18.1 Bijlage 1 Deelplan Minima.pdf
Tekst van het document
Deelplan Minima
Deelplan Minima 2021 -2024
Iedereen doet mee
1
2
Deelplan Minima
INHOUD Voorwoord
4
1.
Inleiding
5
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6
Beleidsplan Sociaal domein ‘Krachtig Noordoostpolder 2.0’ Doel van dit deelplan Relatie met andere beleidsvelden Geldigheidsduur deelplan en wat vooraf ging Communicatie Leeswijzer
5 5 5 6 6 6
2.
Wat willen we bereiken?
7
2.1 2.2
Visie krachtig Noordoostpolder 2.0 Kaders 2.2.1 Versterken eigen verantwoordelijkheid van inwoners 2.2.2 Versterken gemeentelijke regie 2.2.3 Naar een overzichtelijk zorglandschap 2.2.4 Resultaatgericht werken 2.2.5 Financieel kader
7 7 7 7 8 8 8
3.
Wat gaan we doen?
9
3.1
Inwoners zijn zo veel mogelijk zelfredzaam 3.1.1 Wat willen we bereiken? 3.1.2 Wat gaan we hiervoor doen? 3.1.3 Hoe gaan we dit bereiken? 3.1.4 Hoe gaan we dit monitoren? Minimaregelingen zijn activerend en gericht op meedoen 3.2.1 Wat willen we bereiken? 3.2.2 Wat gaan we hiervoor doen? 3.2.3 Hoe gaan we dit bereiken? 3.2.4 Hoe gaan we dit monitoren? Meedoen- en inkomensondersteunende regelingen zijn vindbaar en de doelgroep wordt beter bereikt 3.3.1 Wat willen we bereiken? 3.3.2 Wat gaan we hiervoor doen? 3.3.3 Hoe gaan we dit bereiken? 3.3.4 Hoe gaan we dit monitoren? De toegang tot gemeentelijke minimaregelingen is laagdrempelig en gericht op de doelgroep 3.4.1 Wat willen we bereiken? 3.4.2 Wat gaan we hiervoor doen? 3.4.3 Hoe gaan we dit bereiken? 3.4.4 Hoe gaan we dit monitoren?
9 9 10 10 10 10 10 11 11 11 12
3.2
3.3
3.4
12 12 13 13 13 13 13 14 14
3
Deelplan Minima
3.5
Ons minimabeleid past binnen de financiële kaders 3.5.1 Wat willen we bereiken? 3.5.2 Wat gaan we hiervoor doen? 3.5.3 Hoe gaan we dit bereiken? 3.5.4 Hoe gaan we dit monitoren?
14 14 14 15 15
4.
Landelijk, regionaal en lokaal kader en initiatieven
16
4.1
4.2
Landelijk en regionaal kader 4.1.1 Wettelijk kader minimabeleid 4.1.2 Landelijke en regionale initiatieven om de doelgroep beter te bereiken Lokaal kader 4.2.1 Aanbieders Meedoenregeling 4.2.2 Stichting Leergeld Noordoostpolder 4.2.3 Samenwerking met maatschappelijke partners
16 16 16 17 17 17 17
5.
Financiën
18
6.
Risicoanalyse
19
6.1 6.2
Mogelijke budgetoverschrijdingen door open einde regelingen Risico op armoede 6.2.1 Sociaaleconomische risicogroepen 6.2.2 Demografische risicogroepen
19 19 19 20
Bijlage: Trends en ontwikkelingen
21
Deelplan Minima
VOORWOORD Iedereen doet mee Een verandering in je leven kan op financieel gebied voor onrust zorgen. Je inkomen kan minder worden, wat problemen kan geven. Hulp vragen is dan vaak niet gemakkelijk. Dat is begrijpelijk, omdat wij Nederlanders niet graag praten over geld. En zeker niet als je er te weinig van hebt. Voor het vragen en zoeken naar hulp heb je dus kracht nodig! Dit deelplan laat zien hoe we samen inwoners willen ondersteunen om armoede te voorkomen. Samen, omdat we er in Noordoostpolder voor elkaar zijn. Dat is onze kracht. We willen dat iedereen in Noordoostpolder mee kan doen. En zeker als je geldzorgen hebt. We willen voorkomen dat geldzorgen de basis worden van andere problemen zoals gezondheidsklachten of eenzaamheid. Met dit deelplan willen we inwoners de kracht geven om tijdig hulp te vragen, maar ook de kracht om er voor elkaar te zijn. In Noordoostpolder zijn veel mensen en organisaties die zich willen inzetten om armoede te voorkomen. Belangrijk, want als gemeente kunnen we dat niet alleen. Wat heeft iemand nodig om weer grip te krijgen op de eigen situatie? Zijn er mensen in het eigen netwerk die hierbij kunnen helpen? Praat er met elkaar over. Lukt dat niet? Dan is het belangrijk dat inwoners weten waar ze terecht kunnen. Bijvoorbeeld bij het Sociaal loket van de gemeente. Hier kun je terecht met je geldzorgen wanneer je er zelf even niet uitkomt.
Door er samen de schouders onder te zetten krijgt iemand weer zelfvertrouwen en de kracht om mee te doen. Met dit deelplan bouwen we samen met inwoners en maatschappelijke partners verder aan een sociaal en vitaal Noordoostpolder! Marian Uitdewilligen Wethouder
4
Deelplan Minima
5
1. INLEIDING 1.1 Beleidsplan Sociaal domein ‘Krachtig Noordoostpolder 2.0’ In het vastgestelde beleidsplan sociaal domein ‘Krachtig Noordoostpolder 2.0' is onze visie vertaald in vier leidende principes en zijn de kaders voor de komende jaren vastgelegd (raadsbesluit, januari 2021). Daarbinnen zijn ook de richtinggevende doelen bepaald. Onze visie, gestelde kaders en richtinggevende doelen worden in dit deelplan Minima verder uitgewerkt. Voor de volledige beschrijving van het bredere beleidskader sociaal domein verwijzen we naar het beleidsplan sociaal domein.
1.2 Doel van dit deelplan Met dit deelplan formuleren we een actueel minimabeleid. Het doel van ons minimabeleid is om te voorkomen dat inwoners in armoede terecht komen en inwoners die toch te maken krijgen met armoede te helpen weer grip te krijgen op de eigen situatie en zicht te krijgen op een juist uitgavenpatroon. Op deze manier ontstaat een stimulans en financiële prikkel om aan de slag te gaan en iedereen (weer) mee te laten doen in de samenleving. Werken loont. Maar werk is (nog) niet altijd voor iedereen haalbaar. Op de weg hier naartoe zetten we dan ook, waar nodig, instrumenten in om barrières weg te nemen.
Gevolgen coronacrisis De maatschappelijke gevolgen van de coronacrisis werken door in het risico op armoede en de beschikbaarheid van voorzieningen. Denk hierbij aan een toename van het aantal huishoudens met een bijstandsuitkering, werkenden met een laag inkomen (zzp’ers, flexwerkers) en inwoners bij wie ingrijpende levensgebeurtenissen, zoals echtscheiding, plaatsvinden. Mede door de coronamaatregelen van de rijksoverheid, zoals een beperkte mogelijkheid tot huisbezoeken en sluiting van fysieke organisaties konden inwoners niet overal gebruik van maken. Welke invloed dit heeft op de omvang van de gemeentelijke hulpvraag en het doelmatig gebruik van voorzieningen is nu nog moeilijk in te schatten. Het gaat om een unieke situatie. De praktijk zal de komende tijd verder moeten uitwijzen wat daarvan de gevolgen zijn.
