CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

18.2 Nota beantwoording zienswijzen.PDF

Gemeenteraad 5 juli 2021, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 18: Verklaring van geen bedenkingen – Oud Emmeloorderweg 34 te Ens3.993 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota beantwoording zienswijzen In deze nota worden zienswijzen samengevat en beantwoord. De zienwijze ziet zowel op de omgevingsvergunning als de vvgb. Deze nota maakt onderdeel uit van beide stukken. Zienswijze 1 De omgevingsvergunning lag van 18 februari 2021 tot en met 31 maart 2021 als ontwerp ter inzage. TRC Advocaten heeft op 30 maart 2021 namens haar cliënt (hierna: [INDIENER]) tijdig een zienswijze ingediend. Het betrof een pro forma zienswijze. Bij brief van 31 maart 2021 is [INDIENER] in de gelegenheid gesteld om tot en met 13 april 2021 de zienswijze inhoudelijk aan te vullen. Op 12 april 2021 is deze aanvulling ontvangen. De zienswijze kan daarom aangemerkt worden als tijdig ingediend en betrokken worden in de afweging. 1.1 [INDIENER] stelt dat de (ontwerp)verklaring van geen bedenkingen (hierna: (ontwerp-)vvgb) op verschillende punten onjuist is. Dit betekent volgens [INDIENER] dat de gemeenteraad onjuist is voorgelicht althans van onjuiste informatie is voorzien. Gemeentelijke reactie 1.1 De stukken voor de gemeenteraad van 25 januari 2021 zijn op 8 december 2020 behandeld in het college. Begin januari 2021 heeft [INDIENER] telefonisch contact gehad met de portefeuillehouder.

Om beide partijen (aanvrager en de indiener van de zienswijze) nader tot elkaar te brengen is er 21 januari 2021 op initiatief van de gemeente, onder begeleiding van een gespreksbegeleider, een gesprek geweest op het erf van aanvrager. Hierbij waren aanvrager, [INDIENER] en gemeente aanwezig. Tijdens dit erfbezoek is gezamenlijk geconstateerd dat een aantal toelichtende tekeningen die opgenomen zijn in de ruimtelijke onderbouwing verouderd waren en niet in overeenstemming waren met het feitelijke bouwplan. Raadsbehandeling van de (ontwerp-)vvgb was op 25 januari 2021. Het vervangen van de onderliggende toelichting was op zo’n korte termijn niet meer mogelijk. De strekking van de (ontwerp-)vvgb (het bouwen van een loods dichter op de erfgrens) komt wel overeen met hetgeen als ontwerp ter inzage is gelegd. De aanpassingen betreffen het actualiseren van de tekeningen, de maatvoering van de nieuwe loods en een verduidelijking van de paragraaf over mileuzonering. Bij [INDIENER] is aangegeven dat de stukken (omgevingsvergunning en ruimtelijke onderbouwing) aangepast zouden worden zodat de juiste stukken als ontwerp ter inzage gelegd konden worden. Deze aanpassingen zijn doorgevoerd tussen raadsbehandeling en de ter inzage legging van de ontwerpomgevingsvergunning. Deze werkwijze is met [INDIENER] besproken. Hij is erop gewezen dat wat ter inzage gelegd werd klopt.

Ook is [INDIENER] op zijn recht gewezen een zienswijze in te dienen. Nu [INDIENER] van dit recht gebruik gemaakt heeft krijgt uw raad de gelegenheid om de aangepaste en kloppende ruimtelijke onderbouwing alsnog als onderlegger van de vvgb vast te leggen. Bij raadsbehandeling van de (ontwerp-)vvgb is aan de raad aangegeven dat als er zienswijzen binnen komen het plan nogmaals aan de raad voorgelegd wordt. 1.2 [INDIENER] geeft aan dat in de (ontwerp-)vvgb valt te lezen dat het gaat om een ‘woning’. Dat is volgens [INDIENER] onjuist. Het gaat hier om een (nieuw) bedrijfsgebouw. Gemeentelijke reactie 1.2 In de stukken die op 25 januari 2021 aan de raad zijn voorgelegd wordt gesproken over een nieuw bedrijfsgebouw en niet over een woning. Het door [INDIENER] gestelde is onjuist. In het collegebesluit van 8 december 2020 (ter voorbereiding op de raad) is vanwege een verschrijving wel gesproken over een woning. Deze fout heeft verder geen gevolgen. Bij raadsbehandeling en publicatie was het voldoende duidelijk dat het een bedrijfsgebouw betreft. 1.3 [INDIENER] geeft aan onder ‘Inleiding’ te lezen dat het bouwplan gedeeltelijk buiten het bouwvlak is gelegen. Het is volgens [INDIENER] echter zo dat vrijwel de gehele bouw buiten het bouwvlak wordt

