CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

14.1 Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Oosterringweg 65-1 te Bant'.pdf

Gemeenteraad 13 december 2021, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 14: Bestemmingsplan Landelijk gebied, Oosterringweg 65-1 te Bant27.003 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Bij de hogere heg131

gen, zoals bijvoorbeeld rond de boomgaard, werden de struiken in twee rijen op ruimere afstand van elkaar, zo'n 50 centimeter, gepoot. De struiken konden daardoor wat meer uitgroeien. Soms werd als afscheiding een snel groeiend singeltje van els en later weg te kappen struiken geplant.57 De aanleg van boomgaard, moestuin en siertuin was een zaak van de pachters. Voor de aanplant van fruitbomen konden zij terugvallen op een advies van de Nederlandsche Heidemaatschappij. 58 De moestuin werd veelal naar eigen inzicht aangeplant. Groen­ ten en kruiden waarmee men van oudsher vertrouwd was, maakten het leeuwendeel uit van hetgeen werd verbouwd.59 Als aanzet voor de siertuin kregen de boeren van de Directie van de Wieringermeer 25 grove sierheesters.60 De Directie hoopte dat de boeren hun siertuinen zouden afstem­ men op het landschap van het nieuwe land en zo zouden inrichten dat er weinig onder­ houd nodig was: "Daar de tuinen in een polderlandschap liggen, een landschap met over het algemeen sprekende kleuren, rechte lijnen en een strakke, eenvoudige beplanting, behoren ook de tuinen zich hierbij aan te passen. Rotspartijen, slingerpaden en andere 'ornamen­ ten' zijn hier niet op hun plaats. De opzet dient eenvoudig te zijn, zo eenvoudig zelfs dat de tuin gedurende de drukke oogstperiode nog in een verloren uurtje kan worden onderhouden.

De hoofdmotieven in de tuin moeten worden gevormd door een groot gazon, wat heestergroepen, enkele bomen en een rand van vaste planten, rozen en/ of zaaibloemen. De keuze van de te gebruiken soorten kan eenvoudig zijn; exoten en vooral een overmaat van coniferen dient te worden vermeden:' 61 De Directie van de Wieringermeer dacht bij de vormgeving van de siertuin in de Noord­ oostpolder niet aan nieuwe versies van de drie traditionele boerentuintypen. Ze voelde dus geenszins voor een 'versierde' nutstuin, noch voor boerentuinen in een formele of een landschapsstijl.62 Ook de aanleg van tuinen die bij stadswoningen of villa's gebrui­ kelijk waren, kon haar instemming niet wegdragen. De ideale siertuin in de Noordoost­ polder diende een duidelijk polderkarakter te dragen. Inspiratie daarvoor kon worden opgedaan in de Wieringermeer, waar vele boerderijen van 'mooie' en grote poldertuinen waren voorzien. 63 In een schrijven aan de pachters van de uitgifte 1949 constateerde het hoofd van de Sociaal-economische Afdeling Minderhoud eind oktober 1950 dat een aantal tuinen er weliswaar behoorlijk uitzag, maar ook dat velen "de toets van een gematigde critiek" niet konden doorstaan.

Aangezien de verantwoorde aanleg van een tuin "bijzondere vakbekwaamheid" vereiste, had de Directie besloten een tuinarchitect aan te trekken die de pachters voorlichting kon geven.64 Eind januari 1951 deelde men de boeren mede dat ze voortaan adviezen konden inwinnen bij tuinarchitect J. Meijers, die enkele dagen per week zitting zou houden in het kantoor van de Bouwkundige Afdeling te Emmel­ oord.65 De in Dordrecht woonachtige Meijers maakte deel uit van het Tuinarchitectenbureau Buys-Meijers (later Buys-Meijers-Warnau) te 's-Hertogenbosch, maar verrichtte op per­ soonlijke titel werkzaamheden voor de Directie.66 Hij beschouwde "het ontwerpen van een aanvaardbare en aesthetisch verantwoorde erf situatie voor iedere pachter afzonder132

Een siertuin =oals de Directie van de Wieringermeer die graag zag, op kavel M88 aan de Lindeweg ten zuidwesten van Lu11elgeest (bedrijf E. van de Dee11),j1111i 1955 (foto Van Wijk).

lijk" als zijn primaire polderactiviteit.67 Vandaar dat hij zijn werkzaamheden ook niet beperkte tot advisering omtrent de aanleg van boerentuinen. Dit was zeer tegen de zin van de Afdeling Bebossing en Beplanting, die meende dat de tuinarchitect zich te ruime bevoegdheden aanmatigde. Landschapsarchitect Kelder, die aan deze afdeling verbon­ den was, beklaagde zich er dan ook al medio 1951 over dat Meijers zich in toenemende mate bemoeide met de indeling van erven, de beplanting van singels en de aanplant van fruitbomen.68 De gerezen problemen kwamen voort uit het feit dat Meijers bij de aanvang van zijn werkzaamheden geen heldere taakomschrijving had gekregen. Het leek de directiever­ gadering in oktober 1951 dan ook raadzaam alsnog tot zo'n omschrijving te komen. Zo kon ook het aantal dagen dat de tuinarchitect in de Noordoostpolder geacht werd door te brengen beter worden vastgesteld.69 A.G. Lindenbergh, die belast was de leiding van de Onderafdeling Domeintoezicht, stelde daarop voor de indeling van de erven toe te vertrouwen aan een nog op te richten commissie en de werkzaamheden van Meijers te beperken tot adviezen over de wijze waarop pachters "een nette boerentuin" konden aanleggen.

Door Meijers een strak afgebakende taak te geven, kon tevens flink worden bespaard op de uitgaven die met zijn werkzaamheden waren gemoeid.7° De directievergadering kon zich in de strekking van Lindenberghs rapport vinden, maar vond wel dat Meijers in de voorgestelde commissie zitting moest hebben.71 Op 18 februari 1952 kwam de 'Commissie voor de indeling van boerderijerven' voor het eerst 133

bijeen. Aanwezig waren domeinopziener A. de Groene, rijkstuinbouwconsulent ir J.J. Pettinga, houtvester in de Noordoostpolder ir L.W. Wilmes, boerderij-architect No­ back, Kelder en Lindenbergh. De laatste trad op als voorzitter en zette beknopt de werk­ wijze uiteen: "Door de Commissie wordt aan de hand van door de Bouwk. Afd. vervaardigde situ­ aties, waarop alleen de grenzen van het erf, de gebouwen en de paden zijn aangegeven, een erfindeling gemaakt. De plaats van de singels, siertuin, moestuin en boomgaard wordt bepaald, waarbij voldoende bedrijfsruimte voor opslag van producten en voor eventueel door de pachters te bouwen silo's wordt gereserveerd. De Landmeetk. Afdeling maakt van deze aldus vastgestelde erfindeling een tekening, waarvan een exemplaar wordt toegezonden aan de betrokken pachter, de domeinopzieners te Em­ meloord en aan de heren Meijers, Ir Wilmes en Ir Pettinga. Vervolgens worden de pachters in de gelegenheid gesteld om de erfindeling te komen bespreken en hun wen­ sen kenbaar te maken. Zonodig kan de erfindeling dan gewijzigd worden. Van de ge­ wijzigde erfindeling wordt dan opnieuw een kaartje getekend en aan de betrokkenen toegezonden. Aan de hand van de aldus vastgestelde erfindeling kan de Afd.

Bebos­ sing en Beplanting dan de singels en erfscheidingen planten, de heer Pettinga kan ad­ viseren over de aanleg van de boomgaard en de heer Meijers kan advies geven over de aanleg van de siertuin." 72 A.G. Lindenbergh, 7 oktober 1949 (/otoJ V. Potuyt).