1.3 Relatie met andere beleidsvelden Binnen het sociaal domein is onze gemeente verantwoordelijk voor een groot gedeelte van ondersteuning aan zelfstandig wonende inwoners die dat nodig hebben. Binnen het sociaal domein is veel aandacht voor preventie, zelfredzaamheid van inwoners en integraliteit. Minimabeleid heeft een relatie met de Participatiewet en deels met de Wet maatschappelijke ondersteuning. Daarnaast heeft het minimabeleid een nauwe relatie met schulddienstverleningsbeleid. Het gemeentelijk minimabeleid en schulddienstverleningsbeleid hebben veel raakvlakken en de effecten voor inwoners zijn vaak vergelijkbaar met elkaar. Ons beleid ‘Van schuldhulpverlening naar schulddienstverlening‘ is eerder vastgesteld (raadsbesluit, 23 juni 2019). Daarom is ons schulddienstverleningsbeleid niet meegenomen in dit deelplan Minima. Waar van toepassing, leggen we uiteraard wel de verbinding tussen beide thema’s.
Deelplan Minima
6
1.4 Geldigheidsduur deelplan en wat voorafging Dit deelplan blijft geldig totdat het wordt vervangen. Het 'Deelplan Minimabeleid, Beleidsplan sociaal domein 2015-2018' vervalt bij het vaststellen van dit deelplan Minima. Naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie van het eerder vastgestelde deelplan en landelijke ontwikkelingen stelden we in 2017 samen met maatschappelijke partners, ervaringsdeskundigen en inwoners de ontwikkelagenda ‘Krachtig tegen armoede’ op. Deze agenda vormde de basis voor de doorontwikkeling van het gemeentelijk minimabeleid. Ideeën uit de werktafels werden vertaald naar nieuw beleid 'Krachtig tegen armoede' en werd o.a. vastgelegd in de 'Zwemtasregeling' en het 'Meedoenpakket 2018' en inzet extra rijksmiddelen armoedebestrijding onder kinderen’ (raadsbesluit, februari en oktober 2018). We hebben de uitwerking van de ontwikkelagenda eind 2019 geëvalueerd en de raad hierover geïnformeerd (commissie SLZ, maart 2020). De inzichten uit deze evaluatie zijn meegenomen in dit geactualiseerde deelplan Minima.
1.5 Communicatie We willen samen met onze maatschappelijke partners zelfredzaamheid van en meedoen door onze inwoners in de samenleving stimuleren. Daarnaast willen we de ondersteuning aan onze inwoners effectiever en efficiënter organiseren. Communicatie speelt hierbij een belangrijke rol. Dat geldt voor onze inwoners en externe partners: maatschappelijke organisaties, aanbieders en onderwijs (meeweten, meedenken, meedoen, meebeoordelen). En ook voor onze interne communicatie met medewerkers en bestuur (meeweten, meedenken, meebeoordelen). We maken hiervoor gebruik van de kennis over de actuele stand van zaken in dorpen en wijken die al binnen onze organisatie aanwezig is (meeweten). Onze uitgangspunten zijn daarbij ontvangersgericht, actief en laagdrempelig.
1.6 Leeswijzer In dit plan geven we een vooruitblik op het minimabeleid. Na de inleiding in hoofdstuk 1 gaat hoofdstuk 2 in op de visie en kaders van het beleidsplan sociaal domein en wat dit betekent voor het onderdeel minima. In hoofdstuk 3 concretiseren we de beoogde resultaten voor het beleidsterrein minima. Per beoogd resultaat doen we dat in de volgorde: ‘Wat willen we bereiken?’, ‘Wat gaan we hiervoor doen?’, ‘Hoe gaan we dit bereiken?’ en ‘Hoe gaan wij dit monitoren?’. In hoofdstuk 4 beschrijven we het landelijk, regionaal en lokaal kader en initiatieven. In hoofdstuk 5 schetsen we het financieel kader waarbinnen de taken van het minimabeleid uitgevoerd moeten worden. In hoofdstuk 6 analyseren we relevante risico’s. Tot slot zijn de trends en ontwikkelingen opgenomen in de bijlage.
Deelplan Minima
7
2. WAT WILLEN WE BEREIKEN? Ons minimabeleid maakt integraal deel uit van het bredere beleidskader sociaal domein en is daarmee onderdeel van het brede vangnet voor kwetsbare inwoners. In de uitvoering sluiten we dan ook aan bij onze overkoepelende visie en bij de in het beleidsplan sociaal domein gestelde kaders. In het minimabeleid doen we dit door in te zetten op preventie en voorkomen van erger. We treffen voorzieningen die behulpzaam zijn bij het hanteerbaar maken van problematische situaties als gevolg van geldzorgen. Daarnaast ondersteunen we deelname aan maatschappelijke activiteiten. Op die manier respecteren we de eigen verantwoordelijkheid en bieden we ondersteuning, opdat mensen zo veel mogelijk de regie over hun eigen leven kunnen voeren.
2.1 Visie krachtig Noordoostpolder 2.0 We staan voor een sociaal en vitaal Noordoostpolder. Zo luidt ook onze visie: “Sociaal en vitaal, op eigen kracht. Want een sociaal en vitaal Noordoostpolder is een toekomstbestendig Noordoostpolder.” In het beleidsplan Sociaal Domein is onze visie vertaald in vier leidende principes waarop beleid in het sociaal domein de komende jaren gebaseerd wordt: • Iedereen doet mee. • Voorkomen staat voorop. • Passende ondersteuning voor wie dat nodig heeft. • Financieel houdbaar stelsel. Uitgaande van deze leidende principes specificeren we in deze paragraaf de uitgangspunten voor onze doelgroep minima. We willen (langdurige) armoede voor onze inwoners voorkomen. Mensen die toch te maken hebben met armoede helpen we om weer grip te krijgen op de eigen situatie, zicht te krijgen op een juist uitgavenpatroon en eigen inkomen. Op de weg hier naartoe zetten we, waar nodig, instrumenten in om barrières weg te nemen en meedoen in de samenleving te bevorderen.
2.2 Kaders In deze paragraaf passen we de in het beleidsplan sociaal domein gestelde kaders toe op ons minimabeleid.
2.2.1 Versterken eigen verantwoordelijkheid van inwoners We spreken de eigen kracht of het zelforganiserend vermogen van onze inwoners met geldzorgen aan. Als dit niet lukt, ondersteunen we de inwoner om voldoende zelfredzaam te worden. Dat doen we door het nemen van maatregelen die gericht zijn op (de weg naar) financiële ondersteuning en het voorkomen van sociale uitsluiting van met name kinderen. 2.2.2 Versterken gemeentelijke regie Als gemeente mogen we geen inkomenspolitiek voeren. Dat is voorbehouden aan het rijk. Wel hebben we de mogelijkheid gekregen om, binnen de door het rijk gestelde kaders, inwoners met een minimum inkomen te ondersteunen. Daar maken we dan ook gebruik van door zelf regels op te stellen voor voorzieningen zoals individuele bijzondere bijstand en de Meedoenregeling voor kinderen. We voeren deze regels zelf uit. Bij aanvragen kijken we altijd eerst of er voorliggende voorzieningen voor handen zijn en wijzen op bestaande (aanvullende) mogelijkheden. Waar nodig, sturen we bij.
