CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

17.1 Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil'.pdf

Gemeenteraad 13 december 2021, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 17: Bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil25.391 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Algehele conclusie »

*

Formeel gezien overschrijdt de gemeten concentratie aan nikkel in het grondwater het criterium van nader onderzoek. Overwogen kan worden om in eerste instantie een herbemonstering van de peilbuis uit te laten voeren. Aangezien er in de grond geen sprake is van verhoogde gehalten aan nikkel, zijn deze concentraties mogelijk van nature aanwezig. Ook zou sprake kunnen zijn van een (nog) niet volledig hersteld chemisch bodemevenwicht, na plaatsing van de peilbuis. Derhalve is de zin van een aanvullend onderzoek naar de gemeten concentratie aan nikkel in deze fase arbitrair. Uiteraard is dit ter beoordeling van de bevoegde instantie(s); Geadviseerd wordt aanvullend een asbestonderzoek (conform NEN 5707) uit te laten voeren. Dit in verband met de aanwezigheid van ondefinieerbaar puin, asbesthoudende dak- en wandbeplating en de lokaal aangetroffen asbestverdachte materialen op en in de bodem. Mogelijk is sprake met een verontreiniging met asbest.

De Omgevingsdienst heeft een advies op het bodemrapport gegeven en kan zich vinden in de conclusie van het bodemonderzoek vinden. Er is geen sprake van een ernstige verontreiniging en dit houdt in dat er geen sprake is van een belemmering voor de wijziging van het bestemmingsplan. De matige verhoging in het grondwater met nikkel is vermoedelijk van natuurlijke aard. Herbemonstering wordt in deze fase niet zinvol geacht. De schuur die op aangegeven locatie wordt gesloopt is voor 1993 gebouwd. Volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit 2005 moet er bij gebouwen die voor 1 juni 1993 zijn gebouwd voorafgaand aan de sloop een asbestinventarisatie conform SC 540 worden opgesteld. Als bij de sloop van de schuur grondwerkzaamheden plaatsvinden moet aanvullend onderzoek op asbest conform de NEN 5707 worden uitgevoerd.

4.6

Luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan.

bestemmingsplan (ontwerp)

23

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil Als maatgevend voor de luchtkwaliteit stikstofdioxide (NO2) gehanteerd.

worden

de

gehalten

fijn

stof

(PM10)

en

Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2025) geldt in de directe omgeving van het plangebied een gemiddelde fijn stof concentratie (PM10) van 16 pg/m3 en een gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) van 9 pg/m3. De norm voor beide stoffen ligt op 40 pg/m3 (jaargemiddelde concentratie vanaf 2015). In de huidige situatie is dus sprake van een goede luchtkwaliteit. Voor bepaalde initiatieven is bepaald dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een plan komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 30Zo van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een verslechtering van de luchtkwaliteit is veelal het gevolg van een toename van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op basis van de kentallen van het CROW (Publicatie 317) heeft het bedrijf een theoretische verkeersgeneratie van 3,9 tot 5,7 motorvoertuigen per etmaal per 100 m2 bvo. Voor de 4.000 m2 aan gebouwen zou dit neerkomen op 156 tot 228 mvt/etmaal. Op basis van de NIBM-rekentool van het ministerie draagt deze verkeerstoename niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar het aspect luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

Dit aspect heeft geen gevolgen voor het bestemmingsplan.

4.7

Verkeer en parkeren

In de gewenste situatie wordt de bestaande loods gesloopt en wordt een nieuwe loods aansluitend op de bestaande loods gebouwd (in dezelfde rooilijn). Hierdoor ontstaat er meer ruimte op het perceel om veilig te kunnen manoeuvreren in de vorm van een draaicirkel. Hierdoor is het gemakkelijker om met de voorkant van de voertuigen op de uitrit uit te komen en het derhalve veiliger en overzichtelijk wordt bij het oprijden van de weg. Dit komt de verkeersveiligheid ten goede. Daarnaast zorgt de uitbreiding ervoor dat het aantal verkeersbewegingen, door een effectiviteitslag, nauwelijks toeneemt. Het bedrijf heeft een goede en overzichtelijke aansluiting op de Noordermiddenweg, dat op zijn beurt direct is aangesloten op de provinciale weg N712 via de Noorderdwarspad. De weg heeft voldoende capaciteit om de verkeersgeneratie met betrekking tot het plangebied op te vangen. Het plan vormt geen belemmering voor de verkeersveiligheid. Op het terrein is voldoende ruimte om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Volgens het gemeente parkeerbeleid wordt bij het opstellen van bestemmingsplannen in de regels verankerd dat voldaan moet worden aan de parkeernormen van de gemeente. In dit bestemmingsplan is dit geregeld in artikel 6. De gemeentelijke Nota Parkeernormen Noordoostpolder vormt daarbij het toetsingskader.

Op deze manier is gewaarborgd dat er in de toekomst geen parkeerknelpunten ontstaan.

4.8

Archeologie

In de Erfgoedwet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.

24

bestemmingsplan (ontwerp)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil De Archeologische basisen beleidsadvieskaart voor het grondgebied van Noordoostpolder, vastgesteld door B&W/gemeenteraad in 2018 en de Erfgoedverordening, vastgesteld in 2012 geven inzicht in de te verwachten archeologische waarden. De archeologische waarden zijn in de geldende beheersverordening beschermd middels dubbelbestemmingen. Op het plangebied is in dit geval geen dubbelbestemming van toepassing. Op basis van de beleidskaart (zie figuur 4.1) geldt 'geen' archeologische verwachting. Archeologisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform de Erfgoedwet, het verplicht om dit bij de minister te vermelden.

bestemmingsplan (ontwerp)

25

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil

legenda Beleidscategorieën

V77\ wm WA-1 (archeologisch Rijksmonument) WA-2 WA-3 WA4 WA-5 WA-6 WA-7 WA-7 (middeleeuwse dijken en sloten) WA-8 geen

Figuur 4.1

4.9

Uitsnede archeologie kaart

Cultuurhistorie

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Binnen het plangebied zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Wel zijn karakteristieke structuren en kenmerken in de omgeving aanwezig, zoals de laanbeplantingen en verkavelingspatronen. In dit geval worden de huidige verkavelingspatronen en erfsingels gerespecteerd en worden kenmerkende erfsingels hersteld. Zo worden de aanwezige karakteristieken gerespecteerd. In de huidige situatie is voor dit specifieke perceel nooit toepassing gegeven om deze in te passen in de voor het landschap kenmerkende erfsingels. Derhalve wijkt de huidige kavelinrichting af van de karakteristieke regelmatige kavelstructuur. Deze situatie is begin jaren '90 ontstaan. Derhalve wordt dit met dit bestemmingsplan recht gezet. Zoals in paragraaf 2.4 opgenomen is bij het opstellen van de inrichtingstekening rekening gehouden met de landschappelijke inpassing. Op de tekening is een zes meter brede erfsingel opgenomen die het erf inpast in het landschap. Om dit te waarborgen is een voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan opgenomen. Het is niet noodzakelijk om andere eisen ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden te stellen.

