CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

12.1 Bestemmingsplan ‘Emmeloord, Banterweg 4.pdf

Gemeenteraad 31 januari 2022, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 12: Bestemmingsplan Emmeloord, Banterweg 430.260 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.3.3

Stads-DNA Emmeloord

4.3.3.1 Algemeen Gemeente Noordoostpolder en woningcorporatie Mercatus hebben het initiatief genomen om onderzoek te doen naar de (historische) waarden van Emmeloord. Deze waarden, die zich toespitsen op het landschap, de stedenbouw en de architectuur, worden het “DNA van Emmeloord” genoemd. Het onderzoek naar het stads-DNA van Emmeloord levert een bijdrage aan de bewustwording van en zorg voor de ontworpen en aanwezige wederopbouwwaarden in de polderstad Emmeloord. Het resultaat dient als onderlegger voor beleid, visies en plannen en maakt het mogelijk het cultureel erfgoed van de stad hierin te verankeren. Het kan tevens dienen als basis voor ontwikkelings- en gebiedsgerichte erfgoedzorg. Ze sluit daarmee aan op de hoofddoelstelling van de Visie Erfgoed en Ruimte (rijksniveau) en is toegespitst op jonge erfgoedwaarden op gebiedsniveau. Dit onderzoek biedt duidelijkheid en tevens inspiratie. Het doel is om de stad te blijven ontwikkelen en nieuwe kwaliteiten toe te voegen, met respect voor de bestaande waarden.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

23

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp 4.3.3.2 De groene mantel Het plangebied maakt onderdeel uit van een gebied in Emmeloord dat ook wel de ‘groene mantel’ wordt genoemd. Dit is weergegeven op afbeelding 4.1.

Afbeelding 4.1

De groene mantel van Emmeloord (Bron: dnanoordoostpolder.nl)

De groene mantel is de multifunctionele brede groenzoom, die de polderstad aan drie zijden omsluit. De groene mantel omvat paden, sportvelden, een begraafplaats, volkstuinen etc. De groene mantel omvat minimaal een robuuste groenstrook van bomen van de eerste grootte (afmeting bomen, in dit geval de grootste maat bomen), met gras en/of onderbegroeiing en een voetpad. Ze wordt vaak begrenst door sloten. Afhankelijk van de maat en schaal van de bebouwing en achterliggende stedelijke structuur is de groene mantel breder of smaller (een stadsmantel is bijvoorbeeld breder en omvat meer functies dan een dorpsmantel. Afhankelijk van de functies, die in de groene mantel zijn opgenomen zal de groene mantel ook van maat verschillen). Alle tien polderdorpen en de polderstad kennen een groene mantel. In tegenstelling tot de polderdorpen heeft Emmeloord geen groene mantel aan de zuidzijde van de stad. Hier had de stad een gebouwd front gericht op de polder en bedrijventerreinen. Deze bedrijventerreinen zijn uitgebreid tot aan de nieuwe rijksweg.

4.3.3.3 Toetsing van het initiatief aan het Stads-DNA Emmeloord In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling ten behoeve van de uitbreiding van een bestaande recreatieve voorziening in Emmeloord. Hier mee wordt bijgedragen aan het (verblijfs)recreatieve product van Emmeloord en de toekomstbestendigheid van een lokaal geworteld bedrijf. Binnen de ‘groene mantel’ is ruimte voor recreatie en sport. Hiermee is de ontwikkeling in overeenstemming met het Stads-DNA Emmeloord.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

24

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp 4.3.4

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat voorliggend initiatief past binnen de gemeentelijke beleidskaders.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

25

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid (Wet geluidhinder)

5.1.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. De functie 'wonen' is aan te merken als een geluidsgevoelige functie.

5.1.2

Situatie plangebied

Voorliggend plan gaat uit van de realisatie van zes recreatiewoningen en de planologische inpassing van overige verblijfsrecreatieve voorzieningen. Daarnaast wordt een zelfstandige horecagelegenheid mogelijk gemaakt. Deze functies worden in het kader van de Wgh niet aangemerkt als geluidsgevoelige objecten. Een nadere toetsing en/of akoestisch onderzoek in het kader van wegverkeers-, spoorweg-, of industrielawaai is dan ook niet noodzakelijk.