gesitueerd. Het zou aldus [INDIENER] duidelijk zijn geweest indien in de ruimtelijke onderbouwing de beoogde bouw ten opzichte van het bouwvlak (en het aantal m² overschrijding) op een afbeelding was aangegeven. Een dergelijke afbeelding ontbreekt volgens [INDIENER]. Gemeentelijke reactie 1.3 Het bouwplan ligt gedeeltelijk buiten de bestaande bouwmogelijkheid (overigens voor meer dan de helft daarbinnen). In paragraaf 3.1 is een tekening opgenomen die de plek van de nieuwbouw aangeeft. Zoals bij gemeentelijke reactie 1.1 is aangegeven is de tekening in de (ontwerp-)vvgb vervangen. De juiste stukken hebben ter inzage gelegen. De nieuwe schuur komt aan de wegzijde ongeveer 8m voor de huidige bouwmogelijkheid. Ten opzichte van de zijdelingse perceelsgrens overschrijdt het nieuwe gebouw (inclusief de 1m brede opstelstrook voor installaties) de huidige bouwmogelijkheid met 5m (7m in plaats van 12m uit de erfgrens). 1.4 [INDIENER] geeft aan dat de overweging uit 1.3 van de ontwerp-vvgb onjuist is. Hier staat: ‘De nieuwe loods komt vanwege de bocht in de weg niet dichter bij de weg dan de kortste afstand van het bestaande bouwvlak tot de weg’. [INDIENER] geeft aan deze zin niet te begrijpen en dat de dat de beoogde loods wel degelijk op een kortere afstand van de weg komt omdat deze richting de wegzijde voor een belangrijk deel buiten het bestaande bouwvlak komt te liggen.

Gemeentelijke reactie 1.4 De kortste afstand van het bestaande bouwvlak tot de verkeersbestemming (kadastrale grens) is 23,2m. In de tekening opgenomen in paragraaf 3.1 is een stippellijn opgenomen. Deze lijn laat zien dat de nieuwe loods niet dichter op de weg komt dan 23,2m. Er is inderdaad een overschrijding van de bestaande bouwmogelijkheid. Juist daarom wordt de voorliggende procedure doorlopen. 1.5 [INDIENER] geeft aan de volgende passage niet te begrijpen: ‘Omdat het erf ter hoogte van de nieuwe loods grenst aan het naastgelegen erf is het vanwege de landschappelijke inpassing aanvaardbaar dat de maatvoering van erfsingel en de bebouwingsvrije strook afwijken van de in de structuurvisie gestelde kaders’. [INDIENER] stelt dat in de structuurvisie staat dat een bepaalde maatvoering moet worden aangehouden. Het feit dat er een naastgelegen erf is kan aldus [INDIENER] nooit een argument zijn om af te wijken van eigen beleid. Dat is volgens [INDIENER] een onjuiste redenering. Het gaat hier om de Structuurvisie Noordoostpolder 2025. [INDIENER] stelt dat de structuurvisie juridisch relevant is omdat het gemeentebestuur daaraan is gebonden. Er is volgens [INDIENER] sprake van zelfbinding. Zodra de structuurvisie door de gemeente is vastgesteld is deze richtinggevend voor het eigen handelen.

