CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

18.2 Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder.pdf

Gemeenteraad 8 november 2021, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 18: Verordeningen jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 202223.133 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

No. 21.0005563

De raad van de gemeente Noordoostpolder; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 28 september 2021, no. 21.0005562; gezien het advies van de raadscommissie samenlevingszaken van 25 oktober 2021; gezien het advies van Participatieraad Sociaal domein van 6 september 2021; gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4a eerste, tweede, vierde en zesde lid, 2.1.4b tweede lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid, en 2.6.6 eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 5.4 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, alsmede gelet op artikel 156 van de Gemeentewet; overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale

problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022

1

No. 21.0005563 HOOFDSTUK 1 BEGRIPSBEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen 1. In de verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. beperking: aan de cliënt verbonden factoren die er toe leiden dat deze niet (volledig) in staat is tot zelfredzaam zijn en te kunnen participeren; b. besluit: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van deze verordening nadere regels zijn gesteld (Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Noordoostpolder); c. budgetplan: een plan met daarin de motivatie van de cliënt waarom een persoonsgebonden budget gewenst is. In dit plan maakt de cliënt inzichtelijk welke ondersteuning deze wil inkopen voor het beschikbare budget, het bedrag dat per ondersteuner besteed gaat worden, welke resultaten cliënt wil bereiken en hoe de ondersteuning hieraan bijdraagt; d. collectieve maatwerkvoorziening: een maatwerkvoorziening die individueel wordt verstrekt maar door meerdere personen tegelijk kan worden gebruikt; e. dagactiviteiten: structurele tijdsbesteding met een welomschreven resultaat; f. financiële tegemoetkoming: een tegemoetkoming in de kosten die rechtstreeks aan de cliënt kan worden uitbetaald en waarvoor geen oordeel wordt gegeven over de kwaliteit; g.

gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten die een leefeenheid vormen; h. gemeenschappelijke ruimten: gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woonruimte van de cliënt waar deze zijn hoofdverblijf heeft vanaf de toegang tot het woongebouw te bereiken. Hieronder begrepen ruimten voor gemeenschappelijk gebruik zoals een keuken of recreatieruimte; i. gewaarborgde hulp: een door de budgethouder ingeschakelde derde van wie voldoende aannemelijk is dat deze kan in staan voor nakoming van de aan het persoonsgebonden budget verbonden verplichtingen; j. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven staat of zal staan. Wanneer de cliënt met een briefadres in de BRP ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk woonadres; k. huisgenoot: de persoon met wie de cliënt gezamenlijk een huishouden voert; l. huishoudelijke ondersteuning: geheel of gedeeltelijk ondersteunen of overnemen van noodzakelijke activiteiten in het huishouden dan wel van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort; m.

instandhoudingskosten: een door het college te bepalen bedrag dat bestemd is voor onderhoud, reparatie en verzekering verband houdend met de te verstrekken maatwerkvoorziening, waaronder ook een WA-verzekering bij vervoersvoorzieningen kan worden gerekend; n. leefeenheid: de echtgenoot, geregistreerd partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten die gemeenschappelijk een woning bewonen en gezamenlijk een huishouden voeren; o. normale gebruik van de woning: het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties (eten, slapen, lichaamsreiniging, koken), het verrichten van belangrijke huishoudelijke werkzaamheden, horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning waaronder ook de toegang tot de woning; p. ondersteuningsvraag: de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, niet zijnde informatie en advies waarvoor door of namens de cliënt een melding wordt gedaan; q. onderzoek: een gesprek naar aanleiding van een ondersteuningsvraag waarin de onderwerpen van artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet aan bod komen; r. onderzoeksverslag: het door het college opgestelde schriftelijke verslag over de uitkomsten van onderzoek;

2

No. 21.0005563 s. persoonlijk plan: een door de cliënt, al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk, opgesteld plan met zijn persoonlijk arrangement over de omstandigheden als bedoeld in bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met e van de wet; t. professionele organisatie: een organisatie, die is ingeschreven in het handelsregister en/of KvK als zijnde verlener van maatschappelijke ondersteuning en die voldoet aan de kwaliteitseisen voor in ieder geval de medewerkers die bij de organisatie in dienst zijn; u. spoedeisende situatie: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel verdraagt; v. vervoersvoorziening: een voorziening, al dan niet gemotoriseerd, waarmee de cliënt zich lokaal kan verplaatsen; w. voorliggende voorziening: een andere wettelijke regeling waarop de cliënt een beroep kan doen met het oog op zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; x. wet: wet maatschappelijke ondersteuning 2015; y. WML: Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; z. woning: een woonruimte voor permanente bewoning bestemd en geschikt en waarbij geen wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was en kookgelegenheid en toilet met andere woningen worden gedeeld. Hieronder begrepen een woonschip en een woonwagen mits bestemd én nog tenminste vijf jaar geschikt voor permanente bewoning; aa.

woonvoorziening: een woningaanpassing of hulpmiddel gericht op het normale gebruik in de woning; bb. ZZP-er: een ondernemer die geen personeel in dienst heeft, is ingeschreven in het handelsregister en/of KvK als zijnde verlener van maatschappelijke ondersteuning en voldoet aan de kwaliteitseisen, waarbij voor de vaststelling of er sprake is van een ondernemer in ieder geval de volgende criteria gelden: 1° niet werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 en volgende van het Burgerlijk Wetboek; en 2° door de Belastingdienst aangemerkt wordt als ondernemer voor de Inkomstenbelasting (voor eigen rekening en risico verrichten van werkzaamheden). 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.2 Reikwijdte verordening 1. Deze verordening heeft betrekking op maatschappelijke ondersteuning in de vorm van maatwerkvoorzieningen, voor ingezetenen van de gemeente Noordoostpolder. 2. Als ingezetene wordt aangemerkt degene die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Noordoostpolder. 3.

