CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

20241015 Aanvullende info Rapport Bodemdalingsprognose_Flevoland.PDF

Commissie Woonomgeving 15 oktober 2024, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 3: Agendaverzoek bodemdaling (CU-SGP e.a.)25.190 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De studie heeft dus een beperkte dekking, maar voor de bodemdalingsvoorspellingen is aangenomen dat de vergelijking toepasbaar is op alle organische gronden in Flevoland. Idealiter wordt de mutatiefactor voor de oxidatiesnelheid berekend op basis van gecorrigeerde bodemtemperatuurreeksen voor toekomstige klimaatomstandigheden. Dergelijke gecorrigeerde temperatuurreeksen zijn echter enkel beschikbaar voor luchttemperatuur en zijn samengesteld door het KNMI op basis van historische

68 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

temperatuurreeksen voor alle KNMI '14 klimaatscenario's voor zichtjaren 2050 en 2085. Aangezien een structurele stijging van de gemiddelde luchttemperatuur als gevolg van klimaatverandering zonder demping overgebracht wordt op de bodem, is het voldoende om met deze getransformeerde luchttemperatuurreeksen te werken. Conform de voorspelde opwarming neemt de oxidatiesnelheid geleidelijk (niet-lineair) toe in de tijd. In Atlantis is het mogelijk om per jaar een gemiddelde luchttemperatuur te definiëren, waarmee de oxidatiesnelheid wordt aangepast. Aangezien de relatie tussen temperatuur en oxidatiesnelheid niet lineair is (in de zomer vindt exponentieel meer afbraak plaats dan in de winter), is de jaargemiddelde temperatuur hiervoor gecorrigeerd met behulp van de relatie van Hendriks en Vermeulen (1997). Hierbij zijn luchttemperaturen onder de 0°C en boven de 20°C afgekapt, omdat verwacht wordt dat de bodem niet dermate sterk zal afkoelen of opwarmen. Daarnaast vallen de temperaturen zo in het toepassingsbereik van de empirische formule. Figuur 35 laat deze gecorrigeerde luchttemperatuur zien voor het klimaat in 1995, 2050 en 2085. In de legenda is de klimaatgemiddelde gecorrigeerde temperatuur aangegeven.

De gekalibreerde oxidatiesnelheid (𝛼) die door van den Akker (2007) is gevonden (zie paragraaf 12.1) wordt representatief geacht voor het referentieklimaat rond 1995 (relatieve oxidatiesnelheid is 1) en komt overeen met een gemiddeld gecorrigeerde temperatuur van 12.27 °C. In Figuur 35 is het verdere verloop van de gecorrigeerde toekomst op basis van KNMI’14 Gl-scenario aangegeven, Tabel 9 toont de bijbehorende relatieve oxidatiesnelheid t.o.v. 1995. Aangezien de KNMI'14 voorspellingen tot 2085 lopen, is de opwarmende trend lineair geëxtrapoleerd tot 2100.

Figuur 35: bovenste paneel: voor seizoensgebonden gecorrigeerde luchttemperatuur voor het klimaat rond 1995, 2050 en 2085 op basis van KNMI’14 Gl-scenario. Onderste paneel: verwacht verloop van gecorrigeerde luchttemperatuur op basis van KNMI’14. Aangezien de KNMI'14 voorspellingen tot 2085 lopen, is de opwarmende trend lineair geëxtrapoleerd tot 2100 (stippellijn).

69 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

Tabel 9: voor seizoensgebonden gecorrigeerde luchttemperatuur en relatieve oxidatiesnelheid t.o.v. 1995 voor het klimaat rond 1995, 2020, 2030, 2050, 2085 en 2100.

70 van 114

Jaar

Gecorrigeerde temperatuur (°𝑪)

Relatieve oxidatiesnelheid (-)

1995

12.27

1.00

2020

12.82

1.07

2030

13.04

1.10

2050

13.09

1.11

2085

13.34

1.15

2100

13.45

1.16

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

13

Rekenwijze compactie De bestaande rekenwijze in Atlantis voor compactie is gebruikt (Erkens e.a., 2021). De methode maakt gebruik van het isotachenmodel – dit is het huidige standaard samendrukkingsmodel voor zettingsberekeningen in de geotechniek. Het isotachenmodel gebruikt drie samendrukkingsparameters (a,b,c). Aan elke grondsoort (lithoklassen: klei, veen, zand, leem) die in het ondergrondmodel (Hoofdstuk 8) worden representatieve waarden voor deze parameters toegekend. Daarnaast wordt aan elke grondsoort een waarde voor de overconsolidatie ratio (OCR) toegekend. De combinatie van de vier parameterwaarden bepaalt niet alleen de compactiegevoeligheid voor spanningsveranderingen (verandering effectieve druk) in de bodem, maar bepaalt ook de initiële compactiesnelheid. De compactie bij constante spanningstoestand wordt kruip genoemd. In de huidige toepassing komen spanningsveranderingen in de bodem alleen tot stand door verandering van het grondwaterpeil (GLG) ten opzichte van het bodemmateriaal. Omdat gekozen is voor een vast streefpeil zijn deze veranderingen gering (maar niet nul).

71 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

14

GLG

14.1

Startconditie De GLG-kaart is betrokken uit het meest recente Model Grondwaterspiegeldiepte (Water table Depth Model, WDM), dat deel uitmaakt van de BasisRegistratie Ondergrond (BRO). Het WDM omvat actuele kaarten van de karakteristieken GHG, GLG en Gt van de grondwaterspiegeldiepte in Flevoland en kwantitatieve informatie over de nauwkeurigheid van deze kaarten. ‘Actueel’ betekent in deze context dat de kaarten de langjarig gemiddelde grondwaterspiegeldiepte weergeven, gegeven de huidige hydrologische en klimatologische condities. Voor de actualisatie van het WDM in Flevoland (Walvoort e.a., 2023) is gekozen voor een steekproefopzet die aansluit bij de spatial-coverage-steekproef, die werd uitgevoerd voor de actualisatie van de bodemkaart van dit gebied (Brouwer e.a., 2018). Het gebied betrof de Noordoostpolder en Oost- en Zuid-Flevoland. Aan 206 punten met geoptimaliseerde ruimtelijke spreiding (spatial coverage) zijn 40 punten toegevoegd om informatie te krijgen over variatie in GxG op kortere afstanden. Het totaal aantal locaties waar gerichte opnamen van de GHG en GLG hebben plaatsgevonden bedroeg 246. Op deze zogenoemde ‘gerichteopnamelocaties’ zijn metingen van de grondwaterspiegeldiepte verricht in de periode dat de GHG en GLG voorkomen. Het veldwerk voor de bodem- en grondwaterkarteringen vond in 2018 plaats.

