CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

3.1 Bestemmingsplan Landelijk gebied Oosterringweg 53 te Bant.PDF

Commissie Woonomgeving 16 maart 2021, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 3: Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant'23.144 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

BESTEMMINGSPLAN

Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant Gemeente Noordoostpolder

COLOFON Plannaam

Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te bant

Plannummer

NL.IMRO.0171.BP29111-ON01

Datum

augustus 2020

Status

ontwerp

Opdrachtgever

Korfker Architecten

Projectteam Witpaard

Ruben Beens Andor Keur Loek Schaerlaeckens

Projectnummer

0171.970SW19

Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 2

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Algemeen 1.2 De bij het plan behorende stukken 1.3 Situering van het plangebied 1.4 Overzicht vigerende planologisch-juridische regeling 1.5 Leeswijzer

7 7 7 8 9 9

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Aanleiding 2.2 Het plan

11 11 12

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Algemeen 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid

15 15 15 16 19

Hoofdstuk 4 Ruimtelijke en milieuaspecten 4.1 Cultuurhistorie/archeologie 4.2 Milieuzonering 4.3 Bodem 4.4 Ecologie 4.5 Geluid 4.6 Externe veiligheid 4.7 Verkeer en parkeren 4.8 Luchtkwaliteit 4.9 Besluit milieueffectrapportage 4.10 Water

25 25 27 27 29 31 33 34 35 36 37

Hoofdstuk 5 Bestemmen 5.1 Planregels 5.2 Voorliggend bestemmingsplan

43 43 44

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Voorbereiding 6.2 Uitvoerbaarheid

45 45 45

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Akoestisch onderzoek Bijlage 2 Ecologisch onderzoek Bijlage 3 Inrichtingstekening Bijlage 4 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 5 Watertoets

47 49 51 53 55 57

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 3

Regels

59

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

61 61 63

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4

Bestemmingsregels Agrarisch Maatschappelijk

65 65 66

Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

69 69 70 71 72

Hoofdstuk 4 Artikel 9 Artikel 10

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

73 73 74

Bijlagen bij de regels Bijlage 1 Beplantingsplan Bijlage 2 Inrichtingstekening

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 4

75 77 79

Toelichting

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 5

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 6

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Algemeen In dit bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant' wordt vastgelegd op welke wijze de agrarische bestemming van het perceel Oosterringweg 53 omgezet wordt naar de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Maatschappelijk'. Dit ten behoeve van de realisatie van een nieuwe woonzorglocatie op deze locatie. Zorgverlener Kwaliteitsrijke Zorg is namelijk voornemens om een nieuwe woonzorglocatie op het bestaande agrarische erf aan de Oosterringweg 53 te Bant te realiseren. Kwaliteitsrijke Zorg verzorgt de dag- en weekopvang van jongeren met gedragsproblemen die uitvallen in het gewone onderwijssysteem. Vanwege groei van de activiteiten heeft de zorgverlenen het erf aan de Oosterringweg 53 aangekocht. Vooruitlopend op dit bestemmingsplan is reeds een tijdelijke omgevingsvergunning verleend op basis waarvan een deel van de beoogde activiteiten op het perceel is gestart.

1.2

De bij het plan behorende stukken Het plan 'Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant' bestaat uit de volgende stukken:  een toelichting;  regels, waarin het gebruik van het perceel is vastgelegd;  een verbeelding, waarop het gebied is aangegeven dat betrokken is bij de voorgenomen ontwikkeling. In de toelichting is een planbeschrijving opgenomen, een beschrijving van het beleid en de resultaten van een aantal onderzoeken.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 7

1.3

Situering van het plangebied Het plangebied omvat het perceel aan de Oosterringweg 53 te Bant, gelegen in het buitengebied van de Noordoostpolder, globaal ten noorden van Emmeloord en ten oosten van Bant. Op de navolgende afbeelding is de situering van het plangebied globaal (in rood) aangegeven.

Afbeelding: Ligging plangebied

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 8

1.4

Overzicht vigerende planologisch-juridische regeling Voor het perceel Oosterringweg 53 is de Beheersverordening 'Landelijk Gebied' van kracht. Deze is vastgesteld op 21 maart 2016, met identificatienummer NL.IMRO.0171.BV00001-VS01. In deze beheersverordening is het destijds geldende bestemmingsplan 'Landelijk Gebied 2004' hernieuwd van toepassing verklaard. Een uitsnede van de verbeelding, behorende bij deze beheersverordening is hieronder opgenomen.

Afbeelding: Uitsnede vigerende beheersverordening De beheersverordening 'Landelijk gebied' vormt het kader voor de ruimtelijke ordening voor het landelijk gebied van de gemeente Noordoostpolder. Het heeft tot doel het gebruik en de inrichting van gronden en het oprichten van gebouwen en bouwwerken te regelen en te beheren. Dit met het oog op het bevorderen van een zo goed mogelijk gebruik van het landelijk gebied. De beheersverordening vormt een stuk gemeentelijke wetgeving: het bindt zowel de burger als de overheid. In de beheersverordening is voor het betreffende plangebied bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2004' van toepassing verklaard. Hierin heeft het de bestemming 'Agrarisch gebied'. Op deze gronden mag uitsluitend bebouwing behorend bij het agrarische bedrijf worden gebouwd. De stippellijn op de verbeelding geeft het bebouwingsvlak weer. De realisatie van dag- en weekopvang voor jongeren is niet mogelijk binnen de vigerende beheersverordening. De beheersverordening zelf biedt geen basis voor nieuwe ontwikkelingen en om deze reden dient een nieuw juridisch-planologisch kader opgesteld te worden.

1.5

Leeswijzer Deze toelichting is als volgt opgebouwd. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de bij dit plan behorende stukken. In hoofdstuk 2 wordt het plan beschreven. In hoofdstuk 3 volgt een overzicht van het Rijks, provinciaal en gemeentelijk beleid. De ruimtelijke en milieuaspecten komen aan de orde in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 gaat nader in op de bestemmingen en hoofdstuk 6 sluit af met het onderdeel uitvoerbaarheid. Ook wordt verslag gedaan van uitkomsten van onderzoek. bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 9

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 10

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Aanleiding In 2005 zijn de initiatiefnemers begonnen met de zorgboerderij Koekalf & ei-land in Rutten. De zorgboerderij bood in die tijd weekendbegeleiding aan kinderen van 4 – 12 jaar met A(D)HD, ASS, etc. In de loop der jaren is het zorgaanbod behoorlijk uitgebreid. Vanuit de weekendbegeleiding zijn de initiatiefnemers ook naschoolse begeleiding gaan aanbieden en thuisbegeleiding. In 2012 werd gestart met dagbesteding in de combinatie van onderwijs en zorg. Daarnaast is in september 2012 een woonvorm (Korenbloem, Lemsterpad te Lemmer) geopend voor maximaal 5 kinderen/jongeren met daarbij één appartement voor begeleid wonen (één jongere). In mei 2016 is er een tweede gezinshuis gestart (Klaver, Venepad te Rutten) voor 4 jeugdigen, specifiek voor meiden. Zorgboerderij koekalf & ei-land is in de loop der jaren uitgegroeid tot een volwaardige professionele organisatie die de naam Kwaliteitsrijke zorg draagt. De twee woonvormen waren gesitueerd op huurlocaties en de dagbesteding met onderwijs op de boerderij op de locatie Hopweg 50 (tevens jongveeopfok). In mei 2019 heeft de initiatiefnemer het perceel Oosterringweg 53 aangekocht om deze locatie te ontwikkelen tot een toekomstbestendigde plek voor de organisatie Kwaliteitsrijke zorg. Oosterringweg 53 is gekocht om daar alle zorg te kunnen clusteren.

