15.1 Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens'.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens
Oktober 2021
Ontwerp
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
BESTEMMINGSPLAN ‘LANDELIJK GEBIED, SLOEFWEG 5 TE ENS’
Plan:
Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens
Plantype:
Bestemmingsplan
IMRO-nummer: NL.IMRO.0171.BP00681-ON01 Status:
Ontwerp
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
Toelichting
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 6 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
AANLEIDING ............................................................................................................................................... 6 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ....................................................................................................................... 7 DE BIJ HET PLAN BEHORENDE STUKKEN ............................................................................................................. 7 HUIDIGE PLANOLOGISCHE REGIME ................................................................................................................... 7 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 9
HOOFDSTUK 2 HUIDIGE SITUATIE ....................................................................... 10 2.1 2.2
LANDSCHAP EN OMGEVING .......................................................................................................................... 10 HET PLANGEBIED ....................................................................................................................................... 10
HOOFDSTUK 3 GEWENSTE SITUATIE .................................................................... 12 3.1 3.2
PLANBESCHRIJVING .................................................................................................................................... 12 VERKEER & PARKEREN ................................................................................................................................ 13
HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER ........................................................................... 14 4.1 4.2 4.3
RIJKSBELEID .............................................................................................................................................. 14 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................. 16 GEMEENTELIJK BELEID................................................................................................................................. 19
HOOFDSTUK 5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN .................................................. 23 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10
GELUID (WET GELUIDHINDER) ...................................................................................................................... 23 BODEMKWALITEIT ...................................................................................................................................... 23 LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................................... 24 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 25 MILIEUZONERING ...................................................................................................................................... 27 GEUR ...................................................................................................................................................... 29 ECOLOGIE................................................................................................................................................. 29 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 32 KABELS & LEIDINGEN ..................................................................................................................................
33 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE .............................................................................................................. 33
HOOFDSTUK 6 WATERASPECTEN........................................................................ 35 6.1 6.2 6.3
ALGEMEEN ............................................................................................................................................... 35 BELEIDSKADERS ......................................................................................................................................... 35 WATERTOETSPROCES.................................................................................................................................. 35
HOOFDSTUK 7 JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING .............................. 38 7.1 7.2 7.3
INLEIDING................................................................................................................................................. 38 OPZET VAN DE REGELS ................................................................................................................................ 38 VERANTWOORDING VAN DE REGELS............................................................................................................... 39
HOOFDSTUK 8 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .................................................. 41 HOOFDSTUK 9 VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN ....................................... 42 9.1 9.2 9.2
VOOROVERLEG .......................................................................................................................................... 42 INSPRAAK ................................................................................................................................................. 42 ZIENSWIJZEN............................................................................................................................................. 42
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING ............................................................................... 43 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3
BODEMONDERZOEK ........................................................................................................................... 44 QUICKSCAN NATUURWAARDEN............................................................................................................. 45 WATERTOETSRESULTAAT ..................................................................................................................... 46
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
HOOFDSTUK 1 1.1
INLEIDING
Aanleiding
Aan de Sloefweg 5 te Ens, in het buitengebied van de gemeente Noordoostpolder, bevindt zich een agrarisch erf. Alleen het achterste deel van het erf is nog agrarisch in gebruik ten behoeve van de opslag van agrarische materieel en agrarische akkerbouwproducten van een akkerbouwbedrijf uit de omgeving. Initiatiefnemer wil een bestaande schuur slopen en een nieuwe werktuigenberging realiseren deels buiten het agrarisch bouwvlak. Daarnaast is de voormalige bedrijfswoning voor op het erf inmiddels niet meer in gebruik als bedrijfswoning bij het agrarisch bedrijf, maar wordt deze regulier bewoond wat in strijd met de gebruiksregels van de beheersverordening ‘Landelijk gebied’ is. Om de werktuigenberging op de gewenste locatie te kunnen bouwen en de reguliere bewoning van de voormalige bedrijfswoning te legaliseren is een herziening van de beheersverordening noodzakelijk. De gemeente Noordoostpolder heeft naar aanleiding van een principeverzoek aangegeven onder een aantal voorwaarden aan deze ontwikkeling te willen meewerken: • • • •
De voorzijde van het perceel krijgt een woonbestemming die ‘burgerbewoning’ mogelijk maakt. De achterzijde blijft een agrarische bestemming behouden, waarbij de gebruiksmogelijkheden worden teruggeschaald in die zin dat uitsluitend nog opslag van materieel en agrarische producten mogelijk is. Een uitbreiding van het agrarisch bedrijfsperceel in de diepte, voor zover noodzakelijk is ten behoeve van de bouw van de nieuwe werktuigenberging. Het behoud en versterken van de aanwezige erfsingel borgen in de planregels via een voorwaardelijke verplichting (hiervoor dient een erfinrichtingsplan te worden gemaakt).
Voorliggend bestemmingsplan plan voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader ten behoeve van bovengenoemde situatie. In dit plan zal worden aangetoond dat de herziening van het bestemmingsplan in overeenstemming is met een ‘een goede ruimtelijke ordening’ en vanuit ruimtelijk en planologisch oogpunt verantwoord is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt aan de Sloefweg 5 te Ens, in het buitengebied van de gemeente Noordoostpolder. De kern Ens bevindt zich op circa 3,2 kilometer afstand, ten zuiden van het plangebied. Op circa 3.4 kilometer ten noorden ligt Emmeloord. De ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Ens en Emmeloord en de directe omgeving wordt weergegeven in afbeelding 1.1.