Hoewel delen van 2018 zeer droog waren en een lage grondwaterspiegel werd gemeten heeft dit geen invloed gehad op de berekende GLG en GHG. Dit doordat de gemeten grondwaterspiegel in de boringen werden gecorreleerd aan de langjarige metingen in diverse peilbuizen; dit wordt stambuisregressie genoemd. Na een controle van de peilbuisgegevens die door het waterschap Zuiderzeeland waren verstrekt op een aantal kwaliteitskenmerken, zijn de gegevens van 60 peilbuizen bruikbaar bevonden voor dit onderzoek. Voor de locaties van de 60 peilbuizen is de relatie vastgesteld tussen GHG’s en GLG’s enerzijds, en grondwaterspiegeldiepten ten tijde van de gerichte opnamen anderzijds. Deze relatie is gebruikt om op gerichte-opnamelocaties GHG’s en GLG’s uit gemeten grondwaterspiegeldiepten te berekenen. Bij deze zogeheten stambuisregressie is rekening gehouden met de aanwezigheid van ‘dieper-dan’ of gecensureerde waarnemingen, door niet-parametrische regressiemodellen te gebruiken. De GHG en GLG op een gerichte-opnamelocatie is vervolgens berekend met de mediaan uit de verdeling die gesimuleerd is met een niet-parametrisch regressiemodel.

Naast de GxG’s die uit tijdreeksen zijn berekend voor de peilbuislocaties en de GxG’s die met behulp van stambuisregressie zijn berekend voor de gerichte-opnamelocaties, beschikten we over 1272 veldschattingen van GxG’s op boorlocaties van de actualisatie van de bodemkaart (opname in 2017). Deze veldschattingen zijn gebaseerd op hydromorfe kenmerken in het bodemprofiel. De verzamelde data zijn verwerkt tot kaarten van de GxG met behulp van geostatistische modellering. De simulaties werden voor alle gridcellen binnen een homogeen verondersteld deelgebied (stratum) samengevoegd om de ruimtelijke cumulatieve verdeling van GxG’s van dat deelgebied te berekenen. Voor deze aanpak is gekozen omdat in peilbeheerste gebieden veel variatie in grondwaterspiegeldiepte zich binnen percelen afspeelt, als gevolg van opbolling en uitzakking van de grondwaterspiegel. Daarom is gekozen deelgebieden (strata) te onderscheiden waarvan we veronderstellen dat de percelen vergelijkbare ontwatering

72 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

hebben, dus gebieden met weinig variatie tussen percelen en vergelijkbare variaties binnen percelen. Het onderzoek heeft voor dit studiegebied onder meer een GLG-kaart voor vlakken met homogene perceelsontwatering opgeleverd. Deze GLG-kaart geeft de mediaan weer van de ruimtelijke cumulatieve verdeling van GLG's die voor elk van de strata is berekend (Figuur 36). De interkwartielafstanden geven een indruk van de ruimtelijke variatie en nauwkeurigheid binnen de vlakken.

Figuur 36 Mediane GLG (links) en interkwartielafstand van GLG’s (rechts) binnen strata met homogene perceelsontwatering, (Walvoort e.a., 2023)

14.2

Ontwikkeling van GLG in de tijd Naast een startconditie voor de GLG moeten keuzes worden gemaakt hoe de GLG zich vervolgens ontwikkelt in de tijd. Daarvoor zijn twee invloeden beschouwd: (1) van het KNMI’14 GL-scenario (uitgangspunt 3 in hoofdstuk 2); (2) van bodemdaling. Omdat gekozen is voor een vast streefpeil, zijn invloeden van peilverandering (peilindexatie voor bodemdaling of anders) buiten beschouwing gelaten in prognose 2023.

14.2.1

Aanpak verwerking klimaatscenario In bodemdalingsprognoseberekeningen met Atlantis wordt voor de invloed van klimaat op grondwaterpeilen gebruik gemaakt van beschikbare modelstudies – in principe zijn dit studies met het landelijk hydrologisch instrumentarium (LHM, voorheen NHI) - die de invloed van de klimaatscenario’s op de GLG kwantificeren. Merk op dat de invloed van toenemende perioden van droogte daarin dan zijn verwerkt. Voor het huidige project was hiervoor de GLG-verandering beschikbaar die is berekend voor de Deltascenario’s ten behoeve van de

73 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

Basisprognose 2018 – zoetwater (Hunink e.a., 2018). Er is in de Basisprognose 2018 onder andere een voorspelling gemaakt voor het Deltascenario Rust. Dit Deltascenario bevat het voor de huidige prognose gewenste GL-klimaatscenario (KNMI’14). Nadeel van deze beschikbare studie is echter dat het tevens bijdragen heeft van een ‘beperkte’ socioeconomische ontwikkeling17. Deze extra invloeden zijn ongewenst voor de prognose voor Flevoland en impliceren dat er eerst nieuwe berekeningen met LHM gedaan zouden moeten worden. Daarbij komt dat het KNMI werkt aan een update van de klimaatscenario’s waardoor de KNMI’14 scenario’s spoedig verouderd zullen zijn. Inspectie van de studie laat verder zien dat de bijdrage van het klimaatscenario op de GLG, zonder socio-economische invloeden, waarschijnlijk zeer gering is in Flevoland. In overleg met de opdrachtgever is daarom besloten om: • Géén verandering GLG voor klimaatverandering toe te passen in de productie van de nieuwe prognosekaart18. • Dit te verschuiven naar een update (aanvullende opdracht) waarin het geüpdatete GL klimaatscenario wordt gebruikt en daarmee eerst een LHM modellering wordt gedaan.