De locatie betreft een erf dat los staat van andere erven, niet in een blok met andere boerderijen of blokwoningen. Een centrale plek, dicht bij de snelweg, zodat zorg geboden kan worden aan kinderen uit verschillende gemeentes. Een plek waar ruimte is. De boerderijlocatie is van grote meerwaarde. Het betreft een veilige kleinschalige plek met veel groen en ruimte. Een plek die geschikt te maken is voor de doelgroep en voldoet aan alle eisen qua veiligheid en vergunningen. De Oosterringweg 53 heeft de potentie om aan al deze eisen te voldoen. Vooruitlopend op dit bestemmingsplan is reeds een tijdelijke omgevingsvergunning verleend op basis waarvan een deel van de beoogde activiteiten op het perceel is gestart.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 11

2.2

Het plan Bij aankoop was het een erf met gebouwen waar jaren lang niets aangedaan is met veel achterstallig onderhoud. Deze situatie is te zien op de volgende afbeelding.

Afbeelding: Luchtfoto perceel Oosterringweg 53 Bant Het plan is om het erf in ere herstellen en dat het erf wordt teruggebracht naar de oorspronkelijke omvang. Niet oorspronkelijke bebouwing is reeds gesloopt en asbest is verwijderd. De boerderij is helemaal hersteld met een authentieke buitenzijde en van binnen verbouwd, zodat het een woning van deze tijd is geworden die plaats biedt aan 6 jongeren en voldoet qua veiligheid aan de huidige normen. Woonvorm Korenbloem (voorheen Lemsterpad) in reeds verhuisd naar de Oosterringweg, zoals is afgekaart met de tijdelijke omgevingsvergunning. Het plan is om ook de overige activiteiten te situeren op de Oosterringweg als dagbesteding met onderwijs. In de toekomstige situatie zal het plangebied er uitzien als op de volgende afbeelding is weergegeven. de inrichtingstekening is opgenomen in Bijlage 3.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 12

Afbeelding: Uitsnede inrichtingstekening

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 13

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 14

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Algemeen In de keuze van het te voeren beleid moet de gemeente rekening houden met het opgestelde eigen beleid en dat van het Rijk en de provincie Flevoland. Dit geldt vooral daar waar beleidsuitgangspunten aan de orde komen die betrekking hebben op de inhoud van het plan.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Voor het nationale ruimtelijke en mobiliteitsbeleid geldt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De structuurvisie is in 2013 in werking getreden. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland door een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit te bereiken, brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij diegene die het aangaat (burgers en bedrijven), laat het meer over aan gemeenten en provincies ('decentraal, tenzij…') en komt de gebruiker centraal te staan. Nationale belangen Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Het Rijk kiest voor een meer selectieve inzet van Rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Voor het plangebied zijn de volgende nationale belangen van toepassing:  Nationaal 4 'Efficiënt gebruik van de ondergrond': In de volgende paragraaf is aangegeven hoe met dit belang rekening is gehouden.  Nationaal 8 'Verbeteren van de milieukwaliteit': In hoofdstuk 4 is ook aandacht geschonken aan de verschillende milieuaspecten.

 Nationaal belang 13 'Zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen': Bij het voorliggende bestemmingsplan zijn alle belangen zorgvuldig afgewogen. Burgers, belangenorganisaties en andere overheden hebben de mogelijkheid om in het kader van de bestemmingsplanprocedure te reageren op deze afweging. Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Het doel van deze ladder is het bevorderen van een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte én het voorkomen van overprogrammering. Om dit te bereiken is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, artikel 3.1.6, tweede lid). Dit betekent dat bij ruimtelijke besluiten (zoals het vaststellen van een bestemmingsplan) moet worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. De procesvereiste is alleen van toepassing op ruimtelijke besluiten die voorzien in een stedelijke ontwikkeling. In het Bro is een stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: ruimtelijke ontwikkeling van een bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 15

bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt wordt vergezeld door een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De toetsing aan de ladder schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Uit jurisprudentie is inmiddels gebleken dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is voor kleinschalige ontwikkelingen. Het gaat hier om een ontwikkeling in het buitengebied, hierbij is extra zorgvuldigheid gewenst. Toch is hier geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat het gaat om een ontwikkeling op een bestaand erf, het oppervlakte aan bebouwing in de toekomstige situatie nagenoeg gelijk is als in de voormalige situatie en omdat de ontwikkeling kleinschalig is. Het doorlopen van de ladder is daarom niet nodig. Daarnaast is het doel van de ladder om te zorgen voor zorgvuldig ruimtegebruik en het voorkomen van leegstand. Middels dit bestemmingsplan wordt de leegstand van een boerderij die niet meer voor agrarische doeleinden wordt gebruikt voorkomen.

Daarbij zijn gebouwen die niet meer worden gebruikt, opgeruimd en wordt er in beperkte mate op kleinere schaal teruggebouwd. Het plan past daarmee binnen de doelstelling van de ladder. De ladder van duurzame ontwikkeling is dus niet van toepassing op het voorliggende plan. Het plan is in lijn met een goede ruimtelijke ontwikkeling. 3.2.2

Conclusie Rijksbeleid De voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en is daarmee passend binnen het Rijksbeleid.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Flevoland - FlevolandStraks De Omgevingsvisie FlevolandStraks (vastgesteld op 8 september 2017) geeft de visie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. De visie gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen en opgaven er voor Flevoland liggen en welke ambities we hebben voor de toekomst. Het bijzondere verleden van de jongste provincie van Nederland vormt de basis van de visie. In de visie staan de belangrijkste onderwerpen en ambities voor de toekomst van Flevoland. In de Omgevingsvisie wordt onderscheid gemaakt in kernopgaven en strategische opgaven. Deze opgaven hebben een tijdshorizon van circa tien tot vijftien jaar.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 16

De drie kernopgaven zijn: het Verhaal van Flevoland (fysieke omgeving), krachtige Samenleving (sociaal-economische omgeving) en ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving). De strategische opgaven zijn: duurzame energie, regionale kracht, circulaire economie, landbouw: meerdere smaken. Voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maken zijn de opgaven: het verhaal van Flevoland, ruimte voor initiatief, duurzame energie, circulaire economie en landbouw: meerdere smaken de opgaven waaraan bijdragen wordt. Met dit plan is namelijk sprake van een particulier initiatief waarmee de kans wordt aangegrepen om nieuwe ontwikkelingen in de recreatieve sector op een agrarisch perceel te ontwikkelen. Hierna worden de relevante opgaven benoemd en beschreven. Kernopgave: Het verhaal van Flevoland In deze opgave wil de provincie laten zien waar ze vandaan komen. In 2030 en verder wil Flevoland de kroon op de eeuwenlange Hollandse inpolderingstraditie zijn. Dan staat Flevoland wereldwijd bekend als een 20e-eeuws wederopbouwlandschap met herinneringen uit een verder verleden. Kernopgave: Ruimte voor Initiatief De provincie wil er zijn voor zijn inwoners en wil de krachten vanuit de samenleving dan ook benutten. Hiervoor bieden ze ruimte voor ondernemers en mensen die hun droom willen realiseren.

