10.8 Bestemmingsplan 'Glastuinbouw Luttelgeest Marknesse - fase 3' deel 8 1400 - 1599.pdf
Tekst van het document
Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
3
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening Ruimte van de provincie Flevoland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Flevoland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Haas Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
Wezel Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft:
4
a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2,5 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerdistel, braam, Engels raaigras, grote brandnetel madelief, paardenbloem, riet, scherpe boterbloem, veldzuring, witte dovennetel. De planlocatie is volledig onverhard en bevat geen opgaande begroeiing of bebouwing. Verder betreft het enkel (deels voormalige) akkers waardoor er beperkte potentie aanwezig is.
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2,5 km is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bruine rat, egel, haas, mol, otter, steenmarter, veldmuis, vos en woelrat (NDFF 2010-2020). Voor de otter en steenmarter geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De otter komt voor in aaneengesloten (schone) watergangen met voldoende vis. In de directe omgeving van de planlocatie zijn otters waargenomen in de aangrenzende watergang de Marknessertocht (ca. 300 m van de planlocatie). Tussen de planlocatie en de Marknessertocht is een grasberm/oever van ca. 8 meter gelegen.
Aangezien er geen dempingswerkzaamheden betreffende de tocht plaatsvinden, is er geen sprake van verlies van functioneel leefgebied. Aangezien de kavelsloten binnen de grenzen van de planlocatie droogvallen betreft dit geen functioneel leefgebied voor de otter. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de otter uitgesloten.
5
Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes (Zoogdiervereniging steenmarter, 2020). De planlocatie betreft agrarisch gebied met verschillende landgebruiken. Vanwege het grote oppervlak van de planlocatie valt het niet uit te sluiten dat er incidenteel een steenmarter het gebied doorkruist. De planlocatie grenst aan verschillende woonpercelen waar sprake is van struiken, bomenrijen en opgaande begroeiing. Verder is er geen sprake van permanente groenstructuren op de planlocatie. Echter is ten midden van de planlocatie een kap- en snoeiafval gerealiseerd. De snoeihoop bestaat uit dermate veel bomen en struiken dat er sprake is van een omvang van ca. 4 meter hoog, ca. 3 meter breed en ca. 100 meter lang (figuur 4).
Figuur 4
De kap- en snoeihoop gelegen ten midden van de planlocatie.
Deze kap- en snoeihoop zou in een permanente situatie leefgebied kunnen bieden voor steenmarters. Aangezien de hoop een tijdelijke opslag van kapafval betreft en er geen sprake is van directe verbinding met leefgebied van de steenmarter. Derhalve is er geen sprake van essentieel leefgebied. De kap- en snoeihoop is reeds in afstemming met de gemeente en met een brandvergunning in de brand gestoken door de huidige terreineigenaar. Negatieve effecten ten aanzien van de steenmarter in het kader van de beoogde ontwikkelingen zijn derhalve uitgesloten. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Vleermuizen Binnen een straal van 2,5 km is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, meervleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2010-2020).
Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen van vleermuizen aangetroffen. Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Aangezien de planlocatie geen bebouwing of bomen bevat zijn vleermuisverblijfplaatsen per definitie uitgesloten.
6
Buiten dat het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie incidenteel overvliegen tijdens foerageren. Echter is het uitgesloten dat de planlocatie onderdeel uitmaakt van essentieel leefgebied of vliegroute vanwege het volledig ontbreken van groenstructuren. Amfibieën Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad(NDFF 2010-2020). Voor de rugstreeppad geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De rugstreeppad komt voor in gebieden met makkelijk vergraafbare grond zoals duinen, open zandgronden of bouwplaatsen. Voortplantingswater van de soort is ondiep en warmt snel op. De planlocatie betreft agrarische percelen die actief in gebruik zijn voor (hoofzakelijk aardappel)teelt. In de directe omgeving (ca. 300 m van de planlocatie) van de planlocatie zijn enkele waarnemingen van de rugstreeppad aanwezig, echter binnen de grenzen van de planlocatie zijn geen waarnemingen bekend. De kavelsloten/afwateringsgreppels op de planlocatie zijn ondiep en vallen in droge periodes droog. Echter in het voorjaar zouden deze greppels functie kunnen hebben als voortplantingswater.
Gezien het grote formaat van de planlocatie (ca. 1,3 km2) is aanwezigheid van rugstreeppadden niet uit te sluiten. Derhalve wordt aanvullend onderzoek geadviseerd uit te voeren (zie vervolgstappen). Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie betreft agrarische percelen en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang leeft in de buurt van water en is verbonden aan structuurrijke, weinig verstoorde natuurlijke oevers. De eieren worden gelegd in broei- of compost hopen in de nabijheid van watergangen.