Voor ingezetenen van Nederland met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning in de vorm van beschermd wonen of opvang geldt dat zij zich melden en de daarmee verband houdende aanvraag indienen in de gemeente Almere. Het college van de gemeente Noordoostpolder draagt zorgt zonodig zorg voor een zorgvuldige overdracht. HOOFDSTUK 2 PROCEDUREREGELS Artikel 2.1 De ondersteuningsvraag 1. Een ondersteuningsvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. De ondersteuningsvraag kan telefonisch of schriftelijk worden gemeld, tenzij anders door het college wordt bepaald. 3. Het college bevestigt de ontvangst van een ondersteuningsvraag in principe schriftelijk. 4. Het college wijst de cliënt op de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan en dat het binnen zeven dagen na de ondersteuningsvraag kan worden ingediend. 5. In spoedeisende situaties treft het college na de ondersteuningsvraag als bedoeld in het eerste lid onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek. 6. Het college kan afspraken maken met aanbieders op welke wijze zij, namens de cliënt, met (een gewijzigde) behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, een ondersteuningsvraag kunnen indienen.

3

No. 21.0005563 Artikel 2.2 Cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op gratis cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voorafgaande aan het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te kunnen maken van gratis cliëntondersteuning. Artikel 2.3 Het onderzoek 1. Het college nodigt de cliënt na de ondersteuningsvraag zo spoedig mogelijk uit voor een onderzoek. 2. Ingeval van mantelzorg wordt de mantelzorger(s) (ook) uitgenodigd voor het onderzoek. 3. Het college kan voorafgaande aan het onderzoek als bedoeld in het eerste lid eerst de van belang zijnde gegevens voor dat onderzoek verzamelen alvorens een afspraak wordt gemaakt. 4. Bij het onderzoek staat het belang van de cliënt centraal. 5. Het college vraagt de cliënt, als dat nodig is, om toestemming voor het verwerken of het uitwisselen van zijn persoonsgegevens. Artikel 2.4 Vaststellen identiteit Het college is bevoegd de identiteit van de vertegenwoordiger of mantelzorger van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 2.5 Verslag van het onderzoek 1. Het college stelt van de uitkomsten van het onderzoek een onderzoeksverslag op en betrekt daarbij, voorzover aanwezig, het persoonlijk plan. 2.

Het college betrekt bij het onderzoek ook de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger. 3. Het onderzoeksverslag is drie maanden geldig. HOOFDSTUK 3 AANVRAAG Artikel 3.1 De aanvraag 1. De aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt ingediend op een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier. 2. In afwijking van het eerste lid kan het college een ondertekend onderzoeksverslag, voorzien van de NAW-gegevens van de cliënt, aanmerken als aanvraag. 3. De aanvraag die wordt ingediend nadat de geldigheid van het onderzoeksverslag is verstreken wordt als (nieuwe) ondersteuningsvraag aangemerkt, tenzij er naar oordeel van het college geen wijzigingen hebben plaatsgevonden in de feiten en omstandigheden. 4. Het onderzoeksverslag kan onderdeel uitmaken van de beslissing op de aanvraag. 5. Het college is bevoegd de beslistermijn als bedoeld in artikel 2.3.5 tweede lid van de wet op te schorten indien voor de beoordeling van aanspraak op, dan wel welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage kan leveren nog een deskundigenadvies nodig is. 6. De bevoegdheid als bedoeld in het vijfde lid is ook van toepassing indien de cliënt geen of onvoldoende gegevens, die nodig zijn voor de beoordeling van de aanspraak, heeft verstrekt als bedoeld in artikel 2.3.2 zevende lid en/of 2.3.8, derde lid, van de wet. Artikel 3.2 Advisering 1.

Het college kan om deskundigenadvies vragen voor zover dit van belang is voor het onderzoek en/of de beoordeling van de aanvraag. 2. De cliënt dan wel zijn huisgenoot verleent zijn medewerking aan het onderzoek. HOOFDSTUK 4 BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK Artikel 4.1 Algemene criteria maatwerkvoorziening 1. Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Noordoostpolder komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, voor zover de cliënt deze naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht;

4

No. 21.0005563 b. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel d. met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. 2. De maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste lid levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in aanvaardbare mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid en/of participatie met het oog op zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. 3. Een cliënt die ingezetene is van Nederland met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel d. met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. 4.

De maatwerkvoorziening als bedoeld in het vorige lid levert een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te kunnen handhaven in de samenleving. 5. Bij het beoordelen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening neemt het college het onderzoeksverslag als bedoeld in artikel 2.5 van de verordening en voorzover aanwezig het persoonlijk plan als uitgangspunt. Artikel 4.2 Gebruikelijke hulp 1. De cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening indien tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen. 2. Bij het oordeel van het college of gebruikelijke hulp kan worden gevergd wordt onverminderd de begripsbepaling in ieder geval rekening gehouden met: a. de aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt; b. de aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt; c. de leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen; d. de leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Artikel 4.3 Specifieke criteria maatwerkvoorziening 1. Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover: a.

deze noodzakelijk is om de cliënt in aanvaardbare mate in staat te stellen tot zelfredzaamheid en/of participatie met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven; b. deze als goedkoopst passende bijdrage aan te merken is; c. in overwegende mate op de cliënt gericht is. 2. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat: a. voor zover de cliënt aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening; b. indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en daarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; c. indien een maatwerkvoorziening niet noodzakelijk is vanwege redelijkerwijs te vergen medewerking van de cliënt, diens huisgenoten, mantelzorger, of van anderen uit diens sociale netwerk aan het oplossen van de beperkingen; d. indien de noodzaak tot ondersteuning is ontstaan als gevolg van omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt liggen. Artikel 4.4 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget 1. Het college weigert een maatwerkvoorziening, al dan niet in de vorm van een persoonsgebonden budget, als deze is gerealiseerd:

