CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

18.1 Ruimtelijke onderbouwing (0171223653).PDF

Gemeenteraad 5 juli 2021, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 18: Verklaring van geen bedenkingen – Oud Emmeloorderweg 34 te Ens21.879 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling.

5.7

Archeologie & cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie projectgebied De gemeente Noordoostpolder heeft ten aanzien van het milieuaspect ‘archeologie’ een eigen archeologische beleidsadvieskaart ontwikkeld. Op grond van deze kaart is het projectgebied gelegen op gronden waarop de beleidscategorie ‘WA-8’’ van toepassing is. Een uitsnede van de archeologische beleidsadvieskaart met betrekking tot het projectgebied (rode cirkel) in afbeelding 5.3 weergegeven. Op grond van de bijbehorende beleidsregels is het projectgebied vrijgesteld van archeologisch onderzoek voor bouwwerken, waarvoor bodemingrepen nodig zijn met een oppervlakte groter dan 10.000 m² en dieper dan 100 cm. Voorliggend plan blijft ruimschoots onder vorenstaande grenswaarden. Er is geen archeologisch onderzoek benodigd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Oud Emmeloorderweg 34, Ens Ruimtelijke onderbouwing

Afbeelding 5.3

5.7.2

Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart gemeente Noordoostpolder (Bron: gemeente Noordoostpolder)

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Cultuurhistorische waarden omvatten alle structuren, elementen en gebieden die cultuurhistorisch van belang zijn. Deze zeggen meer over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is sprake van een sterke relatie tussen aardkundige elementen en cultuurhistorische elementen. De bescherming van deze laatste is vastgelegd in de Monumentenwet 1988, welke vooral gericht is op het behouden van historische elementen voor latere generaties. De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat een ruimtelijk plan een beschrijving dient te bevatten van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden om is gegaan. De cultuurhistorisch-landschappelijke waarde van de Noordoostpolder is van groots belang, maar tevens is heel duidelijk de behoefte om deze waarde te blijven verbeteren.

De gemeente wenst tegelijkertijd ruimte te bieden aan nieuwe ontwikkelingen, die zorgvuldig een plek moeten krijgen in het landschap. Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Dit erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Dit maakt de bescherming van deze elementen van belang. 5.7.2.2 Situatie projectgebied Het projectgebied zelf kent, op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart Flevoland, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. In (de directe nabijheid van) het projectgebied bevingen zich geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Het perceel aan de Oud Emmeloorderweg en de directe omgeving kent een aantal cultuurhistorische karakteristieken die kenmerkend zijn voor de Noordoostpolder. Door die kenmerken, en de zichtbaarheid daarvan, draagt het perceel bij aan de herkenbaarheid van de Noordoostpolder en daarmee haar bijzondere identiteit. Karakteristieke structuren en kenmerken in de omgeving, zoals de laanbeplantingen en verkavelingspatronen zijn aanwezig. Door het behoud van de oorspronkelijke inrichting, behoud van de entree en het herstellen van de westelijke erfsingel worden de met voorgenomen ontwikkeling de cultuurhistorische karakteristieken gerespecteerd. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Oud Emmeloorderweg 34, Ens Ruimtelijke onderbouwing 5.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.8

Besluit Milieueffectrapportage

5.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 1. 2. 3.

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. In deze paragraaf vindt deze vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats. 5.8.2

Situatie projectgebied

5.8.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied “Zwarte Meer” ligt met circa 5,2 kilometer op zeer ruime afstand van het projectgebied. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura-2000 gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit project dan ook niet noodzakelijk. 5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het verlenen van een omgevingsvergunning voor afwijken van de beheersverordening. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Oud Emmeloorderweg 34, Ens Ruimtelijke onderbouwing In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.' Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Indien het project wordt vergeleken met de drempelwaarden uit de D-lijst kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject en daarmee tevens geen m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit aangezien deze pas geldt bij een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Indien hierbij de drempelwaarden uit de D-lijst voor deze activiteit (o.a bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer) wordt vergeleken met de omvang van de ontwikkeling, het bouwen van vijf woningen, wordt geconcludeerd dat sprake is van een wezenlijk ander schaalniveau en een activiteit die vele male kleinschaliger is. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk en bod gekomen milieu- en omgevingsaspecten. 5.8.3

Conclusie

De in deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten.

