CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

13.1 Ruimtelijke onderbouwing.pdf

Gemeenteraad 26 januari 2026, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 13: Verklaring van geen bedenkingen – Nieuwlandseweg 2 Marknesse24.684 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5 alinea's met “vrom”: 477 556 1084 1294 1518

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

26

Conclusie Er komt geen (huishoudelijk) afvalwater vrij bij het proces van CO2-afvang, omdat er geen voorzieningen aanwezig zijn. Er is een vergunning verleend door Waterschap Zuiderzeeland. Het project is op het gebied van water uitvoerbaar.

5.5.

Ecologie Wet- en Regelgeving

Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De Wet Natuurbescherming voorziet in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten beschermde natuurgebieden. De beschermde plantensoorten mogen niet vernietigd of beschadigd worden. De beschermde diersoorten mogen niet gedood, verwond of opzettelijk verontrust worden. Daarnaast mogen hun nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfsplaatsen niet beschadigd, vernield, uitgehaald, weggenomen of verstoord worden en ook mogen hun eieren niet vernietigd of vernield worden. Als dit wel gebeurt tijdens het uitvoeren van nieuwbouwplannen en het door aanpassing van de plannen niet te voorkomen is, zal in een aantal gevallen een ontheffing aangevraagd moeten worden en dienen mitigerende en compenserende maatregelen getroffen te worden. Een onderzoek naar de aanwezige flora en fauna is dan ook altijd noodzakelijk voor het uitvoeren van ruimtelijke inrichtings- of ontwikkelingsmaatregelen. Inmiddels is de Wet Natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet, die vanaf 1 januari 2024 van kracht is. De vergunningsaanvraag wordt gedaan op basis van de Wabo, waarbij de aanhaakplicht van toepassing is. Daarnaast geldt voor alle planten- en diersoorten de zorgplicht.

Deze bepaalt dat eenieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora of fauna veroorzaakt, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt.

Onderzoek Op 24 mei 2018 is een oriënterend ecologisch onderzoek uitgevoerd door Blom Ecologie B.V. (zie bijlage 4a). In dit rapport worden de onderstaande maatregelen voorgeschreven met het oog op de oprichting van het gehele glastuinbouwbedrijf. - Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). - Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. - Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

27

-

-

-

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De werkzaamheden dienen uitsluitend tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd te worden of een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden teneinde verstoring van vleermuizen in de directe omgeving te voorkomen. Hieronder kan onder andere worden verstaan: beperkte hoogte van lichtmasten, verlichting naar beneden richten en convergeren, toepassen van UV-vrije verlichting, gebruik van sterk bundellicht vermijden et cetera.

Ten aanzien van rugstreeppad dient de verbreding van de sloot gelegen aan de zuidoostzijde van het plangebied uitgevoerd te worden buiten de voortplantingsperiode. De betreffende werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden in de periode augustus t/m maart. Het gebied is vanwege de recentelijke bewerking niet geschikt voor de rugstreeppad. Bij de veldwaarnemingen werd deze eerdere conclusie bevestigd. Ten aanzien van algemene broedvogels dienen de werkzaamheden opgestart/uitgevoerd te worden buiten het broedseizoen (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

Op 14 augustus 2018 is een notitie verschenen over de rugstreeppad n.a.v. enkele veldwaarnemingen nabij de Baarlosedwarsweg (zie bijlage 4b). Bij het eerdere onderzoek was geconcludeerd dat het plangebied niet geschikt werd geacht voor rugstreeppad. Er was geen aanvullend onderzoek nodig. Maar het onderzoek d.d. 14 augustus 2018 maakt duidelijk dat het zeer onwaarschijnlijk is dat rugstreeppad aanwezig is in het plangebied. De voorgeschreven maatregelen zijn destijds uitgevoerd. Sindsdien is de locatie, waar het CO2afvanggebouw gerealiseerd wordt, verhard en is de directe omgeving bebouwd met kassen en het gebouw voor de biomassacentrale. Beschermd natuurgebied Het plangebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

28

van de werkzaamheden en de afstand tot gebieden is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Stikstofdepositie Op basis van de uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024 is geen sprake van een overgangsregeling. Reden is dat op dat moment nog niet gestart is met de realisatie van het project. Om te kunnen starten met het project moet uit de voortoets (zonder intern salderen) blijken dat er geen toename is van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Daarbij wordt in eerste instantie gekeken naar de realisatie- en gebruiksfase. In de gebruiksfase zijn er echter geen wijzigingen ten opzichte van de huidige situatie. Derhalve moet voor dit project alleen de realisatie van het nieuwe gebouw meegerekend worden. Voor de realisatievan het gebouw met de CO2-afvanginstallatie is een stikstofdepositieberekening gemaakt (bijlage 7). Uit de berekeningen middels AERIUS Calculator komt naar voren dat de (netto) depositiebijdrage van het project 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het project geen stikstofdepositie veroorzaakt op nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000gebieden en dus niet leidt tot significante effecten. Het project betreft derhalve geen Natura 2000activiteit. Verdere vervolgacties zijn niet noodzakelijk. Om die reden hoeft geen natuurvergunning te worden aangevraagd.

De CO2-afvanginstallatie wordt gekoppeld aan de bestaande biomassacentrale. De rookgassen uit de biomassacentrale worden door de CO2-afvanginstallatie geleid, waarbij er CO2 aan de rookgassen onttrokken wordt. Dit proces leidt niet tot wijzigingen in de stikstofdepositie. Bovengenoemde onderbouwing is afgestemd met de Provincie Flevoland. In september 2025 heeft de Provincie aangegeven akkoord te gaan met de stikstof-onderbouwing van het project.

Conclusie De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde gebieden of beschermde natuurwaarden. Er is geen vergunning op basis van de Wet natuurbescherming of de Omgevingswet nodig i.v.m. de stikstofdepositie als gevolg van het beoogde initiatief.

5.6.

Geluid Wet- en regelgeving

De Wet geluidhinder (Wgh) is erop gericht om de geluidhinder vanwege onder andere wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de ‘geluidsbelasting’ op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid.

Onderzoek In oktober 2025 is er door Ardea een akoestisch onderzoek uitgevoerd voor de locatie Nieuwlandseweg 2, inclusief de biomassainstallatie (bijlage 5, rapportnr. 8316KZC5.007). Dit onderzoek gaat uit van zowel het geluid van de installatie als van transportbewegingen. De installatie is continu in bedrijf. De bedrijfsactiviteiten vinden hoofdzakelijk overdag (7.00-19.00 uur) plaats, met af en toe transport in de avondperiode (19.00-23.00 uur).

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

29

Langtijdgemiddelde geluidsniveaus Uit de berekeningen blijkt dat de geluidsbelasting bij de woning Baarloseweg 6-1 bepalend is en uitkomt op 40 dB(A) overdag (bij beoordeling op 1,5 meter hoogte), 39 dB(A) in de avond en 36 dB(A) in de nachtperiode (23.00-7.00 uur). Bij alle andere woningen is de geluidsbelasting lager. Met deze berekeningsresultaten wordt voldaan aan de grenswaarde volgens het omgevingsplan (50 dB(A) overdag, 45 dB(A) in de avond en 40 dB(A) in de nachtperiode).. Piekgeluidniveaus Voor de piekgeluidsniveaus dient rekening te worden gehouden met piekgeluiden vanwege de transportactiviteiten buiten. Het gaat dan om het geluid van de vrachtwagens op het eigen terrein en niet het piekgeluid van de vrachtwagens op de openbare weg. Voor de piekniveaus wordt uitgegaan van een bronvermogen van 105 dB(A) bij passage van een vrachtwagen en 108 dB(A) voor het geluid van het ontsnappen van remlucht. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de piekniveaus tot maximaal 59 dB(A) bedragen bij de woning Baarloseweg 8-1. Er wordt voldaan aan de grenswaarden van 70, 65 en 60 dB(A) voor de dag-, avond- en nachtperiode.