134

Begin 1953 werd de werkwijze van de commissie enigszins vereenvoudigd. De leden be­ sloten zich tijdens hun vergaderingen niet meer te buigen over ieder boerenerf, maar zich alleen nog bezig te houden met het ontwerpen van erfindelingen voor elk type uit te geven bedrijf. L. H. Bos, tekenaar in dienst van de Directie van de Wieringermeer, moest daarna de erfindeling voor elk afzonderlijk bedrijf in kaart brengen. Zijn tekenin­ gen werden vervolgens op een aantal nader te bepalen dagen met de pachters besproken. Op diezelfde dagen kon Meijers in de polder zitting houden om de boeren advies te ge­ ven over de aanleg van een siertuin.73 Bos had vanaf het begin van Meijers' bezigheden in de polder vele hand- en spandiens­ ten verleend aan de tuinarchitect. Door de taakafbakening van Meijers kwam er ten dele een einde aan die ondersteuning. Bos mocht de door Meijers gemaakte tuinontwerpen nog wel uitwerken, maar voor verdere diensten werd hij niet meer beschikbaar gesteld. De tuinarchitect zelf werd te verstaan gegeven dat zijn wens om ingeschakeld te worden bij het ontwerpen van algemene beplantingen in de polder "voorshands niet voor ver­ wezenlijking vatbaar" was.

Ook liet de Wieringermeerdirectie Meijers weten dat hij dui­ delijk onderscheid diende te maken tussen zijn jaarlijkse ontwerparbeid voor de nieuw uit te geven bedrijven en zijn andere vormgevingsactiviteiten, zoals het aanpassen van reeds bestaande siertuinen. Alleen de eerstgenoemde activiteit verrichtte hij in opdracht van de Directie en brachten voor de polderboeren geen kosten met zich mee. De overige werkzaamheden werden als particuliere opdrachten beschouwd.74 Door de werkzaamheden van de Commissie voor de indeling van boerderijerven en de nauwkeurige omschrijving van de adviseringstaak van de tuinarchitect nam het aantal dagen dat Meijers in de Noordoostpolder actief was gestaag af. In 1951 verbleef hij twee à drie dagen per week in de polder, na 1955 niet meer dan drie à vier dagen per jaar.75

DIPEC'M'E VJ..� DE WlERIN•J:.!iio:.iR ( �h>erdooet pold. •rw.rttu.) ZWOLU

,,, Ond.•M•rp

Clr.a .:•M•rk Cd .;.9011

err,1tuatu.

HO�Wl.G

z.w-,1h 29 Jr,;01 :154

lhtrb1J u'ld .;c l'tn ;t:1't:1lAJ ae ert'1ni•l1ni c� :J• b�r1Jr, ::06h 41• io�r 1• �1reet1� a a...su�t. n. aie..el1 .r. :ie �he1J1nos�n tu,Hn ie v,r,.:Ull•n.1• Ol'l­ d•r1hle:. ,..n h,H or:" 90rdec '1"Jor :h Af:1, !.,bonl.t1,i; •?:: l•pla"l­ \1.i:ic 'f'&ft :h DlNCth itpltri�. ':'•,·,na 1,1J" opt• te:ic•rulti( 4• erf•erbaNu,c"n ucg•.,... :i, Set br,..1ri ,•kle.ird.o "9..i nerd• •aOKflC� do !>lr•ch• aan,. !et:'t , de r.•". der p.d,;o 110.\ .:tnr 'J ulr W<r:lea ••�hF, :lcr•..,.:ir

••:1

V

V

V

0 0

0

0 0

��c�l�::..;°'.::!�,1�.;�:t�;;�;r��:r��!.��!11h;�:, 1,f/;� ·°"'

1/ ,.- per,. > . Jt.ochr. U ll'ltor p.110: •:.!lcin hebhn 4•c du h n rT : r l D d ;;�:�i;1!;� <iH ::� dej!:} � :::i. :!.:.,.� •111 :te p.ul\laa.{ v->er :•s.or •er,;eo: aoet 20-2, ei-, ztJll, <!h ,oor li:Ct "trY.e•r • 1, cc, "!Ha c,voral 't'01Jo,r,?:rlo s&lld ( .. 40 Olr:j .or!t u:,19't:r:17.t-:, Zand Xuct J op eon ll.ài•r Ht \e •1.J'i•n nl!dd4p6t �a!•!I . .- !:u.r,oar ••rC'alcn1� Of t.tt ::e­ !'leH.kar\oor t• l.aillMlotrd ••rkre,ti'n t4 C.•bben.

p;��-·t; r�· r:;,:!l

�••!��:..tin;..;:::.��:!��!/�!.;::�· 1:� �3e.-°:r!;;-;�:ft"!: . :s . �

boo'f4el puir •z�:-11 roet .-or.io.a. l•···Tor� 1. p.,r k\.ot ourvooT ;•bnu._ 111aken ••n !:1Jga"nd for-r11l rtJO, ':'n•n.. •�ri· 1u.i.,ooé1sd- CII' �, �/loen�"C J..Wl4 Juli •· •· OII (..(). -;.;1,1,r :ip h,u :;.;...,.-• .-az:t?or te r.r.:�rt '1• e:-1'1n!el1q t, ,u;:ro-.. 'I! besprtk<n, •urtlJ U e't'4nhod4 w!Jl141'l4•n KUnt ""1rstell, n, Tu1Au'('ll1t•ct ... • 1. rs ;.u b1Crt1J lld'f� .. P"on o"fer te un.:.•, ••n d• a1ori1.11n.

lH;l..-er:11 l <:•k•nlft.J• l !'cml\l.lu:-.

•z

29.,s. ·�,

ViX'tl I1S, DlRJC"lWE V,UI DE fl!:::Riltil.Rifi.!I: (�oo,,poU•"'e:-;..e11.

·�

'""· :t<.1c�1 �.....- kon. J..f •

,'

�vtllMAltOlilG. i:ir!:i CNtHl( Kl'\.t.HlM .-IIUlU

__ ....

··-

• kOCMC.NlUIH V MOUlUIN

0 Vl'UCNfl00f!4. 0 GIOKCI.OU +� IIIOOL K 10"CNMOK. ___ tl.t:(TII KAl(I.. -··• ttUr'OON KAKL , .l'tTtl.OUUMTAHK •·-·- WAll:lltLUOM l.SILO � •·•t D!MttCII &'.l. IIIAHOKIIAAN OP'tll ONOClll1U01t OPfTl\lU !IJN <.tlOUWO 000" Ot PIIÇ)4l(a VOO�GUTtlD[

[Rr!IIOCUHG

,-CHTU.1 l,..J 11:0[lll,.C.,

l(HUl:

1 tOOO

OAl WIJZ

8 IOUOUU NO W.WOllUIC. HO. T .tMltWON4ATOII MO • KI ICAPICAG

DIRECTIE VAN OE WIERINGERMEER NOOAOOOSTPOlOCRWtAKtN

00M[IN8tHttR

Vil' Ot

N.O POLDER

aco11ur: K-51

W:UUN ANI or: HOPWtG

De ontwerparbeid voor de erven van enkele staatsboerderijen76 werd in 1955 door Van Eck toevertrouwd aan de tuin- en landschapsarchitecte Mien Ruys, die grote bekend­ heid genoot door de voorbeeldtuinen die ze in Dedemsvaart aanlegde.77 De bouwkun­ dige was met Ruys in contact gekomen door haar lidmaatschap van de architectengroep 'de 8', die nauw betrokken was bij de planvorming en -realisering van het polderdorp Nagele. Met de opdracht aan Ruys werd afgeweken van de 'normale' gang van zaken bij de erfaanleg van staatsbedrijven. Gewoonlijk lagen zowel het ontwerp voor de erf­ indeling als de keuze van het plantmateriaal en de aanleg van singels en heggen geheel in handen van de Afdeling Bebossing en Beplanting van de Wieringermeerdirectie.78 135

Oosterringweg 65-1 te Bant ontwerp

Bijlage 2 Watertoets

marchitecten.nl

36

datum 16-3-2021 dossiercode 20210316-37-25853 Geachte heer/mevrouw Theo Mestemaker, U heeft de digitale watertoets doorlopen op de website www.dewatertoets.nl. De samenvatting in de email bevat de gegeven antwoorden op de vragen. Op basis van deze toets volgt u de korte procedure. Uitgangspuntennotitie met standaard waterparagraaf Hierbij ontvangt u de uitgangspuntennotitie voor de korte procedure van de watertoets. Deze notitie is automatisch gegenereerd op basis van de door u gegeven antwoorden en het ingetekende plangebied. Deze uitgangspuntennotitie bevat de voor uw plan relevante waterhuishoudkundige beleidsthema's, streefbeelden en de belangrijkste bijbehorende uitgangspunten en randvoorwaarden van Waterschap Zuiderzeeland die u kunt gebruiken bij het ruimtelijk laten meewegen van het waterbelang en bij het opstellen van de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van uw plan. Dit document bestaat uit drie delen: 1. Vooroverleg en andere waterbeheerder 2. De standaard waterparagraaf De standaard waterparagraaf is zo opgesteld dat u de tekst eenvoudig kunt gebruiken als basistekst voor uw waterparagraaf, waarbij deze op bepaalde punten nog aangevuld moet worden met een concrete toelichting voor de specifieke ontwikkeling. 3. Aanvullende informatie en ontwerprichtlijnen Na de standaard waterparagraaf volgt een onderdeel met overige relevante ontwerprichtlijnen.