Aangezien de planlocatie agrarisch kleigebied betreft zonder broeihopen of permanent waterhoudende kavelsloten, is er geen sprake van functioneel leefgebied van de ringslang. Negatieve effecten ten aanzien van de ringslang zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid bekend van de kwabaal (NDFF 2010-2020). De kwabaal komt voor koude schone wateren met zand/kiezel substraat als voortplantingshabitat. De waarnemingen van de kwabaal zijn gedaan in een tocht welke niet in verbinding staat met oppervlakte op de planlocatie. De kavelsloten op de planlocatie zijn zeer ondiep en vallen droog in drogere zomerperioden. Derhalve is de aanwezigheid van de kwabaal uitgesloten op de planlocatie. Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid bekend van de noordse winterjuffer en sierlijke witsnuitlibel (NDFF 2010-2020). De noordse winterjuffer heeft als voortplantingshabitat petgaten en sloten in laagveengebieden. Aangezien betreffende habitatten niet aanwezig zijn op de planlocatie is er geen sprake van functioneel leefgebied. Verder zijn de waarnemingen gedaan op ca. 1,2 km verwijderd van de planlocatie.
Derhalve is de aanwezigheid van de noordse winterjuffer uitgesloten. Het voortplantingshabitat van de sierlijke witsnuitlibel betreft schone, vegetatierijke vennen, plassen en dode rivierarmen. Op de planlocatie is geen functioneel leefgebied aanwezig.
7
Derhalve is de aanwezigheid van de soort uitgesloten van de planlocatie. Ten tijden van de veldbezoeken zijn enkele passerende libellen waargenomen, echter was determinatie onmogelijk. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, buizerd, houtduif, koolmees, meerkoet, merel, ooievaar en zanglijster. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. De gierzwaluw broedt evenals de huismus onder (pannen)daken en in gevels. Aangezien er geen bebouwing op de planlocatie aanwezig is, kunnen nestlocaties van gierzwaluwen en huismussen uitgesloten worden.
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van leefgebied van de huismus. Het ontbreken van bebouwing op de planlocatie maakt dat dat er geen sprake is van nesten van uilen als kerkuil en steenuil. Echter zou de planlocatie onderdeel kunnen zijn van algemeen foerageergebied. Vanwege het ontbreken van grasweidepercelen en de grote hoeveelheid vergelijkbaar (en beter geschikt) leefgebied is echter geen sprake van essentieel leefgebied. Verder zijn er minimale waarnemingen bekend in de directe omgeving (1 enkele waarneming van kerkuil gedaan in 2000). Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van gebouwbewonende uilen uitgesloten. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van roofvogelsoorten vanwege de grote hoeveelheid vergelijkbaar leefgebied in de directe omgeving. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake.
Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en zeer beperkt structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. Op de planlocatie zijn enkele torenvalkkasten aanwezig. Bij inspectie bleek er geen nest aanwezig te zijn. De aanwezigheid van braakballen maakte dat de kast een rustplaats was voor torenvalk. Derhalve gaat er functioneel leefgebied van de torenvalk verloren. Aangezien de trend van de torenvalk stabiel is en de soort matig flexibel is, zijn negatieve effecten ten aanzien van de soort uitgesloten. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Vanwege de aanwezigheid van de nestkasten wordt derhalve geadviseerd te werken buiten het algemene broedseizoen. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
8
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 4,5 km ligt de Natura 2000gebieden ‘De Weerribben en De Wieden’ (figuur 5). Op een afstand van circa 750 m ligt het Natuurnetwerk (figuur 6).
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 4,5 km tot de Natura 2000-gebieden ‘De Wieden en de Weerribben’ (bron: arcgis.com).
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 750 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: nnn.flevoland.nl).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen
9
middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van meerdere glastuinbouwkassen, wateroppervlakte, waterbassins en bedrijfsruimten. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase wordt er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Ondanks dat er sprake is van een grote afstand (4,5 km) is tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden ‘De Weerribben en De Wieden’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000gebieden. Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
10
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de rugstreeppad. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
-
-
-
-
-
+
-
+/-
n
j
n
n
+
-
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat Andere soort
-
-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
4,5 km
stikstof
AERIUS
Natuurnetwerk Nederland
750 m
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
nee
nee
n.v.t.
Bomen
nee
nee
n.v.t.
n
-
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
insecten en ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.
grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van houtopstanden in het kader van de Wnb. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de planlocatie een relevante functie heeft voor de rugstreeppad (soortenbescherming). Indien deze soort gebruik maakt van de planlocatie zal bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen Wet nb art. 3.5, lid 2 en 4. De voorwaarden betreffen: het onderzoek wordt uitgevoerd conform de meest actuele versie van het Kennisdocument, er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Verder dient middels een AERIUS-calculatie onderzocht te worden of er externe effecten zijn op omliggende Natura-2000 gebieden
11
Conclusie De ontwikkeling aan de Oosterringweg ong. te Luttelgeest is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar rugstreeppad uitgevoerd te worden. Geadviseerd wordt drie veldbezoeken in het voorjaar (2021) uit te voeren op relatief broeierige avonden/nachten om aanwezigheid vast te stellen. • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Indien de afwezigheid van rugstreeppad wordt aangetoond, dient voor rugstreeppad het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv.
aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
12
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.ndff.nl www.nnn.flevoland.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
13
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., M.A. Brinkbaumer Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad Bijlage 4 Schets beoogde ontwikkelingen
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
14
Bijlage 1 Fotografische impressie
15
Figuur 1
De planlocatie is gelegen is gelegen in agrarisch gebied en bestaat hoofdzakelijk uit aardappelteelt percelen.