Conclusie Het geluid van het CO2-afvanggebouw met installatie bedraagt niet meer dan 11 dB(A) bij de woningen in de omgeving. Vanuit akoestisch oogpunt is er daarmee geen beletsel om het gebouw met installatie te bouwen. Op basis van de geluidsberekeningen wordt bij de woningen in de omgeving voldaan aan de grenswaarden uit het omgevingsplan. De geluidsbelasting is niet hoger dan 40 dB(A) overdag, 39 dB(A) in de avond en 36 dB(A) in de nachtperiode.

5.7.

Luchtkwaliteit Wet- en regelgeving

De normen voor luchtkwaliteit zijn geregeld in paragraaf 5.2 van de Wet milieubeheer. Deze paragraaf staat bekend als de ‘Wet Luchtkwaliteit’. Deze wet heeft tot doel de volksgezondheid te beschermen door luchtverontreiniging terug te dringen. Hiervoor zijn bepaalde maximumstandaarden voor vervuiling in het leven geroepen. De Wet Luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Zeer grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Het komt er in grote lijnen op neer dat projecten die tot gevolg hebben dat de jaargemiddelde norm van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) met meer dan 3% stijgen, worden aangemerkt als een groot project. Kleine projecten die minder dan 3% bijdragen hoeven niet getoetst te worden. De grenswaarden van stikstofdioxide en fijnstof zijn de volgende:

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

30

Stof

Toetsing van

stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie

fijnstof (PM10)

Grenswaarde 40 µg / m³

uurgemiddelde concentratie

Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³

jaargemiddelde concentratie

40 µg / m³

24-uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

Het Rijk, de provincies en de gemeenten werken samen in het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit programma heeft tot doel de Europese luchtkwaliteitseisen te realiseren. NSL werpt geen belemmeringen op voor ruimtelijke ordening projecten wanneer: - er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; - een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; - een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); - een project ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er moet in kaart worden gebracht of met de huidige luchtkwaliteit de ontwikkeling kan plaatsvinden. En of door de uitvoering van het project de luchtkwaliteit niet dusdanig zal verslechteren dat het wordt gezien als een NIBM-project.

Onderzoek Atlas leefomgeving Bestaande situatie De luchtkwaliteit van het plangebied is opgenomen in de Atlas Leefomgeving, (www.atlasleefomgeving.nl). De gegevens uit deze atlas zijn afkomstig van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Gekeken is naar de stikstof- en fijnstofdioxideconcentraties op regionaal niveau, zie figuur 5-4 en figuur 5-5.

Figuur 5-4. Stikstof gehaltes (Bron: Atlas leefomgeving, stikstofdioxide 2023 (NO2)).

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

31

Ten aanzien van stikstofdioxide (NO2) blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties NO2 < 8 μg/m³ bedraagt. De concentraties liggen onder de per 2015 van kracht zijnde grenswaarde voor de jaargemiddelde NO2 van 40 μg/m³. Ten aanzien van fijnstof (PM10) blijkt dat de berekende jaargemiddelde concentraties PM10 12-13 μg/m³ bedraagt. Deze concentratie ligt onder de per 2015 van kracht zijnde grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10 van 40 μg/m³.

Figuur 5-5. Fijnstof gehaltes (Bron: Atlas leefomgeving, fijnstof 2023 (PM10)).

Uit de gegevens blijkt dat er ter plaatse van het plangebied geen overschrijding van de normen plaatsvindt. Nieuwe situatie De CO2-afvanginstallatie haalt CO2 uit de rookgassen van de biomassacentrale. Het gebruik van de CO2-afvanginstallatie heeft geen invloed op de emissies van vervuilende stoffen, omdat er alleen CO2 wordt afgevangen. Ten aanzien van de samenstelling van de rookgassen verandert er niets. Er wordt dus niet meer NO2 of fijnstof uitgestoten vergeleken met de bestaande situatie. Ook zijn er geen extra verkeersbewegingen in de nieuwe situatie ten opzichte van de bestaande situatie, waardoor er geen veranderingen zijn in de uitstoot van stikstof en fijnstof.

Onderzoek luchtkwaliteit Sweco heeft in oktober 2024 een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd voor Paprikakwekerij Hoogweg (bijlage 6). Hiertoe is een rekenmodel opgezet wat gebruik maakt van STACKS+ versie 2024.1/PreSRM 2.401. STACKS+ is een softwaremodel dat in de Omgevingsregeling is opgenomen voor gebruik binnen de toepassingsgebieden van de drie standaard rekenmethodes (SRM 1 t/m 3). Bij de beoordeling van de luchtkwaliteit dienen de rekenpunten in het rekenmodel zodanig te worden geplaatst dat een representatief beeld wordt verkregen van concentraties luchtverontreinigende

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

32

stoffen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen in dit onderzoek zijn in beeld gebracht op alle adreslocaties in de omgeving van het plangebied en langs de ontsluitende wegen. In principe hoeft op bedrijventerreinen niet getoetst te worden. Desalniettemin zijn in dit onderzoek wel beoordelingspunten op het bedrijventerrein geplaatst.

Figuur 5-6. Maximale concentratiebedragen op de beoordelingspunten (bron: Sweco).

In figuur 5-6 zijn de maximale concentratiebijdragen van stikstofdioxide en fijnstof (PM10) weergegeven. Voor de toetsing aan de NIBM norm zijn de concentratiebijdragen afgerond op 1 decimaal. Er zijn ter hoogte van de beoordelingspunten geen concentratietoenamen groter dan 1,2 μg/m3. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat voor zowel het aspect luchtkwaliteit (inclusief ZZS) als voor geur er geen belemmeringen zijn ten aanzien van het gebruik van de biomassaketels. Zoals eerder al geschreven zijn er geen veranderingen in de hoeveelheid verkeersbewegingen in de nieuwe situatie ten opzichte van de bestaande situatie, waardoor er geen wijzigingen zijn in de uitstoot van stikstof en fijnstof ten opzichte van het uitgevoerde onderzoek. Ook is de afvang van CO2 een gesloten systeem, wat gebruik maakt van de rookgassen uit de biomassaketels. De samenstelling van de rookgassen die uitgestoten worden nadat de CO2 is afgevangen, is ongewijzigd. Daardoor is er geen verandering in de luchtkwaliteit.

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

33

Conclusie Ten aanzien van de uitstoot van stikstof en fijnstof verandert er na de uitbreiding met de CO2afvanginstallatie niets ten opzichte van de bestaande situatie. Op basis van gegevens uit de Atlas Leefomgeving kan vastgesteld worden dat de uitstoot van stikstof en fijnstof onder de van kracht zijnde grenswaarden blijft. Dit wordt bevestigd door het voor de locatie uitgevoerd onderzoek. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt ook dat er ten aanzien van zowel geur als luchtkwaliteit geen belemmeringen zijn. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het project op het gebied van luchtkwaliteit uitvoerbaar is.

5.8.

Externe Veiligheid Wet- en regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. De externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water, spoor en door buisleidingen. Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi) van belang. Aanvullend zijn in het Vuurwerkbesluit en Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Daarnaast is het toetsingskader voor de omgeving van transportassen en buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vastgelegd in de ‘Besluit externe veiligheid transport’ (Bevt) en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb).

Onderzoek Risicovolle inrichtingen en bronnen Uit de kaart van Atlas Leefomgeving (zie figuur 5-7) blijkt dat er geen activiteiten met gevaarlijke stoffen, aandachtsgebieden en plaatsgebonden risico in de directe omgeving van het plangebied plaatsvinden. Ook is het plangebied niet gesitueerd in de omgeving van een Bevi-bedrijf, Het plangebied ligt ruim buiten het invloed gebied van Bevi-bedrijven. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig. Vervoer van gevaarlijke stoffen Uit figuur 5.7 blijkt ook dat er geen vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of via buisleidingen plaatsvindt.