Afbeelding 1.1
1.3
Ligging van het plangebied (Bron: PDOK)
De bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ bestaat uit de volgende stukken: • •
verbeelding (NL.IMRO.0171.BP00681-ON01) en een renvooi; regels (met bijbehorende bijlagen)
Op de verbeelding is de bestemming van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
1.4
Huidige planologische regime
1.4.1
Algemeen
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van de beheersverordening ‘Landelijk gebied’, welke op 21 maart 2016 door de gemeenteraad is vastgesteld. Deze beheersverordening regelt in principe dat de planologische kaders zoals vervat in het voorheen geldende bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2004’ en wijzigingen daarop van kracht blijven, totdat een nieuw bestemmingsplan of omgevingsplan is vastgesteld. Het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2004’ is het basisplan dat binnen het verordeningsgebied van toepassing is. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de plankaart opgenomen. Het plangebied is daarbij indicatief aangegeven met een rode omlijning.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
Afbeelding 1.2
1.4.2
Uitsnede plankaart ‘Landelijk gebied 2004’ (Bron: Gemeente Noordoostpolder)
Beschrijving bestemmingen en aanduiding
Op basis van de beheersverordening ‘Landelijk gebied’ zijn de gronden in het plangebied bestemd als ‘Agrarisch gebied’. Gronden met deze bestemming zijn hoofdzakelijk bestemd voor agrarische bedrijvigheid in de vorm van een grondgebonden agrarisch bedrijf met als tweede tak intensieve veehouderij tot 2.500m2. Binnen elk op de plankaart aangegeven bebouwingvlak (zwarte onderbroken lijn) mag uitsluitend bij een agrarisch bedrijf behorende bebouwing worden gebouwd. Onder die bebouwing zijn begrepen kassen, ten hoogste één woning, zijnde een bedrijfswoning, en daarbij behorende bijgebouwen. Buiten bebouwingsvlakken mogen uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd, waaronder niet begrepen bouwwerken voor mestopslag, sleufsilo’s en andere silo’s of boogkassen. 1.4.3
Strijdigheid
Op grond van de geldende beheersverordening is het niet toegestaan om buiten het bebouwingsvlak te bouwen. Daarnaast is het niet toegestaan de bedrijfswoning te gebruiken voor reguliere bewoning. De agrarische bestemming wordt door middel van voorliggende bestemmingsplan verruimd/verlegd ten behoeve van de nieuwe werktuigenberging. Hierbij worden de gebruiksmogelijkheden terug geschaald in die zin dat uitsluitend nog opslag van materieel en agrarische producten ten behoeve van een akkerbouwbedrijf mogelijk is. Het deel van het erf met de woning krijgt een woonbestemming, waarmee burgerbewoning wordt toegestaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
1.5
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 betreft een beschrijving van de gewenste situatie. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, de provincie Flevoland en de gemeente Noordoostpolder beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. Hoofdstuk 6 gaat in op de wateraspecten waaronder de watertoets. In de hoofdstukken 7 en 8 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid van het project. Hoofdstuk 9 gaat in op het vooroverleg en de inspraak.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
HOOFDSTUK 2 2.1
HUIDIGE SITUATIE
Landschap en omgeving
De Noordoostpolder heeft een uniek landschap. De inrichting van de polder is na de drooglegging volledig gericht op de landbouw. Dit heeft een bijzonder landschap opgeleverd met een grootschalige opbouw en een grote mate van openheid. Dit landschap is nu circa 70 jaar oud en het concept van de oorspronkelijke inrichting is nog altijd herkenbaar aanwezig. Het ontwerp van de polder en de uniciteit van het landschap wordt internationaal hoog gewaardeerd. Kenmerkend voor het polderlandschap is het regelmatige kavelpatroon en de structuurbepalende beplantingselementen zoals de erfsingels en wegbeplanting. In de omgeving van het plangebied zijn de karakteristieke elementen voor het polderlandschap duidelijk herkenbaar. De rechtlijnige, lineaire structuren en de openheid zijn duidelijk zichtbaar in het landschap. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de omgeving weergegeven, het plangebied is indicatief aangegeven met de rode contour.
Afbeelding 2.1
2.2
Luchtfoto ligging plangebied in de omgeving (Bron: PDOK)
Het plangebied
Het plangebied ligt aan de Sloefweg 5 te Ens. Het perceel heeft een agrarische bestemming, echter wordt alleen het achterste deel van het erf nog voor agrarische akkerbouwactiviteiten gebruikt. De bedrijfswoning, bijbehorende tuin en schuur worden regulier bewoond. Het erf is aan zowel de oost als westzijde begrensd door een forse houtwal en omgeven door een forse groenwal die de bebouwing grotendeels aan het zicht onttrekt. Binnen de begrenzing van het plangebied zijn een bedrijfswoning en twee schuren aanwezig. Deels zijn de gronden verhard, de rest van de gronden zijn in gebruik als tuin en agrarische cultuurgrond. In afbeelding 2.2 is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie van het plangebied. De rode contour betreft een indicatieve weergave van het plangebied. In BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp afbeelding 2.3 is een straatbeeld van de huidige situatie weergegeven, gezien vanaf de splitsing Sloefweg/Drietorensweg.