5.9

Wateraspecten

5.9.1

Algemeen

In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.9.2

Watertoetsproces

Het waterschap Zuiderzeeland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. In het kader van deze procedure is een waterparagraaf opgesteld met betrekking tot de voorliggende ontwikkeling. De van belang zijnde wateraspecten zijn hieronder weergegeven. Het volledige watertoetsresultaat is als bijlage 3 bij deze onderbouwing gevoegd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Oud Emmeloorderweg 34, Ens Ruimtelijke onderbouwing 5.9.3

Waterparagraaf

De waterparagraaf maakt inzichtelijk hoe het vigerend waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen, waarmee rekening moet worden gehouden voor voorliggende ontwikkeling. Hierbij zijn de volgende waterthema’s van belang: 1. 2. 3.

Veiligheid; Voldoende water; Schoon water.

Hieronder wordt weergegeven hoe binnen voorliggend plan, indien nodig, rekening wordt gehouden met de bovenstaande thema’s 5.9.3.1 Thema veiligheid Het projectgebied ligt niet buitendijks en ligt niet in een keurzone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens (watertoets) over het projectgebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. 5.9.3.2 Voldoende water Ten behoeve van de planontwikkeling is geen bronnering van grondwater nodig. Er wordt in het plan geen gebruikt gemaakt van bodemenergie, ofwel warmte koude opslag. Bij deze planontwikkeling zal geen grondwater worden onttrokken ten behoeve van beregening, veedrenking of bedrijfsmatige toepassingen. Het projectgebied is gelegen in het landelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met circa 480 m2 toe. In voorliggend geval zijn compenserende maatregelen niet noodzakelijk. 5.9.3.3 Schoon water Er bevindt zich binnen het projectgebied geen oppervlaktewater. Het hemelwater afkomstig van schone oppervlakken wordt geïnfiltreerd. De afvoer van het huishoudelijke afvalwater wordt, gescheiden van het schone hemelwater, afgevoerd via een bestaande septic tank, behorend bij de bestaande bedrijfswoning. Hierin verblijft het water tijdelijk zodat vaste delen kunnen verteren. Na deze verblijftijd wordt het spoelwater geloosd op het oppervlaktewater.

In afbeelding 5.4 is weergeven waar het water wordt geloosd op het oppervlaktewater. De locatie (aangegeven met een witte omlijning) is met een duiker verboden met de sloot ten noorden van het projectgebied. 5.9.4

Advies waterschap

De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van de watertoets van toepassing is. Het plan is voor advies naar het waterschap toegestuurd. De opmerkingen van het van het waterschap zijn verwerkt in de bovenstaande waterparagraaf. Voor de volledige reactie van het waterschap wordt verwezen naar bijlage 4.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Oud Emmeloorderweg 34, Ens Ruimtelijke onderbouwing

Afbeelding 5.4

Locatie lozing septic tank (Bron: gemeente PDOK)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Oud Emmeloorderweg 34, Ens Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 6

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzondering. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een omgevingsvergunning of bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Oud Emmeloorderweg 34, Ens Ruimtelijke onderbouwing

HOOFDSTUK 7 7.1

VOOROVERLEG

Het Rijk

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat voorliggend initiatief geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

7.2

Provincie Flevoland

Het vooroverleg met de provincie Flevoland heeft reeds per mail plaatsgevonden.