5.1.3

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, is een bodemonderzoek verricht conform de richtlijnen NEN 5740.

5.2.2

Situatie plangebied

In het kader van voorliggend plan heeft Sigma Bouw & Milieu in 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de nieuwbouwlocatie voor de zes nieuwe recreatiewoningen. Hieronder wordt kort ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies uit dit onderzoek. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze toelichting.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

26

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp zintuiglijke waarnemingen Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde bodemmateriaal geen bodemvreemde afwijkingen of asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). grond bovengrond (0.0-0.5 m-mv) Bovengrondmengmonster MM1 bevat een verhoogd gehalte minerale olie, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s, som 10) en PCB’s (som 7) t.o.v. de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek. Bovengrondmengmonster MM2 bevat een verhoogd gehalte PCB’s (som 7) t.o.v. de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt ook in dit geval niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging tevens geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek. ondergrond (0.6-1.7 m-mv) Ondergrondmengmonster MM3 bevat geen van de onderzochte stoffen verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. grondwater peilbuis 1 (3.0-4.0 m-mv) Het grondwater t.p.v. peilbuis 1 bevat een verhoogd gehalte barium (zware metalen) t.o.v.

de streefwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in dit geval niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek. Ten aanzien van het bestaande recreatieterrein wordt opgemerkt dat de kwaliteit van de bodem reeds als passend bij de recreatieve functie, en hiermee bij langdurig verblijf van personen, wordt gezien. Aangezien ter plaatse sinds vaststelling van het bestemmingsplan “Emmeloord, Noord en Oost” naar verwachting geen bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden wordt een bodemonderzoek hier niet nodig geacht.

5.2.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Beoordelingskader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende

BJZ.nu Bestemmingsplannen

27

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.

5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.

5.3.2

Situatie plangebied

In subparagraaf 5.3.1.1 worden voorbeelden aangegeven die aangemerkt worden als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. In vergelijking hiermee is dit plan gezien aard en omvang zeker aan te merken als een project dat “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat met deze ontwikkeling geen gevoelige bestemming in het kader het Besluit gevoelige bestemmingen wordt gerealiseerd.

5.3.3

Conclusie

Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

BJZ.nu Bestemmingsplannen

28

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

Voor het transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (aangegeven met de blauwe onderbroken omlijning) en de directe omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1:

Uitsnede Risicokaart (Bron: www.risicokaart.nl)

BJZ.nu Bestemmingsplannen

29

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: • • • •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

In dit kader wordt nog opgemerkt dat er met de realisatie van een zelfstandige horecagelegenheid geen risicobron wordt toegevoegd.

5.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het plan in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De VNG-uitgave gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel de richtafstanden in 'Bedrijven en milieuzonering' indicatief zijn, worden deze afstanden wel als harde eis gezien door de Raad van State bij de beoordeling of bedrijven op een passende afstand van woningen worden gesitueerd.

5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Het plangebied is gelegen in de groene mantel in het noordoosten van de kern Emmeloord. Rondom de locatie zijn verscheidene recreatie- en sportfuncties gevestigd waaronder een sportcentrum, kinderboerderij en meerdere sportverenigingen. Vanwege de verscheidenheid aan functies kan de omgeving van het plangebied het beste worden aangemerkt als ‘gemengd gebied’.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

30

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De nieuwe recreatiewoningen kunnen het beste kan worden vergeleken met reguliere woonfuncties. Woonfuncties zijn niet aan te merken als milieubelastende functies en zijn daarom niet van negatieve invloed op het woon- en leefklimaat van omliggende woonfuncties. Met betrekking tot de zelfstandige horecagelegenheid wordt opgemerkt dat enkele lichte horecavormen worden toegestaan. Dit betreft hiermee in alle gevallen maximaal milieucategorie 1 horeca, zonder een bijbehorende richtafstand in het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van milieugevoelige functies in de omgeving is dan ook geen sprake. In dit kader wordt nog opgemerkt dat de bijbehorende milieubelasting kleiner is dan de milieubelasting behorend bij de bestaande camping.