Afbeelding 2.2
Huidige situatie plangebied en directe omgeving (Bron ondergrond: Provincie Flevoland)
Afbeelding 2.3
Straatbeeld huidige situatie plangebied (Bron: Google Streetview, april 2019)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
HOOFDSTUK 3 3.1
GEWENSTE SITUATIE
Planbeschrijving
3.1.1 Ontwikkeling Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het verleggen/verruimen van het agrarisch bouwvlak aan de achterzijde van het erf ten behoeve van de nieuw te bouwen werktuigenberging en bijbehorend erf. Daarnaast krijgt het erfdeel behorende bij de woning een woonbestemming conform het feitelijke gebruik. Om te waarborgen dat de woonfunctie geen hinder ondervindt van de agrarische activiteiten worden de gebruiksmogelijkheden van de agrarische bestemming terug geschaald in die zin dat uitsluitend nog opslag van materieel en agrarische producten ten behoeve van een akkerbouwbedrijf mogelijk is. In afbeelding 3.1 is de gewenste situatie binnen plangebied op de erfinrichtingstekening weergegeven.
Afbeelding 3.1
Erfinrichtingstekening plangebied (Bron: Huls Architecten)
3.1.2 Landschappelijke inpassing Een van de gemeentelijke voorwaarden voor medewerking aan het plan is het behoud en versterken van de aanwezige erfsingels. Door Huls Architecten is hiervoor een erfinrichtingsplan gemaakt. In afbeelding 3.1 is deze reeds weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp De bestaande erfsingels aan de rechter en linkerzijde van het erf blijven behouden. De achterste erfsingel wordt verplaatst naar de achterzijde van het nieuwe erf. De bestaande erfsingels wordt verlengd, zodat deze hierop aansluiten. De nieuw singels hebben net als de bestaande singels een breedte van circa 6 meter. Aan de rechter bovenzijde van het erf wordt een ontsluiting naar het achterliggende akkerland aangelegd, zodat men direct met de machines het land op kan. Het behoud en versterken van de landschappelijke inpassing van het erf is gewaarborgd via een voorwaardelijke verplichting in de planregels van dit bestemmingsplan.
3.2
Verkeer & parkeren
3.2.1
Algemeen
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. In de CROW wordt er uitgegaan van minimale en maximale normen, dit is de brandbreedte. Bij de berekening van de parkeernormen zal er een gemiddelde worden genomen. De gemeente Noordoostpolder heeft in 2016 het ‘Parkeerbeleid Noordoostpolder’ vastgesteld. De gemeente Noordoostpolder heeft de parkeernormen gebaseerd op de hiervoor genoemde CROW publicatie. 3.2.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval wordt een bestaande schuur gesloopt en vervangen door een nieuwe werktuigenberging. Hiervoor dient het agrarisch bouwvlak aan de achterzijde te worden verruimd. Daarnaast wordt de reguliere bewoning van de bedrijfswoning positief bestemd met een woonbestemming. Hoewel er sprake is van een planologische wijziging, veranderd de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie niet of nauwelijks. De woning wordt reeds bewoond, dit veranderd niet. Op het achtererf vinden reeds agrarische bedrijfsactiviteiten plaats, ook dit veranderd qua functie niet. Wel wordt er nieuwe en beter bruikbare bebouwing opgericht en de toegestane agrarische activiteiten worden beperkt tot opslag van materieel en agrarische producten. De ontsluiting van het erf via één in- en uitrit op de Sloefweg blijft ongewijzigd. Aan de achterzijde (noordzijde) van het erf wordt tevens een ontsluiting naar het akkerland aangelegd, zodat men direct met de machines het land op kan. Ten opzichte van de huidige situatie, waarbij binnen het agrarisch bouwvlak een volwaardig grondgebonden of intensief agrarisch bedrijf is toegestaan, nemen de parkeerbehoefte en verkeersaantrekkende werking niet toe. 3.2.3
Conclusie
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
HOOFDSTUK 4
BELEIDSKADER
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2.
Duurzaam economisch groeipotentieel
Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3.
Sterke en gezonde steden en regio’s
Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. 2. 3.
Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.
4.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan de NOVI Het betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. De agrarische opslagfunctie (achtererf) in combinatie met de woonfunctie (voorerf) gaan goed samen op deze locatie en geven de locatie toekomstperspectief. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan opgenomen herontwikkeling. 4.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR: voorganger van de NOVI) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.
stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´ Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp 4.1.3
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het rijksbeleid
Het rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. Wat de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ betreft kan worden gesteld dat er gelet op de ligging in het buitengebied en functie (wonen/agrarisch) geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het betreft uitsluitend een bouwvlak verruiming te behoeve van de agrarische functie en functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning. Geconcludeerd wordt dat geen verdere toetsing plaats hoeft te vinden aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ en dat het initiatief voldoet aan het rijksbeleid.
4.2
Provinciaal beleid
4.2.1
Omgevingsvisie FlevolandStraks
4.2.1.1 Algemeen De Omgevingsvisie FlevolandStraks geeft de langetermijnvisie van de provincie Flevoland op de toekomst van dit gebied. Het gaat over de periode tot 2030 en verder. Het geeft aan welke kansen, opgaven en uitdagingen er voor Flevoland liggen. Er zijn drie kernopgaven: • • •
Het Verhaal van Flevoland (fysieke omgeving), Krachtige Samenleving (sociaal-economische omgeving), Ruimte voor Initiatief (bestuurlijke omgeving).