Iedereen die wil bijdragen aan een duurzame toekomst van Flevoland is van harte uitgenodigd. Strategische opgave: Duurzame Energie Nationaal en internationaal zijn afspraken gemaakt voor een CO2-arme energievoorziening en dat betekent dat we ons energiegebruik moeten veranderen. Het opwekken van duurzame energie is een deel van de geschiedenis van Flevoland geweest. De provincie wil dan ook een provincie worden die draait op duurzame energie en wil dan ook ruimte scheppen voor het opwekken van duurzame energie. Dit gaat zowel om kleinschalige als grootschalige opwekking. Strategische opgave: Circulaire Economie Voor Flevoland ligt in de omschakeling naar een circulaire economie een kans. In een circulaire economie worden materialen eindeloos hergebruikt en zijn producten zoveel mogelijk gemaakt van hernieuwbaar materiaal. In 2030 en verder staat Flevoland bekend als de grondstoffenleverancier voor de circulaire economie. (Rest)stromen uit de landbouw, bedrijven en huishoudens worden geschikt gemaakt voor duurzaam (her)gebruik. Groene grondstoffen en gebruikte materialen worden zodanig bewerkt dat ze snel en gemakkelijk hun weg vinden naar bestaande en nieuwe afzetmarkten, in Flevoland, in Nederland en wereldwijd. Strategische opgave: Landbouw: Meerdere Smaken Flevoland is van oorsprong een landbouwprovincie. Ontwikkelingen in deze sector vragen een groot aanpassingsvermogen.

In 2030 en verder staat Flevoland bekend om haar meerdere smaken in de agrosector, die door haar aanpassingsvermogen vernieuwingen en innovaties voortvarend en snel in praktijk brengt. De ontstaansgeschiedenis van de polder zie je terug in de kwaliteiten. Flevoland is sterk in techniek, technologie en primaire productie, zoals pootaardappelen en biologische landbouw. Vanuit de lucht lijkt onze landbouw op elkaar, maar op het erf heeft elk bedrijf zijn eigen specialisatie, schaal en bedrijfsmodel. Er is veel variatie en deze neemt toe, van verwerking, energie, technologie tot stadslandbouw.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 17

De Omgevingsvisie FlevolandStraks geeft de visie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. De voorgenomen ontwikkeling past binnen deze visie. 3.3.2

Omgevingsprogramma Provincie Flevoland Op 27 februari 2019 is het omgevingsprogramma Provincie Flevoland vastgesteld. In dit (eerste) Omgevingsprogramma Flevoland is er voor gekozen al het bestaande beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving te bundelen in één programma dat digitaal beschikbaar is. Op deze wijze zijn de provinciale beleidskeuzes compact beschreven en is de samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen het beste gewaarborgd. De provincie wil de vitaliteit van het landelijk gebied vergroten en de gebruiksmogelijkheden ervan meer afstemmen op de maatschappelijke behoeften. Het landelijk gebied moet vitaal blijven. Ook in Flevoland is sprake van verdergaande schaalvergroting en herstructurering van de landbouw. De provincie wil agrarische bedrijvigheid die zich in de eerste plaats richt op duurzame productie en verwerking van landbouwproducten optimale ontwikkelingskansen geven. Bovendien wil de provincie ruimte bieden aan nieuwe functies in het landelijk gebied om het economisch draagvlak te verbreden en deze te verweven met de bestaande landbouwfunctie. In de beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied zijn de voorwaarden en maatvoering concreter uitgewerkt.

Verder moet er voldaan worden aan een goede ruimtelijke ordening, waaronder een landschappelijke inpassing en een goede verkeersafwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling gaat uit van het herontwikkelen van een voormalig agrarisch erf in het buitengebied van Bant naar een woon-, zorg- en educatieve functie. Hiermee wordt invulling gegeven aan de regionale behoefte naar woongroepen en vormen van educatie voor jongeren met gedragsproblemen die uitvallen in het gewone onderwijssysteem. Voorheen was in het projectgebied sprake van het agrarisch gebruik. Inmiddels is geen sprake meer van agrarisch bebouwing. De ontwikkeling vindt plaats binnen de oorspronkelijke bebouwingscontouren en is kleinschalig. Het omgevingsprogramma biedt hier ruimte voor en levert daarom geen belemmeringen op voor de beoogde ontwikkeling.

3.3.3

Beleidsregel Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied (2008) Deze beleidsregel is inhoudelijk een voortzetting van de beleidsregel "Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijke gebied 2007" maar is procedureel aangepast aan de Wro, die op 1 juli 2008 van kracht is geworden. Deze beleidsregel geeft aan op welke wijze de provincie omgaat met de uitgangspunten zoals die in het Omgevingsplan Flevoland 2006 (tegenwoordig Omgevingsprogramma) zijn geformuleerd met betrekking tot kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied. De provincie wil verdere ontwikkeling van de landbouw stimuleren, zodat het landelijk gebied vitaal en duurzaam blijft. Zij vindt het daarom van belang meer ruimte te bieden aan nieuwe agrarisch aanverwante (maar ook niet- agrarische functies) en de mogelijkheid te bieden om (voormalige) agrarische bouwpercelen te vergroten. Dit mag er dan uiteraard niet toe leiden dat de reeds in het landelijk gebied aanwezige functies gehinderd worden, noch dat het landelijk gebied verstedelijkt. De van belang zijnde inhoudelijke afwegingen zijn hierna weergegeven:

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 18

 

 

Niet-agrarische en/of agrarisch aanverwante activiteiten op (voormalige) agrarische bouwpercelen zijn mogelijk, tenzij belemmeringen en hinder ontstaan voor het functioneren van de naastgelegen (agrarische) bedrijven en/of activiteiten, zoals wonen en recreëren. Indien nodig en mogelijk zal dit nader worden geregeld in een (milieu)vergunning. Voorkomen van verstedelijking landelijk gebied. Per (voormalig) agrarisch bouwperceel wordt uitgegaan van één woning. Vrijgekomen boerderijwoningen kunnen worden gebruikt voor algemene bewoning. Landschappelijke inpassing. Vergroting van de (voormalige) agrarische bouwpercelen dan wel de ontwikkeling van niet-agrarische en/of agrarisch aanverwante activiteiten op (voormalige) agrarische bouwpercelen zijn mogelijk, tenzij dit leidt tot knelpunten of onveilige situaties in de verkeersafwikkeling. Er wordt naar gestreefd, dat recreatieve en/of toeristische activiteiten en andere publiek aantrekkende activiteiten goed bereikbaar zijn met openbaar vervoer en fiets.