5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of nieuwe functie(s) binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. De functie ‘wonen’ is aan te merken als milieugevoelige functie. Gezien de functionele overeenkomsten tussen de functies ‘wonen’ en ‘recreatiewoning’, waarbij in beide gevallen sprake is van een situatie waarin met een zekere regelmaat en gedurende langere tijd personen zullen verblijven, komt daarom in het kader van een goede ruimtelijke ordening aan de recreatiewoningen een zekere mate van bescherming tegen geluidhinder toe. Rondom de locatie van de nieuwe recreatiewoningen zijn meerdere milieubelastende functies gelegen. In de onderstaande tabel worden de meest relevante milieubelastende activiteiten/functies benoemd welke zijn gelegen in de nabijheid van het plangebied. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie (maximaal) wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen het plangebied en

BJZ.nu Bestemmingsplannen

31

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke minimale afstand hiertussen bedraagt. Functie

Categorie

Daadwerkelijke minimale afstand (circa) 150 meter

3.1

Grootste richtafstand ‘gemengd gebied’ 10 meter voor geur en geluid 30 meter voor geluid

Kinderboerderij Banterweg 2C Veldsportcomplex (met verlichting) Sportlaan 87D Veldsportcomplex (met verlichting) Banterweg 2 Zwembad niet overdekt Boslaan 30 Sporthallen Boslaan 28

2

3.1

30 meter voor geluid

26 meter

4.1

100 meter voor geluid

100 meter

3.1

30 meter voor geluid

180 meter

0 meter

In de eerste plaats wordt nogmaals opgemerkt dat de afstanden in beginsel worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Dit is ook het uitgangspunt geweest voor bovenstaande tabel. Op basis van de uitkomsten wordt niet voldaan aan de richtafstanden voor het aspect ‘geluid’ ten aanzien van de twee omliggende veldsportcomplexen. Wanneer echter wordt gemeten tussen de grens van de daadwerkelijk aanwezige milieubelastende functies en de te realiseren recreatiewoningen ontstaat een genuanceerder beeld. Aan de Banterweg 2 is een atletiekvereniging gevestigd met een bijbehorende atletiekbaan. De afstand tussen de dichtstbijzijnde milieubelastende functie, te weten de atletiekbaan, en de recreatiewoningen bedraagt minimaal 40 meter. Ter plaatse van de recreatiewoningen wordt in dit geval dan ook een acceptabel woon- en leefklimaat verwacht. Aan de Sportlaan 87D is een gecombineerde korfbal- en hockeyvereniging met buitenvelden met verlichting gevestigd. De afstand tussen de dichtstbijzijnde milieubelastende functie, te weten één van de sportvelden, en de geprojecteerde recreatiewoningen bedraagt circa 30 meter.

Hiermee wordt formeel mogelijk (afhankelijk van de exacte locatie van de recreatiewoningen) niet aan de richtafstand voor ‘geluid’ voldaan. Opgemerkt wordt er tussen beide functies een dichte groenstrook aanwezig is. Naar verwachting zal er in verband met deze dichte groenstrook ter plaatse van de recreatiewoningen nauwelijks sprake zijn van lichthinder. Ook zal deze groenstrook in enige mate voorzien in een barrièrewerking met betrekking tot geluidhinder. Ter plaatse van de recreatiewoningen wordt al met al dan ook een aanvaardbaar woon- en leefklimaat verwacht.

5.5.4

Conclusie

Het aspect milieuzonering vorm geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.6

Ecologie

5.6.1

Algemeen

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

32

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp 5.6.2

Gebiedsbescherming

5.6.2.1 Algemeen Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

5.6.2.2 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen of nabij een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied het ‘IJsselmeer’ is gelegen op een zeer ruime afstand van 10 kilometer. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In dit kader wordt opgemerkt dat in voorliggend geval geen sprake is van grootschalige bouwwerkzaamheden. Het langdurig gebruik van zwaar materieel is dan ook niet aan de orde. Daarnaast is het aantal verkeersbewegingen tijdens de bouwfase zeer beperkt. Hiermee wordt gesteld dat de met dit plan gemoeide emissie van stikstof in het licht van de onderlinge afstand verwaarloosbaar is. Naar verwachting leidt voorliggende ontwikkeling niet tot een meetbare depositie NOx op Natura 2000gebieden. Er hoeft geen Wet natuurbescherming-vergunning aangevraagd te worden. 5.6.2.3 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is gelegen op minimaal 500 afstand ten oosten van het plangebied.