De ontwerprichtlijnen in het laatste deel zijn niet relevant voor de ruimtelijke procedure. De ontwerprichtlijnen geven nadere informatie waar u bij de verdere uitwerking (o.a. civieltechnisch) rekening mee moet houden. Ook kan het zijn dat meld- en/of vergunningplichten bestaan voor de ontwikkeling inzake de wateraspecten. Dit helpt u om meldingen en/of aanvragen in te dienen die meteen in behandeling genomen kunnen worden. Team Waterprocedures Waterschap Zuiderzeeland Lindelaan 20 Postbus 229 8200 AE Lelystad (06) 1132 4178 (0320) 274 911 watertoets@zuiderzeeland.nl _________________________________________________________________________ Deel 1: Vooroverleg en andere waterbeheerder Positief wateradvies en geen vooroverleg Waterschap Zuiderzeeland geeft op basis van de door u gegeven antwoorden een positief wateradvies met daarbij een algemene opmerking die betrekking heeft op het bestemmen van waterbelangen. Wij willen u verzoeken de waterbelangen (o.a. waterlichamen, waterkeringen en rioolwaterzuiveringen) die eventueel aanwezig zijn binnen het plangebied op een juiste manier te bestemmen of te reguleren. Het team waterprocedures van het waterschap kan op uw verzoek daarover adviseren.

In verband met het beperkte waterschapsbelang achten wij het niet nodig om, aanvullend op dit wateradvies, in het kader van het ambtelijk vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de Ruimtelijke ordening vooroverleg te voeren over het ruimtelijk plan dat betrekking heeft op deze ontwikkeling cq. dit plangebied. Indien de wateraspecten in het ruimtelijk plan goed bestemd of gereguleerd worden dan zien wij het ontwerp ruimtelijk plan met vertrouwen tegemoet. In verband met een eventueel benodigde watervergunning kan vooroverleg overigens wel nodig zijn. _______________________________________________________________________________________________ Deel2 Standaard waterparagraaf korte procedure

<De standaard waterparagraaf is zo opgesteld dat u de tekst eenvoudig kunt gebruiken als basistekst voor uw waterparagraaf, waarbij deze op bepaalde punten nog aangevuld moet worden met een concrete toelichting voor de specifieke ontwikkeling.> Inleiding Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging). De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. De watertoetsprocedure kan op drie manieren gevolgd worden: de procedure geen waterschapsbelang, de korte procedure en de normale procedure. Welke procedure gevolgd moet worden hangt af van de implicaties van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding. De procedure geen waterschapsbelang en de korte procedure zijn bedoeld voor ruimtelijke plannen met beperkte gevolgen voor de waterhuishouding.

Bij deze twee procedures kan de watertoets volledig digitaal doorlopen worden. De normale procedure is gericht op ruimtelijke plannen met relatief vergaande consequenties voor de waterhuishouding. In dit geval is actieve betrokkenheid van Waterschap Zuiderzeeland nodig. De relevante randvoorwaarden voor het plan zijn gerangschikt onder zeven streefbeelden ingedeeld op basis van de drie waterthema's Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Van streefbeeld naar randvoorwaarde vindt u het uitgangspunt, dat het vertrekpunt vormt bij de verwezenlijking van het streefbeeld. U krijgt op deze manier een goed overzicht van de randvoorwaarden en kan eveneens herleiden waarop deze gebaseerd zijn. Thema Veiligheid Het plan ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Thema Voldoende water Wateroverlast Streefbeeld Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunt wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast.

Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Goed functionerend watersysteem Streefbeeld Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarde(n) goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. De planontwikkeling leidt niet tot nieuwe peilvakken. De planontwikkeling heeft geen gevolgen heeft voor het streefpeil van het oppervlakte water in of in de omgeving van het plangebied. Het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) zal door de planuitvoering niet verslechteren. Het plangebied bevindt zich binnen tien meter afstand van een bestaande watergang.

De watergang wordt ten minste aan één zijde voorzien van een obstakelvrije werkstrook van minimaal 5 meter breed. Bij een waterbreedte vanaf 12 meter geldt dit aan weerszijden. Bij een talud van 1:4 of flauwer is geen onderhoudsstrook nodig. <Aanvullen: Hier worden alle aanpassingen in het watersysteem aangegeven en wordt aangegeven hoe de waterhuishoudkundige zaken bestemd worden. Bijvoorbeeld de aanleg van watergangen, infiltratievoorzieningen. Daarnaast worden hier ook de dimensies van het watersysteem aangegeven of randvoorwaarden voor de aanleg hiervan (voor zover ruimtelijk relevant). Bijvoorbeeld de dieptes van watergangen bij streefpeil, de profielen en randvoorwaarden waaraan het watersysteem zal voldoen.> Anticiperen op watertekort Streefbeeld Het waterschap wil een robuust watersysteem dat voorbereid is op de effecten van toekomstige klimaatveranderingen. Tot nu toe ligt de

nadruk bij klimaatveranderingen met name op meer extreme neerslag en stijging van de zeespiegel. Ook extreem droge periodes zullen echter vaker voor komen. Het robuuste watersysteem dat het waterschap nastreeft moet hier ook op anticiperen. Thema Schoon Water Goede structuurdiversiteit Streefbeeld Het waterschap streeft naar goede leef, verblijf- en voortplantingsmogelijkheden voor de aquatische flora en fauna in het beheergebied. Goede oppervlaktewaterkwaliteit Streefbeeld Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. Uitgangspunten In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Verontreinigingen worden voorkomen of aangepakt bij de bron. Randvoorwaarde(n) Conform de Waterwet (Ww) is het verboden om zonder vergunning afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen in welke vorm dan ook te brengen in oppervlaktewateren. Schoon regenwater mag zonder waterstaatswerk direct geloosd worden op oppervlaktewater. Indien hiervoor een voorziening zoals een drain of buis wordt aangebracht is hiervoor een vergunning nodig.

Lozingen op oppervlaktewater als gevolg van uitlogende materialen verwerkt in bouwwerken (bijvoorbeeld zinken of koperen daken) zijn vergunningplichtig. Lozingen op kwetsbaar water van alle typen oppervlakken gemaakt van uitlogende materialen worden verboden door het waterschap. Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Uitgangspunt(en) Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt verwerkt. Voor bestaande gebieden wordt gestreefd naar het afkoppelen van verhard oppervlak. Het ombouwen van bestaande stelsels naar "zuiverend" gescheiden stelsels heeft een sterke voorkeur. Afstromend regenwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Verontreinigingen door afvalwater (huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater) worden voorkomen. Randvoorwaarde(n) Bij nieuwbouwgebieden is de aanleg van een "zuiverend" gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. In bestaand gebied wordt ernaar gestreefd om schoon regenwater af te koppelen van het rioolstelsel.

Onder schoon hemelwater wordt verstaan: ● Hemelwater van verhardingen met een verkeersintensiteit lager dan 1000 voertuigen per dag; ● Hemelwater vanaf parkeerplaatsen met minder dan 50 plaatsen; ● Hemelwater van daken/woningen waarbij geen voor het watersysteem; schadelijke uitloogbare stoffen zijn gebruikt; ● Hemelwater van onverhard terrein; ● Hemelwater van centrumgebieden (met uitzondering van marktterreinen).