Deze opgaven vormen de kern voor alle ontwikkelingen waar de provincie Flevoland bij betrokken is. Zowel voor de strategische opgaven uit de Omgevingsvisie, als andere vraagstukken van de provincie Flevoland. In de strategische opgaven staan de belangrijkste vraagstukken en ambities voor de toekomst beschreven. Het gaat om de volgende opgaven: • • • •
Duurzame Energie Regionale Kracht Circulaire Economie Landbouw: Meerdere Smaken
4.2.1.2 Toetsing van het initiatief aan Omgevingsvisie FlevolandStraks De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een aangepast agrarisch bouwvlak aan de achterzijde van de locatie Sloefweg 5 ten behoeve van een nieuwe werktuigenberging en bijbehorend erf. De agrarische gebruiksmogelijkheden worden terug geschaald tot opslag van materieel en agrarisch producten. De voormalige bedrijfswoning en bijbehorend bijgebouw, die feitelijk reeds voor reguliere bewoning worden gebruikt, worden voorzien van een hierbij passende woonbestemming. Op deze wijze wordt enerzijds voorzien in passende agrarische bouw- en gebruiksmogelijkheden voor het akkerbouwbedrijf. Daarnaast wordt het bestaande woongebruik planologisch ingepast. Op deze wijze heeft het erf een duurzaam toekomstperspectief wat goed aansluit bij de uitgangspunten van de Omgevingsvisie FlevolandStraks (specifiek ‘Het Verhaal van Flevoland’). 4.2.2
Omgevingsprogramma Provincie Flevoland
4.2.2.1 Algemeen Per 1 januari 2022 treedt naar verwachting de Omgevingswet in werking. Op dat moment moet elke provincie beschikken over een Omgevingsvisie, een of meer programma's en een Omgevingsverordening. Het op 27 februari 2019 door de Provinciale Staten van de provincie Flevoland vastgestelde Omgevingsprogramma BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp Flevoland vindt haar grondslag dan ook in de Omgevingswet. Daarnaast is de grondslag te vinden in diverse vigerende wetten, zoals de Waterwet, de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder en de Wet natuurbescherming. Het Omgevingsprogramma omvat daarmee de op dit moment verplichte plannen: het milieubeleidsplan, het regionale waterplan en het verkeer- en vervoersplan. In 2017 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie FlevolandStraks vastgesteld. Hierin is in hoofdlijnen de strategische visie op de toekomst van Flevoland weergegeven. In dit (eerste) Omgevingsprogramma Flevoland is er voor gekozen al het bestaande beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud van de fysieke leefomgeving te bundelen in één programma dat digitaal beschikbaar is. Met de vaststelling van het Omgevingsprogramma is dan ook een groot aantal beleidsnota's komen te vervallen. Op deze wijze zijn de provinciale beleidskeuzes compact beschreven en is de samenhang tussen de verschillende beleidsterreinen het beste gewaarborgd. De provincie streeft ernaar om dit programma jaarlijks te actualiseren en waar nodig aan te vullen met overig provinciaal beleid. Zo kunnen in volgende versies onderwerpen worden toegevoegd die betrekking hebben op bijvoorbeeld economisch of sociaal beleid.
Ook kunnen programma's worden toegevoegd met een meer gebiedsgebonden of thematische aanpak. In voorliggend geval is met name hoofdstuk 1 ‘Ruimte’ van het Omgevingsprogramma van belang. 4.2.2.2 Ruimte Algemeen Het belangrijkste doel van de provincie is een goede woon-, werk- en leefomgeving in heel Flevoland. Daarbij moet verstedelijking worden ingepast in een hoogwaardig landschap en passen bij de gerealiseerde en de geplande infrastructuur. Aantrekkelijke woongebieden in een groen-blauwe omgeving maken Flevoland concurrerend met andere gebieden. Er is sprake van overloop uit de drukke, dure Randstad naar een ruimer, goedkoper Flevoland (push factor). Ook kiezen mensen bewust voor het attractieve woonmilieu van Flevoland (pull factor). De provincie wil verdere grootschalige ontwikkelingen mogelijk maken en deze deels zelf ter hand nemen, samen met partners. De provincie is bereid om ruimte te reserveren voor functies waarvoor in omliggende regio's onvoldoende ruimte is. De voorwaarde daarvoor is een evenwichtige ontwikkeling. Samen met partners binnen en buiten het gebied biedt de provincie zicht op oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken, die het tempo van de ruimtelijke ontwikkelingen in Flevoland met zich meebrengt. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om achterblijvende bereikbaarheid, voorzieningenniveau en werkgelegenheid.
Landelijk gebied Het plangebied maakt binnen het thema ‘Ruimte’ onderdeel uit van het ‘Landelijk gebied’. De provincie wil de vitaliteit van het landelijk gebied vergroten en de gebruiksmogelijkheden ervan meer afstemmen op de maatschappelijke behoeften. Het landelijk gebied moet vitaal blijven. Ook in Flevoland is sprake van verdergaande schaalvergroting en herstructurering van de landbouw. De provincie wil agrarische bedrijvigheid die zich in de eerste plaats richt op duurzame productie en verwerking van landbouwproducten optimale ontwikkelingskansen geven. Bovendien wil de provincie ruimte bieden aan nieuwe functies in het landelijk gebied om het economisch draagvlak te verbreden en deze te verweven met de bestaande landbouwfunctie. In de beleidsregel kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied zijn de voorwaarden en maatvoering concreter uitgewerkt. Verder moet er voldaan worden aan een goede ruimtelijke ordening, waaronder een landschappelijke inpassing en een goede verkeersafwikkeling. De komende jaren wordt een forse leegstand van agrarische bedrijfslocaties verwacht. Door de schaalvergroting in de landbouw komen veel agrarische bouwpercelen vrij. In Flevoland is tussen nu en 2030 sprake van 400 tot 600 bedrijfsbeëindigingen.
