CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

10.3 Bestemmingsplan Ens fase 2 (22-04-26) vastgesteld

Gemeenteraad 29 juni 2026, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 10: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan "Ens, Oost fase 2"30.732 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “Ens, Oost fase 2” Vastgesteld vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Als aanvulling op het Stedelijk waterplan is in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke “Maatwerkovereenkomst stedelijk water” ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daardoor beter verankerd. Verdere actualisatie met het oog op onder andere de klimaatadaptatie is verwerkt in het gezamenlijk door het Waterschap Zuiderzeeland en gemeente Noordoostpolder opgesteld Watertakenplan Noordoostpolder 20192024. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater. In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats.

Het “gebiedseigen water” wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het Waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet.

6.3.4

Waterwet

De Waterwet (2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’ centraal. Één van de voornaamste veranderingen, naast invoering van de watervergunning, is de verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domain. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd.

6.3.5

Nationaal Waterprogramma

Het Nationaal Waterprogramma bestaat uit het landelijke en regionale waterbeleid, vastgesteld op basis van de Waterwet en de Wet Ruimtelijke Ordening. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en - beheer beschreven voor de periode 2022-2027. Het programma richt zich op schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Het programma geeft invulling aan de Europese richtlijnen waaronder de KRW, Richtlijn overstromingsrisico’s, de Kaderrichtlijn Mariene Strategie en de EU-richtlijn Marine Spatial Planning. Het programma geldt als structuurvisie voor de ruimtelijke aspecten.

6.3.6

Watervisie en waterbeheerprogramma 2022-2027 Waterschap Zuiderzeeland

De Watervisie verbindt waterthema’s en maatschappelijke opgaven. Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economische ontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan “Ens, Oost fase 2” Vastgesteld

6.4

Beschrijving van het watersysteem

6.4.1

Veiligheid/Waterkeringen

Het plangebied ligt niet buitendijks of in de beschermingszone van een (primaire) waterkering. Op basis van de ingevoerde gegevens over het plangebied zijn er geen uitgangspunten voor het thema veiligheid van toepassing.

6.4.2

Voldoende Water

Wateroverlast Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Het verharden van grond met bebouwing of bestrating leidt tot een versnelling van de afvoer van neerslag naar het watersysteem. Waar het verharde oppervlak als gevolg van een ruimtelijke ontwikkeling toeneemt, dienen compenserende maatregelen te worden genomen om piekafvoeren te verwerken. Afwenteling op omliggende gebieden wordt voorkomen en de bergingsruimte in het watersysteem blijft behouden. Het plangebied ligt in stedelijk gebied. Het verhard oppervlak neemt als gevolg van de ontwikkeling netto met circa 8.500 m2 toe ten opzichte van de huidige feitelijke situatie. Dit betreft nog een grove schatting. Deze toename is hoe dan ook groter dan 750 m2, waardoor watercompensatie noodzakelijk is. Voor het plangebied geldt op basis van het Waterkader van Waterschap Zuiderzeeland een compensatie van 5%. Voor elke m2 verharding dient 5% watercompensatie gerealiseerd te worden.

Deze bergingsnorm geldt alleen wanneer gecompenseerd wordt in open water. Voor alternatieve waterberging is de bergingsnorm niet toepasbaar. Met een maatwerkberekening moet worden aangetoond dat bij maatgevende gebeurtenissen (T100 situatie volgens nieuwste klimaatscenario) geen afwenteling (maximaal 1,5 l/(s.ha)) en/of inundatie zal plaatsvinden. De huidige afvoersituatie mag niet verslechteren. Hierover zal afstemming met het waterschap plaatsvinden vóór het indienen van de aanvraag om een watervergunning. In het stedenbouwkundigplan is rekening gehouden met de toekomstige waterbergingsopgave door het inpassen van een aantal wadi’s. Dit is weergegeven in afbeelding 6.1. Het plangebied bevindt zich momenteel in een lager peilvak dan de aangrenzende woonwijk ten zuiden van het plangebied. Daarom is op 19 februari 2023 met het waterschap gesproken over het verhogen van het streefpeil van fase 2 naar hetzelfde streefpeil als Ens fase 1 (peilgebied Ensertocht 1). Het hemelwater kan via het toekomstige ontwikkelgebied Ens Oost fase 3 worden verbonden met het bestaande peilgebied Ensertocht 1 (werk met werk maken). Ook voor dit gebied wordt namelijk het streefpeil verhoogd waardoor het peilgebied Ensertocht 1 wordt uitgebreid. Nadere uitwerking vindt plaats in overleg met het waterschap.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan “Ens, Oost fase 2” Vastgesteld

Afbeelding 6.1:

Beoogde wadi’s plangebied (Bron: gemeente Noordoostpolder)

Goed functionerend watersysteem Het watersysteem zorgt in normale situaties voor een goede doorstroming en afwatering in het beheergebied en maakt het realiseren van het (maatschappelijk) gewenste grond- en oppervlaktewaterwaterregime (GGOR) mogelijk. Waterschap Zuiderzeeland streeft er naar dat de feitelijke situatie van het watersysteem overeenkomt met de legger. Op die manier kan het waterschap weloverwogen anticiperen op en reageren in extreme situaties. Randvoorwaarden: Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met een minimum aantal duikers en/of andere kunstwerken en zonder doodlopende einden. Het watersysteem wordt dusdanig ingericht dat het goed controleerbaar en beheersbaar is. Uitsluitend aan de zijde van de Drietorensweg, daar waar de beoogd ontsluitingsweg is gepland, dient een bestaande erfsloot/greppel te worden overbrugd. Hiervoor wordt gewerkt met een duiker of soortgelijk kunstwerk.

6.4.3

Schoon water

Goede structuurdiversiteit en goede oppervlaktewaterkwaliteit In de huidige situatie is aan de randen van het plangebied oppervlaktewater aanwezig. Verder ziet het voornemen niet in de aanleg van nieuw oppervlaktewater. De chemische toestand van de bestaande wateren zijn geen belemmering voor het bestaande watersysteem, door de trits “schoon houden, scheiden, zuiveren” het uitgangspunt te laten zijn. Er worden geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt, waardoor alle verharde nieuw aan te leggen en te bouwen oppervlakken als relatief schoon kunnen worden aangemerkt. Waar dit mogelijk is, wordt het schone hemelwater opgevangen binnen het eigen projectgebied door het realiseren van groenvoorzieningen en wadi’s of andere waterbergende voorzieningen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan “Ens, Oost fase 2” Vastgesteld Goed omgaan met afvalwater Verontreiniging van het oppervlaktewater door vervuild hemelwater wordt voorkomen. Voor nieuw te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt geloosd, zonodig voorafgegaan door een lokale zuivering. Bij nieuwbouwgebieden (bijvoorbeeld woonwijk, industrieterrein) is de aanleg van een gescheiden rioolstelsel een voorwaarde. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het water. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Het Waterschap zuivert dit, door de gemeente ingezameld en afgevoerd, afvalwater op de afvalwaterzuiveringsinstallatie te Tollebeek. Door deze behandeling in de afvalwaterketen vindt in het plangebied zelf geen onoverkomelijke vuillast op het aanwezige oppervlaktewater plaats. Alle vrijkomende stedelijk afvalwater afkomstig van het plangebied wordt afgevoerd via de gemeentelijke riolering. Het bestaande rioleringsstelsel is voldoende gedimensioneerd om het vrijkomend afvalwater via het bestaande stelsel te kunnen afvoeren.