5

No. 21.0005563 a. vóór de melding van de ondersteuningsvraag; b. ná de melding van de ondersteuningsvraag maar voordat het college heeft beslist op de aanvraag, tenzij het college de cliënt schriftelijk toestemming heeft verleend. 2. De aanvraag om een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget kan worden geweigerd als de maatwerkvoorziening nog niet is gerealiseerd voordat het college heeft beslist op de aanvraag en de noodzaak van de goedkoopst passende bijdrage nog kan worden vastgesteld. 3. Het college weigert een persoonsgebonden budget voor de kosten van een maatwerkvoorziening als de cliënt binnen de budgetperiode opnieuw een aanvraag doet omdat: a. de met het persoonsgebonden budget aangeschafte maatwerkvoorziening niet meer bruikbaar of beschikbaar is door aan de cliënt te verwijten omstandigheden; en b. er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. 4. In geval van diensten kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken, al dan niet in de vorm van een persoonsgebonden budget, vanaf een datum die gelegen is nadat de betreffende dienst is gerealiseerd (ingekocht). 5. Als de afschrijvingstermijn van de geïndiceerde maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een persoonsgebonden budget, is verstreken kan deze door het verstrekken van instandhoudingskosten nog steeds als goedkoopst passende bijdrage worden aangemerkt. 6.

De cliënt zorgt voor een afdoende verzekering tegen verlies, diefstal en schade als de maatwerkvoorziening, al dan niet aangeschaft met een persoonsgebonden budget, wordt meegenomen naar het buitenland. 7. De cliënt aan wie een woningaanpassing voor de eigen woning is verstrekt, al dan niet in de vorm van een persoonsgebonden budget, zorgt voor een opstalverzekering die in voldoende mate de te verzekeren waarde van de woning dan wel de waarde van de verstrekte woningaanpassing dekt voor het risico van schade. HOOFDSTUK 5 MAATWERKVOORZIENINGEN Artikel 5.1 Maatwerkvoorzieningen algemeen Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 4 van de verordening kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken gericht op: a. huishoudelijke ondersteuning; b. het kunnen uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen; c. het in staat zijn tot het voeren van een gestructureerd huishouden; d. het in aanvaardbare mate kunnen deelnemen aan het maatschappelijk verkeer (participatie); e. kortdurend verblijf in een instelling zodat de mantelzorger wordt ontlast; f. het zich op eigen kracht kunnen handhaven in de samenleving (opvang en beschermd wonen). Artikel 5.2 Primaat en kortdurende maatwerkvoorziening 1. Het college kan maatschappelijke ondersteuning verstrekken als collectieve - en individuele maatwerkvoorziening waarbij het primaat ligt bij de collectieve maatwerkvoorziening. 2.

Het college kan de maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste lid kortdurend verstrekken als de cliënt of personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd leerbaar zijn. 3. De maatwerkvoorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid is gericht op het versterken, verbeteren of behouden van de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan. Artikel 5.3 Criteria financiële tegemoetkoming 1. Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken voor kosten die verband houden met: a. het gebruik van een (eigen) auto voor de lokale vervoersbehoefte; b. het gebruik van individueel (rolstoel)taxivervoer voor de lokale vervoersbehoefte; c. de toepassing van het primaat van verhuizen als bedoeld in artikel 7.3 van de verordening; d. andere maatregelen als geen maatwerkvoorziening in natura wordt verstrekt of kan worden verstrekt. 2. De financiële tegemoetkoming wordt in principe betaalbaar gesteld op basis van een door het college goedgekeurde declaratie of factuur. 3. De financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten en/of inrichtingskosten wordt niet eerder uitbetaald dan nadat de cliënt is verhuisd of zal verhuizen naar een door het college geschikt bevonden woning.

6

No. 21.0005563 4. Het college kan in het Besluit de bedragen vaststellen waar de hoogte van de financiële tegemoetkoming op wordt gebaseerd. HOOFDSTUK 6 BEGELEIDING, DAGACTIVITEITEN, KORTDUREND VERBLIJF EN BESCHERMD WONEN Artikel 6.1 Algemeen Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van: a. ondersteuning om de cliënt in staat te stellen tot algemeen dagelijkse levensverrichtingen, een gestructureerd huishouden voeren, participatie of deelname aan dagactiviteiten waaronder zonodig het noodzakelijke vervoer; b. kortdurend verblijf in een instelling. Artikel 6.2 Algemene criteria 1. Het college kan de maatwerkvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk combineren met eigen kracht, ondersteuning door personen uit het sociaal netwerk en vrijwilligers. 2. Voor de maatwerkvoorzieningen als bedoeld in dit hoofdstuk geldt het principe van het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening. Artikel 6.3 Specifieke criteria begeleiding en dagactiviteiten 1. De cliënt kan in aanmerking komen voor begeleiding als dat bijdraagt aan het behouden of mogelijk verbeteren van diens zelfredzaamheid en/of participatie. 2. De cliënt kan in aanmerking komen voor dagactiviteiten als dat bijdraagt aan het behouden of mogelijk verbeteren van diens zelfredzaamheid en/of participatie. 3.

Het college draagt zonodig zorg voor het noodzakelijke vervoer inclusief de noodzakelijke begeleiding zodat de cliënt kan deelnemen aan dagactiviteiten. 4. Het vervoer als bedoeld in het vorige lid wordt in ieder geval noodzakelijk geacht als: a. de cliënt niet in staat is zelfstandig lopend, al dan met een algemeen gebruikelijk loophulpmiddel, de dagactiviteiten te bereiken of zelfstandig met een algemeen gebruikelijk vervoermiddel te reizen; b. de cliënt niet met beschikbare hulp van personen uit diens sociale netwerk of vrijwilligers kan reizen of op een andere manier door hen kan worden begeleid. Artikel 6.4 Criteria kortdurend verblijf in een instelling 1. De cliënt kan slechts in aanmerking komen voor kortdurend verblijf als: a. dit noodzakelijk is om de mantelzorger te ontlasten; en b. de cliënt in dat geval aangewezen is op ondersteuning die gepaard gaat met het overnemen van voortdurend toezicht dan wel 24 uurs ondersteuning in de nabijheid, niet zijnde het bieden van intramurale geneeskundige zorg. 2. Kortdurend verblijf omvat een etmaal per week. Het aantal etmalen kan aaneengesloten worden ingezet met een maximum van 52 etmalen per jaar. 3. Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in het vorige lid.