In de bijlage bij de beleidsregel wordt expliciet benoemd dat woonzorgboerderijen een passende functie zijn als invulling voor vrijkomende agrarische bedrijfspercelen. Daarmee past de ontwikkeling binnen de beleidsregel. 3.3.4

Conclusie provinciaal beleid In voorliggend geval is sprake van een kleinschalige herontwikkeling van een voormalig agrarisch erf naar een woonzorg-locatie in combinatie met educatie,bedoelt voor de dag- en weekopvang van jongeren met gedragsproblemen die uitvallen in het gewone onderwijssysteem. Het provinciale beleid gaat niet specifiek in op de doelgroep die door voorliggende ontwikkeling wordt gefaciliteerd, maar staat deze tevens niet in de weg. Verder zijn er vanuit de diverse omgevingsaspecten geen belemmeringen (zie Hoofdstuk 4). Deze ontwikkeling is in lijn met de hiervoor beschreven ambities uit het Omgevingsprogramma Provincie Flevoland en de Beleidsregel Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied (2008).

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Structuurvisie Noordoostpolder 2025 De structuurvisie Noordoostpolder 2025 is in 2013 vastgesteld. De structuurvisie is een integrale ruimtelijke visie, die de huidige en gewenste waarden en kwaliteiten beschrijft. De visie heeft als doel de verschillende belangen, zoals voor het landschap, de kernen en de gemeenschap, zorgvuldig af te wegen. En hieruit een integrale ontwikkelingsrichting te bepalen voor de periode tot 2025. De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke, economische en sociale kwaliteiten en daarmee op het versterken van het landschap en leefbaarheid in de gemeente Noordoostpolder.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 19

De Structuurvisie is een document voor de langere termijn. Daarom kent zij een zekere mate van globaliteit en abstractie. De visie vormt de basis voor het toekomstig beleid, ter uitwerking van de structuurvisie zijn gebiedsvisies, masterplannen, uitwerkingsplannen, bestemmingsplannen en beleidsplannen nodig om concrete (plan)ontwikkelingen in gang te zetten. Deze structuurvisie is hoofdzakelijk gericht op het landelijk gebied, op de relatie tussen het landelijk gebied en de kernen en op de relatie tussen Emmeloord en de dorpen. In de Structuurvisie Noordoostpolder 2015 heeft de raad (onder andere) het volgende opgenomen met betrekking tot voormalige agrarische bouwpercelen (vab’s):  "De meeste vab’s zijn uitermate geschikt voor de uitoefening van niet-agrarische bedrijfsactiviteiten in de lichte milieucategorieën, kleinschalige voorzieningen, recreatie en alternatieve woonvormen zoals ‘rood voor rood’. Hieraan worden wel voorwaarden gesteld om negatieve effecten te vermijden met betrekking tot de (ontwikkeling van de) kernen en de mogelijk negatieve effecten op omliggende bedrijven (p. 63)".  "De wereld van wonen en zorg verandert snel. De meeste mensen wonen tot op hoge leeftijd zelfstandig en redden zich met kleine woningaanpassingen. Daarnaast heeft er mantelzorg plaats, waarbij ook vraag is naar ‘kangoeroe wonen’: twee zelfstandige woningen (de buidel- en hoofdwoning).

Dan zijn er nog groepen voor wie gemeente, woningcorporatie en zorgpartijen moeten zorgen door het beschikbaar stellen van speciale woningen en intensievere zorg (voor jong én oud). Wij willen voor deze verschillende vormen mogelijkheden benoemen en ruimte bieden in het bestemmingsplan (p. 76)".  "Commerciële en maatschappelijke voorzieningen kunnen een goede invulling geven aan het vrijkomen van agrarische erven. Wij willen die mogelijkheid onder voorwaarden toestaan. Belangrijkste randvoorwaarde is daarbij dat we concurrentie met de voorzieningen in de dorpen willen voorkomen (p. 79)". De voorgenomen ontwikkeling past binnen de uitgangspunten die hiervoor zijn benoemd en daarmee dus ook in de structuurvisie Noordoostpolder 2025. 3.4.2

Beleidsuitwerking mogelijkheden voor extra woningen op vrijkomende agrarische erven (2015) De gemeente Noordoostpolder streeft naar een aantrekkelijke, uitnodigende fysieke wonen leefomgeving en daarbij richt de gemeente zich vooral op (tijdelijke) inwoners van de gemeente Noordoostpolder. De gemeente zet in op een afwisselend woningaanbod en voegen bijzondere woonmilieus toe, zoals in de Wellerwaard. Er zijn mogelijkheden voor het realiseren van landgoederen en wonen in vrijkomende agrarische bebouwing. De aandacht verschuift van kwantiteit (veel bouwen) naar kwaliteit (dat wat er al is behouden, verbeteren en/of transformeren). Er zijn mogelijkheden voor het realiseren van landgoederen en wonen in vrijkomende agrarische bebouwing: Jaarlijks komen er tien tot twintig agrarische erven vrij door schaalvergroting (grond wordt verkocht, maar het erf blijft bestaan). Om de erven een andere invulling te kunnen geven, wil de gemeente de woonfunctie toestaan onder de voorwaarden dat: 1. het woonerf wordt teruggebracht naar de oorspronkelijke omvang en schuren buiten het erf worden gesloopt; 2. de erfsingel wordt behouden, dan wel opnieuw aangeplant; 3. er maximaal vier woningen per erf worden gebouwd in maximaal drie bouwvolumes; dit kan door te wonen in de huidige bebouwing maar ook door ‘rood voor rood’ (nieuwbouw in ruil voor sloop van bestaande gebouwen) 4.

het woonmilieu/woningtype niet concurreert met woningen in de dorpen bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 20

5. er geen negatieve effecten optreden voor omliggende bedrijven; bedrijven mogen niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Strikt genomen is dit beleid niet van toepassing op dit voornemen, omdat er geen sprake is van een nieuwe (reguliere) woning. Het toestaan van de extra groepswoning is echter wel in lijn met de beleidsuitwerking. Het initiatief past namelijk binnen de rood-voor-rood-regeling en draagt bij aan de doelstelling van deze regeling, namelijk het opruimen van beeldverstorende bebouwing en daarvoor in ruil een bouwtitel voor nieuwbouw van een alternatief. Daarnaast is het volgende noemenswaardig, aangezien dit aantoont dat het initiatief past binnen de voorwaarden van de beleidsuitwerking: 1. Alle niet oorspronkelijke bebouwing is reeds gesloopt en asbest is verwijderd. De boerderij is helemaal hersteld met een authentieke buitenzijde en van binnen verbouwd. De omvang van het erf wordt teruggebracht tot de oorspronkelijke omvang; 2. De erfsingel wordt hersteld/blijft behouden. Dat is te zien op de inrichitingstekening die is opgenomen als Bijlage 3. Daarnaast wordt dit gewaarborgd middels de voorwaardelijke verplichting die is opgenomen in de Regels van dit plan; 3. Er worden geen nieuwe woningen gebouwd.