Verontreiniging van het oppervlaktewater door stedelijk afvalwater wordt daarmee voorkomen. Met het plan worden 78 parkeerplaatsen gerealiseerd. Op grond van beleid van het waterschap wordt hemelwater afkomstig van meer dan 50 parkeerplaatsen beschouwd als vervuild. De wijze van zuivering wordt afgestemd met het waterschap, vooruitlopend op de melding in het kader van het Besluit lozen buiten inrichtingen. Als de wadi voldoet aan voorwaarden van de Stichting Rioned kan deze worden ingezet als zuivering aanvullend op de functie van waterberging.

6.5

Conclusie

Gelet op het vorenstaande vormt het milieuaspect ‘water’ geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Bestemmingsplan “Ens, Oost fase 2” Vastgesteld

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1.

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.

7.2.2

Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingsregels); Overgangs- en slotregels.

Algemene regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1)

In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. •

Wijze van meten (Artikel 2)

Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. De op de verbeelding of in de regels aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen).

7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan;

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Bestemmingsplan “Ens, Oost fase 2” Vastgesteld • •

7.2.4

Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, etc.); Specifieke gebruiksregels: omschrijving van gebruiksactiviteiten die niet zijn toegestaan.

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

7.2.5

•

Anti-dubbeltelregel (Artikel 10) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage.

•

Algemene gebruiksregels (Artikel 11) Deze regel is opgenomen om aan te geven welk gebruik in elk geval strijdig is met de aan de grond gegeven bestemming;

•

Algemene aanduidingsregels (Artikel 12) In de algemene aanduidingsregels is een wetgevingzone opgenomen. De wetgevingzone heeft betrekking op bepaalde gebieden binnen het plangebied waar een wijzigingsbevoegdheid op van toepassing is. Het gaat in voorliggend geval om de ‘wetgevingzone – wijzigingsgebied’ die is opgenomen binnen de bestemming ‘Bos’. Ter plaatse van de gronden met de aanduiding ‘wetgevingszone – wijzigingsgebouw’ is een wijzigingsbevoegdheid van toepassing. Op basis van de opgenomen wijzigingsbevoegdheid kunnen Burgemeester en wethouders de bestemming ‘Bos’ wijzigen in de bestemming ‘Verkeer’. Hiermee zou in de toekomst een extra ontsluiting gerealiseerd kunnen worden op de Oostereind.

•

Algemene afwijkingsregels (Artikel 13) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken.

•

Overige regels (Artikel 14) In dit artikel is aangegeven dat de wettelijke regeling waarnaar in de regels van het plan wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Daarnaast zijn er regels opgenomen omtrent parkeren.

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Bestemmingsplan “Ens, Oost fase 2” Vastgesteld In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. Bos (Artikel 3) Gronden waar reeds bos of (hoog-)opgaande afschermende beplanting aanwezig is of gaat komen zijn de gronden voorzien van de bestemming ‘Bos’. De voor ‘Bos’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor bos, (hoog-)opgaande afschermende beplanting, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, ontsluitingswegen, voet-, rijwiel- en ruiterpaden. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. De maximale bouwhoogte voor speelvoorzieningen bedraagt niet meer dan 4 meter. Voor alle overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt een maximale bouwhoogte van 2,5 meter. Groen (Artikel 4) Daar waar binnen het plangebied groen is beoogd maar geen sprake is van bos op slechts incidenteel sprake is van opgaande en afschermende beplanting, zijn de gronden voorzien van de bestemming ‘Groen’. Het gaat hierbij met name om de delen tussen de bebouwingsclusters. De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, kunstwerken, nutsvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen en wadi’s, voet- en fietspaden en parkeerplaatsen.

Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. In de bouwregels zijn regels opgenomen ten aanzien van de maximale bouwhoogte voor speelvoorzieningen, kunstwerken, lichtmasten en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Maatschappelijk (Artikel 5) De gronden ter plaatse van het beoogde kleinschalige gezondheidscentrum zijn voorzien van de bestemming ‘Maatschappelijk’. De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.

c.

maximaal 26 zorgwoningen; eerstelijnszorgvoorzieningen, uitsluitend in de vorm van: a. een huisartsenpraktijk met maximaal twee behandelkamers; b. een fysiotherapiepraktijk met maximaal één behandelkamer; een sportschool.

In de bouwregels is een onderscheid gemaakt in bouwregels voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Gebouwen zijn uitsluitend binnen een bouwvlak toegestaan. Met de bouwaanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ is de maximaal toegestane bouwhoogte vastgelegd op de verbeelding. Voor een sportschool geldt dat het brutovloeroppervlak niet meer mag bedragen dan 300 m2. Tuin (Artikel 6) De voortuinen ter plaatse van de beoogde rijwoningen zijn voorzien van de bestemming ‘Tuin’. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. In de bouwregels zijn regels opgenomen ten aanzien van de maximale bouwhoogte voor licht- en vlaggenmasten en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Bestemmingsplan “Ens, Oost fase 2” Vastgesteld Verkeer (Artikel 7) De belangrijkste infrastructuur binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming ‘Verkeer’. De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor wegen en straten, voet- en rijwielpaden en kunstwerken. Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd. Hiervoor zijn bouwregels opgenomen. Wonen (Artikel 8) De gronden ter plaatse van de beoogde woningen zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor wonen in woningen, waarbij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - tiny houses' de gronden tevens zijn bestemd voor het wonen in tiny houses. In de bouwregels is onderscheid gemaakt in bouwregels voor hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hierna wordt ingaan op de belangrijkste bouwregels. Voor alle bouwregels wordt verwezen naar de regels behorend bij het voorliggende bestemmingsplan. In de bouwregels is aangegeven dat als hoofdgebouwen uitsluitend woonhuizen mogen worden gebouwd. Woonhuizen worden vrijstaand, twee aaneen of in een rij van niet minder dan 3 gebouwd, met dien verstande dat; • •

ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' woonhuizen uitsluitend in een rij aaneen gebouwd mogen worden tot een aantal van niet minder dan 3; ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - tiny houses' tevens tiny houses gebouwd mogen worden;

Door middel van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is per bouwvlak aangegeven hoeveel woningen zijn toegestaan. De maximaal toegestane goot- en bouwhoogte zijn met maatvoering aanduidingen vastgelegd op de verbeelding. De afstand van de vrijstaande zijgevel tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder bedragen dan 2 m. In afwijking van het vorenstaande mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding afwijkende maatvoering' de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens minder dan 3 meter bedragen. De dakhelling mag niet minder dan 25° en niet meer dan 60° bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - tiny houses' tevens een plat dak is toegestaan. Waarde – Archeologische verwachtingswaarde WA8 (Artikel 9) De voor 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde WA8' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische verwachtingswaarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Bestemmingsplan “Ens, Oost fase 2” Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. Het eigendom van gronden in het plangebied is in gemeentelijke handen en om die reden kan worden afgezien van vaststelling van een exploitatieplan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

Bestemmingsplan “Ens, Oost fase 2” Vastgesteld

HOOFDSTUK 9 9.1

Vooroverleg

9.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG, INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

9.1.2

Provincie Flevoland

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro is voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Flevoland. De provincie heeft aangegeven geen aanleiding te hebben tot het maken van opmerkingen. De provincie stemt in met voorliggend bestemmingsplan.

9.1.3

Waterschap Zuiderzeeland

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro is voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan waterschap Zuiderzeeland. Het waterschap heeft een inhoudelijke reactie gegeven op de waterparagraaf. Na aanleiding van de reactie is de waterschap zijn tekstuele aanpassingen doorgevoerd. Verder heeft op 19 januari 2023 overleg met het waterschap plaatsgevonden. Hierin zijn vanuit het waterschap nog enkele aandachtspunten aangegeven die meegenomen worden in de verdere waterhuishoudkundige uitwerking van de voorliggende ontwikkeling.

9.2

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 30 maart 2023 tot en met 10 mei 2023 voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn wat voor eenieder de gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken. Hier is gebruik van gemaakt. De zienswijzen en beantwoording hiervan zijn opgenomen in de in bijlage 9 opgenomen zienswijzennota. De ingediende zienswijzen geven geen aanleiding om voorliggend bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

Bestemmingsplan “Ens, Oost fase 2” Vastgesteld

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1

Beeldkwaliteitsplan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

Beeldkwaliteitsparagraaf Aanleiding De Noordoostpolder is in vanaf de Tweede Wereldoorlog tot stand gekomen als een totaalontwerp. In dit ontwerp waren civiele techniek, landschap, stedenbouw, architectuur, economie en maatschappij zeer sterk geïntegreerd. Hierdoor hangt alles met alles samen. Bij het ontwerpen van de Noordoostpolder had men een overzichtelijke wereld voor ogen met een zekere beslotenheid en beschutting. De menselijke maat was daarbij de norm. Het oorspronkelijke ontwerp kenmerkt zich door het streven naar eenheid in verscheidenheid. Het totaalontwerp, de architectonische samenhang en de menselijke maat zijn unieke kwaliteiten van deze polder. Dit is te meer van belang voor de identiteit en de herkenbaarheid juist omdat de Noordoostpolder – met uitzondering van Schokland - niet kan terugvallen op eeuwenoude historie met bijbehorende monumenten en herkenningspunten. De gemeente zet zich daarom in om – naast ruimte te bieden aan nieuwe initiatieven verrommeling, versnippering en het onherkenbaar maken van ruimtelijke opzet en karakteristiek te voorkomen. Alleen op deze manier blijven de economische waarde, de ecologische waarde en de belevingswaarde voor de toekomst op het gewenste peil. Een van de manieren om de eenheid, en daarmee herkenbaarheid en waardering van de Noordoostpolder te bewaren, is sturen op beeldkwaliteit.

De gemeente stelt daarom beeldkwaliteiteisen aan nieuwe ontwikkelingen, uitbreidingen en verbouwingen. Identiteit als basis voor ontwikkeling: DNA Gemeente Noordoostpolder en woningcorporatie Mercatus hebben in 2012 het initiatief genomen om onderzoek te doen naar de (historische) waarden van de Noordoostpolder. We noemen deze waarden - die zich toespitsen op het landschap, de stedenbouw en de architectuur - het DNA. Van Emmeloord en van elk dorp is het DNA, ofwel de unieke eigenschappen, bepaald. Per kern is aan de hand van het oorspronkelijke ontwerp en de historische ontwikkeling in kaart gebracht waar de Delftse school stedenbouw en architectuur is terug te vinden en welke identiteit en kwaliteit deze met zich meebrengen. De kernen blijken familietrekken te vertonen, maar zijn stuk voor stuk uniek. De kennis over en waardering van de stedenbouw en architectuur van de Delftse School bieden kansen voor de toekomst. De foto’s en beschrijving van alle unieke karaktertrekken van elk dorp geven gemeente en corporaties een handreiking hoe te sturen op met toekomstige ontwikkelingen en geven bewoners en ondernemers, ontwikkelaars en architecten een richting om in te spelen op deze bijzondere context.

Elf kenmerken van de polderdorpen 1. Ligging aan de dorpenring 2. Ligging aan de poldervaart, aanwezigheid loswal 3. Bedrijven aan de rand en aan het water 4. Vanaf de brink of vanuit de openbare ruimte vizier op het omringende landschap 5. Een groene mantel : brede bosstrook 6. De groene polderstraat 7. De brink: een groen dorpsplein (hart) met voorzieningen 8. Drie kerken rond de brink 9. Drie scholen in de buurt 10. Delfts Rood: (met uitzondering van Nagele) Delftse School architectuur rode baksteen en oranjerode pannen 11. Elk dorp ontworpen onder supervisie van de Directie van de Wieringermeer

Veel van de beeldkwaliteitscriteria voor Ens fase 2 zijn terug te voeren op het DNA. Dit DNA is dan ook goed te benutten als achtergrondinformatie bij de criteria.

Plantoelichting De criteria voor ver-/nieuwbouw zijn ingedeeld naar criteria voor context, hoofdvorm, plaatsing, vormgeving en detail/kleur/materiaal.

