- of afvoer van diverse goederen. Dit betreft de aan-of afvoer van spuiwater, diesel, zuur, bestrijdingsmiddelen, propaan en dergelijke. Deze activiteiten vinden jaarlijks gezien beperkt plaats en niet binnen hetzelfde etmaal. Met het onderzoek is de aanvoer van propaan nader beschouwd. Hiervoor bezoekt 1 vrachtwagen van derden in de dagperiode het bedrijf (mobiele bron M07). Het lossen van propaan duurt ten hoogste 25 minuten (puntbron 27).
AanVafvoer mest en co-producten. De aanvoer van mest en co-producten vindt het gehele jaar plaats. Ervan uitgaande dat per vracht 36 ton product getransporteerd kan worden, verdeeld over circa 51 weken à 5,5 werkdagen per jaar betekent dat er 4 vrachten per dag voor de aanvoer van mest plaatsvinden, 4 vrachten per dag voor de aanvoer van co-product en 8 vrachten voor de afvoer van een biomassa mengsel voor derden, digestaat en watercondensaat. Het transport vindt met vrachtwagens plaats. Derhalve vinden er 8 bewegingen met een vrachtwagen in de dagperiode plaats voor de aanvoer van mest (mobiele bron M01), 8 bewegingen voor de aanvoer van vaste of vloeibare co-producten (mobiele bron M01) en 16 bewegingen voor de afvoer van eindproducten (mobiele bron M03). Met het onderzoek is uitgegaan dat het lossen van mest en het laden van eindproducten 20 minuten per vracht duurt, waarbij een verdringerpomp in bedrijf is (puntbron 91 a en b) en de vrachtwagen stationair in bedrijf is (puntbron 92 a en b). Het lossen (kiepen) van vaste co-producten vindt in loods K plaats en duurt 5 minuten per vracht. Het lossen van vloeibare co-producten vindt nabij loods G plaats, duurt 20 minuten per vracht en is als maatgevende activiteit beschouwd (puntbronnen 122 en 123).
Bezoekers Met een personenauto vinden om bedrijfsmatige redenen 20 bewegingen in de dagperiode plaats, 10 bewegingen in de avondperiode en 4 bewegingen in de nachtperiode (personeel, vertegenwoordigers). Daarnaast vinden er 6 bewegingen met een bestelbus in de dagperiode plaats (mobiele bronnen M03 en M04).
Shovel Binnen de inrichting is een shovel (of kniklader) 4 uur in de dagperiode in bedrijf voor het uitvoeren van diverse werkzaamheden, waaronder het toevoegen van vaste coproducten aan de vergistingsinstaIlatie en intern transport (nr. 124 a t/m d). Het gebruik van een shovel is worst case gemodelleerd door het uitgangspunt dat deze gedurende lange tijd buiten in werking is, terwijl deze in de praktijk voornamelijk inpandig wordt gebruikt en dan niet akoestisch relevant is. De overheaddeur (nr. 126) is gedurende maximaal 1 uur in de dagperiode geopend waarbij er worst case van is uitgegaan dat een shovel daarbij inpandig werkzaamheden verricht.
8.5574/14-02-23 Pagina 9 van 22
Tractoren Voor het akkerbouwbedrijf vinden er met tractoren ten hoogste 10 bewegingen in de dagperiode, 4 bewegingen in de avondperiode en 2 bewegingen in de nachtperiode plaats (mobiele bron M05). Nabij de werktuigenberging is een tractor 30 minuten stationair in bedrijf voor het aan- of afkoppelen van landbouwmachines (puntbron 21). Deze activiteiten zijn inclusief de aanvoer van uien, wortelen, aardappelen, grondbewerking en gewasverzorging op de percelen elders en dergelijke. Het inpandige laden of lossen van akkerbouwproducten in de loods met open gevel is verdisconteerd in bron nr. 102 (8 uur in de dagperiode). Het inpandige lossen in het akkerbouwgedeelte van loods K gebeurt met gesloten deur en is akoestisch niet relevant. Voor de afvoer van landbouwproducten gedurende enkele dagen per jaar vinden ten hoogste 6 bewegingen met een vrachtwagen van derden plaats in de dagperiode (mobiele bron M06). De aan- en afvoer vinden normaal gesproken niet gelijktijdig plaats toch zijn beide in de berekening meegenomen. De heftruck wordt voornamelijk inpandig gebruikt en is in zoverre akoestisch niet relevant. Voor de sporadische keren dat de heftruck buiten wordt gebruikt is dit verdisconteerd in de worst case modellering van de shovel op het buitenterrein.