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

34

Voor de realisatie van het CO2-afvanggebouw met bijbehorende installaties zullen de gebruikelijke bouwmaterialen (zoals staal, sandwichpanelen, beton) worden gebruikt. Deze materialen zijn niet gekenmerkt als gevaarlijke stoffen. Om die reden vindt er tijdens de realisatiefase geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Tijdens de gebruiksfase van de CO2-afvanginstallatie vindt er geen transport van gevaarlijke stoffen plaats, omdat de CO2-afvang op locatie in een gesloten systeem plaatsvindt.

Figuur 5-7. Uitsnede risicokaart externe veiligheid (bron: atlasleefomgeving.nl).

Effecten van CO2-afvanginstallatie In figuur 5-8 is globaal een proces-flow schema weergegeven hoe de onderlinge samenhang is tussen de verschillende onderdelen van de installatie.

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

35

IN Biomassa

UIT Biomassaketel

Warmte Rookgassen incl. CO2 Rookgassen excl. CO2

CO2-afvang CO2 gasvormig CO2-compressie CO2 vloeibaar CO2-opslagtanks

Kassen Figuur 5-8. Processchema CO2-afvang.

Schematisch is de CO2-afvanginstallatie weergegeven in figuur 5-9. De inhoud van de absorber is 160 m3, de inhoud van de desorber is 36,4 m3.

Figuur 5-9. Schematische weergave CO2-afvanginstallatie (bron: SaveEnergy).

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

36

Figuur 5-10. Locatie CO2-opslagtanks (bron: Verbeek Projects).

Figuur 5-11. Locatie CO2-opslagtanks (bron: Verbeek Projects).

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

37

De CO2 afkomstig uit de CO2-afvanginstallatie wordt, nadat dit is gecomprimeerd, opgeslagen in 2 CO2-opslagtanks. De gezamenlijke inhoud van de 2 CO2-opslagtanks is 1.200 m3 (2 x 600 m3). De locatie van deze CO2-opslagtanks is weergegeven in figuur 5-10 en figuur 5-11. Er zijn geen externe veiligheidsafstanden van toepassing op de CO2-opslagtanks. Volgens artikel 4.905 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal) moet de afstand vanaf een opslagtank tot aan de begrenzing van de locatie tenminste 3 meter bedragen. De afstand van de CO2-opslagtanks tot de erfgrens is 22,4 meter (figuur 5-11). De tanks die geleverd zullen worden, zullen gekeurd worden door een Notified Body, waarbij dit aspect meegenomen wordt. Verder wordt voor ingebruikname nog een HAZOP studie uitgevoerd. De CO2-afvanginstallatie is een volledig gesloten systeem zonder enige uitstoot of lekkage naar de omgeving. Er zijn dus geen effecten op de omgeving. Indien zich een calamiteit voordoet in de CO2afvanginstallatie wordt deze direct (automatisch) uitgeschakeld en wordt de CO2 in de rookgassen uit de biomassaketel direct via de schoorsteen afgevoerd. Er ontstaat daarmee geen risico van een ophoping van CO2 op de locatie.

Conclusie In de directe omgeving van de CO2-afvanginstallatie zijn er geen bronnen of inrichtingen die van invloed zijn op de veiligheid rondom de CO2-afvanginstallatie. Ook vindt er geen vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of via buisleidingen plaats. In de CO2-afvanginstallatie worden voorzieningen getroffen die in geval van een calamiteit aan de installatie direct ingrijpen om risico’s ten aanzien van ophoping van CO2 te voorkomen. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat het project op het gebied van externe veiligheid uitvoerbaar is.

5.9.

Milieuzonering Wet- en regelgeving

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken en anderzijds functies die daar last van hebben. Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. De VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009 wordt onder andere bij bestemmingsplanprocedures als handreiking gebruikt voor het toetsen van ruimtelijke ontwikkelingen. In deze publicatie worden per bedrijfstype minimale richtafstanden aangegeven voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid die bij voorkeur dienen te worden aangehouden tot hindergevoelige functies (gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht, of een gedeelte daarvan) om hinder en schade aan mensen

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

38

binnen aanvaardbare normen te houden. Als aan de richtafstanden wordt voldaan, is op die punten sprake van een goede ruimtelijke ordening. De richtafstanden zijn enerzijds gekoppeld aan de milieucategorie van de te beoordelen inrichting en anderzijds de karakterisering van de omgeving waarin de inrichting is gelegen. De VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009 is in 2024 geüpdatet naar de “handreiking activiteiten en milieuzonering” om beter aan te kunnen sluiten op de omgevingswet. In deze nieuwe versie wordt gebruikgemaakt van een nieuwe systematiek waardoor de gevolgen voor specifieke initiatieven verschillen.

Onderzoek Hoogweg ligt buiten de bebouwde kom. In de omgeving zijn voornamelijk glastuinbouw- en agrarische bedrijven aanwezig. Verder is er een klein aantal woningen in de omgeving. De VNGpublicatie “Handreiking Bedrijven en milieuzonering” (2009) kent geen activiteit CO2-afvang. In figuur 5-12 zijn de activiteiten die het dichtst in de buurt komen weergegeven met categorie en geldende afstanden: Afstanden in meters Nr.: Omschrijving

Cat.

Geur

Stof

0: Tuinbouw 3: kassen met gasverwarming 2 10 10 B0: bio-energieinstallaties electrisch vermogen < 50 MWe: B2: vergisting, verbranding en 3.2 50 50 vergassing van overige biomassa

Geluid

Gevaar

Grootst afst.

30

10

30

100

30

100

Figuur 5-12. Milieucategorieën en richtafstanden VNG 2009 (bron: VNG - Handreiking Bedrijven en milieuzonering 2009).

Uit het onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan de grenswaarden van de VNG-publicatie uit 2009. Volledigheidshalve zijn de tabellen uit de publicatie van 2024 ook opgenomen (figuur 5-13), als extra toets aan de huidige normen.

Nr.: Omschrijving

Geluid

0: Tuinbouw 3: kassen met gasverwarming 1 B0: bio-energieinstallaties electrisch vermogen < 50 MWe: B2: vergisting, verbranding en vergassing 3 van overige biomassa

Geur

Hoogste categorie

FM

1

2

3

Figuur 5-13. Bijlage A5 Indicatieve lijst met activiteiten met inschatting geluid en geur (bron: VNG - Handreiking Activiteiten en milieuzonering 2024).

Geluid Het geluidsniveau is het hoogst bij de woning aan de Baarloseweg 6-1 (bijlage 5). Deze woning is gelegen op circa 360 meter van de locatie waar het CO2-afvanggebouw wordt gerealiseerd. Dit is ruim meer dan de richtafstand van 100 meter die hiervoor wordt aangehouden in de “Handreiking

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

39

Bedrijven en milieuzonering”, (2009) en de richtafstand van 50 meter uit de “Handreiking Activiteiten en milieuzonering” (2024) van VNG (figuur 5-14).

Figuur 5-14. Milieucategorieën en richtafstanden VNG 2009 voor geluid omgezet naar zones, waarden en afstanden voor gemengd woongebied (bron: VNG - Handreiking Activiteiten en milieuzonering 2024.

Het aspect geluid is nader uitgewerkt in paragraaf 5.6.2. Hieruit wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gestelde normen. Geur Bij het proces van het afvangen van CO2 komt geen geur vrij (zie paragraaf 5.7.3). Daarnaast voldoet het ook aan de zones zoals weergegeven in figuur 5-15.

Figuur 5-15. Milieucategorieën en richtafstanden VNG 2009 voor geur omgezet naar zones, waarden en afstanden voor gemengd woongebied (bron: VNG - Handreiking Activiteiten en milieuzonering 2024).

