13.1 Bestemmingsplan 'Landelijk gebied, Hopweg 38 te Rutten' NIEUW.pdf
Tekst van het document
1.13 bestaand: het legale gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, krachtens een bouwvergunning (vóór 1 oktober 2010)/omgevingsvergunning voor het bouwen (ná 1 oktober 2010), destijds vergunningvrij gebruik en/of bebouwing en andere vergunningen zonder de activiteit bouwen;
1.14 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak;
1.15 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.16 bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;
1.17 bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een woning dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindende woning verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
1.18 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;
1.19 bouwvlak: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
1.20 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw of bijbehorend bouwwerk;
1.21 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; onder detailhandel is hier geen horeca begrepen;
1.22 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een woning en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van die woning. Gronden met de bestemming 'Groen – Erfsingel' worden niet tot het erf gerekend;
1.23 erfsloot: sloot die vanuit de oorspronkelijke inrichting van het erf altijd direct ligt of heeft gelegen langs de zij- en achterkant van het erf;
1.24 extensieve openluchtrecreatie: vormen van recreatief medegebruik van het agrarisch en/of natuurgebied door middel van al dan niet aangelegde en aanwezige voorzieningen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen en strandjes;
1.25 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
1.26 hoofdgebouw: het gebouw, of gedeelte daarvan, op een perceel dat gelet op de bestemming en uiterlijke verschijningsvorm het belangrijkste is;
1.27 horeca: een bedrijf dat is gericht op het verstrekken van maaltijden en dranken voor gebruik ter plaatse (restaurantbedrijf), waaronder ook worden verstaan lunchrooms, eethuizen, bistro's, theehuizen, broodjeszaken en dergelijke;
1.28 kampeermiddel: een mobiel en/of vast kampeermiddel dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
1.29 kas: opstallen van glas, of ander lichtdoorlatend materiaal, boogkassen en schermhallen met een hoogte van 1,5 meter of meer boven het maaiveld;
1.30 mobiel kampeermiddel: een tent, tentwagen, kampeerauto, toercaravan of enig ander onderkomen met de bedoeling deze te plaatsen op een kampeerterrein gedurende ten hoogste 3 aansluitende maanden;
1.31 onderkomen: een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark of caravan, voor zover dat/die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent;
1.32 omgevingsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
1.33 openbaar toegankelijk gebied: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;
1.34 permanente bewoning: bewoning van een ruimte als hoofdwoonverblijf, waarbij door betrokkene(n) niet aannemelijk is of kan worden gemaakt dat elders daadwerkelijk over een hoofdwoonverblijf wordt beschikt;
1.35 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander persoon tegen vergoeding;
1.36 seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;
1.37 vast kampeermiddel: een stacaravan, trekkershut of ander recreatief verblijf op een kampeerterrein, welke naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en al dan niet direct steun vindt in of op de grond en daardoor als bouwwerk is aan te merken;
1.38 vloeroppervlak: de totale binnenwerks gemeten oppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw;
1.39 voorerfgebied: erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied;
1.40 voorkant: met het oog op het bepalen van het achtererfgebied aangegeven lijn op de verbeelding;
1.41 woning: een gebouw of een gedeelte van een gebouw, krachtens aard en indeling geschikt en bestemd voor huisvesting van één huishouding;
Artikel 2 Wijze van meten 2.1 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
2.2 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
2.3 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
2.5 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
2.6 peil a. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang grenst aan de weg: de hoogte van de kruin van de weg;
b. voor andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte terrein ter plaatse van de bouw; c.
indien de onder a en b genoemde peilen in het veld aanleiding geven tot onduidelijkheden, een door of namens burgemeester en wethouders aan te wijzen peil.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen – Erfsingel 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen - Erfsingel' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. opgaande afschermende beplanting; b. een bebouwingsvrije onderhoudsstrook; c.
erfsloten;
met daaraan ondergeschikt: d. tuinen, erven en paden; e. waterhuishoudkundige voorzieningen; f.
parkeervoorzieningen.
3.2 Bouwregels Binnen deze bestemming mag niet gebouwd worden.
Artikel 4 Wonen - Voormalige agrarische erven 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - Voormalige agrarische erven' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
wonen in woningen;
met daarbij behorende: b. c. d. e. f. g. h.
gebouwen en bijbehorende bouwwerken; bouwwerken, geen gebouwen zijnde; andere werken; tuinen, erven en paden; waterhuishoudkundige voorzieningen; parkeervoorzieningen; nutsvoorzieningen.
4.2
Bouwregels
4.2.1
Toegestane bouwwerken
Op en in de gronden als bedoeld in artikel 4.1, mogen uitsluitend gebouwd worden:
a. b. c. 4.2.2
woningen; bijbehorende bouwwerken; bouwwerken geen gebouw zijnde. Woningen
Voor woningen gelden de volgende regels: a. b.
c. d. e.
f.
4.2.3
een woning mag uitsluitend gebouwd worden binnen een bouwvlak; per bouwvlak mag niet meer dan één woning gebouwd worden, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden', want daar geldt als maximum aantal woningen het aantal zoals op de verbeelding is aangegeven. de inhoud van een woning, inclusief niet-functioneel ondergeschikte bijbehorende bouwwerken, mag niet meer bedragen dan 1.200 m3; de dakhelling van een woning mag niet minder dan 30° en niet meer dan 60° bedragen; de minimum goothoogte en de maximum goothoogte mogen niet lager respectievelijk hoger zijn dan ter plaatse van de aanduidingen 'minimum goothoogte (m)' en/of 'maximum goothoogte (m)' op de verbeelding is aangegeven. In afwijking van het voorgaande geldt voor wolfseinden een maximum goothoogte van 6m; de minimum bouwhoogte en de maximum bouwhoogte mogen niet lager respectievelijk hoger zijn dan ter plaatse van de aanduidingen 'minimum bouwhoogte (m)' en/of 'maximum bouwhoogte (m)' op de verbeelding is aangegeven. Bijbehorende bouwwerken
Voor bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. b.
c. d. e.
4.2.4
bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend gebouwd worden in het bebouwingsgebied van een woning; de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken per woning mag niet meer dan 150 m² bedragen, uitgezonderd niet-functioneel ondergeschikte bijbehorende bouwwerken die onderdeel uitmaken van het hoofdgebouw als bedoeld in 4.2.2, lid c.; de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m; de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 6 m; in afwijking van het bepaalde onder a., b., c., en d. gelden voor herbouw van bestaande bijbehorende bouwwerken de bestaande maten, afmetingen, situering en omvang van de bebouwde oppervlakte van een gebouw als maximum. Bouwwerken geen gebouw zijnde
Voor bouwwerken geen gebouw zijnde gelden de volgende regels: a. b. c. d.
bouwwerken geen gebouw zijnde mogen uitsluitend gebouwd worden in het bebouwingsgebied van een woning; de bouwhoogte van bouwwerken geen gebouw zijnde mag niet meer bedragen dan 2 m; in afwijking van lid b. mag de bouwhoogte van pergola's maximaal 3 m zijn; in afwijking van het bepaalde onder a., b. en c. gelden voor herbouw van bestaande bouwwerken geen gebouw zijnde bestaande maten, afmetingen, situering en omvang van de bebouwde oppervlakte van een bouwwerk als maximum.
