CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

13.1 Bijlage 1 Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek'.pdf

Gemeenteraad 13 september 2021, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 13: Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek8.331 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek Bestemmingsplan

Opdrachtgever

Liander N.V.

Gemeente Identificatienummer Versie Datum Opsteller Projectnummer

Noordoostpolder NL.IMRO.0171.BP00xxx-OW01 Ontwerp 19 april 2021 R. Nijdam 1060

DNS Planvorming BV | Klaprozenweg 75 C | 1033 NN Amsterdam | info@dnsplanvorming.nl

Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3

Inleiding ......................................................................................................................... 1 Aanleiding ..................................................................................................................... 1 Leeswijzer ..................................................................................................................... 3 Begrippenlijst................................................................................................................. 3

2 2.1 2.2 2.3

Het plan ......................................................................................................................... 4 Bestaande situatie ........................................................................................................ 4 Noodzaak en keuze van de locatie ............................................................................... 5 Toekomstige situatie ..................................................................................................... 5

3 3.1 3.2 3.3 3.4

Beleidskader ................................................................................................................. 8 Inleiding ......................................................................................................................... 8 Rijksbeleid ..................................................................................................................... 8 Provinciaal beleid .......................................................................................................... 9 Gemeentelijk beleid .................................................................................................... 10

4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

Omgevingsaspecten ................................................................................................... 12 Inleiding ....................................................................................................................... 12 Archeologie ................................................................................................................. 12 Bodemkwaliteit ............................................................................................................ 13 Water........................................................................................................................... 13 Natuur ......................................................................................................................... 15 Houtopstanden ............................................................................................................ 17 Verkeer en parkeren ................................................................................................... 17 Bedrijven en Milieuzonering ........................................................................................ 17 Geluid ..........................................................................................................................

19 EM velden ................................................................................................................... 19 Luchtkwaliteit............................................................................................................... 20 Externe veiligheid ........................................................................................................ 20 Besluit milieueffectrapportage..................................................................................... 21

5 5.1 5.2

Toelichting op de regels .............................................................................................. 22 Algemeen .................................................................................................................... 22 Nadere toelichting op de regels .................................................................................. 22

6 6.1 6.2

Economische uitvoerbaarheid..................................................................................... 24 Planschade ................................................................................................................. 24 Conclusie .................................................................................................................... 24

7 7.1 7.2 7.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 25 Informeren omwonenden ............................................................................................ 25 Vooroverleg artikel 3.1.1. Bro ..................................................................................... 25 Zienswijzen ................................................................................................................. 25

Bijlagen Bijlage 1: Bodemonderzoek Bijlage 2: Watertoets Bijlage 3: Quickscan ecologie Bijlage 4: Stikstofdepositie berekeningen

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

Liander is verantwoordelijk voor het aanleggen, onderhouden en beheren van gas- en elektriciteitsnetten in (delen van) de provincies Gelderland, Flevoland, Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Friesland. Binnen dit verzorgingsgebied transporteert Liander elektriciteit naar ruim drie miljoen huishoudens, bedrijven en instellingen. Liander werkt iedere dag aan een energievoorziening die iedereen onder gelijke condities toegang geeft tot betrouwbare, betaalbare en duurzame energie. Om dat voor elkaar te krijgen, is het belangrijk om de veiligheid, kwaliteit en capaciteit van de netten hoog op orde te houden. De netinfrastructuur moet nu en in de toekomst aan de capaciteitsbehoefte van de klanten voldoen. In de regio Noordoostpolder is er sprake van een capaciteitsknelpunt in het elektriciteitsnet. Enerzijds komt dit voort uit een toenemende vraag naar elektriciteit en anderzijds uit toenemende teruglevering van elektriciteit op het net door zonne- en windparken. Het is daarom noodzakelijk om in de regio Noordoostpolder de capaciteit van het elektriciteitsnet te vergroten. Behalve de uitbreiding van onderstation Emmeloord en een nieuw regelstation bij Urk is ook een nieuw regelstation bij Tollebeek nodig. Het voornemen is om aan de Zuidwesterringweg (N713) ten noordwesten van Tollebeek een nieuw regelstation te realiseren (zie afbeelding 1).

Het nieuwe regelstation zal bestaan uit een nieuw 20 kV gebouw met daaraan vast een transformatorruimte. In de transformatorruimte komt een 40 MVA transformator. Ter plaatse van de beoogde locatie geldt de beheersverordening Landelijk gebied van de gemeente Noordoostpolder (vastgesteld 21 maart 2016). De beheersverordening heeft voor dit perceel de regelingen overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2004’. Hierin heeft het perceel de bestemming ‘Agrarisch gebied’ (zie afbeelding 2), met de aanduiding (o) vanwege de openheid van het landschap. Ter plaatse is geen bouwvlak aanwezig, wat betekent dat geen gebouwen zijn toegestaan. Ook is het beoogde nieuwe gebruik als nutsvoorziening niet toegestaan. Er is in het bestemmingsplan geen wijzigings- of afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee het nieuwe regelstation mogelijk te maken is. Daarom is een nieuw bestemmingsplan nodig. Met het voorliggende nieuwe bestemmingsplan wordt het nieuwe regelstation mogelijk gemaakt.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

1/25

Inleiding

afbeelding 1: ligging plangebied (rode stippellijn) aan de Zuidwesterringweg ten noordwesten van Tollebeek

afbeelding 2: uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2004 (bron ruimtelijkeplannen.nl)

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

2/25

Inleiding

1.2

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt het plan beschreven, waarbij eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie en vervolgens op de toekomstige situatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hoofdstuk 4 gaat in op de milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt toegelicht hoe de planuitgangspunten zijn vertaald naar de bestemmingsregels. De economische uitvoerbaarheid van het plan is beschreven in hoofdstuk 6 en de maatschappelijke uitvoerbaarheid in hoofdstuk 7.