1. Context De polder vormt de grotere context. De dijk is in 1942 gesloten, waarna de polder kon droogvallen. Met uitzondering van Schokland is er geen bebouwing van voor 1942. De architectuur in Ens kenmerkt zich dan ook als naoorlogs, met de stijlkenmerken die daar bij horen. Aanvankelijk waren dat de Delftse School of juist Het Nieuwe Bouwen (denk aan Nagele) en vormen van prefabbouw. Architectuur die teruggrijpt naar oudere bouwstijlen waaronder Classisisme, Barok, Renaissance of Gotiek past daarmee niet binnen de context van de polder.

In de kerkenbouw is hier en daar teruggegrepen naar met name Romaanse kenmerken. Hier is evenwel sprake van een sobere op de situatie afgestemde neo-versie van de op zichzelf al sobere Romaanse bouwstijl.

Het plangebied ligt op het voormalige derde voetbalveld in het dorpsbos van Ens. Het ligt in de oorspronkelijke eerste opzet van het dorp. De het initiatief voor een woonzorgvoorziening is aanleiding voor het plan. Uit meerdere locaties heeft het dorp middels een enquete deze gekozen. Een korte afstand tot de voorzieningen in het dorp was een van de wensen. De ontsluiting vor alle verkeer ligt idealiter aan het Oostereind. Op dit moment is dit nog een provinciale weg. Dit maakt een aansluiting nu nog niet opportuun. Vroeg of laat zal dit veranderen. In de tussentijd is de ontsluiting voor alle verkeer via de Drietorensweg. Voor voetgangers is er het pad langs de sportvelden. Er is de wens dit pad te verbreden en van verlichting te voorzien.

2. Opbouw plan Het plan bestaat uit vier delen: het Groene Plein, het Stift (de woonzorgvoorziening), de Laantjes, de Huisjes. Het Groene Plein Het Groene Plein is ontstaan als gevolg door de zonering rond het voetbalveld, waardoor een deel van het plangebied niet kan worden bebouwd. Van deze situatie is geprofiteerd door het te bebouwen deel autovrij te maken. Dit zal des te meer gelden als op de iets langere termijn het plein direct wordt ontsloten vanaf het Oostereind. Alle woningen zijn ontsloten vanaf het plein. Op het plein vindt al het parkeren plaats. De hoeveelheid verharding is beperkt tot het minimum dat mogelijk is bij de geldende parkeernormen en een efficiente inrichting. Bomen en hagen binnen het verharde vlak en de groene randen zorgen ervoor dat het plein kwaliteit heeft. Het Stift (met woonzorgvoorziening) Het Stift vormt een compact bouwblok op de hoek bij de rotonde. ’s Zomers gaat het vanaf de doorgaande wegen schuil achter een groensingel. ’s Winters is zichtbaar door de kale boomkronen heen. Het Stift herbergt meerdere (publieke) functies: woonzorgvoorziening, aanleunwoningen, huisartsenpraktijk, kinderopvang, etc. Het heeft een binnentuin waar meerdere doelgroepen hun plek hebben. Het complex heeft meerdere entrees. Hoewel het bouwblok een alzijdige oriëntatie heeft, presenteert het zich vooral aan de pleinzijde. De “hoofdentree” ligt aan het Plein.

De Laantjes

Het gaat hier om rijwoningen met een voortuin en een achtertuin. Kenmerkend is dat de kopgevels aan het Groene Plein veel aandacht krijgen. Deze zijn gecomponeerd als een tweede voorgevel en er bevinden zich hier meerdere gevelopeningen. De erfafscheidingen aan kopse kanten worden meeontworpen, zodanig dat er voldoende privacy in de achtertuinen is gewaarborgd en bewoners niet de behoefte voelen zelf te voorzien in (aanvullende) afscherming.

De Huisjes Hier is een rij vrijstaande kleine starterswoningen voorzien. De woningen hebben een kleine buitenruimte voor het huis, gemarkeerd door een duidelijk afscheiding tussen openbaar en privéterrein door middel van een bouwkundige of groene afscheiding met een maximum hoogte van 1m.

3. Beeldkwaliteitscriteria 3.1 Massawerking/ hoofdvorm • • • • •

Er is sprake van een eenvoudige opzet met een enkelvoudige bouwmassa: een heldere hoofdvorm; Alle woningen zijn voorzien van een kap. De woonzorgvoorziening kan worden voorzien van een kap. Dit is echter niet verplicht. De dakhelling ligt tussen 25 en 50 graden. Toevoegingen zoals erkers, dakkapellen, aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan de hoofdmassa. Er is een duidelijke afstemming in vormentaal en materiaalgebruik tussen het Stift en de Laantjes.

3.2 Gevels De gevelcomposities kenmerken zich door een groot contrast tussen grote en kleine ramen. Alle ramen liggen los in de gevelcompositie. Raampartijen worden niet samengetrokken. De entrees krijgen extra nadruk.

Het Stift presenteert zich als één doorgaand bouwblok in tegenstelling tot een samengesteld blok dat door traphuizen bij elkaar getrokken. De “hoofdentree” ligt aan het Plein. De kopgevels van de rijwoningen van de Laantjes aan het Plein krijgen veel aandacht. Deze zijn gecomponeerd als een tweede voorgevel en er bevinden zich hier meerdere gevelopeningen.

De Huisjes worden gekozen uit het bestaande aanbod van prefab-wooneenheden. Er ontstaat samenhang met de rest van het plangebied doordat het te kiezen type is voorzien van een kap. De daken zijn zodanig ontworpen dat er rekening wordt gehouden met de toevoeging van zonnepanelen. Zonnepanelen moeten zodanig kunnen worden gelegd dat er zondfer uitzondfering een aaneengeloten vlak kan worden gelegd. De plaats van dakdoorvoeren, dakramen en dakkapellen is hier op aangepast.

3.3 Materialisering • • • • •

Materialen die zijn toegestaan in de gevels zijn: metselwerk of hout. Materialen die zijn toegestaan voor de daken zijn: pannen, zink, riet. Zonnepanelen zijn zodanig gepositioneerd dat ze integraal onderdeel zijn van de architectuur; Ramen en kozijnen: hout, aluminium. Vanuit de openbare ruimte zichtbare bijgebouwen hebben een gelijke materialisering aan het hoofdgebouw ofwel een zeer onopvallend materiaal- en kleurgebruik.