4.10

Ecologie

Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. in de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming.

26

bestemmingsplan (ontwerp)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil Daarnaast is in elke provinciale verordening een uitwerking van de Wnb opgenomen. In de provincie Flevoland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 3 bij deze verordening.

Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden. De Natura 2000-gebieden zijn door de Minister van Economische Zaken aangewezen gebieden die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden. Daarnaast bestaat het Natuur Netwerk Nederland (NNN) uit gebieden die worden aangewezen in de provinciale verordening. Binnen de NNN-gebieden mogen in beginsel geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebieden en NNN-gebieden. Het dichtsbzijnde NNN-gebied ligt op ruim 3,5 kilometer. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling kan geconcludeerd worden dat de afstand dusdanig groot is dat geen negatieve effecten zullen optreden. De effecten van agrarische (hulp) bedrijven op natuurgebieden over grotere afstanden is het gevolg van een toename in stikstofdepositie. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied kunnen directe effecten zoals verstoring (door licht of geluid) of verdroging (door het onttrekken van water) worden uitgesloten en is er geen sprake van areaalverlies. Het IJsselmeer is daarnaast geen stikstofgevoelig gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelig gebied ligt op ruim 14 kilometer. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling kan geconcludeerd worden dat de afstand dusdanig groot is dat geen negatieve effecten zullen optreden.

Soortenbescherming Om het gebouw te kunnen realiseren wordt een gebouw met een oppervlakte van 527 m2 gesloopt. Dit gebouw kan geschikt zijn voor beschermde diersoorten. Daarom is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage 5 toegevoegd. Uit dit onderzoek is gebleken dat er in het plangebied mogelijk beschermde soorten aanwezig zijn. Voor deze soorten wordt een nader onderzoek uitgevoerd. Mogelijk is voor de ontwikkeling een ontheffing in het kader van de Wnb nodig. Bij deze aanvraag hoort ook aan activiteitenplan met daarin te nemen mitigerende maatregelen. Met inachtneming van de eventueel te nemen maatregelen in het activiteitenplan worden negatieve effecten op soorten uitgesloten. Ten slotte is op basis van de Wnb altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving. Concreet betekent dit dat bij (ruimtelijke) ingrepen gezorgd moet worden dat dieren niet verstoord of gedood worden en dat planten niet zomaar verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld broedende vogels, de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.

4.11

Externe veiligheid

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).

bestemmingsplan (ontwerp)

27

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil Uit de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn die invloed hebben op het plangebied. Ook ligt het plangebied niet in het invloedsgebied van risicobronnen die op grotere afstand liggen. Vanuit het aspect externe veiligheid bestaan geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

4.12

Kabels, leidingen en zoneringen

Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteits- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. In of nabij het plangebied lopen geen hoofdkabels of -leidingen. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied.

28

bestemmingsplan (ontwerp)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil

Hoofdstuk 5 Juridische beschrijving 5.1

Beschrijving van de bestemming

Bedrijf In het plangebied wordt, naast bedrijven uit milieucategorie 1 en 2, een een agrarisch dienstverlenend bedrijf toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - agrarisch dienstverlenend bedrijf'. Dit op de wijze van: 1. 2. 3. 4.

het leveren van fourage- en kunstmestproducten (zoals stro, hooi, kuilgras, mais, en naar de aard daarmee gelijk te stellen producten) aan agrarische bedrijven; prefab betonproducten (zoals silowanden, keerwanden, betonplaten, en naar de aard daarmee gelijk te stellen producten) aan agrarische bedrijven; het verrichten van transporten voor agrarisch bedrijven; alsmede naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee vergelijkbare agrarisch dienstverlenende bedrijfsmatige activiteiten.

De gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. Buiten het bouwvlak bestaan beperkte mogelijkheden voor bouwwerken, niet zijnde gebouwen. De goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan respectievelijk 8,5 en 11 meter. Voor de bedrijfswoningen geldt dat deze ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' gebouwd moeten worden. In dit geval zijn deze aanduidingen rondom de bestaande woningen gelegd. Daarnaast is in de regels opgenomen dat buitenopslag niet is toegstaan en wordt middels een voorwaardelijke verplichting de uitvoering en het in stand houden van de landschappelijke inpassing gewaarborgd. Tot slot geldt een maximale oppervlakte van 200 m2 silo's waar de bouwhoogte maximaal 10 meter hoog mag zijn.

Agrarisch De gronden die niet in gebruik zijn ten behoeve van het agrarisch bedrijf krijgen de bestemminng 'agrarisch' zonder bouwmogelijkheden. Dit betreft een klein gedeelte ter hoogte van de zuidwest kant van het perceel Noordermiddenweg 21 en tevens de gronden die gebruikt worden ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden zoals beschreven in paragraaf 2.3. Deze gronden zijn tevens voorzien van de functieaanduiding 'semi-agrarisch gebruik toegestaan'. Het ruimtelijk beleid van de gemeente is er op gericht om niet-agrarische activiteiten en bouwmogelijkheden te beperken tot het terrein binnen de erfsingels. Dit geldt ook voor het hobbymatig houden van paarden en de bouwwerken die hierbij horen (hekwerken, paardenbakken, lichtmasten etc.). De gehele Noordoostpolder is door het Rijk aangewezen als wederopbouwgebied. Dit betekent dat de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed (RCE) er op toe ziet dat de oorspronkelijk opbouw van de polder zoveel als mogelijk gehandhaafd blijft. Deze oorspronkelijke opbouw bestaat uit clusters van erven die ingepakt in een erfsingel als 'eilandjes' in een verder open landschap liggen.

Omdat de gemeente veel situaties tegenkomt waarbij gronden niet meer in handen zijn van een agrariër, heeft de gemeente gekeken wat er nog wel mogelijk is op deze gronden die buiten een erfsingel liggen en niet meer door een boer voor landbouwactiviteiten gebruikt worden. Gelet op de status van wederopbouwgebied is gekozen voor een drietal functies die geen verdichting van het landschap met zich meebrengen. Het betreft speelweide, moestuin en dierenweide. Deze gebruiksmogelijkheden kunnen met een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - semi agrarisch gebruik' aan de agrarische bestemming worden toegevoegd. Bouwwerken anders dan terreinafscheiding bestaande uit palen met draad zijn ook niet toegestaan. De strook van circa 30 meter aan de westzijde van het perceel Noordermiddenweg 19 krijgt met dit bestemmingsplan een aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - semi agrarisch

bestemmingsplan (ontwerp)

29

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil gebruik '. Hierdoor wordt het mogelijk om ter plaatse paarden te weiden. Het bouwen van paardenbakken (op grond van rechtspraak wordt een grondverbetering in combinatie met een hekwerk aanmerk als een bouwwerk) is niet mogelijk. De bouw van een terreinafscheiding bestaande uit palen met draad is wel mogelijk.