In afbeelding 5.2 is de ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN weergegeven.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

33

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp

Afbeelding 5.2

Ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN (Bron: Provincie Flevoland)

Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de kernkwaliteiten en de omgevingscondities van het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijk is tijdens de aanlegfase incidenteel geluid waarneembaar buiten het plangebied, maar dit effect is incidenteel en kortstondig en heeft geen negatief effect op het beschermd (natuur)gebied.

5.6.3

Soortenbescherming

5.6.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden.

5.6.3.2 Situatie plangebied In voorliggend geval heeft Jansen&Jansen groenadviesbureau ter plaatse van de nieuwbouwlocatie van de zes recreatiewoningen een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Hierna worden de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek beknopt samengevat. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 4 van deze toelichting.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

34

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp 5.6.3.2 Resultaten quickscan flora en fauna Ter plaatse zijn geen specifiek beschermde flora en/of fauna soorten aangetroffen. Op basis van de quickscan kan overtreding van de Wet natuurbescherming dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten. Wel worden de volgende adviezen gegeven: • Omliggende groenstroken kunnen gebruikt worden door enkele algemene amfibiesoorten (bruine kikker en gewone pad). Hierdoor dienen werkzaamheden nabij de groenstroken op een amfibievriendelijke wijze te worden uitgevoerd; • Werkzaamheden mogen niet worden uitgevoerd tijdens de piek van het broedseizoen die globaal tussen 15 maart en 15 augustus is. Let op! Ook buiten de piek van het broedseizoen zijn actieve nesten beschermd. Als er een actief nest wordt aangetroffen, dan moeten de werkzaamheden worden gestaakt; • Het is mogelijk dat algemene grondgebonden zoogdiersoorten, waaronder algemene muizensoorten en konijnen gebruik maken van het plangebied. Voor de te verwachten soorten geldt op basis van provinciaal soortenbeleid een ontheffing bij ruimtelijke ontwikkeling. Wel geldt een algemene zorgplicht richting deze soorten. Aan deze zorgplicht kan invulling worden gegeven door, wanneer hier gewerkt wordt, handmatig te werken en door te werken buiten de kwetsbare periode van voortplanting en winterrust.

De periode van 15 augustus tot 1 december is hiervoor het meest geschikt.

5.6.4

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in dit plan besloten ontwikkeling.

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

5.7.1.2 Situatie plangebied De gemeenteraad van Noordoostpolder beschikt over een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Op basis van de archeologische verwachtingskaart beschikt het plangebied over een lage tot middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Doorvertaald naar de archeologische beleidsadvieskaart houdt dit in dat met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse de beleidscategorie ‘W-8’ van toepassing is. Een en ander is weergegeven in de onderstaande afbeelding waarbij het plangebied steeds met de rode omlijning is weergegeven.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

35

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp

Afbeelding 5.4 Noordoostpolder)

Uitsnede archeologische verwachtings- (links) en beleidsadvieskaart (rechts) (Bron: Gemeente

Binnen de beleidscategorie ‘W-8’ bestaat er voor de noodzaak tot archeologisch onderzoek een vrijstellingsgrens tot 10.000 m². In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling van een beduidend kleinere omvang. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.

5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.

5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied of in de directe omgeving geen rijks- danwel gemeentelijke monumenten of andere cultuurhistorische waarden die negatieve effecten zouden kunnen ondervinden in verband met voorliggende ontwikkeling. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief.

5.7.3

Conclusie

Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. In het plangebied en in de omgeving van het plangebied komen geen relevante cultuurhistorische waarden voor.

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen:

BJZ.nu Bestemmingsplannen

36

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd.

5.8.2

Situatie plangebied

In voorliggend geval wordt voorzien in directe eindbestemmingen. Indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en die de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. Voorliggende ontwikkeling is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst de volgende activiteit opgenomen: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van “ d. permanente kampeer- en caravanterreinen”. In dit geval is sprake van de wijziging en uitbreiding van een permanent kampeer- en caravanterrein, waardoor toetsing aan de drempelwaarden dient plaats te vinden. De drempelwaarden zijn ten aanzien van de hiervoor genoemde activiteit als volgt: 1. 2. 3. 4.