14.2.2

Aanpak verwerking maaivelddaling

Er is besloten om voor de basiskaart het uitgangspunt te hanteren dat de GLG ten opzichte van NAP zakt met 50% van de daling van het maaiveld en dit percentage te variëren in de gevoeligheidsanalyse. Deze keuze berust vrijwel volledig op algemene hydrologische systeemkennis; er bestaan geen directe waarnemingen voor de invloed van maaivelddaling op de GLG. Overwegingen: • De verwachting dat de freatische grondwaterstand in Flevoland maar ten dele wordt bepaald door het oppervlaktewaterpeil, o.a. doordat de landbouwpercelen over het algemeen groot zijn. In droge perioden die relevant zijn voor de GLG is de verdampingsvraag sterk bepalend voor de mate van uitzakking van het freatisch niveau; het lokaal beschikbare vocht verdwijnt naar de atmosfeer. Beperking van de uitzakking door laterale aanvulling vanuit oppervlaktewater (en daarmee koppeling aan het oppervlaktewaterpeil) speelt alleen een rol dicht bij watergangen. Beperking van uitzakking door kwel vanuit het 1e WVP speelt deels een rol, maar de stijghoogte in het 1e WVP wordt niet 100% op peil gehouden vanuit het oppervlaktewater. De stijghoogte zakt deels mee met het freatisch niveau. Bij een lager maaiveld start de vochtuitputting door verdamping van een lager niveau t.o.v. NAP en kan de grondwaterstand ook iets verder uitzakken t.o.v. NAP.

• De extreme situaties zijn dat de GLG niet wordt beïnvloed door maaivelddaling (0%) en dat de GLG volledig meedaalt met de maaivelddaling (100%). Er is op dit moment geen evidente methode om het percentage te schatten. Een gemiddelde waarde wordt daarom passend geacht. In de uitvoering is ervoor gekozen om de GLG mee te laten dalen met de gemiddelde bodemdaling van het perceel waar de bodemkolom zich in bevindt. Alleen voor locaties die buiten geregistreerde percelen liggen is uitgegaan van de bodemdaling voor de locatie van de bodemkolom. —————————————— 17

Landgebruik, maaiveld en peilverlaging voor bodemdaling (op basis voorgaande nationale kaart), onderwaterdrainage, reductie drinkwateronttrekking uit grondwater (-10%), reductie industriële grondwateronttrekking (-40%) (alleen voor onttrekkingen > 100.000 m3/jr; waarschijnlijk niet in Flevoland), aangepaste distributie beregeningslocaties (areaal +8%). 18 De invloed van temperatuurverandering op de oxidatiesnelheid is toegelicht in 12.3.

74 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

15

Startparametrisatie Om de bodemdalingsberekeningen te kunnen doen moet waarden worden toegekend aan alle benodigde parameters. In dit hoofdstuk wordt de eerste parametrisatie die is gebruikt toegelicht. Dit wordt verder de ‘startparametrisatie’ genoemd. De definitieve parametrisatie die is gebruikt voor de prognose (hoofdstuk 17), bevat een aantal wijzigingen ten opzichte van deze eerste parametrisatie. De definitieve parametrisatie is vastgesteld op basis van de gevoeligheidsanalyse (hoofdstuk Error! Reference source not found.) . Voor de betekenis van de verschillende parameters wordt verwezen naar de beschrijving van rekenwijzen van de verschillende processen.

15.1

Parameterwaarden op basis van ruimtelijke kartering Deze parametrisatie is opgenomen in het voxelmodel van de ondergrond (zie paragraaf 8.3) en betreft de parameters rijpingsgetal (n), lutumgehalte (L), en organische stofgehalte (H). Kaartbeelden voor het lutumgehalte en organische stofgehalte zijn opgenomen in bijlage 19E. De parametrisatie voor de rijpingsgraad in het voxelmodel betrof de rijpingsklassen 0 t/m 5. Deze klassen zijn omgezet naar rijpingsgetal n met Tabel 10. Tabel 10 parametrisatie van n-waarden in het voxelmodel rijpingsklasse

n-waarde

5

0,7

4

0,85

1-3

1,5

1

2,2

0

0

Figuur 37 toont het rijpingsgetal op 1,3 m -mv.

75 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

Figuur 37 Rijpingsgetal op 1,3 m -mv aangepast o.b.v. de GLG

15.2

Parameterwaarden gekoppeld aan lithoklassen en ruimtelijk uniforme parameterwaarden Voor oxidatie en compactie zijn de parameterwaarden de standaardwaarden die zijn gebruikt voor de nationale bodemdalingsvoorspellingskaarten. Voor rijping betreft het vanzelfsprekend een nieuwe set van waarden, omdat het gaat om een nieuw ontwikkelde rekenwijze. Tabel 11 Startparametrisatie rekenwijze rijping Tijdschaal

Boven GLG

constante

Dichtheid

[kg/m3]

Anisotropie-

geen rijping

factor

[-] ngerijpt

[jaar]

[m]

[-]

H v0, rijp in g

b

w

L

0,5

60

0

3

1000

2500

H

R

1470

2650

[-] r

3

Aanvullend wordt in de rijpingsberekeningen gebruik gemaakt van de ruimtelijk gedifferentieerde parametrisatie in het ondergrondmodel voor rijpingsgetal n , lutumgehalte L en humusgetal/-gehalte H (paragraaf 15.1). Tabel 12 Startparametrisatie rekenwijze oxidatie

Oxidatiesnelheid [kg/m3/d]

76 van 114

Boven GLG geen oxidatie [m] H v0,oxidatie

4.603 x 10-3

0,3

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

Dichtheid schoon veen [kg/m3] max  org 100

Aanvullend wordt in de oxidatieberekeningen gebruik gemaakt van de ruimtelijk gedifferentieerde parametrisatie in het ondergrondmodel voor humusgetal/-gehalte H (paragraaf 15.1).

Tabel 13 Startparametrisatie rekenwijze compactie

Initieel volumiek gewicht [kN/m3]

 verz /  onverz

zand klei veen ‘leem’

19,0 / 17,0 17,0 / 16,0 10,5 / 3,5 19,0 / 17,5

Isotache parameters

Consolidatiecoëfficient

Overconsolidatie ratio

[-]

[-]

[-]

[m2/s]

[-]

a

b

c

cv

OCR

0,0001 0,005 0,017 0,002

0,0023 0,065 0,13 0,03

0 0,003 0,009 0,0008

1,00E+00 3,00E-08 8,00E-08 4,00E-08

1,25 1,56 2,23 1,25

 water = 9.81 kN/m3 In Tabel 13 is de OCR-waarde voor zowel klei als voor veen zo gekozen dat een acht meter dikke laag van hetzij klei, hetzij veen (of een combinatie daarvan), bij aanvang een bodemdaling door kruip geeft van ca. 1 mm/jaar. Voor ‘leem’ is dat een ca. 0,25 mm/jaar en voor zand nihil. Tabel 14 Startparametrisatie algemeen

GLG %GLGmv# WDM model 50% # percentage waarmee het GLG peil meezakt met maaivelddaling (14.2.2)

15.3

Tijdsdiscretisatie De tijdsdiscretisatie betreft stress perioden en tijdstappen (Hoofdstuk 6). Er is gekozen voor stress perioden van 1 jaar. Dit zorgt ervoor dat de verlaging van het GLG peil, die is gekoppeld aan de maaivelddaling middels %GLGmv, regelmatig wordt verwerkt. Binnen elke stress periode wordt gestart met 1 dag, en deze tijdstap verdubbelt zich elke nieuwe tijdstap, waarbij de laatste tijdstap het jaar vol maakt.