Er komt een andere functie op het erf terug, namelijk nieuwe woon- zorglocatie bestemd voor de dag- en weekopvang van jongeren met gedragsproblemen die uitvallen in het gewone onderwijssysteem. In ruil voor het slopen van minimaal 700 m2 niet-oorspronkelijke bebouwing op het eigen erf wordt de bouw van gebouwen mogelijk gemaakt. De nieuwe gebouwen hebben een oppervlakte die nagenoeg gelijk is als het voormalige oppervlakte aan bebouwing op het erf. Daarmee wordt er niet onevenredig veel nieuwe bebouwing toegevoegd; 4. Er is behoefte aan deze woonvorm. Zorgverlener Kwaliteitsrijke Zorg heeft immers zoveel vraag dat ze hun activiteiten willen uitbreiden. concurrentie is daarom niet aan de orde. 5. Negatieve effecten ten aanzien van omliggende bedrijven zijn niet aan de orde. Hierop wordt ook dieper ingegaan in paragraaf 4.2. 3.4.3

Sociale Structuurvisie Vitaliteit en veerkracht behouden en versterken. Een sociaal en vitaal Noordoostpolder = een duurzaam Noordoostpolder. Een sociale structuurvisie geeft richting hoe om te gaan met de dynamiek, trends en ontwikkelingen, zodanig dat je de vitaliteit en leefbaarheid binnen de gemeente en de afzonderlijke kernen behoudt of stimuleert. Het gaat er hierbij om dat inwoners zich er thuis voelen, dat ze er goed kunnen wonen, werken en recreëren en hun vrije tijd doorbrengen en dat er een levensvatbaar voorzieningenniveau is. Of mensen zich ook daadwerkelijk thuis voelen hangt mede af van de strategische keuzes die de gemeente maakt ten aanzien van de thema’s als participatie van inwoners, behoud van voorzieningen, zorg voor kwetsbare bewoners, samenhang tussen fysieke, economische en sociale krachten, struikelblokken en kansen. De sociale structuurvisie geeft richting. De gemeente zet met de sociale structuurvisie duidelijke ambities en doelen neer. Dit vraagt om verbinding tussen opgaven en partijen. Dit vraagt om verbinding van mensen, dingen samen doen om iets voor elkaar te krijgen.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 21

De Sociale Structuurvisie ‘sociaal en vitaal op eigen kracht’ uit 2012 is gebaseerd op zes kernopgaven (prioriteiten). Eén van deze kernopgave is 'Iedereen doet mee'. Wie moeite heeft om mee te komen, valt op en krijgt hulp. De mogelijkheid om jongeren met gedragsproblemen op te vangen en passende educatie aan te bieden, sluit aan bij deze kernopgave. Een andere kernopgave is 'Benutten buitengewoon Noordoostpolder'. Hierbij wordt aangegeven dat in leegkomende boerderijen nieuwe vormen van wonen en werken mogelijk is. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in een dergelijke nieuwe woonvorm. Voorgenomen ontwikkeling is in lijn met de sociale structuurvisie. 3.4.4

Woonvisie Noordoostpolder 2.0 De woonvisie is in 2013 vastgesteld. Met de woonvisie heeft de gemeente een actueel beleidskader waarmee het antwoord geeft op de snelle (maatschappelijke) veranderingen. Het geeft ook invulling aan nieuwe woningmarktinzichten. In woonvisie wordt aangeven dat er groepen bestaan waarvoor de gemeente en andere zorgpartijen speciale woningen en intensieve zorg voor moet worden gefaciliteerd. De belangrijkste actie is om de komende jaren in onderling overleg tot afstemming van diensten te komen en afspraken te maken over een basisvoorraad aan speciaal gelabelde en geschikte woningen met een intensieve zorgvraag. Voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van woonvormen voor mensen met een specieke en intensieve zorgvraag. Hiermee is de ontwikkeling in overeenstemming met de gemeentelijke woonvisie.

3.4.5

Welstandsnota gemeente Noordoostpolder In 2010 is de welstandsnota 'Ruimte voor kwaliteit en welstandsvrijheid' vastgesteld. De welstandsnota geeft richting aan het welstandstoezicht in de Noordoostpolder. Voor de inwoners van de gemeente biedt het plan helderheid over de welstandsbeoordeling van hun bouwplannen. Zoals de titel van de nota al aangeeft, wordt onderscheid gemaakt tussen welstandsvrije en niet-welstandsvrije gebieden. De selectie van niet-welstandsvrije gebieden heeft plaatsgevonden aan de hand van twee criteria:  De cultuurhistorische betekenis van de bebouwing.  De zichtbaarheid van de bebouwing vanuit belangrijke openbare ruimtes. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal het uiteindelijke bouwplan voor advies aan de welstandscommissie worden voorgelegd.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 22

3.4.6

Beleidsregel instandhouding beplantingen Noordoostpolder Op 9 januari 2013 heeft de gemeente Noordoostpolder de 'Beleidsregel instandhouding landschappelijke beplantingen Noordoostpolder' vastgesteld. In deze beleidsregel geeft het college aan hoe zij haar publiekrechtelijke bevoegdheden invult om landschappelijke beplantingen in stand te houden. In de beleidsregel zijn onder andere richtlijnen opgenomen voor de uitvoering van de toe te passen erfsingelbeplanting. In kader van de ontwikkeling op het perceel is een beplantingsplan opgesteld, en via een voorwaardelijke verplichting aan de planregels van het onderhavige bestemmingsplan verbonden. Deze plannen voldoen aan de uitgangspunten van de 'Beleidsregel instandhouding landschappelijke beplantingen Noordoostpolder'.

3.4.7

Conclusie gemeentelijk beleid In voorliggend geval is sprake van een kleinschalige herontwikkeling van een voormalig agrarisch erf naar een woonzorg-locatie in combinatie met educatie, bedoelt voor de dag- en weekopvang van jongeren met gedragsproblemen die uitvallen in het gewone onderwijssysteem. Het gemeentelijk beleid gaat niet specifiek in op de doelgroep die door voorliggende ontwikkeling wordt gefaciliteerd, maar staat deze tevens niet in de weg. Verder zijn er vanuit de diverse omgevingsaspecten geen belemmeringen (zie Hoofdstuk 4). Deze ontwikkeling is in lijn met de hiervoor beschreven ambities van de gemeente Noordoostpolder en de Beleidsuitwerking mogelijkheden voor extra woningen op vrijkomende agrarische erven (2015).

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 23

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 24

Hoofdstuk 4

Ruimtelijke en milieuaspecten

Met de voorbereiding van het onderhavige bestemmingsplan dient te worden nagegaan welke bronnen in of nabij het plangebied een belemmering kunnen vormen. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende elementen die een rol kunnen spelen en wordt aangegeven welke consequenties deze hebben.