___________________________________________________________________________________ Deel 3: Aanvullende informatie en ontwerprichtlijnen In dit deel van de uitgangspuntennotitie vindt u aanvullende informatie en relevante ontwerprichtlijnen. Deze zijn niet relevant voor de ruimtelijke procedure. Het kan zijn dat meld- en/of vergunningplichten bestaan voor de ontwikkeling inzake de wateraspecten. De ontwerprichtlijnen geven nadere informatie waar u bij de verdere uitwerking (o.a. civieltechnisch) rekening mee moet houden. Dit helpt u om meldingen en/of aanvragen in te dienen die meteen in behandeling genomen kunnen worden. Thema Voldoende Water Wateroverlast Hemelwater dat op grondgebonden zonnepanelen terechtkomt kan grotendeels rechtstreeks onder de panelen infiltreren in de bodem. Bij extreme neerslag kan na verloop van tijd - een verhoogd risico bestaan op oppervlakkige afvoer over het maaiveld. De zonnepanelen concentreren de neerslag aan de onderzijde van de panelen (druiplijn). Door deze neerslagconcentratie kan de bodem dichtslaan (verslempen) waardoor geulvorming ontstaat en daarmee oppervlakkige afvoer van hemelwater. Een en ander is afhankelijk van de samenstelling van de

bodem en de lokale omstandigheden (bijvoorbeeld verhang in het bodemoppervlak). Mocht deze oppervlakkige afvoer het oppervlaktewatersysteem bereiken dan is sprake van afwentelen: versnelde afvoer van neerslag naar het watersysteem. Als deze situatie zich in de toekomst voordoet dan is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen om het afwentelen ongedaan te maken. Overige aandachtspunten zijn kabels en leidingen in relatie tot watergangen. In het geval dat de grondgebonden zonnepanelen worden geplaatst in een wateraanvoergebied geldt dat het beoogde grondgebruik (zonnepanelen) geen water vraagt. Het huidige of toekomstige beleid met betrekking tot wateraanvoer en waterbeschikbaarheid heeft geen betrekking op het beoogde grondgebruik. Mocht in de toekomst het grondgebruik weer worden aangepast naar een agrarische of andere functie met een watervraag, dan zal de mogelijkheid daartoe getoetst worden aan het dan geldende beleid. Het plangebied is niet gelegen in een gebied met een indicatief risico op opbarsten van de bodem. . Anticiperen op watertekort Ontwerprichtlijnen wateraanvoer Ontwerprichtlijnen grondwateronttrekkingen Provincie Flevoland en Waterschap Zuiderzeeland zijn samen verantwoordelijk voor de regulering van grondwateronttrekkingen ten behoeve van een goed beheer van het grondwater.

De provincie is verantwoordelijk voor onttrekkingen en infiltraties ten behoeve van warmte-koude-opslag, openbare drinkwaterwinning en voor industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Het waterschap is verantwoordelijk voor de overige grondwateronttrekkingen. Deze grondwateronttrekkingen moeten gemeld worden bij het waterschap. In de Keur van Waterschap Zuiderzeeland zijn de criteria opgenomen waarmee wordt bepaald of een aanvraag voor een grondwateronttrekking als melding of vergunning wordt afgehandeld. Voor een melding gelden algemene regels en kan maatwerk worden gesteld, voor een vergunning is een individuele beoordeling van de onttrekking noodzakelijk. Het waterschap kijkt onder andere naar effecten van de onttrekking op verontreinigingen in de omgeving, verzakking, bodemdaling of gevolgen voor de natuur. Als ten behoeve van de planontwikkeling een bronnering nodig is waarbij het grondwater wordt weggepompt voor een bodemsanering of om werkzaamheden in de bodem onder de grondwaterstand te kunnen uitvoeren dan moet dit gemeld worden en in bepaalde gevallen is een vergunning nodig. Hiervoor kunt u zich wenden tot het team Waterprocedures van Waterschap Zuiderzeeland ( waterprocedures@zuiderzeeland.nl) of via het Omgevingsloket (www.olo.nl) een aanvraag indienen. Er wordt in het plan geen gebruikt gemaakt van bodemenergie, ofwel warmte koude opslag.

Als bij deze planontwikkeling permanent grondwater zal worden onttrokken ten behoeve van bijvoorbeeld beregening, veedrenking of bedrijfsmatige toepassingen is hiervoor een melding of vergunning nodig. Deze kunt u aanvragen bij het waterschap of via het omgevingsloket. Thema Schoon Water Goede structuurdiversiteit Ontwerprichtlijnen nieuw oppervlaktewater Negatieve chemische beïnvloeding van de ecologische (water)kwaliteit of het ecologische functioneren van wateren, door ruimtelijk ontwikkelingen wordt voorkomen, omdat compensatie zeer beperkt mogelijk is. Compensatie voor verslechtering van ecologische omstandigheden en/of van waterkwaliteit is maatwerk en vindt altijd plaats in overleg met het waterschap. Bij compensatie van delen van KRW-waterlichamen moeten binnen hetzelfde waterlichaam die trajecten gekozen worden die qua abiotiek en biotiek vergelijkbaar zijn met de oorspronkelijke kenmerken van het te compenseren KRW-water. Voor niet-KRW-wateren kan compensatie, in sommige gevallen buiten hetzelfde watersysteem uitgevoerd worden. ___________________________________________________________________________________ Verklaring Dit document is een automatisch gegenereerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en heeft verklaard dat alles naar waarheid is ingevuld.

Indien er binnen het plan wordt afgeweken van bovengenoemde uitgangspunten, wordt u vriendelijke verzocht contact op te nemen met Waterschap Zuiderzeeland via via e-mail watertoets@zuiderzeeland.nlof per telefoon op telefoonnummer 0320 274911. Ook is het mogelijk de digitale watertoets opnieuw te doorlopen. www.dewatertoets.nl

DA TUM

BEH AN DE LD DOOR

23 september 2021

I. Gorlee DI R ECT NUMM ER

06-46 91 99 07

Gemeente Noordoostpolder dhr. K.H. de Jong Postbus 155 8300 AD EMMELOORD

ONDE RWE RP

wateradvies vooroverleg bestemmingsplan Landelijk gebied, Oosterringweg 65-1 te Bant ONS Z AA KNUMM ER

WPAD-00541 REG IS TR AT I ENUMM ER

WPAD-767234951-8

Geachte heer De Jong, Op 20 augustus 2021 ontvingen wij uw verzoek om advies in het kader van vooroverleg. U wilt advies over het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Oosterringweg 65-1 te Bant’. In deze brief geven wij ons advies in het kader van de watertoets. Voor het plan geldt de korte procedure Het plan regelt het aanpassen van de huidige horeca bestemming naar een woonbestemming. Het gedeelte buiten het erf krijgt een agrarische bestemming met een aanduiding ‘semi-agrarisch gebruik toegestaan’. De bestaande bebouwing en een deel van de verharding wordt gesloopt en wordt vervangen door een nieuw woonhuis. In het kader van de watertoets is de korte procedure van toepassing.

BIJ L AG EN

1 UW BR I EF V AN

20 augustus 2021 UW KEN ME RK

VERZ ON DEN

Positief wateradvies Deze brief is een positief wateradvies. De adviseur van de initiatiefnemer heeft informeel vooroverleg gehouden met het waterschap. Onze opmerkingen in dat kader zijn naar tevredenheid verwerkt. De gewenste ontwikkeling heeft beperkte gevolgen voor de waterhuishouding en waterstaatswerken. De beleidsthema’s Voldoende water en Schoon water zijn van toepassing. De waterparagraaf beschrijft de relevante streefbeelden, uitgangspunten en randvoorwaarden, aangevuld met een concrete uitwerking van de gevolgen voor de waterhuishouding. Vervolg voor initiatiefnemer Wij vragen u de initiatiefnemer erop te attenderen dat voor de planontwikkeling diverse meldings- en/of vergunningplichten bestaan voor handelingen in of nabij het watersysteem. Hiervoor verwijzen wij naar de bijlage bij deze brief.

AD RES WA TE RS CH AP SH UIS

Postbus 229 – 8200 AE Lelystad Lindelaan 20 – 8224 KT Lelystad www.zuiderzeeland.nl

T (0320) 274 911 watertoets@zuiderzeeland.nl

Vragen Voor vragen kunt u contact opnemen met mevrouw I. Gorlee. Vermeld hierbij ons zaaknummer: WPAD-00541. Het telefoonnummer is 06-46 91 99 07 en het e-mailadres is watertoets@zuiderzeeland.nl. Hoogachtend, het college van Dijkgraaf en Heemraden, namens dit college, de adviseur Waterprocedures,

mevrouw ing. I. Gorlee.