Fijnstof Bij het proces van afvangen van CO2 komt geen fijnstof vrij (zie paragraaf 5.7.3).

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

40

Gevaar Het aspect gevaar (externe veiligheid) is nader uitgewerkt in paragraaf 5.8. Hieruit wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gestelde normen.

Conclusie Er gelden vanuit het aspect milieuzonering geen belemmeringen voor het voorliggende plan.

5.10.

Lichthinder Wet- en regelgeving

Ten aanzien van het aspect lichthinder geldt in de ruimtelijke ordening geen wettelijk toetsingskader. Wel is het streven erop gericht om lichthinder voor omwonenden tot een minimum te beperken. Ook uit oogpunt van ecologie en landschapswaarden (beschermen van duisternis en het donkere landschap) is het wenselijk om lichthinder te voorkomen. Dit geldt met name in gebieden waar het nog relatief donker wordt.

Onderzoek Er wordt gebruikt gemaakt van nood- en veiligheidsverlichting. De uitstraling van deze bronnen zijn minimaal. Door de bouw van de CO2-afvanginstallatie zal geen extra buitenverlichting worden toegepast. Er zal daarom geen lichthinder ontstaan.

Conclusie Er gelden vanuit het aspect lichthinder geen belemmeringen voor het voorliggende plan.

5.11.

Mer-beoordeling Wet- en regelgeving

Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de Europese richtlijn milieu-effectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r. (-beoordelings) -plichtig in het andere geval dient een M.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de Europese richtlijn milieu-effectbeoordeling (kenmerk en plaats van het project, kenmerk van potentieel effect).

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

41

Onderzoek Om vast te stellen of de m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen moet worden is er een meraanmeldnotitie opgesteld (bijlage 8). Uit de mer-aanmeldnotitie kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals bedoeld in artikel 7.17 Wet milieubeheer en zou een milieueffectrapportage niet nodig zijn. Opgemerkt wordt dat deze beoordeling formeel bij het bevoegd gezag ligt.

Conclusie Er is geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

5.12.

Verkeer en parkeren Verkeer

Het bedrijf wordt primair ontsloten via de Nieuwlandseweg. Deze weg is aangelegd om de grootschalige glastuinbouwbedrijven te ontsluiten naar de Oosterringweg. Jaarlijks vindt er onderhoud plaats aan de installaties. Dit wordt zoveel mogelijk door de onderhoudsdienst van Hoogweg uitgevoerd, maar enkele keren per jaar kunnen er bestelbusjes naar de locatie komen. Dit zal zoveel mogelijk gecombineerd worden met onderhoud aan de reeds aanwezige installaties waardoor het aantal vervoersbewegingen niet toeneemt.

Parkeren In januari 2016 is er door de gemeente Noordoostpolder nieuw parkeerbeleid gepubliceerd.). Dit parkeerbeleid zet specifiek in op parkeren als integraal onderdeel van de ruimtelijke ordening en op het voorzien in de behoeften van de bewoners, werknemers en bezoekers. Dit parkeerbeleid richt zich hoofdzakelijk op woonkernen, centrumgebieden en voorzieningen. Hierin is ook vastgelegd dat parkeren op eigen terrein moet plaatsvinden. CROW (Centrum voor Regeling en Onderzoek in de Grond-, water- en wegenbouw en de verkeerstechniek) heeft normen voor diverse functies opgesteld waaruit de parkeerbehoefte kan worden afgeleid. De kencijfers van het CROW vormen de basis van de parkeernormen. Voor de CO2-afvanginstallatie hoeven er geen extra medewerkers op locatie aanwezig te zijn. Eventuele werkzaamheden worden verricht door medewerkers die al op het bedrijf aanwezig zijn. Er is dan ook geen noodzaak tot uitbreiden van het aantal parkeerplaatsen en kan volstaan worden met de parkeermogelijkheden die al op het bedrijf aanwezig zijn.

Conclusie Als gevolg van de realisatie van het gebouw voor de CO2-afvanginstallatie neemt de parkeerbehoefte niet toe. Derhalve vormt het aspect parkeren geen belemmering voor het project.

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

42

6.

Maatschappelijke- en economische uitvoerbaarheid

6.1.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De ruimtelijke onderbouwing is voorgelegd aan de gemeente Noordoostpolder. Zij hebben dit doorgestuurd naar provincie Flevoland en Waterschap Zuiderzeeland. Hierop is van alle partijen reactie ontvangen. De ontvangen opmerkingen zijn verwerkt in deze ruimtelijke onderbouwing geactualiseerd naar de geldende wet- en regelgeving.

6.2.

Economische uitvoerbaarheid

De realisering van het gebouw met de CO2-afvanginstallatie komt voor rekening van de initiatiefnemer. De plannen zijn voor initiatiefnemer economisch haalbaar en uitvoerbaar. De kosten voor het opstellen van een goede ruimtelijke onderbouwing voor de omgevingsvergunningsprocedure, waarbij planologisch wordt afgeweken van het bestemmingsplan komen volledig voor rekening van de initiatiefnemer. Daarnaast worden de gebruikelijke leges volgens de gemeentelijke legesverordening in rekening gebracht. Hoogweg zal op eerste verzoek van de gemeente Noordoostpolder haar medewerking geven aan het opstellen van een planschadeverhaalovereenkomst. Gezien de beperkte aanpassing midden in het bedrijf is de verwachting dat hier door omwonenden geen beroep op gedaan zal worden.

217000-251208-EC-SZ-ruimtelijke_onderbouwing-D.docx

43

BIJLAGE 1

Impressie CO2-afvanggebouw Hoogweg

BIJLAGE 2

VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK PERCELEN 2682/2684 OOSTERRINGWEG

M I L I E U B E H E E R

TE MARKNESSE

VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK PERCELEN 2682/2684 OOSTERRINGWEG TE MARKNESSE

Colofon

Opdrachtgever:

Difra Agro Projecten B.V. De heer F. Kennepohl Weg en Land 35D 2661 DC Bergschenhoek

Adviesbureau:

VanderHelm Milieubeheer B.V. Nobelsingel 2 2652 XA Berkel en Rodenrijs 010 - 249 24 60 info@vdhelm.nl www.vdhelm.nl

Projectfoto's:

Dhr. A. Riemens

© VanderHelm Milieubeheer B.V.

Projectcode:

20180154-2

Versie

Definitief-01

Datum

28-03-2018

Verantwoording

Projectleider

Dhr. A. Riemens

Vrijgave

Dhr. Ing. E.L. van den Bosch

INHOUDSOPGAVE

1. INLEIDING.......................................................................................................................................... 4 2. VOORONDERZOEK .......................................................................................................................... 6 2.1 HUIDIGE SITUATIE ............................................................................................................................... 6 2.2 HISTORISCH ONDERZOEK .................................................................................................................... 7 2.3 GEOLOGIE EN HYDROLOGIE ................................................................................................................ 9 3. HYPOTHESE ................................................................................................................................... 10 4. VELDONDERZOEK ......................................................................................................................... 11 4.1 AANPAK EN UITVOERING ................................................................................................................... 11 4.2 BESPREKING VAN WAARNEMINGEN TIJDENS HET VELDWERK............................................................... 11 5. LABORATORIUMONDERZOEK EN TOETSING ............................................................................