3.4 Kleurgebruik Gevelmaterialen • Baksteen: rood, bruin, oranje, paars, antraciet. • Hout: materiaaleigen kleuren (onbewerkt), transparant gelakt, zwart, donkergroen ofblauw, (gebroken) wit Dakbedekking • Materiaaleigen kleuren (riet, zink, hout) • Pannen: oranjerood, grijs, zwart, geglazuurd blauw of groen. • Kleur dakbedekking is afgestemd op de kleur van de zonnepanelen of andersom. Het kleurgebruik is zodanifg dat het dakvlak als een geheel wordt ervaren. Ramen en kozijnen: • Hout: wit, donkergroen, materiaaleigen kleur • Aluminium: zwart, antraciet • Staal: zwart, materiaaleigen kleuren Bijgebouwen: bij voorkeur als familie van hoofdgebouw (dus materiaalgebruik conform hoofdgebouw) of zeer terughoudend, gedekt, onopvallend.

3.5

Detaillering

Aansluiting bij jaren ’50 kenmerken oorspronkelijke bebouwing: minimalistisch en binnen de compositie expressief.

3.6 Aan- en bijgebouwen (inclusief carports) Algemeen • Aanbouwen en bijgebouwen zijn passend in de context en/of straatbeeld • Aanbouwen en bijgebouwen sluiten aan op de architectuurstijl van het hoofdgebouw of zijn onopvallend. • Eén vormgevingsprincipe per aanbouw en bijgebouw toepassen • Aanbouwen en bijgebouwen zijn noch dominant noch gelijkwaardig ten opzichte van het hoofdgebouw Plaatsing • Bij zijkantsituaties geldt: Aanbouwen en bijgebouwen staan ten minste 3 meter achter de voorgevelrooilijn of staan ten minste 1 meter achter de voorgevelrooilijn, mits materiaalgebruik en kleurstelling gelijk zijn aan het hoofdgebouw Materiaal, kleur en detaillering • Overwegend baksteen, hout, glas en staal waarbij samenhang in materiaal en kleur vooropstaat, kleine nuanceverschillen zijn toegestaan

4. Erfafscheidingen Het initiatief tot een erfafscheiding komt voort uit de behoefte een scheiding aan te brengen tussen privé en openbaar gebied, privacy of gebruiksgemak. of meer privacy. Wanneer erfafscheidingen en/of bouwwerken grenzen aan de openbare ruimte zijn ze van grote invloed op het beeld en de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Een nette, aantrekkelijke en kwalitatieve woon-en leefomgeving is een publiek belang. De gemeente geeft de voorkeur aan groene erfafscheidingen – hagen en andere beplantingen- en streeft er in ieder geval naar een rommelige indruk door een te grote verscheidenheid aan erfafscheidingen te voorkomen. Algemeen • Erfafscheidingen zijn passend in de context en/of straatbeeld

• •

Erfafscheidingen zijn uniform en kennen één vormgevingsprincipe per afscheiding toepassen Erfafscheidingen sluiten zoveel mogelijk aan op de erfafscheidingen van naastgelegen percelen Plaatsing erfafscheiding • Op een eigen erf of perceel en op of tegen de grens van het naburig erf op perceel • Ter plaatse van voorgevel en zijkantsituaties geldt: o minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn; o constructieve onderdelen, bijv. houten palen, aan de zijde van de woning plaatsen i.p.v. de openbare zijde Materiaal, kleur en detaillering • Groen (hagen, klimop, etc.), hout, staal • Terughoudende, natuurlijke kleuren gebruiken Maatvoering erfafscheiding • Hoogte standaard maximaal 1 m • Vanaf minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn is maximaal 2 m toegestaan mits voldaan wordt aan de bovenstaande criteria

Bestemmingsplan “Ens, Oost fase 2” Vastgesteld

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Ens fase 2, Ens

Juni 2022

Status: Definitief

AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI ENS FASE 2, ENS

Status: Datum: Projectnummer:

Definitief Juni 2022 2022-155

INHOUDSOPGAVE Hoofdstuk 1 Inleiding ....................................................................................................... 4 Hoofdstuk 2 Wettelijk kader ............................................................................................ 5 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5

Algemeen ............................................................................................................................................... 5 Zone langs wegen .................................................................................................................................. 5 Grenswaarden ....................................................................................................................................... 5 Berekenen geluidsbelasting ................................................................................................................... 6 Gemeentelijk geluidsbeleid ................................................................................................................... 6

Hoofdstuk 3 Uitgangspunten ........................................................................................... 7 3.1 3.2

Situatie projectgebied ........................................................................................................................... 7 Verkeersgegevens.................................................................................................................................. 8

Hoofdstuk 4 Resultaten ................................................................................................... 9 4.1 4.2 4.3 4.4

Berekeningen ......................................................................................................................................... 9 Geluidsbelasting .................................................................................................................................... 9 Hogere waarde .................................................................................................................................... 10 Maatregelen reductie geluidbelasting ................................................................................................. 10

Hoofdstuk 5 Conclusie ................................................................................................... 12 Bijlagen

.................................................................................................................. 13

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Rekenmodellen ........................................................................................................................... 13 Itemeigenschappen..................................................................................................................... 14 Resultatentabellen ...................................................................................................................... 15

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

3

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ens fase 2, Ens Definitief

HOOFDSTUK 1

INLEIDING

Voorliggend Akoestisch onderzoek heeft betrekking op de onbebouwde gronden op de hoek van de Drietorensweg en het Oostereind in de kern Ens (hierna: projectgebied). De gemeente Noordoostpolder is voornemens om ter plaatse een kleinschalig gezondheidscentrum en woningen te realiseren. Concreet gaat het voornemen uit van het realiseren van: • • •

11 tiny houses; 18 grondgebonden rijwoningen; een kleinschalig gezondheidscentrum met ruimte voor; o een huisartsenpraktijk; o een kinderopvang; o zorggroep Oude en Nieuwe Land; o een fysio; o een sportschool; o 16 woonzorgstudio’s o 8 woonzorgappartementen

De ligging van het projectgebied ten opzichte van de kern Ens en de directe omgeving wordt weergegeven in afbeelding 1.1.

Afbeelding 1.1:

Ligging van het projectgebied (Bron: PDOK)

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient een ruimtelijke procedure te worden doorlopen. In het kader van deze procedure is het benodigd de geluidbelasting ter plaatse van de te realiseren woningen en het gezondheidscentrum te toetsen aan het stelsel van voorkeurswaarde en maximale ontheffingswaarden uit de Wet geluidhinder. Voorliggend onderzoek heeft uitsluitend betrekking op het aspect wegverkeerslawaai. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de regels van het vigerende Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. In voorliggende rapportage zijn de uitgangspunten rekenresultaten en conclusies van het onderzoek beschreven.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

4

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ens fase 2, Ens Definitief

HOOFDSTUK 2 2.1

WETTELIJK KADER

Algemeen

Artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) bepaalt dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, wijzigingsplan, uitwerkingsplan of bij het voorbereiden van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijking akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Doel van dit onderzoek is de geluidsbelasting aan de gevel van een geluidsgevoelig object als gevolg van de weg te bepalen. Onderzoek is enkel noodzakelijk indien een geluidsgevoelige bestemming zich binnen de wettelijke geluidszone van een weg bevindt. In de volgende paragraaf wordt nader ingegaan op de wettelijke geluidszone van wegen.