ONS K ENME RK

WPAD-767234951-8

2/2

Meldingen en/of vergunningen Wijziging naar woonbestemming en nieuwbouw woonhuis aan de Oosterringweg 65-1 te Bant 23-09-2021

Onderwerp:

Lozen afvalwater: afstromend hemelwater niet afkomstig van een bodembeschermende voorziening (dak, terreinverharding) in oppervlaktewater Lozen van huishoudelijk afvalwater afkomstig van de nieuwe woning in niet kwetsbaar oppervlaktewater

-

-

Lozen van grondwater

Onttrekken van grondwater

-

-

Wet-/regelgeving meldplicht op basis van de Waterwet en de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017 (OLO of webformulier waterschap)

4 of 8 weken

4 weken

4 of 8 weken

4 of 8 weken

Proceduretermijn 4 weken

Informatie procedures Op de website van Waterschap Zuiderzeeland: www.zuiderzeeland.nl of het Omgevingsloket online (OLO, www.omgevingsloket.nl) vind u informatie omtrent het aanvragen van een watervergunning of het indienen van een melding. Bepaalde meldingen inzake de Keur kunt u ook indienen via het webformulier op de website van het waterschap. Meerdere meldingen en/of aanvragen kunt u mogelijk combineren. Informeer hierover bij het team Waterprocedures. Voor hulp omtrent het aanvragen van een watervergunning of het indienen van een melding neemt u contact op met het team Waterprocedures via e-mailadres waterprocedures@zuiderzeeland.nl of telefoonnummer 06 1132 4178, b.g.g. 0320 274 911.

Lozingen huishoudelijk afvalwater in niet-kwetsbaar oppervlaktewater In de nabijheid van het perceel bevindt zich op dit moment geen openbaar rioolstelsel. Voor nieuwe lozingen van huishoudelijk afvalwater op uw adres geldt: Op grond van het gebiedsgerichte IBA-beleid en de beleidsregel ‘Directe lozingen van afvalwater van huishoudelijke aard in het buitengebied’ volgt het waterschap de lozingseisen van de landelijke wet- en regelgeving. Voor een lozing tot 6 vervuilingseenheden is een IBA klasse I (bv. septic tank 6 m³ of tenminste vergelijkbaar) voldoende. Voor grotere lozingen dient, afhankelijk van de grootte, een IBA klasse II of beter te worden toegepast.

meldplicht op basis van het Besluit lozing afvalwater huishoudens (OLO) ten minste 6 weken voor aanvang lozing

vergunning- of meldplicht* op basis van de Waterwet en de Keur Waterschap Zuiderzeeland 2017 (OLO) meldplicht op basis van het Besluit lozen buiten inrichtingen of vergunningplicht* op basis van de Waterwet (OLO) meldplicht op basis van het Besluit lozen buiten inrichtingen (OLO)

mogelijk: uitvoeren bronnering tijdens civieltechnische werken, dit betreft:

Werkzaamheden/activiteiten Aanleggen nieuw lozingspunt hemelwater/ huishoudelijk- / bedrijfsafvalwater in talud watergang

* Afhankelijk van het debiet geldt een meld- of vergunningplicht

Lozingen

Grondwater

Waterstaatswerken

-

In verband met de voorgenomen wijzigingen kan het noodzakelijk zijn maatregelen te treffen, teneinde nadelige gevolgen voor waterstaatswerken en het oppervlaktewatersysteem te voorkomen (dan wel te beperken). U als initiatiefnemer bent hiervoor verantwoordelijk, alsmede voor het tijdig indienen van de nodigde meldingen en/of vergunningaanvragen hiertoe. Voor het realiseren van het plan zijn de volgende meldingen en/of vergunningaanvragen (mogelijk) aan de orde ten aanzien van de wateraspecten:

Datum:

Vervolg voor de initiatiefnemer

Bijlage:

Oosterringweg 65-1 te Bant ontwerp

Bijlage 3 Bodemonderzoek

marchitecten.nl

37

Verkennend asbest bodemonderzoek Oosterringweg 65I Bant

Project

: nieuwbouw woning

Projectnummer

: 21232

Opdrachtgever

: Bouwbedrijf Bakker Heerenveenseweg 99 8471 ZA Wolvega

Opdrachtnemer

: Ingenieursbureau Boorsma

Projectleider

: drs. R.G.M. de Bruijn

Vestiging

: Drachten

Datum

: 08-07-2021

Naam:

Datum:

Opgesteld:

René de Bruijn

08-07-2021

Gecontroleerd:

Paul Tetteroo

08-07-2021

Paraaf:

Projectnr. Pagina Datum

: : :

21232 2 van 20 08-07-2021

Inhoudsopgave 1.

Inleiding ....................................................................................................................3

1.1.

Algemeen ..................................................................................................................3

1.2.

Aanleiding en doelstelling .........................................................................................4

2.

Vooronderzoek ........................................................................................................5

2.1.

Algemeen ..................................................................................................................5

2.2.

Locatiegegevens .......................................................................................................5

2.3.

Voorgaand onderzoek ...............................................................................................7

2.4.

Bodemopbouw en geohydrologie .............................................................................8

3.

Onderzoeksprogramma ..........................................................................................9

3.1.

Onderzoeksopzet ......................................................................................................9

3.2.

Veldwerk en chemische analyses .............................................................................9

4.

Veldwerk en analyses .......................................................................................... 10

4.1.

Visuele inspectie .................................................................................................... 10

4.2.

Asbest in grond ...................................................................................................... 10

4.3.

Analyses ................................................................................................................. 10

5.

Resultaten en conclusies .................................................................................... 13

Bijlage 1. Boorprofielen ........................................................................................................ 14 Bijlage 2. Analysecertificaten .............................................................................................. 15 Bijlage 3. Toetsingskader ..................................................................................................... 16 Bijlage 4. Foto's ..................................................................................................................... 18 Bijlage 5. Monsternameplan en- formulieren ..................................................................... 19

Figuren 1. 2. 3.

Situering onderzoekslocatie Locatie-overzicht met boringen verkennend bodemonderzoek Situering inspectiegaten asbest bodemonderzoek

Tabellen 1. 2. 3. 4.

Geraadpleegde bronnen Bodemopbouw Onderzoeksprogramma Analyseresultaten asbestgehalte

Project: Asbest bodemonderzoek Oosterringweg 65I Bant

Bestand: RA21232BOB1.docx

Projectnr. Pagina Datum

: : :

21232 3 van 20 08-07-2021

1. Inleiding 1.1.

Algemeen

In opdracht van Bouwbedrijf Bakker is door Ingenieursbureau Boorsma / Enviso in juni 2021 een verkennend asbestbodemonderzoek, conform de NEN 5707 ‘Bodeminspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem’, uitgevoerd op de locatie Oosterringweg 65I Bant. De regionale ligging van de locatie is weergegeven in Figuur 1. Figuur 1. Situering onderzoekslocatie

Project: Asbest bodemonderzoek Oosterringweg 65I Bant

Bestand: RA21232BOB1.docx

Projectnr. Pagina Datum

1.2.

: : :

21232 4 van 20 08-07-2021

Aanleiding en doelstelling

Aanleiding voor het verkennend onderzoek is de bouwvergunningaanvraag voor de nieuwbouw van een woning met bijgebouw. Omdat in 2009 een grote brand heeft gewoed is niet uit te sluiten dat door de brand asbest in de bodem is terecht gekomen en is de locatie verdacht. Inmiddels heeft er een asbestsanering plaatsgevonden van de materialen op de bodem, maar er zijn geen gegevens bekend over de eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem. Het doel van het verkennend asbestbodemonderzoek is het bepalen van de eventuele concentratie(s) aan asbest in de grond en of de hergebruiksnorm (100 mg/kg ds) overschreden wordt.

Project: Asbest bodemonderzoek Oosterringweg 65I Bant

Bestand: RA21232BOB1.docx

Projectnr. Pagina Datum

: : :

21232 5 van 20 08-07-2021

2. Vooronderzoek 2.1.

Algemeen

In maart 2021 is op de locatie een verkennend bodemonderzoek verricht door Ingenieursbureau Boorsma. Ten behoeve van dit verkennend onderzoek is een vooronderzoek verricht, georiënteerd op de richtlijnen uit de NEN 5725: 2017. In dit verband zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Tabel 1. Geraadpleegde bronnen Informatie

Bron

Kadastrale kaart

Kadaster.nl, PDOK.nl

Luchtfoto’s

Google Maps

Topografische kaarten

www.topotijdreis.nl

Archief

Ingenieursbureau Boorsma

Bodemonderzoeksrapporten

Bodemloket.nl, Nazca4u.nl/bodem

Bodem- en geohydrologische informatie

Dinoloket.nl

Terreininspectie

Ingenieursbureau Boorsma

Gesprek

dhr. J. Vledder (namens opdrachtgever)

2.2.