7.3

Waterschap Zuiderzeeland

Het waterschap Zuiderzeeland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording hiervan heeft ertoe geleid dat de normale procedure van toepassing is. Het plan is voor advies naar het waterschap toegestuurd. De opmerkingen van het van het waterschap zijn verwerkt in de waterparagraaf. Voor de volledige reactie van het waterschap wordt verwezen naar bijlage 4.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Oud Emmeloorderweg 34, Ens Ruimtelijke onderbouwing

BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Oud Emmeloorderweg 34, Ens Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 1

Erfinrichtingstekening

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

6m

Erfsingel behouden als bestaand

---- --- - ---

Bij ve angen erfsingel verplicht her in stan • houden conform inrichtingst

enmg en

rooilijn evenwijdig aan weg.op--E,-:25;,-

bijbeh rend beplantingsplan

____ -[�;R ________

-----------�-------------�

1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 w

34 1

34 1

4m 6m

Erfsingel aanplanten conform inrichtingstekening en bijbehorend beplantingsplan

gemeente

NOORDOOSTPOLDER

postbus 155 8300 AD Emmeloord tel. (0527) 633911 fax (0527) 617020 e-mail info@noordoostpolder.nl

plaats:

Ens

eenheid:

ONTWIKKELING

Oud Emmeloorderweg 34 onderwerp: Inrichtingsvoorstel erf en singel

cluster: Ruimte

dat:

25-01-2021

get:

AvdB

gez: SCHAAL:

1:500

formaat:

A3

2

2

36

[3528

[2074

bebouwingsvrije ruimte

n1

3

Oud Emmeloorderweg 34, Ens Ruimtelijke onderbouwing

Bijlage 2

QuickScan Flora & Fauna

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Quickscan natuurwaardenonderzoek Oude Emmeloorderweg 34 Ens In het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Oude Emmeloorderweg 34 Ens

In het kader van de Wet natuurbescherming

Uitgevoerd door:

Natuurbank Overijssel

Opdrachtgever: Contactpersoon:

BJZ.NU dhr. W. Bekke Twentepoort Oost 16a 7609 RG ALMELO

Projectnummer en versie: 2419 versie 1.0 Veldmedewerker(s): P.Leemreise Ligging projectgebied: Oude Emmeloorderweg 34 Ens

Auteur: P.Leemreise

Status: definitief Rapportdatum: 2-6-2020

Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: Tel:

info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 / 0614-435700 1

Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1

Inleiding................................................................................................................................. 5

HOOFDSTUK 2

Het plangebied .......................................................................................................................... 6

2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 HOOFDSTUK 3

Voorgenomen activiteiten ........................................................................................................ 7

3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten .................... 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 7 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 8 HOOFDSTUK 4 Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 8 4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 8 4.2 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................................... 8 4.3 Natura 2000.............................................................................................................................................. 9 4.4 Slotconclusie...........................................................................................................................................

11 HOOFDSTUK 5 Soortenbescherming; het onderzoek .......................................................................................... 12 5.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 12 5.2 Methode ................................................................................................................................................. 12 5.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 14 5.4 Toetsingskader ....................................................................................................................................... 17 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 18 5.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................ 20 5.7 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 20 HOOFDSTUK 6 Conclusies ................................................................................................................................... 21

2

Samenvatting Algemeen Er zijn concrete plannen voor de bouw van een schuur op een erf aan de Oud Emmeloorderweg 34 te Ens. Om deze schuur te kunnen bouwen dient een bestaande schuur gesloopt te worden. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd de wettelijke consequenties van de wenselijke ontwikkeling, in het kader van soort- en gebiedsbescherming, in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 25 februari 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied zoals het Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.

Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Flevoland. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op Natura 2000-gebied. Het is daarom niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten zullen leiden tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten verschillende grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en voortplantingsplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.

Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de grondgebonden zoogdiersoorten, die vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van vaste rust- en/of voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten, komt de functie van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vogels te vervallen. Dit leidt niet tot wettelijke consequenties.