12 5.1 TOETSINGSCRITERIA ......................................................................................................................... 12 5.2 GETOETSTE ANALYSERESULTATEN .................................................................................................... 13 6. EVALUATIE ONDERZOEKSRESULTATEN ................................................................................... 15 7. CONCLUSIES, AANBEVELINGEN EN OPMERKINGEN ............................................................... 16 LITERATUURLIJST ............................................................................................................................. 17

BIJLAGEN: 1. VELDWAARNEMINGEN 1A. BOORPROFIELEN 1B. FOTOGRAFISCHE WEERGAVE VERKLARING ONAFHANKELIJKHEID VELDWERKER 1C. 2. PARAMETERS 3. ANALYSERAPPORTEN ALCONTROL B.V. 4. TOETSINGSTABELLEN ANALYSERESULTATEN GROND(WATER)MONSTERS 5. LOKALE SITUATIEKAART 6. SITUATIESCHETS TERREIN 7. OMGEVINGSRAPPORTAGE PROVINCIE FLEVOLAND

Verkennend milieukundig bodemonderzoek percelen 2682/ 2684 Oosterringweg te Marknesse Projectcode: 20180154-2

3

1. INLEIDING VanderHelm Milieubeheer B.V. te Berkel en Rodenrijs heeft van dhr. F. Kennepohl, namens Difra Agro Projecten B.V., de opdracht ontvangen voor het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodemonderzoek ter plaatse van de kadastrale percelen 2682 en 2684 gelegen aan de Oosterringweg te Marknesse. Aanleidingen tot dit onderzoek zijn: de voorgenomen transactie van de percelen; de voorgenomen nieuwbouw van glastuinbouw op de percelen. Doelstellingen van het onderzoek zijn: het, middels een steekproef, bepalen van de algemene bodemkwaliteit met het oog op de voorgenomen transactie; het bepalen of het terrein, milieuhygiënisch gezien, geschikt is voor de voorgenomen nieuwbouw. Kwaliteitsborging Onderhavig onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met het kwaliteitssysteem van VanderHelm Milieubeheer B.V. Dit kwaliteitssysteem is gecertificeerd conform de norm ISO 9001:2008. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat van de BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem en waterbodemonderzoek) en de huidige versie van de Protocollen 2001 (Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken van boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen) en 2002 (het nemen van grondwatermonsters). VanderHelm Milieubeheer B.V. is voor deze beoordelingsrichtlijn gecertificeerd en is erkend door Agentschap NL.

Het verkennend milieukundig bodemonderzoek is verricht conform de NEN 5740. Het vooronderzoek is conform de NEN 5725 uitgevoerd. Het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd door ALcontrol Laboratories te Rotterdam. ALcontrol is geaccrediteerd volgens de door de Raad voor Accreditatie gestelde criteria voor testlaboratoria conform NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005 onder nummer L028. Met deze kwaliteitsborging in de vorm van parafering op de eerste pagina en bijlage 1C van deze rapportage, verklaart de projectleider dat alle medewerkers de kritische functies ‘veldwerkzaamheden’ en ‘monstername’ onafhankelijk van de opdrachtgever hebben uitgevoerd conform de eisen van de BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem en waterbodemonderzoek). VanderHelm Milieubeheer B.V. heeft geen financiële en/of juridische belangen bij de onderzoekslocatie van dit project.

Verkennend milieukundig bodemonderzoek percelen 2682/ 2684 Oosterringweg te Marknesse Projectcode: 20180154-2

4

Leeswijzer De rapportage is verder opgebouwd uit de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 2

Vooronderzoek In deze fase zijn, voor zover mogelijk en voor zover relevant, gegevens verzameld over: - de huidige situatie - de historie - de geologie en hydrologie

Hoofdstuk 3

Hypothese

Hoofdstuk 4

Veldonderzoek In dit hoofdstuk staat wanneer en hoe het veldwerk heeft plaatsgevonden. Tevens worden de waarnemingen tijdens het veldwerk beschreven.

Hoofdstuk 5

Laboratoriumonderzoek en toetsing Aan de hand van de waarnemingen tijdens het veldwerk wordt bepaald welke monsters, en op welke stoffen, deze monsters geanalyseerd worden. De analyseresultaten van de geselecteerde monsters worden getoetst aan de vigerende normen.

Hoofdstuk 6

Evaluatie onderzoeksresultaten In dit hoofdstuk worden de onderzoeksresultaten nader toegelicht.

Hoofdstuk 7

Conclusies, (aanbevelingen) en opmerkingen De rapportage wordt afgerond met een formulering van conclusies, (aanbevelingen) en opmerkingen.

Literatuurlijst

In de literatuurlijst wordt een overzicht van de geraadpleegde bronnen weergegeven.

Verkennend milieukundig bodemonderzoek percelen 2682/ 2684 Oosterringweg te Marknesse Projectcode: 20180154-2

5

2. VOORONDERZOEK 2.1 HUIDIGE SITUATIE Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725 (standaard), in de navolgende paragrafen zijn de resultaten weergegeven. Tabel 2.1: Basisgegevens Algemeen Opdrachtgever: Eigenaar/gebruiker: Onderzoekslocatie: Oppervlakte onderzoekslocatie: Kadastrale aanduiding: RD-coördinaten: Soort onderzoek: Voormalig gebruik: Huidig gebruik: Toekomstig gebruik:

Difra Agro Projecten B.V. Rijksvastgoedbedrijf Nabij Oosterringweg nr. 10II en gedeelte nabij nr. 10I te Marknesse Circa 94.373 m2 Gemeente: Luttelgeest, sectie B, perceelnummers 2682 en 2684 X = 187.587 en Y = 526.821 Verkennend milieukundig bodemonderzoek Akkerbouw Akkerbouw/ boomgaard Glastuinbouw

Beschrijving locatie Informatie locatie-inspectie De onderzoekslocatie betreft het gedeelte boomgaard/ akkerland achter nummer 10II. De onderzoekslocatie begint vanaf 18 meter vanaf hoek schuur nr. 10II en het betonplaten pad vanaf deze grens behoort tot onderhavige onderzoekslocatie. Het pad loopt tot ongeveer halverwege de onderzoekslocatie. Naast het pad is een sloot aanwezig, tevens zijn twee dammen aanwezig naar het noordelijk perceel. Ter plaatse van de zuidoostelijke hoek van de onderzoekslocatie is eveneens een dam aanwezig naar het zuidelijke perceel, vanaf het erf nr 10I loopt een half open pad naar deze dam. Een gedeelte van dit pad behoort tot de onderzoekslocatie. Er zijn geen oppervlakkige bijmengingen met puin o.d. aanwezig ter plaatse van de genoemde locaties en binnen de onderzoekslocatie. Ten noorden, ten oosten en ten zuiden is akkerland aanwezig. Ten noorden, ten oosten en ten zuiden grenst de onderzoekslocatie aan een sloot. Deze behoren niet tot de onderzoekslocatie. Op de naastgelegen percelen zijn geen potentieel bodembedreigende (bedrijfs)activiteiten waargenomen. Tijdens de locatie-inspectie zijn op het maaiveld geen verdachte plekken, zoals verzakkingen, ophogingen, verkleuringen (inclusief olie-water reacties), brandplekken, zichtbare bijmengingen en/of asbestverdachte materialen geconstateerd.

Verkennend milieukundig bodemonderzoek percelen 2682/ 2684 Oosterringweg te Marknesse Projectcode: 20180154-2

6

2.2 HISTORISCH ONDERZOEK Informatie historische kaarten Ten behoeve van het historisch onderzoek zijn de website topotijdreis en de luchtfoto’s aangeleverd in de bodemrapportage (bijlage 7) geraadpleegd. Hierbij is onder andere aandacht besteed aan de bestemming, (eventuele) aanwezigheid van (gedempte) watergangen, opstallen en toegangswegen. Tabel 2.2: Historische kaarten Jaartal Gebruik Toelichting/ bijzonderheden 1947 Bouwland De Oosterringweg wordt weergegeven alsmede de omliggende sloten. De omgeving betreft eveneens bouwland met sloten. Er zijn geen bebouwingen of verhardingen aanwezig. 1949 Bouwland Situatie onveranderd. 1955 Bouwland Situatie onveranderd. 1960 Bouwland De bebouwing (nr. 10II) langs de Oosterringweg wordt weergegeven. Verder worden er geen verhardingen of opstallen weergegeven. 1971 Akkerbouw Situatie onveranderd. Er worden verschillende soorten akkerbouw weergegeven. Op het noordelijke gelegen perceel wordt aan de westelijke kant glastuinbouw weergegeven. Tevens wordt op het oostelijke perceel richting het noordoosten glastuinbouw weergegeven. Gelet op de onderlinge afstand wordt uitgegaan dat deze geen invloed heeft gehad op de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op onderhavige onderzoekslocatie. 1981 Boomgaard De onderzoekslocatie wordt als boomgaard weergegeven.