Recente berekeningen van Alterra laten zien dat er tot 2030 naar verwachting in Flevoland zo’n 1,3 miljoen vierkante meter agrarische bebouwing beschikbaar komt: in totaal een grotere oppervlakte dan de nu leegstaande kantoren. Zo’n 70% hiervan bevindt zich in de gemeente Noordoostpolder. Door ruimte te bieden voor invulling van vrijkomende agrarische bebouwing wil de provincie
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp de unieke structuur van Flevoland behouden. De vrijgekomen boerderijwoningen kunnen worden gebruikt voor algemene bewoning, waarbij wordt uitgegaan van één woning per (voormalig) agrarisch bouwperceel. Om het economisch draagvlak te verbreden wil de provincie ruimte bieden aan nieuwe functies in het landelijk gebied en deze verweven met de bestaande landbouwfunctie. Vestiging van activiteiten die bij uitstek thuishoren op een bedrijventerrein of aansluitend aan het bebouwde gebied worden in principe niet toegestaan. De activiteiten moeten in principe kleinschalig van karakter zijn. De bebouwingsmogelijkheden dienen hierop te zijn afgestemd. Effecten die milieu hygiënisch, landschappelijk en verkeerskundig (veiligheid en verkeersaantrekkende werking) ongewenst zijn, moeten worden voorkomen. Zo mogen nieuwe functies de landschappelijke en cultuurhistorische kern- en basiskwaliteiten van het gebied niet aantasten. De provincie ziet erop toe dat de mogelijkheden van verstedelijking in het landelijk gebied afdoende gemotiveerd zijn boven het gebruik maken van mogelijkheden in het stedelijk gebied. Zo ziet de provincie ook toe op een goede omgang met de Ladder voor duurzame verstedelijking van het Rijk.
4.2.2.3 Toetsing van het initiatief aan het ‘Omgevingsprogramma Provincie Flevoland’ In voorliggend geval is sprake van een erf met een agrarische bestemming welke haar agrarische functie voor een deel heeft verloren. De bedrijfswoning met bijbehorend bijgebouw zijn afgesplitst. Het achtererf met daar aanwezige schuur wordt nog wel voor agrarische activiteiten gebruikt. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een aangepast agrarisch bouwvlak aan de achterzijde van de locatie Sloefweg 5 ten behoeve van een nieuwe werktuigenberging en bijbehorend erf. De agrarische gebruiksmogelijkheden worden hierbij terug geschaald tot opslag van materieel en agrarisch producten. De voormalige bedrijfswoning en bijbehorend bijgebouw die feitelijk reeds voor reguliere bewoning worden gebruik worden voorzien van een hierbij passende woonbestemming. Op deze wijze wordt enerzijds voorzien in passende agrarische bouw- en gebruiksmogelijkheden voor het akkerbouwbedrijf. Daarnaast wordt het bestaande woongebruik planologisch ingepast. Op deze wijze heeft het erf een duurzaam toekomstperspectief wat goed aansluit bij het streven naar een vitaal landelijk gebied met nieuwe functies die zijn verweven met de landbouwfunctie. 4.2.3
Omgevingsverordening Provincie Flevoland
4.2.3.1 Algemeen In de Omgevingsverordening van provincie Flevoland zijn alle regels vastgelegd die de provincie hanteert op het gebied van onder andere wegen, water, milieu, bodem, natuur, wonen en ruimte. Dit kunnen zowel regels zijn voor burgers of bedrijven als (instructie-)regels voor andere overheden. 4.2.3.2 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsverordening In geval van voorgenomen ontwikkeling zijn geen artikelen uit de omgevingsverordening van belang. 4.2.4
Beleidsregel Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied 2008
4.2.4.1 Algemeen Deze beleidsregel is inhoudelijk een voortzetting van de beleidsregel ‘Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijke gebied 2007’ maar is procedureel aangepast aan de Wro, die op 1 juli 2008 van kracht is geworden. Deze beleidsregel geeft aan op welke wijze de provincie omgaat met de uitgangspunten zoals die in het Omgevingsplan Flevoland 2006 zijn geformuleerd met betrekking tot kleinschalige ontwikkelingen in het landelijk gebied. De provincie wil verdere ontwikkeling van de landbouw stimuleren zodat het landelijk gebied vitaal en duurzaam blijft. Zij vindt het daarom van belang meer ruimte te bieden aan nieuwe agrarisch aanverwante (maar ook niet- agrarische functies) en de mogelijkheid te bieden om (voormalige) agrarische bouwpercelen te
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp vergroten. Dit mag er dan uiteraard niet toe leiden dat de reeds in het landelijk gebied aanwezige functies gehinderd worden, noch dat het landelijk gebied verstedelijkt. De van belang zijnde inhoudelijke afwegingen zoals verwoord in artikelen in de beleidsregel zijn hierna weergegeven: •
• • • • • •
Niet-agrarische en/of agrarisch aanverwante activiteiten op (voormalige) agrarische bouwpercelen zijn mogelijk, tenzij belemmeringen en hinder ontstaan voor het functioneren van de naastgelegen (agrarische) bedrijven en/of activiteiten, zoals wonen en recreëren. Indien nodig en mogelijk zal dit nader worden geregeld in een (milieu)vergunning (art. 4.1). Voorkomen van verstedelijking landelijk gebied (art. 4.2). Per (voormalig) agrarisch bouwperceel wordt uitgegaan van één woning. Vrijgekomen boerderijwoningen kunnen worden gebruikt voor algemene bewoning (art. 4.4). Het ruimtelijke splitsen van een (voormalig) agrarisch bouwperceel is niet toegestaan (art. 4.6). Landschappelijke inpassing (art. 4.7). Vergroting van de (voormalige) agrarische bouwpercelen dan wel de ontwikkeling van niet-agrarische en/of agrarisch aanverwante activiteiten op (voormalige) agrarische bouwpercelen zijn mogelijk, tenzij dit leidt tot knelpunten of onveilige situaties in de verkeersafwikkeling (art. 4.8). Er wordt naar gestreefd, dat recreatieve en/of toeristische activiteiten en andere publiek aantrekkende activiteiten goed bereikbaar zijn met openbaar vervoer en fiets (art. 4.9).