30

bestemmingsplan (ontwerp)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inspraak en overleg Over het voorontwerp van dit bestemmingsplan heeft overleg plaatsgevonden met waterschap en provincie. Het voorontwerp wordt niet voor inspraak ter inzage gelegd. Waterschap Zuiderzeeland heeft op 30 april 2021 een vooroverlegreactie gegeven (zie: bijlage 3). Het waterschap geeft aan onder voorbehoud van enige aanpassingen een positief wateradvies te geven. Op 15 juli 2021 heeft het waterschap aangegeven dat de voor voorgestelde aanpassingen correct zijn doorgevoerd. De provincie Flevoland heeft op 22 juni 2021 een vooroverlegreactie gegeven (zie: bijlage 6). De gemeente deelt de vooroverlegreactie van de provincie niet. Aard activiteiten: De provincie geeft aan de transportactiviteiten als een niet-agrarische activiteit te beschouwen die qua aard op een bedrijventerrein 'thuishoort'. De gemeente wijst de provincie op artikel 4.2 in combinatie met tabel 1 van haar beleidsregel. In deze tabel worden toeleveringsbedrijven specifiek benoemd als agrarisch hulpbedrijven die als agrarisch aanverwante activiteiten als vervolgfunctie in aanmerking komen. De firma Van der Wal is bij uitstek aan te merken als een agrarisch toeleveringsbedrijf (fouragehandel, groothandel in betonelementen voor agrariërs en agrarisch transport). Voorwaarde is wel dat de activiteiten kleinschalig zijn en blijven.

In het voorliggend bestemmingsplan is 'eng' bestemd, naast de aangevraagde activiteiten worden geen andere functies met een milieucategorie van 3.1 of hoger toegestaan. Dit in combinatie met de beperkte bouwmogelijkheid borgt voldoende dat de activiteiten kleinschalig blijven. Kleinschaligheid: In de beleidsregel wordt aangegeven (4.2, onder d.) dat voor agrarisch aanverwante activiteiten geen maximum bebouwd oppervlakte gesteld wordt. De gemeente heeft echter de maximum oppervlakte wel beperkt, juist om zo de kleinschaligheid te borgen. In het bestemmingsplan is aangeven dat er op de Noordermiddenweg 19 en 21 maximaal 4.000 m2 aan bebouwing toegestaan is. Dit is minder dan 1707o van het totale bestemmingsvlak van beide percelen samen. Als alleen gekeken wordt naar Noordermiddenweg 19 dan wordt met het nieuwe plan 2107o van het bestemmingsvlak bebouwd (indien uitgegaan wordt van het huidige agrarische bebouwingsvlak ca. 2707o). Ook indien de activiteit aangemerkt zou worden als 'niet-agrarisch' (zoals de provincie betoogt) dan wordt het maximale bebouwingspercentage van 3007o dat in de beleidsregel wordt gehanteerd (als indicatie van de kleinschaligheid) niet overschreden. In haar reactie geeft de provincie aan dat de activiteit meer dan 307 van het perceel beslaat. Dit is echter op basis van de beleidsregel geen criterium.

In de beleidsregel is slechts een beperking opgenomen die voorkomt dat (bij 'niet-agrarisch') meer dan 307 van het (voormalig) agrarisch bouwperceel wordt bebouwd. Hierboven is omschreven dat aan deze voorwaarde wordt voldaan.

bestemmingsplan (ontwerp)

31

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil De verkeersbewegingen kunnen ter plaatse goed afgehandeld worden. Het aantal werknemers dat op het erf werkzaam is ligt beneden de vijf - het aantal dat in de toelichting de beleidsregel als indicatie aangegeven wordt. Legalisatie en maatwerk De gemeente is altijd gehouden te onderzoeken of een illegale situatie gelegaliseerd kan worden. In voorliggend geval is dit mogelijk binnen de bestaande kaders (zie hierboven). Er hoeft dus geen beleid aangepast te worden. De provincie stelt verder dat de gemeente het beleid passend wil maken voor voorliggende casus. Deze stelling klopt niet. De gemeente wijst erop dat de provinciale beleidsregel geen verordening is en derhalve geen directe doorwerking heeft. De gemeenteraad is bevoegd gezag voor het vaststellen van bestemmingsplannen. Het is aan de provincie om te borgen dat dit niet gebeurd in strijd met het provinciaal belang. De gemeente meent dat voorliggend plan niet in strijd is met enig provinciaal belang. VNG-lijst De provincie stelt dat de gemeente een deel van de activiteiten incorrect linkt aan de milieucategorieën uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. De gemeente deelt deze (verder niet onderbouwde) stelling van de provincie niet. De gemeente deelt ook de mening dat groothandel bij uitstek thuishoort op bedrijventerreinen niet.

Dit omdat de provincie zelf in haar beleidsregel expliciet ruimte geeft voor agrarische hulpbedrijven in de zin van toeleveringsbedrijven. Het betreft overigens een indicatieve lijst. Of iets ergens 'thuishoort' vindt de gemeente van minder belang dan de vraag of een bepaalde activiteit 'wenselijk' en 'inpasbaar' is. Gelet op de duidelijke link met het agrarisch productieproces, de kleinschaligheid en de milieutechnische inpasbaarheid acht de gemeente het plan van de firma Van der Wal wenselijk en inpasbaar. Wenselijkheid Door de schaalvergroting in de landbouw in combinatie met de relatief kleine bedrijven die na de drooglegging in de polder zijn uitgegeven vallen er in de gemeente Noordoostpolder relatief veel erven vrij. Op termijn zijn er mogelijk slechts ongeveer 500 van de circa 1500 oorspronkelijke agrarische bedrijven over. Voor de vrijgekomen erven moet een geschikte invulling gevonden worden. De gemeente vindt een bedrijf dat nadrukkelijk bijdraagt aan de agrarisch productieketen met voldoende borging voor kleinschaligheid en zonder het beperken van de bedrijfsvoering of het woongenot van derden een goede invulling voor een vrijgekomen erf. Initiatiefnemer geeft aan dat het voor hem belangrijk is om tussen zijn klanten te zitten. Verplaatsing van het bedrijf (zoals de provincie voorstelt) naar een bedrijventerrein elders in de gemeente is voor hem ongewenst.

Het voorliggende bestemmingsplan biedt genoeg ruimte om de huidige bedrijfsvoering voort te zetten. Dit biedt initiatiefnemer voldoende toekomstperspectief. Het is bij initiatiefnemer bekend dat doorgroei op deze locatie buiten de kaders van het bestemmingsplan niet mogelijk is. Hij kan hier mee uit de voeten. De provincie stelt dat uit de website blijkt dat het bedrijf zich bij uitstek toelegt op het transport van betonelementen. Deze opmerking schets wat ons betreft een onvolledig beeld van de bedrijfsvoering. Het betreft een toeleveringsbedrijf met verschillende takken. Het betreft fouragehandel, groothandel in kunstmeststoffen, groothandel in betonelementen voor agrariërs en agrarisch transport (zonder op- of overslag op het perceel). Wenselijkheid en inpasbaarheid van de verschillende functie zijn door de gemeente gewogen en beoordeeld. Conclusie

32

bestemmingsplan (ontwerp)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil De vooroverlegreactie van de provincie leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.