3

Samenvattende conclusie Het plangebied bestaat volledig uit bebouwing en erfverharding. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor diverse beschermde diersoorten. Afhankelijk van de tijd van het jaar, waarin de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden, kunnen beschermde dieren gedood worden, eieren beschadigd/vernield worden en rust- en/of voortplantingsplaatsen van beschermde dieren beschadigd/vernield worden. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet zonder ontheffing negatief beïnvloed worden. Voor het (onbewust) doden van de beschermde grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Wettelijke consequenties samengevat: - Geen bezette vogelnesten negatief beïnvloeden zonder ontheffing;

4

Hoofdstuk 1

Inleiding

Er zijn concrete plannen voor de bouw van een schuur op een erf aan de Oud Emmeloorderweg 34 te Ens. Om deze schuur te kunnen bouwen dient een bestaande schuur gesloopt te worden. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd de wettelijke consequenties van de wenselijke ontwikkeling, in het kader van soort- en gebiedsbescherming, in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Provincie Flevoland (Natuurnetwerk Nederland).

5

HOOFDSTUK 2

Het plangebied

2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd op het adres Oud Emmeloorderweg 34 te Ens. Het ligt in het buitengebied, circa 1,5 kilometer ten noordwesten van de woonkern Ens. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.

Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid (bron: pdok.nl).

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied vormt een deel van een bestaand agrarisch erf en bestaat volledig uit bebouwing en erfverharding. In het plangebied staat een schuur welke gebouwd is van betonelementen en gedekt is met golfplaten. De schuur is aan de binnenzijde volledig geïsoleerd d.m.v. spuitschuim. De schuur verkeert in een goede staat van onderhoud en is wind- en waterdicht. Rondom de schuur is erfverharding aanwezig welke benut wordt voor de (tijdelijke) opslag van spullen, zoals (bouw)materialen en materieel. Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven.

Detailopname van het plangebied. De begrenzing van het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: pdok).

6

HOOFDSTUK 3

Voorgenomen activiteiten

3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om de bestaande schuur te slopen en de erfverharding te verwijderen om vervolgens een nieuwe schuur in het plangebied te bouwen. Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van het erf, wordt aan de zuidwestzijde een houtsingel aangelegd. Op onderstaande afbeelding wordt een impressie van het wenselijke eindbeeld weergegeven.

Impressie van het wenselijke eindbeeld na planrealisatie.

De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming:  Slopen bebouwing;  Verwijderen erfverharding;  Bouwen schuur;  Aanleggen erfbeplanting;

3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden:  Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden:  Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten;  Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten;  Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;

3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep.

7

In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar in een gebied rondom het plangebied, maar deze effecten zijn echter incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied.

3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.

HOOFDSTUK 4 Gebiedsbescherming 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura 2000) en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS genoemd). 4.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN (voorheen EHS). Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan.

De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Flevoland. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v.

het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 5,07 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven. 8

5,07 kilometer afstand tussen plangebied en gronden die tot het NNN behoren

Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de donkergroene en blauwe kleur op de kaart aangeduid (bron: ruimtelijke plannen.nl).

Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. Wettelijke consequenties Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.

4.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:  de leefgebieden van vogels;  de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).

In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.

9

Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Als gevolg van het stopzetten van de PAS-systematiek, mogen plannen die leiden tot een verhoogde depositie van NOx/NH3 op Natura 2000-gebied, niet in uitvoering gebracht worden zonder Wet natuurbeschermingsvergunning. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 4,4 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied Ketelmeer en Vossemeer.

Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven. 4,4 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren

Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de blauwe en groene kleur aangeduid (bron: PDOK.nl).

Stikstofgevoelige Habitattypen Niet alle Habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie. Het Natura 2000-gebied Ketelmeer en Vossemeer bestaat niet uit stikstofgevoelige Habitattypen. Stikstofgevoelige Habitattypen liggen meer dan 10 kilometer ten oosten van het plangebied (bron: Pdok.nl).

10

Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten De uitvoering van bepaalde fysieke activiteiten in een plangebied zouden kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een plangebied. Als gevolg van werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het plangebied en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied Ketelmeer en Vossemeer is een negatief effect uitgesloten. Beoordeling Stikstof Als gevolg van de voorgenomen activiteiten zal een beperkte emissie van NOx plaats vinden, als gevolg van de inzet van materieel met een verbrandingsmotor tijdens de sloop van de bestaande bebouwing en bouw van de nieuwe schuur, en een toename van verkeer tijdens de ontwikkelfase.