Deelplan Minima
8
2.2.3 Naar een overzichtelijk zorglandschap Er bestaat een veelheid van regelingen, gericht op mensen met een (langdurig) laag inkomen. Dat zijn niet alleen regelingen die door de gemeente worden uitgevoerd, maar ook algemene voorzieningen, uitgevoerd door onze maatschappelijke partners. Daarnaast is er ook aanbod, gebaseerd op landelijke regelingen. Voor inwoners met geldzorgen is het belangrijk dat ze op tijd hun weg naar hulpverlening vinden en dat ze worden begeleid om zo snel mogelijk uit de situatie te komen. Met onze dienstverlening richten we ons daarom op een eenvoudige en centrale toegang, een overzichtelijk hulpaanbod, heldere communicatie en een goede samenwerking met onze partners. We luisteren naar de inwoner en sluiten aan bij de leefwereld van de inwoner. 2.2.4 Resultaatgericht werken Als inwoners met geldzorgen een beroep doen op ondersteuning, worden ze zo snel mogelijk geholpen. We werken effectief en efficiënt. Daarbij brengen we, samen met de inwoner, de hulpvraag in een vroeg stadium zo integraal mogelijk in kaart. Samen kijken we naar voorliggende algemene voorzieningen en individuele ondersteuningsmogelijkheden. Om mee te kunnen doen, is het belangrijk dat de basis op orde is. Waar nodig en om erger te voorkomen, is er ruimte voor maatwerk.
2.2.5 Financieel kader Voor de financiering van ons minimabeleid zijn we aangewezen op de door de gemeenteraad beschikbaar gestelde middelen uit de decentralisatie uitkering van het Rijk. Het Rijk stelt wel middelen beschikbaar voor armoedebestrijding binnen gemeenten, maar deze zijn niet geoormerkt. Het financieel kader voor ons minimabeleid is dan ook vastgelegd in de door de raad vastgestelde programmabegroting 2021-2024. We streven ernaar om binnen deze budgetten te werken. Dit doen we door de beschikbaar gestelde middelen effectief en efficiënt in te zetten. We gebruiken de budgetten alleen voor de doelgroep waarvoor deze bedoeld zijn en niet voor voorzieningen waar voorliggende regels gelden.
Deelplan Minima
9
3. WAT GAAN WE DOEN? In dit hoofdstuk worden de richtinggevende doelen uit het beleidsplan sociaal domein uitgewerkt in beoogde resultaten voor minima. Vervolgens wordt uitgewerkt wat we hiervoor gaan doen, hoe we dit gaan bereiken en hoe we dit gaan monitoren. De richtinggevende doelen uit het beleidsplan sociaal domein zijn geschreven voor het hele domein. Veel doelen zijn overstijgend en moeten integraal opgepakt worden. In dit plan werken wij de doelen uit die specifiek gelden voor het minimabeleid. In onze gemeente streven we naar een inclusieve samenleving. We verwachten dat iedereen een bijdrage levert aan de samenleving. Werk speelt hierbij een belangrijke rol, maar werk is (nog) niet altijd voor iedereen haalbaar. Met ons minimabeleid willen we (langdurige) armoede voor onze inwoners voorkomen en bestrijden. Mensen die toch te maken hebben met armoede helpen we om weer grip te krijgen op de eigen situatie, zicht te krijgen op een juist uitgavenpatroon en eigen inkomen. Op deze manier ontstaat een stimulans en financiële prikkel om aan de slag te gaan en iedereen (weer) mee te laten doen in de samenleving. Samen met onze maatschappelijke partners zetten we hiertoe instrumenten in om barrières weg te nemen.
Daarbij vinden we het belangrijk dat inwoners weten waar ze terecht kunnen voor hulp, zodat ze tijdig en op de juiste plaats ondersteuning kunnen vinden en, waar nodig, begeleid worden. We willen overlap in het aanbod voorkomen en passende ondersteuning bieden. Samengevat beogen we de volgende resultaten: 3.1 Inwoners zijn zo veel mogelijk zelfredzaam. 3.2 Minimaregelingen zijn activerend en gericht op meedoen. 3.3 Meedoen- en inkomensondersteunende regelingen zijn vindbaar en de doelgroep wordt beter bereikt. 3.4 De toegang tot gemeentelijke minimaregelingen is laagdrempelig en gericht op de doelgroep. 3.5 Ons minimabeleid past binnen de financiële kaders.
3.1 Inwoners zijn zo veel mogelijk zelfredzaam 3.1.1 Wat willen we bereiken? Binnen het sociaal domein spreken we de eigen kracht van inwoners met geldzorgen aan en willen we de zelfredzaamheid van onze inwoners vergroten. Dit betekent niet dat mensen die het even niet redden aan hun lot worden overgelaten en zichzelf maar moeten zien te redden. Het beleid is erop gericht dat mensen ontdekken dat ze veel meer kunnen dan ze zelf misschien in eerste instantie dachten. Dit gevoel van grip op de eigen situatie geeft mensen zelfvertrouwen en betekent een flinke stap vooruit. Versterking van de (financiële) zelfredzaamheid, samenwerking met maatschappelijke partners en er vroeg bij zijn hebben een preventief effect. Inwoners die hun financiële administratie op orde hebben en goed zicht hebben op de inkomsten en uitgaven maken minder kans om in armoede te raken. Van belang is huishoudens met een (dreigend) armoederisico vroegtijdig in beeld te krijgen. Team Leefbaarheid & Veiligheid kan hierbij een verbindende rol spelen. Samen met maatschappelijke partners zijn ze de ogen en oren in de wijken en dorpen. Uit cijfers van het CBS blijkt dat inwoners met een bijstandsuitkering verreweg het meeste risico lopen op een (langdurig) laag inkomen. Ook werkenden lopen risico. Daarbij is er overlap met de doelgroep van het schulddienstverleningsbeleid.
Voor inwoners die voor belangrijke levensgebeurtenissen staan, zoals echtscheiding, baanverlies, arbeidsongeschikt raken of gezinsuitbreiding, is het risico op het ontstaan van armoede en schulden relatief groot.
Deelplan Minima
10
Doelen Meer inwoners zijn voldoende zelfredzaam. Inwoners met (dreigend) armoederisico weten de weg naar ondersteuning te vinden.