Op de noordzijde en op de zuidzijde van de onderzoekslocatie wordt een pad weergegeven, het is niet bekend wat voor soort paden het betreft. 1989 Akkerbouw/ De onderzoekslocatie wordt deels als boomgaard en deels als akkerbouw weergegeven. De paden boomgaard worden nog weergegeven. 1995 Akkerbouw/ Er wordt nog een klein gedeelte als boomgaard weergegeven, de rest betreft akkerbouw. Het boomgaard noordelijke pad wordt nog weergegeven vanaf de Oosterringweg tot ongeveer halverwege de onderzoekslocatie met een dam naar het noordelijk perceel. Het zuidelijke pad wordt niet meer weergegeven. 2000 Akkerbouw/ Situatie nagenoeg onveranderd, de indeling qua boomgaard/ akkerbouw is enigszins gewijzigd. boomgaard 2003 Akkerbouw/ Situatie nagenoeg onveranderd, de indeling qua boomgaard/ akkerbouw is enigszins gewijzigd. boomgaard 2006 Akkerbouw/ Situatie nagenoeg onveranderd, de indeling qua boomgaard/ akkerbouw is enigszins gewijzigd. boomgaard 2008 Akkerbouw/ Situatie nagenoeg onveranderd, de indeling qua boomgaard/ akkerbouw is enigszins gewijzigd. De 2016 boomgaard contour van het glastuinbouwbedrijf op het noordelijke perceel wordt vanaf 2011 niet meer weergegeven. Vanaf 2008 wordt het glastuinbouw op het oostelijke perceel niet meer weergegeven.

Informatie eigenaar/ gebruiker (dhr. Beers) Het aanwezige pad welke voorzien is van betonplaten, is direct op de grond toegepast zonder (puin)fundering. De onderzoekslocatie begint vanaf 18 meter vanaf hoek schuur nr. 10II.

Verkennend milieukundig bodemonderzoek percelen 2682/ 2684 Oosterringweg te Marknesse Projectcode: 20180154-2

7

Informatie Provincie Flevoland Van de onderzoekslocatie is een omgevingsrapportage opgevraagd, deze is in bijlage 7 van deze rapportage toegevoegd. Uit de rapportage volgt het volgende: van de onderzoekslocatie zijn geen rapportages bekend met betrekking tot eerder uitgevoerde bodemonderzoeken; op de locatie Oosterringweg nr. 10II (woonhuis) is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Nillesen Milieu Adviesbureau d.d. 10-06-1997. De status betreft ‘uitvoeren OO’; op de locatie Oosterringweg 12I (voormalig glastuinbouw ten noorden van de onderzoekslocatie) is een oriënterend onderzoek uitgevoerd door Fugro d.d. 10-07-1998 met kenmerk C-8154.110. De status betreft ‘uitvoeren OO’; de locatie Baarlosedwarsweg 1-3 heeft als status ‘Opstellen SP’, dit betreft het oostelijk gelegen perceel. Op deze locatie zijn meerdere bodemonderzoeken uitgevoerd en hebben er meerdere verdachte ‘verontreinigde activiteiten’ plaatsgevonden. Op basis van aanvullende aangeleverde documentatie blijkt dat nabij voormalige olietanks een verontreiniging met minerale olie is aangetroffen met een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door BDG Professionals, kenmerk 99-MO475/052. Dit betreft een gedeelte ter hoogte van de Baarlosedwarsweg 3, gelet op de onderlinge afstand wordt uitgegaan dat dit geen invloed heeft gehad op onderhavige onderzoekslocatie.

Op deze locatie zijn eveneens twee bodemonderzoeken uitgevoerd door KBBL Milieu BV (kenmerk AADV/006/vo01_01d1, datum 1-12-2006 en nader onderzoek, kenmerk AADV/006/vo01_01d1, datum 1-12-2006. Uit het eerste onderzoek volgt dat er geen nader onderzoek noodzakelijk is. Met het tweede onderzoek (1-12-2006) is de in het eerder onderzoek aangetroffen minerale olie verontreiniging niet meer aangetroffen. Wel zijn er sterke verontreinigingen met de parameter nikkel aangetroffen, de omvang wordt groter geschat dan 100 m³. De verontreiniging zijn aangetroffen nabij de voormalige bedrijfsruimte en gelet op de onderlinge afstand wordt uitgegaan dat dit geen invloed heeft gehad op onderhavige onderzoekslocatie; er zijn van de onderzoekslocatie zelf geen gegevens bekend omtrent ‘verdachte bedrijfsactiviteiten en (voormalige) olietanks; de locatie is niet aangegeven als een asbestlocatie. Voor de volledige informatie wordt verwezen naar rapportage in bijlage 7. Uit de bodemkwaliteitskaart van provincie Flevoland volgt het volgende: kaart waarnemingen en ruimtelijke spreiding: geen waarnemingen; bodemfunctiekaart: Achtergrondwaarde; ontgravingskaart: Achtergrondwaarde (0,0 – 2,0 m-mv); toepassingskaart: Achtergrondwaarde (0,0 – 2,0 m-mv). Niet Gesprongen Explosieven (NGE) Zover bekend is de locatie niet onderzocht op het voorkomen van NGE.

Het is onbekend of de locatie verdacht is op het voorkomen van NGE. Archeologie Uit de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW3) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap blijkt dat de onderzoekslocatie zich bevindt in een zone met een lage trefkans op het aantreffen van archeologische vondsten. Bron: 

           

       ! " 

Verkennend milieukundig bodemonderzoek percelen 2682/ 2684 Oosterringweg te Marknesse Projectcode: 20180154-2

8

Bodemloket Uit informatie van de website van Bodemloket blijkt dat van de onderzoekslocatie zelf geen gegevens bekend zijn. Er zijn geen aanvullende gegevens bekend buiten de reeds bekende gegevens uit de omgevingsrapportage (bijlage 7). Opgemerkt wordt dat bodemloket afhankelijk is van de gegevens zoals deze bekend zijn bij het desbetreffende bevoegd gezag. Indien derhalve bepaalde gegevens, bijvoorbeeld onderzoeksrapporten, niet bij het bevoegd gezag bekend zijn, staan deze niet op het bodemloket vermeld. Archief VanderHelm Milieubeheer B.V. In het archief van VanderHelm Milieubeheer B.V. zijn van de onderzoekslocatie geen aanvullende relevante gegevens bekend.

2.3 GEOLOGIE EN HYDROLOGIE De onderzoekslocatie ligt in de Noordoostpolder. Het maaiveld in dit deel van de polder ligt circa 5,7 meter onder NAP. Volgens informatie van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO heeft de deklaag een dikte van zeven meter. Deze deklaag (zeekleigronden (kalkrijke poldervaaggrond)) is slecht doorlatend en bestaat, van boven naar onder, uit: zandige klei, veen en zand. Het eerste watervoerende pakket heeft een dikte van zeven meter en bestaat hoofdzakelijk uit matig fijn tot uiterst grof zand. Het doorlaatvermogen (kD) van dit pakket bedraagt circa 50 m²/dag. De freatische grondwaterstromingsrichting is vermoedelijk in noordoostelijke richting. Echter kan deze plaatselijk beïnvloed worden door de aanwezige watergangen. Op de onderzoekslocatie is, als gevolg van het verschil tussen de stand van het freatisch grondwater en de stijghoogte van het grondwater in het eerste watervoerend pakket, sprake van kwel noch infiltratie. De onderzoekslocatie is niet gelegen in een milieu- of grondwaterbeschermingsgebied (provinciale milieuverordening).