77 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

16

Gevoeligheidsanalyse Als eerste stap in fase 2 is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd. Het doel van de gevoeligheidsanalyse is vierledig: • Te bepalen of er aspecten van de gekozen rekenwijzen zijn die te weinig toegevoegde waarde hebben en beter kunnen worden weggelaten of vereenvoudigd. De resultaten van de gevoeligheidsanalyse leverden daar geen aanleiding toe. • Te onderkennen welke parameters/onderdelen veel invloed hebben en sterk bijdragen aan onzekerheid. Deze parameters worden besproken in paragraaf 16.3.2. • Informatie te leveren voor bepaling van de definitieve parametrisatie voor de basisprognosekaart (beste schatting). De definitieve parametrisatie wordt besproken in hoofdstuk 17. • Informatie te leveren voor de bepaling van de parametrisatie voor de twee andere kaarten – een hoge en een lage bodemdalingsprognose – die de onzekerheid/bandbreedte van de prognose in beeld brengen. De parametrisatie van deze kaarten wordt ook besproken in hoofdstuk 17. De gevoeligheidsanalyse is gedaan op een selectie van kolommen uit het voxelmodel.

16.1

Geselecteerde locaties Er zijn 10 locaties gebruikt in de gevoeligheidsanalyse, verdeeld over de drie polders (Figuur 38; Tabel 15). De locaties vertegenwoordigen verschillen in de bodemopbouw (deklaagdikte, veendikte en dikte van het totale Holocene pakket) en verschillen in GLG -mv. ZF.C is gekozen op een locatie waarin een minder gerijpte deklaag aanwezig is. Een deel van de locaties is gekozen waar relatief sterkere bodemdaling verondersteld wordt plaats te vinden (centrale deel van ZF en ten noorden van Schokland). Waar de gekozen locatie op minder dan 1,5 km afstand van een voormalig rijpingsterrein ligt is de naam van het betreffende rijpingsterrein aangegeven in Tabel 15.

Figuur 38 Locaties van de bodemkolommen die zijn gebruikt in de gevoeligheidsanalyse.

78 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

Tabel 15 Locaties gebruik in de gevoeligheidsanalyse

16.2

naam

X (RD; m)

Y (RD; m)

Nabijgelegen rijpingsterrein

ZF.A ZF.B ZF.C ZF.D ZF.E OF.A OF.B NOP.A NOP.B NOP.C

161250.0 158750.0 158550.0 153750.0 153750.0 166350.0 170350.0 181050.0 178050.0 176650.0

481050.0 484350.0 488050.0 489250.0 493350.0 509050.0 503550.0 519350.0 521950.0 528650.0

ZF9 ZF14 ZF31 ZF34 OF33 OF32 -

Variatie parameterwaarden in gevoeligheidsanalyse De startparametrisatie (Hoofdstuk 15) geeft het vertrekpunt voor de gevoeligheidsanalyse. Deze parametrisatie levert voor elk van de 10 locaties een bodemdalingsprognose op. In de gevoeligheidsanalyse zijn voor individuele parameters hogere dan wel lagere waarden gekozen om in beeld te brengen hoe de prognose daardoor verandert. De linker kolom van Tabel 16 vermeldt de parameters die zijn betrokken in de gevoeligheidsanalyse. Het zijn de meest bepalende parameters voor de drie onderscheiden bodemdalingsprocessen. De startwaarden van deze parameters staan vermeld in de tweede kolom. De variaties die zijn toegepast staan in de kolommen ‘lager’ en ‘hoger’. Tabel 16 Variaties (hoger/lager) die zijn toegepast in de gevoeligheidsanalyse in vergelijking met de startwaarde. De rechterkolom geeft aan of een absolute waarde (abs) of een verandering (ver) is vermeld in de kolommen ‘hoger’ en ‘lager’.

16.3

parameter GLG %GLGmv H v0,oxidatie

startwaarde WDM model (p50) 50%

lager -0,1 m -0,25 m -0,4 m 0%

hoger +0,1 m +0,25 m +0,4 m 100%

ver abs

0,3 m

0,05 m 0,2 m

0,4 m 0,55 m

abs

4,603 x 10-3 kg/m3/d

- 50%

max  org

100 kg/m3

+20% 150 kg/m3

ver abs

H v0, rijp in g

0,0 m

0,25 m

abs

n 

Voxel parametrisatie 60 jr

=2,2 -0,5*(2,2-n) 80 jr

abs abs

r

3 (isotroop)

OCR

Levert 1 mm/jr voor 8 m klei/veen

n=ngerijpt =0,5 boven GLG 40 jr 2 (tussen isotroop en verticaal)

abs 20 mm/jr voor 8 m klei/veen

abs

Resultaten De volledige resultaten voor de 10 locaties zijn opgenomen in bijlage 19D. In de bijlage worden de grafische resultaten voor vijf locaties toegelicht om de informatie daarin te kunnen

79 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

duiden. De onderstaande presentatie beperkt zich tot enkele statistieken en een bespreking van de resultaten. 16.3.1

Statistieken Tabel 17 Enkele karakteristieken per locatie

Startdaling ref. (mm/jaar)*

Daling 2100 ref. (m)

Bandbreedte# 2100 (m)

1 3 3 4 2 <1 1 10 5 9

0,04 0,10 0,11 0,18 0,07 0,03 0,04 0,55 0,17 0,52

0,01 – 0,14 0,04 – 0,19 0,04 – 0,20 0,04 – 0,37 0,03 – 0,17 0,03 – 0,08 0,02 – 0,14 0,12 – 0,95 0,05 – 0,24 0,09 – 0,95

ZF.A ZF.B ZF.C ZF.D ZF.E OF.A OF.B NOP.A NOP.B NOP.C

* berekende daling in het jaar 2020 # aangegeven is de laagste en hoogste daling die is berekend voor de gekozen variaties

Tabel 18 maximaal individueel effect in 2100 > 0,1 m (t.o.v. basis)