1.3

Begrippenlijst

In het bestemmingsplan worden verschillende begrippen gebruikt, welke vrij technisch en specialistisch van aard zijn. Daarom is hieronder een begrippenlijst opgenomen waarin de meest belangrijke termen zijn toegelicht. Regelstation Op een regelstation, ook wel transformator- of elektriciteitsstation komt elektriciteit met een hogere spanning binnen en wordt omgezet in een lagere spanning. De elektriciteit met een lagere spanning wordt vervolgens getransporteerd naar de verschillende wijken of gebieden in een dorp of stad. Transformator Een transformator zet elektriciteit om van de ene spanning naar een andere spanning. Transformatorvermogen Het vermogen ofwel capaciteit van de transformator, uitgedrukt in MVA. Transformatorruimten De transformator komt in een bouwwerk te staan, bestaande uit 3 dichte wanden. De bovenzijde is open. MVA Aanduiding van het vermogen ofwel capaciteit van de transformator om elektriciteit te kunnen transporteren en transformeren. De capaciteit wordt uitgedrukt in VoltAmpère (VA). 1 MVA (MegaVoltAmpère) is 1.000.000 VA. kV De hoogte van de spanning uitgedrukt in Volt, 10kV is 10.000Volt. Laagspanning Laagspanning is de verzamelnaam voor de lage spanningen in het elektriciteitsnet en betekent spanning onder de 1kV (1.000 Volt).

Middenspanning Middenspanning is de verzamelnaam voor de spanningen tussen de hoogste en laagste spanningen in het elektriciteitsnet. Alle spanningen van hoger dan 1kV en lager dan 25kV vallen hieronder. Middenspanningsinstallatie De installatie zorgt ervoor dat de elektriciteit gedistribueerd wordt over verschillende kabels naar de transformatorhuisjes in de wijk of naar bedrijven. De middenspanningsinstallatie is de “groepenkast” van een (onder)station.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

3/25

Het plan

2

Het plan

2.1

Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen aan de zuidzijde van de Zuidwesterringweg, ten noordwesten van de plaats Tollebeek. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan het parkbos. In de huidige situatie is het terrein in gebruik als grasland en langs de Zuidwesterringweg staan bomen. Aan de oostzijde is het plangebied begrenst door een smalle watergang. Ook ligt langs de weg een watergang.

afbeelding 3: luchtfoto van het terrein met projectlocatie in rood aangeduid

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

4/25

Het plan

afbeelding 4: aanzicht van het terrein vanaf de Zuidwesterringweg kijkend richting het zuidwesten

2.2

Noodzaak en keuze van de locatie

In de regio Noordoostpolder is sprake van een capaciteitsknelpunt in het elektriciteitsnet. Enerzijds komt dit voort uit een toenemende vraag naar elektriciteit en anderzijds uit toenemende teruglevering van elektriciteit op het net door zonne- en windparken. Het is daarom noodzakelijk om in de regio Noordoostpolder de capaciteit van het elektriciteitsnet te vergroten. In dat kader wordt de capaciteit van het bestaande onderstation Emmeloord aan de Nagelerweg uitgebreid en komt er een nieuw regelstation bij Urk aan de Domineesweg. Ook is een nieuw regelstation bij Tollebeek nodig. Om te komen tot een geschikte plek voor het nieuwe regelstation, zijn door Liander en de gemeente meerdere locaties onderzocht in de omgeving. Belangrijk is dat de afstand tot het bestaande distributienet Noordoostpolder voldoet (de afstand tot het bestaande kabeltracés en de onderstations in de omgeving). Om uitval van of beschadiging aan apparatuur te voorkomen, zijn er regels en normen (vastgelegd in de Netcode door de ACM) die grenzen stellen aan de maximaal toegestane afwijking van de spanning. Om binnen deze grenzen te blijven mogen kabels niet te lang zijn en dient waar nodig de spanning te worden geregeld door middel van transformatoren in een regelstation. Om te komen tot een locatie, is medewerking nodig van de grondeigenaar.

Ook is bij de verschillende opties gekeken naar de impact op het landschap en de mogelijkheden voor inpassing. Er zijn gesprekken gevoerd met verschillende grondeigenaren door Liander over de mogelijke locaties. Dit heeft er toe geleid dat is gekozen voor de locatie aan de zuidzijde van de Zuidwesterringweg, tegen het bos aan. De ligging is gunstig voor de aanleg van kabels en de afstand tot onderstation Emmeloord.

2.3

Toekomstige situatie

Het nieuwe regelstation zal bestaan uit een nieuw 20 kV gebouw met daaraan vast een transformatorruimte. In de transformatorruimte komt een 40 MVA transformator. Het nieuwe 20 kV gebouw wordt ca. 5,5 m hoog en heeft een oppervlakte van ca. 200 m2. De transformatorruimte bestaan uit een fundatie en wanden rondom de transformator met een opening aan de westzijde. De wanden worden ca. 6,5 meter hoog (incl. valbescherming) en de transformatorruimte heeft een oppervlakte van ca. 70 m2.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