Verkennend milieukundig bodemonderzoek percelen 2682/ 2684 Oosterringweg te Marknesse Projectcode: 20180154-2

9

3. HYPOTHESE Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende hypotheses opgesteld: uit de topografische kaarten/ luchtfoto’s volgen een aantal aandachtspunten: 3 dammen en een tweetal (voormalige) paden. Deze locaties worden vooralsnog als onverdacht beschouwd, ter verificatie hiervan worden een aantal boringen verricht ter plaatse van deze locaties; -

de bodem (grond en grondwater) van het terrein is onverdacht op het voorkomen van matige tot sterke verontreinigingen met de parameters uit het standaardpakket;

-

vanwege (voormalige) boomgaard binnen de gehele onderzoekslocatie is de grond verdacht op het voorkomen organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s);

-

indien puin-, koolasdeeltjes, slibbijmengingen en/of olie-water reacties worden waargenomen is de grond verdacht op het voorkomen van verontreinigingen met zware metalen, PAK en olieproducten;

-

op voorhand zijn er geen aanwijzingen dat de grond verdacht is op het voorkomen van asbesthoudende materialen, echter indien er puinbijmengingen aanwezig zijn in de grond vormen deze aanleiding tot asbestverdachtheid.

Op basis van bovenstaande hypotheses is besloten het verkennend milieukundig bodemonderzoek te verrichten conform strategie ONV-GR-NL (strategie voor een niet lijnvormige grootschalige onverdachte locatie). De grondmonsters zijn geanalyseerd op 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), PAK, PCB's en minerale olie (standaardpakket grond) inclusief OCB’s. De grondwatermonsters zijn geanalyseerd op 9 zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), aromatische verbindingen, chloorkoolwaterstoffen en minerale olie (standaardpakket grondwater). De handboringen zijn evenredig verdeeld over de onderzoekslocatie en ter plaatse van de aandachtspunten ((voormalige) paden en dammen).

Verkennend milieukundig bodemonderzoek percelen 2682/ 2684 Oosterringweg te Marknesse Projectcode: 20180154-2

10

4. VELDONDERZOEK 4.1 AANPAK EN UITVOERING Het veldwerk (verrichten van de boringen en het plaatsen van de peilbuizen) is uitgevoerd op 23 en 27 februari en 5 en 6 maart 2018 door de heren W. Ruijgt en S. van Haard van VanderHelm Milieubeheer B.V. De watermonstername heeft op 15 en 16 maart 2018 plaatsgevonden en is uitgevoerd door de heren J. Berk en T. de Bloois van VanderHelm Milieubeheer B.V. De uitgevoerde werkzaamheden zijn weergegeven in tabel 4.1. De locaties van de verrichte boringen en de geplaatste peilbuizen zijn weergegeven op de situatieschets in bijlage 6. Tabel 4.1: Verrichte veldwerkzaamheden Locatie en oppervlakte

Verrichte werkzaamheden

Boorpuntnummer

Protocol en strategie

Onderzoekslocatie (circa 94.373 m2)

27 boringen tot 0,5 m-mv en

101 - 152

NEN 5740; ONV-GR-NL (Tabel 4.1)

10 boringen tot 1,0 m-mv en 5 boringen tot 2,0 m-mv en 10 boringen met peilbuis

4.2 BESPREKING VAN WAARNEMINGEN TIJDENS HET VELDWERK De boringen ter plaatse van de (voormalige) paden zijn schuin onder het beton geplaatst, hierbij zijn geen funderingslagen aangetroffen. De boringen ter plaatse van de (voormalige) paden en dammen zijn doorgezet tot 1,0 m-mv. In geen van de boringen binnen de onderzoekslocatie zijn zintuiglijk bodemvreemde bijmengingen en/of asbest verdachte materialen aangetroffen. De bodemopbouw betreft globaal tot 1,0 m-mv klei, vervolgens een halve meter veen en hierna zand tot 3,2 m-mv. De resultaten van het lithologisch onderzoek en de zintuiglijk bodemvreemde bijmengingen worden in de boorbeschrijvingen in bijlage 1A weergegeven. De bodemlagen, waarin zintuiglijk bodemvreemde bijmengingen zijn aangetroffen, worden aangeduid met een zwart driehoekje. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld en in het opgeboorde bodemmateriaal geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Tijdens de grondwatermonstername op 15 en 16 maart 2018 zijn de volgende waarden gemeten: Tabel 4.2: Overzicht metingen tijdens monstername Peilbuis Filterdiepte Grondwaterstand (m -mv) (m -mv) 102 2,00 - 3,00 1,32 109 2,00 - 3,00 1,66 116 2,00 - 3,00 1,72 117 2,00 - 3,00 1,75 124 2,20 - 3,20 1,81 129 2,30 - 3,30 2,00 139 2,20 - 3,20 1,60 143 2,20 - 3,20 1,52 150 2,20 - 3,20 1,95 151 2,20 - 3,20 2,07

pH (-) 7,3 7,2 7,2 6,9 7,0 6,88 6,9 6,8 6,8 6,7

EC (µS/cm) 1010 1230 1210 1260 1360 1280 1270 1250 1320 1380

Troebelheid (NTU) 11,6 96,3 59,8 108 258 287 257 114 186 295

De gemeten troebelheid van het grondwater overschrijdt de norm (>10 NTU). Dit kan hebben geleid tot vals verhoogde concentraties van parameters die ongefiltreerd worden geanalyseerd. Dit betreffen alle parameters met uitzondering van zware metalen.

Verkennend milieukundig bodemonderzoek percelen 2682/ 2684 Oosterringweg te Marknesse Projectcode: 20180154-2

11

5. LABORATORIUMONDERZOEK EN TOETSING 5.1 TOETSINGSCRITERIA Ter toetsing van de hypotheses zijn monsters voor analyse geselecteerd en bij ALcontrol B.V. aangeleverd. In paragraaf 5.2 is te zien welke (meng)monsters zijn geanalyseerd. De analyseresultaten van de geanalyseerde grond(water)monsters zijn getoetst met behulp van de huidige versie van BoToVa aan de richtlijnen zoals beschreven in de "Regeling bodemkwaliteit" (Staatscourant 20 december 2007) en de "Circulaire Bodemsanering per 1 juli 2013". In de tabellen 5.1 en 5.2 worden de resultaten van de toetsing weergegeven. De (volledige) toetsingstabellen zijn opgenomen in bijlage 4. De originele analyserapporten van het laboratorium zijn te vinden in bijlage 3. In bijlage 2 worden de verschillende verontreinigingsparameters beschreven. Om de mate van verontreiniging in de tekst weer te geven, wordt gebruik gemaakt van de volgende terminologie: Niet verontreinigd:

concentratie kleiner dan of gelijk aan de achtergrond- of streefwaarde. Bodemindex  0,00; Licht verontreinigd: concentratie groter dan de achtergrond- of streefwaarde maar kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde (de tussenwaarde betreft het rekenkundig gemiddelde van de achtergrond/streef- en interventiewaarde). Bodemindex > 0,00 en  0,50; Matig verontreinigd: concentratie groter dan de tussenwaarde maar kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde. Bodemindex > 0,50 en  1,00; Sterk verontreinigd: concentratie groter dan de interventiewaarde. Bodemindex > 1,00.