250.000 bezoekers of meer per jaar, een oppervlakte van 25 hectare of meer, 100 ligplaatsen of meer of een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied.

In relatie tot bovengenoemde drempelwaarden is in voorliggend geval sprake van een ontwikkeling van een beduidend kleinere omvang. Van een directe m.e.r.-plicht is dan ook geen sprake. Desalniettemin dient, gelet op de aard en omvang van het project, wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. In bijlage 5 bij deze toelichting is de bij dit plan behorende aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. beoordeling opgenomen. De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.

5.8.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen significant negatieve effecten te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

37

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp

HOOFDSTUK 6 6.1

WATERASPECTEN

Algemeen

In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt er gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.2

Beleidskaders

6.2.1

Waterbeheerplan 2016-2021

Het Waterbeheerplan 2016-2021 (WPB3) is de opvolger van WPB2+ en bevat langetermijndoelen (zichtjaar 2050), doelen voor de planperiode (2016-2021) en maatregelen die het waterschap (samen met gebiedspartners) uit gaat voeren. De doelen en maatregelen hebben betrekking op de kerntaken van het waterschap (waterveiligheid, schoon water, voldoende water) en het thema ‘water en ruimte’. Hierbij gaat het om reguliere werkzaamheden, zoals peilbeheer, onderhoud aan dijken en het zuiveren van afvalwater en om nieuwe ontwikkelingen.

6.2.2

Stroomgebiedsvisie Flevoland (2003)

De Noordoostpolder is gelegen binnen het plangebied van de stroomgebiedsvisie Flevoland. In de watervisie voor 2015 wordt het plangebied aangeduid als een gebied met een vitaal watersysteem. Voor de gemeente Noordoostpolder zijn de wateropgaven onderverdeeld in een aantal generieke maatregelen en in de resterende wateropgave. De generieke maatregelen houden onder andere in: • • •

afvoerblokkering in natuurgebieden; vasthouden van water in natuurgebieden en landbouwgebied; realisatie van duurzame oevers.

Oplossingsrichtingen voor de resterende wateropgave zijn onder andere bergen in open water en efficiënt uitmalen.

6.2.3

Beleid gemeente Noordoostpolder en waterschap Zuiderzeeland

De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (d.d. april 2006). Ten aanzien van het Stedelijk Waterplan is als aanvulling op dit plan, in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke ‘Maatwerkovereenkomst stedelijk water’ ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daarbij beter verankerd. Waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder hebben begin 2019 samen het Watertakenplan Noordoostpolder 2019-2024 vastgesteld. Op grond van de Waterwet is er voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het

BJZ.nu Bestemmingsplannen

38

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp stedelijk afvalwater plaats. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Voor zover gemeentelijke maatregelen doelmatig zijn en het niet de verantwoordelijkheid van het Waterschap of de provincie is om maatregelen te nemen. In de Keur van het waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken).

6.3

Watertoetsproces

6.3.1

Algemeen

Het waterbelang is sinds 1 november 2003 door middel van de Watertoets verankerd in het ‘Besluit ruimtelijke ordening’. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn dertien nationale belangen genoemd, deels op het gebied van water. Basisprincipes van het nationaal en Europees beleid zijn: meer ruimte voor water, voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd en stand-still (géén verdere achteruitgang in de huidige chemische en ecologische waterkwaliteit). Het bovenstaande resulteert in twee drietrapsstrategieën: • •

Waterkwantiteit (vasthouden, bergen, afvoeren); Waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren).

De waterparagraaf maakt inzichtelijk hoe het vigerend waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen, waarmee rekening moet worden gehouden in relatie tot voorliggend plan.