GLG

%GLGmv

H v0,oxidatie

max  org

H v0, rijp in g

n

r

OCR

H v0, rijp in g

n

r

OCR

ZF.A ZF.B ZF.C ZF.D ZF.E OF.A OF.B NOP.A NOP.B NOP.C Tabel 19 maximaal individueel effect in 2100 > 0,2 m (t.o.v. basis)

GLG

%GLGmv

ZF.A ZF.B ZF.C ZF.D ZF.E OF.A OF.B NOP.A NOP.B NOP.C

80 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

H v0,oxidatie

max  org

16.3.2

Bespreking Gevoeligheid De resultaten geven de volgende inzichten in de gevoeligheid : •

•

• •

• •

•

•

De parameters die het dieptebereik onder maaiveld bepalen waarbinnen oxidatie plaatsvindt (GLG, %GLGmv en H v0,oxidatie ) hebben de grootste invloed. De invloed is vooral groot waar met de startparametrisatie al een grote bodemdalingsbijdrage door oxidatie wordt berekend. Deze bijdrage kan met aangepaste parametrisatie sterk worden onderdrukt of verder worden vergroot. Dit is bijvoorbeeld het geval op locaties NOP.A en NOP.C (zie de bandbreedte in Tabel 17). De invloed van %GLGmv is groot op bovengenoemde locaties omdat het bepaalt of het oxidatiebereik zich uitbreidt in dieper ‘vers’ veen en daarmee de bodemdaling door oxidatie ‘in gang houdt’ – dit is maximaal bij %GLGmv = 100% - of dat dit niet gebeurt, waardoor alleen het veen dat zich bij aanvang in het oxidatiebereik bevindt ‘opbrandt’ waardoor de bodemdaling door oxidatie sterk afneemt – bij %GLGmv = 0%. Waar een significante oxidatiebijdrage aanwezig is, is ook de gevoeligheid voor de max ) relatief groot. andere parameters in de oxidatieberekening (  , org Er zijn (vanzelfsprekend) ook locaties (gebiedsdelen in Flevoland) waar niet of nauwelijks gevoeligheid bestaat voor bovengenoemde parameters door afwezigheid van veen of veen op te grote diepte om binnen het (aerobe) oxidatiebereik te komen.

De gevoeligheid voor de parameters in de rijpings- en compactie rekenwijze is minder groot dan die in de oxidatieberekening. De berekende invloed van het initiële rijpingsgetal (n) van de deklaag bedraagt maximaal anderhalve decimeter in 2100. Een invloed van meer dan één decimeter is voor veel locaties gevonden (Tabel 18). Dat komt doordat de vrijwel volledig gerijpte waarde n=0,7 die in de startparametrisatie is opgenomen, voor de hoge waarden is ‘opgevoerd’ naar een vrij hoge waarde van n=1,45. Dit zorgt ervoor dat in deze berekening ook zeer ondiepe bodemniveaus tot aan maaiveld een vrij grote restrijpiingsbijdrage leveren. Alleen waar het minerale dek erg dun is (NOP.A, NOP.C) bedraagt de berekende invloed minder dan een decimeter. Voor de minder gerijpte voxels is de n-waarde in de gevoeligheidsanalyse juist beperkter verhoogd. Daardoor is de gevoeligheid voor deze locaties daardoor juist wat onderschat, ook omdat in de startparametrisatie was gekozen voor isotrope krimp (r=3). Omdat de restrijping met name wat dieper onder maaiveld zal plaatsvinden is een wat sterkere verticale krimp (r=2) bij nader inzien realistischer. De gevoeligheid voor compactie (OCR) is beperkt tot minder dan een decimeter. Deze beperkte invloed wordt echter sterk bepaald door het feit dat voor de prognose een scenario met vast peil wordt gehanteerd.

Voor scenario’s waarin het peil, en met name de GLG, actief wordt verlaagd (verdieping van sloot- en buisdrainage), is de invloed van compactie aanzienlijk groter. In de uitgevoerde gevoeligheidsanalyse is alleen onderzocht wat het gevolg is als één parameterwaarde tegelijk wordt aangepast. Er zijn echter logischerwijs parametercombinaties die een groter effect opleveren dan de individuele effecten tonen (het omgekeerde is ook het geval). Zo zullen een lager GLG peil en een lagere H v0,oxidatie elkaar versterken. En de invloed van compactie (via een lage OCR) is groter naarmate de GLG sterker daalt ten opzichte van de onderliggende veen en kleilagen, bijvoorbeeld combinatie met een hoge %GLGmv. Het is relevant om dit te onderkennen. Een ‘volledige’ analyse van al deze mogelijke interacties is echter zeer omvangrijk, zal niet direct tot betere keuzes voor de parametrisatie van de prognose leiden, en is daarom achterwege gelaten. Hetzelfde geldt voor de gevoeligheid voor de onzekerheid in het gebruikte bodemprofiel.

81 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

17

Definitieve parametrisatie basiskaart en bandbreedtekaarten

17.1

Overwegingen voor de basiskaart Om te komen tot de definitieve parametrisatie is de vraag gesteld of er redenen zijn om af te wijken van de startparametrisatie – dit was de beste a priori schatting (Hoofdstuk 15). Overwegingen die zijn beschouwd zijn (a) beperken van verschillen met prognose 2012, (b) afstemmen op ‘bodemdalingsmetingen’ (c) overwegingen naar aanleiding van de gevoeligheidsanalyse. Deze punten worden hieronder besproken. Beperken van verschillen met de prognose 2012. De prognose voor de startparametrisatie voor de locaties die zijn doorgerekend in de gevoeligheidsanalyse geeft aan dat deze nieuwe prognose in verschillende gebiedsdelen grote verschillen geeft ten opzichte van prognose 2012 (De Lange e.a., 2012). Met name in centrale delen van Zuidelijk Flevoland wordt met de startparametrisatie minder bodemdaling voorspeld in 2100 (0,1 a 0,2 m in plaats van 0,4 tot 0,6 m). Deze verschillen kunnen niet worden verklaard uit het latere startmoment van prognose 2023 (2020 versus 2011). Deze verschillen bieden echter ook geen basis om de startparametrisatie voor de prognose aan te passen. Daarvoor zou (a) vast moeten staan dat prognose 2012 een hoge betrouwbaarheid of nauwkeurigheid heeft, én (b) bekend moeten zijn welke processen prognose 2012 bepalen (oxidatie, rijping, compactie). Aan beide wordt niet voldaan.