Zienswijzen Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan voor zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kan een ieder zienswijzen tegen het bestemmingsplan kenbaar maken.

Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens vastgesteld. Uiteindelijk is tegen het vaststellingsbesluit beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid De ontwikkeling is een particulier initiatief. De initiatiefnemer heeft aannemelijk gemaakt dat het over voldoende financiële middelen beschikt om de ontwikkeling te kunnen financieren. De gemeente heeft hiermee geen directe financiële bemoeienis. De kosten voor de procedure worden verhaald via leges. Het project is dan ook financieel haalbaar.

Grondexploitatie De grondexploitatieregeling uit de Wro is van toepassing op dit bestemmingsplan, omdat het bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro mogelijk maakt. De grondexploitatieregeling bepaalt dat de gemeente in beginsel samen met dit bestemmingsplan een exploitatieplan moet vaststellen. Hiervan kan worden afgezien als de kosten 'anderszins verzekerd' zijn, bijvoorbeeld door overeenkomsten. Daarbij moet het stellen van eisen en een fasering niet noodzakelijk zijn. Het bestemmingsplan maakt bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro mogelijk. In de Wro is opgenomen dat voor dergelijke bouwplannen, in verband met het kostenverhaal van de gemeente, in beginsel een exploitatieplan vastgesteld moet worden. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten. Met deze overeenkomst is het kostenverhaal anderszins verzekerd. Voor het overige geldt dat sprake is van een particulier initiatief en dat gemeentelijke kosten worden verhaald via de gemeentelijke leges. Het stellen van nadere eisen en regels met betrekking tot grondexploitatie is daarnaast niet noodzakelijk. De gemeenteraad besluit bij de vaststelling van het plan dat de vaststelling van een exploitatieplan niet nodig is.

bestemmingsplan (ontwerp)

33

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil

34

bestemmingsplan (ontwerp)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil

Bijlagen toelichting

bestemmingsplan (ontwerp)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil

bestemmingsplan (ontwerp)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil

Bijlage 1

Historie erfsingels

bestemmingsplan (ontwerp)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil

bestemmingsplan (ontwerp)

Boerderij aan de Veneweg ten zuidoosten van Runen: de schokbetonnen schuur van de tweede serie en depacliterswoning type L hebben een afwijkende dakhelling en zijn haaks op elkaar gebouwd 17 augustusì964 (foto! V. Potuyt).

was de afstand tussen de pachterswoningen in alle gevallen 45 meter (15 meter wegbreedte plus twee maal de rooilijnafstand van 15 meter).41 Steeds werd ernaar gestreefd de woningen en de koestallen op het zuiden te oriënteren.Voor de ligging van de schuren waren er in feite slechts twee mogelijkheden: loodrecht op of evenwijdig aan de weg. Alleen op scheve kavels deden zich uitzonderingen voor. Indien een vrijstaande pachterswoning dezelfde dakhelling had als de erbij behorende schuur, werden beide gebou­ wen zodanig geplaatst dat de nokken parallel liepen. Hadden de daken van schuur en woning ieder hun eigen schuinte dan werd ervoor gekozen deze gebouwen haaks op el­ kaar te plaatsen. Door het gebruik van dezelfde dakbedekking (rode pannen) werd dan toch geprobeerd enige samenhang aan te brengen.42 Windsingels

De hoogte van de schuren en pachterswoningen was zodanig dat er windsingels werden aangelegd die op den duur zouden bestaan uit een bovenscherm van bomen en een benedenscherm van struiken. Dit werd de beste beschutting geacht voor de gebouwen op en de gebruikers van het boerenerf.43 De windsingels werden door en voor rekening van de Directievan de Wieringermeer aangelegd door de Afdeling Bebossing en Beplanting. De betrokkenheid van de Directie had vooral te maken met de betekenis die aan de boe­ renerven in het landschap was toegekend en met de wens om de weg- en erfbeplantingen 129

Windsingel met een dicht onder- en een luchtig bmvmcìwrm 0phet b0erenerf van een akkerbouwbedrijf van 48 hectarejuni 1955 (foto Van Wijk).

130

op elkaar te laten aansluiten. Door deze aansluiting zou de betekenis van beide worden versterkt en zou, zo was de verwachting, hun homogeniteit een karakteristiek van het polderlandschap kunnen worden.44 Voor de breedte en de invulling van de windsingels hield men in de Noordoostpolder nadrukkelijk rekening met de inzichten van Bijhouwer. De breedte was trouwens niet alleen afhankelijk van de grootte en de ligging van een bedrijf, maar ook van de plaats van boomgaard en moestuin op het erf. Op de grote bedrijven waren de singels aan de noord- en westzijde maximaal 7 meter en aan de oostzijde maximaal 5 meter breed. Op de kleinere bedrijven waren de maten respectievelijk 5 en 3 meter. Lag de boomgaard van grote bedrijven aan de oostzijde dan werd daar een singelbreedte van 3 meter aangehouden.Voor de zuidzijde van alle erven hanteerde men singels van ten hoogste 3 me­ ter. Wanneer de zuidzijde van een erf langs de weg lag, werd aan die zijde slechts een singel geplant langs de boomgaard. Langs de moestuin kwam aan de wegzijde alleen een circa 1,50 meter hoge heg. Voor het woonhuis werd de beplanting onderbroken, om zo de bewoners vrij uitzicht te geven.45 De hoofdsoorten van de windsingels, die op den duur de boometage moesten vormen, kwamen overeen met die van de wegbeplantingen. Soberheid in de keuze van de soorten gold in de polder als een algemeen uitgangspunt.