6.3.2

Proces van de Watertoets

Waterschap Zuiderzeeland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Hierbij is voor de beantwoording van de vragen uitgegaan van maximale invulling van de middels dit bestemmingplan toegestane (bouw)mogelijkheden. De beantwoording van de vragen op deze wijze heeft er toe geleidt dat de ‘normale procedure’ van toepassing is. Hiermee is in beginsel vooroverleg met het waterschap noodzakelijk. Hiertoe is de waterhuishoudkundige situatie behorend bij de concrete gewenste situatie in beeld gebracht (zes recreatiewoningen). Hieronder wordt ingegaan op deze waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied. Op basis van het vooroverleg met het waterschap, waarbij het waterschap het plan inhoudelijk heeft geconcludeerd, wordt geconcludeerd dat voor deze ontwikkeling eigenlijk de ‘korte procedure’ van toerpassing is. Het volledige watertoetsresultaat is opgenomen als bijlage 6 bij deze plantoelichting.

6.3.3

Waterhuishouding plangebied

Huidige en nieuwe situatie verharding Zoals eerder al bleek in hoofdstuk 2 is het naastgelegen perceel grotendeels onverhard. Ter plaatste staat enkel een voormalige kleedruimte van circa 135 m². Dit gebouw blijft behouden als opslagruimte. In de nieuwe situatie worden er ter plaatse zes vakantiehuisjes gerealiseerd van circa 54 m² per huisje, inclusief aangebouwde bergruimte. Bij elk vakantiehuisje worden twee parkeerplaatsen gerealiseerd middels halfverharding. Hiermee is sprake van een maximale toename aan verharding van circa 400 m² (inclusief erfverharding). Hiermee bestaat op basis van het beleid van Waterschap Zuiderzeeland geen compensatieplicht (toename verharding minder dan 750 m²).

BJZ.nu Bestemmingsplannen

39

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp Afvalwater De voormalige kleedkamer is aangesloten op al bestaande riolering. Ter plaatse van de vakantiehuisjes wordt een nieuw rioleringssysteem aangelegd dat wordt aangesloten op de al bestaande riolering. Het afvalwater van de vakantiehuisjes zal dan ook, evenals het afvalwater van de bestaande camping, worden afgevoerd via een gescheiden rioolstelsel naar de dichtstbijzijnde AWZI. Hemelwater Schoon hemelwater wordt ter plaatse geïnfiltreerd in de bodem. Hiervoor is ter plaatse voldoende ruimte, mede in verband met het gebruik van halfverharding. Oppervlaktewater In het plangebied zelf is sprake van oppervlaktewater. Aan de noordzijde van het plangebied is namelijk een kavelsloot aanwezig. In relatie tot voorliggende ontwikkeling is echter geenszins sprake van een belemmering in de doorstroming, vermindering van de waterbergingsfunctie of verslechtering van de waterkwaliteit. In het kader van de (grond)waterkwaliteit wordt geadviseerd om niet of zo min mogelijk gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen voor daken, dakgoten en regenpijpen, zoals lood, zink of koper. Middels het toepassen van een coating kan uitloging ook worden voorkomen.

6.3.4

Reactie Waterschap Zuiderzeeland

Op 25 september 2020 heeft Waterschap Zuiderzeeland als volgt gereageerd op voorliggend plan: Op basis van het huidige ontwerp voor de realisatie van de zes recreatiewoningen bevat het plan op dit moment geen concrete ontwikkelingen die leiden tot een compensatieopgave. Aangezien er nog geen concrete plannen zijn om de toename in bebouwingspercentage ook geheel in te vullen is het te vroeg om op basis van het toelaatbare percentage een compensatieopgave te bepalen en op te nemen in het bestemmingsplan. Mocht in de loop der tijd wel sprake zijn van een toename van meer dan 750 m² (sinds 2013) dan moet de initiatiefnemer waterberging realiseren en daarvoor een aanvraag voor een watervergunning indienen. In dat geval stelt de Keur dat de berging eerst moet worden aangelegd voordat de verharding wordt gerealiseerd. Het is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om dit zo nodig aan te vragen.

6.3.5

Conclusie

Met inachtneming van de adviezen van Waterschap Zuiderzeeland vormt het aspect ‘water’ geen belemmering voor voorliggend plan.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

40

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1.

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

7.2.2

Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.

Algemene regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1)

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. •

Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft bepalingen ten aanzien van de wijze waarop moet worden gemeten bij de toepassing van de regels. Voorbeelden betreffen de bouwhoogte, goothoogte en de oppervlakte van bouwwerken.