4.3
Specifieke gebruiksregels
4.3.1
Voorwaardelijke verplichting erfsingel
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 4.1 opgenomen bestemmingsomschrijving, zonder de aanplant en instandhouding van een erfsingel conform het in Bijlage 1 opgenomen inrichtingstekening met bijbehorend beplantingsplan ter plaatse van de bestemming 'Groen - Erfsingel'. 4.3.2
Strijdig gebruik
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend: a. b. 4.3.3
het gebruik van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk als zelfstandige woonruimte; het gebruik ten behoeve van een seksinrichting. Geoorloofd gebruik
Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval niet gerekend een aan huis verbonden beroep of aan huis verbonden bedrijfsactiviteit, mits: a.
b. c. d. e. f. g. h.
ten hoogste 30% van de oppervlakte van een woonhuis of de woning binnen een woongebouw en ten hoogste 60% van de toegelaten oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het aan huis verbonden beroep, met dien verstande dat de gezamenlijke oppervlakte per woning niet meer dan 75 m2 bedraagt; de uitstraling van de woning intact blijft; het gebruik geen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefmilieu; het gebruik geen onevenredig nadelige gevolgen heeft op de normale afwikkeling van het verkeer; het parkeren ten behoeve van het gebruik binnen het bestemmingsvlak op eigen terrein plaatsvindt; geen detailhandel wordt uitgeoefend; de activiteit in ieder geval door de bewoner(s) wordt uitgeoefend; in het geval van een aan huis verbonden bedrijfsactiviteit, het een activiteit betreft die genoemd is in Bijlage 2 Aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten.
4.4
Afwijken van de regels
4.4.1
Afwijken specifieke gebruiksregels
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 4.3.1, indien de aanplant en instandhouding van een erfsingel op een andere gelijkwaardige wijze wordt aangeplant en in stand wordt gehouden dan is bepaald in de inrichtingstekening met bijbehorend beplantingsplan, zoals opgenomen in de betreffende bijlage(n) van de regels, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van landschap en beeldkwaliteit. 4.4.2
Afwijken ten behoeve van vergroten inhoud woning
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 4.2.2 onder c, ten behoeve van het uitsluitend binnen de aaneengesloten oorspronkelijke bebouwing, vergroten van de inhoud van de woonruimte tot de totale inhoud van die aaneengesloten bebouwing, mits: a. b. 4.4.3
het bijdraagt aan de instandhouding van de betreffende bebouwing, en; het aantal woningen niet toeneemt. Afwijken ander gebruik
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 4.1, ten behoeve van het gebruik van gebouwen uitsluitend als ondergeschikte nevenfunctie, voor: a. b. c. d. e. f. g.
het bieden van overnachtingsmogelijkheden, met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m² per woning; horeca ten dienste van extensieve openluchtrecreatie, met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m² per woning; opslag en stalling van caravans, campers, boten en dergelijke; kunstnijverheid, ateliers, musea en dergelijke; (kinder)dagopvang, met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 100 m² per woning; educatief centrum gericht op de landbouw en/of natuur; detailhandel gerelateerd aan het onder b. en d. genoemde ander gebruik tot een maximale verkoopvloeroppervlakte van 100 m² per woning.
Bij het afwijken op grond van artikel 4.4.3 dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen: 1. 2. 3. 4. 5.
indien hierboven geen maximale oppervlakte genoemd is mag de nevenfunctie op ten hoogste de oppervlakte van de al bestaande bijbehorende bouwwerken plaatsvinden; het gebruik mag geen onevenredig nadelige gevolgen hebben voor nabijgelegen percelen; het gebruik mag geen onevenredig nadelige gevolgen hebben op de normale afwikkeling van het verkeer; het parkeren ten behoeve van de nevenfunctie dient binnen het bestemmingsvlak op eigen terrein plaats te vinden; er mag geen opslag van goederen ten behoeve van de nevenfunctie in de open lucht plaatsvinden.
Artikel 5 Waarde – Archeologische verwachtingswaarde WA-7 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologische verwachtingswaarde WA-7’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische verwachtingswaarden.
5.2 Bouwregels 5.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor bouwwerken, waarvoor bodemingrepen nodig zijn met een oppervlakte groter dan 10.000 m² en dieper dan 50 cm, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 5.2.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen Indien uit het in 5.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
5.2.3 Advies Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de vergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in 5.2.2, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Verbod Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op de gronden van toepassing zijnde bestemmingen een omgevingsvergunning vereist, met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan 10.000 m² en dieper dan 50 cm: a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden; b. het graven van watergangen; c. het graven van sleuven breder dan 50 cm ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatieleidingen, drainage en funderingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en/of apparatuur; d. het permanent verlagen van het waterpeil. 5.3.2 Uitzondering Het bepaalde in 5.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. het normale onderhoud en het normale agrarische gebruik betreffen; b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; d. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn.
5.3.3 Afwegingskader De in 5.3.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of; b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of; c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of; 3. een verplichting de werken en/of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
5.3.4 Advies Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden voorwaarden te verbinden wordt een professioneel archeoloog om advies gevraagd.
5.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen door de bestemming ‘Waarde - Archeologische verwachtingswaarde WA-7’ geheel of gedeeltelijk te verwijderen indien op basis van archeologisch onderzoek door een archeologisch deskundige is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 7 Algemene afwijkingsregels Bij een omgevingsvergunning kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, worden afgeweken van: a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages, met dien verstande dat dit niet geldt voor de inhoud van woningen en de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken; b. indien en voor zover afwijkingen ten aanzien van grens of richting van wegen, paden en waterlopen, en ligging van aanduidingen noodzakelijk zijn ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen krachtens het plan is toegestaan niet meer dan 5 m bedragen; c.
de bestemmingsbepalingen voor het bouwen met een geringe mate van afwijking van de plaats en richting van de bestemmingsgrenzen indien dit noodzakelijk is in verband met afwijkingen of onnauwkeurigheden ten opzichte van de feitelijke situatie of in die gevallen waar een rationele verkaveling van de gronden een geringe afwijking vergt;
d. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte daarvan wordt vergroot tot niet meer dan 10 m; e. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van kunstwerken en zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40 m; f.