De bandbreedte/onzekerheid van prognose 2012 is niet bekend, maar ongetwijfeld hoog. En de onderliggende procesbijdragen (en validiteit daarvan) zijn niet bekend of te achterhalen. Afstemmen op ‘bodemdalingsmetingen’. Voor prognose 2012 zijn de historische bodemdalingstrends van de rijpingsterreinen tot begin jaren ’90 van de vorige eeuw gebruikt om het bodemdalingsmodel te ‘kalibreren’19. Voor prognose 2023, waarin de modellering start bij de ‘actuele’ situatie, zijn voor een vergelijkbare exercitie ‘actuele’ bodemdalingssnelheidsschattingen nodig. De beste beschikbare schatting op dit moment is de maaivelddalingssnelheidskaart die is opgesteld met AHN-hoogte datasets (paragraaf 7.2). Gebruik van deze kaart voor kalibratie is echter verre van evident. Ten eerste is de geschatte fout (standaarddeviatie) in de snelheid is vergelijkbaar of groter dan de snelheid. Dat betekent dat de betrouwbaarheid/nauwkeurigheid van een gekalibreerd bodemdalingsmodel erg laag blijft. Ten tweede is de vraag welke parameters en processen (en in welke verhouding) geoptimaliseerd zouden moeten worden. Om redelijke overeenstemming met de ANH-gebaseerde snelheidskaart (beste schatting) te verkrijgen lijkt het noodzakelijk de parametrisatie verschillend aan te passen voor deelgebieden.

Ten noordwesten van Emmeloord zou bijvoorbeeld naar parametrisatie moet worden gezocht die de bijdrage van oxidatie reduceert; in Zuidelijk Flevoland werkt dit ‘averechts’ of moeten andere procesbijdragen flink verhoogd. Zonder onderbouwing voor zulke verschillen is zo’n optimalisatie ongewenst. Er is simpelweg onvoldoende ‘houvast’ om een betekenisvolle kalibratie uit te voeren. Bovendien wordt er een ruime bandbreedte aan de prognose toegevoegd. Daardoor is de betekenis van gedetailleerde verschillen in de basiskaart sowieso beperkt. Er is daarom voor gekozen geen afstemming te doen op basis van de maaivelddalingssnelheidskaart. —————————————— 19

Dit is naar alle waarschijnlijkheid ook de belangrijkste verklaring voor de relatief hoge bodemdalingsprognose in delen van Zuidelijk Flevoland.

82 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

Overwegingen naar aanleiding van de gevoeligheidsanalyse. Bij de bespreking van de resultaten van de gevoeligheidsanalyse (16.3.2) is geconstateerd het logischer is om voor de rijpingsberekeningen te kiezen voor anisotroop in plaats van isotroop volumeverlies (r=2 in plaats van r=3).

17.2

Overwegingen voor de bandbreedtekaarten De beoogde bandbreedtekaarten bestaan uit een ‘prognose laag’ en een ‘prognose hoog’ kaart. Omdat er meerdere parameters, behorende bij verschillende processen, bij kunnen dragen aan een hogere prognose en aan een lagere prognose is ervoor gekozen om meerdere parameters tegelijk aan te passen, waarbij elke individuele aanpassing bijdraagt aan een lage dan wel hoge prognose, en daarbij ‘minder gevoelige parameters’ buiten beschouwing te laten. Wanneer meerdere (gevoelige) parameters tegelijk worden aangepast – de gevoeligheidsanalyse betrof variatie van individuele parameters – kan dat tot een extreme, zeer onwaarschijnlijke schatting leiden wanneer voor elk van de parameters een grote aanpassing wordt genomen (stapelingseffect). De individuele aanpassingen zijn daarom relatief gematigd gekozen. Ze zijn gebaseerd op expert judgement en de resultaten van de uitgevoerde gevoeligheidsanalyse. De hoge dalingsprognose levert een kaart waarvoor de kans dat deze de daling onderschat klein wordt geacht (deze kans is niet nauwkeurig te kwantificeren). Lokaal of in gebiedsdelen is onderschatting voor ‘prognose hoog’ daarmee dus niet uitgesloten. Onderschatting blijft ook mogelijk indien er processen ontbreken (b.v. anaerobe veenafbraak) .

17.3

Parametrisatie Voor de definitieve parametrisatie worden de aanpassingen beschreven die daarin zijn gedaan ten opzichte van de startparametrisatie (Hoofdstuk 15). Alles wat niet wordt benoemd is dus ongewijzigd overgenomen voor de productie van de kaarten. De aanpassingen zijn samengevat in Tabel 20. Tabel 20 Aanpassingen definitieve parametrisatie ten opzichte van de startparametrisatie (grijs: niet aangepast)

parameter GLG %GLGmv H v0,oxidatie

basisprognosekaart WDM model p50 50% 0,3 m

Prognose hoog p75 66% 0,2 m

Prognose laag p25 33% 0,4 m

n

startparametrisatie 2 Levert 1 mm/jr voor 8 m klei/veen

Zie tekst 1 Levert 20 mm/jr voor 8 m klei/veen

startparametrisatie 2 Levert 1 mm/jr voor 8 m klei/veen

r

OCR

Voor de basisprognose is alleen de anisotropiefactor r aangepast (van r=3 naar r=2). Voor ‘prognose hoog’ is voor de 75 percentiel GLG kaart van het WDM model gekozen. De mate waarin de GLG dieper is dan in de basisprognose (50 percentiel kaart) is daarmee ruimtelijk variabel en gebaseerd op de stochastiek van de meetdata van het WDM model. In verband met de diepere ligging van de initiële GLG is een hermodellering uitgevoerd voor het rijpingsgetal (n). Daarmee wordt voorkomen dat volledig ongerijpte voxels boven de diepere GLG komen te liggen en onrealistisch veel bijdragen aan bodemdaling. De n-waarden verkregen uit de hermodellering zijn voor ‘prognose hoog’ vervolgens nog verhoogd met 25%. Hierdoor leveren minder sterk gerijpte voxels een grotere bijdrage aan bodemdaling

83 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

door (rest)rijping. Voor ‘prognose laag’ is een hoger liggende GLG (p25) gebruikt. Voor die variant is gekozen om de oorspronkelijke parametrisatie van het rijpingsgetal te handhaven.