5/25

Het plan

Om ruimte te bieden aan ontwerpwijzigingen is in het bestemmingsplan een ruimer bouwvlak opgenomen met een maximale bouwhoogte van 7 m voor het gebouw en de transformatorruimten en een maximum bebouwingspercentage van 60%. Op het gebouw en op de transformatorruimte komen voorzieningen voor bliksemafleiding, bliksemspitsen genaamd. De bliksemspitsen worden tussen de 8 m en 12 m hoog. Het terrein krijgt de toegang aan de noordzijde, direct op de Zuidwesterringweg. Aan de noordzijde wordt het regelstation aangesloten op het ondergrondse kabeltracé dat langs de Zuidwesterringweg loopt. Ook komen aan de zuidzijde ondergrondse kabels. Om het regelstation te realiseren wordt een tijdelijk bouwterrein (geen onderdeel bestemmingsplan) aangelegd direct ten westen van het plangebied. Vanwege de tijdelijke toegang van het bouwterrein en de nieuwe ondergrondse kabels zullen er enkele bomen langs de Zuidwesterringweg moeten worden gekapt. Waar dit mogelijk is, worden na de realisatie weer nieuwe bomen geplant in lijn met de huidige laanstructuur. Ter plaatse van de kabels is het echter niet wenselijk om diepwortelende beplanting te planten. Rond de nieuwe bebouwing wordt verharding aangelegd en bij de toegang komt ruimte voor enkele parkeerplaatsen. Vanuit landschappelijk oogpunt wenst de gemeente een open groene uitstraling.

Daarom wordt alleen de noodzakelijke hoeveelheid verharding aangebracht en zal de rest van het terrein grasland blijven. Ook worden waar mogelijk grasbetontegels toegepast. Om de openheid van het landschap te behouden, komen er geen struiken, hagen en dergelijke rondom het terrein. Het hekwerk dat vanuit veiligheidsoogpunt noodzakelijk is, belemmert het zicht niet. De beoogde uitstraling en materiaalgebruik (beeldkwaliteit) wordt beoordeeld in het kader van de omgevingsvergunning (welstandstoets). Er worden beeldkwaliteitseisen voor opgesteld. Aan de noordzijde bij de toegang komt een compactstation (klein bouwwerk), dat zelfstandig bereikbaar dient te zijn en zodoende buiten het hekwerk wordt gehouden. Het compactstation heeft een oppervlakte van ca. 3,6 m2 (2 m bij 1,8 m) en een hoogte van ca. 1,7 m. Het compactstation voldoet aan de regels voor vergunningsvrij bouwen op grond van het Besluit omgevingsrecht. transformatorruimte

20 kV gebouw

Toegang naar Zuidwesterringweg

afbeelding 5: schetsontwerp van het nieuwe regelstation (bron: Reddyn)

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

6/25

Het plan

afbeelding 6: 3D impressie van het nieuwe regelstation (bron: Reddyn)

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

7/25

Beleidskader

3

Beleidskader

3.1

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk schaalniveau. Dit beleid vormt het kader waarbinnen de nieuwe ontwikkeling plaats dienen te vinden.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Vanaf 2022 treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één rijksvisie op de leefomgeving. Het Rijk heeft op 11 september 2020 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie • duurzaam economisch groeipotentieel • sterke en gezonde steden en regio’s • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Een van de nationale belangen is het realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur (belang 11). Vitale functies in de maatschappij zijn afhankelijk van een betrouwbare toelevering en uitwisseling van energie. Voor iedereen moet deze energie betaalbaar zijn. Energie moet veilig worden opgewekt, gewonnen, getransporteerd, opgeslagen en gebruikt. Met betrekking tot ‘ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie’ is in de NOVI aangegeven dat de transitie naar hernieuwbare energie meer ruimte vraagt voor transport, distributie, conversie en opslag van energie, zowel boven- als ondergronds.

In plaats van enkele relatief grote ‘puntbronnen’ (centrales) en transport van energie in één richting zal sprake zijn van meerdere, vaak decentrale en sterk in grootte verschillende bronnen (zon-, wind- en bodemenergie) en tweerichtingsverkeer (gebruik en productie) van energie. Betekenis voor het project De realisatie van het nieuwe regelstation sluit aan op het nationale belang ‘realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur’ uit de NOVI. Het regelstation is nodig om te kunnen voorzien in de vraag naar elektrisch vermogen in de omgeving. Dit is van essentieel belang voor een goed functionerend en betrouwbaar elektriciteitsnetwerk. 3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening Sinds 1 juli 2017 is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' aangepast in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6. lid 2 Bro). Het artikel luidt nu als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

8/25

Beleidskader

Het artikel heeft tot doel om zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren en over-programmering te voorkomen. Eerst moet worden beoordeeld of sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd in artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro. Deze luidt: ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Volgend uit jurisprudentie wordt een nieuw transformatorstation niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling beschouwd (zie uitspraak van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1123 (Hollands Kroon)). Betekenis voor het plan Gelet op de jurisprudentie is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing aan de ladder niet nodig. Daar komt bij dat de gewenste ontwikkeling nodig is om in de toekomst te kunnen voorzien in de vraag naar elektrisch vermogen in de omgeving. Dit is van belang voor een goed functionerend en betrouwbaar elektriciteitsnetwerk.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Provincie Flevoland In de Omgevingsvisie heeft de provincie Flevoland haar ambities voor de toekomst beschreven. Op het gebied van duurzame energie heeft de provincie grote ambities. In 2030 en verder staat Flevoland bekend als de provincie die draait op duurzame energie en is de energietransitie slagvaardig aangepakt. Er wordt zo min mogelijk energie gebruikt en de benodigde energie wordt duurzaam opgewekt in de provincie of in de direct omgeving. In Flevoland zijn hoofdzakelijk energieneutrale en energie producerende woningen en bedrijven. De provincie gaat in samenwerking met gemeenten en andere partners ruimte geven voor duurzame energie opwekking. De provincie Flevoland heeft in haar omgevingsverordening regels staan die zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In de verordening staan regels over onder andere thema’s als duurzame energie, bescherming van het landschap, het grondwater en het watersysteem en natuurbescherming. Betekenis voor het plan De provinciale ambities op het gebied van duurzame energie vragen om een robuust elektriciteitsnetwerk en verzwaring van de capaciteit van verschillende onderstations. Hiervoor is een goed functionerend en robuust elektriciteitsnetwerk voor nodig.