Dit houdt volgens [INDIENER] in dat bij het nemen van ruimtelijke beslissingen zoals de onderhavige rekening moet worden gehouden met het in de structuurvisie vastgelegde beleid. Gemeentelijke reactie 1.5 In tegenstelling tot bestemmingsplannen en beheersverordeningen heeft een structuurvisie geen directe juridische werking. De structuurvisie is een bundeling van richtinggevende beleidsmatige keuzes. De gemeenteraad is bevoegd om op grond van maatwerk en nieuwe inzichten af te wijken van de structuurvisie. De maatvoering die in de structuurvisie is opgenomen ziet op de landschappelijke inpassing vanuit een cultuurhistorisch perspectief. Van belang zijn de ‘groene eilanden in een open akkerbouwlandschap’. Het gaat er dus met name om hoe (clusters van) erven van buitenaf ingepast worden. De erfsingels tussen twee erven zijn daarvoor minder van belang. Hierbij merken wij op dat ook op het erf van [INDIENER] al twee schuren aanwezig zijn op slechts ca. 6m van de erfgrens. In het voorliggend geval kan op grond van maatwerk afgeweken worden van de bepalingen van de structuurvisie en de beheersverordening. Juist omdat er afgeweken wordt van de structuurvisie wordt voor deze ontwikkeling een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) bij de raad gevraagd. Dit kan alleen indien er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In dit kader is er een zorgvuldige belangenafweging gemaakt.

Met het plan wordt voorkomen dat het erf aan de achterkant vergroot moet worden. Dit zou een grotere impact op het landschap hebben dan voorliggende ontwikkeling. Het bouwplan maakt het

mogelijk de bestaande buitenopslag in kuubskisten naar binnen te verplaatsen. Dit zorgt voor een nettere uitstraling van het erf. De positionering buiten de bestaande bouwmogelijkheid is grotendeels ingegeven door een doelmatige inrichting van de buitenruimte (manoeuvreerruimte). Het voorliggende bouwplan straalt ten opzichte van de bestaande loods (die in relatief slechte staat verkeert) meer kwaliteit uit. De nieuwe loods heeft een goothoogte van 6,21m en een bouwhoogte van 9,32m. De maatvoering is dus bescheidener dan wat binnen het bestaande bebouwingsvlak op 12m van de zijdelingse perceelsgrens al bij recht toegestaan is (goothoogte 8,5m, bouwhoogte 11,0m). De overschrijding van de bouwmogelijkheid aan de wegzijde is gelet op de bocht in de weg aanvaardbaar. Het dichter bouwen op de zijdelingse erfgrens is aanvaardbaar vanwege de efficiënte erfinrichting. Er blijft ook in de nieuwe situatie een substantiële erfsingel verplicht. Bovendien moet op het erf van [INDIENER] de bestaande erfsingel in stand gelaten worden zodat er slechts beperkt (wintermaanden) zicht is op het bouwplan. Verder moet in acht worden genomen dat het erf van indiener een bedrijfsbestemming heeft. Voor dergelijke bestemmingen staat niet het woongenot van de bedrijfswoning maar een functionele bedrijfsvoering centraal.

De bedrijfsvoering op de naastgelegen bedrijfsbestemming wordt niet onevenredig beperkt door het bouwplan. Overigens wordt vanwege de afstand van de nieuwe loods tot de bedrijfswoning (circa 50m) en de aanwezige erfsingel en bebouwing op het erf van [INDIENER] het woongenot in de bedrijfswoning (bv. schaduwwerking en uitzicht) slechts in geringe mate aangetast. Het bouwplan biedt de gelegenheid nieuwe en stillere installaties toe te passen. Aanvrager geeft aan de installatie zover mogelijk naar achteren te zullen plaatsen om [INDIENER] zo veel als mogelijk tegemoet te komen in het beperken van eventuele geluidshinder. Bovendien heeft aanvrager geprobeerd rekening te houden met [INDIENER] door installaties te kiezen die relatief stil zijn. De nieuwe installaties zijn stiller dan de bestaande installatie en voldoen aan de bepalingen van het activiteitenbesluit. Aanvrager heeft specificaties van de installaties gewisseld met [INDIENER]. De gemeentelijke landschapsdeskundige is ter plekke geweest en geoordeeld er met het plan ten opzichte van de bestaande situatie per saldo ruimtelijke kwaliteit wordt toegevoegd. 1.6 In tabel 5.1 wordt volgens [INDIENER] ten aanzien van erfsingels bepaald dat een erfsingel een minimale breedte moet hebben van 6 meter, voorts een bebouwingsvrije ruimte van 6 meter heeft en een afstand tot het hart van de sloot heeft van 2 meter.