Locatiegegevens

De locatie Oosterringweg 65I Bant is kadastraal geregistreerd als perceel 1544, sectie G, gemeente Noordoostpolder. Het perceel heeft een oppervlak van 5710 m2. Het nieuwbouw oppervlak van de woning is 175 m2; het oppervlak van het bijgebouw is 80 m2. De locatie ligt braak. Er heeft zich in het verleden een restaurant bevonden; dit is afgebrand in 2009. Er rest nog slechts een verharding van asfalt, beton en klinkers. Delen van het terrein zijn niet verhard. Dit is te zien op de foto's in Bijlage 4. Het betreft een voormalige boerderij met bijgebouwen die in 2006 is omgebouwd tot een restaurant (Bandito Ranch). Thans zijn nog de funderingen van de gebouwen en de verhardingen met aangelegde parkeerplaatsen aanwezig. De huidige bestemming is horecagelegenheid met restaurant en speeltuin. De kavel is gelegen nabij de snelweg A6 op circa 300 meter afstand van de afslag Bant/Luttelgeest, aan de kruising van een provinciale weg (Oosterringweg) en een gemeentelijke weg (Friesepad) naar welke beide wegen het perceel een ontsluiting heeft. Het perceel ligt op ongeveer 1,5 km van het dorp Bant en 5 km van Emmeloord. In de omgeving van de onderzoekslocatie bevinden zich boerderijen. Het locatie-overzicht is weergegeven in Figuur 2.

Project: Asbest bodemonderzoek Oosterringweg 65I Bant

Bestand: RA21232BOB1.docx

Figuur 2. Locatieoverzicht met boringen verkennend bodemonderzoek

N

◙ B2

Ф PB1

◙ B4 ◙ B3 ◙ B5 ◙ B6

Legenda ◙ boring Ф peilbuis

0m

1544

kadastraal perceel kadastrale grens

25 m

Projectnr. Pagina Datum

2.3.

: : :

21232 7 van 20 08-07-2021

Voorgaand onderzoek

Op Bodemloket.nl zijn er rapporten vermeld van voorgaand bodemonderzoek die betrekking hebben op de locatie Oosterringweg 65I Bant. Zo is er in 2006 een verkennend bodemonderzoek verricht in het kader van de bouwvergunningaanvraag voor een pannekoekenboerderij. In de grond en het grondwater zijn lichte verontreinigingen met zware metalen, PAK, minerale olie en bestrijdingsmiddelen aangetroffen. Dit onderzoek gaf aanleiding voor een nader onderzoek verricht in 2006 door de Grondslag. De aanleiding betrof het ontbreken van grondwateronderzoek t.p.v. het akkerland. Hier is vervolgens een extra peilbuis geplaatst. In het grondwater is een lichte verontreiniging met koper en zink vastgesteld. Bij de brand in 2009 is er asbestverdacht materiaal vrijgekomen. Vervolgens heeft er een asbestsanering plaatsgevonden en is er een asbestinventarisatierapport opgesteld en heeft er een visuele asbestinspectie plaatsgevonden na het verwijderen van het asbest. Vervolgens is in 2010 een verkennend onderzoek verricht door Foppen Advies, naar aanleiding van de verkoop van de locatie. Foppen heeft 3 verdachte deellocaties onderscheiden: een voormalige bovengrondse HBO-tank, een voormalige bovengrondse diesel- en petroleumtank en een voormalige bestrijdingsmiddelenopslag. In de grond is een lichte verontreiniging met zink aangetroffen.

In het grondwater is een lichte tolueenverontreiniging vastgesteld. Het onderzoek gaf geen aanleiding voor nader onderzoek noch saneringsmaatregelen. Er wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen bestaan voor de transactie. In maart 2021 is in het kader van de bouwvergunningaanvraag voor de nieuwbouw van de woning met bijgebouw een verkennend bodemonderzoek verricht door Ingenieursbureau Boorsma. In de bovengrond is een lichte verontreiniging met lood vastgesteld. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen vastgesteld. In het grondwater is een lichte verontreiniging met barium aangetroffen. Geconcludeerd werd dat er geen milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de nieuwbouw. De boringen en peilbuis zijn weergegeven in Figuur 2. Op 4 mei 2021 heeft de OFGV middels een brief aan de gemeente Noordoostpolder een beoordeling van het verkennend onderzoek verstrekt. Hierin wordt gesteld dat een verkennend asbestbodemonderzoek verricht moet worden omdat in 2009 een brand heeft gewoed waardoor niet uit te sluiten is dat door de brand asbest in de bodem is terecht gekomen en waardoor de locatie verdacht is. Inmiddels heeft er een asbestsanering plaatsgevonden van de materialen op de bodem. Echter er zijn geen gegevens bekend over de eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem.

Project: Asbest bodemonderzoek Oosterringweg 65I Bant

Bestand: RA21232BOB1.docx

Projectnr. Pagina Datum

2.4.

: : :

21232 8 van 20 08-07-2021

Bodemopbouw en geohydrologie

De bodemopbouw is in Tabel 2 schematisch weergegeven. Hiervoor is uitgegaan van de handboringen verricht in het kader van het bodemonderzoek. De profielbeschrijvingen van de handboringen zijn in Bijlage 1 van dit rapport weergegeven. De boorprofielen zijn samengesteld volgens de norm NEN 5104.

Tabel 2. Bodemopbouw Diepte (m-mv)

Lithologie

0,0 – 0,5

Zand, fijn, matig siltig, bruingrijs / beige. Plaatselijk klei, licht zandig / sterk siltig, grijs.

0,5 – 1,0

Klei, matig zandig / matig siltig, (blauw)grijs.

1,0 – 3,8

Zand, fijn, licht siltig, lichtgeel.

m-mv = meter beneden maaiveld

Het maaiveld bevindt zich op circa 3,6 m-NAP ter plaatse van de onderzoekslocatie. Voor de geohydrologie is georiënteerd op het DINO bodem- en grondwaterbestand van TNO: In deze regio bevindt zich een deklaag (Formatie van Naaldwijk) bestaande uit zandige klei en fijn zand met plaatselijk veen, van maaiveld tot 1 à 2 meter diepte. Het eerste watervoerende pakket reikt tot 15 m-mv en bestaat uit zandige afzettingen van de Formaties van Boxtel en Kreftenheye. De eerste scheidende laag met klei van de Eemformatie is vervolgens aanwezig tot 17 m-mv. De regionale stroming van het freatische grondwater is moeilijk te herleiden door de polderbemaling en drainage. De locatie ligt in de Noordoostpolder; dit is een kwelgebied.

Project: Asbest bodemonderzoek Oosterringweg 65I Bant

Bestand: RA21232BOB1.docx

Projectnr. Pagina Datum

: : :

21232 9 van 20 08-07-2021

3. Onderzoeksprogramma 3.1.

Onderzoeksopzet

Ten behoeve van het verkennend asbestbodemonderzoek is een programma voor veld- en laboratoriumonderzoek opgesteld, waarbij de onderzoekslocatie op basis van de historie als ‘verdacht’ is beschouwd. Het programma voor veld- en laboratoriumonderzoek is opgesteld op basis van de NEN 5707, strategie ‘verdachte locatie met een diffuse bodembelasting, heterogeen verdeeld’ (VED-HE). Er heeft al een asbestsanering plaatsgevonden van de materialen op de bodem en op de verharding. Daarom heeft dit asbestonderzoek zich gericht op de bodem in het onverharde terreindeel.

3.2.