Weegbrug Op de weegbrug zullen vrachtwagens ten hoogste 1 uur in de dagperiode stationair in bedrijf zijn (puntbron 25). Tractoren zullen aldaar ten hoogste 10 minuten enkel in de dagperiode stationair in bedrijf zijn (puntbron 26). Afvoer CO2 Binnen de inrichting is een gasopwaardeer unit geplaatst welke het biogas geschikt maakt voor levering aan het gasnet. Deze unit kan het gehele etmaal in bedrijf zijn (puntbron 29). Bij de opwaardering komt C02 vrij welke wordt opgeslagen in een container. De afvoer van C02 vindt 1 keer per week plaats middels een vrachtwagen van derden naar de omliggende glastuinbouwbedrijven (mobiele bron M08). Het verwisselen van een container duurt ten hoogste 10 minuten (puntbron 28). Stationaire bronnen De ventilatoren, ontluchting en roerwerken van de vergistingssilo's zijn gedurende 33,30Zo van de tijd in werking (10 minuten aan 20 minuten uit) oftewel 4,33 uur in de dagperiode, 1 uur in de avondperiode en 2,67 uur in de nachtperiode. De capaciteit voor de opslag van landbouwproducten is afgestemd op de opslag van uien gedurende een nat jaar. Normaal gesproken kan de inrichtinghouder de oogst van de producten sturen en daarmee droog aanvoeren en is de volledige capaciteit niet benodigd. Enkel in geval van een calamiteit (niet jaarlijks) wordt nat product aangevoerd.
Na de opslag van de producten kunnen de ventilatoren 5 dagen volledig in bedrijf zijn in geval van een calamiteit. Daarna draaien ze gedurende 4 weken 8 uur per dag en na 4 weken nog 2 uur per dag. Doordat normaal gesproken droog product wordt aangevoerd behoeven de ventilatoren in de eerste 5 dagen niet 24 uur in bedrijf te zijn en kan de inrichtinghouder sturen naar bijvoorbeeld in de avond- en of nachtperiode. Verder blijkt dat de loodsen niet in 1 keer vol gereden worden. Dit betekent dat beide ventilatorgroepen nooit gelijktijdig gedurende 24 uur per etmaal in bedrijf zijn maar in een representatieve bedrijfssituatie ten hoogste 8
8.5574/14-02-23 Pagina 10 van 22
uur per dag (bronnen 98 a, b, c en 102). De ventilatoren voor de opslag van landbouwproducten zuigen de lucht aan van buiten en blazen de lucht door het opgeslagen product. De koelinstallaties (bronnen 99 en 101) zijn in de dagperiode ten hoogste 800Zo van de tijd in werking, in de avondperiode 600Zo en in de nachtperiode 4007o. In loods K vindt in het oostelijk gedeelte eveneens opslag van akkerbouwproducten plaats. In de voorgevel (noordzijde loods) zijn 4 luiken aanwezig waardoor lucht wordt aangezogen voor ventilatie en koeling van producten die inpandig zijn opgeslagen. De installaties zijn gedurende maximaal 8 uur in de dagperiode in werking in een warme periode. De opslagloods K (westelijk gedeelte opslag co-producten etc.) wordt geventileerd met een ventilator (inpandig) waarbij de lucht wordt afgevoerd via een biobed (container aan de voorzijde van het gebouw). De ventilator om de lucht door het biobed te drukken is voor het biobed inpandig geplaatst waarbij het luchtkanaal buiten het gebouw nauwelijks een relevante geluidemissie veroorzaakt (bron 104). Deze is mogelijk continu in werking. De installaties van de gasopwerking onder en op de overkapping (bronnen 105 t/m 109, 113 en 120) zijn continu in werking, oftewel 13 uur in de dagperiode, 3 uur in de avondperiode en 8 uur in de nachtperiode.
De verwerkingsloods (loods G) wordt geventileerd middels een luchtwasser met na geschakeld een biobed. De ventilator (bron 117) evenals de leidingen naar het biobed (bronnen 114, 115, 116) zijn hierbij akoestisch het meest relevant. Deze installatie is continu in werking, oftewel 13 uur in de dagperiode, 3 uur in de avondperiode en 8 uur in de nachtperiode. In het WKK-gebouw zijn diverse geluidsbronnen aanwezig ten behoeve van de energieopwekking van de vergistingsinstaNatie. Ten eerste is er een uitlaat van een WKK-installatie aanwezig (nr. 121). Ten tweede is er één interkoeler aanwezig (nr. 13) die alleen bij calamiteiten in werking is. Ten derde is er één gedempte luchtinlaat (roosters) aanwezig in de gevel van de procesruimte (nr. 119). Met het onderzoek is uitgegaan dat de geluidsbronnen nr. 119 en 121 continu in bedrijf zijn, oftewel 13 uur in de dagperiode, 3 uur in de avondperiode en 8 uur in de nachtperiode. Ten westen van loods K is de installatie voor productie van LNG voorzien. Installatie met koeling is continu in werking (puntbron 201 t/m 203). Daarnaast komt gemiddeld één maal per 2,5 dag een vrachtwagen/tankwagen om LNG te laden en af te voeren (in de dagperiode). Dit zal niet leiden tot een toename in verkeersbewegingen in de reeds omschreven maximaal representatieve bedrijfssituatie.