Daaraan wordt volgens [INDIENER] niet voldaan. [INDIENER] wijst op afbeelding 2.5 in de ruimtelijke onderbouwing (zie paragraaf 3.2). Hieruit valt volgens [INDIENER] af te leiden dat de erfsingel ter plaatse van de onderlinge erfgrens een breedte heeft van 3 meter in plaats van de voorgeschreven 6 meter. Daarnaast wijst [INDIENER] op de breedte van de bebouwingsvrije ruimte van 2 meter in plaats van de voorgeschreven 6 meter. Verder trekt [INDIENER] in twijfel of de afstand van de erfsingel tot het hart van de sloot van 2 meter is. [INDIENER] is van mening dat het beoogde gebouw te dicht tegen de erfgrens ligt. Gemeentelijke reactie 1.6 Het is niet duidelijk naar welke tabel [INDIENER] verwijst. Indien er verwezen wordt naar de tekening uit paragraaf 5.2.2 van de structuurvisie (p. 46) volstaat een verwijzing naar de gemeentelijke beantwoording 1.5 waarin het maatwerk nader wordt gemotiveerd. De maatvoering van de nieuwe erfsingel is zorgvuldig tot stand gekomen en opgenomen in de ruimtelijke onderbouwing die ter inzage heeft gelegen. De erfsingel is ook als voorwaarde opgenomen bij de omgevingsvergunning. Op de betreffende tekening is tussen het hart van de sloot (eigendomsgrens) tot de voet van de singel een afstand opgenomen van exact 2,0m.

1.7 [INDIENER] meent dat het beoogde gebouw anders gepositioneerd moet worden of verplaatst moet worden naar de westzijde zodat aan het beleid dat vastgelegd is in de structuurvisie wordt voldaan. [INDIENER] stelt dat hierover in paragraaf 4.3.1.2 van de ruimtelijke onderbouwing tamelijk ‘versluierd’ wordt gesproken. Daarin wordt aangegeven dat niet volledig kan worden voldaan aan deze eis maar dat in deze zaak van de voorgeschreven breedte kan worden afgeweken omdat op deze manier wordt voorkomen dat het erf aan de zuidhof [sic] moet worden uitgebreid. Volgens [INDIENER] is deze zin onbegrijpelijk maar wordt er kennelijk bedoeld dat wordt afgeweken omdat anders het bouwplan anders moet worden gepositioneerd. [INDIENER] stelt dat uit de beleidsregels bepaalde voorgeschreven afstanden volgen. Daaruit volgt dan aldus [INDIENER] dat de beoogde bebouwing niet willekeurig kan worden gepositioneerd maar aan de voorgeschreven maatvoering moet voldoen. Gemeentelijke reactie 1.7

Dit betreft een verschrijving. Waar staat ‘zuid- of’ kan gelezen worden ‘de zuidzijde’. Zie voor het overige: gemeentelijke reactie 1.5. 1.8 [INDIENER] wijst op fouten in de maatvoering. De oppervlakte is volgens [INDIENER] geen 618m² maar 720m², de goothoogte geen 5,7m maar 6,3m, de breedte geen 20m maar 21m en de lengte geen 30m maar 36m. Gemeentelijke reactie 1.8 Zie gemeentelijke beantwoording 1.1. [INDIENER] wijst op de fouten in de stukken die in de oorspronkelijke ruimtelijke onderbouwing zaten. De ruimtelijke onderbouwing is op dit punt aangepast. Met de wijzigingen is het bouwplan niet dichter op het erf van [INDIENER] gesitueerd dan ten tijde van het afgeven van de ontwerp-vvgb. De juiste stukken hebben ter inzage gelegen. De juiste maatvoering staat bovendien op de bouwtekeningen behorende bij de aanvraag. 1.9 In het raadsvoorstel bij de (ontwerp-)vvgb valt onder ‘Doelstelling’ te lezen: Het doelmatig inrichten van het perceel op een landschappelijke verantwoorde wijze. Volgens [INDIENER] is dat niet de doelstelling. De doelstelling van initiatiefnemer is volgens [INDIENER] een bedrijfsgebouw te realiseren. [INDIENER] geeft aan dat dit bedrijfsgebouw in strijd is met de beheersverordening ‘Landelijk gebied’ maar volgens hem ook met de beleidsregels van de gemeente Noordoostpolder, namelijk de hierboven genoemde structuurvisie Noordoostpolder 2025.