Verkennend milieukundig bodemonderzoek percelen 2682/ 2684 Oosterringweg te Marknesse Projectcode: 20180154-2

12

5.2 GETOETSTE ANALYSERESULTATEN Tabel 5.1: Overzicht toetsingsresultaten van de geanalyseerde grondmengmonsters Analyse Deelmonsters Reden Analysepakket Toetsingsresultaat* monster analyse >AW Onderzoekslocatie M101 101 (0,00 - 0,50) ONV-BG Standaardpakket + Kwik [Hg] (-) 103 (0,00 - 0,50) OCB Som 21 Organochloorhoud. 104 (0,00 - 0,50) bestrijdingsmiddelen () PAK 10 VROM (0,02) 106 (0,00 - 0,50) DDE (som) (0,04) 107 (0,00 - 0,50) DDD (som) (-) Drins (Aldrin+Dieldrin+Endrin) (0,01) M102 108 (0,00 - 0,50) ONV-BG Standaardpakket + Kwik [Hg] (-) OCB DDE (som) (0,01) 110 (0,00 - 0,50) Drins 112 (0,00 - 0,50) (Aldrin+Dieldrin+Endrin) (-) 114 (0,00 - 0,50) 116 (0,00 - 0,50) M103 117 (0,00 - 0,50) ONV-BG Standaardpakket + Som 21 Organochloorhoud. 119 (0,00 - 0,50) OCB bestrijdingsm () 121 (0,00 - 0,50) DDE (som) (0,13) DDD (som) (-) 127 (0,00 - 0,50) DDT (som) (0,24) 131 (0,00 - 0,50) Drins (Aldrin+Dieldrin+Endrin) (0,04) M104 132 (0,00 - 0,50) ONV-BG Standaardpakket + Heptachloorepoxide (-) 133 (0,00 - 0,50) OCB DDE (som) (0,02) 134 (0,00 - 0,50) Chloordaan (cis + trans) (-) 135 (0,00 - 0,50) Drins (Aldrin+Dieldrin+Endrin) (-) M105 136 (0,00 - 0,50) ONV-BG Standaardpakket + Som 21 Organochloorhoud.

OCB bestrijdingsm () 138 (0,00 - 0,50) 140 (0,00 - 0,50) Heptachloorepoxide (-) DDE (som) (0,14) 141 (0,00 - 0,50) DDD (som) (-) 144 (0,00 - 0,50) DDT (som) (0,26) Drins (Aldrin+Dieldrin+Endrin) (0,01) M106 145 (0,00 - 0,50) ONV-BG Standaardpakket + Som 21 Organochloorhoud. 147 (0,00 - 0,50) OCB bestrijdingsm () 148 (0,00 - 0,50) Heptachloorepoxide (0,01) 149 (0,00 - 0,50) DDE (som) (0,22) 152 (0,00 - 0,50) DDD (som) (-) DDT (som) (0,41) Chloordaan (cis + trans) (0,01) Drins (Aldrin+Dieldrin+Endrin) (-) M107 101 (0,50 - 0,80) ONV-OG Standaardpakket + Drins OCB (Aldrin+Dieldrin+Endrin) (-) 102 (0,50 - 1,00) 103 (0,50 - 0,80) 104 (0,50 - 0,80) 111 (0,50 - 1,00) M108 105 (0,50 - 1,00) ONV-OG Standaardpakket + OCB 106 (0,50 - 1,00) 107 (0,50 - 1,00) 117 (0,50 - 1,00)

Verkennend milieukundig bodemonderzoek percelen 2682/ 2684 Oosterringweg te Marknesse Projectcode: 20180154-2

>T

>I

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

13

Tabel 5.1: Overzicht toetsingsresultaten van de geanalyseerde grondmengmonsters Analyse Deelmonsters Reden Analysepakket Toetsingsresultaat* monster analyse >AW Onderzoekslocatie M109 109 (0,50 - 1,00) ONV-OG Standaardpakket + Nikkel [Ni] (0,02) OCB Hexachloorbutadieen () 116 (0,50 - 1,00) 118 (0,50 - 1,00) alfa-HCH (-) 137 (0,50 - 1,00) beta-HCH (-) 145 (0,50 - 1,00) gamma-HCH (-) Heptachloor (-) Heptachloorepoxide (-) alfa-Endosulfan (-) Chloordaan (cis + trans) (-) Drins (Aldrin+Dieldrin+Endrin) (-) M110 132 (0,50 - 1,00) ONV-OG Standaardpakket + OCB 133 (0,50 - 1,00) 134 (0,50 - 1,00) 135 (0,50 - 1,00) M111 124 (0,50 - 0,80) ONV-OG Standaardpakket + 129 (0,50 - 0,80) OCB 139 (0,50 - 0,90) 143 (0,50 - 0,90) 150 (0,50 - 0,90) Toelichting tabel 5.1 Reden: ONV-BG Onverdacht/willekeurig bovengrond ONV-OG Onverdacht/willekeurig ondergrond

>I

-

-

-

-

-

-

Toetsingsresultaat: * parameter [afkorting] (bodemindex) > AW overschrijdt de achtergrondwaarde >T overschrijdt de tussenwaarde >I overschrijdt de interventiewaarde

Tabel 5.2 Overzicht toetsingsresultaten van de geanalyseerde grondwatermonsters Analyse Filterdiepte Reden Analysepakket Toetsingsresultaat* monster (m -mv) >S >T Onderzoekslocatie 102-P102-1 2,00 - 3,00 ONV Standaardpakket Barium [Ba] (0,14) 109-P109-1 2,00 - 3,00 ONV Standaardpakket Barium [Ba] (0,16) 116-P116-1 2,00 - 3,00 ONV Standaardpakket Barium [Ba] (0,07) 117-P117-1 2,00 - 3,00 ONV Standaardpakket Barium [Ba] (0,05) 124-P124-1 2,20 - 3,20 ONV Standaardpakket Barium [Ba] (0,14) 129-P129-1 2,30 - 3,30 ONV Standaardpakket Barium [Ba] (0,02) 139-P139-1 2,20 - 3,20 ONV Standaardpakket Nikkel [Ni] (0,03) Barium [Ba] (0,21) Tetrachlooretheen (Per) (-) 143-P143-1 2,20 - 3,20 ONV Standaardpakket Barium [Ba] (0,02) 150-P150-1 2,20 - 3,20 ONV Standaardpakket Barium [Ba] (0,23) 151-P151-1 2,20 - 3,20 ONV Standaardpakket Barium [Ba] (0,02) Tetrachlooretheen (Per) (-) Toelichting tabel 5.2 Reden: ONV Onverdacht

>T

>I -

-

Toetsingsresultaat: * parameter [afkorting] (bodemindex) >S overschrijdt de streefwaarde >T overschrijdt de tussenwaarde >I overschrijdt de interventiewaarde

Verkennend milieukundig bodemonderzoek percelen 2682/ 2684 Oosterringweg te Marknesse Projectcode: 20180154-2

14

6. EVALUATIE ONDERZOEKSRESULTATEN Onderstaand wordt een evaluatie weergegeven van de onderzoeksresultaten: Uit het vooronderzoek volgen een aantal aandachtspunten zoals (voormalige) paden en dammen. Uit het veldonderzoek volgt dat er geen bodemvreemde bijmengingen zijn aangetroffen binnen de gehele onderzoekslocatie. Tevens zijn er zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen en de onderzoekslocatie wordt als asbest onverdacht beschouwd. Van de zintuiglijk schone bovengrond zijn totaal 6 mengmonsters en van de zintuiglijk schone ondergrond totaal 5 grondmengmonsters samengesteld en geanalyseerd op een standaardpakket voor grond en vanwege (voormalige) boomgaard tevens op OCB’s. Uit de analyse- en toetsingsresultaten volgt dat er maximaal achtergrondwaarde overschrijdingen zijn met de onderzochte parameters. Verdeeld over de onderzoekslocatie zijn totaal 10 peilbuizen geplaatst en bemonsterd. Het grondwater is geanalyseerd op het standaardpakket voor grondwater. Uit de analyse- en toetsingsresultaten volgt dat er maximaal achtergrondwaarde overschrijdingen zijn met de onderzochte parameters. De aangetroffen lichte verontreinigingen in de bodem vormen geen aanleiding tot vervolgonderzoek.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2313/documents/43681