4.2.4.2 Toetsing van het initiatief aan de ‘Beleidsregel Kleinschalige ontwikkelingen in het landelijke gebied 2008’ In dit geval wordt het erf kadastraal gesplitst en komt er een nieuw bestemmingsplan met de mogelijkheid voor wonen en agrarisch (beperkt tot opslag). De kadastrale (en ruimtelijke) splitsing van onderhavig bestemmingsplan zorgt er niet voor dat er twee erven ontstaan. Er is nog steeds sprake van één erf, met daarop twee bestemmingen. Bij recht is uitbreiding niet toegestaan. Bij wens tot uitbreiding ligt hier een overweging aan ten grondslag. Beleidsmatig wordt dan gekeken naar de uitbreidingsmogelijkheden als erf in zijn geheel en niet als twee afzonderlijke erven. Zoals aangegeven wordt de voormalige bedrijfswoning en bijbehorend bijgebouw feitelijk reeds voor reguliere bewoning gebruik en worden met een woonbestemming voorzien van een passende bestemming. Omdat de agrarische gebruiksmogelijkheden beperkt worden tot opslag vormen ze geen belemmering voor de woonfunctie. Andersom vormt de woonfunctie geen belemmering voor de agrarische activiteiten en andere agrarische bedrijven in de omgeving. In paragraaf 5.5 wordt hier nader op ingegaan. De bestaande erfbeplanting blijft behouden en wordt versterkt, dit is vastgelegd middels een erfinrichtingsplan gekoppeld aan een voorwaardelijke verplichting.
De voorgenomen ontwikkeling voldoet daarmee aan de uitgangspunten van de beleidsregel die beoogd kleinschalige ontwikkelingen mogelijk te maken, waarbij verschillende functies in het buitengebied elkaar niet belemmeren. 4.2.5
Toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het provinciaal beleid de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling niet in de weg staat.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Structuurvisie Noordoostpolder 2025
4.3.1.1 Algemeen De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is in december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad. De Structuurvisie is een integrale ruimtelijke visie, die de huidige en gewenste waarden en kwaliteiten beschrijft. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp De visie heeft als doel de verschillende belangen, zoals voor het landschap, de kernen en de gemeenschap, zorgvuldig af te wegen. En hieruit een integrale ontwikkelingsrichting te bepalen voor de periode tot 2025. De Structuurvisie Noordoostpolder 2025 is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke, economische en sociale kwaliteiten en daarmee op het versterken van het landschap en leefbaarheid in de gemeente Noordoostpolder. De Structuurvisie is een document voor de langere termijn. Daarom kent de Structuurvisie Noordoostpolder 2025 een zekere mate van globaliteit en abstractie. De visie vormt de basis voor het toekomstig beleid, ter uitwerking van de structuurvisie zijn gebiedsvisies, masterplannen, uitwerkingsplannen, bestemmingsplannen en beleidsplannen nodig om concrete (plan)ontwikkelingen in gang te zetten. 4.3.1.2 Ambitie Landbouw De gemeente Noordoostpolder is trots op haar agrarische achtergrond en wil dit blijven uitstralen. De landbouwsector en de innovatie die daarin plaatsheeft moet ook in de toekomst internationaal hoog aangeschreven staan. Er wordt ontwikkelingsruimte geboden voor schaalvergroting, maar ook aan vrijkomende bedrijven. Dit laatste is noodzakelijk om de vitaliteit van het gebied te borgen. Landbouw blijft de primaire functie in het landelijk gebied.