2.2

Zone langs wegen

Artikel 74.1 van de Wgh bepaalt dat wegen een wettelijke geluidszone hebben. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of de weg in stedelijk of in buiten stedelijk gebied is gelegen. In tabel 1 worden de wettelijke geluidszones weergegeven. Aantal rijstroken 1 of 2 3 of 4 5 of meer Tabel 1

Stedelijk gebied 200 m 350 m 350 m

Buiten stedelijk gebied 250 m 400 m 600 m

Wettelijke geluidszones wegen (Bron: wetten.overheid.nl).

De wettelijke geluidszone bevindt zich aan weerszijde van de weg en begint naast de buitenste rijstrook. Eventuele parkeerstroken, voet- en fietspaden en vluchtstroken behoren niet tot de weg. Binnen de zone van een weg dient akoestisch onderzoek plaats te vinden naar de geluidsbelasting op de binnen de zone gelegen woning(en). Bij het berekenen van de geluidsbelasting wordt de Lden-waarde in dB bepaald. De Lden-waarde is het energetisch en naar tijdsduur van de beoordelingsperiode gemiddelde van de volgende waarden: • • •

Het geluidsniveau in de dagperiode (tussen 7.00 en 19.00 uur); Het geluidsniveau in de avondperiode (tussen 19.00 en 23.00 uur) + 5 dB; Het geluidsniveau in de nachtperiode (tussen 23.00 en 7.00 uur) + 10 dB.

De berekende geluidsbelasting dient aan de voorkeurswaarde en indien nodig aan de uiterste grenswaarde van de Wgh worden getoetst. Op basis van artikel 74.2 van de Wgh gelden de in tabel 1 opgenomen zones niet voor: • •

Wegen die als woonerf zijn aangeduid; Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur.

Het feit dat er voor de hiervoor genoemde gevallen geen wettelijke geluidszone geldt, betekent niet dat een akoestisch onderzoek automatisch niet benodigd is. Indien vooraf aangenomen kan worden dat niet aan de voorkeurswaarde van 48 dB kan worden voldaan, dient een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden. De geluidsbelasting van de weg kan hierdoor meegenomen worden in de belangenafweging in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’.

2.3

Grenswaarden

In de Wgh worden eisen gesteld aan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting op gevels van nog niet geprojecteerde woningen of gebouwen die binnen de geluidszone van een weg liggen. Met niet geprojecteerde woningen of gebouwen worden bedoeld:

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

5

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ens fase 2, Ens Definitief ‘woningen of gebouwen waarvoor het geldende bestemmingsplan verlening van de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet toelaat’. De voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting door wegverkeer bedraagt 48 dB. Bij een hogere geluidsbelasting kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. Voor een hogere waarde geldt een maximum, afhankelijk van de ligging van een geluidsgevoelig object. In tabel 2 is de hoogst mogelijke grenswaarde voor woningen als gevolg van wegverkeerslawaai weergegeven. Locatie woning Stedelijk gebied Buitenstedelijk gebied Tabel 2

Hoogst mogelijke waarde wegverkeerslawaai 63 dB (art. 83 lid 2 Wgh) 53 dB (art. 83 lid 1 Wgh)

Hoogst mogelijke grenswaarde wegverkeerslawaai (Bron: wetten.overheid.nl)

Het vaststellen van een hogere waarde is enkel mogelijk indien maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren op bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Hierbij moet afgewogen worden of de cumulatieve geluidsbelasting (het totaal van de geluidsbelasting van alle wegen gezamenlijk) niet leidt tot een onaanvaardbare geluidsbelasting. Bij het vaststellen van een hogere waarde moet bij de bouwvergunningsaanvraag aangetoond worden dat aan de gestelde geluidseisen (binnenwaarde in de geluidgevoelige ruimten 33 dB) wordt voldaan.

2.4

Berekenen geluidsbelasting

De geluidsbelasting moet per weg afzonderlijk berekend worden en aan de voorkeurswaarde getoetst worden. Voordat de geluidsbelasting aan de voorkeurswaarde van 48 dB getoetst wordt, mag de berekende geluidsbelasting op basis van artikel 110g van de Wgh, aangevuld met artikel 3.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, worden verminderd. Reden hiervoor is de verwachting dat de geluidsproductie van motorvoertuigen steeds verder af zal nemen. De geluidsbelasting mag in de volgende situaties worden verminderd met: •

5 dB voor wegen met een maximumsnelheid tot 70 km/uur;

Voor wegen met een maximumsnelheid van 70 km/uur of meer mag de geluidsbelasting worden verminderd met: • • •

4 dB indien de geluidsbelasting zonder reductie 57 dB bedraagt; 3 dB indien de geluidsbelasting zonder reductie 56 dB bedraagt; 2 dB voor overige geluidsbelasting.

Uit uitspraak 201304862/3/R2 van de Raad van State blijkt dat het voor wegen met een snelheidsregime van 30 km/uur eveneens is toegestaan de geluidsbelasting met 5 dB te verminderen. Bij lagere snelheden wordt de geluidsemissie voornamelijk door motorgeluid veroorzaakt, bandengeluid speelt een minder grote rol. Toekomstige geluidsreductie is in de toekomst voornamelijk te verwachten door het gebruik van stillere motoren. De aftrek van 5 dB kan daardoor ook toegepast worden bij snelheden van 30 km/uur of minder.

2.5

Gemeentelijk geluidsbeleid

De gemeente Noordoostpolder beschikt niet over een eigen geluidsbeleid voor wegverkeerslawaai en volgt hierin de Wet geluidhinder.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

6

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ens fase 2, Ens Definitief

HOOFDSTUK 3 3.1

UITGANGSPUNTEN

Situatie projectgebied

Het voornemen is om ter plaatse van het projectgebied een gezondheidscentrum met o.a. 24 wooneenheden, 18 rijwoningen en 11 tiny houses te realiseren. Het ontwerp is nog niet definitief, daarom is het onderzoek uitgevoerd aan de hand van de volgende uitgangspunten: • • •

Het gezondheidscentrum bestaat uit maximaal vier bouwlagen met een hoogte van circa 14 meter; De rijwoningen bestaan uit twee bouwlagen met een kap met een hoogte van circa 9 meter; De tiny houses bestaan uit één bouwlaag met kap met een hoogte van circa 6 meter.