Gelet op de ligging van het plangebied, op minimaal 10 kilometer afstand van stikstofgevoelige Habitattypen in een Natura 2000gebied en de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, is het niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten zullen leiden tot een verhoogde stikstofdepositie in verzuringsgevoelige Habitattypen. Wettelijke consequenties Het is niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op Natura 2000gebied. Het is daarom niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten zullen leiden tot wettelijke consequenties.

4.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Flevoland. Gelet op de aard van de voorgenomen activiteiten en de ligging op enige afstand van Natura 2000-gebied, is het niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op Natura 2000-gebied. Het is daarom niet aannemelijk dat de voorgenomen activiteiten zullen leiden tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden.

11

HOOFDSTUK 5 Soortenbescherming; het onderzoek 5.1 Verwachting en bureauonderzoek Het plangebied bestaat volledig uit bebouwing en erfverharding. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot potentieel geschikt functioneel leefgebied voor diverse beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied tot potentieel functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen:  vogels;  vleermuizen;  grondgebonden zoogdieren;  amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.

5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 25 februari 2020 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28), maar deze is niet gebruikt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:  veldbezoek door ervaren ecoloog;1  aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a.  Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland;  Atlas van de zoogdieren van Nederland;  Nieuwe atlas van de Nederlandse flora;  NDFF Verspreidingsatlas; Het weer tijdens het veldbezoek Bewolkt, droog, temperatuur 9⁰C, wind 3-4 Bft

1

Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 200 Quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. Behalve beroepsmatig, is hij ook in de vrije tijd betrokken bij vogel- en vleermuisonderzoek, waaronder verschillende projecten in het kader van de Netwerk Ecologische Monitoring (NEMVT) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ook is hij voorzitter van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek en bestuurslid van de Vleermuiswerkgroep Gelderland. 12

Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat de meeste vogels in deze tijd van het jaar geen territorium-indicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en geen bezette nesten hebben. Soorten als boomklever, bos- en steenuil, grote lijster en huismus zingen soms al wel op mooie voorjaarsdagen. Sommige standvogels (dit zijn vogels die niet wegtrekken in de winter), zoals de huismus, steen- en kerkuil zijn doorgaans wel aanwezig in de buurt van de nest-/rustplaats, maar de meeste trekvogelsoorten bevinden zich in de overwinteringsgebieden. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. De onderste rij dakpannen is onderzocht op de aanwezigheid van huismussennesten. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren.

De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Met uitzondering van sommige muizensoorten, hebben de meeste grondgebonden zoogdieren geen zogende jongen in deze tijd van het jaar. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar zomerverblijfplaatsen van vleermuizen en matig geschikt voor onderzoek naar winterverblijfplaatsen. Vleermuizen in winterverblijfplaatsen, waar de vleermuizen ‘vrij’ hangen, zijn te onderzoeken, maar de meeste vleermuizen bezetten een winterrustplaats diep weggekropen in gebouwen, andere bouwwerken of holle bomen. Gewone dwergvleermuizen hebben in de periode half augustus-half september de massa-winterverblijfplaatsen bezocht tijdens de donkere uren van de nacht (zogenaamde middernachtzwermen), wat soms nog zichtbaar is door de aanwezige uitwerpselen en urine op muren, ramen en op de grond nabij de invliegopening(en). Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen.

Daarbij is gezocht naar vleermuizen en aanwijzingen die op de aanwezigheid van een verblijfplaats in het plangebied duiden. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën omdat deze dieren de winterrustplaats hebben betrokken en zijn dan niet of heel moeilijk waar te nemen. Winterrustplaatsen bevinden zich in holen en gaten in de grond, onder opgeslagen materialen, afval, takkenbossen, boomstammen of onder water in de sliblaag van natte landschapselementen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de 13

gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.