Volgens Overdijkink, de schrijver van de toelichting van het Algemeen Beplantingsplan, zou hierdoor een evenwichtig land­ schapsbeeld verkregen kunnen worden“dat de monumentaliteit van de wijdte - de verte - in zich draagt”.46 Feitelijk wilde men door soberheid vooral de aanplant van exotische bomen en struiken tegengaan. In navolging van opvattingen van Bijhouwer voelde men wel voor enige differentiatie bij de houtsoortenkeuze op basis van de bodemgesteld­ heid.47 Zo plantte men in het oosten van de polder in de singels veel eik, in het midden nogal wat es, in infiltratiegebieden de snelgroeiende wilg, nabij Urk en Creil iep en ten zuidwesten van Nagele veel populier. Tien tot twintig populieren kwamen trouwens in elke singel voor. Ze moesten de boomschermen snel hoogte geven.48 Naast de hoofdhoutsoorten werden in de singels eik en esdoorn aangeplant. Dit waren

P. Kelder, 1971.

soorten die ook als hakhout dienst zouden kunnen doen en die in de samenstelling van de windsingels enige afwisseling brachten. Als struiken koos men voor soorten die scha­ duw goed verdroegen, zoals veldesdoorn, haagbeuk en beuk, en bloeiende planten, zoals vlier, lijsterbes, krenteboom, sleedoorn en meidoorn.49 De aanleg van beplanting op de eerste boerenerven vond plaats in het plantseizoen 1942/ 1943 (herfst 1942-Iente 1943).50 Toen kregen elf erven een windsingel. Door gebrek aan jonge bomen en struiken moest de overige beplanting van de erven worden uitge­ steld tot het voorjaar van 1944.51 Wel werden in de tweede helft van 1943 beplantingsplannen gemaakt voor alle tot dan toe gerealiseerde en nog in aanbouw zijnde ontginningsboerderįjen.52 De aanleg en het onderhoud van erfbeplantingen zette zich gedurende de laatste twee bezettingsjaren moeizaam voort.53 Na 1945 werden de beplantingsactiviteiten met kracht ter hand genomen en werd ook de groei van bomen en struiken op verschillende bodemsoorten nauwlettend gevolgd. De houtgewassen werden daartoe zelfs enige tijd nauwkeurig opgemeten en gefotogra­ feerd.54 Voordat de singel kon worden aangelegd werd de grond tot een diepte van on­ geveer 30 centimeter mechanisch bewerkt. Daarna werden in een plantverband van 80 bij 100 centimeter de verschillende houtsoorten gepoot.

Dit plantverband werd onder andere aangehouden met het oog op mechanische onkruidbestrijding. De helft van het plantmateriaal bestond uit de zo even genoemde houtsoorten, de andere helft uit zwarte els. De els moest ertoe bijdragen dat de singel zich zo spoedig mogelijk sloot, waarna de els in de loop der jaren kon worden verwijderd. Bij de aanplant van de hoofdhoutsoor­ ten, waarvoor men zoveel mogelijk uit eigen kwekerij afkomstige twee- en driejarige stekken gebruikte, werd rekening gehouden met een eventuele dunning in de toekomst.55 Binnen de singels Op de erven werden naast windsingels ook hagen en struiken geplant. Ze vormden de scheiding tussen moestuin, siertuin, boomgaard en werkerf. De precieze indeling van een erf werd door de Directie van de Wieringermeer bepaald na overleg met de pachter. De Directie wenste namelijk dat iedere boerderij gelegen zou zijn op een doelmatig in­ gedeeld erf. Hierdoor kon een moderne, rationele bedrijfsvoering worden bevorderd. Voor ieder boerenerf werden de afspraken over de verdeling van de verschillende be­ stemmingen op een tekening vastgelegd. De ontwerparbeid voor de boerenerven lag voor een belangrijk deel in handen van ing. P.

Kelder, een landschapsarchitect van Staatsbosbeheer die deel uitmaakte van de Afdeling Bebossing en Beplanting van de Directie van de Wieringermeer.56 De kosten van de aanleg van hagen en struikenwerden gedragen door de Directie.Voor het plantwerk deed men net als bij de singels een beroep op arbeiders die betrokken waren bij de ontginning van de polder. Wat betreft de planten werd zoveel mogelijk aan­ gesloten bij de soorten die ook bij andere polderbeplantingen werden toegepast. Veld­ esdoorn, meidoorn, beuk en haagbeuk kwamen het meeste voor. Daarnaast werd ook gewone liguster aangeplant. Een lage heg bestond in het algemeen uit een rij struiken, die op korte afstand van elkaar waren geplant, dat wil zeggen drie à vier stuks per strekkende meter. Bij de hogere heg131

gen, zoals bijvoorbeeld rond de boomgaard, werden de struiken in twee rijen op ruimere afstand van elkaar, zo’n 50 centimeter, gepoot. De struiken konden daardoor wat meer uitgroeien. Soms werd als afscheiding een snel groeiend singeltje van els en later weg te kappen struiken geplant.57 De aanleg van boomgaard, moestuin en siertuin was een zaak van de pachters. Voor de aanplant van fruitbomen konden zij terugvallen op een advies van de Nederlandsche Heidemaatschappij.58 De moestuin werd veelal naar eigen inzicht aangeplant. Groen­ ten en kruiden waarmee men van oudsher vertrouwd was, maakten het leeuwendeel uit van hetgeen werd verbouwd.59 Als aanzet voor de siertuin kregen de boeren van de Directie van de Wieringermeer 25 grove sierheesters.60 De Directie hoopte dat de boeren hun siertuinen zouden afstem­ men op het landschap van het nieuwe land en zo zouden inrichten dat er weinig onder­ houd nodig was: “Daar de tuinen in een polderlandschap liggen, een landschap met over het algemeen sprekende kleuren, rechte lijnen en een strakke, eenvoudige beplanting, behoren ook de tuinen zich hierbij aan te passen. Rotspartijen, slingerpaden en andere ‘ornamen­ ten’ zijn hier niet op hun plaats. De opzet dient eenvoudig te zijn, zo eenvoudig zelfs dat de tuin gedurende de drukke oogstperiode nog in een verloren uurtje kan worden onderhouden.

De hoofdmotieven in de tuin moeten worden gevormd door een groot gazon, wat heestergroepen, enkele bomen en een rand van vaste planten, rozen en/ of zaaibloemen. De keuze van de te gebruiken soorten kan eenvoudig zijn; exoten en vooral een overmaat van coniferen dient te worden vermeden/’61 De Directie van de Wieringermeer dacht bij de vormgeving van de siertuin in de Noordoostpolder niet aan nieuwe versies van de drie traditionele boerentuintypen. Ze voelde dus geenszins voor een ‘versierde' nutstuin, noch voor boerentuinen in een formele of een landschapsstijl.62 Ook de aanleg van tuinen die bij stadswoningen of villa’s gebrui­ kelijk waren, kon haar instemming niet wegdragen. De ideale siertuin in de Noordoostpolder diende een duidelijk polderkarakter te dragen. Inspiratie daarvoor kon worden opgedaan in de Wieringermeer, waar vele boerderijen van ‘mooie' en grote poldertuinen waren voorzien.63 In een schrijven aan de pachters van de uitgifte 1949 constateerde het hoofd van de Sociaal-economische Afdeling Minderhoud eind oktober 1950 dat een aantal tuinen er weliswaar behoorlijk uitzag, maar ook dat velen “de toets van een gematigde critiek” niet konden doorstaan.