3.1.2 Wat gaan we hiervoor doen? • We versterken de zelfregie en het sociaal netwerk van gezinnen met geldzorgen. • We voorkomen dat financiële problemen ontstaan of erger worden. • We zorgen dat inwoners met geldzorgen op tijd hun weg naar financiële hulpverlening vinden en dat ze worden begeleid om zo snel mogelijk uit de situatie te komen. 3.1.3 Hoe gaan we dit bereiken? • We subsidiëren algemene voorzieningen die de eigen kracht van gezinnen in armoede versterken. Daarbij gaat het om laagdrempelige ondersteuning, zoals maatjesprojecten. Het accent ligt hierbij op activiteiten waarbij ouders en kinderen gaan ervaren waar hun eigen mogelijkheden, talenten en invloeden liggen en deze gaan benutten om een eerste stap te zetten die aanzet tot verandering. • We sluiten aan bij activiteiten die gericht zijn op versterking van zelfregie en sociaal netwerk die we in het brede sociaal domein ondersteunen. Denk hierbij aan opvoedondersteuning, buurthuiswerk en beweegcoaches. Deze zijn gericht op alle gezinnen in Noordoostpolder en dus ook op de doelgroep van het minimabeleid. • We subsidiëren algemene voorzieningen die gericht zijn op het voorkomen van financiële problemen. Daarbij gaat het o.a. om formuliereninloop en hulp bij thuisadministratie, vroegsignalering door de jeugdverpleegkundigen en budgetcursussen.
• We werken samen met maatschappelijke partners, scholen en vrijwilligers om voorlichting te geven op scholen over omgaan met geld. • We nemen de communicatie over levensgebeurtenissen op in onze communicatiekalender. • We hebben één toegang voor vragen en ondersteuning om uit de armoede te komen. Daarvoor kunnen inwoners terecht in het Sociaal Loket, waar het financieel loket onderdeel van uitmaakt. We gaan met mensen in gesprek om te kijken wat de mogelijkheden zijn om de financiële situatie duurzaam te verbeteren. We kijken in voorkomende gevallen naar alle leefgebieden en maken een integraal plan om de problemen op zo veel mogelijk leefgebieden aan te pakken. 3.1.4 Hoe gaan we dit monitoren? • Jaarlijkse verantwoording over bereikte resultaten aan de hand van jaarverslaggeving van onze maatschappelijke partners. • Jaarlijks monitoring uitvoering communicatiekalender. • Ontvangen aandachtspunten van de medewerkers Sociaal Loket.
3.2 Minimaregelingen zijn activerend en gericht op meedoen 3.2.1 Wat willen we bereiken? Binnen het sociaal domein spreken we eerst de eigen kracht of het zelforganiserend vermogen van onze inwoners met geldzorgen aan. Maar ook kijken we of algemene voorzieningen of maatschappelijke initiatieven een oplossing voor het probleem kunnen zijn. Als dit niet lukt, kijken we verder naar voorzieningen die op het individu en noodzaak zijn afgestemd. Onze voorzieningen zijn gericht op het voorkomen van sociale uitsluiting en met name gericht om kinderen te laten meedoen in de samenleving.
Deelplan Minima
11
Om sociale uitsluiting te voorkomen voeren we diverse gemeentelijke regelingen uit, gericht op inkomensondersteuning en meedoen. Naar aanleiding van landelijke ontwikkelingen (de zogenoemde Klijnsmagelden) en de uitkomsten van de ontwikkelagenda 'Krachtig tegen armoede' hebben we met name het Meedoenpakket voor kinderen in 2019 uitgebreid. Momenteel gaat het om de volgende regelingen: Voorziening
Inkomensgrens t.o.v. bijstandsnorm
Bijzondere bijstand
110%
Individuele inkomenstoeslag
100% (> 3 jaar)
Individuele studietoeslag
100%
Meerkostenregeling chronisch zieken en gehandicapten
110%
Kwijtschelding gemeentelijke heffingen
100%
Meedoenpakket kinderen: Meedoenbon van € 350 voor sport/muziek/hobby, fiets, laptop/tablet, zwemdiploma en zwemkleding
120% of schuldhulpverleningstraject
Meedoenbon van ouderen van € 100 voor sport/muziek/hobby
110% of schuldhulpverleningstraject
Doelen Inwoners hebben meer sociale contacten. Meer inwoners, met name kinderen, doen mee in de samenleving.
3.2.2 Wat gaan we hiervoor doen? • We activeren inwoners om te participeren in de samenleving en stimuleren beweeginitiatieven voor mensen met een laag inkomen. • We zetten in op maatregelen die meedoen, door met name kinderen, in de samenleving bevorderen. 3.2.3 Hoe gaan we dit bereiken? • We sluiten aan bij activerende maatregelen die uitgevoerd worden binnen het bredere sociaal domein. Denk daarbij aan vaardigheidstrainingen en scholing in het kader van de Participatiewet, plekken in de wijk of het dorp waar inwoners elkaar ontmoeten en beweeginitiatieven, zoals hardloop clinics. • We zetten de gemeentelijke regelingen, gericht op inkomensondersteuning en meedoen voor gezinnen met een minimum inkomen voort. 3.2.4 Hoe gaan we dit monitoren? • Aantal huishoudens dat gebruik maakt van inkomensondersteunende voorzieningen per jaar. • Aantal kinderen dat gebruik maakt van de Meedoenregelingen per jaar. • Aantal ouderen dat gebruik maakt van de Meedoenbon per jaar.
Deelplan Minima
12
3.3 Meedoen- en inkomensondersteunende regelingen zijn vindbaar en de doelgroep wordt beter bereikt 3.3.1 Wat willen we bereiken? Er bestaat een veelheid aan regelingen die gericht zijn op minima, zowel bijstandsgerechtigden als minima met inkomen uit werk. Niet alleen gemeentelijke regelingen, maar ook landelijke zoals de zorg- en huurtoeslag. Om van bestaande minimaregelingen gebruik te kunnen maken, moeten ze wel bekend zijn bij inwoners, medewerkers en maatschappelijke partners. Een betere bekendheid leidt tot een beter bereik. Toch zijn er inwoners die niet op de hoogte zijn van de regelingen. In de praktijk blijkt het soms lastig om mensen die in armoede leven te bereiken. Enerzijds komt dit doordat onze manier van informatieverstrekking niet altijd aan blijkt te sluiten bij de doelgroep. Anderzijds komt dit doordat schaamte een rol speelt bij mensen in armoede, waardoor zij zich niet snel kenbaar maken. Dit vraagt om een adequate manier van communiceren. Ook vraagt het om adequate methoden en werkwijzen om zogenoemde stille armoede tijdig te signaleren. Een voorbeeld hiervan is de inzet van de Voorzieningenwijzer.
De Voorzieningenwijzer Dit is een praktisch instrument waar alle regelingen in verwerkt zijn. Samen met Mercatus hebben we vorig jaar een pilot afgerond. Deze proef hield in dat in totaal 100 huishoudens een gratis gesprek kregen met een bespaarexpert. De bespaarexpert van De Voorzieningenwijzer kwam op afspraak bij de mensen thuis. Samen werd gekeken of en hoe een inwoner kon besparen. Bekeken werd of er misschien recht was op bepaalde toeslagen, of dat er overgestapt kon worden naar een goedkopere verzekering of energieleverancier. De bespaarexpert hielp ook bij het aanvragen of overstappen. De resultaten waren positief. Per gezin leverde het een te behalen voordeel op van gemiddeld € 540 per jaar. We hebben de inzet van de Voorzieningenwijzer samen met Mercatus in eerste instantie verlengd met een jaar. Inmiddels zijn drie vrijwilligers van Humanitas opgeleid tot bespaarexpert. De kracht van dit instrument zit in het eerste gesprek, zodat de gehele situatie in kaart wordt gebracht, de bedoeling is dat inwoners die meer zelfredzaam zijn hier maar één keer gebruik van hoeven maken. Daarna weten ze dan zelf hun weg te vinden.