Figuur 2
Ten oosten van de planlocatie is de Marknessertocht gelegen.
16
Figuur 3
De reeds verwijderde kap- en snoeihoop welke gesitueerd was ten midden van de planlocatie.
Figuur 4
De planlocatie betreft agrarische percelen waar veel verstoring door mens en machine plaatsvindt.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
17
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
18
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
19
Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van ongeveer 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Gedrag De rugstreeppad is een typische pionierssoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.
Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locaties specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017).
20
Bijlage 4 Schets beoogde ontwikkelingen
21
bestemmingsplan Glastuinbouw Luttelgeest / Marknesse, fase 3
Bijlage 14
Vervolgonderzoek ecologie
bestemmingsplan (vastgesteld)
1457
Hoogweg Paprikakwekerijen T.a.v. dhr. L. Hoogweg Postbus 45 8316 ZG MARKNESSE
Eco Reest BV Industrieweg 20 7921 JP Zuidwolde T 0528 373982
23 juli 2021 Betreft:
Ecologisch advies en nader onderzoek rugstreeppad en broedvogels t.p.v. Baarloseweg te Luttelgeest Kenmerk: 201939 Versie: 1.5 Uw contactpersoon: dhr. R.J.W. Huls Type document: Rapport
F 0528 373907
KANTOOR APPINGEDAM
Opwierderweg 160 9902 RH Appingedam T 0596 633355
KANTOOR ALMERE
Geachte heer Hoogweg, Hiermee ontvangt u onze bevindingen aangaande de ecologische beoordeling in relatie tot de geplande ontwikkeling tot kassencomplex ter plaatse van de Baarloseweg te Luttelgeest.
Aanleiding en doelstelling
Transistorstraat 91-34 1322 CL Almere T 036 8200376
info@ecoreest.nl www.ecoreest.nl
Er heeft een verkennend onderzoek plaatsgevonden (Blom Ecologie B.V. BE/2020/249/r, d.d. 15 september 2020) waaruit bleek dat er mogelijk rugstreeppadden in het onderzoeksgebied voorkomen. Tevens is aangegeven dat er een broedvogelcheck gedaan moet worden voorafgaand aan de werkzaamheden in het broedseizoen. Het plangebied is ongeschikt beoordeeld voor overige beschermde diersoorten, zoals marterachtigen. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning en ontgrondingsvergunning is er door de omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek een aantal aanvullende vragen gesteld. Doel van het advies en onderzoek is meerledig;
Vaststellen of er sprake is van functioneel leefgebied van rugstreeppad. Vaststellen invloed project op broedterritoria omliggende percelen en omgevingsanalyse categorie 5 vogels. Nadere analyse leefgebied torenvalk. Analyse verlichting Marknessertocht.
Kwaliteit en onafhankelijkheid Eco Reest is samen met Gebouwen Inspectie Nederland een adviesbureau, gericht op advisering in relatie tot ruimte, gebouwen en ondernemen. Beide bedrijven beschikken over één kwaliteitssysteem dat wordt beheerd door Eco Reest Holding, gericht op het klantgericht leveren van kwalitatief hoogstaande diensten.
BANK NL16 TRIO 01985.27.128 BIC: TRIO NL2U BTW-NUMMER NL 8534.83.966 B01
Eco Reest Holding BV is gecertificeerd volgens “NEN-EN-ISO 9001:2015”, voor het geven van milieukundig advies in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen en gebouwen met inbegrip van de uitvoering van gerelateerde onderzoeksactiviteiten op het gebied van bodemonderzoek en -sanering, ecologie, asbestinventarisaties, sloopbegeleiding, bouwkundige opnames en energieprestatie advies.
K.V.K. MEPPEL 59436247 Op al onze werkzaamheden is DNR 2011 van toepassing, die op aanvraag wordt toegezonden.
Eco Reest is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Als aangesloten adviesbureau zorgen we samen met de andere leden voor een betere borging van kwaliteit in de uitvoering van ecologisch onderzoek.
Onze onafhankelijkheid is van groot belang om voor u het beste advies op te stellen, zonder dat we voorkeur hebben voor leveranciers of producten. Er bestaat geen functionele relatie tussen opdrachtgever en Eco Reest BV.