Artikel 6.5 Criteria beschermd wonen De cliënt die zich door psychische en/of psychosociale problematiek niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving waardoor er een risico bestaat op: a. verwaarlozing; en/of b. overlast; en/of c. gevaar voor de cliënt of anderen, kan in aanmerking komen voor een indicatie voor beschermd wonen. HOOFDSTUK 7 ONDERSTEUNING GERICHT OP HET WONEN Artikel 7.1 Maatschappelijke ondersteuning Het college kan aan de cliënt maatwerkvoorzieningen verstrekken in de vorm van: a. woonvoorzieningen; b. voorzieningen om zich in en om de woning verplaatsen, in de woning waar de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben.

7

No. 21.0005563 Artikel 7.2 Algemene criteria woonvoorzieningen Het te bereiken resultaat ten aanzien van woonvoorzieningen wordt slechts geboden als dat bestaat uit het kunnen gebruiken van de noodzakelijke gebruiksruimten in verband met het normale gebruik van de woning. Artikel 7.3 Criterium primaat van verhuizen 1. Het college beoordeelt of de cliënt die een woning bewoont (huurder of eigenaar) kan verhuizen als: a. de cliënt is aangewezen op een woningaanpassing en/of een woonvoorziening in de vorm van een traplift; en b. voor zover een passende of een goedkoper aanpasbare woning in de gemeente Noordoostpolder binnen een medisch aanvaardbare termijn beschikbaar is. 2. Als het verstrekken van een woningaanpassing en/of woonvoorziening in de vorm van een traplift als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt, dan wordt aan de cliënt die (toch) verhuist naar een andere woning geen financiële tegemoetkoming verstrekt. Artikel 7.4 Specifieke criteria woonvoorzieningen 1. Met het oog op het normale gebruik van de woning kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning. 2. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op: a. het treffen van woonvoorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur; b.

het treffen van woonvoorzieningen in, specifiek op mensen met beperkingen gerichte woongebouwen wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten dan wel woonvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige extra kosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen. 3. De aanvraag voor een woningaanpassing en/of traplift kan in ieder geval worden geweigerd wanneer: a. de noodzaak tot het treffen van de maatwerkvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning ten gevolge van beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; b. de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; c. de cliënt woont in of verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; d. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; e. de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld; f.

deze betrekking heeft op de gemeenschappelijke ruimten, tenzij de cliënt: 1°. zonder deze woonvoorzieningen geen toegang heeft tot zijn woning; 2°. de aan hem verstrekte vervoersvoorziening niet kan stallen en/of gebruiken. Artikel 7.5 Zich verplaatsen in en om de woning De te bereiken resultaten van het zich verplaatsen in en om de woning wordt slechts geboden als deze gericht zijn op het in staat zijn de noodzakelijke gebruiksruimten te bereiken gericht op het normale gebruik van de woning, waaronder met een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik of een traplift. HOOFDSTUK 8 ONDERSTEUNING DEELNAME MAATSCHAPPELIJK VERKEER Artikel 8.1 Maatschappelijke ondersteuning Het college kan maatwerkvoorzieningen verstrekken in de vorm van een vervoersvoorziening voor het zich lokaal kunnen verplaatsen.

8

No. 21.0005563 Artikel 8.2 Specifieke criteria 1. Met het oog op het zich lokaal verplaatsen, kan het college in ieder geval een vervoersvoorziening verstrekken voor het zich verplaatsen over de korte en de langere afstand rond de woning. 2. Onder lokaal in het vorige lid wordt 15 tot 35 kilometer rondom de woning verstaan. Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in dit lid. 3. Het college hanteert in principe het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening zoals de Regiotaxi. Artikel 8.3 Het zich lokaal kunnen verplaatsen 1. Het te bereiken resultaat voor het zich lokaal kunnen verplaatsen is gericht op: a. het kunnen bereiken van winkels; b. het kunnen onderhouden van sociale contacten; c. het deelnemen aan maatschappelijke activiteiten. 2. Het te bereiken resultaat als bedoeld in het vorige lid onder a, b en c tezamen maakt participatie mogelijk met een maximale bandbreedte van 1500 tot 2000 kilometer per jaar. 3. Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in het tweede lid. HOOFDSTUK 9 PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 9.1 Algemeen 1. Het college verstrekt een persoonsgebonden budget in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet en het bepaalde in deze verordening. 2.

Het college stelt in het Besluit nadere regels over de besteding van een persoonsgebonden budget in het geval van verblijf buiten de gemeente Noordoostpolder en het buitenland. Artikel 9.2 Regels persoonsgebonden budget algemeen 1. Het persoonsgebonden budget mag niet worden besteed aan een algemeen gebruikelijke voorziening. 2. Het persoonsgebonden budget mag niet aan een persoon worden besteed die tot de leefeenheid van de cliënt behoort en gebruikelijke hulp op zich kan nemen, maar daartoe (tijdelijk) niet in staat is wegens overbelasting of dreigende overbelasting. 3. Het persoonsgebonden budget mag in ieder geval niet worden besteed aan de kosten voor: - bemiddeling (tussenpersonen of belangbehartigers), - het voeren van een pgb-administratie, - ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het persoonsgebonden budget, - contributie voor lidmaatschappen (bijvoorbeeld van Per Saldo), - het volgen van cursussen over het persoonsgebonden budget, - informatiemateriaal, - bijkomende zorgkosten, - feestdagen uitkering, - overlijdensuitkering. 4. Declaraties op basis van een vast bedrag per periode (maand) zijn niet toegestaan, tenzij het huishoudelijke ondersteuning betreft. 5. Het college maakt geen gebruik van een verantwoordingsvrij bedrag. 6.