Veldwerk en chemische analyses

De onderzoeksstrategie is weergegeven in Tabel 3. Tabel 3. Onderzoeksprogramma Veldwerk Terreindeel

Strategie

Opp. (m2)

4000

Chemische analyses

Minimaal aantal visueel te inspecteren punten van het maaiveld

Gaten in de verdachte laag tot max. 0,5 m in de verdachte laag

Aantal gaten tot onderzijde verdachte laag (max. 2 m)

Aantal te analyseren (meng)monsters per verontreinigingskern

15

15

3

3 x asbest in grond

onverharde deel locatie

VED-HE

m-mv

meter beneden maaiveld

De uitgangspunten voor de veld- en analysewerkzaamheden zijn als volgt: − De chemische analyses zijn verricht door het door de Raad voor Accreditatie erkende milieulaboratorium Eurofins Analytico. − Voorafgaand aan het onderzoek is het maaiveld visueel geïnspecteerd. − Bij alle proefgaten en boringen is een zintuiglijke beoordeling van het opgegraven of opgeboorde materiaal verricht. − Selectie van grondmonsters voor chemische analyse heeft plaatsgevonden op basis van deze waarnemingen tijdens het veldwerk. − Het veldwerk is conform de geldende NEN-normen, NPR-richtlijnen en BRL SIKB 2000 richtlijn voor bodemonderzoek onder certificaat uitgevoerd door dhr. K. Bouma van Enviso. − Enviso is in het kader van Kwalibo gecertificeerd volgens de BRL SIKB 2000 richtlijn voor bodemonderzoek, en beschikt over de erkenning door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat voor protocol SIKB 2018. − Het veldwerk en de rapportage zijn in onafhankelijkheid uitgevoerd. Er bestaat een functionele scheiding tussen Ingenieursbureau Boorsma, Enviso en de eigenaar van het terrein alsook de opdrachtgever.

Project: Asbest bodemonderzoek Oosterringweg 65I Bant

Bestand: RA21232BOB1.docx

Projectnr. Pagina Datum

: : :

21232 10 van 20 08-07-2021

4. Veldwerk en analyses 4.1.

Visuele inspectie

De veldwerkzaamheden zijn op 23 juni 2021 uitgevoerd door de heer K. Bouma van Enviso. Voorafgaand aan het graven van de proefgaten en het verrichten van de boringen is het maaiveld visueel geïnspecteerd op eventuele aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Uit de visuele inspectie is gebleken dat er zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal is aangetroffen op het maaiveld ter plaatse van de onderzoekslocatie. Wel dient er te worden opgemerkt dat een groot deel (> 25%) van de onderzoekslocatie verhard is door middel van beton, asfalt en klinkers. Hierdoor is de visuele inspectie beperkt. Bovendien is door dhr. R. de Bruijn van Boorsma een inspectie verricht van het verharde terreindeel om vast te stellen dat hier inderdaad geen asbestmateriaal is achtergebleven na de eerdere asbestsanering.

4.2.

Asbest in grond

Na de visuele inspectie is gestart met het (handmatig) graven van de proefgaten (0,30 x 0,30 m x 0,50 m) en het verrichten van grondboringen ter plaatse van de onderzoekslocatie. De opgegraven en opgeboorde grond is uitgeharkt, gezeefd en zorgvuldig geïnspecteerd op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal. Voor een overzicht van de onderzoekslocatie met de situering van de inspectiegaten wordt verwezen naar Figuur 3. Ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn in totaal 3 proefgaten gegraven. Alle proefgaten zijn doorgeboord tot een halve meter in de ongeroerde ondergrond. Uit de zintuiglijke waarnemingen blijkt dat er nergens asbestverdachte materialen zijn aangetroffen in de grond, in zowel de fractie > 20 mm als fractie < 20 mm. Wel is in de bovengrond (0-50 cm-mv) in alle inspectiegaten in zwakke tot sterke mate puinhoudend materiaal aangetroffen. Van de puinhoudende bovengrond zijn 3 grondmengmonsters samengesteld (A01, A02 en A03) van de fractie < 20 mm voor de analyse op asbest in bodem conform de NEN 5707. Alle proefgaten zijn conform VKB-protocol 2018 geïnspecteerd en bemonsterd. Foto’s van de proefgaten en het opgegraven en opgeboorde materiaal zijn met de bodemprofielen opgenomen in Bijlage 1. In Bijlage 4 zijn enkele foto's van de locatie weergegeven. Bijlage 5 bevat het monsternameplan en de monsternameformulieren.

4.3.

Analyses

De samengestelde grondmonsters (A01, A02 en A03) zijn opgestuurd naar het laboratorium voor vezelonderzoek van Eurofins Analytico, dat geaccrediteerd is volgens het accreditatieschema “AS 3000” onder nr. L100. Van de samengestelde mengmonsters is vastgesteld of ze asbesthoudend zijn, of het hechtgebonden asbest of niet-hechtgebonden asbest betreft, welke asbestsoort het betreft en wat de vastgestelde gehalten zijn. Het analyserapport van de 3 grondmengmonsters is opgenomen in Bijlage 2. Om de resultaten te kunnen interpreteren worden deze vergeleken met de toetsingswaarden zoals deze zijn opgenomen in de ‘Circulaire bodemsanering 2013’ en het Besluit bodemkwaliteit. Een toelichting op het toetsingskader is opgenomen in Bijlage 3.

Project: Asbest bodemonderzoek Oosterringweg 65I Bant

Bestand: RA21232BOB1.docx

Figuur 3. Situering inspectiegaten asbest bodemonderzoek

N

0m

Legenda

□ inspectiegat

1544

kadastraal perceel kadastrale grens

25 m

Projectnr. Pagina Datum

: : :

21232 12 van 20 08-07-2021

In Tabel 4 zijn de analyseresultaten weergegeven.

Tabel 4. Analyseresultaten asbestgehalte Monstercode met bijbehorende meetpunten en -diepten (cm-mv)

Gewogen gehalte asbest < 20mm (mg/kg ds)

Gewogen gehalte asbest >20mm (mg/kg ds)

Totaal gewogen gehalte asbest (mg/kg ds)

A01:

48

0

48

< 0,5

0

< 0,5

< 0,5

0

< 0,5

101: 0-50cm, 103: 0-50cm, 104: 0-40cm

A02: 102: 5-50, 105: 0-50, 106: 0-10cm, 107: 0-50, 108: 0-50, 109: 0-50cm, 110: 0-50 111: 0-50cm

A03: 112: 0-50, 114: 0-50, 115: 0-50cm, 116: 0-50, 117: 0-50, 118: 0-50cm

- Geen asbestverdacht materiaal aangetroffen tijdens veldwerk

Project: Asbest bodemonderzoek Oosterringweg 65I Bant

Bestand: RA21232BOB1.docx

Projectnr. Pagina Datum

: : :

21232 13 van 20 08-07-2021

5. Resultaten en conclusies De asbest verontreinigingssituatie op de onderzoekslocatie Oosterringweg 65I Bant is als volgt: Resultaten Uit de verkregen analyseresultaten van de 3 samengestelde grondmengmonsters A01, A02 en A03 van de onderzochte laag kan worden geconcludeerd, dat ter plaatse van de onderzoekslocatie asbesthoudend materiaal in de fijne fractie van de grond (< 20 mm) is aangetroffen in monster A01: 48 mg/kg ds). De norm voor nader onderzoek (50 mg/kg ds) wordt hiermee niet overschreden en bij een worst-case benadering ligt de bovengrens onder de geldende Interventiewaarde (100 mg/kg ds). A01 is samengesteld van grondmonsters uit 3 boringen (101, 103 en 104) langs de oostelijke terreingrens. In de overige 2 grondmengmonsters A02 en A03 is geen asbesthoudend materiaal aangetroffen. Conclusies Op de onderzoekslocatie zijn asbesthoudende materialen in de grond aangetroffen (48 mg/kg ds) waarbij de norm voor nader onderzoek niet overschreden wordt. Bij een ‘worst-case scenario’ wordt de interventiewaarde niet overschreden. Concluderend kan worden gesteld dat er plaatselijk asbesthoudend materiaal in de grond aanwezig is, maar dat er geen risico’s bestaan bij het beoogde gebruik. Er zijn ons inziens geen milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw van een woning met bijgebouw op de locatie. De resultaten geven geen aanleiding voor nader onderzoek.