Het nieuwe regelstation is noodzakelijk om het elektriciteitsnetwerk geschikt te maken voor deze duurzame energie ambities en de ruimtelijk-economische ontwikkeling van dit deel van Flevoland. De Omgevingsverordening is geraadpleegd voor het bestemmingsplan. Met het bestemmingsplan wordt een nieuw regelstation mogelijk gemaakt. Het plangebied ligt binnen het gebied ‘bescherming landschap’ (hoofdstuk 3 van de verordening). In dit gebied zijn verbodsbepalingen opgenomen voor het plaatsen van borden langs provinciale wegen. Dit is niet relevant voor het bestemmingsplan. Er zijn verder geen regels in de verordening opgenomen die de beoogde ontwikkeling belemmeren. 3.3.2 Omgevingsprogramma Flevoland Het Omgevingsprogramma (geconsolideerde versie augustus 2019) is een verdere uitwerking van wat de provincie belangrijk vindt en wil doen om te zorgen voor een goede leefomgeving. Hierin staat beschreven wat het te voeren beleid is en welke maatregelen of acties de provincie neemt om haar doelstellingen te kunnen bereiken. Dit kan gaan over bijvoorbeeld de ontwikkeling, het gebruik en beheer van onder andere wegen, natuur en bodem: de ‘fysieke leefomgeving’.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

9/25

Beleidskader

Het Omgevingsprogramma is in principe zelfbindend voor de provincie. Wel moet het waterschap bij vaststelling van een waterbeheerplan rekening houden met de door de provincie uitgewerkte kaderstelling in het regionale waterprogramma. Voor de doorwerking van andere thema’s uit het Omgevingsprogramma maakt de provincie waar nodig gebruik van gezamenlijke programma’s, bestuurlijke afspraken, convenanten, stimuleringsregelingen en de Omgevingsverordening Flevoland. Zodoende is voor het bestemmingsplan het Omgevingsprogramma niet relevant.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Structuurvisie Noordoostpolder 2025 De Structuurvisie is in 2013 vastgesteld. De structuurvisie is een integrale ruimtelijke visie, die de huidige en gewenste waarden en kwaliteiten beschrijft. De visie heeft als doel de verschillende belangen, zoals voor het landschap, de kernen en de gemeenschap, zorgvuldig af te wegen. En hieruit een integrale ontwikkelingsrichting te bepalen voor de periode tot 2025. De Structuurvisie is vooral gericht op behoud en verbetering van de bestaande ruimtelijke, economische en sociale kwaliteiten en daarmee op het versterken van het landschap en leefbaarheid in de gemeente Noordoostpolder. Landschappelijke uitgangspunten De cultuurhistorisch-landschappelijke waarde van de Noordoostpolder is groot. Tegelijkertijd is er heel duidelijk de behoefte om te blijven verbeteren. Bovendien wil de gemeente ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen, die zorgvuldig een plek moeten krijgen in het landschap. In de structuurvisie is de gemeente opgedeeld in verschillende deelgebieden, elk met eigen landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten en daarmee ook specifieke uitgangspunten voor nieuwe ontwikkelingen. Het plangebied ligt in het deelgebied ‘middengebied’. Het middengebied is het open agrarische hart van de polder, gelegen binnen de dorpenringweg.

De belangrijkste ruimtelijke kwaliteiten zijn de regelmatige verkaveling en de mooie wegbeplantingen. Uitgangspunt voor het middengebied is het behouden van het open karakter. Eventuele, nieuwe elementen worden hier vormgegeven als eilanden in de ruimte. De autonome ligging van Emmeloord als eiland in het hart van de polder dient herkenbaar te blijven. Om die reden dienen er geen ontwikkelingen in het assenkruis plaats te hebben die direct aansluiten op Emmeloord. Langs de dorpenring moeten de dorpen als autonome eilanden worden ervaren. Dit impliceert dat Tollebeek ten opzichte van Urk een zelfstandige ligging moet behouden en er in het assenkruis geen nieuwe ontwikkelingen mogen plaatshebben. Duurzaamheid In 2030 wil de gemeente voldoende duurzame energie opwekken om daarmee energieneutraal te zijn. In mei 2012 is het ‘Duurzaamheidsplan 2012-2015’ vastgesteld, waarin dit streven is vastgelegd. In het Duurzaamheidsplan worden middelen en acties gekoppeld aan de doelstellingen uit het plan. Voor kansrijke initiatieven van grootschalige opwekking van windenergie, geothermie, biomassastromen, productie van biogas en de grootschalige inzet van zonne-energie biedt de gemeente ruimte. Ook worden kansen gezien voor kleinschalige opwekking van windenergie.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

10/25

Beleidskader

plangebied

afbeelding 7: kaart structuurvisie Noordoostpolder 2025

Betekenis voor het plan Het nieuwe regelstation zal als een losstaand element in het landschap worden geplaatst. Er komt geen beplanting omheen, zodat de openheid van het landschap waarneembaar blijft. Op het terrein komt alleen verharding rondom de nieuwe bebouwing. Langs de randen zal zoveel als mogelijk gras worden toegepast. Waar mogelijk wordt als verharding gewerkt met grasbetontegels. Er komt een transparant hekwerk rondom het terrein. Voor de duurzame ruimtelijk-economische ontwikkeling van de gemeente Noordoostpolder is een goed functionerend elektriciteitsnetwerk een vereiste. De ambities op het gebied van opwekking van duurzame energie vragen om een robuust elektriciteitsnetwerk. Het nieuwe regelstation is daar noodzakelijk voor. Het bestemmingsplan past daarmee in het beleid van de gemeente en faciliteert de ambities op het gebied van duurzaamheid. 3.4.2 Partiële herziening structuurvisie - Zon in de Polder De gemeente heeft op 16 december 2019 de ‘Partiële herziening structuurvisie - Zon in de Polder’, vastgesteld. Om invulling te geven aan de gemeentelijke doelstelling van 2,2 PJ aan grootschalige duurzame energieopwekking, zet de gemeente Noordoostpolder in op het realiseren van grootschalige zonneweides. Met de Partiële herziening structuurvisie – Zon in de Polder is het beleidskader voor deze grote opgave gevormd.