het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)hoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)hoogte ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, wordt vergroot mits: 1. de oppervlakte van de vergroting niet meer dan 10 m² bedraagt; 2. de totale hoogte niet meer dan 125 % van de toegestane (bouw)hoogte van het betreffende gebouw bedraagt;
g. voor afwijkingen van bestemmingsgrenzen en aanduidingsgrenzen ten behoeve van erkers, ingangspartijen en andere uitbreidingen van woningen over maximaal de halve gevelbreedte, met een maximale hoogte van 3,5 m, mits die afwijkingen niet meer dan 3 m bedragen ten opzichte van hetgeen krachtens het plan is toegestaan;
Artikel 8 Overige regels 8.3 Parkeerregels 8.3.1 Voldoende parkeergelegenheid a. De in het plangebied aanwezige gronden mogen slechts worden bebouwd en/of in gebruik worden genomen en/of het gebruik van deze gronden mag enkel worden gewijzigd onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid bij, op of onder het gebouw dan wel bij, op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw hoort worden gerealiseerd; b. gerealiseerde voorzieningen als bedoeld in sub a, dienen na realisering in stand te worden gehouden voor het gebruik waar de betreffende voorzieningen voor nodig zijn. 8.3.2 Voldoende laad- en losruimte Indien het beoogde gebruik van een bouwwerk aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen uitsluitend verleend indien aan of in dat bouwwerk dan wel op het onbebouwde terrein bij het bouwwerk wordt voorzien in die ruimte. Deze bepaling geldt niet: a. voor bestaand gebruik, waarbij de herbouw van een bouwwerk zonder functiewijziging wordt beschouwd als bestaand gebruik; b. voor zover op andere wijze in de nodige laad- of losruimte wordt voorzien.
8.3.3 Beleidsregels Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de in 8.3.1 sub a genoemde gronden, past het bevoegd gezag de beleidsregels van de Parkeernota toe met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze beleidsregels zoals die gelden ten tijde van de ontvangst van de aanvraag om een omgevingsvergunning. 8.3.4 Afwijken a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.1 sub a overeenkomstig de afwijkingsmogelijkheden die vastliggen in de beleidsregels als bedoeld in lid 8.3. b. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 8.2 en worden toegestaan dat in minder dan voldoende laad- en losgelegenheid wordt voorzien indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit. 8.3.5 Nadere eis Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering van parkeergelegenheid en laad- en losruimte, als dit noodzakelijk is om een goede verkeersstructuur en/of bereikbaarheid voor een pand, perceel, straat (of deel daarvan) dan wel een andere ruimtelijke functionele structuur te waarborgen.
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 9 Overgangsrecht 9.1 Overgangsrecht bouwwerken: a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het eerste lid voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met ten hoogste 10%. c.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
9.2 Overgangsrecht gebruik: a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c.
Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
d. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 10 Slotregel Deze regels worden aangehaald als “Landelijk gebied, Hopweg 38 te Rutten”
Bijlage 1 – Inpassingsplan Erfsingel
Te realiseren erfsingel 2.00
9
9
3
2
6
2
3
10
10
3
6
1
8
8
10
8
3
6
8
8
1
5
7
7
3
7
5
6
14 14
8
6
14
4
9 9
4 4
6
3 2 2 3
2
1 4
6
1
6
3
10
5
15
10
15
12 12
12
6
10
12
12
5
6
5 1
13 13
13
5
3
13
13
2
1
6
5 4
2 3
9 9
9
5
8
9
9
14
3 8
8
14 14
5 8
6
3
7
7
14
2
12
12
2
6
3
12
12
6
15
15
6
10
10
5
3 15
10
10
10 10
10
1
10
2
10
10
2
6.00
5
6
12
5
2
11
11
11
9
11
11
9
9
5
10
6 2
5
6
8
5
1
5 7 6
5
14
3
7
6
3
6 7
12
14
14
9
9
3
2
5 8
6
3
2
9
14
14
2
9
9
11
11
6 8
11
11
3
8
8
3
11
2
14
12
6
10
2 12
5
4
4 4
10
4
15
3
8
3 5
8
8 8
6
8
13 13
13
5
15
15
3 5
4
15
6
13
13
3
2
5
6
2
1
3
10
5
3
6
7
7
7
12
2
1
5 7
12
3
5
4
4
10
6 5 4
10
10
2
4
4
10
3
2
5
5 6
2
10
11 11
2
15 15
11
3
5 6
3
10
15
11
6
15
3
10
4.00
10
15
10 10
2 3
4
8
4
5
4
13
5
13
8
10
6 11
11
10
11
10
14 14
6
14
5 1
38
2
12
7
Hopweg
12
7
13
4
10
10
6.00
2
3
1
3
5
15
2
5 6
3 2
7
7
15
Afstand erfsingel tot bebouwing
12
3
15
12
11
12
7 7
7
1
14
5 15
5% Gewone liguster, ligustrum vulgare, 60-100cm, houdt 's winters lang blad, 25st.
10
10% Hazelaar, Corylus avallana, 50-80cm, verdraagd schaduw, 50st.
11
5% Vogelkers, Prunus padus, 50-80cm, verdraagd schaduw, 25st.
12
5% Kardinaalsmuts, Euonymus europaea, 60-100cm, zonnige standplaats, 25st.
13
5% Hondsroos, Rosa canina, 50-80cm, zonnige standplaats, 25st.
14
5% Gelderse roos, Viburnum opulus, 50-80cm, zonnige standplaats, 25st.
15
5% Wegedoorn, Rhamnus Cartharticus, 60-100cm, Verdraagd schaduw, 26st.
5 9
2 9 11
11
14
2
3
9
14
3
11
12
1
5% Gele kornoelje, Cornus mas, 50-80cm, verdraagd schaduw, 25st.
14 14
15
12
8
14 6
15 2
2
6
5% Rode kornoelje, Cornus sanguinea, 50-80cm, verdraagd schaduw, 25st.
14
2 5
1
7
12
1
1
12
7
7
5
6
12
7
3
2
2
10% Gewone esdoorn, Acer pseudoplatanus, 80-100cm, verdraagd schaduw, 50st.
12
7
7
4.00
2
12
3
10
6
1
2
6
10% Els, Alnus glutinosa, 80-100cm, snelle groeier 50st.
5
6 2
13
10
5
1
2
5
13
10
10
5% Veldesdoorn, Acer campestre, 60-100cm, struikvormige boom, 25st.
5
3
3
13
3
10
Te realiseren erfsingel 13
5
1
4
3
2
1
10% Eik, Quercus robur, 80-120cm, verdraagd lichte schaduw, 50st.
2
10
6 2
4
4
3
13
10
2
10% Winterlinde, Tilia cordata, 80-100cm, heeft licht nodig, 50st.
13
10
12
4
2
13
13
10
12
7
4
5% Haagbeuk, Carpinus betulus, 60-100cm, verdraagd schaduw, 25st.
13
10
10
10
12
7
9
9 11
9
14
6
14
15 15
14
3
15
5
15
9
2 11
9 11
11
11 1
12
7
7
Te verwijderen mestsilo
1
2
5 3
1
1
1
12 4
4
2
2
2.00
1
12
7 4
5
Legenda beplanting 500 st. totaal
12
7
6
12
7
4
Kadastrale grens conform PDOK 1
1
7
3
5
3 2
1
Bestaande erfsingel behouden
6
5 6
1
2
2 3
6
4
2 3
3 1
2
14
7
2
Aanleggen nieuwe erfsingel Onderlinge afstand van de rijen 1.5m Onderlinge afstand in de rijen 1.5m Per 2.25m2 wordt minimaal één boom of struik geplant De erfsingel is minimaal 6m breed.