Doelen Inwoners met een (dreigend) armoederisico hebben we vroegtijdig in beeld. Inwoners met een minimuminkomen maken doelmatig gebruik van de bestaande regelingen.
3.3.2 Wat gaan we hiervoor doen? • We zien communicatie als een continu proces en sluiten in onze communicatie aan bij de belevingswereld van de doelgroep. • We zorgen dat onze medewerkers en maatschappelijke partners op de hoogte zijn van bestaande voorzieningen, zodat bij signalering tijdig hulp geboden wordt. • We maken gebruik van praktische instrumenten om het bestaande aanbod beter in beeld te krijgen, zodat de inwoner hier optimaal gebruik van kan maken.
Deelplan Minima
13
3.3.3 Hoe gaan we dit bereiken? • We maken de regelingen op verschillende manieren bekend. Dat doen we op onze website, de lokale krant, folders en social media. • Soort en terugkerende momenten van communicatie leggen we vast in de communicatiekalender. • We brengen het bestaande aanbod en wijzigingen periodiek onder de aandacht bij onze medewerkers van het Sociaal Loket en bij onze maatschappelijke partners (via nieuwsbrieven, maar ook via mondelinge informatieverstrekking). • We zetten onze inzet van de Voorzieningenwijzer samen met Mercatus de komende twee jaar voort. Als bespaarexpert worden vrijwilligers van Humanitas ingezet. • De kosten van de Voorzieningenwijzer financieren we uit het budget bijzondere bijstand (Mercatus en gemeente ieder de helft). 3.3.4 Hoe gaan we dit monitoren? • Jaarlijkse monitoring uitvoering communicatiekalender. • Het aantal gezinnen dat bereikt is met de Voorzieningenwijzer. • Het met behulp van de Voorzieningenwijzer gemiddeld te behalen voordeel per gezin per jaar. • Evaluatie van de aanpak van de Voorzieningenwijzer als instrument op effectiviteit in 2023.
3.4 De toegang tot gemeentelijke minimaregelingen is laagdrempelig en gericht op de doelgroep 3.4.1 Wat willen we bereiken? De minimaregelingen die onze gemeente aanbiedt moeten toegankelijk zijn voor iedereen die daar recht op heeft. Toegankelijkheid gaat niet alleen over fysieke toegang tot het gemeentehuis. Maar het gaat ook over procedures: zijn de regelingen makkelijk aan te vragen? En toegankelijkheid gaat over informatie: sluit het taalgebruik in het gesprek en wat op papier en op de website staat wel aan bij de belevingswereld van de doelgroep? Geldzorgen kunnen voor veel stress zorgen. Het maken van weloverwogen (financiële) keuzes op lange termijn is door stress lastiger. Uit onderzoek is gebleken dat een stress-sensitieve dienstverlening loont, waar het gaat om financiële problematiek. Stress moet zoveel als mogelijk teruggedrongen of voorkomen worden. We hanteren stress-sensitieve dienstverlening als uitgangspunt en gaan door om onze dienstverlening hierop aan te passen. Een betere toegankelijkheid leidt, net als een betere bekendheid (3.3.1), tot een groter bereik. Als gemeente hebben we de mogelijkheid om in voorkomende gevallen, op grond van individuele bijzondere omstandigheden, af te wijken van onze beleidsregels. Waar noodzakelijk, willen we maatwerk toepassen met als doel grotere problemen en hogere maatschappelijke kosten te voorkomen.
Doelen Inwoners vinden gemakkelijk de weg naar gemeentelijke minimavoorzieningen. Onze dienstverlening sluit aan bij de belevingswereld van de doelgroep.
3.4.2 Wat gaan we hiervoor doen? • We zorgen dat de fysiek en procedurele toegang tot gemeentelijke minimavoorzieningen voor onze inwoners laagdrempelig is. • We hanteren stress-sensitieve dienstverlening als uitgangspunt. • We maken in de uitvoering gebruik van effectieve en efficiënte gebruikersmogelijkheden.
Deelplan Minima
14
3.4.3 Hoe gaan we dit bereiken? • We blijven in de uitvoering mondeling, schriftelijk en digitaal helder communiceren. • We onderzoeken de mogelijkheden voor het efficiënter (digitaal) aanvragen van voorzieningen. Daar valt ook het ambtshalve toekennen (zonder veel administratieve rompslomp voor zowel de inwoner als gemeente) van voorzieningen onder. Daarbij wordt wel de rechtmatigheid in het oog gehouden. • We zorgen dat onze medewerkers in het Sociaal Loket stress-sensitieve dienstverlening hanteren en vragen dit ook van onze partners. • We maken, waar nodig, gebruik van het maatwerkbudget. Dit budget is regelarm en kan zonder formele aanvraag worden ingezet. Pas achteraf kijken we of het voor de financiering onder andere (formele) regels valt. • We ontwikkelen de digitalisering van de Meedoenbonnen door. Dit vergroot het betalingsgemak en geeft meer inzicht in de besteding van activiteiten. Ook vergroot het de kans dat het toegekende tegoed binnen een bepaalde periode wordt verzilverd en er geen ongebruikte bonnen blijven liggen. • De kosten voor onderhoud van digitalisering van de Meedoenbon financieren we uit het budget voor ontwikkeling Meedoenregeling. 3.4.4 Hoe gaan we dit monitoren? • Periodieke evaluatie over tevredenheid over toegang. • Aansluiting bij de evaluatie over de inzet van het maatwerkbudget.
• Percentage gebruik (en niet-gebruik) van het toegekende Meedoentegoed.
3.5 Ons minimabeleid past binnen de financiële kaders 3.5.1 Wat willen we bereiken? Binnen het sociaal domein hebben we enerzijds te maken met maatregelen die nodig zijn om de groei af te remmen en de uitgaven te stabiliseren. Anderzijds willen we met de beschikbare budgetten van het minimabeleid bereiken dat deze zo efficiënt mogelijk benut worden voor de doelgroep waarvoor deze bedoeld zijn. In de uitvoering streven we ernaar binnen de beschikbare budgetten te werken. We hebben voorgesteld de gemeentelijke regelingen, gericht op inkomensondersteuning en meedoen voor gezinnen met een minimum inkomen voort te zetten (3.2.). Niet alle betreffende regels zijn meer actueel. Door deze te toetsen aan voorliggende regelgeving, kan er nog een efficiencyslag gemaakt worden. Ook hebben we voorgesteld gebruik te maken van praktische instrumenten om het bestaande aanbod voor de inwoner beter in beeld te krijgen, zodat ze beter gebruik kunnen maken van voorliggende voorzieningen (3.3.). De uitdaging is een mix van voorzieningen beschikbaar te hebben, waarmee de inwoner er per saldo niet op achteruit gaat.