De doelstelling voor het zonne-beleid is het bieden van ruimte voor het realiseren van zonneweides waarbij een zorgvuldige afweging wordt gemaakt tussen duurzaamheidsambities, economische en maatschappelijke belangen en landschappelijke inpassing. Betekenis voor het plan Grootschalige ontwikkeling van zonneweides vraagt om een goed functionerend en robuust elektriciteitsnetwerk. Het nieuwe regelstation past daarmee in het beleid van de gemeente en faciliteert de ambities op het gebied van duurzaamheid.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

11/25

Omgevingsaspecten

4

Omgevingsaspecten

4.1

Inleiding

In dit hoofdstuk is de uitvoering van het project verantwoord aan de hand van de relevante omgevingsaspecten.

4.2

Archeologie

4.2.1 Algemeen Door ondertekening van het Verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet (2016) is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. 4.2.2 Omgevingsverordening Flevoland De provincie Flevoland heeft provinciale archeologische en aardkundige kerngebieden aangeduid in haar omgevingsverordening. Het plangebied ligt hier niet binnen. 4.2.3 Archeologie gemeente Noordoostpolder De gemeente Noordoostpolder beschikt over een Archeologische Basis- en Beleidsadvieskaart (actualisatie 2019). Het plangebied ligt in een gebied met de aanduiding WA-8 (lichtgrijs) en grenst net aan een gebied met de aanduiding WA-5 (geel): • Voor het gebied met een aanduiding WA-5 geldt dat bij een fysieke bodemingreep met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en een verstoringsdiepte van meer dan 50 centimeter onder maaiveld er een onderzoek dient te worden uitgevoerd.

• Voor het gebied met een aanduiding WA-8 geldt dat bij een fysieke bodemingreep met een oppervlakte groter dan 10.000 m2 en een verstoringsdiepte van meer dan 100 centimeter onder maaiveld er een onderzoek dient te worden uitgevoerd.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

12/25

Omgevingsaspecten

afbeelding 8: Uitsnede Archeologische Basis- en beleidsadvieskaart (ligging plangebied is met rode lijn ongeveer aangeduid).

4.2.4 Betekenis voor het plan Het plangebied heeft een omvang van ca. 1.400 m2. De vrijstellingsgrens van 10.000 m2 voor WA-8 wordt in geen geval overschreden. Er geldt voor het bestemmingsplan geen onderzoeksplicht. 4.2.5 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect archeologie geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.

4.3

Bodemkwaliteit

4.3.1 Algemeen In het kader van goede ruimtelijke ordening dient aandacht te worden besteed aan de bodemkwaliteit en de betekenis voor de haalbaarheid van het plan. Er is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder zijn de resultaten beschreven. 4.3.2 Bodemonderzoek Er is een bodemonderzoek uitgevoerd voor het plangebied (Historisch en verkennend bodemonderzoek Toekomstig Onderstation Tollebeek, Sweco, 9 maart 2021). Het rapport is opgenomen als bijlage 1 bij de toelichting. Hieronder is de conclusie opgenomen. De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem op de onderzoekslocatie is voldoende in beeld gebracht. Er zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond en er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging in het kader van de Wet bodembescherming. Grond van de onderzoekslocatie is op de locatie en elders vrij toepasbaar. 4.3.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect bodemkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.

4.4

Water

4.4.1 Beleid en regelgeving Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de Waterwet en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

13/25

Omgevingsaspecten

een lager schaalniveau is voor dit planvoornemen met name het beleid van het Waterschap Zuiderzeeland relevant. Dit beleid is in lijn met, en in aanvulling op, de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Waterbeheerplan Waterschap Zuiderzeeland Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema water en ruimte. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen. 4.4.2 Situatie plangebied Veiligheid Het plangebied ligt niet in een beschermingszone van de waterkering. Ook ligt het plangebied niet buitendijks. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing. Voldoende water Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied. Hier is sprake van een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast.

Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Het perceel heeft een oppervlakte van ca. 1.400 m2. In de huidige situatie is het volledig onverhard. Het 20 kV gebouw en de transformatorruimte zijn samen ca. 270 m2. Rondom komt ca. 550 m2 verharding. In totaal is sprake van een toename van ca. 820 m2 verharding. Ten behoeve van de kabeltracés aan de noordzijde en mogelijk ook de inrit aan de noordzijde, wordt een deel van de watergang langs de Zuidwesterringweg gedempt. Hiervoor is een watervergunning nodig en wanneer sprake is van een demping met een lengte van 18 m of langer is compensatie van het gedempte oppervlakte nodig. De exacte omvang van de demping wordt nog nader uitgewerkt en in het kader van de watervergunning met het waterschap afgestemd. Vooralsnog is de inschatting dat de demping korter blijft dan 18 m. Er komt een duiker ter plaatse van de demping zodat het watersysteem niet wordt doorbroken. In het kader van de watervergunning wordt met het waterschap Zuiderzeeland de definitieve situatie afgestemd. Schoon water Het grond- en oppervlaktewater biedt leef-, verblijf-, en voortplantingsmogelijkheden voor de (aquatische) flora en fauna in het beheergebied. De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor.

Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering óf behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Er worden geen uitlogende bouwmaterialen toegepast. De transformatorruimten zijn aan de bovenzijde open. Hemelwater dat in contact kan komen met transformatoren kan verontreinigd zijn met olie. Dit hemelwater mag zonder watervergunning niet op het oppervlaktewater worden afgevoerd. Het hemelwater dat valt ter plaatse van de transformatoren zal mogelijk worden afgevoerd op de riolering. Een andere mogelijkheid is dat een hemelwatersysteem met oliedetectie wordt toegepast zodat er geen vervuild hemelwater wordt afgevoerd naar de onverharde gronden rondom. Er wordt zorggedragen dat er geen vervuild hemelwater wordt geloosd op het oppervlaktewater.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

14/25

Omgevingsaspecten

afbeelding 9: Legger watergangen rondom het plangebied (bron: Waterschap Zuiderzeeland)

4.4.3 Resultaat Watertoets De Digitale Watertoets is op 12 maart 2021 doorlopen. Het resultaat is opgenomen in een rapportage, welke als bijlage 2 bij de toelichting is opgenomen. Op basis van de uitgevoerde watertoets volgt het plan de normale procedure. Omdat de toename aan verharding onder de 2.500 m2 blijft, geldt er voor het plan geen verplichting tot het compenseren middels de aanleg met nieuw oppervlaktewater. Met het waterschap wordt afgestemd over de werkzaamheden aan de watergang langs de Zuidwesterringweg. Hier is een watervergunning voor nodig. 4.4.4 Conclusie De digitale watertoets is doorlopen. Op basis hiervan is de normale procedure van toepassing. Het plan leidt niet tot een toename van meer dan 2.500 m2 verhard oppervlak en er is geen compensatie nodig in de vorm van nieuw water. Met het waterschap wordt afgestemd over de werkzaamheden aan de watergang langs de Zuidwesterringweg. Hier is een watervergunning voor nodig. In het kader van het bestuurlijk vooroverleg wordt het bestemmingsplan voorgelegd aan het waterschap.

4.5

Natuur

4.5.1 Wettelijk kader In ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat hoe de ontwikkelingen die hierin mogelijk worden gemaakt zich verhouden met de wet- en regelgeving op het gebied van gebieds- en soortenbescherming. Dit betekent, dat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet- en regelgeving de uitvoering van de ontwikkeling al dan niet in de weg staat.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

15/25

Omgevingsaspecten

De gebiedsbescherming en de soortenbescherming zijn per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. 4.5.2 Onderzoek Voor het bestemmingsplan is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. Het resultaat is beschreven in het rapport ”Quickscan Zuidwesterringweg 35 te Tollebeek” (Van der Goes en Groot, 10 maart 2021). Het onderzoek is opgenomen als bijlage 3. In het onderzoek is ingegaan op effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), een ander beschermd gebied, zoals Natura-2000, belangrijk weidevogelgebied of strategische reservering natuur. Het plangebied ligt op circa 5 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, IJsselmeer. Gezien de grote afstand en de uit te voeren werkzaamheden worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden uitgevoerd. Stikstofdepositie Het enige externe effect dat niet op voorhand uitgesloten kan worden, is een effect door stikstofdepositie. Een stikstofemissiewolk kan zich over grotere afstand verspreiden en daarmee ook verder weg gelegen Natura 2000-gebieden beïnvloeden.

Zodoende is onderzocht of het project leidt tot een toename in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen en/of habitatsoorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dit is gedaan voor de aanlegfase (bouwfase) en de gebruiksfase en beschreven in het rapport "Stikstofberekening Zuidwesterringweg 35 te Tollebeek" (Van der Goes en Groot, 4 februari 2021). Het rapport is opgenomen als bijlage 4 bij de toelichting. De conclusie van het stikstofonderzoek luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de door de initiatiefnemer aangeleverde input, een rekenresultaat van 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in een Natura 2000-gebied. Er kan worden geconcludeerd dat de gebiedsbescherming geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Soortenbescherming Uit de bureaustudie en het veldbezoek is het volgende naar voren gekomen: • Het onderzoeksgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. • Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten verblijvend aanwezig zijn.

Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. • In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een ontheffing is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. • Teneinde de vestiging van overwinterende rugstreeppadden in het plangebied te voorkomen, dienen opgeslagen zandhopen te worden verwijderd voorafgaand aan het overwinteringsseizoen van de Rugstreeppad of te worden afgeschermd met folie of een zogenaamd ‘amfibieënscherm’. • Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (Huismus, Sperwer of Buizerd), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. Het

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

16/25

Omgevingsaspecten

•

plangebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken.

4.5.3 Conclusie Er zijn geen effecten op beschermde gebieden. Ook is geen sprake van een stikstofdepositie op een Natura-2000 gebied. En uit het soortenonderzoek is gebleken dat er geen negatieve effecten zijn op beschermde soorten. De zorgplicht uit de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Gelet op het resultaat van het onderzoek dient met de bouw- en aanlegwerkzaamheden rekening te worden gehouden met het broedseizoen voor vogels. Ook dient tijdens de werkzaamheden voorkomen te worden dat er ’s nachts met fel bouwlicht wordt gewerkt. En er dient te worden gezorgd dat de rugstreeppad zich niet vestigt op het bouwterrein. Borging hiervan vindt plaats via de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect ecologie geen belemmeringen bestaat ten aanzien van het bestemmingsplan.