4.1

Cultuurhistorie/archeologie Aspecten van de cultuurhistorie zijn historische (steden)bouwkundige waarden, archeologie en historische geografie. Samengenomen leveren ze een meerwaarde op. Vooral bij ontwikkelingen dient te worden bezien in hoeverre aanwezige cultuurhistorische waarden kwetsbaar zijn voor geplande bodemingrepen. Niet ongebruikelijk is dat dan aangegeven wordt op welke manier de cultuurhistorische waarden behouden, hersteld of verder ontwikkeld kunnen worden. Historische (steden)bouwkundige waarden In het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Binnen het plangebied zijn wel karakteristieke structuren en kenmerken in de omgeving aanwezig, zoals de laanbeplantingen en verkavelingspatronen. In dit geval worden de verkavelingspatronen en erfsingels gerespecteerd. Middels een beplantingsplan en bijhorende inrichtingstekening wordt in dit bestemmingsplan in een voorwaardelijke verplichting vastgelegd dat de erfsingels behouden moeten blijven of hersteld dienen te worden. Zo worden de aanwezige karakteristieken gerespecteerd. Daarnaast wordt het erf in omvang teruggebracht toto de oorspronkelijke afmetingen. Op die manier is dus vanuit cultuurhistorisch oogpunt sprake van een gewenste ontwikkeling. daarbij wordt ook nog eens niet oorspronkelijke bebouwing gesloopt en krijgt de boerderij een passende nieuwe invulling, waardoor deze behouden blijft.

Het is niet noodzakelijk om nadere eisen ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden te stellen. Archeologie Op de Archeologische monumentenkaart (AMK) zijn de bekende en gewaardeerde vindplaatsen aangegeven. Er zijn in het plangebied geen archeologische monumenten aanwezig. Er heeft een actualisatie plaatsgevonden van de archeologisch waarden- en verwachtingskaart van de gemeente. Op 17 januari 2019 heeft de gemeenteraad de actualisatie vastgesteld. Op basis van deze kaart kan worden vastgesteld dat ter hoogte van Oosterringweg 53 geen sprake is van archeologische waarden. Op de volgende afbeelding is een uitsnede van deze kaart weergegeven.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 25

Afbeelding: Uitsnede Archeologische waarden- en verwachtingskaart

Afbeelding: Legenda Archeologische waarden- en verwachtingskaart

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 26

Conclusie Gelet op het bovenstaande vormt het aspect archeologie en cultuurhistorie verder geen belemmering voor het voorliggende plan. Aan de regels inzake omgevingsvergunningen hoeven voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden geen maatregelen te worden gesteld.

4.2

Milieuzonering Met de voorbereiding van het onderhavige plan dient te worden nagegaan welke bronnen in of nabij het plangebied een belemmering kunnen vormen voor gevoelige functies als een woon-zorglocatie. Doelstelling van het plan is dat bestaande bedrijfsactiviteiten in beginsel worden gerespecteerd. Uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening heeft het geen zin een bestemming te projecteren die vanwege milieuregelgeving niet kan worden gerealiseerd. Daarnaast dient te worden bezien of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (de ‘omgekeerde werking’). Door voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het mogelijk gemaakt om een woning binnen aanvaardbare voorwaarden te realiseren. Het bestemmingsplan en de milieuregelgeving vormen elkaars complement. Voor zo ver met behulp van een zonering eventuele overlast voor de omgeving niet voldoende kan worden beperkt, kan de toepassing van milieuregelgeving uitkomst bieden. De mogelijkheden voor bedrijfsvoering worden (vooral) bepaald door milieuregelgeving (onder andere Activiteitenbesluit, Wet milieubeheer) en het kan voorkomen dat de planologisch geboden gebruiksmogelijkheden dan niet (maximaal) kunnen worden benut.

Ten oosten van het perceel Oosterringweg 53 is als dichtstbijzijnde bedrijf een hondenschool gevestigd op het perceel Oosterringweg 51. Aan deze functie is op grond van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een richtafstand van 100 meter toegekend. Het plangebied ligt op een afstand die groter is dan 100 meter van de hondenschool. De richtafstand wordt ruimschoots behaald. De overige bedrijven in de directe omgeving van Oosterringweg 53 betreffen akkerbouwbedrijven. In deze situatie geldt op basis van de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' een maximale afstand van 30 meter. Het plangebied ligt op een afstand die groter is dan 30 meter van het dichtstbijzijnde akkerbouwbedrijf. In theorie bestaat ook de mogelijkheid voor deze bedrijven om een intensieve veehouderij van de tweede tak te realiseren. Echter is deze mogelijkheid hiervoor op basis van oppervlakte en regelgeving en daarmee financieel dusdanig beperkt, dat een nieuwe intensieve veehouderij in de praktijk nooit gerealiseerd zal worden. Om die reden wordt hiermee in het bestemmingsplan geen rekening gehouden. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3

Bodem In het voorliggend plan is voorzien in de omzetting van de bestemming 'Agrarisch gebied' naar de bestemmingen 'Agrarisch' en 'Maatschappelijk'. Omdat de bestemming 'Maatschappelijk' gevoeligere functies mogelijk maakt ten opzichte van de bestaande situatie, is bodemonderzoek noodzakelijk.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 27

Door Eco Reest BV is een verkennend milieukundig bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een locatie aan de Oosterringweg 53 te Bant. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 4. De aanleiding tot het verkennend bodemonderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging van het onderzoeksterrein (van agrarisch naar maatschappelijk) en de sloop van gebouwen t.b.v. nieuwbouw. Het doel van het onderzoek is een indruk te verkrijgen over de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein. Dit gebeurt teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie (wonen en onderwijs). Vooronderzoek De onderzoekslocatie ligt aan de Oosterringweg 53 in Bant is kadastraal bekend als gemeente Noordoostpolder, sectie G, perceel 2281 en heeft een totale oppervlakte van circa 9.950 m2. De onderzoekslocatie bestaat uit een boerderij met opstallen en weidegrond. De te onderzoeken locatie is in het verleden in gebruik geweest als rundvee bedrijf. Aan de oostzijde van het perceel heeft in het verleden een bovengrondse dieselolietank gestaan. Veldwerkzaamheden Uit de veldwerkzaamheden blijkt dat de bodem van de onderzochte locatie opgebouwd is uit zwak humeus, sterk zandige klei en matig siltig, matig humeus, matig fijn zand.