6
3
14
2
7
Legenda beplanting 500 st. totaal
14
14
7
5
10
6 3
6
10
5 11
4
10
3 11
1
13
8
1
2
13
8
8
1
13
3
3
2
2
6
4
3
9
2
4
9
9
5
6
G2 65
9
6
15
6
10
5
15
7
10
3
15
38
2
6
6
15
38
10 10
15
G2
6 5
10
1
15
G2
13
10
5
Afstand erfsingel tot bebouwing
13 13
3 2
2
2
10
5
13
5
3
13
6
2
6
11
5
15
5
9
Behouden bestaande erfsingel
9
G1 8318 8
11
9
TR
0
Versie Datum a b
Getek. Gecon. Opmerking
08-07-2021 C.J.H. R.J. R.J. 10-08-2021 K.W.
2
4
8m
Aan deze tekening kunnen geen rechten worden ontleend
Eerste uitgave
Project
Hopweg 38, Rutten
Onderdeel
Beplantingsplan erfsingel
Opdrachtgever
De heer L. Bouwman 4547
Projectnummer
6
CONCEPT
Schaal
Eerste uitgave
Formaat Eenheid
Tek. Nr.
Blad. Nr.
1:200
08-07-2021
A1
40-4547
1/1
M
Bijlage 2 – Lijst van aan huis verbonden bedrijfsactiviteiten
4
=
A
@
0
7
0
1
1
0
7
5
9
?
3
8
:
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
Q
Q
Q
U
U
U
U
(
' H
H Q
Q
Q
Q
Q
Q
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
Q
"
B
2
0
8
0
0
5
2
>
/
2
0
0
4
:
=
;
U
O
9
0
4
<
;
3
5
4
2
3
4
6
5
;
;
/
2
:
O
;
/
0
U
(
( &
u
u
"
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
U
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
c
9
1
8
7
/
0
"
(
'
"
$
5
6
3
4
&
%
$
2
1
/
0
S
F
O
I
T
M
I
T
R
M
I
H
Q
R
M
M
M
I
I I S
~
]
K F J
H l I Y
O
I
R
I
s
Y
_
I
F g
Y
q
W
F
Y q
{
G
R
E V
R y
f
g
P H
H
[
|
]
u
a M m [
E
Y
M
Y ` Y
F O
k
r
G W
O
a
F l
[
K Y K
o
M
u
R
] a
i
I
K
n S
m
I I
H
K h
] ) P
K I
G
Q
Y
_
]
]
M
a Y
Q
I
R
Y
I
g
I
l
V
Y
\
Y
F
V I
w
~
Y
J
M
s
[
Y
]
J
R
Y
F
W
G K
y
g
`
|
V
X
K
I k
Y
l K
w K
P
m
S
s t
a V W
k
| Y
W
M
W
]a
q
I
a
a
Z
s
K
I
]
[
W
T
M
K o
G
a
s J m
X
l
I
] g
i J _ I
s
n
`
`
R
i K
` ] I Y
h
m
V
I h
M ] s
Y
w
M s
G
n
R
Y
J
h
l
M
W Y
g
F [ I H
G x
]
I
I
s XY
G { Y
] g
}
] V
W
Y
o
F
Y
S
Y
Y
X
] N
Y L
V
r
M
{ V M
H
M s
q
]
] i
Z
^
Y
K F
[ W
K
M
Y
I I
W
\
a
Z
F
Y
]
F M
] ]
]
M `
V
o S
J
s
a
[ w
Y
M
O
\ I
I [
H
Y
] F
V
l
I
[ q Q
Y
X
[
j
[ I
P
F s
Y
t
V
M
a
l M
a] q
O Y
]
Z
I i Y
I
g
k
n
P
Y
a
f
S V
K
Y
X V
h F G
)
P
s
a ]
w
K
W q n
b w
I
I W
w
E r
Y [
I ]
V
P
] g
q
Y
h
g P
m
a ]
u
H
K
X
Y
g
l ]
Y
Y
J
M
] `
I
g
w F
V
Y
M
Y
Z
]
L
Y
[ F
V
M O
Y
[ I
]
W
G
G
J l
[ Z g
X
]
F
I
W
Y
X
q
V
F
)
\
{
G
[
{
K ]
#
`
V `
i
k
V
M
] g
Y
]a
Z
[
M
Y
X]
q
_ W
Y
I
N
M
Y M
M
M [
_
Y
h
I
l
Y
I
I
"
_ Y g
]
P
Z
Y S I Y
Z
s
\ R
V _
I
V
` F O
Y
{
V q
V
Z
Y
)
l S
\
a]
!
w
n J
^
I
L
V
Y
\
|
W s
n
[
K
F
K
[
V M
f
Y
O
j
Y
] Y F
~
k
Y
M
[
_
l
` ] q
K
Y
I S
I
K
_
s
k Y
V Y
V
)
g I I
`
W I
]
I
Z [ I
_ Y
W
` Z
J
\
g
G
` |
Y
r
n
E
\
V Y
F
V
w
g
H
H
` [
J
)
V
i
u
i
G
]
E [
q
`
Y
K E
Y
] N
w l
W
m
h
[
W
h
I
g
a
{
F
F
Q
[
M
F
K
Z
Y
K
Y `[
r
S
k m
E
m
X ) N V
H
Y
M
S
k
_
a
T
[
[ l
V
g
g i
K f
o
m
I
X
I
G I W a
`
k
k
Y k
]
a
a I
G
[
[
M g
R
V
g
J
J
` I Q
I Y
Y
Y
Z Y
`[
F
V
W
Y
`
F
X
` F
T
H
K
K
R
K
O E
O
`
E
J
u
J
R
R
u
`
P
t
Q
{
}
` q
a
S .
-
,
,
+
S
S
S
S t
*
c
)
)
)
)
)
)
)
)
)
e
e N
N
p
p
d
d
B
B
N
N
p
D
p
D
o
o
N
N
U
U
)
z
z
z
z
p
c
p
W
c
W
D
D
o
o
C
C N
D
D
v
D
W
v
N
D
W
N
N
U
e
e
B
U
U
D
D
D
C
C
z
z
z
z
z
B
B
p
z
p
B
c
B
v
c
U
D
p
C
e
v
B
B
C
C
v
e
p
z
e N
N
N
B
B
B
B
z
z
p
p
B
B
p
p
d
N
U
U
e
e
c
c
p
p
p
d
N
N
p N
z
z
z
v
v
v
N
z
z
p
z
p
U
U
p
p
z
z
)
U
z
z N
N
s
d
z
z
B
C
U
B
d
p
d
U
B
B
c
c
d
d
e
e
d
d
d
p
p
p
p
v
v
v
B
U
B
B
B
B
d
d
d
C
C N
N
B
B
B
B
C
C
z
z
z
z
z
Plankaart
2658
Legenda Plangebied
Enkelbestemmingen G-ERF
Groen - Erfsingel
W-VOO
Wonen - voormalig agrarische erven
Bouwvlakken bouwvlak
Maatvoeringen 2
G-ERF
2659
3 8
1818
2387
maximum aantal wooneenheden maximum goothoogte (m) maximum bouwhoogte (m)
W-VOO
Figuren
.