4.6

Houtopstanden

Ten behoeve van de realisatie van het regelstation is het nodig enkele bomen langs de weg te kappen. De gemeente heeft in de ‘Beleidsregel instandhouding landschappelijke beplantingen Noordoostpolder’ regels opgenomen ter bescherming van bomen en andere beplantingen buiten de bebouwde kom. In artikel 4 van de gemeentelijke beleidsregel is aangegeven wanneer een vergunning te verkrijgen is voor het vellen (kappen) van wegbeplanting. Dit is onder andere het geval als de kap nodig is omdat op die plaats een uitweg wordt gerealiseerd (art. 4 lid 1 onder d). Dit is in dit geval van toepassing (tijdelijke uitrit bouwterrein). Er geldt vanuit de beleidsregel geen verplichte compensatie voor de kap van bomen ten behoeve van de realisatie van een uitweg. Echter, omdat de uitweg tijdelijk is, is het voornemen om weer bomen terug te planten. Dit wordt in het kader van de omgevingsvergunning voor het kappen nader uitgewerkt.

4.7

Verkeer en parkeren

De uitbreiding van het onderstation heeft geen gevolgen voor de verkeerssituatie. Het plan leidt niet tot een wijziging in de verkeersaantrekkende werking of in de parkeerbehoefte. Er is geen onderzoek nodig. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg zijn in de provinciale Omgevingsverordening regels opgenomen (artikel 15.7). Hier wordt aan voldaan.

4.8

Bedrijven en Milieuzonering

4.8.1 Inleiding De ruimtelijke ordening stelt zich tot doel een goede kwaliteit van leefomgeving te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van voldoende afstand tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

17/25

Omgevingsaspecten

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden gebruikt de gemeente Noordoostpolder de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie. Onderstaande tabel geeft de relatie weer tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Milieucategorie 1 2

Richtafstand (rustige woonwijk) 10 m 30 m

3.1 3.2

50 m 100 m

4.1 4.2

200 m 300 m

5.1 500 m Tabel 1: Bedrijven en milieuzonering (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)

4.8.2 Betekenis voor het plan Het plangebied ligt in het buitengebied. De omgeving heeft een agrarisch karakter. De dichtstbijzijnde woningen betreffen de woningen ten westen van het plangebied aan de Zuidwesterringweg en de woningen aan de Koningsschut in het zuiden. De meest nabijgelegen woning is de Zuidwesterringweg 34a op 300m afstand. De ligging van de woningen is in afbeelding 10 getoond.

Zuidwesterringweg 34A

Zuidwesterringweg 35

plangebied

Woningen Koningsschut afbeelding 10: woningen (geel) rond het plangebied (rood)

Het nieuwe regelstation zal een 40 MVA transformator bevatten. Hiermee valt het nieuwe regelstation in milieucategorie 3.1 (elektriciteitsdistributiebedrijven met een transformatorvermogen

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

18/25

Omgevingsaspecten

van 10 t/m 100 MVA). Voor milieucategorie 3.1 geldt een indicatieve afstand van 50 m ten opzichte van gevoelige bestemmingen (in het referentiegebied rustige woonwijk). De dichtstbijzijnde woningen liggen ruim buiten deze afstand.

Tabel 4.2: milieucategorie van een elektriciteitsdistributiebedrijf (bron: VNG, Brochure Bedrijven en milieuzonering, 2009)

4.8.3 Conclusie Binnen de richtafstand van 50 m zijn geen woningen gelegen. De dichtstbijzijnde woning staat op 300m afstand. Er is sprake van een goede ruimtelijke ordening. Vanuit milieuzonering is er geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.

4.9

Geluid

De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid en bevat een stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door onder meer wegverkeer, spoorwegverkeer en industrie. Het bestemmingsplan maakt geen ‘grote lawaaimakers’1 mogelijk en zal dan ook geen geluidzone bevatten. Een nutsvoorziening is geen geluidgevoelige functie. Er is geen onderzoek naar wegverkeerslawaai nodig. Vanuit de Wet geluidhinder is geen onderzoek naar wegverkeerslawaai of industrielawaai nodig en volstaat de milieuzonering die in paragraaf 4.8 is beschreven.

4.10

EM velden

Voor de blootstelling, kortdurend of langdurend, aan magnetische velden zijn in Nederland geen wettelijke grenswaarden vastgesteld. Wel hebben het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM), het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en de Europese Commissie adviezen gegeven voor grenswaarden voor de blootstelling aan magnetische velden. Voor 50 Hz magnetische velden volgt uit de richtlijn van de Europese Commissie als advies een grenswaarde van 100 microtesla voor de hele bevolking. Dit advies is gebaseerd op de aanbevelingen van de International Commission on Non- Ionizing Radiation Protection (ICNIRP) en worden tevens onderschreven door de World Health Organization en de Nederlandse Gezondheidsraad. Liander zorgt dat alle installaties die het in beheer heeft hieraan voldoen en dat burgers niet worden blootgesteld aan magnetische velden van meer dan 100 microtesla. Ook het ontwerp van het nieuwe regelstation bij Tollebeek voldoet ruimschoots aan de grenswaarde van 100 microtesla voor blootstelling in de openbare ruimte.

1

inrichtingen zoals genoemd in onderdeel D van bijlage 1 van het Besluit omgevingsrecht.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

19/25

Omgevingsaspecten

4.11

Luchtkwaliteit

4.11.1 Inleiding In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is “niet in betekenende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. Zo zijn bijvoorbeeld kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg ofwel niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen vallen onder deze categorieën. 4.11.2 Conclusie Het bestemmingsplan leidt niet tot een toename aan verkeersbewegingen. Het project draagt zodoende niet-in-betekenende-mate bij en er is geen luchtkwaliteitonderzoek nodig.