84 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

18

Referenties Acacia, 2019. Spaarwater Flevoland 2019. Gouda Bakema, G, van den Akker J.J.H. en van F. van Egmond, 2021. Voorkomen en opheffen van bodemverdichting; literatuuronderzoek en casestudie Flevoland Wageningen Environmental Research, Rapport 3069. 39 blz.; 16 fig.; 2 tab.; 55 ref. Bogaert, P. 2002. Spatial prediction of categorical variables: the Bayesian maximum entropy approach. Stochastic Environmental Research and Risk Assessment, 16, 425–448. Bootsma, H., H. Kooi, G. Erkens, 2020. Atlantis, a tool for producing national predictive land subsidence maps of the Netherlands. Proc. IAHS, 382, 415–420, https://doi.org/10.5194/piahs-382-415-2020 Brouwer, F. en M.M. van der Werff, 2012. Vergraven gronden: Inventarisatie van ‘diepe’ grondbewerkingen, ophogingen en afgravingen. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2336 26 blz.; 4 foto; .4. ref. Brouwer, F., F. de Vries en D.J.J. Walvoort (2018). Basisregistratie Ondergrond (BRO); Actualisatie bodemkaart: herkartering van de bodem in Flevoland. Wageningen, WOT Natuur & Milieu, WUR. WOttechnical report 143. 52 blz.; 22 fig.; 4 tab.; 19 ref. Christakos, G. 2000. Modern spatiotemporal geostatistics. Oxford University Press, New York. De Vries F., D. Walvoort en F. Brouwer, 2017. Basisregistratie Ondergrond (BRO) Actualisatie bodemkaart; Herkartering van de eenheden met slappe kleilagen.

Wageningen, Wageningen Environmental Research, Rapport 2834. 40 blz.; 12 fig.; 9 tab.; 14 ref. De Lange, J., 2015. Analyse bodemdaling en zetting Almere. Deltares rapport 1210761-000BGS-0005. De Lange, G., J. Gunnink, Y. Houthuessen, R. Muntjewerf, 2012. Bodemdalingskaart Flevoland, Grontmij Rapport GM-0042778, revisie D2. Ente, P.J., J. Koning en R. Koopstra, 1986. De bodem van oostelijk Flevoland, Flevobericht 258. Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders. Erkens, G., P. de Louw, H. Bootsma, J. Stafleu, J. van den Akker, H. Kooi (2018) Huidig en toekomstig opbarstrisico in de provincie Zuid-Holland, Deltares rapport 11200024-000 Erkens, G., H. Kooi, R. Melman, 2021. Actualisatie bodemdalingsvoorspellingskaarten. Deltares rapport 11206724-002-BGS-0001. Fokker, P.A., J.L. Gunnink, K. Koster, G. de Lange, 2019. Disentangling and parameterizing shallow sources of subsidence: application to a reclaimed coastal area, Flevoland, the Netherlands. Journal of Geophysical Research Earth Surface, doi: 10.1029/2018JF004975 Gerritsen, P., D.J.J. Walvoort, M. Knotters (2021). Kartering grondwaterspiegeldiepte in laag Friesland; Actualisatie van een deel van het grondwaterspiegeldieptemodel van de

85 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

Basisregistratie Ondergrond (BRO). Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOtrapport 131. 50 blz.; 13 fig.; 1 tab.; 31 ref; 3 Bijlagen. Gotjé, W. (2014). Catalogus van geologische kaarten van de Noordoostpolder. Gotjé Environmental Consultancy.

Gunnink, J., G. de Lange, J. van den Akker, P. Fokker, 2010. Kennisdocument bodemdaling. TNO rapport TNO-034-UT-2010-01962/A. Gunnink, J.L., 2021. Deklaagweerstand Flevopolders. TNO-rapport, TNO 2021 R10844. Hendriks, R., & Vemeulen, J. (1997). Effect of temperature on the decomposition of organic matter in Dutch peat soils. Peat in horticulture - its use and sustainability, 163-167. Jongmans, A.G., M.W. van den Berg, M.P.W. Sonneveld, G.J.W.C. Peek en R.M. van den Berg van Saparoea, 2013. Landschappen van Nederland. Geologie, Bodem en Landgebruik. Wageningen Academic Publishers. Journel, A. G., 1983, Nonparametric estimation of spatial distributions: Math. Geol., v. 15, no. 3, p. 445–468. Kooi, H. (2018). Bodemdaling door grondwateronttrekking in het Westland en omgeving. Deltares Bodemdaling door grondwateronttrekking in het Westland en omgeving (deltares.nl) Kooi, H., Bakr, M., de Lange, G., den Haan, E., and Erkens, G. (2018) User guide to SUBCR; a MODFLOW package for land subsidence and aquifer system compaction that includes creep, Deltares internal report 11202275-008. Kooi, H., G. Erkens, 2020. Modelling subsidence due to Holocene soft-sediment deformation in the Netherlands under dynamic water table conditions. Proc. IAHS, 382, 493–498, https://doi.org/10.5194/piahs-382-493-2020 Kooi, H., G. Bakema en J. Gunnink (2022) Voorstudie nieuwe bodemdalingsprognose Flevoland.

Deltares rapport 11207704-002-BGS-0003. Lambert, J.W.M., L. Niel, S. Stoorvogel-van der Horst, E. Verheijen, M. Woning, 2015. Bodemdaling Almere, consequenties voor gemeentelijke infrastructuur. Rapport TO2 federatie samenwerkende organisaties in toegepast onderzoek. Menke, U., E. van der Laar en G. Lenselink, 1998. De geologie en de bodem van Zuidelijke Flevoland. Flevobericht 415. Rijkswaterstaat. Muntjewerff, R., 2012. Verbeteringsmogelijkheden Bodemdalingskaart Flevoland. Memo Grontmij, kenmerk 304424. Pons, L.J. en I.S. Zonneveld (1965) Soil ripening and soil classification; ILRI publ. no. 13, Wageningen Rijniersce, K. (1983) Een model voor de simulatie van het fysische rijpingsproces van gronden in de IJsselmeerpolders; Van Zee tot Land nr. 52, Lelystad. Dissertatie Universiteit Wageningen. Stuyt, L.C.P.M., M. Knotters, D.J.J. Walvoort, F. Brouwer & H.T.L. Massop (2018). Basisregistratie Ondergrond - Gd-kartering Laag-Nederland 2018; Provincie Flevoland. WOt-