Aangezien de verantwoorde aanleg van een tuin “bijzondere vakbekwaamheid” vereiste, had de Directie besloten een tuinarchitect aan te trekken die de pachters voorlichting kon geven.64 Eind januari 1951 deelde men de boeren mede dat ze voortaan adviezen konden inwinnen bij tuinarchitect J. Meijers, die enkele dagen per week zitting zou houden in het kantoor van de Bouwkundige Afdeling te Emmeloord.6S De in Dordrecht woonachtige Meijers maakte deel uit van het Tuinarchitectenbureau Buys-Meijers (later Buys-Meįjers-Warnau) te ’ s-Hertogenbosch, maar verrichtte op per­ soonlijke titel werkzaamheden voor de Directie.66 Hij beschouwde “het ontwerpen van een aanvaardbare en aesthetisch verantwoorde erfsituatie voor iedere pachter afzonder132

Een siertuin zoals de Directie van de Wieringermeer die graag zag, op kavel M88 aan de Lindeweg ten zuidwesten van Luuelgeest (bedrijf E. van de Deen),juni 1955 (foto Van Wijk).

lijk” als zijn primaire polderactiviteit.67 Vandaar dat hij zijn werkzaamheden ook niet beperkte tot advisering omtrent de aanleg van boerentuinen. Dit was zeer tegen de zin van de Afdeling Bebossing en Beplanting, die meende dat de tuinarchitect zich te ruime bevoegdheden aanmatigde. Landschapsarchitect Kelder, die aan deze afdeling verbon­ den was, beklaagde zich er dan ook al medio 1951 over dat Meijers zich in toenemende mate bemoeide met de indeling van erven, de beplanting van singels en de aanplant van fruitbomen.68 De gerezen problemen kwamen voort uit het feit dat Meijers bij de aanvang van zijn werkzaamheden geen heldere taakomschrijving had gekregen. Het leek de directiever­ gadering in oktober 1951 dan ook raadzaam alsnog tot zo’n omschrijving te komen. Zo kon ook het aantal dagen dat de tuinarchitect in de Noordoostpolder geacht werd door te brengen beter worden vastgesteld.69 A.G. Lindenbergh, die belast was de leiding van de Onderafdeling Domeintoezicht, stelde daarop voor de indeling van de erven toe te vertrouwen aan een nog op te richten commissie en de werkzaamheden van Meijers te beperken tot adviezen over de wijze waarop pachters “een nette boerentuin” konden aanleggen.

Door Meijers een strak afgebakende taak te geven, kon tevens flink worden bespaard op de uitgaven die met zijn werkzaamheden waren gemoeid.70 De directievergadering kon zich in de strekking van Lindenberghs rapport vinden, maar vond wel dat Meijers in de voorgestelde commissie zitting moest hebben.71 Op 18 februari 1952 kwam de ‘Commissie voor de indeling van boerderijerven’ voor het eerst 133

bijeen. Aanwezig waren domeinopziener A. de Groene, rijkstuinbouwconsulent ir J.J. Pettinga, houtvester in de Noordoostpolder ir L.W. Wilmes, boerderij-architect Noback, Kelder en Lindenbergh. De laatste trad op als voorzitter en zette beknopt de werk­ wijze uiteen: “Door de Commissie wordt aan de hand van door de Bouwk. Afd. vervaardigde situ­ aties, waarop alleen de grenzen van het erf, de gebouwen en de paden zijn aangegeven, een erfindeling gemaakt. De plaats van de singels, siertuin, moestuin en boomgaard wordt bepaald, waarbij voldoende bedrijfsruimte voor opslag van producten en voor eventueel door de pachters te bouwen silo’s wordt gereserveerd. De Landmeetk. Afdeling maakt van deze aldus vastgestelde erfindeling een tekening, waarvan een exemplaar wordt toegezonden aan de betrokken pachter, de domeinopzieners te Emmeloord en aan de heren Meijers, Ir Wilmes en Ir Pettinga. Vervolgens worden de pachters in de gelegenheid gesteld om de erfindeling te komen bespreken en hun wen­ sen kenbaar te maken. Zonodig kan de erfindeling dan gewijzigd worden. Van de ge­ wijzigde erfindeling wordt dan opnieuw een kaartje getekend en aan de betrokkenen toegezonden. Aan de hand van de aldus vastgestelde erfindeling kan de Afd.

Bebos­ sing en Beplanting dan de singels en erfscheidingen planten, de heer Pettinga kan ad­ viseren over de aanleg van de boomgaard en de heer Meijers kan advies geven over de aanleg van de siertuin.”72 A.G. Lindenbergh, 7 oktober 1949 (JotoJ. U. Potuyt).

134

Begin 1953 werd de werkwijze van de commissie enigszins vereenvoudigd. De leden be­ sloten zich tijdens hun vergaderingen niet meer te buigen over ieder boerenerf, maar zich alleen nog bezig te houden met het ontwerpen van erfindelingen voor elk type uit te geven bedrijf. L. H. Bos, tekenaar in dienst van de Directie van de Wieringermeer, moest daarna de erfindeling voor elk afzonderlijk bedrijf in kaart brengen. Zijn tekenin­ gen werden vervolgens op een aantal nader te bepalen dagen met de pachters besproken. Op diezelfde dagen kon Meijers in de polder zitting houden om de boeren advies te ge­ ven over de aanleg van een siertuin.73 Bos had vanaf het begin van Meijers’ bezigheden in de polder vele hand- en spandiens­ ten verleend aan de tuinarchitect. Door de taakafbakening van Meijers kwam er ten dele een einde aan die ondersteuning. Bos mocht de door Meijers gemaakte tuinontwerpen nog wel uitwerken, maar voor verdere diensten werd hij niet meer beschikbaar gesteld. De tuinarchitect zelf werd te verstaan gegeven dat zijn wens om ingeschakeld te worden bij het ontwerpen van algemene beplantingen in de polder “voorshands niet voor ver­ wezenlijking vatbaar” was.

Ook liet deWieringermeerdirectie Meijers weten dat hij dui­ delijk onderscheid diende te maken tussen zijn jaarlijkse ontwerparbeid voor de nieuw uit te geven bedrijven en zijn andere vormgevingsactiviteiten, zoals het aanpassen van reeds bestaande siertuinen. Alleen de eerstgenoemde activiteit verrichtte hij in opdracht van de Directie en brachten voor de polderboeren geen kosten met zich mee. De overige werkzaamheden werden als particuliere opdrachten beschouwd.74 Door de werkzaamheden van de Commissie voor de indeling van boerderijerven en de nauwkeurige omschrijving van de adviseringstaak van de tuinarchitect nam het aantal dagen dat Meijers in de Noordoostpolder actief was gestaag af. In 1951 verbleef hij twee à drie dagen per week in de polder, na 1955 niet meer dan drie à vier dagen per jaar.75

DIPEC'M'E VAN DE WlERU:.!iio:.2B ( Hoordooet polderwertten) ZWOLU

Oe roar

X

HOPWl.G

v» XtKr.ork Orderaer?