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.);

BJZ.nu Bestemmingsplannen

41

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp •

7.2.4

Specifieke gebruiksregels: omschrijving van gebruiksactiviteiten die niet of juist wel zijn toegestaan. Hier is ook de geldende verplichting ten aanzien van de noodzakelijke landschappelijke inpassing opgenomen.

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 6) Deze regel is opgenomen om aan te geven welke vormen van gebruik in elk geval wel en niet strijdig zijn met de aan de grond gegeven bestemming.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 7) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

•

Overige regels (Artikel 8) In dit artikel is aangegeven dat de wettelijke regeling waarnaar in de regels van het plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Daarnaast zijn er regels opgenomen ter borging van de realisatie van voldoende parkeergelegenheid en mogelijkheden voor laden- en lossen.

7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Horeca (Artikel 3) De voor ‘Horeca’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor horeca tot een maximaal brutovloeroppervlakte van 150 m² in maximaal één gebouw, met de bijbehorende voorzieningen zoals parkeervoorzieningen.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

42

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp Recreatie (Artikel 4) De voor 'recreatie' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor recreatieve doeleinden, waaronder in ieder geval begrepen de bedrijfsmatige exploitatie van recreatief (nacht)verblijf in verblijfsaccommodaties, kampeermiddelen en trekkershutten. Binnen de bestemming zijn in totaal maximaal 46 verblijfsaccommodaties toegestaan, waarvan maximaal 6 ter plaatse van de nieuwe locatie voor recreatiewoningen. Voor verblijfsaccommodaties gelden specifieke bouwregels, waaronder een maximale bouwhoogte van 5 meter en een maximaal oppervlakte van 70 m² per verblijfsaccommodatie. Hiermee is verzekerd dat enkel relatief kleinschalige verblijfsaccommodaties worden gerealiseerd. Ten aanzien van de bouwregels voor het bestaande recreatieterrein is grotendeels aangesloten bij de reeds bestaande bouwregels. Hiermee is geregeld dat de reeds aanwezige vormen van recreatief nachtverblijf ruimtelijk zijn ingepast. Daarnaast wordt hiermee, ten behoeve van een flexibelere bedrijfsvoering en toekomstbestendigheid, een bredere bestemmingsomschrijving gehanteerd dan waar de in huidige situatie sprake van is. Voor het overige zijn er geen wijzigingen aangebracht aan de bestemmingsomschrijving. In de specifieke gebruiksregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Deze verplichting regelt dat ter plaatse van de uitbreiding met zes recreatiewoningen, moet worden voorzien in een passende landschappelijke inpassing conform het inrichtingsplan dat als bijlage bij de regels is opgenomen. Op de verbeelding is dit vastgelegd middels de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – voorwaardelijke verplichting’.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

43

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.

Initiatiefnemer heeft de grond waarop de uitbreiding plaatsvindt gekocht van de gemeente. De kosten die samenhangen met de herinrichting van het openbaar gebied zijn in de verkoopprijs verrekend. Hiermee zijn de kosten voor de grondexploitatie anderszins verzekerd. Daarnaast wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. In de anterieure overeenkomst wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

44

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp

HOOFDSTUK 9 9.1

Vooroverleg

9.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

9.1.2

Provincie Flevoland

Voorliggend plan wordt in het kader van vooroverleg toegestuurd aan de Provincie Flevoland.

9.1.3

Waterschap Zuiderzeeland

Het waterschap Zuiderzeeland is in de gelegenheid gesteld te reageren op voorliggend plan. Op 25 september 2020 heeft Waterschap Zuiderzeeland gereageerd. Op basis van de huidige concrete ontwikkelingsplannen (zes recreatiewoningen) komt het waterschap tot de conclusie dat het op dit moment geen compensatieopgave bestaat. Bij verdere ontwikkelingen wordt geadviseerd vooroverleg te voeren met het waterschap in verband met de mogelijke noodzaak tot het realiseren van retentievoorzieningen.