86 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

technical report 145. WOT Natuur & Milieu, WUR, Wageningen. 86 blz.; 57 fig.; 7 tab.; 26 ref; 1 bijlage Soares, A., 1992. Geostatistical estimation of multi-phase structure. Mathematical Geology 24: 149-160 ten Cate, J. A. M., A. F. van Holst, H. Kleijer, and J. Stolp. 1995. “Handleiding Bodemgeografisch Onderzoek; richtlijnen en voorschriften. Deel A: Bodem.” 19A. Wageningen: DLO-Staring Centrum. Van den Akker, J.J.H., 2012. Notitie beoordeling bodemdalingsprognoses Flevoland 2011. Van den Akker, J.J.H., H.T.L. Massop en R.P.J.J. Rietra, 2018. Potentiële emissiereductie broeikasgassen Fries veenweidegebied; Waterhuishoudkundige en bodembeheermaatregelen om broeikasgasemissies te beperken. Wageningen, Wageningen Environmental Research, Rapport 2905. Van den Akker, J.J.H., R. Hendriks, J. Frissel, K. Oostindie en J. Wesseling, 2013. Gedrag van verdroogde kades; ontstaan en gevaar van krimpscheuren in klei- en veenkades. Alterrarapport 2473. Wageningen. Van den Akker, J.J.H., T. Hoogland en F. Stoppelenberg, 2011 Berging in kleischeuren in de Flevopolders. STROMINGEN 16 (2011), nummer 3. Van den Akker, J.J.H., 2022. Mondelinge mededelingen. Van Asselen, S., G. Erkens, E. Stouthamer, H.A.G. Woolderink, R.E.E. Geeraert, M.M. Hefting, 2018.

The relative contribution of peat compaction and oxidation to subsidence in built-up areas in the Rhine-Meuse delta, The Netherlands, Science of the Total Environment, https://doi.org/10.1016/j.scitotenv.2018.04.141 Walvoort D.J.J., P. Gerritsen en M. Knotters, 2023. Kartering grondwaterspiegeldiepte in Flevoland; Actualisatie van een deel van het grondwaterspiegeldieptemodel van de Basisregistratie Ondergrond (BRO). Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOtrapport 153. Weidner, S., et al., 2023. Persoonlijke communicatie. Te publiceren in 2023 op www. nobveenweide.nl Wiggers, 1955. De wording van het Noordoostpoldergebied. VAN ZEE TOT LAND Rapporten en mededelingen inzake de droogmaking, ontginning en sociaal-economische opbouw der IJsselmeerpolders, Nr 14

87 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

19

88 van 114

Bijlagen

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

A

Digitale bijlagen De digitale bijlage bevat de volgende mappen

A.1

Prognosekaarten_2023

A.2

Dalingstijdreeksen rijpingsterreinen_2023

A.3

Dalingstijdreeksen rijpingsterreinen_2023_incl_prognose

A.4

DalingssnelheidskaartAHN2,3,4

A.5

Voxelmodel_2023

89 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

B

n-factor De rijpingsfactor kan worden bepaald met vergelijking 1 (Pons en Zonneveld, 1965). n = (𝐴 − 0,2𝑅))/(𝐿 + 𝑏𝐻)

(1)

n= rijpingsfactor (-) A= watergehalte (g/100 g droge grond) aan verzadigde grond (vochtspanning = 0) R = niet colloïdale minerale delen L = lutumgehalte (g/100 g droge grond) H = organische stofgehalte ( g/100 g droge grond) b = constante 3 = veraard veen, 6 = weinig verweerd veen De rijpingsfactor n kan worden berekend (vergelijking 2) met in het lab bepaalde watergehalte (A), het lutumgehalte (L) en humusgehalte (H). A=

ρw − ρbd ρbd

* 100

(2)

ρbd = droge bulkdichtheid (kg/m3) ρw = bulkdichtheid bij volledige verzadiging (kg/m3) De rijpingsfactor kan ook worden geschat op basis van de consistentie van het sediment. Er is een indeling gemaakt naar de mate van rijping in 5 klassen (De Vries et al (2017) uit De Bakker en Schelling, 1989). Pas gesedimenteerd waterrijk bodemmateriaal is erg slap en geheel ongerijpt, het materiaal loopt tussen de vingers door zonder er in te knijpen. Volledig gerijpt materiaal is stevig, ook bij hard knijpen kan het niet door de vingers worden geperst. Tabel 21 Indeling Rijpingsklasse

90 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

C

Afleiding factor voor volumeverlies door rijping

De gezochte factor voor volumeverlies door rijping:

1 V  Vref n

factor =

Het grondvolume (per eenheid vaste stof) wordt gegeven door

V =

A

w

+

R

R

+

L

L

+

H

waarin A, R, L, H massapercentages t.o.v. vaste stof.

H

Verder geldt

R + L + H = 100 Uitgangspunt is dat (door rijping) het volume vaste stof constant blijft, alleen het porievolume verandert.

V =

A

w

+C

C=

R

R

+

L

L

+

H

H

En voor het rijpingsgetal n = ( A − 0, 2R ) / ( L + bH )

Daaruit volgt A = n ( L + bH ) + 0, 2R

En dus

V=

n ( L + bH ) + 0, 2 R

w

+C

V = ( L + bH ) /  w n Vref = n0 ( L + bH ) / w + 0, 2R / w + C

De uitdrukking voor de gezochte factor is dan

factor =

( L + bH ) /  w n0 ( L + bH ) /  w + 0, 2 R /  w + C

Indien gewerkt wordt met dichtheid met eenheid g/cm3 of kg/dm3 dan is de numerieke waarde van  w  1 , en zou deze weg gelaten kunnen worden in te formule.

91 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

D

Resultaten gevoeligheidsanalyse per locatie met toelichting

D.1

ZF.A

Donkergroen: klei; Lichtgroen: zavel Bruin: veen; Geel: zand

92 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

D.2

ZF.B

Donkergroen: klei; Lichtgroen: zavel Bruin: veen; Geel: zand

93 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

D.3

ZF.C

Donkergroen: klei; Lichtgroen: zavel Bruin: veen; Geel: zand

94 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

D.4

ZF.D

Donkergroen: klei; Lichtgroen: zavel Bruin: veen; Geel: zand

95 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

D.5

ZF.E

Donkergroen: klei; Lichtgroen: zavel Bruin: veen; Geel: zand

96 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

D.6

OF.A

Donkergroen: klei; Lichtgroen: zavel Bruin: veen; Geel: zand

97 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

D.7

OF.B

Donkergroen: klei; Lichtgroen: zavel Bruin: veen; Geel: zand

98 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

D.8

NOP.A

Donkergroen: klei; Lichtgroen: zavel Bruin: veen; Geel: zand

99 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

D.9

NOP.B

Donkergroen: klei; Lichtgroen: zavel Bruin: veen; Geel: zand

100 van 114

Bodemdalingsprognose Flevoland 11208645-002-BGS-0003, 22 november 2023

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2170/documents/39712