Het persoonsgebonden budget wordt binnen drie maanden na toekenning aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verstrekking heeft plaatsgevonden. Voor woningaanpassingen hanteert het college een langere termijn. Artikel 9.3 Verplichtingen persoonsgebonden budget diensten Voor de cliënt die in aanmerking wenst te komen voor een persoonsgebonden budget geldt de verplichting een Budgetplan op te stellen. Voor huishoudelijke ondersteuning geldt deze verplichting niet. Het college stelt een format voor het Budgetplan beschikbaar. Artikel 9.4 Verplichtingen persoonsgebonden budget overig 1. Voor het persoonsgebonden budget ter realisatie van een woningaanpassing geldt dat de cliënt: a. niet met de werkzaamheden mag (laten) beginnen voordat het college positief heeft beslist op de aanvraag, tenzij het college daar schriftelijk toestemming voor heeft verleend; b. het college desgevraagd toegang verleent tot de woning of het gedeelte van de woning waar de woningaanpassing wordt aangebracht;

9

No. 21.0005563 c. desgevraagd inzage in de bescheiden en tekeningen verstrekt die betrekking hebben op de woningaanpassing; d. aan het college desgevraagd de gelegenheid wordt geboden tot het controleren van de gerealiseerde woningaanpassing. 2. Het persoonsgebonden budget voor het realiseren van een woningaanpassing moet binnen 15 maanden na toekenning volgens het programma van eisen zijn aangewend voor de bekostiging van het doel waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt. 3. Bij de verstrekking van een persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel geldt dat de cliënt: a. verplicht wordt een onderhoudscontract af te sluiten met een leverancier, waarin tenminste zijn opgenomen de kosten van reparaties (inclusief arbeidsloon, administratiekosten, onderdelen, voorrijkosten), vervangende hulpmiddelen en het preventieve onderhoud; b. bij aanschaf van een vervoersvoorziening een daarvoor vereiste wettelijke aansprakelijkheidsverzekering moet afsluiten; c. het college desgevraagd in de gelegenheid moet stellen het aangeschafte hulpmiddel te (laten) beoordelen. 4. De cliënt houdt de voor het persoonsgebonden budget van belang zijnde stukken tot maximaal vijf jaar na uitbetaling van het persoonsgebonden budget beschikbaar voor het college, tenzij er sprake is van een besteding van een persoonsgebonden budget waarvoor geen Budgetplan wordt vereist.

Artikel 9.5 Hoogte persoonsgebonden budget diensten (niet zijnde beschermd wonen) 1. Voor de goedkoopst passende bijdrage hanteert het college gedifferentieerde tarieven die zijn afgeleid van de tarieven waarvoor het college de geïndiceerde diensten heeft ingekocht, waaronder een toepasselijk (gemiddeld) uurtarief, dagdeeltarief of etmaaltarief (hierna: het tarief). 2. Voor begeleiding en dagactiviteiten arbeidsmatig, geldt: a. 90% van het tarief voor ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie; b. 80% van het tarief voor ondersteuners die als ZZP-er werkzaam zijn; c. 35% van het tarief voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder a of b kunnen worden aangemerkt. 3. Voor dagactiviteiten (niet zijnde arbeidsmatig) en kortdurend verblijf geldt: a. 90% van het tarief voor ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie; b. 80% van het tarief voor ondersteuners die als ZZP-er werkzaam zijn; c. 35% van het tarief voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder a of b kunnen worden aangemerkt. 4. Voor huishoudelijke ondersteuning geldt: a. 100% van het goedkoopste tarief voor ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie of die als ZZP-er werkzaam zijn; b. tenminste het WML voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder a kunnen worden aangemerkt. 5.

Het college stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) aanbieders en het tarief als bedoeld in het vierde lid onder b vast in het Besluit en voor zover dat niet mogelijk is in het individuele toekenningsbesluit. 6. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke ondersteuning wordt berekend op gehele uren, dan wel een tijdsindicatie naar rato daarvan. 7. Uit het toegekende persoonsgebonden budget voor diensten mag de budgethouder de reiskosten van de derde (laten) uitbetalen. Artikel 9.6 Hoogte persoonsgebonden budget overig 1. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen bedraagt niet meer dan het tarief waarvoor het college de geïndiceerde hulpmiddelen heeft ingekocht of huurt waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende noodzakelijke kosten. 2. Het college kan de hoogte van het persoonsgebonden budget voor een hulpmiddel vaststellen door het tarief per maand te vermenigvuldigen met het aantal kalendermaanden van de afschrijvingstermijn, dan wel op basis van de duur van de indicatie door het tarief per maand te vermenigvuldigen met het aantal kalendermaanden. 3.

Het college kan de hoogte van het persoonsgebonden budget vaststellen op basis van een offerte als de geïndiceerde maatwerkvoorziening waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende kosten niet valt binnen het assortiment van gecontracteerde aanbieders. 4. Het college stelt het persoonsgebonden budget voor het realiseren van een woningaanpassing vast op basis van:

10

No. 21.0005563 a. een of meerdere offertes; b. een door het college goedgekeurd Programma van Eisen; c. eventuele bijkomende noodzakelijke kosten zoals die van een architect en/of legeskosten. Het college kan in het Besluit nadere regels stellen over welke kosten in aanmerking kunnen worden genomen. 5. Het college stelt in het Besluit nadere regels over de omvang van de budgetperiode die geldt voor hulpmiddelen. 6. Het college stelt de tarieven die het verschuldigd is aan de (gecontracteerde) aanbieders vast in het Besluit en voor zover dat niet mogelijk is in het individuele toekenningsbesluit. Artikel 9.7 Hoogte persoonsgebonden budget beschermd wonen 1. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is toereikend voor het beschermd wonen in een goedgekeurde accommodatie met bijbehorend toezicht. 2. De hoogte van het persoonsgebonden budget bij een indicatie voor beschermd wonen wordt vastgesteld op basis van de feitelijke situatie als de cliënt de indicatie niet verzilverd in een accommodatie. Artikel 9.8 Hoogte persoonsgebonden budget begeleiding en dagactiviteiten arbeidsmatig 1. Voor begeleiding en dagactiviteiten arbeidsmatig, geldt: a. 100% van het tarief voor ondersteuners die in dienst zijn van een professionele organisatie en die als ZZP-er werkzaam zijn; b.