5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Diverse vogelsoorten benutten de buitenruimte van het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er jaarlijks vogels in opgeslagen goederen. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied kunnen nestelen zijn koolmees, merel en witte kwikstaart. Er nestelen geen vogels in of aan de te slopen schuur. De schuur heeft gladde wanden en is niet toegankelijk voor vogels (incl. dakvlak). Andere potentiële nestplaatsen, zoals bomen, struiken of dichte vegetatie ontbreken. Door het verwijderen van opgeslagen spullen tijdens de voortplantingsperiode worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Als gevolg van het vernielen van bezette vogelnesten worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels verwond of gedood. Door uitvoering van de voorgenomen plannen, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels niet aangetast.

Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Opgeslagen spullen verwijderen tijdens de voortplantingsperiode;

Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt de buitenruimte van het plangebied als functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als bosmuis, huisspitsmuis, haas, vos, steenmarter en egel beschouwd. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Er zijn tijdens het veldbezoek geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen van beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen grondgebonden zoogdieren gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats in het plangebied bezetten. De aanwezige schuur heeft geen spouwmuur en er zijn geen andere potentiële verblijfplaatsen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een gevelbetimmering, vensterluik, loodslab, dakpan, windveer of zonnescherm. De gevels van de schuur bestaan uit massieve betonelementen of damwand en vormt geen potentiële verblijfplaats voor vleermuizen.

De schuur is niet toegankelijk voor vleermuizen en het dakvlak (golfplaten) vormt geen geschikte verblijfplaats voor vleermuizen. 14

De gladde afwerking van van de schuur, zonder holle ruimtes, maakt de schuur tot een ongeschikte verblijfplaats voor vleermuizen.

Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Mogelijk bezetten vleermuizen een verblijfplaats in een gebouw elders op het erf, maar de voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op deze mogelijk aanwezige verblijfplaats. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt foerageergebied voor vleermuissoorten beschouwd. Mogelijk foerageren gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen, gewone grootoorvleermuizen en laatvliegers rond de bebouwing, of vliegen ze over het plangebied terwijl ze foerageren rond bomen en struiken die net buiten het plangebied staan. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is beperkt; het vormt geen essentieel foerageergebied. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de (beperkte) betekenis van het plangebied als foerageergebied van vleermuizen niet negatief beïnvloed. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen;

15

Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, en gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt functioneel leefgebied voor amfibieën beschouwd.

Mogelijk benutten sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten als gewone pad, bruine kikker, bastaardkikker en kleine watersalamander de buitenruimte in het plangebied als foerageergebied, maar amfibieën bezetten er geen (winter)rustplaats. Ook ontbreekt potentieel geschikt voortplantingsbiotoop. Door het bebouwen van het plangebied komt de functie foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

16

5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Flevoland van kracht. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Dit kan de Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling en Inrichting zijn van Stadswerk (2016). Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport.

17

5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het verwijderen van opgeslagen goederen in de buitenruimte tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd en vernield en worden mogelijk jonge, niet vlieg-vlugge jonge vogels gedood. Er nestelen uitsluitend vogelsoorten in het plangebied waarvan het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het verstoren/vernielen van een bezet nest (eieren) of het verwonden/doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Wel mag initiatiefnemer maatregelen treffen die vogels weerhouden te gaan nestelen in het plangebied. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is half juli-maart. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridische beschouwd wel plaats vinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits er geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de opgeslagen spullen verwijderd worden tijdens de voortplantingsperiode, is een broedvogelinspectie vereist om met zekerheid om de aanwezigheid van een bezet nest uit te sluiten.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Opgeslagen spullen verwijderen buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren); Vleermuizen Verblijfplaatsen Als gevolg van de uitvoering van voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Essentieel foerageergebied Als gevolg van de uitvoering van voorgenomen activiteiten wordt geen essentieel foerageergebied beschadigd of vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied, wordt niet aangetast door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Vliegroute Als gevolg van de uitvoering van voorgenomen activiteiten wordt geen essentiële vliegroute negatief beïnvloed of teniet gedaan. 18

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling geldt omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1831/documents/27305