In afbeelding 3.1 is de gewenste bekaveling weergegeven met de nummering die is aangehouden in voorliggend onderzoek.

11 tiny houses met de nummering van links naar rechts.

18 Rijwoningen, met de nummering 1 t/m 4, 5 t/m 9, 10 t/m 13 en 14 t/m 18.

Afbeelding 3.1

Gezondheidscentrum met in totaal 24 wooneenheden op de bouwlagen 2,3 en 4.

Verkavelingsplan Ens fase 2 (Bron: Initiatiefnemer, bewerkt door BJZ.nu)

Het projectgebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van het Oostereind, de Drietorensweg en de Zuiderringweg. Deze wegen hebben een snelheidsregime van achtereenvolgens 50 km/uur, 60 km/uur en 80 km/uur. Het feit dat enkel voor de boven genoemde wegen een wettelijke geluidszone een wettelijke geluidszone geldt, betekent niet dat er geen andere wegen zijn die mogelijk getoetst moeten worden. De andere omliggende wegen liggen op een dusdanige afstand dat er geen relevante geluidbelasting van deze wegen te verwachten is. In onderstaande tabel is weergegeven welke uitgangspunten voor het rekenmodel zijn gehanteerd. Locatie projectgebied Hoogst mogelijke waarde wegverkeerslawaai Wgh van toepassing Reductie geluidsbelasting Oostereind/Drietorensweg Reductie geluidbelasting Zuiderringweg Tabel 3

Binnenstedelijk gebied 63 Ja 5 dB 2 dB

Uitgangspunten Akoestisch onderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

7

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ens fase 2, Ens Definitief

3.2

Verkeersgegevens

De verkeersintensiteiten zijn aangeleverd door de gemeente Noordoostpolder en zijn afkomstig uit het verkeersmodel voor het jaar 2040. Als worst-case scenario zijn ook deze gegevens aangehouden. De verkeersintensiteit van de Drietorensweg is met 80 voertuigen laag. Voor de Drietorensweg is dan ook de intensiteit aangehouden die is gebruikt in het akoestisch onderzoek 1 t.b.v. het bestemmingsplan ‘Ens Oost, fase 1’. Wat betreft de voertuigverdelingen is aangesloten bij hetzelfde akoestisch onderzoek. De ingevoerde gegevens zijn weergegeven in tabel 4. Weg- en verkeersgegevens Etmaalintensiteit 2040 weekdag (prognose) Uurintensiteit dag/avond/nacht (%) Lichte motorvoertuigen (%) Middelzware vrachtwagens (%) Zware vrachtwagens (%) Wettelijke rijsnelheid (km/uur) Wegdektype Tabel 4

Oostereind

Drietorensweg

Zuiderringweg

7100

1164

7100

6,59/2,76/1,24

6,92/2,75/0,75

6,59/2,76/1,24

86,3/92,8/89

83,15/95,83/88,46

86,3/92,8/89

9,8/5,4/7,7

7,73/0/3,85

9,8/5,4/7,7

3,9/1,9/3,3

9,12/4,17/7,69

3,9/1,9/3,3

50

60

80

Referentiewegdek

Referentiewegdek

Referentiewegdek

Weg- en verkeergegevens relevante wegen

1 https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0171.BP00651-VS01/b_NL.IMRO.0171.BP00651-VS01_tb2.pdf

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

8

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ens fase 2, Ens Definitief

HOOFDSTUK 4 4.1

RESULTATEN

Berekeningen

De overdrachtsberekening voor de wegen is uitgevoerd overeenkomstig Standaard Reken Methode 2 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Bij de berekening is uitgegaan van een standaard bodemfactor van 0,0 (akoestisch hard). In het model zijn de volgende zaken opgenomen: • • • • •

4.2

Wegen met intensiteiten; gebouwen inclusief hoogte; zachte bodemgebieden; Indicatieve woonblokken afgeleid van het verkavelingsplan; toetspunten bij het Gezondheidsgebouw op 2, 5, 8 en 11 meter hoogte en toetspunten bij de rijwoningen/tiny houses op 1,5 meter, 4,5 meter en 7,5 meter.

Geluidsbelasting

Om de geluidbelasting van de in 3.1 genoemde wegen te bereken op de te realiseren wooneenheden, zijn er in totaal 90 toetspunten ingetekend ter plaatse van de relevante gevels. In afbeelding 4.1 zijn de 90 toetspunten weergegeven. In bijlage 1 zijn de uitsneden met de toetspunten weergegeven en is het overzicht van het rekenmodel weergegeven. In bijlage 2 zijn de itemeigenschappen van het rekenmodel weergegeven.

Afbeelding 4.1

Toetspunten projectgebied (Bron: BJZ.nu)

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

9

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ens fase 2, Ens Definitief De geluidbelasting ten gevolge van het Oostereind bedraagt hoogstens 55 dB ter plaatse van de zuidgevels van het gezondheidsgebouw (Toetspunt 1 t/m 5). Met deze waarde wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wgh, maar wel aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. De geluidbelasting ten gevolge van de Drietorensweg bedraagt hoogstens 49 dB ter plaatse van de oostgevel van tiny house 11, rijwoning 9 en rijwoning 17. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wgh, maar wel aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Voor de overige woningen wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB. De geluidbelasting ten gevolge van de Zuiderringweg bedraagt hoogstens 55 dB ter plaatse van de zuidgevel van het gezondheidsgebouw (Toetspunt 5). Met deze waarde wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wgh, maar wel aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB. De cumulatieve geluidbelasting, exclusief reductie, bedraagt hoogstens 62 dB ter plaatse van de zuidgevel van het gezondheidsgebouw (Toetspunt 3, 4 en 5). De resultaten en uitsneden van de resultaten zijn weergegeven in bijlage 3.

4.3

Hogere waarde

Een hogere waarde als gevolg van wegverkeerslawaai afkomstig van de zowel de Zuiderringweg, de Drietorensweg als het Oostereind is in voorliggend geval. Afwijken van de voorkeurswaarde is alleen mogelijk als bron- en overdrachtsmaatregelen kunnen rekenen op bezwaren van financiële, stedenbouwkundige, verkeerskundige of landschappelijke aard en een binnenniveau van 33 dB gerealiseerd kan worden. In de volgende paragraaf worden mogelijke maatregelen om de geluidsbelasting te reduceren onderzocht.