50% van het tarief voor personen uit het sociaal netwerk of die niet als personen onder a kunnen worden aangemerkt. 2. Dit artikel vervalt op 1 april 2022. HOOFDSTUK 10 BIJDRAGE IN DE KOSTEN, KOSTPRIJS EN RITBIJDRAGE Artikel 10.1 Maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget 1. De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een verstrekte maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget. 2. De Regiotaxi is uitgezonderd van het abonnementstarief. 3. De bijdrage in de kosten is verschuldigd vanaf de maand waarin de ondersteuning feitelijk is geboden, het hulpmiddel feitelijk is geleverd, de woningaanpassing is gerealiseerd dan wel het persoonsgebonden budget is toegekend. 4. De bijdrage in de kosten blijft verschuldigd als de cliënt tijdelijk geen gebruik maakt van de maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget. 5. De hoogte van de bijdrage in de kosten voor één of meerdere maatwerkvoorzieningen en/of persoonsgebonden budgetten is gebaseerd op het maximale bedrag als bedoeld in artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet. 6. Wanneer een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget wordt verstrekt voor een woningaanpassing bestemd voor een minderjarige cliënt, is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: a.

de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen; en b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 7. De bijdrage in de kosten voor de opvang worden geïnd door de betreffende organisaties die de opvang bieden. Artikel 10.2 Maatwerkvoorziening beschermd wonen 1. De cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor beschermd wonen met inachtneming van de toepasselijke regels van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (landelijk). 2. De bijdrage in de kosten is ook verschuldigd gedurende tijdelijke afwezigheid uit de accommodatie voor beschermd wonen. Artikel 10.3 Kostprijs 1. De kostprijs van de maatwerkvoorziening voor: a. hulpmiddel: de huur- of koopprijs die het college verschuldigd is aan de aanbieder waaronder eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten; b. hulpmiddel: de kosten op basis van een door het college goedgekeurde offerte;

11

No. 21.0005563 c. woningaanpassing: de kosten volgens het Programma van Eisen. 2. De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan het bedrag van het persoonsgebonden budget in de betreffende budgetperiode. Artikel 10.4 Ritbijdrage 1. Voor het gebruik van de Regiotaxi is de cliënt een op het reguliere OV-tarief gebaseerde ritbijdrage(n) verschuldigd aan de aanbieder. 2. De bedragen als bedoeld in het eerste lid worden gepubliceerd op de website van Provincie Flevoland (www.flevoland.nl/loket/regiotaxi-flevoland). HOOFDSTUK 11 TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN Artikel 11.1 Aanspraak 1. De persoon met een beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem kan op aanvraag op grond van artikel 2.1.7 van de wet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de met die beperking of chronisch psychisch of psychosociaal probleem verband houdende aannemelijke meerkosten ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. 2. Het college stelt in het Besluit vast welke personen onder doelgroep vallen als bedoeld in het eerste lid. Artikel 11.2 Hoogte tegemoetkoming en uitbetaling Het college stelt in het Besluit nadere regels waaronder in ieder geval: a. welke draagkrachtregels van toepassing zijn, b. de hoogte van de tegemoetkoming, c. hoe de tegemoetkoming te gelde kan worden gemaakt.

HOOFDSTUK 12 REGELS BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK Artikel 12.1 Bevoegdheid 1. Ter voorkoming van het onterecht ontvangen van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten, alsmede het bestrijden van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet is het college bevoegd controles uit te voeren die betrekking hebben op de naleving van: a. de regels uit de wet; b. de regels uit deze verordening; c. de voorwaarden die voortvloeien uit overeenkomsten met aanbieders. 2. De controles als bedoeld in het eerste lid kunnen betrekking hebben op de rechtmatigheid als ook op de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning. 3. Het college kan: a. de besteding van persoonsgebonden budgetten al dan niet steekproefsgewijs, controleren en beoordelen of de budgethouder nog voldoet aan de voorwaarden om voor een persoonsgebonden budget in aanmerking te komen; b. bij de controle als bedoeld in onderdeel a kan ook de derde worden betrokken aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan; c. de ondersteuning geboden door aanbieders, al dan niet steekproefsgewijs, controleren en beoordelen of de aanbieder en/of de ondersteuning nog voldoen aan de eisen die daaraan gesteld mogen worden. 4. Voor de controle als bedoeld in het eerste lid heeft het college geen specifieke aanleiding nodig.

Het college kan bij de controles een thematische aanpak hanteren. 5. De controles kunnen worden uitgevoerd door het college of de toezichthoudende ambtenaar als bedoeld in artikel 6.1 van de wet. Artikel 12.2 Informatieplicht college Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura, financiële tegemoetkoming of in de vorm van een persoonsgebonden budget) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

12

No. 21.0005563 Artikel 12.3 Medewerkingsplicht De aanbieder, budgethouder en/of derde aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed zijn desgevraagd verplicht aan het college en/of de toezichthoudende ambtenaar verantwoording af te leggen over de geboden ondersteuning. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan. Artikel 12.4 Kwaliteitseisen diensten 1. De kwaliteitseisen die gelden voor de door het college gecontracteerde aanbieders zijn ook van toepassing op de derde aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed. 2. De kwaliteitseisen als bedoeld in het eerste lid zijn niet van toepassing op de derde voor zover die eisen, als bedoeld in artikel 14.4 van de verordening, specifiek van toepassing zijn op contracteerde aanbieders. Voor personen uit het sociaal netwerk gelden de gestelde opleidingseisen niet. Artikel 12.5 Weigeringsgronden persoonsgebonden budget 1. Het college weigert het persoonsgebonden budget als: a. er naar oordeel van het college sprake is een belangenverstrengeling tussen de budgethouder en de derde aan wie de budgethouder het persoonsgebonden budget wenst te besteden. Onder de derde wordt tevens een aan die derde gelieerde (rechts)persoon verstaan; b.