Het grondwaterniveau is tijdens het onderzoek vastgesteld op 1,5 m-mv (peilbuis 1) en 1,2 m-mv (peilbuis 4). Tijdens het veldwerk zijn plaatselijk op het maaiveld puinresten waargenomen. In de bodem zijn tevens homogene baksteensporen waargenomen. Verder zijn er geen voor het onderzoek van belang zijnde waarnemingen naar voren gekomen. Bij de beoordeling van het terrein en het opgeboorde materiaal is ook speciaal gelet op asbest(houdende) materialen. Deze zijn zintuiglijk niet op de bodem en in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het onderzoeksterrein waargenomen. Uit de chemische analyses is het volgende naar voren gekomen: Grond: In de bovengrond zijn plaatselijk licht verhoogde waarden aan minerale olie, cadmium, kwik, lood, zink en PAK gemeten. Grondwater: In het grondwater zijn plaatselijk licht verhoogde waarden aan barium en molybdeen gemeten. Aanbevelingen Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat in de bovengrond van beide deellocaties en in het grondwater overschrijdingen van de achtergrond- en streefwaarden uit de Wet bodembescherming zijn aangetoond. De onderzoekshypothese, zijnde een verdachte locatie ter plaatse van de voormalige bovengrondse tank locatie (deellocatie A), wordt gelet op het aantonen van een lichte verhoging aan minerale olie in de bovengrond bevestigd.

De onderzoekshypothese, zijnde een verdachte locatie ter plaatse van het overige terrein (deellocatie B), wordt gelet op de verhoogde aangetroffen waarden ter plaatse bevestigd.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 28

Gezien de aard en de concentraties van de aangetoonde parameters in relatie tot de bestemming (maatschappelijk) van het terrein, wordt geconcludeerd dat verhoogde risico's voor de volksgezondheid en/of het milieu op basis van de aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit, niet te verwachten zijn. De resultaten van het onderzoek vormen dan ook geen aanleiding tot nader onderzoek en zijn geen milieuhygiënische belemmering in relatie tot de maatschappelijk bestemming (wonen en onderwijs) van het terrein. Conclusie In het kader van het aspect bodem zijn er dan ook geen belemmeringen voor het voorliggende plan.

4.4

Ecologie Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De nieuwe Wet natuurbescherming heeft per 1 januari 2017 de Boswet, de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen. Taken en verantwoordelijkheden voor bescherming van natuur worden zoveel mogelijk bij provincies neergelegd, overeenkomstig het uitgangspunt 'decentraal tenzij'. De grootste veranderingen treden op bij de soortenbescherming. Zo vervalt de beschermingsstatus van een groot aantal planten en van soorten als Kleine modderkruiper en Bittervoorn. Daarnaast krijgt een aantal bijzondere niet eerder beschermde libellen, dagvlinders, planten en één vissoort (Kwabaal) juist een beschermde status. Provincies krijgen meer bevoegdheid bij het benoemen van beschermde soorten. Bij gebiedsbescherming vervalt de status van Beschermde Natuurmonumenten. De bescherming van Natura 2000-gebieden verandert niet. Uitgangspunt van de wetgeving is een integrale bescherming van de aangewezen natuurwaarden en -gebieden. Dit betekent dat in beginsel elke aantasting, die schadelijke gevolgen kan hebben voor het aangewezen waarden dient te worden gereguleerd. Dit kan worden omschreven als een algehele zorgplicht.

Het is verboden om, zonder vergunning, projecten of andere handelingen te realiseren / verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren of een verstorend effect kunnen hebben op aangewezen waarden. Door Eco Reest BV is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd ter plaatse van de Oosterringweg 53 te Bant. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 2. Aanleiding tot het onderzoek is de voorgenomen bestemmingswijziging van het onderzoeksterrein (agrarisch naar maatschappelijk). Doel van de quickscan Wet natuurbescherming is een beeld te krijgen van de aanwezige habitats en de voorkomende beschermde dier- en plantensoorten ter plaatse van het onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 680m2 en bestaat uit een woning met opstal. Inmiddels zijn de opstallen gesloopt. Kappen en rooien van bestaand groen is niet aan de orde. Soortenbescherming Binnen de onderzoekslocatie zijn jaarrond beschermde nesten van vogels als beschreven in de Wet natuurbescherming aangetroffen in de woonboerderij. Daarnaast zijn er beschermde soorten of potentiële nest – of verblijfplaatsen voor beschermde soorten aangetroffen. De woonboerderij blijft behouden en daarom is geen nader onderzoek noodzakelijk.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 29

De overige te verwachten diersoorten zijn aangemerkt als vrijgestelde soorten waarvoor in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, onderhoud aan infrastructuur of ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling geldt. Dit houdt in dat in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing noodzakelijk is voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden. Daarnaast worden populaties van bovengenoemde soorten niet in gevaar gebracht. Het zal voornamelijk gaan om verstoring van individuen. In de tuin kunnen algemene vogelsoorten tot broeden komen. Alle in gebruik zijnde vogelnesten zijn beschermd. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden. Gebiedsbescherming De onderzoekslocatie is gelegen ten westen van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Weerribben. De afstand tussen de onderzoekslocatie en dit Natura 2000-gebied bedraagt circa 7,4 kilometer. Gelet op de afstand tot het gebied, de kernopgave van het gebied en de aard van de geplande ingreep is er geen onderzoek in het kader van gebiedsbescherming binnen de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Daarnaast is de locatie gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland.

Daar er geen sprake is van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN is verder onderzoek naar invloeden op het NNN niet van toepassing. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied ligt op een zeer ruimte afstand van het plangebied. Het is op voorhand uit te sluiten dat het project een significantie bijdrage zal leveren op het gebied van stikstofdepositie. In de toekomstige situatie (woonzorglocatie) in vergelijking met de voormalige situatie (een agrarisch bedrijf) is er in de gebruiksfase geen sprake van een verhoogde emissie. Er is namelijk geen sprake van toename van de uitstoot van stikstof. Uitsluitend in de aanlegfase, bij het gebruik van materieel voor de bouw en installatie, vindt in beperkte mate stikstofdioxide uitstoot plaats. Dit is in zeer beperkte mate en voor een kort tijdsbestek. Een uitgebreide beoordeling door middel van een AERIUS-stikstofberekening, lijkt niet doelmatig. Gelet op de grote afstanden tot het Natura-2000 gebied, het feit dat er bij de aanleg nauwlijks tot geen sprake is van uitstoot en dit ook nog voor een zeer korte duur is, valt te verwachten dat er geen sprake zal zijn van een stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/hectare/jaar door de aanlegfase van dit onderstation. In het kader van de vergunningverlening wordt dit (indien nodig) definitief getoetst, als ook exact bepaald is welk materieel wordt ingezet.

Er kan worden geconcludeerd dat de gebiedsbescherming geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Aanbevelingen en advies Nader onderzoek De woonboerderij op de onderzoekslocatie is geschikt voor nestplaatsen van huismussen en verblijfplaatsen van vleermuizen. Echter blijft dit gebouw behouden en nader onderzoek is daarom niet nodig. De overige bebouwing is gesloopt.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 30

Broedvogels Opgemerkt wordt dat de omgeving van de locatie in het broedseizoen tevens geschikt is als broedlocatie voor diverse (niet jaarrond beschermde) vogelsoorten. Alle in gebruik zijnde nesten zijn beschermd. Indien er geen werkzaamheden plaatsvinden binnen het broedseizoen wordt er geen overtreding van de Wet natuurbescherming verwacht wat betreft nestlocaties voor vogels. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen plaatsvinden moet voorafgaand hieraan de locatie worden vrijgegeven door een ervaren ecoloog. Indien bij de controle in gebruik zijnde nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is. Aangeraden wordt om geen renovatiewerkzaamheden uit te voeren binnen het broedseizoen (globaal 1 maart tot en met 1 september). Indien binnen het broedseizoen ontwikkelingen plaatsvinden moet voorafgaand hieraan de locatie worden vrijgegeven door een ervaren ecoloog.