gevellijn 38
2
3
2386
8
1251 38 TR
45 36
Bestemmingsplan: 2526
Hopweg 38 Rutten Gemeente Noordoostpolder
Datum:
WDK
13-08-2021
Formaat:
Schaal:
A3
1:1000
Tekeningnummer:
NL.IMRO.0171.BP00695-ON01 GIS/CAD Ondersteuning en software
2474 43
Opdrachtgever: RAACC Adviesbureau Status: ontwerp
Get.:
Noordpijl
Dalenstraat 4B, 5466 PM Eerde Tel: 0413-303279 E-mail: info@bragis.nl Web: www.bragis.nl
Bijlage 1 – Watertoets
datum 12-5-2021 dossiercode 20210512-37-26449 Geachte heer/mevrouw R.A. Jonker, U heeft de digitale watertoets doorlopen op de website www.dewatertoets.nl. De samenvatting in de email bevat de gegeven antwoorden op de vragen. Op basis van deze toets volgt u de procedure geen waterschapsbelang. Waterparagraaf geen waterschapbelang Hierbij ontvangt u de waterparagraaf voor de procedure geen waterschapsbelang. Deze is automatisch gegenereerd op basis van de antwoorden op vragen en het ingetekende plangebied. Deze waterparagraaf kunt u opnemen in de ruimtelijke onderbouwing van uw ruimtelijk plan. Positief wateradvies en geen vooroverleg Waterschap Zuiderzeeland geeft op basis van de door u gegeven antwoorden een positief wateradvies met daarbij een algemene opmerking die betrekking heeft op het bestemmen van waterbelangen. Wij willen u verzoeken de waterbelangen (o.a. oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en rioolwaterzuiveringen) die eventueel aanwezig zijn binnen het plangebied op een juiste manier te bestemmen of te reguleren. Het team Waterprocedures van het waterschap kan op uw verzoek daarover adviseren.
In verband met het beperkte waterschapsbelang achten wij het niet nodig om, aanvullend op de digitale watertoets, in het kader van het ambtelijk vooroverleg, als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit op de Ruimtelijke ordening met Waterschap Zuiderzeeland vooroverleg te voeren over het ruimtelijk plan dat betrekking heeft op deze ontwikkeling c.q. dit plangebied. Indien de relevante wateraspecten in het ruimtelijk plan goed bestemd of gereguleerd worden dan zien wij het ontwerp ruimtelijk plan met vertrouwen tegemoet. Deze kunt u zenden naar watertoets@zuiderzeeland.nl Team Waterprocedures Waterschap Zuiderzeeland Lindelaan 20 Postbus 229 8200 AE Lelystad (0320) 274 911 watertoets@zuiderzeeland.nl ___________________________________________________________________________________ Waterparagraaf geen waterschapsbelang De initiatiefnemer heeft Waterschap Zuiderzeeland geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de procedure geen waterschapsbelang van de watertoets wordt toegepast. De planontwikkeling leidt niet tot effecten met betrekking tot de waterhuishouding of de afvalwaterketen. De relevante waterbelangen, zoals waterkeringen, rioolwaterzuiveringen en waterlichamen zijn opgenomen in de verbeelding en/of gereguleerd in de regels van het ruimtelijk plan.
___________________________________________________________________________________ Verklaring Dit document is een automatisch gegenereerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en heeft verklaard dat alles naar waarheid is ingevuld. Indien er binnen het plan wordt afgeweken van bovengenoemde uitgangspunten, wordt u vriendelijke verzocht contact op te nemen met Waterschap Zuiderzeeland via e-mail watertoets@zuiderzeeland.nlof per telefoon op telefoonnummer 0320 274911. Ook is het mogelijk de digitale watertoets opnieuw te doorlopen. www.dewatertoets.nl
Bijlage 2 – Bodemonderzoek
De Klinker Milieu Adviesbureau VERKENNEND BODEMONDERZOEK volgens NEN 5740 Hopweg 38 Rutten
Datum:
21 juni 2021
Adviesbureau:
De Klinker B.V. Verlengde Ooyerhoekseweg 9 7207 BJ Zutphen 0575-517298
Rapportnummer:
K21005331
Opdrachtgever:
Adviesbureau RAACC
Auteur: R. Linnenbank
Paraaf
Gecontroleerd door N. Looman
Paraaf
INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING .........................................................................................................................................2 2 VOORONDERZOEK ............................................................................................................................3 2.1 Wat is de afbakening onderzoekslocatie...................................................................................3 2.2 Potentiële bronnen van bodemverontreiniging........................................................................3 2.3 Verwachte bodemkwaliteit .......................................................................................................4 2.4 Bodemopbouw en geohydrologie .............................................................................................5 2.5 Beïnvloeding vanuit de omgeving .............................................................................................5 2.6 Bodemonderzoek noodzakelijk? ...............................................................................................5 2.7 Hypothese en strategie .............................................................................................................5 3 ONDERZOEKSOPZET EN UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN ............................................................6 3.1
Onderzoeksopzet.......................................................................................................................6 3.2 Veldonderzoek...........................................................................................................................6 3.3 Chemisch onderzoek .................................................................................................................7 4 ONDERZOEKSRESULTATEN ...............................................................................................................8 4.1 Globale bodemopbouw .............................................................................................................8 4.2 Zintuiglijke waarnemingen ........................................................................................................8 4.3 Veldmetingen ............................................................................................................................8 4.4 Waarnemingen in het kader van aanwezigheid van asbest ......................................................8 4.5 Toetsingskader ..........................................................................................................................8 4.5.1 Wet bodembescherming ..................................................................................................
9 4.5.2 Besluit bodemkwaliteit..................................................................................................... 9 4.6 Analyseresultaten grond en grondwater ............................................................................... 10 4.7 Grond ...................................................................................................................................... 10 4.8 Grondwater ............................................................................................................................ 11 4.9 Toetsing hypothese ................................................................................................................ 11 5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 12 5.1 Conclusies ............................................................................................................................... 12 5.2 Algemeen................................................................................................................................ 12 Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6:
Ligging onderzoekslocatie Boorstaten en zintuiglijke waarnemingen Analyseresultaten Toetsingstabellen Situering monsterpunten Checklist vooronderzoek
Rapportnummer: K21005331
1
1 INLEIDING In opdracht van Adviesbureau RAACC is door De Klinker Milieu Adviesbureau een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 op de locatie Hopweg 38 te Rutten. Het perceel is kadastraal bekend als: gemeente Noordoostpolder; sectie G; perceelnummers 2659, 2387 en 2386 . De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van 7.422 m2. In bijlage 1 is de regionale ligging opgenomen en bijlage 5 voor een overzicht van de onderzoekslocatie. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Het door De Klinker Milieu Adviesbureau gehanteerde kwaliteitssysteem en de toepassing daarvan voldoet aan NEN-EN-ISO 9001 (2008). Tussen De Klinker Milieu Adviesbureau en de opdrachtgever is geen sprake van een relatie die de onafhankelijkheid en integriteit zou kunnen beïnvloeden en/of haar werkzaamheden zou kunnen belemmeren. In voorliggende rapportage wordt een overzicht gegeven van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek. In hoofdstuk 2 worden de tijdens het vooronderzoek verzamelde informatie, de globale bodemopbouw, de geohydrologische gegevens en de hypotheses weergegeven.