de budgethouder of diens vertegenwoordiger geen Budgetplan indient of een bespreking van het Budgetplan weigert of, na daartoe te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt. Daarbij geldt dat het college de genoemde personen eerst in de gelegenheid stelt het verzuim te herstellen. 2. Het college kan het persoonsgebonden budget weigeren als een gegrond vermoeden bestaat om aan te nemen dat er geen of onvoldoende sprake is van gewaarborgde hulp. 3. Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een derde waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van de woonruimte die door dezelfde derde of door een aan die derde gelieerde (rechts)persoon wordt geboden, tenzij het wonen (verblijf) onderdeel is van de indicatie. Artikel 12.6 Opschorting betaling persoonsgebonden budget aan de Sociale Verzekeringsbank 1. Het college kan de betaling van het persoonsgebonden budget aan de Sociale Verzekeringsbank of de derde geheel of gedeeltelijk opschorten voor ten hoogste 13 weken als er een gegrond vermoeden bestaat dat niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet. 2.

Een gegrond vermoeden als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de budgethouder als ook op de derde aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed en/of een aan die derde gelieerde (rechts)persoon. 3. Gedurende de periode waarin de betaling van het persoonsgebonden budget is opgeschort voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit. Artikel 12.7 Verzoek opschorting betaling uit persoonsgebonden budget 1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank verzoeken tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste 13 weken van een betaling uit het persoonsgebonden budget als er een gegrond vermoeden bestaat dat niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet. 2. Een gegrond vermoeden als bedoeld in het eerste lid kan betrekking hebben op de budgethouder als ook op de derde aan wie het persoonsgebonden budget wordt besteed en/of een aan die derde gelieerde (rechts)persoon. 3. Gedurende de periode waarin de betaling van het persoonsgebonden budget is opgeschort voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit. Artikel 12.8 Opschorting inzet maatwerkvoorziening 1.

Het college kan de inzet van een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk opschorten voor ten hoogste 13 weken als er een gegrond vermoeden bestaat dat door de cliënt niet of onvoldoende wordt voldaan aan verplichtingen die voortvloeien uit artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder a, d of e, van de wet. 2. Gedurende de periode waarin de inzet van de maatwerkvoorziening is opgeschort voert het college en/of de toezichthoudende ambtenaar een onderzoek uit.

13

No. 21.0005563 HOOFDSTUK 13 NIEUWE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN, HERZIENING, INTREKKING OF TERUGVORDERING Artikel 13.1 Beëindiging Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een toegekende aanspraak op een financiële tegemoetkoming, maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget of tegemoetkoming als bedoeld in hoofdstuk 11 van de verordening in ieder geval geheel of gedeeltelijk te beëindigen, wanneer: a. niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de wet of de verordening; b. de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen verbonden aan het gebruik van de maatwerkvoorziening; c. de cliënt is overleden waarbij het persoonsgebonden budget eindigt op de dag gelegen na de dag van overlijden. Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de gestelde termijn in dit lid. Artikel 13.2 Herziening of intrekking 1. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college desgevraagd of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot een heroverweging van de beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet of het recht op een tegemoetkoming als bedoeld in hoofdstuk 11 van deze verordening. 2.

Het college kan onder toepassing van het eerste lid een besluit tot toekenning van een tegemoetkoming als bedoeld in hoofdstuk 11 herzien of intrekken als achteraf blijkt dat onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zouden hebben geleid. 3. Het college kan een besluit als bedoeld in het eerste lid herzien of intrekken als blijkt dat de cliënt niet of onvoldoende heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in de wet of die bij of krachtens deze verordening van toepassing zijn waaronder inbegrepen het niet nakomen van de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit het persoonsgebonden budget, de bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst. 4. Het college kan een pgb-besluit herzien of intrekken als daar, met betrekking tot de derde, op grond van het bepaalde in hoofdstuk 12 van de verordening aanleiding voor is. 5. Het college bepaalt op welke datum de beslissing als bedoeld in het tweede lid in werking treedt en besluit tevens of wordt overgaan tot terugvordering op grond van de wet en/of artikel 13.3 of 13.4 van de verordening. Artikel 13.3 Terugvordering geldswaarde 1. Het college kan nadat het besluit tot toekenning van een financiële tegemoetkoming, maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget, is herzien of ingetrokken: a.

geheel of gedeeltelijk de geldswaarde van een financiële tegemoetkoming, maatwerkvoorziening; en/of b. het ten onrechte genoten of tot een te hoog verstrekt bedrag aan persoonsgebonden budget, terugvorderen van de cliënt als de verstrekking van onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden en van de derde als degene daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend. 2. Hoe de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn met de uitkering die de cliënt van het college ontvangt voor zijn levensonderhoud op grond van de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of gewezen zelfstandigen. 3. Het college kan de terugvordering als bedoeld in het eerste lid invorderen bij dwangbevel overeenkomstig artikel 2.4.1, tweede lid, van de wet. Artikel 13.4 Terugvordering overig 1. Het college kan de kosten van de financiële tegemoetkoming, de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget terugvorderen als het besluit is herzien of ingetrokken op grond van artikel 2.3.10, eerste lid aanhef en onder d of e, van de wet. 2. Het college kan de tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 11 van de verordening terugvorderen als de persoon onjuiste inlichtingen of gegevens heeft verstrekt en het verstrekken van juiste inlichtingen of gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

14

No. 21.0005563 3. Het college kan de kosten van de financiële tegemoetkoming, de maatwerkvoorziening of het persoonsgebonden budget terugvorderen in geval van een onverschuldigde betaling. 4. Hoe de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn met de uitkering die de cliënt van het college ontvangt voor zijn levensonderhoud op grond van de Participatiewet, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of gewezen zelfstandigen. 5. Het college kan de terugvordering als bedoeld in het eerste lid invorderen bij dwangbevel overeenkomstig artikel 2.4.1, tweede lid, van de wet. HOOFDSTUK 14 - OVERIGE BEPALINGEN § 1. Jaarlijkse blijk waardering mantelzorgers Artikel 14.1 De blijk van waardering 1. Het college draagt jaarlijks zorg voor een blijk van waardering voor mantelzorgers als mantelzorg wordt verleend aan een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Noordoostpolder. 2. Bij de waardering als bedoeld in het eerste lid heeft het college oog voor mantelzorgers van cliënten die mogelijk alleen gebruik maken van algemene voorzieningen. 3. Het college kan nadere regels stellen in het Besluit over de waardering als bedoeld in het eerste lid. § 2. Klachtafhandeling en medezeggenschap Artikel 14.2 Regeling voor klachtenafhandeling 1.