Als bij de controle nesten van vogels, of in aanbouw zijnde nesten worden aangetroffen moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot het nest niet meer in gebruik is. Zorgplicht Wij merken op dat te allen tijde de zorgplicht blijft gelden. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Deze zorg geldt voor alle individuen van in Nederland voorkomende soorten planten en dieren, ongeacht of deze soort beschermd is en ongeacht of ontheffing of vrijstelling is verleend. Conclusie In het kader van het aspect ecologie zijn er dan ook geen belemmeringen voor het voorliggende plan.

4.5

Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) heeft tot doel de mensen te beschermen tegen geluidsoverlast. Op basis van deze wet dient bij het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het aspect 'geluid'. In de Wet geluidhinder is een zonering van industrieterreinen, wegen en spoorwegen geregeld. Enerzijds betekent dit dat (geluids)eisen worden gesteld aan de milieubelastende functies, anderzijds betekent dit dat beperkingen worden opgelegd aan milieugevoelige functies. In deze paragraaf wordt ingegaan op de geluidsaspecten met betrekking tot wegverkeerslawaai. Industrielawaai en/of spoorweglawaai is in deze situatie niet relevant.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 31

Wegverkeer Ingevolge het bepaalde in de Wet geluidhinder heeft in beginsel iedere weg een geluidszone. Een dergelijke zone geldt niet voor wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangewezen gebied of wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Bij de voorbereiding van de vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden binnen een dergelijke geluidszone, wordt akoestisch onderzoek ingesteld. Onderzoek naar geluidsaspecten van verkeer kan echter achterwege blijven, indien op het tijdstip van de vaststelling van een bestemmingsplan een weg reeds aanwezig of in aanleg is en de woningen of andere geluidgevoelige objecten ook reeds aanwezig of in aanbouw zijn. De verplichting tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek geldt evenmin, indien in dat bestemmingsplan geen mogelijkheden worden geboden voor het realiseren van nieuwe geluidgevoelige objecten. Het voorliggende plan maakt de realisatie van een woon- zorglocatie mogelijk. Een dergelijke inrichting wordt aangemerkt als geluidgevoelig object. Het plangebied is gelegen aan de de Oosterringweg, waarvoor een maximale snelheid is vastgelegd van 80 km/h. Om deze reden is er op 1 augustus 2019 een akoestisch onderzoek verricht door De Milieuadviseur. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in Bijlage 1.

Toetsing aan de Wet geluidhinder De hoogste geluidsbelasting, afkomstig van de Oosterringweg, bedraagt 57 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de geluidsgevoelige bestemmingen (het gezinshuis en de school) wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden. Bij de geluidsgevoelige bestemmingen (tweede woning) wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh niet overschreden. Echter de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 58 dB wordt in alle gevallen niet overschreden. Verlening hogere grenswaarden Het doel van de Wgh is geluidhinder te voorkomen. Maatregelen om de voorkeursgrenswaarde te bereiken zijn bijvoorbeeld het toepassen van stil wegdek op de Oosterringweg, het vergroten van de afstand tussen de woonboerderij en de weg of het toepassen van dove gevels. Gezien de beperkte schaal van dit plan (realisatie van twee woningen) is het niet mogelijk of gewenst om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Op basis van de Wgh kan de gemeente Noordoostpolder een hogere waarde verlenen voor de geluidsbelasting van de Oosterringweg verlenen. De verlening van de hogere waarde vindt plaats in een aparte hogere waarde-procedure gelijktijdig met de ruimtelijke procedure. De te verlenen hogere waarden zijn weergegeven in de navolgende tabel.

Tabel: Te verlenen hogere waarden

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 32

Toetsing aan het Bouwbesluit 2012 Op grond van het Bouwbesluit 2012 dient een akoestische binnenwaarde van 33 dB bij woningen ten gevolge van wegverkeerslawaai gegarandeerd te worden. Volgens artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. De hoogste cumulatieve geluidsbelastingen en de minimaal benodigde gevelwering per nieuwe woning zijn weergegeven in navolgende tabel.

Tabel: Cumulatieve geluidsbelastingen en de minimaal benodigde gevelwering Ter indicatie: volgens artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB. Als de gevels van de nieuwe woningen voldoen aan het Bouwbesluit 2012, dan worden de binnenwaarden van 41 dB, welke gaan gelden in de nieuwe Omgevingswet. Conclusie De realisatie van de geluidsgevoelige objecten is mogelijk na de verlening van hogere waarde voor de geluidshinder afkomstig van de Oosterringweg.

4.6

Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Ook de risico's van het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. Van de ramptypes die verband houden met externe veiligheid zijn met name ongevallen met brandbare/explosieve of giftige stoffen van belang. Deze ongevallen kunnen nader worden onderscheiden in ongevallen met betrekking tot: 1. inrichtingen. 2. vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen. 3. vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Inrichtingen De risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen dienen tot een aanvaardbaar minimum te worden beperkt. Daartoe zijn in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) regels gesteld. Bij het toekennen van bepaalde bestemmingen dient onderzocht te worden:  of voldoende afstand in acht wordt genomen tussen (beperkt) kwetsbare objecten enerzijds en risicovolle inrichtingen anderzijds in verband met het plaatsgebonden risico;  of (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen in het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen en zo ja, wat de bijdrage is aan het groepsrisico.

bestemmingsplan "Landelijk gebied, Oosterringweg 53 te Bant" (ontwerp) 33

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen aanwezig, waar in het kader van de externe veiligheid rekening mee gehouden dient te worden. Buisleidingen In de directe nabijheid van het plangebied liggen op basis van de provinciale Risicokaart geen buisleidingen waardoor vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er zijn in dit kader dan ook geen externe veiligheidseffecten waarmee rekening moet worden gehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen Uit het Basisnet Weg blijkt dat geen van de in de directe omgeving aanwezige wegen een plaatsgebonden risicocontour 10-6/jaar heeft. Het plangebied vormt ook geen (mogelijk) aandachtspunt voor het groepsrisico. Uit het Basisnet Water blijkt eveneens dat er geen wateren in de directe omgeving van het perceel aanwezig die een plaatsgebonden risicocontour hebben van 10-6 of een (mogelijk) aandachtspunt vormt voor het groepsrisico. Het perceel Oosterringweg 53 is niet gelegen in de nabijheid van een spoorlijn. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor vormt in dit kader dan ook geen risico. Conclusie In het kader van het aspect externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor het voorliggende plan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1775/documents/25687