Hoofdstuk 3 presenteert de onderzoeksopzet en de uitgevoerde werkzaamheden. Vervolgens worden de onderzoeksresultaten weergegeven in hoofdstuk 4. Tot slot worden de conclusies en aanbevelingen gepresenteerd in hoofdstuk 5.
Rapportnummer: K21005331
2
2
VOORONDERZOEK
Onderstaand wordt de informatie gepresenteerd die tijdens uitvoering van het vooronderzoek is verzameld. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725 (2017). Hierbij is getracht uit diverse bronnen de voorgeschreven onderzoeksvragen te beantwoorden. In bijlage 6 is de tabel uit de NEN 5740 met de diverse aanleidingen voor bodemonderzoek weergegeven, alsmede een checklist van de verplichte vooronderzoeksaspecten. De gekozen aanleiding van het vooronderzoek is ‘Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’ (optie A uit de NEN 5725). In onderstaande alinea’s worden de te beantwoorden onderzoeksvragen weergegeven en beantwoord. Hierbij is (indien van toepassing) tevens de bron van de informatie weergegeven. 2.1 Wat is de afbakening onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft het perceel, kadastraal bekend als gemeente Noordoostpolder, sectie G, perceelnummers 2659, 2387 en 2386 (bron: Kadaster). Voor het vooronderzoek zijn gegevens van zowel de onderzoekslocatie als de direct aangrenzende percelen bekeken. 2.2 Potentiële bronnen van bodemverontreiniging De onderzoekslocatie betreft een woonperceel in het buitengebied van het dorp Rutten op de grens van de provincies Friesland en Flevoland, gemeente Noordoostpolder. De onderzoekslocatie ligt in de korte nabijheid van het IJsselmeer.
De omgeving van de locatie wordt gekarakteriseerd door met name agrarische percelen en boerderijen en natuurgebied Kuinderbos. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden op 26 mei 2021 heeft een locatie-inspectie plaatsgevonden. Het terrein is bebouwd met een woning en een schuur (betonverharding). De locatie betreft een gemengd agrarisch bedrijf1. Het terrein is verhard met beton, grasland (tuin), grind en de paardenbak bestaat uit zand. Onderstaande foto’s geven een beeld van de onderzoekslocatie.
Foto 1
Foto 2
Foto 3
Zowel tijdens de locatie-inspectie als uit ontvangen documentatie (Omgevingsrapportage) is gebleken dat de locatie niet verdacht is op het voorkomen van asbest. Zowel het woonhuis als de schuur zijn voorzien van dakgoten en hebben geen asbestverdachte dakbedekking. Er zijn geen bodemonderzoeken bekend die zijn uitgevoerd op de huidige onderzoekslocatie. 1
Informatie afkomstig van Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek, ontvanger per e-mail op 17 mei 2021 van mevr. Van Eunen
Rapportnummer: K21005331
3
In ontvangen informatie van de van Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek wordt aangegeven dat op de locatie een bovengrondse dieseltank aanwezig is. Tijdens de locatie-inspectie en uitvoering van de veldwerkzaamheden is deze bovengrondse dieseltank niet aangetroffen. De huidige bewoners is ook niet op de hoogte van een (voormalige) bovengrondse dieseltank. Op de historische kaart2 is vanaf 1953 de ‘Hopweg’ te zien. De bebouwing op de onderzoekslocatie is voor het eerst waar te nemen op de historische kaart van 1960. Op de kaart van 1988 is ook bebouwing waar te nemen op het zuidoostelijk gelegen op het perceel, deze bebouwing is vanaf 2017 niet meer te zien op de historische kaart. Verder zijn er geen bijzonderheden waar te nemen.
luchtfoto 2018
1962
1988
2.3 Verwachte bodemkwaliteit De locatie is volgens de interactieve bodemkwaliteitskaart gelegen in deelgebied Overig bebouwd- en buitengebied Flevoland met de volgende bodemkwaliteitsklassen: - Ontgravingskwaliteit: Landbouw/natuur - Bodemfunctieklasse: Overig - Toepassingseis: Landbouw/natuur (bron: interactieve bodemkwaliteitskaart Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek).
2
Historische kaarten afkomstig www.topotijdreis.nl
Rapportnummer: K21005331
4
2.4 Bodemopbouw en geohydrologie Als uitgangspunt voor de bodemsamenstelling en de geohydrologische situatie is boring B16C0006 van het Dinoloket gekozen. Deze boring is in de nabijheid van de locatie uitgevoerd. De bodemopbouw laat zich globaal als volgt beschrijven:
Regionale bodemopbouw (bron: Dinoloket)
De regionale grondwaterstroming is zuidwestelijk gericht (bron: Atlas Gelderland). 2.5 Beïnvloeding vanuit de omgeving Op de locatie Hopweg 43, gelegen aan de overzijde van de huidige onderzoekslocatie, is bekend dat er een bovengrondse en ondergrondse dieseltank aanwezig zijn3. Gezien de ligging hiervan, wordt niet verwacht dat deze tanks invloed hebben op de bodemkwaliteit van de huidige onderzoekslocatie. Verder zijn vanuit de omgeving zijn geen zaken bekend die van invloed kunnen zijn op de bodemkwaliteit van de huidige onderzoekslocatie. 2.6 Bodemonderzoek noodzakelijk? De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is niet bekend. Er zijn vooraf echter geen aanwijzingen aangetroffen dat de bodem op de locatie verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging. 2.7 Hypothese en strategie De hypotheses en onderzoeksstrategieën zijn weergegeven in tabel 2.1. Tabel 2.1: Geselecteerde deellocaties en hypothese Deellocatie
Oppervlakte Hypothese (m²) Gehele terrein 7.422 Onverdacht * ONV-NL = onverdachte, niet lijnvormige locatie
Verdachte stoffen en bodemlaag -
Strategie* ONV-NL
Indien in de geanalyseerde monsters geen van de onderzochte stoffen aanwezig zijn in een concentratie boven de streefwaarde uit de “Circulaire bodemsanering 2013” (Staatscourant 16675, 27 juni 2013) en of de achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage 4, Staatscourant 247, 20 december 2007 en de wijzigingen hierop) wordt de hypothese onverdacht aangenomen.