9.2

Omgevingstraject

Op 27 juli 2020 is er een informatieavond georganiseerd. Het doel van deze avond was het informeren van omwonenden en overige geïnteresseerden over de ontwikkeling. Hierbij zijn de aanwezigen in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen in relatie tot de ontwikkeling. De aanwezigen hebben aangegeven in beginsel positief tegenover deze ontwikkeling te staan. Verzocht is hen op de hoogte te houden van het vervolg van de procedure en rekening te houden met de aandachtspunten die zijn geuit. Alle aanwezigen zijn nadien voorzien van een gespreksverslag inclusief bijlagen. Een geanonimiseerde versie van dit gespreksverslag is als bijlage 7 bij deze plantoelichting opgenomen.

9.3

Zienswijzen

Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen.

BJZ.nu Bestemmingsplannen

45

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

BJZ.nu Bestemmingsplannen

46

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp

Bijlage 1

Inrichtingsplan zes recreatiewoningen

BJZ.nu Bestemmingsplannen

47

Plantvakken

Bomen

Bomen

Struiken en bomen

Ecologisch gazon

Wilde bloemen gras

Struiken

De onderlinge afstand in de rijen is maximaal 0,85 meter. Per 0,73 m2 wordt minimaal één boom/struik geplant. Soortkeuze voor struiken is: aandeel planthoogte 5% rode kornoelje Cornus sanguinea 50-80 cm verdraagt schaduw 5% gele kornoelje Cornus mas 50-80 cm verdraagt schaduw 5% gewone liguster Ligustrum vulgare 60-100 cm houdt ‘s winters lang zijn blad 10% hazelaar Corylus avellana 50-80 cm verdraagt schaduw 5% vogelkers Prunus padus 50-80 cm wordt een boom met bloemen 5% kardinaalmuts Euonymus europaea 60-100 cm zonnige standplaats 5% hondsroos Rosa canina 50-80 cm zonnige standplaats 5% gelderse roos Viburnum opulus 50-80 cm zonnige standplaats 5% wegedoorn Rhamnus cartharticus 60-100 cm verdraagt schaduw (voor kalkrijke grond) Bovengenoemde struiken kunt u het beste in groepen planten van 5 tot 7 van de zelfde soort.

Cb Tc Qr Ac Ag Ap

Carpinus betulus Tilia cordata Quercus robur Acer campestre Alnus glutinosa Acer pseudoplatanus

haagbeuk winterlinde eik veldesdoorn els gewone esdoorn

De bomen worden aangeplant met een stamomtrek van ten minste 12-14 cm

Uitbreiding Camping Het Bosbad Beplantingsplan

14 april 2021

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp

Bijlage 2

Inrichtingstekening zelfstandige horecagelegenheid

BJZ.nu Bestemmingsplannen

48

www.info@bjz.nu

0546 45 44 66

www.bjz.nu

Twentepoort Oost 16a 6709RG Almelo

Dokter van Deenweg 13 8025BP Zwolle

Schaal: 1 : 500

Formaat: A3

Schets Camping Het Bosbad, Emmeloord

Tekenaar: Rowin

Datum: 1 maart 2021

Bestemmingsplan “Emmeloord, Banterweg 4” Ontwerp

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

BJZ.nu Bestemmingsplannen

49

Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 Fax (0591) 65 93 25 www.sigma-bm.nl E-mail info@sigma-bm.nl

juni ’20

Onderwerp:

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Banterweg perceel sectie A nr. 2924 te Emmeloord

Projectnummer:

20-M9400

Opdrachtgever:

BJZ.nu

Datum:

29 juni 2020

0

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Banterweg perceel sectie A nr. 2924 te Emmeloord

onderwerp

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Banterweg perceel sectie A nr. 2924 te Emmeloord

datum

29 juni 2020

projectnummer

20-M9400

in opdracht van

BJZ.nu Twentepoort Oost 16A 7609 RG Almelo

uitgevoerd door

Sigma Bouw & Milieu Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen tel: (0591) 659128 fax:(0591) 659325

Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015, het uitvoeren van milieukundige bodemonderzoeken en geotechnische onderzoeken Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Monsterneming Bouwstoffenbesluit SIKB 1000 protocol 1001: Monsterneming grond voor partijkeuringen”

Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018”

Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Milieukundige begeleiding (water)bodemsaneringen en nazorg SIKB 6000, protocol 6001: Milieukundige begeleiding landbodemsanering met conventionele methoden”

(het onderhavige onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, protocol 2001 en 2002)

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middels van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of Sigma Bouw & Milieu.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/1884/documents/29442