Raamwerk wet- en regelgeving De beoordeling is uitgevoerd in het kader van Wet natuurbescherming. Hierin is de bescherming van soorten en gebieden geregeld. De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij’-principe. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Van dit verbod kan onder voorwaarden worden afgeweken met een ontheffing of een vrijstelling. Beoordeling per aspect Rugstreeppad Uit de quick scan is geconcludeerd dat de sloten en greppels in het gebied potentieel voortplantingswater zijn voor rugstreeppad. Terrestrische zomerverblijven bevinden zich veelal in de nabijheid van het voortplantingswater. Akkerlanden en bodems die bestaan uit moeilijk graafbare grond worden veelal gemeden. In de winter zoekt rugstreeppad een droge plek om te overwinteren. In goed graafbare grond maken ze zelf een verblijf of zoeken een muizenhol. De voorkeur voor winterverblijven gaat in volgorde van voorkeur uit naar een houtwal/bosrand, erf/bebouwing, weiland, akker. Uit onderzoek door RAVON, Spitzen – van der Sluijs, A. M. , R. Zollinger & A. C. van Rijsewijk. 2007. Ecologisch onderzoek aan de rugstreeppad in de Noordoostpolder. Stichting RAVON, Nijmegen, blijkt dat in de Noordoostpolder weinig goed vergraafbare grond aanwezig is en weilanden en akkers veelal worden gemeden.
Overwintering vindt met name plaats in en bij gebouwen, vaak agrarische gebouwen en erven. Overwintering ter plaatse van de akkers is derhalve niet waarschijnlijk maar zonder soortgericht onderzoek naar functioneel leefgebied, niet uit te sluiten. In het onderzoek van RAVON is eveneens onderzoek gedaan naar de - gemiddelde maximale afstand van een terrestrische verblijfplaats tot het voortplantingswater. Voor mannetjes ligt dat rond de 100 meter en voor vrouwtjes rond de 165 meter. Hierbij dient in ogenschouw genomen te worden dat door rugstreeppad geschikt winterhabitat wordt geselecteerd, zie bovenstaande onderzoeksresultaten. Potentieel voortplantingswater binnen het plangebied bestaat uit de sloten, greppels en - tijdens de voortplantingsperiode, april t/m augustus - ‘tijdelijk’ water. De voorkeur van rugstreeppad gaat uit naar ondiep stilstaand water dat snel opwarmt. Binnen het plangebied is in de quick scan aangegeven dat alle sloten en greppels potentieel geschikt zijn als voortplantingswater. Tijdens de onderzoeksrondes naar rugstreeppad is echter geconstateerd dat de sloten en greppels veelal droog staan en overwoekerd zijn door vegetatie, hetgeen geen geschikt voortplantingswater is. De Marknesservaart , breed, diep, stromend water en intensief onderhoud, is niet geschikt en wordt dan ook uitgesloten.
Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 2 van 20
Nader onderzoek functioneel leefgebied rugstreeppad In de periode mei t/m juni 2021 is nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van rugstreeppad binnen een straal van ruim 100 meter van het projectgebied. Het nader onderzoek naar rugstreeppad is uitgevoerd conform de methode uit het Soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus aangehouden (Netwerk Groene Bureaus, 2017). Het onderzoek naar voortplantingsverblijfplaatsen heeft plaatsgevonden middels vier veldbezoeken in de periode april tot en met juni 2021. Tijdens het onderzoek is geluisterd naar roep/kooractiviteit van de rugstreeppad. Tijdens het onderzoek zijn geen kooractiviteiten of losse individuen van rugstreeppad aangetroffen. Gelet op het ontbreken van sporen van aanwezigheid kunnen voortplantingsverblijfplaatsen (aquatisch leefgebied) van rugstreeppad worden uitgesloten binnen het plangebied. De kavelsloten in het terrein zijn sterk begroeid en stonden tijdens de inspecties vrijwel droog. Na overvloedige regen op 28 juni stond er een beperkte hoeveelheid water in de sloten. De vegetatie in de sloten bedekte echter het gehele wateroppervlak. Dergelijke droogvallende sloten met weelderige ruigtevegetatie zijn ongeschikt als voorplantingsplaatsen voor rugstreeppad. Het terrestrische leefgebied van de rugstreeppad ligt altijd in de nabijheid van het aquatische leefgebied.
Uit onderzoek van RAVON blijkt dat de - gemiddelde - maximale afstand van een terrestrische verblijfplaats tot het voortplantingswater voor mannetjes rond de 100 meter ligt en voor vrouwtjes rond de 165 meter ligt (Ravon, 2007). Omdat met dit onderzoek voortplantingshabitat (aquatisch leefgebied) is uitgesloten en eveneens geen individuen zijn aangetroffen, maakt ook het terrestrische deel van het plangebied geen deel uit van het leefgebied van de rugstreeppad. Zomer- en winterverblijfplaatsen kunnen worden uitgesloten binnen het plangebied. Van het onderzoek naar rugstreeppad is een separate rapportage opgesteld Nader onderzoek rugstreeppad Oosterringweg/Baarloseweg te Luttelgeest, Eco Reest rapport 211939-EC, 6 juli 2021. Effectbeoordeling Binnen het projectgebied rugstreeppad niet aangetoond. Hieruit wordt geconcludeerd dat het projectgebied geen deel uitmaakt van functioneel leefgebied van rugstreeppad. Er is ten aanzien van rugstreeppad dan ook geen overtreding van de verbodsbepalingen Wet natuurbescherming te verwachten. Te allen tijde is zorgplicht van toepassing. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet.
Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 3 van 20
Compensatie demping sloten De sloten die door het projectgebied lopen, worden gedempt.
Figuur 1: te dempen sloten
Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 4 van 20
Figuur 2: een te dempen sloot binnen het projectgebied
Door de initiatiefnemer zijn in het projectplan poelen voorzien die geschikt zijn als leefgebied voor amfibieën. Op drie plaatsen worden ondiepe jaarrond waterhoudende poelen gemaakt. De poelen worden voorzien van een betonnen bodem waarop een laagje zand wordt aangebracht. De ontgraven klei wordt als een aarden wal wordt aangelegd. Tevens wordt bij elke poel een stenenhoop aangebracht. Naast amfibieën kunnen hiervan ook andere diersoorten van profiteren, zoals insecten, kleine marters. Wij adviseren derhalve deze poelen zondermeer aan te leggen. In het uitvoeringsplan wordt het ontwerp van de poelen uitgewerkt.
Figuur 3: overzicht van de locaties waar poelen worden aangebracht (een actueel inrichtingsplan is opgenomen als bijlage 4). Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 5 van 20
Te kappen bomen Het kappen van gewone esdoorn (negen bij inrit Baarloseweg) achten wij verantwoord uit te voeren in de winterperiode omdat, gezien de structuur van de omgeving, een essentiële vliegroute voor vleermuizen niet aannemelijk wordt geacht. Daarnaast zal het lijnvormige element al voor de actieve periode van vleermuizen weer hersteld zijn door de aanplant van zes gewone esdoorns. Deze bomen moeten bij aanplant hoger zijn dan 3,5 meter. Ook worden verblijfplaatsen van vleermuizen in de te kappen bomen uitgesloten, er zijn geen geschikte gaten in de bomen aangetoond. Ook zijn er geen vogelnesten in de bomen waargenomen. Hiervoor is een kapvergunning verstrekt en inmiddels zijn de bomen gekapt. Aanvullende vragen Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek heeft middels de brief van 19-11-2020 met kenmerk Z2020-012594/D2020-258538 een aantal aanvullende vragen en eisen gesteld. Is er tijdens de aanlegfase lichthinder op de Marknesservaart. Dat is van toepassing in de actieve periode van vleermuizen. Als er in de periode april t/m oktober tussen zonsopkomst en zonsondergang geen kunstlicht wordt toegepast, is verstoring van vleermuizen niet aan de orde.
Indien er gedurende die tijdsperiode wel verlichting noodzakelijk is, zal dit niet gericht moeten zijn op de Marknesservaart, lokaal verlicht, bij voorkeur rood(achtig) licht. De opdrachtgever is voornemens tijdens de bouw geen belichting neer te zetten nabij de Marknesservaart. Door de uitvoerend aannemer wordt dit opgenomen in het uitvoeringsplan en ter goedkeuring voorgelegd aan de Omgevingsdienst. De aan te leggen kassen worden niet belicht. Omdat er vanaf de Baarloseweg geen tweede inrit mag worden aangelegd, wordt een weg achterlangs de vaart gemaakt (zie inrichtingsplan bijlage 4). De verkeersbewegingen over de deze weg zijn echter zeer beperkt en ter voorkoming van lichthinder wordt hier een aangepast lichtplan gemaakt waardoor hinder voor de Marknesservaart tot een minimum wordt beperkt. Dit is afgestemd met provincie Flevoland en met de Omgevingsdienst. Ook van aan- en afvoerverkeer zal derhalve geen toename van lichthinder ontstaan.
Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 6 van 20
Onderzoek categorie 5 vogels: Dit onderzoek is 17 maart en 9 juni 2021 uitgevoerd. Het doel hiervan is vast te stellen of het plangebied deel uitmaakt van essentieel leefgebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten. De lijst met jaarrond beschermde nesten in de provincie Flevoland is per 28 januari 2021 gewijzigd en navolgend opgenomen.
Resultaten broedvogelonderzoek Op 17 maart is het projectgebied met de omliggende erven en percelen geïnspecteerd en beoordeeld op functioneel leefgebied van vogels. Het verslag van de beoordeling is opgenomen als bijlage 2. Hieruit blijkt dat de boerderijen en woningen met erven rondom het projectgebied, functioneel habitat zijn voor huismus, boerenzwaluw en overige soorten als koolmees. Op 17 maart zijn alleen nestplaatsen van huismus geconstateerd. Ter plaatse Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 7 van 20
van Oosterringweg 3 zijn twee nestplaatsen aanwezig, Oosterringweg 5 twee tot drie en Oosterringweg 4a/4b en 4c vermoedelijk ook een nestplaats. Op 9 juni zijn de percelen aan de Oosterringweg en Baarloseweg geïnventariseerd op broedvogels conform de BMP-methode (SOVON). Doel is vast te stellen wat de functie is voor vogels van de betreffende percelen. De resultaten zijn opgenomen in figuur 4 en in tabel 1.