3
Informatie afkomstig van Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek
Rapportnummer: K21005331
5
3
ONDERZOEKSOPZET EN UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN
3.1 Onderzoeksopzet De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van 7.422 m2. Het aantal boringen per laag, het aantal peilbuizen en het aantal te analyseren grond- en grondwatermonsters is omschreven in NEN 5740 en is afhankelijk van de verdachtheid en de oppervlakte van de locatie. In tabel 3.1 worden de uit te voeren veld- en laboratorium werkzaamheden weergegeven. Tabel 3.1: Uit te voeren veld- en laboratoriumwerkzaamheden Locatie
Veldwerk
Analyses
Gehele terrein
13 boringen tot 0,5 m-mv 4 boringen tot 2,0 m-mv 2 peilbuizen
3x standaardpakket grond (laag 0,0-0,5 m-mv) 2x standaardpakket grond (laag 0,5-2,0 m-mv) 2x standaardpakket grondwater
De opgeboorde grond wordt in trajecten van maximaal 50 cm bemonsterd, of anders afhankelijk van de veldwaarnemingen en bodemlagen. 3.2 Veldonderzoek In tabel 3.2 worden de verrichte veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 3.2: Verrichte veldwerkzaamheden Locatie
Aantal boringen (excl. peilbuizen)
Aantal peilbuizen
Gehele terrein
13 boringen tot 0,5 m-mv (2,3,5,6,7,8,9,10,11,14,15,17,18) 4 boringen tot 2,0 m-mv (4, 12, 13, 16)
2 peilbuizen: PB01, filterstelling 2,0-3,0 m-mv PB02, filterstelling 2,5-3,5 m-mv
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 26 mei 2021 (boorwerkzaamheden) en op 4 juni 2021 (monsterneming grondwater) door de heer D. van Konijnenburg. Zowel De Klinker Milieu Adviesbureau als de heer D. van Konijnenburg zijn erkend voor het uitvoeren van deze werkzaamheden (certificaat K25343/16). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de normen van het Nederlands Normalisatie Instituut. Tevens is gewerkt conform de Beoordelingsrichtlijnen "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek" (BRL-SIKB 2000) en de daarbij behorende protocollen 2001 en 2002. Tijdens het uitvoeren van het veldwerk is de grond zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van verontreinigingen en is het opgeboorde materiaal gekarakteriseerd en vastgelegd in boorbeschrijvingen. Bij het zintuiglijk beoordelen wordt door middel van geur en aanblik van de opgeboorde grond een eerste indruk verkregen. Verder wordt door middel van de "olie-op-water"proef een indicatie verkregen omtrent de aanwezigheid van olie-achtige verontreinigingen. De zintuiglijke waarnemingen en boorprofielen zijn vermeld in bijlage 2.
Rapportnummer: K21005331
6
3.3 Chemisch onderzoek De geanalyseerde (meng)monsters en hun samenstelling staan weergegeven in tabel 3.3. Tabel 3.3: Geanalyseerde (meng)monsters en hun samenstelling Deellocatie
Monster
Samenstelling
Traject (m-mv)
Analyse
Gehele locatie
MMBG01
G
2-1, 3-1, 4-1, 6-1, 7-1
0,0-0,5
Standaardpakket grond
MMBG02
G
8-1, 9-1, 10-1, 11-1, 12-1, 13-1
0,0-0,5
Standaardpakket grond
MMBG03
G
14-1, 16-1, 17-1, 18-1, PB01-1, PB02-1
0,0-0,5
Standaardpakket grond
MMOG04
G
4-2, 4-4, 12-2, 12-3, 12-4, 13-3, 13-4, 13-5, 16-2, 16-3
0,5-1,6
Standaardpakket grond
MMOG05
G
4-3, 12-5, 12-6, 13-6, 13-7, 16-4, 16-5, PB02-4
0,9-2,0
Standaardpakket grond
PB01-1-1
W PB01
2,0-3,0
Standaardpakket grondwater
PB02-1-1
W PB02
2,0-3,0
Standaardpakket grondwater
G=grond W=grondwater
Het samenstellen van de mengmonsters en de grond- en grondwateranalyses is uitgevoerd door Eurofins Analytico Milieu te Barneveld (Raad voor de Accreditatie (RvA)- erkend laboratorium (NEN-ENISO/IEC 17025). Tevens is Eurofins Analytico Milieu ISO 14001 (2004) gecertificeerd en AS 3000 erkend. In de onderstaande tabel worden de samenstelling van de standaard analysepakketten weergegeven. Tabel 3.4: Samenstelling standaard analysepakketten.
metalen: Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn
Grond
Grondwater
*
*
Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK (10 van VROM))
*
PCB (7)
*
minerale olie
*
*
vluchtige aromaten, incl. naftaleen en styreen
*
vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (incl. vinylchloride, chloorpropanen en bromoform)
*
geleidbaarheid, pH en troebelheid
*
Rapportnummer: K21005331
7
4
ONDERZOEKSRESULTATEN
4.1 Globale bodemopbouw Een globale beschrijving van de bodemopbouw is opgenomen in onderstaande tabel. Tabel 4.1: Lokale bodemopbouw Diepte [m-mv] 0,0 – 1,0 1,0 – 1,5 1,5 – 2,0 2,0 – 2,5 2,5 – 3,5
Bodemsamenstelling Zand, zeer fijn, sterk siltig, zwak humeus, donkergrijs Zand, zeer fijn, sterk siltig, sterk humeus, donker zwartbruin Veen, zwak zandig, donkerbruin Zand, matig fijn, matig siltig, neutraal oranjebruin Zand, matig fijn, matig siltig, donker bruingrijs
Opmerkingen Sporen schelpen, zwak roesthoudend Resten hout, zwak roesthoudend Sporen schelpen -
4.2 Zintuiglijke waarnemingen Tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen zintuiglijke afwijkingen in de bodem waargenomen. 4.3 Veldmetingen Bij bemonstering van het grondwater uit de peilbuizen is de grondwaterstand, de zuurgraad (pH), geleidbaarheid en de troebelheid gemeten. De meetresultaten zijn opgenomen in tabel 4.3. Tabel 4.2: Grondwaterstand, zuurgraad, geleidbaarheid en de troebelheid grondwater Peilbuis
Plaatsingsdatum
Bemonsteringsdatum
Filterstelling (m-mv)
Grondwaterstand (m-mv)
Zuurgraad pH
Geleidbaarheid EGV (µS/cm)
Troebelheid (ntu)
PB01
26-05-2021
04-06-2021
2,00-3,00
1,20
7,5
570
7,54
PB02
26-05-2021
04-06-2021
2,50-3,50
1,38
7,6
1040
5,41
De geleidbaarheid van het grondwater van peilbuis PB02 is aan de hoge kant. Geen van de overige gemeten waarden wijkt duidelijk af van de waarde, welke gezien de natuurlijke omstandigheden verwacht kan worden. 4.4 Waarnemingen in het kader van aanwezigheid van asbest Ten tijde van het veldonderzoek heeft een visuele beoordeling van asbest in de bodem plaatsgevonden. In de bodem is geen ‘asbestverdacht’ materiaal aangetroffen. Opgemerkt dient te worden dat er geen verkennend asbestonderzoek conform NEN-5707 “Monsterneming en analyse van asbest in bodem” of NEN-5897 “Monsterneming en analyse van asbest in bouw- en sloopafval en puingranulaat” heeft plaatsgevonden. 4.5 Toetsingskader De analyseresultaten van de onderzochte monsters worden vergeleken met de waarden van de toetsingstabel uit de circulaire “Circulaire bodemsanering 2013” (Staatscourant 16675, 27 juni 2013) en achtergrondwaarden en maximale waarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage 4, Staatscourant 247, 20 december 2007 en de wijzigingen hierop). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de, door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa).