Project: Asbest bodemonderzoek Oosterringweg 65I Bant

Bestand: RA21232BOB1.docx

Projectnr. Pagina Datum

: : :

21232 14 van 20 08-07-2021

Bijlage 1. Boorprofielen

Project: Asbest bodemonderzoek Oosterringweg 65I Bant

Bestand: RA21232BOB1.docx

ïðï

¹®±»²-¬® ±±µ ñ ½³ ¬ ±ª ³ ¿¿·ª»´¼

ð

µ´»·ô ³ ¿¬ ·¹ô -·´¬ ·¹ô ¦© ¿µ ¸«³ »«-ô ¼±²µ»® ¹®·¶-ô ¾®«·²ô ¦©¿µ °«·²ô ® »-¬ »² ¿-º¿´¬ ô -½¸»°

ð

ðï

ëð

óëð

¬ § °» ·²-° » ½¬ ·» ¹ ¿ ¬ ¼¿¬ «³ î í óð ê óî ð î ï ¾±±® ³ »»-¬ »® Õò Þ±« ³ ¿

³ »»¬ °« ²¬ ïðï îè ðêíé ïê

ïðî

¾®¿¿µ ñ ½³ ¬±ª ³ ¿¿·ª»´¼

ð

¦¿²¼ô ¦»»® º·¶²ô -¬»®µ -·´¬ ·¹ô ¦©¿µ ¸«³ »«-ô ¼±²µ»® ¹®·¶-ô ¾®«·²ô -½¸»° ðï

¦¿²¼ô ³ ¿¬ ·¹ º·¶²ô ¦©¿µ -·´¬ ·¹ô ²»«¬ ® ¿¿´ ¾»·¹»ô -¬ »®µ °«·²ô -½¸»°

ëð

ð

óë

óëð

¬ § °» ·²-° » ½¬ ·» ¹ ¿ ¬ ¼¿¬ «³ î í óð ê óî ð î ï ¾±±® ³ »»-¬ »® Õò Þ±« ³ ¿

³ »»¬ °« ²¬ ïðî îè ðêíé ïé

ïðí

¹®¿- ñ ½³ ¬ ±ª ³ ¿¿·ª»´¼

ð

µ´»·ô ³ ¿¬ ·¹ -·´¬ ·¹ô ³ ¿¬ ·¹ ¸«³ »«-ô ²»«¬ ®¿¿´ ¾®«·²ô ¹®·¶-ô ³ ¿¬ ·¹ °«·²ô ³ ¿¬·¹ ¦¿²¼ô -½¸»°

ð

ðï

ëð

óëð

¬ § °» ·²-° » ½¬ ·» ¹ ¿ ¬ ¼¿¬ «³ î í óð ê óî ð î ï ¾±±® ³ »»-¬ »® Õò Þ±« ³ ¿

³ »»¬ °« ²¬ ïðí îè ðêíé ïè

¾±¼»³ °®±º·»´»² -½¸ ¿ ¿ ´ ï æî ë ±²¼»®¦±»µ °®±¶»½¬½±¼» ¹»¬ »µ»²¼ ½±²º±®³

ѱ-¬ » ® ®·²¹© » ¹ ê ë Þ¿ ²¬ ÛÒ ë ç ê ç óð ð ï Ò ÛÒ ë ï ð ì

ïðì

¾®¿¿µ ñ ½³ ¬±ª ³ ¿¿·ª»´¼

ð

µ´»·ô ³ ¿¬ ·¹ô -·´¬ ·¹ô ¦© ¿µ ¸«³ »«-ô ¼±²µ»® ¹®·¶-ô ¦© ¿µ °«·²ô -½¸»°

ð

ðï

µ´»·ô ³ ¿¬ ·¹ -·´¬ ·¹ô ¼±²µ»® ¹® ·¶-ô ¦© ¿µ -½¸»´°»²ô -°±®»² ®±»-¬ô »¼»´³ ¿²

ëð

óìð

ïð ð

¦¿²¼ô ³ ¿¬ ·¹ º·¶²ô ¦©¿µ -·´¬ ·¹ô ²»«¬ ® ¿¿´ ¾®«·²ô »¼»´³ ¿²

óïïð

³ »»¬ °« ²¬ ïðì îè ðêíé ïç

ïë ð

¦¿²¼ô ³ ¿¬ ·¹ º·¶²ô ¦©¿µ -·´¬ ·¹ô ²»«¬ ® ¿¿´ ¹»»´ô ¾® «·²ô »¼»´³ ¿²

îð ð

óïêð

óîðð

¬ § °» ·²-° » ½¬ ·» ¹ ¿ ¬ ¼¿¬ «³ î í óð ê óî ð î ï ¾±±® ³ »»-¬ »® Õò Þ±« ³ ¿

ïðë

¾®¿¿µ ñ ½³ ¬±ª ³ ¿¿·ª»´¼

ð

¦¿²¼ô ³ ¿¬ ·¹ º·¶²ô ³ ¿¬ ·¹ -·´¬ ·¹ô ¦© ¿µ ¸«³ »«-ô ²»«¬ ®¿¿´ ¹®·¶-ô ³ ¿¬ ·¹ °«·²ô -½¸»°

ð

ðï

ëð

óëð

¬ § °» ·²-° » ½¬ ·» ¹ ¿ ¬ ¼¿¬ «³ î í óð ê óî ð î ï ¾±±® ³ »»-¬ »® Õò Þ±« ³ ¿

³ »»¬ °« ²¬ ïðë îè ðêíé îð

¾±¼»³ °®±º·»´»² -½¸ ¿ ¿ ´ ï æî ë ±²¼»®¦±»µ °®±¶»½¬½±¼» ¹»¬ »µ»²¼ ½±²º±®³

ѱ-¬ » ® ®·²¹© » ¹ ê ë Þ¿ ²¬ ÛÒ ë ç ê ç óð ð ï Ò ÛÒ ë ï ð ì

ïðê

¾®¿¿µ ñ ½³ ¬±ª ³ ¿¿·ª»´¼

ð ðï

¦¿²¼ô ³ ¿¬ ·¹ º·¶²ô ¦©¿µ -·´¬ ·¹ô ²»«¬ ® ¿¿´ ¾»·¹»ô ³ ¿¬ ·¹ °«·²ô -½¸»° ¦¿²¼ô ³ ¿¬ ·¹ º·¶²ô ¦©¿µ -·´¬ ·¹ô ²»«¬ ® ¿¿´ ¾»·¹»ô ® »-¬ »² °«·²ô -½¸»°

ëð

ð óïð

óëð

¬ § °» ·²-° » ½¬ ·» ¹ ¿ ¬ ¼¿¬ «³ î í óð ê óî ð î ï ¾±±® ³ »»-¬ »® Õò Þ±« ³ ¿

³ »»¬ °« ²¬ ïðê îè ðêíé îï

ïðé

¾®¿¿µ ñ ½³ ¬±ª ³ ¿¿·ª»´¼

ð

¦¿²¼ô ³ ¿¬ ·¹ º·¶²ô ¦©¿µ -·´¬ ·¹ô ²»«¬ ® ¿¿´ ¾»·¹»ô -¬ »®µ °«·²ô -½¸»°

ð

ðï

ëð

ïð ð

µ´»·ô ³ ¿¬ ·¹ -·´¬ ·¹ô ²»«¬ ®¿¿´ ¹®·¶-ô ¦©¿µ -½¸»´°»²ô ®»-¬»² °«·²ô »¼»´³ ¿²

¦¿²¼ô ³ ¿¬ ·¹ º·¶²ô ¦©¿µ -·´¬ ·¹ô ¼±²µ»® ¾®«·²ô »¼»´³ ¿² ¦¿²¼ô ³ ¿¬ ·¹ º·¶²ô ¦©¿µ -·´¬ ·¹ô ²»«¬ ® ¿¿´ ¾®«·²ô »¼»´³ ¿²

ïë ð

¦¿²¼ô ³ ¿¬ ·¹ º·¶²ô ¦©¿µ -·´¬ ·¹ô ²»«¬ ® ¿¿´ ¹»»´ô ¾® «·²ô »¼»´³ ¿²

îð ð

óçð

óïïð

óïëð

óîðð

¬ § °» ·²-° » ½¬ ·» ¹ ¿ ¬ ¼¿¬ «³ î í óð ê óî ð î ï ¾±±® ³ »»-¬ »® Õò Þ±« ³ ¿

¾±¼»³ °®±º·»´»² -½¸ ¿ ¿ ´ ï æî ë ±²¼»®¦±»µ °®±¶»½¬½±¼» ¹»¬ »µ»²¼ ½±²º±®³

óëð

ѱ-¬ » ® ®·²¹© » ¹ ê ë Þ¿ ²¬ ÛÒ ë ç ê ç óð ð ï Ò ÛÒ ë ï ð ì

³ »»¬ °« ²¬ ïðé îè ðêíé îî

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1876/documents/29018