Het zorgt ervoor dat het unieke polderlandschap open blijft en niet langzaam ‘verrommelt’ door andere functies. Het inzetten op functiescheiding tussen landbouw en andere functies draagt hieraan bij. Verruiming van agrarische erven Bedrijven krijgen ruimte voor uitbreiding van het agrarische erf ten behoeve van een rendabele agrarische bedrijfsvoering. Erven mogen in de toekomst tot 3,0 ha bruto worden uitgebreid, waarbij de breedte maximaal 150 meter mag zijn en de diepte maximaal 200 meter. De grens van het erf wordt daarbij aan de achterkant en zijkant gevormd door het hart van de erf-/kavelsloot, terwijl de grens aan de voorkant van het erf wordt gevormd door de (kadastrale) begrenzing met de weg. Afhankelijk van de situatie en functie wordt in het kader van het bestemmingsplan maatwerk geleverd. Er geldt overigens een rooilijn van 33 meter vanaf de weg. Akkerbouw en tuinbouw Het agrarisch grondgebruik is de primaire functie in het landelijk gebied van de gemeente Noordoostpolder. Daarbij gaat het bij het overgrote deel van de gronden om akkerbouwbedrijven. De geomorfologische opbouw van de polder is bepalend geweest voor welk type agrarisch bedrijf zich waar heeft gevestigd. In de hele polder en over grote oppervlakten wordt op zware zavelgronden akkerbouw in de vorm van aardappelen, bieten, winterwortelen, tarwe en uien geteeld.
De pootaardappelenteelt is in de gemeente Noordoostpolder bijzonder sterk ontwikkeld. Naast de akkerbouw omvat de tuinbouw in open grond een aanzienlijk deel van het agrarisch grondgebruik. De tuin- en teeltbedrijven zijn over de hele polder verspreid. Op de lichte zavelgronden in het noordwesten worden veel sierbloemen en bollen geteeld. De bloeiende bollenvelden in het voorjaar zijn bepalend voor het beeld en de uitstraling van het landelijk gebied van de gemeente. De gemeente Noordoostpolder wil de landbouw - en zeker de akkerbouw en de tuinbouw - de komende jaren volop de ruimte bieden. Het overgrote deel van het landelijk gebied blijft primair in gebruik als landbouwgebied. 4.3.1.3 Ambitie Bevolking en wonen De gemeente Noordoostpolder streeft naar een aantrekkelijke, uitnodigende fysieke woon- en leefomgeving en daarbij richt de gemeente zich vooral op (tijdelijke) inwoners van de gemeente Noordoostpolder. De gemeente zet in op een afwisselend woningaanbod en voegen bijzondere woonmilieus toe, zoals in de Wellerwaard. De aandacht verschuift van kwantiteit (veel bouwen) naar kwaliteit (dat wat er al is behouden, verbeteren en/of transformeren). Er zijn mogelijkheden voor het realiseren van landgoederen en wonen in vrijkomende agrarische bebouwing:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp Wonen op vrijkomende agrarische erven Jaarlijks komen er tien tot twintig agrarische erven vrij door schaalvergroting (grond wordt verkocht, maar het erf blijft bestaan). Om de erven een andere invulling te kunnen geven, wil de gemeente de woonfunctie toestaan onder de voorwaarden dat: • • • • •
het woonerf wordt teruggebracht naar de oorspronkelijke omvang en schuren buiten het erf worden gesloopt; de erfsingel wordt behouden, dan wel opnieuw aangeplant; er maximaal vier woningen per erf worden gebouwd in maximaal drie bouwvolumes; dit kan door te wonen in de huidige bebouwing maar ook door ‘rood voor rood’ (nieuwbouw in ruil voor sloop van bestaande gebouwen); het woonmilieu/woningtype niet concurreert met woningen in de dorpen; er geen negatieve effecten optreden voor omliggende bedrijven; bedrijven mogen niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt.
4.3.1.4 Toetsing van het initiatief aan de ‘Structuurvisie Noordoostpolder 2025’ In voorliggend geval is sprake van een erf met een agrarische bestemming welke haar agrarische functie voor een deel heeft verloren. De bedrijfswoning met bijbehorend bijgebouw zijn afgesplitst. Het achtererf met daar aanwezige schuur wordt nog wel volop voor agrarische activiteiten gebruikt. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een aangepast agrarisch bouwvlak aan de achterzijde van de locatie Sloefweg 5 ten behoeve van een nieuwe werktuigenberging en bijbehorend erf voor het akkerbouwbedrijf. De agrarische gebruiksmogelijkheden worden terug geschaald tot opslag van materieel en agrarisch producten. Op deze wijze kan het akkerbouwbedrijf het erf goed blijven gebruiken, maar vormen de activiteiten geen belemmering voor de woonfunctie op het voorerf. De voormalige bedrijfswoning en bijbehorend bijgebouw worden reeds voor reguliere bewoning gebruikt. Er is in dit specifieke geval daarom niet zozeer sprake van een vrijgekomen agrarisch erf. Echter de bedrijfswoning heeft geen functie meer voor de akkerbouwactiviteiten die op het achtererf worden uitgevoerd. Door het voorerf met de woning een passende woonbestemming te geven kan dit gebruik duurzaam worden voortgezet en kan worden geïnvesteerd in het erf en de bebouwing.
De erfsingel rondom het plangebied blijft intact, zodat het kenmerkende ‘groene eiland’ gehandhaafd blijft en waar nodig is wordt aangeplant. In het bestemmingsplan wordt hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Uit paragraaf 5.5 (milieuzonering) en 5.6 (geur) blijkt verder dat omliggende (agrarische) bedrijven als gevolg van voorliggende ontwikkeling niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Dit plan is in overeenstemming met de uitgangspunten zoals verwoord in de ‘Structuurvisie Noordoostpolder 2025’. 4.3.2
Welstandsnota gemeente Noordoostpolder 2016
4.3.2.1 Algemeen Op 29 november 2016 heeft de raad de welstandsnota ‘Ruimte voor kwaliteit en welstandsvrijheid’ vastgesteld. De welstandsnota geeft richting aan het welstandstoezicht in de Noordoostpolder en voor de inwoners van de gemeente biedt het plan helderheid over de welstandsbeoordeling van hun bouwplannen. Zoals de titel van de nota al aangeeft wordt onderscheid gemaakt tussen welstandsvrije en niet welstandsvrije gebieden. De selectie van niet-welstandsvrije gebieden heeft plaats gevonden aan de hand van twee criteria: • •
de cultuurhistorische betekenis van de bebouwing; de zichtbaarheid van de bebouwing vanuit belangrijke openbare ruimtes.