Uw brief van

Clr.a xeMierk Cd.19011

Zwolle 29 Juni 1954

erfsituatie. Hierbij u'ld .;c P." oen tekraiag van ae eri'iniellng cp 'J* bedrijf, zoals die door 1o Eirectis a gedicht. De 8ie..els .r. ie scheidingen tusaen ie virschillerde on­ derdelen ,..n het or:" 90rden door de Af:1. Btbonit1,i; ea Beplanvan do Directie geplant. Tevwns 1,ijn op de texemlti( 4e erfverbardmgen aanga.,... Nw. Sot brum gekleurdo pad nerd* vaawege do Direcho aang. legd, de res". der paden moot aoor J self «orden aa^ele...... Hiervoor kan U een hoe voelhoid verhard ingMatexiaal (pum) van 7 b@schlkbaai\worden gestold voor da helft van da prijs, 'īi.ìnd* Z 4.- per . Jochr. U meer p.1m willen hebben dan dua awv*a1,d , dan kan , n rf, !;ch dHrr: or 1 j dan do vol îo prijs tf S-- por m!J :::ie dikte van :te puinlaag voer saaar vcrxeoi aoet 20-25 cm zijo, dh voor licht "«rY.eer .. 15 cc, "!lta ovoral voldoende za&lld (..40 cm) .ordt aangebr:1cbh. Zand Kunt U op eon nader at \e wij'ien nl!ddepbt halen, jw hiervoor verC'alnning Of bet ::cmemkartoor te ^l.aillMloord verkregen te hebben. Gaarne vemoea ik vžór 7 Jul. a.e. of U.op levering van

tove^tnoomino hoeveelheid puin!/:. ~ por

prijs stelt es

hooveol puin extra roet «orden geivvord 1.

8.- p.,r m:s. w k\.ot

burvoor gebmk maken van bijgaand for-rul .-rtjo, īnens «rdt tt uit.,...noéisd- CII' op ^^^^/ïïoenrdag ^J..Wl4 Juli a. s. oII (..(). —uur :ip het ^raieinkantoor te ^r.r.loort de erfirdelmg t, xo:ro-e'I! besproken, wurtiJ U eventuele wijzigin­ gen Kunt voorstelle n. Tuinarchitect luei. -rs z.u hiorbij lldv.es .,...vcn over de unleg van de aiortuin. ViX'tS I1S DXBSC"lWB VAH DS WIïRINCERifSER (Noordoostpoiderwerken)

vERNAROlilG. r;:; DCNtHlC bepiahtm RMTM s~ HAAG

^ kOCMCNTUIH V MOESTUIN

8 8OUOUU W.WOMINC.

• S0— 0 Vl'UCNTSOOM.

T .TRANWORNATOR MO

RIOOL EUCTR KA8EL

0 GtCRKCI.DCR K Kt"CNHOK.

____ WATERLCIOMG .

l.SILO

6

OUMKCR .

8RANOKRAAN

OP'tll ONOCRS1RCCPTE OPSTAUCM ZIJN GESOUWO 000" Ot PàţMîr*

Bijlagen: l tekening, l f^cml\l.lwr.

•z

29.,s. ^54

VOOfiGUTELDC piv^ Hocfl

kon. Af ^

PACHTER:

ERTWOEUNG

11:0ESLAC.

NO.

K8 KAP8CRG

DIRECTIE VAN

OE WIERINGERMEER

NOOROOOSTPOLOERWERKEN 0ÜME1N8EHEER

Vil' OE

N.O POLDER

aco11ur:

K-51

WEUUN AAN or: HOPWtG

De ontwerparbeid voor de erven van enkele staatsboerderijen76 werd in 1955 door Van Eck toevertrouwd aan de tuin- en landschapsarchitecte Mien Ruys, die grote bekend­ heid genoot door de voorbeeldtuinen die ze in Dedemsvaart aanlegde.77 De bouwkun­ dige was met Ruys in contact gekomen door haar lidmaatschap van de architectengroep ‘de 8’, die nauw betrokken was bij de planvorming en -realisering van het polderdorp Nagele. Met de opdracht aan Ruys werd afgeweken van de 'normale' gang van zaken bij de erfaanleg van staatsbedrijven. Gewoonlijk lagen zowel het ontwerp voor de erfindeling als de keuze van het plantmateriaal en de aanleg van singels en heggen geheel in handen van de Afdeling Bebossing en Beplanting van de Wieringermeerdirectie.78 135

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil

Bijlage 2

Watertoets

bestemmingsplan (ontwerp)

bestemmingsplan Landelijk gebied, Noordermiddenweg 19 en 21 te Creil

bestemmingsplan (ontwerp)

datum 23-7-2020 dossiercode 20200723-37-23898 Geachte heer/mevrouw Jan - Jacob Posthumus, U heeft de digitale watertoets doorlopen op de website www.dewatertoets.nl. De samenvatting in de email bevat de gegeven antwoorden op de vragen. Op basis van deze toets volgt u de korte procedure. Uitgangspuntennotitie met standaard waterparagraaf

Hierbij ontvangt u de uitgangspuntennotitie voor de korte procedure van de watertoets. Deze notitie is automatisch gegenereerd op basis van de door u gegeven antwoorden en het ingetekende plangebied. Deze uitgangspuntennotitie bevat de voor uw plan relevante waterhuishoudkundige beleidsthema's, streefbeelden en de belangrijkste bijbehorende uitgangspunten en randvoorwaarden van Waterschap Zuiderzeeland die u kunt gebruiken bij het ruimtelijk laten meewegen van het waterbelang en bij het opstellen van de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van uw plan. Dit document bestaat uit drie delen: 1. Vooroverleg en andere waterbeheerder 2. De standaard waterparagraaf De standaard waterparagraaf is zo opgesteld dat u de tekst eenvoudig kunt gebruiken als basistekst voor uw waterparagraaf, waarbij deze op bepaalde punten nog aangevuld moet worden met een concrete toelichting voor de specifieke ontwikkeling. 3. Aanvullende informatie en ontwerprichtlijnen Na de standaard waterparagraaf volgt een onderdeel met overige relevante ontwerprichtlijnen. De ontwerprichtlijnen in het laatste deel zijn niet relevant voor de ruimtelijke procedure. De ontwerprichtlijnen geven nadere informatie waar u bij de verdere uitwerking (o.a. civieltechnisch) rekening mee moet houden. Ook kan het zijn dat meld- en/of vergunningplichten bestaan voor de ontwikkeling inzake de wateraspecten.