Doelen We besteden de beschikbare budgetten doelmatig en rechtmatig. We bereiken in 2024 met het minimabeleid de taakstelling, zoals opgenomen in het uitvoeringsplan ‘Grip op het sociaal domein’.
3.5.2 Wat gaan we hiervoor doen? • We zetten in op communicatie en praktische tools, waarmee de inwoner kan besparen op de uitgaven. • We voorkomen overlap in het verstrekken van beschikbare minimavoorzieningen.
Deelplan Minima
15
3.5.3 Hoe gaan we dit bereiken? • We gebruiken de budgetten alleen voor de doelgroep waarvoor deze bedoeld zijn en niet voor voorzieningen waar voorliggende regels gelden. • We houden de voorwaarden van de individuele inkomenstoeslag en bijzondere bijstand in 2022 tegen het licht en passen deze, waar nodig, aan. Het verwachte financiële effect is een verlaging van de kosten met € 20.000. Daarnaast zetten we in op alternatieve besparingsmogelijkheden voor de inwoner, zoals de voorzieningenwijzer. • We houden in eerste instantie de bedragen voor de individuele inkomenstoeslag in 2022 op het niveau van 2021. 3.5.4 Hoe gaan we dit monitoren? • Beeld van de financiële gevolgen bij aanpassingen beleid ten opzichte van bestaande situatie. • Reguliere Planning & Control cyclus.
Deelplan Minima
16
4. LANDELIJK, REGIONAAL EN LOKAAL KADER EN INITIATIEVEN 4.1 Landelijk en regionaal kader 4.1.1 Wettelijk kader minimabeleid Het minimabeleid bestaat uit landelijke en gemeentelijke regelingen. Inkomensbeleid is voorbehouden aan het rijk. Onder landelijke regelingen vallen onder andere de kinderbijslag, het kindgebonden budget en verschillende toeslagen die worden uitgevoerd door de belastingdienst. Ook de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen is gebaseerd op landelijke regelgeving. Gemeenten voeren dit uit. Als het gaat om inkomensondersteuning zijn wij voor de uitvoering van ons gemeentelijk minimabeleid gehouden aan het landelijk vastgestelde toetsingskader. Daarbinnen hebben wij verordeningen en/of beleidsregels opgesteld. Zo regelt de Participatiewet de verstrekking van bijzondere bijstand, de individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag. De meerkostenregeling chronisch zieken en gehandicapten vindt haar grondslag in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) verplicht de gemeenteraad om periodiek een plan vast te stellen dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan inwoners van de gemeente. Eerder hebben we met het beleidsplan ‘Van schuldhulpverlening naar schulddienstverlening’ aan deze verplichting voldaan (raadsbesluit, juni 2019).
4.1.2 Landelijke en regionale initiatieven om de doelgroep beter te bereiken Inmiddels bestaan er meerdere landelijke en regionale initiatieven, gericht op inkomensondersteuning en het vergroten van maatschappelijke deelname voor mensen met een laag inkomen. Als gemeente zoeken wij bij een aantal van deze initiatieven aansluiting. Een toelichting volgt hieronder. • Bereken uw recht De website berekenuwrecht.nl is een initiatief van het NIBUD in samenwerking met Stimulansz. Op deze site kan de inwoner zelf in een paar stappen berekenen of hij recht heeft op tegemoetkomingen van de overheid, zoals kinderbijslag of huurtoeslag. Ook ziet de inwoner waar hij deze kan aanvragen. In de communicatie wijzen wij onze doelgroep op deze site. • Jeugdeducatiefonds Het jeugdeducatiefonds richt zich op ontwikkelkansen voor kinderen in het basisonderwijs in gezinnen met weinig geld. Zij komen in beeld als er geen voorliggende voorzieningen zijn. Aanvragen voor het fonds lopen via de basisschool. Voor de benodigde middelen worden zij ondersteund door de ABN AMRO en Stichting Kinderpostzegels Nederland als voornaamste partners. Het laatste jaar heeft dit fonds voor financiële ondersteuning soms ook een beroep gedaan op gemeenten. Onze gemeente heeft als voorliggende voorziening de Meedoenregeling voor kinderen.
Daarnaast fungeert stichting Leergeld als vangnet en hebben scholen ook een eigen verantwoordelijkheid. • Sam& De Stichting Samen voor alle kinderen (Sam&) is een samenwerkingsverband van Nationaal Fonds Kinderhulp, Stichting Jarige Job, het Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld. Deze fondsen helpen kinderen die in ons land opgroeien in armoede met voorzieningen waar behoefte aan is. Dit doen zij als andere instanties niet (meer) kunnen helpen. Sam& biedt één portaal waar intermediairs, zoals maatschappelijk werkers, een aanvraag kunnen doen voor alle vier de organisaties.
Deelplan Minima
17
Benodigde middelen worden o.a. beschikbaar gesteld door particulieren, bedrijven, loterijorganisaties en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Als gemeente hoeven we niet financieel bij te dragen. Wel hebben we aansluiting gezocht bij Sam&. Op hun website samenvoorallekinderen.nl wordt via de postcode van onze gemeente doorverwezen naar de mogelijkheden van onze Meedoenregeling, zodat deze ook via dit kanaal vindbaar zijn voor onze doelgroep.
4.2 Lokaal kader 4.2.1 Aanbieders Meedoenregeling Voor de uitvoering van de Meedoenregeling onderhouden we de relatie met onze lokale aanbieders. Denk daarbij aan sportverenigingen, muziekverenigingen, fietsenleverancier en zwembaden. Met de aanbieders van de Meedoenbon hebben we afspraken gemaakt om zich te presenteren op de website van de gemeente. Op deze manier kunnen kinderen en ouderen beter een keuze maken uit het aanbod. Met de digitalisering van de Meedoenbon is het ook makkelijker om eenmalige of periodieke activiteiten, bijvoorbeeld tijdens de vakantie, aan te bieden. Voor de deelnemende aanbieders heeft het als voordeel dat betaling eenvoudiger en sneller gaat. 4.2.2 Stichting Leergeld Noordoostpolder Stichting Leergeld verleent hulp, zowel financieel als materieel, aan kinderen van 4 tot 18 jaar die in een gezin met weinig bestedingsruimte in Noordoostpolder wonen. Stichting Leergeld fungeert als vangnet voor zaken waar andere instanties niet in voorzien, zoals schoolreisjes en schoolbenodigdheden. Inwoners kunnen via de website of schriftelijk een beroep doen op stichting Leergeld. Als iemand nog niet bekend is plannen zij een huisbezoek in. Daarbij wijzen zij ook op voorliggende voorzieningen van de gemeente. De inkomsten van de stichting bestaan met name uit bijdragen van instellingen, kerken, particulieren en fondsenwerving.