4.4

Maatregelen reductie geluidbelasting

Er wordt onderscheid gemaakt tussen bron-, overdrachts- en gevelmaatregelen. 4.4.1

Bronmaatregelen

Het geluid van een voertuig wordt veroorzaakt door het motorgeluid en het geluid van de banden. Vooral vrachtwagens zijn de afgelopen jaren veel stiller geworden. In het rekenmodel is hier al rekening mee gehouden. Daarnaast is de verwachting dat voertuigen in de toekomst nog stiller worden. Hier wordt rekening mee gehouden door de in paragraaf 2.4 beschreven aftrek toe te passen. De initiatiefnemer van het bouwplan waar voorliggend onderzoek voor wordt uitgevoerd heeft geen invloed op het reduceren van het geluid van voertuigen. Daarnaast heeft de initiatiefnemer ook geen invloed op de samenstelling van het verkeer, de verkeersintensiteit en het snelheidsregime. Een aanpassing van het wegdektype kan zorgen voor een reductie van het bandengeluid van voertuigen en daarmee het geluid van een voertuig. Het huidige wegdek betreft onder andere referentiewegdek. Bij een snelheidsregime van 50 km/uur levert het vervangen van het huidige referentiewegdek door DDL-A of DDL-B wegdek een reductie van circa 1,5 a 2,5 dB op 2. De geluidbelasting afkomstig van de Drietorens weg kan hiermee gereduceerd worden tot onder de voorkeurswaarde, echter met betrekking tot de overige wegen kan nog steeds niet voor alle wooneenheden aan de voorkeurswaarde worden voldaan. Het aanbrengen van stiller wegdek brengt daarnaast hoge kosten met zich mee.

De wegbeheerder zal bovendien niet instemmen met het stiller maken van een klein deel van de weg, omdat dit tot onderhoudtechnische problemen leidt. Vanuit civieltechnisch oogpunt is het aanbrengen van stiller asfalt dus eveneens niet haalbaar. 4.4.2

Overdrachtsmaatregelen

Een grotere afstand tussen de gevel en de weg zorgt voor een lagere geluidsbelasting op de gevel. Om een lagere geluidsbelasting van 2 dB te realiseren moet de afstand tussen de gevel en de weg met 50% worden vergroot. Er is onvoldoende ruimte binnen het projectgebied om op basis van de stedenbouwkundige

2

https://www.infomil.nl/publish/pages/138239/factbookwegdekken_2018.pdf

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

10

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ens fase 2, Ens Definitief uitgangspunten en het gewenste woonprogramma in een invulling te voorzien waarbij voor alle woningen aan de voorkeurswaarde wordt voldaan. Door middel van het plaatsen van een geluidsscherm worden lagere verdiepingen van het gezondheidsgebouw afgeschermd van het geluid van het Oostereind en de Zuiderringweg. Echter bevinden de woningen zich op de 1e, 2e en 3e verdieping waar een geluidsscherm maar voor een geringe geluidsafname bewerkstelligt. Daarnaast brengt het plaatsen van een geluidsscherm kosten met zich mee. Het treffen van overdrachtsmaatregelen is dan ook niet doelmatig. 4.4.3

Gevelmaatregelen

Als een hogere geluidsbelasting wordt toegestaan dient het binnenniveau van 33 dB gewaarborgd te worden volgens het Bouwbesluit 2012. Artikel 110 lid g van de Wgh bepaalt dat de aftrek bij het vaststellen van de noodzakelijk geluidwering 0 dB bedraagt. De cumulatieve geluidsbelasting exclusief aftrek bedraagt hoogstens 62 dB. Er is dan ook een gevelwering van minimaal 29 dB benodigd om ter plaatse van alle woningen aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. Standaard HR++ beglazing zorgt voor een geluidwering van circa 28 dB waardoor ook extra maatregelen als kierdichting en/of een spouwmuur benodigd zijn. Indien er voor een natuurlijke luchttoevoer via openingen in de geluidsbelaste gevels gekozen wordt, zijn suskasten noodzakelijk. In de resultatentabel cumulatieve geluidbelasting is de benodigde gevelwering per toetspunt eenvoudig te berekenen (cumulatieve geluidbelasting- 33 dB), waarbij het Bouwbesluit voorziet in een verplichte standaardgevelwering van 20 dB. 4.4.4

Conclusie maatregelen

De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of financiële aard. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig. Er kan dan ook een hogere waarde LDEN van hoogstens 49 dB worden verleend met betrekking tot de Drietorensweg, 55 dB met betrekking tot het Oostereind en 55 dB met betrekking tot de Zuiderringweg. Omdat het stedenbouwkundige ontwerp nog niet vaststaat is de hogere waarde per woning nog niet exact vast te stellen, met name ter plaatse van de wooneenheden in het gezondheidscentrum. In de resultatentabellen in bijlage 3 zijn de berekende waarden per toetspunt per weg weergeven en hieruit is een hogere waarde per toetspunt af te leiden. Met het nemen van gevelmaatregelen met een geluidwering van hoogstens 29 dB wordt ter plaatse van alle woningen aan de maximale binnenwaarde van 33 dB voldaan.

BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies

11

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ens fase 2, Ens Definitief

HOOFDSTUK 5

CONCLUSIE

Voorliggend Akoestisch onderzoek heeft betrekking op de onbebouwde gronden op de hoek van de Drietorensweg en het Oostereind in de kern Ens (hierna: projectgebied). De gemeente Noordoostpolder is voornemens om ter plaatse een kleinschalig gezondheidscentrum en woningen te realiseren. De geluidbelasting ten gevolge van het Oostereind bedraagt hoogstens 55 dB ter plaatse van de zuidgevels van het gezondheidsgebouw (Toetspunt 1 t/m 5). De geluidbelasting ten gevolge van de Drietorensweg bedraagt hoogstens 49 dB ter plaatse van de oostgevel van tiny house 11, rijwoning 9 en rijwoning 17. De geluidbelasting ten gevolge van De Zuiderringweg bedraagt hoogstens 55 dB ter plaatse van de zuidgevel van het gezondheidsgebouw (Toetspunt 5). Met deze waarden wordt niet voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wgh, maar wel aan de wettelijke ontheffingswaarde van 63 dB. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke, verkeerskundige of financiële aard. Gevelmaatregelen zijn het meest doelmatig. Er kan dan ook een hogere waarde LDEN van hoogstens 49 dB worden verleend met betrekking tot de Drietorensweg, 55 dB met betrekking tot het Oostereind en 55 dB met betrekking tot de Zuiderringweg.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2321/documents/44983