Rapportnummer: K21005331
8
4.5.1 Wet bodembescherming De in deze tabel genoemde toetsingswaarden hebben de volgende betekenis: achtergrond-/streefwaarde4 tussenwaarde5
= =
interventiewaarde
=
referentiewaarde referentiewaarde voor nader onderzoek grond: 1/2(AW+I-waarde) grondwater: 1/2(S+I-waarde) toetsingswaarde voor sanering of saneringsonderzoek
De achtergrond-, tussen- en interventiewaarden voor een aantal stoffen in de bodemmonsters zijn afhankelijk van het gehalte aan organische stof en lutum. Deze gehalten zijn in het laboratorium bepaald en verwerkt in de toetsingstabel (zie bijlage 3 voor de analyseresultaten en bijlage 4 voor de toetsing). Voor de beoordeling van de verontreinigingssituatie wordt behalve met de toetsingstabel, ook rekening gehouden met de zintuiglijke waarnemingen en eventueel met het gebruik van de bodem. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: kleiner dan de achtergrond-/streefwaarde tussen achtergrondwaarde en tussenwaarde tussen tussenwaarde en interventiewaarde groter dan de interventiewaarde
= = = =
niet verontreinigd licht verontreinigd matig verontreinigd sterk verontreinigd
De locatie wordt als verontreinigd beschouwd, indien in een (meng)monster stoffen aanwezig zijn in een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde. Overschrijding van de tussenwaarde houdt in dat er een vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat en dat een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Als voor tenminste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater hoger is dan de interventiewaarde is het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bevestigd. Het bovenstaande toetsingskader is alleen van toepassing voor “bestaande” gevallen van bodemverontreiniging (ontstaan voor 1987). Recente gevallen van bodemverontreinigingen vallen onder de “zorgplicht”. De aantasting van de bodem dient dan gesaneerd te worden of de aantasting en de directe gevolgen daarvan dienen beperkt en zoveel mogelijk ongedaan gemaakt te worden. Dit staat los van de ernst en urgentie van de verontreiniging. 4.5.2 Besluit bodemkwaliteit Voor het toetsen van de kwaliteit van grond en baggerspecie aan de verschillende normen van het Besluit en voor het indelen van de (water)bodem in kwaliteitsklassen kent het Besluit als uitgangspunt dat de rekenkundige gemiddelden moeten voldoen aan de gestelde maximale waarden. Deze maximale waarden zijn landelijk (generiek) vastgesteld. Daarnaast mogen gemeenten gebiedsspecifieke maximale waarden hanteren.
Deze dienen te worden vastgelegd in een bodembeheernota.
4
Voor grond wordt de achtergrondwaarde en voor grondwater wordt de streefwaarde als referentiewaarde gehanteerd.
5 De term tussenwaarde is niet meer in de wet verankerd maar wordt landelijk nog wel op deze wijze gebruikt.
Rapportnummer: K21005331
9
Bij de toetsing geldt een rekenregel voor het standaardiseren van de gemeten concentraties met de daadwerkelijk gemeten concentraties lutum en organische stof. Daarnaast zijn er twee bijzondere toetsingsregels: voor de achtergrondwaarde en voor de indeling in de bodemkwaliteitsklasse wonen. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: Kleiner dan de achtergrondwaarde(a) Kleiner dan maximale waarde wonen(b) Kleiner dan maximale waarde industrie (a)
(b)
= = =
Bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde Wonen Industrie
De kwaliteit van de grond en baggerspecie overschrijdt niet de achtergrondwaarde als bij meting van X stoffen in de grond of baggerspecie het rekenkundige gemiddelde van maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde. De verhoging mag per stof maximaal 2x de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de verhoogde gehalten kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen van de betreffende stof. X
2
7
16
27
37
Y
1
2
3
4
5
De kwaliteit van de bodem overschrijdt niet de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen wanneer bij meting van X stoffen maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen. De verhoging mag per stof ten hoogste de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen vermeerderd met de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de gehalten van de gemeten stoffen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse industrie van de betreffende stof. X
7
16
27
37
Y
2
3
4
5
4.6 Analyseresultaten grond en grondwater In tabel 4.3 zijn de analyseresultaten van de grond weergegeven en wordt per analysemonster het eindoordeel met betrekking tot de Wet bodembescherming en een indicatieve toetsing ten aanzien van het Besluit Bodemkwaliteit weergegeven. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4, de toetsingsresultaten in bijlage 5. Tabel 4.3: Analyseresultaten Monster
traject (m-mv)
Toetsing Wbb Beoordeling
Kritieke parameter
Toetsing Bbk Beoordeling
Grond MMBG01
0,0-0,5
+
MMBG02
0,0-0,5
-
MMBG03
0,0-0,5
+
MMOG04
0,5-1,6
-
MMOG05
0,9-2,0
-
Kobalt, minerale olie
Industrie Achtergrondwaarde
Zink
Industrie Achtergrondwaarde Achtergrondwaarde Grondwater
PB01-1-1
2,00-3,00
-
PB02-1-1
2,50-3,50
+ ++ +++
n.v.t. n.v.t. < Achtergrond-/streefwaarde > Achtergrond-/streefwaarde > Tussenwaarde > Interventiewaarde
4.7 Grond De bovengrond is licht verontreinigd met kobalt, minerale olie en zink. De overig geanalyseerde parameters zijn niet verhoogd aangetroffen. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen.
Rapportnummer: K21005331
10
4.8 Grondwater In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetroffen. 4.9 Toetsing hypothese In de onderstaande tabel staan de hypotheses weergegeven. Tevens wordt aangegeven of deze aangenomen of verworpen kan worden. Tabel 4.4: Toetsing hypotheses Deellocatie Overig terrein
Oppervlakte (m²) 7.422
Hypothese Onverdacht
Verdachte stoffen en bodemlaag -
Toetsing verworpen
Door de aangetroffen lichte verontreinigingen in de grond dient de hypothese ‘onverdachte locatie’ verworpen te worden. De aangetroffen gehalten zijn van dien aard dat de onderzoeksinspanning niet hoeft te worden herzien.
Rapportnummer: K21005331
11
5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
In opdracht van Adviesbureau RAACC is door De Klinker Milieu Adviesbureau een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 op de locatie Hopweg 38 te Rutten. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. 5.1 Conclusies Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden: De bodem op de locatie bevat zintuiglijk geen afwijkende waarnemingen; De bovengrond is licht verontreinigd met kobalt, minerale olie en zink; In de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen; In het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetroffen; De hypothese dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. Het terrein is ons inziens op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het beoogde gebruik. 5.2 Algemeen Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk). De conclusies hebben uitsluitend betrekking op de geselecteerde deellocaties en de geanalyseerde componenten.