Gemeentelijke reactie 1.9 De gemeente probeert onder het kopje ‘doelstelling’ het bredere belang van de afweging te formuleren – dat voert verder dan het enkel realiseren van een bouwwens. Juist vanwege de strijdigheid met de beheerverordening wordt voorliggende procedure doorlopen. Over het toepassen van maatwerk zie: gemeentelijke reactie 1.5. 1.10 [INDIENER] geeft aan dat er in het raadsvoorstel onder ‘kanttekeningen’ ten onrechte wordt gesteld ‘niet van toepassing’ omdat al ten tijde van de (ontwerp-)vvgb bij het college bekend was dat hij bezwaren heeft tegen de beoogde bouw. 1.10 Bij collegebehandeling van het raadsvoorstel op 8 december 2020 waren de bezwaren van [INDIENER] nog niet bekend. De ontwerpomgevingsvergunnning en de ontwerp-vvgb zijn juist ter inzage gelegd om reacties op de plannen op te halen. Verder is het standaardkopje ‘kanttekeningen’ niet per se bedoeld voor het bespreken van mogelijke maatschappelijke weerstand. 2.1 [INDIENER] geeft aan dat in paragraaf 5.5.3.2 van de ruimtelijke onderbouwing staat: ‘Eventuele koeling en ventilatiesystemen moeten voldoen aan de eisen van het Activiteitenbesluit’. [INDIENER] geef aan dat de geluidseffecten nu al onderzocht moeten worden. Het gaat hier om een buitenplanse afwijking van het bestemmingplan. Een goede ruimtelijke ordening dwingt volgens [INDIENER] tot het maken van een algehele complexe belangenafweging.

De aanvaardbaarheid van optredende geluidbelasting dient volgens [INDIENER] onderdeel te zijn van deze belangenafweging. [INDIENER] verwijst hierbij naar de vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de afdeling), dat milieuaspecten zoals geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening getoetst dienen te worden. [INDIENER] geeft aan dat voorkomen moet worden dat nu een omgevingsvergunning wordt verleend, terwijl in een later stadium blijkt dat niet aan de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit voldaan kan worden. [ Gemeentelijke reactie 2.1 In paragraaf 5.5.3.2 van de ruimtelijke onderbouwing wordt voldoende ingegaan op de externe werking van het plan. Ook deze paragraaf is naar aanleiding van de zorgen van [INDIENER] aangescherpt ten opzichte van de stukken die bij de raadsbehandeling onder de vvgb lagen. Een schuur ten behoeve van opslag van akkerbouwproducten valt op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 aan te merken als ‘akkerbouw (bedrijfsgebouwen)’ (SBI-2008:

011, 012, 013) met milieucategorie 2. Hiervoor geldt in beginsel een richtafstand van 30 meter. Het perceel van [INDIENER] heeft een bedrijfsbestemming. Dit is geen gevoelige functie ten opzichte waarvan in het kader van milieuzonering afstand gehouden moet worden. De aanwezige bedrijfswoning moet echter wel aangemerkt worden als gevoelige functie. De kortste afstand van de nieuwe loods tot de bestaande bedrijfswoning is circa 50m. Er kan dus ruimschoots aan de richtafstand voldaan worden. [INDIENER] zou echter de bedrijfswoning ook op een andere plek op het erf mogen bouwen. De uiterste bouwmogelijkheid van de bedrijfswoning is op circa 25m van de nieuwe loods gelegen. De nieuwe loods (inclusief opstelstrook) ligt 7 meter van de erfgrens, het bestemmingvlak van [INDIENER] ligt circa 6 meter uit erfgrens, de afstand van gebouwen tot de zijgrens van het bestemmingsvlak mag niet minder dan 12 meter bedragen (7 + 6 + 12 = 25). Omdat het landelijk gebied van de Noordoostpolder van oorsprong een gebied is waar functiemenging plaatsvindt wordt het hele landelijke gebied door de gemeente aangemerkt als ‘gemengd’ gebied. In het voorliggend geval waar een agrarische bedrijfsbestemming en een reguliere bedrijfsbestemming direct naast elkaar liggen is functiemenging evident. Dit betekent dat op grond van de VNG-uitgave de richtafstand van een milieucategorie lager aangehouden kan worden.