Dit helpt u om meldingen en/of aanvragen in te dienen die meteen in behandeling genomen kunnen worden. Team Waterprocedures Waterschap Zuiderzeeland Lindelaan 20 Postbus 229 8200 AE Lelystad (06) 1132 4178 (0320) 274 911 watertoets@zuiderzeeland.nl

Deel 1: Vooroverleg en andere waterbeheerder Positiefwateradvies en geen vooroverleg

Waterschap Zuiderzeeland geeft op basis van de door u gegeven antwoorden een positief wateradvies met daarbij een algemene opmerking die betrekking heeft op het bestemmen van waterbelangen. Wij willen u verzoeken de waterbelangen (o.a. waterlichamen, waterkeringen en rioolwaterzuiveringen) die eventueel aanwezig zijn binnen het plangebied op een juiste manier te bestemmen of te reguleren. Het team waterprocedures van het waterschap kan op uw verzoek daarover adviseren. In verband met het beperkte waterschapsbelang achten wij het niet nodig om, aanvullend op dit wateradvies, in het kader van het ambtelijk vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de Ruimtelijke ordening vooroverleg te voeren over het ruimtelijk plan dat betrekking heeft op deze ontwikkeling cq. dit plangebied. Indien de wateraspecten in het ruimtelijk plan goed bestemd of gereguleerd worden dan zien wij het ontwerp ruimtelijk plan met vertrouwen tegemoet. In verband met een eventueel benodigde watervergunning kan vooroverleg overigens wel nodig zijn.

Deel2 Standaard waterparagraaf korte procedure

•^De standaard waterparagraaf is zo opgesteld dat u de tekst eenvoudig kunt gebruiken als basistekst voor uw waterparagraaf, waarbij deze op bepaalde punten nog aangevuld moet worden met een concrete toelichting voor de specifieke ontwikkeling.>

Inleiding Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding. Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig.

De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Van streefbeeld naar randvoorwaarde vindt u het uitgangspunt, dat het vertrekpunt vormt bij de verwezenlijking van het streefbeeld. U krijgt op deze manier een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens herleiden waarop deze gebaseerd zijn. Thema Veiligheid Het plan ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Thema Voldoende water Wateroverlast. Streefbeeld

Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunt wateroverlast

Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Binnen het plangebied bedraagt de toename van het verharde oppervlak Nader te bepalen m2. Door de geringe toename van het verharde oppervlak (minder dan 750 m2 in stedelijke gebied of minder dan 2.500 m2 in landelijk gebied) is geen compensatie noodzakelijk voor dit plangebied. Goed functionerend watersysteem Streefbeeld

Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarde(n) goedfunctionerend watersysteem

Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen heeft voor het streefpeil van het oppervlakte water in of in de omgeving van het plangebied. Het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren. Het plangebied bevindt zich binnen tien meter afstand van een bestaande watergang. De watergang wordt ten minste aan één zijde voorzien van een obstakelvrije werkstrook van minimaal 5 meter breed. Bij een waterbreedte vanaf 12 meter geldt dit aan weerszijden. Bij een talud van 1:4 of flauwer is geen onderhoudsstrook nodig. Aanvullen: Hier worden alle aanpassingen in het watersysteem aangegeven en wordt aangegeven hoe de waterhuishoudkundige zaken bestemd worden. Bijvoorbeeld de aanleg van watergangen, infiltratievoorzieningen. Daarnaast worden hier ook de dimensies van het watersysteem aangegeven ofrandvoorwaarden voor de aanleg hiervan (voor zover ruimtelijk relevant). Bijvoorbeeld de dieptes van

watergangen bij streefpeil, de profielen en randvoorwaarden waaraan het watersysteem zal voldoen. >

Anticiperen op watertekort Streefbeeld

Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Thema Schoon Water Goede slrucluurdiversileil Streefbeeld

Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld

Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Uitgangspunten

In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Randvoorwaarde(n)

Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig. Lozingen op oppervlaktewater als gevolg van uitlogende materialen verwerkt in bouwwerken (bijvoorbeeld zinken of koperen daken) zijn vergunningplichtig. Lozingen op kwetsbaar water van alle typen oppervlakken gemaakt van uitlogende materialen worden verboden door het waterschap. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld

Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Uitgangspunt(en)

Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar "zuiverend" gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. Randvoorwaarde(n) Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een "zuiverend" gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon regenwater af te koppelen van het rioolstelsel. Onder schoon hemelwater wordt verstaan: ^ Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1000 voertuigen per dag; ^ Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen; ^ Hemelwater van daken/woningen waarbij geen voor het watersysteem; schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; ^ Hemelwater van onverhard terrein; ^ Hemelwater van centrumgebieden (met uitzondering van marktterreinen).

Deel 3: Aanvullende informatie en ontwerprichtlijnen In dit deel van de uitgangspuntennotitie vindt u aanvullende informatie en relevante ontwerprichtlijnen. Deze zijn niet relevant voor de ruimtelijke procedure. Het kan zijn dat meld- en/of vergunningplichten bestaan voor de ontwikkeling inzake de wateraspecten. De ontwerprichtlijnen geven nadere informatie waar u bij de verdere uitwerking (o.a. civieltechnisch) rekening mee moet houden. Dit helpt u om meldingen en/of aanvragen in te dienen die meteen in behandeling genomen kunnen worden. Thema Voldoende Water

Wateroverlast

Hemelwater dat op grondgebonden zonnepanelen terechtkomt kan grotendeels rechtstreeks onder de panelen infiltreren in de bodem. Bij extreme neerslag kan na verloop van tijd - een verhoogd risico bestaan op oppervlakkige afvoer over het maaiveld. De zonnepanelen concentreren de neerslag aan de onderzijde van de panelen (druiplijn). Door deze neerslagconcentratie kan de bodem dichtslaan (verslempen) waardoor geulvorming ontstaat en daarmee oppervlakkige afvoer van hemelwater. Een en ander is afhankelijk van de samenstelling van de bodem en de lokale omstandigheden (bijvoorbeeld verhang in het bodemoppervlak). Mocht deze oppervlakkige afvoer het oppervlaktewatersysteem bereiken dan is sprake van afwentelen: versnelde afvoer van neerslag naar het watersysteem. Als deze situatie zich in de toekomst voordoet dan is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen om het afwentelen ongedaan te maken. Overige aandachtspunten zijn kabels en leidingen in relatie tot watergangen. In het geval dat de grondgebonden zonnepanelen worden geplaatst in een wateraanvoergebied geldt dat het beoogde grondgebruik (zonnepanelen) geen water vraagt. Het huidige of toekomstige beleid met betrekking tot wateraanvoer en waterbeschikbaarheid heeft geen betrekking op het beoogde grondgebruik.

Mocht in de toekomst het grondgebruik weer worden aangepast naar een agrarische of andere functie met een watervraag, dan zal de mogelijkheid daartoe getoetst worden aan het dan geldende beleid. Het plangebied is gelegen in een gebied met een indicatief risico op opbarsten van de bodem. Indien voor de planontwikkeling grondwerk nodig is, adviseren wij u gericht onderzoek te doen naar het opbarstrisico ter plaatse. Opbarsten of (bijna) aansnijden van het pleistocene zandpakket dient voorkomen te worden vanwege de kans op instabiliteit van de bodem of ongewenste kwel of inzijging. In bepaalde situaties kan van deze lijn worden afgeweken. Bijvoorbeeld als het kwelwater van goede kwaliteit benut kan worden.. Anticiperen op watertekort Ontwerprichtlijnen wateraanvoer Ontwerprichtlijnen grondwateronttrekkingen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1876/documents/29024