Figuur 4: locaties waarnemingen broedvogelonderzoek.
Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 8 van 20
Tabel 1: waarnemingen broedvogelonderzoek Locatie waarneming 1
Huiszwaluw, boerenzwaluw; foeragerend
2 3 4
Vink, zwartkop; zingend Huismus; zingend Huiszwaluw (ca. 10;) foeragerend
5 6
Zwartkop; zingend Huiszwaluw (4) en boerenzwaluw (4); foeragerend Huismus; zingend op dak (2) Huismus; aanvoer voedsel (2)\ Vink; zingend Huismus aanvoer voedsel (4) Merel (2), vink, winterkoning, gekraagde roodstaart; zingend Fuut (paar) met jongen Meerkoet (paar); alarmroep Boerenzwaluw (2); foeragerend
7 8 9 10 11 12 13 14
Vink (2), winterkoning (2), zwartkop, merel; zingend 15 Merel, tjiftjaf; zingend 16 Blauwe reiger; foeragerend 17 Huismus (4); aanvoer voedsel Zwartkop; zingend 18 Huismus (3); aanvoer voedsel 19 Huismus (3); aanvoer voedsel 20* Rietzanger; zingend 21* Meerkoet; alarmroep *tijdens nachtbezoek 9 juni 2021
functie van de locatie Foerageergebied, mogelijk nestplaatsen Broedterritoria Broedplaats Foerageergebied, waarschijnlijk ook nestplaatsen Broedterritoria Foerageergebied, mogelijk nestplaatsen Nestplaatsen Nestplaatsen Broedterritorium Nestplaatsen Broedterritoria Mogelijk broedlocatie Waarschijnlijk nestlocatie Foerageergebied, mogelijk nestplaatsen Broedterritoria Broedterritoria Foerageergebied Nestplaatsen Broedterritorium Nestplaatsen Nestplaatsen Broedterritorium Nestplaats
De percelen grenzend aan het projectgebied zijn belangrijk voor de aangetroffen soorten broedvogels. Dit zijn soorten die hun nest maken in/aan gebouwen, boomholtes of struweel. Tijdens de broedperiode zijn de soorten sterk afhankelijk van beschikbare insecten om hun jongen groot te kunnen brengen. Het foerageren is alleen waargenomen ter plaatse van de erven en de waterpartijen. De akkerpercelen zijn hiervoor blijkbaar ongeschikt. Tijdens geen van de veldbezoeken zijn indicaties van nestplaatsen van weide- en akkervogels geconstateerd. Op de landbouwpercelen zijn enkele malen foeragerende zwarte kraaien waargenomen. De in de quickscan genoemde torenvalk is tijdens de veldbezoeken niet waargenomen. De nestkast op een van de erven aan de Baarloseweg, is niet aantoonbaar als nestplaats in gebruik door torenvalk. De akkers – het projectgebied – maken derhalve geen deel uit van essentieel leefgebied voor vogelsoorten uit categorie 1 t/m 5. Het projectgebied reikt tot aan de erfgrenzen, waar bij de aanleg een scheiding wordt aangelegd bestaande uit twee stroken met een aardenwal van 150 meter met struweel. Wij adviseren hiervoor een diversiteit aan inheemse soorten te gebruiken; bessen- notendragend, belangrijk voor insecten, stekels, wintergroen. Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 9 van 20
Daarnaast worden de huidig aanwezige bomen, bosschages, fruitbomen op de erven en erfgrenzen behouden. De perceelsgrenzen waar geen bomen of bosschage aanwezig is, worden voorzien van geschikte vegetatie. Het inrichtingsplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de projectecoloog. Geschikt leefgebied van huismus bevat behalve een geschikte broedplaats, ook struiken en bomen om te schuilen, ‘kwetterplaats’, voedsel binnen en buiten het broedseizoen (jonge vogels zijn afhankelijk van eiwitrijke insecten, buiten het broedseizoen zijn zetmeelhoudende zaden belangrijk als voedselbron) en water. De erven (voorbeeld zie figuur 9) waar momenteel huismussen zijn aangetroffen, vallen buiten het project en worden binnen het projectplan niet gewijzigd. Tenzij er grootschalige wijzigingen plaatsvinden, blijft het habitat van de vogelsoorten, waaronder huismus, ook in de toekomst in voldoende mate functioneel en wordt versterkt door het aan te leggen struweel en lage begroeiing.