In voorliggend geval is dat milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter. Binnen de zone van 10 meter ten opzichte van de nieuwe loods kunnen geen gevoelige functies plaatsvinden. Gelet op de afstand van 25m van de nieuwe loods tot de uiterste bouwmogelijkheid van de bedrijfswoning van [INDIENER] kan voldaan worden aan de richtafstanden. Er is geen strijd met de goede ruimtelijke ordening. Indien voldaan kan worden aan de richtafstanden uit de VNG-uitgave is er op grond van vaste rechtspraak van de afdeling geen nader onderzoek nodig naar bijvoorbeeld geluid. Het is dan voldoende aannemelijk dat aan de bepalingen van het Activiteitenbesluit voldaan kan worden. Bovenstaande betekent dat er voldoende is aangetoond dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. 2.2 [INDIENER] wijst erop dat er ventilatoren en een airco-unit komen. De ventilatoren zijn aan de oostzijde van het gebouw (gedeelde erfgrens) voorzien. [INDIENER] geeft aan dat hem niet duidelijk is waar de airco-unit wordt geprojecteerd. Deze zou aanvankelijk aan de noordzijde worden geprojecteerd, maar nu kennelijk aan de zuidzijde. [INDIENER] wijst in dit verband op de overheersende westenwind. [INDIENER] stelt dat het geluid hierdoor naar zijn perceel en bedrijfswoning wordt geleid.

[INDIENER] merkt verder op dat de bedrijfsbebouwing een meter breder zal worden, respectievelijk een meter dichter bij de erfgrens komt omdat aan de oostzijde over een lengte van 20 meter een luifel boven de ventilatoren is beoogd. [INDIENER] wijst er verder op dat van geluiddempende werking als gevolg van aanwezige bomen geen sprake meer zal zijn, omdat deze gekapt worden. Gemeentelijke reactie 2.2 Uit de gemeentelijke reactie 2.1 blijk dat er ten opzichte van de bedrijfswoning (gevoelige functie) voldoende afstand gehouden wordt. Hiernaast geldt de directe werking van het Activiteitenbesluit. Dit betekent dat de bedrijfsvoering niet tot gevolg mag hebben dat er te veel geluid op de gevel van de bedrijfswoning (gevoelige functie) terecht komt. Aanvrager geeft aan bij de keuze voor de installaties, juist met het oog op de zorgen van zijn buren, gekozen te hebben voor de stilst mogelijke uitvoeringen. Aanvrager heeft de specificaties van de te plaatsten installaties gewisseld met [INDIENER]. Om [INDIENER] tegemoet te komen is aanvrager bereid de installaties zover als mogelijk naar het zuiden op de gevel van de loods te plaatsen. Strikt genomen is niet noodzakelijk. Bomen hebben slechts een beperkte geluidsdempende werking. De richtafstanden zijn gebaseerd op een situatie zonder bomen.

De opmerking over de geluiddempende werking van de te kappen bomen is in dit geval niet relevant. 2.3 [INDIENER] geeft aan dat in (onder meer paragraaf 3.1) de ruimtelijke onderbouwing, staat dat enkele (of een aantal) bomen worden gekapt. [INDIENER] geeft aan dat in de werkelijkheid alle bomen ten oosten van de beoogde loods (en bij de grens met cliënt) moeten worden gekapt om de loods te bouwen en ter plaatse de fundering te kunnen storten en werkzaamheden te kunnen uitvoeren. [INDIENER] geeft aan dat dit bestaande bomen van 15-20 meter hoog met een stamomvang van een halve meter. [INDIENER] geeft aan dat de erfinrichtingstekening in paragraaf 3.2 van de ruimtelijke

onderbouwing (en in bijlage 1) nadere uitleg behoeft. [INDIENER] geeft aan dat aan de oostzijde een erfsingel van 3 meter wordt beoogd. Er staat dat indien deze vervangen wordt, deze teruggeplaatst moet worden. Die bestaande erfsingel bestaat volgens [INDIENER] geheel uit bomen die gekapt zullen worden. [INDIENER] wijst erop dat indien jonge bomen worden aangeplant het (tientallen) jaren zal duren voordat eenzelfde soort erfbeplanting ontstaat dan nu het geval is. Volgens [INDIENER] worden alle bomen gekapt en komt daarvoor in de plaats een dunne rij nieuwe bomen. [INDIENER] stelt dat dit onvoldoende geborgd is. In paragraaf 3.1 van de ruimtelijke onderbouwing wordt niet gesproken over het kappen van bomen. Uit de erfinrichtingstekening en de aanvraag voor de activiteit ‘kappen’ blijkt dat slechts ter plaatse van de nieuwe loods (en de directe nabijheid) bomen gekapt worden. Dit is nodig voor de bouw van de nieuwe loods. De stelling van [INDIENER] dat in werkelijkheid alle bomen gekapt worden is onjuist. Waar kappen niet noodzakelijk is worden de bestaande bomen in stand gelaten. Op de erfinrichtingstekening is precies aangegeven waar in de nieuwe situatie een volwaardige erfsingel aanwezig moet zijn. Deze tekening is gemaakt op aanwijzing van de gemeentelijke landschapskundige.