Als gemeente dragen we niet financieel bij. Maar we zien stichting Leergeld als een belangrijke maatschappelijke partner. We streven dan ook een goede afstemming na en zetten ons periodiek overleg voort. 4.2.3 Samenwerking met maatschappelijke partners Als gemeente kiezen we ervoor om de taken in het sociaal domein integraal op te pakken. Dit is opgenomen in het beleidsplan “Krachtig Noordoostpolder 2.0”. Dat betekent concreet dat er een gemeentelijke zorginfrastructuur voorhanden is, zodat problematiek integraal wordt benaderd. Voor de uitvoering van het minimabeleid is deze integrale aanpak belangrijk, omdat inwoners die een beroep doen op minimaregelingen soms meer problemen hebben. Er kan sprake zijn van schulden, relatie-, opvoeding-, of psychische problematiek. De samenwerking met andere gemeentelijke voorzieningen zoals het sociaal (waaronder financieel) loket, team procesbegeleiders, Jeugd en Wmo dragen bij aan een samenhangend geheel van ondersteuning. Daarnaast zijn externe partners als Carrefour, Zorggroep ZONL, Onderwijs, Mercatus, Humanitas, Voedselbank, stichting Present, Onderwijs en Vluchtelingenwerk uiteraard van essentieel belang.
Deelplan Minima
18
5. FINANCIËN Het gemeentelijk minimabeleid bevat verschillende onderdelen, gebaseerd op landelijke wetgeving en gemeentelijk beleid. Voor de bestrijding van kinderarmoede ontvangen gemeenten sinds 2017 structureel middelen van het Rijk (Klijnsmagelden). Deze middelen zijn niet geoormerkt. VNG en kabinet hebben eind 2016 bestuurlijke afspraken ondertekend om de extra middelen ook daadwerkelijk te besteden aan de bestrijding van kinderarmoede. Ook onze gemeenteraad heeft besloten deze middelen hiervoor in te zetten (raadsbesluit ‘Meedoenpakket 2018 en inzet extra rijksmiddelen armoedebestrijding onder kinderen, oktober 2018). We stellen voor deze lijn de komende jaren voort te zetten. De overig benodigde middelen voor ons minimabeleid komen uit voort de door de gemeenteraad beschikbaar gestelde middelen uit de decentralisatie uitkering van het Rijk. In het Beleidsplan Sociaal Domein is het financiële kader voor de komende jaren uitgewerkt. Daarin zijn per taakveld de financiële middelen opgenomen die beschikbaar zijn voor het hele sociaal domein. In onderstaande tabel zijn de totalen per onderdeel van het minimabeleid opgenomen die aansluiten met het Beleidsplan Sociaal Domein.
Meerjarenbegroting minimabeleid (€) Begroting
2021
2022
2023
2024
Meedoenregeling
206.601
206.601
206.601
206.601
Algemeen (o.a. ontwikkeling, subsidie)
68.058
66.705
66.705
66.705
Bijzondere bijstand
746.529
746.529
746.529
746.529
Individuele inkomenstoeslag
211.612
211.612
211.612
211.612
Individuele studietoeslag
10.180
10.180
10.180
10.180
-
- 20.000
- 20.000
- 20.000
Tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten
107.500
107.500
107.500
107.500
Kwijtschelding gemeentelijke heffingen
546.184
546.184
546.184
546.184
1.896.664
1.875.311
1.875.311
1.875.311
Grip op het sociaal domein
Totaal
Bron: FPC We streven ernaar de uitvoering van het minimabeleid uit te voeren binnen de beschikbaar gestelde budgetten. We informeren de gemeenteraad via de Planning & Control cyclus over het verloop en wanneer overschrijdingen dreigen.
Deelplan Minima
19
6. RISICOANALYSE 6.1 Mogelijke budgetoverschrijdingen door open einde regelingen Onze minimaregelingen zijn open einde regelingen. Het Rijk stelt wel middelen beschikbaar voor armoedebestrijding, zoals Meedoenregelingen en bijzondere bijstand, maar deze zijn verwerkt in het gemeentefonds en niet geoormerkt. De beschikbare middelen voor ons minimabeleid worden jaarlijks door de gemeenteraad vastgelegd in onze meerjarenbegroting. We hebben ons voorgenomen dat de uitgaven voor ons minimabeleid binnen de beschikbaar gestelde budgetten blijven. Maar een (dreigende) overschrijding van de begrote bedragen mag geen reden zijn om een aanvraag van een inwoner te weigeren. Als het aantal aanvragen oploopt, door oplopend armoederisico, of bepaalde kosten hoger uitvallen, is de kans daarom aanwezig dat we toch meer uitgeven dan het budget toelaat.
Beheersing In beginsel zullen we een tekort zelf moeten opvangen. Wanneer grote tekorten ontstaan, kunnen we ons beleid aanscherpen. Knoppen waaraan we, binnen het wettelijk kader, kunnen draaien zijn o.a. inkomensgrenzen, leeftijdsafbakening en bedragen voor bepaalde voorzieningen. Daarnaast is er een relatie met de beheersmaatregelen die volgen uit ons participatiebeleid (in het kader van de Participatiewet).
6.2 Risico op armoede Wat onder armoede verstaan wordt is erg divers en verschilt van land tot land. En daarbinnen verschillen de meningen van persoon tot persoon. Het is afhankelijk van de context en de subjectieve blik van diegene die over armoede praat. In dit deelplan hebben we het dan ook veelal over minima. De term minima is objectiever, omdat deze is afgeleid van een (her)kenbaar aan het inkomen gerelateerd criterium. In deze paragraaf gaan we dan ook uit van de terminologie van het CBS (StatLine, CBS|Statistische Trends|2019). Het CBS gebruikt de lage inkomensgrens voor het afbakenen van het risico op armoede. Deze grens staat voor een vast koopkrachtbedrag en wordt jaarlijks alleen gecorrigeerd voor de prijsontwikkeling. Dit criterium is daarom het meest geschikt voor vergelijkingen in de tijd en tussen verschillende regio’s. De (langdurige) lage inkomensgrens hanteren we ook om de trends en ontwikkelingen weer te geven (zie bijlage). In 2019 lag de grens voor een alleenstaande op netto 1.090 euro per maand. Voor een paar zonder kinderen was dat 1.530 euro, en met twee minderjarige kinderen 2.080 euro. Voor een eenoudergezin met twee minderjarige kinderen bedroeg de grens 1.660 euro. Wat betreft het risico op armoede maken we hier onderscheid tussen sociaaleconomische en demografische risicogroepen.
6.2.1 Sociaaleconomische risicogroepen • Huishoudens met een bijstandsuitkering Bijstandsontvangers lopen het meeste risico op armoede. Huishoudens met een bijstandsuitkering of een aanverwante sociale voorziening (bijvoorbeeld een Wajong-uitkering) vormen verreweg de meerderheid in zowel de groep met een laag inkomen (ten minste 1 jaar) als de groep met een langdurig laag inkomen (4 jaar of langer).