Figuur 5: overzicht van het projectgebied (akkers) en overgang naar bebouwing met erven (blijven bestaan, aanleg scheidingswal met struweel)
Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 10 van 20
Figuur 6: overzicht van het projectgebied (akkers) en overgang naar bebouwing met erven (blijven bestaan)
Figuur 7: voorbeeld erf met (fruit)bomen (geschikt leefgebied vogels) en nestkast torenvalk (blijft bestaan en scheiding van grondwal en/of struweel)
Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 11 van 20
Figuur 8: fruitbomen met scheiding conifeerhaag op de achtergrond (blijft bestaan)
Figuur 9: Beukenhaag tussen erf en fruitbomen (blijven bestaan)
Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 12 van 20
Figuur 10: Indruk structuur erven aan de Baarloseweg. Voor huismussen – deels groenblijvende bosschages, bomen en struiken (insecten voor de jongen), kale stukken (zandbad), sloten (water).
Onderzoek broedvogels: Indien werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd, wordt voorafgaand een controle uitgevoerd op de aanwezigheid van in gebruik zijnde vogelnesten. Een functioneel nest (ook in aanbouw) is beschermd onder de Wnb en op en nabij die plaats kunnen dan niet eerder werkzaamheden worden verricht totdat de jonge vogels het nest hebben verlaten.
Torenvalk. Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek heeft middels de brief van 19-11-2020 met kenmerk Z2020-012594/D2020-258538 geëist dat verloren te gaan functioneel leefgebied moet worden gemitigeerd cq gecompenseerd. Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek heeft de vraag gesteld of functioneel leefgebied van torenvalk verloren gaat. Door het oppervlakteverlies van open terrein zal het foerageergebied van torenvalk inderdaad verminderen. Het plangebied is niet echt een ‘torenvalk’ gebied. Torenvalken jagen met name op woelmuizen, met name veldmuizen. Hiervoor zijn de percelen die voor de winter worden geploegd en ‘kaal’ blijven liggen, niet geschikt. Veldmuizen leven vooral in percelen grasland met -lage- vegetatie, akkerlanden met overwinterende stoppelgewassen. Daarnaast moeten de gebieden het hele jaar voldoende droog zijn zodat de verblijfplaatsen niet vollopen met water. In kwantitatieve zin gaat er een ruim oppervlak verloren. In kwalitatieve zin wordt het gebied als foerageergebied voor torenvalk, niet bijzonder waardevol beoordeeld, zie ook het veldverslag inspectie 17 maart 2021. De stroken langs de sloten zijn geschikt leefgebied voor woelmuizen en daarmee geschikt foerageergebied voor torenvalk. Binnen het projectgebied gaan deze groenstroken verloren. Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 13 van 20
Figuur 11: lengtes van de te dempen sloten
De lengte van de te dempen sloten bedraagt ongeveer 4.000 meter (vier lengtes van ca. 740 en twee lengtes van ca. 447 meter). Uitgaande van een talud van vier meter, is het oppervlak dat verdwijnt ongeveer 1,6 hectare. Eis van het bevoegd gezag is aan te geven hoe het verloren te gaande oppervlak wordt gecompenseerd. Normaal gesproken wordt het plangebied dusdanig ingericht dat dit – ook geschikt is voor veldmuizen en dus voor torenvalk. Het weren van muizen in de kassen is echter een belangrijk aspect van de bedrijfsvoering; voedselproductie. Het is derhalve ongewenst te mitigeren binnen het kassencomplex. Binnen het plangebied van de kassen is mitigatie en compensatie niet mogelijk. Enerzijds vanwege de kassen en anderzijds is de aanwezigheid van muizen ongewenst binnen voedselproducerende bedrijven. Dat betekent dat compensatie buiten het bedrijfsterrein moet plaatsvinden. Het projectgebied wordt aan de buitenzijde voorzien van groenstroken van 5 meter, langs de aan te leggen watergang langs de noordgrens van het plangebied vijf meter aan beide zijden. Ter plaatse van de aan te leggen waterbassins en waterpartijen worden eveneens groenstroken aangelegd. De lengte van de groenstroken wordt op grond van de lengtes (zie inrichtingsplan) geschat op 2,35 km. Uitgaande van een gemiddelde breedte van > 5 meter, bedraagt dit oppervlak ongeveer 1,2 hectare.
Daarnaast zijn er nog drie delen die voorzien zijn als grasland, waarvan de oppervlakte ongeveer 1,5 hectare bedraagt. De groenstroken en graslanden worden ingezaaid met bloem- en kruidenrijke vegetatie. Deze groene delen zullen naar verwachting worden gekoloniseerd door veldmuizen. De percelen in de omgeving die deel uitmaken van het leefgebied van torenvalk blijven voor zover bekend ongewijzigd en beschikbaar voor torenvalk. De oever en het maaipad langs de – gehele - Marknesservaart blijven ongewijzigd intact. Vanwege de te verwachten muizendichtheid – maar ook de beschikbaarheid van andere prooisoorten als jonge watervogels, amfibieën en grotere insecten in dit extensief beheerd Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 14 van 20
gebied, is met name dit deel van het gebied is een belangrijk foerageergebied voor torenvalk.