Op basis van deze criteria is besloten dat in de volgende gebieden welstandstoezicht blijft gelden:
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp 1. 2. 3. 4.
de kernen en beeldbepalende gebieden van Emmeloord; de dorpskernen en beeldbepalende gebieden van Marknesse, Ens, Luttelgeest, Bant, Creil, Espel, Tollebeek, Kraggenburg en Rutten; Nagele en Schokland in zijn geheel; het landelijk gebied.
4.3.2.2 Welstandscriteria Landelijk gebied Het landelijk gebied omvat het grondgebied van de gehele gemeente Nooroostpolder, met uitzondering van bebouwde kommen van Emmeloord, de dorpen en Schokland en het IJsselmeergebied. Beleid De aandacht voor de cultuurhistorie van Noordoostpolder is groot en de verwachting is dat dit naar de toekomst toe nog belangrijker wordt. Het unieke verhaal van de Noordoostpolder vraagt om een werkwijze, waarbij zorgvuldig met de kwaliteiten van de polder omgegaan dient te worden. Vanwege ouderdom van de bebouwing in het buitengebied, de vrijkomende agrarische bedrijfskavels, de mogelijkheden voor niet agrarische bedrijfsactiviteiten en de mogelijkheden voor alternatieve woonvormen is in de (nabije) toekomst nieuwbouw van woningen in het buitengebied meer dan ooit aan de orde. In de welstandsnota zijn naast de welstandcriteria voor oorspronkelijke bebouwing ook welstandcriteria voor nieuw te bouwen woningen en bedrijfshallen in het buitengebied opgenomen. Toelichting Het regelmatige patroon van boerderijen met erven met daarop veelal montageschuren, de landarbeiderswoningen en de beplantingsmantel rond de erven zijn uniek voor Nederland en zeer kenmerkend voor Noordoostpolder. Door ontwikkelingen in de land- en tuinbouw, en vermindering van het aantal landbouwbedrijven, kunnen deze karakteristieken echter veranderen.
Met zorgvuldige ontwerpen is het mogelijk daarbij belangrijke elementen te handhaven, maar noodzakelijk is dat niet. Nieuwe architectuur kan naast de bestaande cultuurhistorische karakteristieken verfrissend zijn en kwaliteit toevoegen in een veranderende omgeving die dynamiek uitstraalt. In de welstandscriteria is deze visie uitgewerkt. Uit stedenbouwkundig en cultuurhistorisch oogpunt is het van belang de groensingels rond de erven te handhaven. Dat wordt echter niet door de welstandsnota geregeld, maar via het bestemmingsplan. 4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota gemeente Noordoostpolder Voor de nieuwe werktuigenberging op het erf gelden welstandcriteria. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning voor de werktuigenberging wordt getoetst aan de welstandsnota. 4.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend initiatief past binnen de gemeentelijke beleidskaders.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
5.1
Geluid (Wet geluidhinder)
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan, indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidsgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. De functie 'wonen' is aan te merken als een geluidsgevoelige functie. 5.1.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk gemaakt. De bedrijfswoning is een bestaande geluidsgevoelige functie die wordt omgezet naar een reguliere woning. De Wgh maakt geen onderscheidt in reguliere en bedrijfswoningen. De aspecten weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai behoeven daarom geen nadere aandacht. Wat betreft de invloed van de ontwikkeling op functie/bedrijven in de omgeving wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.3
Conclusie
De Wet geluidhinder vormt in voorliggend geval geen belemmering.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2
Situatie plangebied
Door Terra Agribusiness is een bodemonderzoek uitgevoerd voor de gronden binnen het plangebied die een woonbestemming krijgen. De resultaten van het bodemonderzoek worden hierna behandeld. Voor de rapportage van het bodemonderzoek wordt verwezen naar bijlage 1 van deze toelichting. In de bovengrondmengmonsters (BM1, BM2 en BM4) zijn geen verhogingen aangetroffen. In het bovengrondmengmonster (BM3) is een lichte verhoging PCB som 7 aangetroffen. In het grondwatermonster (PB1 WM1) zijn lichte verhogingen 1,1,2-Trichloorethaan, zink en barium aangetroffen. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt voor dit onderdeel geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 5.2.3
Conclusie
De bodemkwaliteit vormt in voorliggend geval geen belemmering. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
In subparagraaf 5.3.1.1 worden voorbeelden aangegeven die aangemerkt worden een project dat ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan luchtverontreiniging. In vergelijking hiermee is dit plan zeker aan te merken als een project dat ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan luchtverontreiniging. Verwacht wordt dat de situatie verbeterd, omdat agrarische gebruiksmogelijkheden zoals het houden van vee worden ingeperkt. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Sloefweg 5 te Ens’ Ontwerp 5.3.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2