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.12

Externe veiligheid

4.12.1 Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze plaatsgebonden risicocontour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt.

Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal personen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 4.12.2 Betekenis voor het plan Voor het bestemmingsplan is de risicokaart geraadpleegd (www.risicokaart.nl). er zijn geen risicobronnen in de nabijheid van het plangebied.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

20/25

Omgevingsaspecten

Het bestemmingsplan maakt de realisatie van een nieuw regelstation mogelijk. Een regelstation is geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Er verblijven geen mensen voor langere duur. Er is geen sprake van een wijziging in het groepsrisico door het bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.

4.13

Besluit milieueffectrapportage

Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 zijn er twee vormen van m.e.r.-beoordelingen: 1.) projecten die vallen onder bijlage D van het Besluit m.e.r. en 2.) de vormvrije m.e.r.-beoordeling ook wel vergewisplicht genoemd. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: • het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. • de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Realiseren van een regelstation is geen activiteit die is genoemd in de C of D-lijsten van het Besluit m.e.r.. Er is geen (vormvrije) m.e.r. beoordeling voor het plan nodig.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

21/25

Toelichting op de regels

5

Toelichting op de regels

5.1

Algemeen

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.

5.2

Nadere toelichting op de regels

De bij dit plan behorende planregels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012), onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. In hoofdstuk 2 is de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Daarbij worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld. In hoofdstuk 3 is een aantal algemene regels opgenomen. In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht en bevat tot slot de citeertitel van het plan. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

22/25

Toelichting op de regels

Wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden en gemeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels Bedrijf-Nutsvoorzieningen (artikel 3) Het bestemmingsplan is op maat gemaakt voor het onderstation en bevat maar één enkelbestemming, namelijk ‘Bedrijf-Nutsvoorzieningen’. In de bestemming is geregeld dat een elektriciteitsdistributiebedrijf is toegestaan, met een transformatorvermogen van ten hoogste 100 MVA. Het bestemmingsplan heeft een flexibele opzet qua bouwmogelijkheden. Gebouwen dienen in het bouwvlak te worden gebouwd en mogen maximaal 7 m hoog zijn. Er geldt een maximum bebouwingspercentage van 60%. De transformatorruimte is geen gebouw maar een bouwwerken, geen gebouw zijnde. Hiervoor is een maximale bouwhoogte van 7 m voor opgenomen. Ter bescherming tegen blikseminslag komen zogenaamde bliksemspitsen op de gebouwen. Deze worden max. 12m hoog. Voor de erfafscheiding rond het perceel is een maximale hoogte van 1 m opgenomen. 5.2.3 Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen de algemene bepalingen aan de orde.

Het gaat om: Anti-dubbeltelregel (artikel 4) In dit artikel is opgenomen dat grond, welke eenmaal in aanmerking is of moest worden genomen bij het verlenen van een bouwvergunning, waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van een andere aanvraag buiten beschouwing dient te blijven. Algemene gebruiksregels (artikel 5) In dit artikel is bepaald welke vormen van gebruik in elk geval strijdig zijn. Algemene afwijkingsregels (artikel 6) De algemene afwijkingsregels zijn hierin opgenomen. Het gaat om minimale afwijkingen van maatvoering, bouwvlakken, e.d. wanneer dit in de uitvoering nodig blijkt vanwege bijvoorbeeld een meetverschil. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 7) Met betrekking tot bouwwerken en het gebruik van grond en bouwwerken wordt in dit artikel ingegaan op het daarop toepasselijke overgangsrecht. Slotregel (artikel 8) Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het bestemmingsplan.

Bestemmingsplan Landelijk gebied, Regelstation Tollebeek, Ontwerp

23/25

Economische uitvoerbaarheid

6

Economische uitvoerbaarheid

Bij een bestemmingsplan dient op grond van artikel 6.12 Wro in de plantoelichting inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wro de verplichting ontstaan dat bepaalde plankosten op de initiatiefnemer kunnen worden verhaald. Het gaat hierbij om de plankosten en de kosten van ontwikkelingen die gemeente redelijkerwijs moet maken, zoals de aanleg van voorzieningen van openbaar nut. De Wro stelt verplicht dat de gemeenteraad tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vaststelt voor kostenverhaal in het geval het bestemmingsplan nieuwe, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplannen mogelijk maakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de bouw van één of meer woningen, de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen of de uitbreiding of verbouwing van gebouwen. In de wet is aangegeven welke kosten verhaald kunnen worden. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld door gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. Dit bestemmingsplan maakt geen bij algemene maatregel van bestuur (artikel 6.2.1 Bro) aangewezen bouwplannen mogelijk. Het opstellen van een exploitatieplan is dan ook niet noodzakelijk. De uitvoering van het plan komt voor rekening en risico van Liander.

Het garanderen van leveringszekerheid is een wettelijke taak van Liander op grond van de Elektriciteitswet. Nut en noodzaak van het plan is aangetoond met dit bestemmingsplan. Hierdoor kan Liander de investeringskosten doorberekenen in de tarieven voor transport van elektriciteit.

6.1

Planschade

Planschade wordt in beginsel toegekend door het besluitvormend orgaan aan degenen die waardevermindering van onroerend goed ondervinden ten gevolge van het besluit tot afwijken van het bestemmingsplan. De grondslag voor deze planschaderegeling wordt gegeven in artikel 6.1 Wro. In artikel 6.4 onder a Wro is bepaald dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met de initiatiefnemer een overeenkomst te sluiten ten aanzien van planschade. In de tussen de gemeente en Liander gesloten overeenkomst is opgenomen dat het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Daarmee is het risico op planschade afgedekt voor de gemeente.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1842/documents/27691