Figuur 12: inrichtingsplan met bassins, groenstroken, aarden wal (2x), te graven wateropvang en sloten, compensatiegebied (tevens als bijlage opgenomen)
Als aanvullende compensatie wordt een perceel van ongeveer een hectare ingericht als extensief beheerd kruidenrijk grasland en vruchtbomen. Op dit perceel worden langs de Vollenhoverweg vruchtbomen aangelegd om visuele barrière te creëren voor de bewoners aan de overzijde van de Vollenhoverweg. De bomen zijn tevens aantrekkelijk voor insecten, vogels en torenvalk als rust- uitkijkpunt. Het kruidenrijk grasland zal een verbetering voor de biodiversiteit betekenen en tevens geschikt foerageergebied voor torenvalk. Kwalitatief zal dit gebied waardevoller als foerageer gebied zijn dan het intensief gebruikte - en ’s winters kale - akkerland. Op het perceel wordt eveneens een nestkast voor torenvalk geplaatst. Het beheer van het bloem- en kruidenrijk grasland is gericht op selectief maaien. Hierdoor blijven hoog/laag-structuren in stand, kunnen zowel vroeg- als laatbloeiers voldoende zaad zetten, en blijft er in de winter vegetatie over waarin insecten en kleine zoogdieren kunnen overwinteren. De inrichting van het perceel én het beheer worden nader uitgewerkt en wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de projectecoloog. De omgeving van het huidige akkerland is overigens gelijkwaardig dan wel geschikter foerageergebied voor torenvalk. Dit blijft beschikbaar voor torenvalk en valt binnen het leefgebied van dit broedpaar.
Per saldo gaat hiermee geen oppervlak aan geschikt foerageergebied voor torenvalk verloren.
Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 15 van 20
Figuur 13: indruk van het projectgebied en de omgeving
Kleine marterachtigen Per 28 januari 2021 zijn in provincie Flevoland de kleine marterachtigen – bunzing, hermelijn, wezel – van de lijst met vrijstellingen gehaald. Dat betekent dat bij ruimtelijke ontwikkelingen een ontheffing nodig is indien het plangebied deel uitmaakt van functioneel leefgebied van kleine marterachtigen. Omdat deze diersoorten moeilijk zijn aan te tonen, zet provincie met name in op mitigatie in plaats van onderzoek. In de quick scan van Blom Ecologie B.V. is het gebied als ongeschikt beschouwd voor kleine marterachtigen. Ondanks dat binnen het plangebied geen vaste rust- en verblijfplaatsen zijn te verwachten, is het niet uitgesloten dat het plangebied deel uitmaakt van foerageerhabitat van deze dieren. Dan zal het met name gaan om de oevers en maaipaden langs de watergangen. Gezien de beperkte mate van geschiktheid, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied beschouwd. Vaste rust- en verblijfplaatsen zijn meer te verwachten op de boerenerven, boomgaarden, oever van Marknessertocht; deze locaties blijven ongewijzigd in stand. Een overtreding Wnb als gevolg van de ontwikkeling, zijn derhalve niet te verwachten. Om het biotoop na aanleg van de kassen aantrekkelijker te maken voor kleine marterachtigen, zijn de maatregelen die voor torenvalk zijn genomen ook gunstig.
Daarbij zullen op drie plaatsen voorzieningen worden getroffen die als verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen geschikt zijn. Twee van de voorzieningen worden aangelegd in de nabijheid van de poelen, een derde binnen het compensatiegebied van torenvalk. Een voorbeeld van een ‘marterhoop’ is navolgend weergegeven. Marters migreren binnen hun leefgebied via veilige zones bestaande uit begroeiing zoals bosschages, oevervegetatie, heggen. Op die manier kunnen ze zich ongezien voor predatoren, binnen hun leefgebied verplaatsen. Rondom het plangebied blijven de geschikte Ecologische beoordeling Baarloseweg te Luttelgeest (201939) Pagina 16 van 20
migratiestroken langs de Marknessertocht en de Baarloseweg in tact. De bomen, bosschages, heggen langs de erven blijven eveneens in tact. In geval er plaatsen zijn met onvoldoende dekking, worden hier - naar oordeel van de projectecoloog - maatregelen getroffen door lage struiken of een heg aan te leggen zodat dieren een ononderbroken migratieroute hebben. Daarnaast wordt geadviseerd op enkele plaatsen van vrijkomend snoeihout, takkenrillen aan te leggen. Op deze plaatsen kunnen kleine marters schuilen en het is bovendien een goede schuil- en nestplaats voor andere soorten. Dat kan binnen de contouren van de houtwal, bosschages, het compensatiegebied en op ‘verloren hoekjes’.