Het college ziet toe dat aanbieders een regeling vaststellen voor de registratie en afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 14.3. Regeling voor medezeggenschap 1. Het college ziet toe dat aanbieders een regeling vaststellen voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. § 3. Kwaliteit Artikel 14.4 Kwaliteitseisen Aanbieders dragen zorg voor goede kwaliteit van voorzieningen, daaronder inbegrepen eisen over de deskundigheid van beroepskrachten, door in ieder geval: a. de maatwerkvoorziening af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. de maatwerkvoorziening zonodig af te stemmen op vormen van zorg of hulp; c.

erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden behorend bij het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de toepasselijke professionele standaard. Artikel 14.5 Prijs kwaliteitsverhouding 1. Om een goede verhouding te waarborgen tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college: a. een vaste prijs vast; of b. een reële prijs vast, die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, en b. rekening houdend met de continuïteit van de hulpverlening. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht;

15

No. 21.0005563 b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. In afwijking van het eerste lid, kan het college de eis aan inschrijvende partijen stellen om een prijs voor de dienst te hanteren. Deze prijs is gebaseerd op het tweede en derde lid. Het college informeert de gemeenteraad over dit proces. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat. Artikel 14.6 Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening zo snel mogelijk maar uiterlijk binnen twee werkdagen aan de toezichthoudend ambtenaar. 3.

De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. § 4. Betrekken van ingezetenen Artikel 14.7 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels over hoe inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Hoe ingezetenen worden betrokken bij het beleid is neergelegd in de Verordening cliëntenparticipatie sociaal domein Noordoostpolder.

HOOFDSTUK 15 SLOTBEPALINGEN Artikel 15.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van hetgeen bij deze verordening is bepaald, wanneer toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 15.2 Indexering Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en de op deze verordening berustende vigerende Besluit geldende bedragen verhogen of verlagen aan de hand van de prijsindex voor de gezinsconsumptie, zoals bepaald in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (landelijk). Artikel 15.3 Evaluatie Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid zoals is neergelegd in het plan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet wordt periodiek geëvalueerd. Als de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt deze verordening aangepast. Het college rapporteert voor de evaluatie over de doeltreffendheid en de effectiviteit van de verordening in de praktijk.

16

No. 21.0005563 Artikel 15.4 Overgangsrecht Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2020 ingetrokken met dien verstande dat besluiten welke zijn genomen op grond van die verordening met de daarbij behorende rechten en plichten in stand blijven, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het toekenningsbesluit van de maatwerkvoorziening wordt ingetrokken. Artikel 15.5 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022. Artikel 15.6 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022, met uitzondering van artikel 9.5 tweede lid, dat op 1 april 2022 in werking treedt. Aldus besloten in de openbare vergadering van 8 november 2021. De griffier, de voorzitter,

17

No. 21.0005563 Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Noordoostpolder 2022 Algemene toelichting Deze verordening geeft, net als de voorgaande verordeningen, regels die noodzakelijk zijn ter uitvoering van de wet en het beleidsplan. Dat is nodig voor de door het college te nemen besluiten. Deze verordening is dan ook een essentieel document voor de concrete uitwerking van het beleid van de gemeente Noordoostpolder. Deze verordening biedt dan ook duidelijkheid over wat inwoners van de gemeente Noordoostpolder mogen verwachten maar ook wat bij de beoordeling van de aanspraak (redelijkerwijs) van hen en van personen uit het sociaal netwerk wordt verwacht. Voor de professionals biedt de verordening de benodigde kaders en criteria om op een resultaatgerichte manier tot oplossingen te komen in samenspraak met de cliënt die zich meldt met een ondersteuningsvraag. De wet en deze verordening brengen de rechten en plichten van de burgers meer met elkaar in evenwicht en bieden in dat kader meer mogelijkheden dan de Wmo (2007) om burgers op een goede manier maatschappelijk te ondersteunen zonder dat dit altijd hoeft te leiden tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening. In de systematiek van de wet ligt namelijk de nadruk op wat burgers zelf (al dan niet met hulp van anderen) kunnen, in plaats van wat zij niet meer kunnen.

Ook kunnen maatwerkvoorzieningen tijdelijk worden verstrekt. De Wet van 24 april 2019 tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inzake de bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en de beoordeling voor de verstrekking van de maatwerkvoorziening, draagt de gemeenteraad op om regels te stellen over de bijdrage in de kosten (Stb. 2019, 185). Het wetsvoorstel is op 1 januari 2020 in werking treden. In deze verordening zijn een aantal wijzigingen doorgevoerd die te maken hebben met de nieuwe inkoop van begeleiding en dagactiviteiten en daarmee samenhangende manier van werken. Het gaat om het aanpassen van een aantal begrippen en de gedifferentieerde tarieven die gelden bij pgb’s. Artikelsgewijs Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen en reikwijdte Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder a: beperking Het kan bij een beperking gaan om diverse factoren, waaronder beperkingen van medische aard, wat aanleiding is voor de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van de cliënt. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder b: Besluit Spreekt voor zich, behoeft geen toelichting. Artikel 1.1 eerste lid aanhef en onder c: budgetplan (diensten) Aan het recht op pgb is voor de cliënt de verplichting verbonden een budgetplan op te stellen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1857/documents/28514