Hierbij is ook rekening gehouden met een soortenmix waarbij bepaalde bomen en struiken al snel groeien. Aan de omgevingsvergunning is de voorwaarde verbonden dat de nieuwe loods alleen gebruikt mag worden indien er een erfsingel, in overeenstemming met de erfinrichtingstekening, aanwezig is. Hiermee is de erfsingel voldoende geborgd. In de gemeentelijke reactie 1.5 is aangegeven waarom in voorliggend geval, op grond van maatwerk, een 3 meter brede erfsingel volstaat. 2.4 [INDIENER] verbaast zich er over dat alle bomen gekapt mogen worden terwijl hem is meegedeeld dat hij de erfsingel op zijn eigen perceel niet mag kappen. Gemeentelijke reactie 2.4 Erfsingels mogen niet zonder toestemming gekapt worden. De omgevingsvergunning ziet ook op de activiteit ‘kappen’. In voorliggend geval kan op grond van de afwegingen besproken onder gemeentelijke reactie 1.5 maatwerk geboden worden. Overigens is de stelling dat alle bomen gekapt mogen worden onjuist (zie: gemeentelijke beantwoording 2.3). Op het erf van [INDIENER] is er geen aanleiding tot het kappen van bomen. Het is dus onwaarschijnlijk dat een medewerking verleend zal worden aan een verzoek dat ziet op de kap van de erfsingel op het erf van [INDIENER]. Het rooien van zieke bomen is, in het kader van het normale onderhoud van de erfsingel, overigens zonder nadere toestemming toegestaan. 3.

[INDIENER] wijst op paragraaf 5.5.3.2 van de ruimtelijke onderbouwing. Hier valt te lezen dat voor wat betreft de zonering uit wordt gegaan van een gemengd landelijk gebied. Dat is aldus [INDIENER] niet het geval. Er dient volgens [INDIENER] uit te worden gegaan van een rustige woonwijk. Uit rechtspraak van de Afdeling (zie: 15 september 2013 - ECLI:NL:RVS:2013:1231) blijkt volgens [INDIENER] dat onder een rustige woonwijk ook wordt verstaan een rustig buitengebied. In voorliggend geval is volgens [INDIENER] geen sprake van gemengde functies. Volgens [INDIENER] betreffen het verspreid liggende en dezelfde functies. De afstanden zijn dus naar de mening van [INDIENER] anders dan in paragraaf 5.5.3.2 aangegeven. Die zonering moet volgens [INDIENER] opnieuw beoordeeld worden. Gemeentelijke reactie 3.1 Zie gemeentelijke reactie 2.1 voor een nadere uitleg over milieuzonering en de toepassing van de correctie voor ‘gemengd gebied’. De aangehaalde uitspraak maakt op geen enkele wijze duidelijk waarom voorliggend geval niet als ‘gemengd’ gebied aangeduid kan worden. 4. Op grond van al het vorenstaande verzoekt [INDIENER] de gemeenteraad de verklaring van geen bedenkingen niet te verlenen en verzoekt hij het College van B&W de omgevingsvergunning (vooralsnog) niet te verlenen.

Volgens [INDIENER] moet het College nader geluidsonderzoek doen en moet de erfbeplanting voldoen aan de structuurvisie. De bouw van de nieuwe loods is landschappelijk en milieutechnisch goed inpasbaar. Dit blijkt voldoende uit de ruimtelijke onderbouwing. De belangen van [INDIENER] worden met het plan niet

onevenredig geschaad. Nader geluidsonderzoek is niet nodig (zie: gemeentelijke reactie 2.1). Op grond van maatwerk (zie: gemeentelijke reactie 1.5) is in voorliggend geval een erfsingel met een breedte van 3m voldoende voor een goede landschappelijke inpassing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1831/documents/27306