Deelplan Minima
20
• Werkenden met een laag inkomen Ook huishoudens met vooral inkomen uit werk lopen risico. Maar dit aandeel is wel veel kleiner dan voor huishoudens met een bijstandsuitkering (het aandeel van alle huishoudens met risico op een langdurig laag inkomen is voor laatstgenoemde groep ruim viermaal zo groot). Een laag loon bij werknemers is niet altijd de enige oorzaak van een laag inkomen. Hoge vaste lasten, zoals afbetaling van schulden, kunnen ook een rol spelen. Ook inwoners bij wie ingrijpende levensgebeurtenissen plaatsvinden lopen risico. Denk hierbij aan het overlijden van een partner of een scheiding. Onder zelfstandigen vormen zzp’ers de grootste risicogroep. Het armoederisico is relatief groot in handel, vervoer en horeca. Dit zijn ook sectoren die hard getroffen zijn door de coronamaatregelen. • Laagopgeleiden Het risico op armoede is voor huishoudens met een laagopgeleide hoofdkostwinner twee keer zo groot als voor huishoudens met een middelbare opleiding. En bijna vier keer zo groot als voor het deel met een hoge opleiding. 6.2.2 Demografische risicogroepen • Eenoudergezinnen Wat betreft type huishoudens is het armoederisico onder eenoudergezinnen het hoogst. Dat geldt met name voor gezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen. Hun situatie is de laatste jaren wel enigszins verbeterd.
Dit komt, vanwege het door het Rijk verhoogde kindgebonden budget voor alleenstaande ouders. Daardoor komen met name werkende alleenstaande ouders vaker dan voorheen boven de kritische lage inkomensgrens uit. • Alleenstaanden onder AOW-leeftijd Alleenstaanden onder de AOW-leeftijd staan, wat betreft type huishouden, op de tweede plek in de rangorde van huishoudens met een hoog armoederisico. Het merendeel van de alleenstaanden met een armoederisico moet voornamelijk van een bijstandsuitkering rondkomen. De ontwikkeling van het (langdurige) armoederisico van alleenstaanden onder de AOW-leeftijd loopt dan ook synchroon met de ontwikkeling van de risico’s bij bijstandsontvangers. • Vluchtelinghuishoudens Meer dan de helft van de vluchtelinghuishoudens heeft een laag inkomen. Bij huishoudens met een hoofdkostwinner van Syrische of Eritrese komaf is dat zelfs circa 80 procent. Ook Somalische huishoudens lopen veel risico op armoede en houdt een laag inkomen vaak langdurig aan. Het merendeel van de risicogroep met een Eritrese, Syrische of Somalische achtergrond ontvangt bijstand. Beheersing Er is overlap tussen de sociaaleconomische en demografische risicogroepen. Inwoners met een bijstandsuitkering lopen verreweg het meeste risico op een (langdurig) laag inkomen. De bijstandsgerechtigden in onze gemeente hebben we in beeld.
Binnen ons participatiebeleid (in het kader van de Participatiewet) helpen we mensen weer grip te krijgen op de eigen situatie en zetten we in op uitstroom naar (meer uren) werk. Waar nodig, zetten we daarbij instrumenten in om barrières weg te nemen. Voorbeelden zijn vaardigheidstrainingen, taalontwikkeling en schulddienstverlening. De risicogroep werkenden met een laag inkomen is moeilijker te bereiken. In samenhang met ons schulddienstverleningsbeleid zetten we instrumenten in om deze groep in een vroeg stadium beter te bereiken en passende ondersteuning te bieden. Denk hierbij aan het communiceren over life events (zie hoofdstuk 3).
Deelplan Minima
21
BIJLAGE: TRENDS EN ONTWIKKELINGEN Appels met appels vergelijken Om inzicht te geven in trends en ontwikkelingen gebruiken we de inkomensgrens die het CBS gebruikt voor de afbakening van armoede. Zoals in hoofdstuk 6 gezegd, is deze zogenoemde (langdurige) lage inkomensgrens het meest geschikt om vergelijkingen in de tijd en tussen verschillende regio’s te laten zien. In deze bijlage vergelijken we eerst de situatie van onze gemeente met de rest van Nederland en met gemeenten in onze provincie.
Trends en ontwikkelingen in risico op armoede in Nederland en in Noordoostpolder Onderstaande grafiek laat de ontwikkeling zien van het percentage huishoudens met een risico op armoede in Nederland. Ter vergelijking hebben we ook de percentages van onze gemeente in deze grafiek verwerkt.
Percentage huishoudens met een (langdurig) laag inkomen in Nederland en Noordoostpolder 10
5
0
2011
2012
2013
Bron: CBS StatLine, periode 2019
2014
2015
2016
2017
2018
2019
Laag inkomen Nederland (ten minste 1 jaar) Laag inkomen Noordoostpolder Langdurig laag inkomen Nederland (4 jaar of langer) Langdurig laag inkomen Noordoostpolder
We zien dat Noordoostpolder de landelijke trend volgt. Maar het risico op armoede is in onze gemeente wel lager dan landelijk gezien. Van de bijna 7,5 miljoen huishoudens in Nederland in 2019 had 7,7 procent een inkomen onder de lage inkomensgrens (aantal 573.900). In de drie voorgaande jaren was dat steeds 7,9 procent. Het aandeel huishoudens met ten minste vier jaar een inkomen onder de lage inkomensgrens kwam in 2019 uit op 3,4 procent (aantal 237.200). In de twee voorgaande jaren was dat 3,3 procent. In onze gemeente had 6,7 procent van de ruim 19.000 huishoudens in 2019 een inkomen onder de lage inkomensgrens (aantal 1.300). In 2016 was dat 6,4, in 2017 6,9 en in 2018 6,8 procent. Het aandeel huishoudens met ten minste vier jaar een inkomen onder de lage-inkomensgrens was in 2019 2,5 procent (aantal 500). In 2017 was dat 2,4 en in 2018 2,5 procent.
Deelplan Minima
22
Risico op armoede in de provincie Vergeleken met de overige gemeenten in Flevoland bevindt onze gemeente zich in de middenmoot. Dat geldt zowel voor huishoudens met een laag als met een langdurig laag inkomen. Hieronder zijn de meest recente cijfers op een rij gezet.
Percentage huishoudens met een (langdurig) laag inkomen in Flevoland Gemeente
Laag inkomen (ten minste 1 jaar)
Langdurig laag inkomen (4 jaar of langer)
Lelystad
8,9
3,9
Almere
7,9
3,1
Noordoostpolder
6,7
2,5
Dronten
5,9
2,3
Zeewolde
5,8
1,9
Urk
4,6
1,0
Bron: CBS StatLine, periode 2019
Omvang doelgroep minima Binnen ons minimabeleid hanteren we verschillende inkomensgrenzen. Uitgangspunt daarbij is het Wettelijk sociaal minimum (Wsm) dat overeenkomt met de hoogte van de bijstandsuitkering. Om een beeld te geven van de omvang van de doelgroep geven we hieronder de aantallen weer per inkomensgrens.
Omvang doelgroep minima in Noordoostpolder (ten minste 1 jaar op minimum) Inkomensgrens
Aantal huishoudens
Aantal kinderen
Wsm
1.100
600
Tot 110% Wsm
1.700
800
Tot 120% Wsm
2.200
1.000
Bron: CBS StatLine, periode 2019
Omvang doelgroep minima in Noordoostpolder (4 jaar of langer op minimum) Inkomensgrens
Aantal huishoudens
Aantal kinderen
Wsm
400
200
Tot 110% Wsm
800
300
Tot 120% Wsm
1.200
400
Bron: CBS StatLine, periode 2019
Deelplan Minima
Gemeente Noordoostpolder Harmen Visserplein 1 8302 BW Emmeloord T: 0527 - 63 39 11 E: info@noordoostpolder.nl I: www.noordoostpolder.nl 2021
23