CConstaterende datNoordoostpolder
Koppel je AI →
Document · PDF

10.1 Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied, Kuinderweg 15 te Emmeloord’.pdf

Gemeenteraad 22 april 2024, gemeente NoordoostpolderBij agendapunt: 10: Bestemmingsplan Landelijk gebied, Kuinderweg 15 te Emmeloord25.318 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor een gezonde en duurzame ontwikkeling van het gebied is het nodig om het natuurlijke systeem (bodem en water) en de ruimtelijke en economischeontwikkelingen met elkaar te verbinden in een gezamenlijke aanpak. Niet met maakbaarheid als vertrekpunt, maar toekomstbestendigheid. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 bevat de strategische en tactische doelen voor de komende planperiode en beschrijft op hoofdlijnen welke maatregelen het waterschap neemt om deze doelen te behalen. Het beheergebied wordt waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Investeringen in het watersysteem zorgt dat er ook in de toekomst voldoende water is bij langdurige droogte én voldoende bescherming bij hoogwater. Stroomgebiedsvisie Flevoland De Noordoostpolder is gelegen binnen het plangebied van de stroomgebiedsvisie Flevoland. In de watervisie voor 2015 wordt het plangebied aangeduid als een gebied met een vitaal watersysteem. Voor de gemeente Noordoostpolder zijn de wateropgaven onderverdeeld in een aantal generieke maatregelen en in de resterende wateropgave. De generieke maatregelen houden onder andere in: afvoerblokkering in natuurgebieden; vasthouden van water in natuurgebieden en landbouwgebied; realisatie van duurzame oevers. Oplossingsrichtingen voor de resterende wateropgaven zijn onder andere bergen in open water en efficiënt uitmalen.

Stedelijk waterplan Noordoostpolder De watervisie van de gemeente Noordoostpolder is opgenomen in het Stedelijk Waterplan Noordoostpolder (april 2006). Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Deze Waterwet bestaat uit een achttal wetten die zijn samengevoegd tot één wet. De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de “watersysteembenadering” centraal. De verantwoordelijkheden in het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer

32/142

van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De voornaamste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name het ruimtelijke domein. Als aanvulling op het Stedelijk waterplan is in 2011 door het waterschap Zuiderzeeland en de gemeente Noordoostpolder een bestuurlijke “Maatwerkovereenkomst stedelijk water” ondertekend. Door ondertekening van deze bestuursovereenkomst zijn tussen de waterbeheerder en de gemeente afspraken gemaakt over de invulling van de gezamenlijke taakuitoefening voor het beheer en onderhoud van het stedelijk water. De beoogde doelen op strategisch, tactisch en operationeel niveau ten aanzien van het stedelijk water zijn daardoor beter verankerd. Verdere actualisatie met het oog op onder andere de klimaatadaptatie is verwerkt in het gezamenlijk door het Waterschap Zuiderzeeland en gemeente Noordoostpolder opgesteld Watertakenplan Noordoostpolder 2019-2024. Op grond van o.m. de Waterwet is voor gemeenten, naast het inzamelen en transporteren van vrijkomend stedelijk afvalwater een formele taak weggelegd voor het afvoeren van overtollig regenwater.

In zoverre het inzamelen en transporteren van relatief schoon regenwater buiten de afvalwaterstroom doelmatig kan worden uitgevoerd, vindt deze gescheiden van de afvoer van het stedelijk afvalwater plaats. Het “gebiedseigen water” wordt op plaatsen waarvoor mogelijkheden aanwezig zijn, vastgehouden en geborgen in aanwezig stedelijk water en/of retentiestroken. Het bergen en vasthouden van regenwater op locatie mag niet leiden tot (water)overlast voor de woonomgeving. Tot slot heeft de gemeente een watertaak waterhuishoudkundige maatregelen te treffen om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming(en) zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Keur van het Waterschap Zuiderzeeland, onderdeel uitmakend van de Waterwet, is aangegeven wat wel en niet mag bij waterkeringen en wateren (de zogenaamde waterstaatswerken). De waterschapsverordening vervangt de Keur bij inwerkingtreding van de Omgevingswet. 4.7.2 Toetsing Sinds 1 november 2003 is de toepassing van de watertoets wettelijk verplicht door de verankering in het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. De watertoets heeft betrekking op alle grond- en oppervlaktewateren en behandelt alle van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten (naast veiligheid en wateroverlast ook bijvoorbeeld waterkwaliteit en verdroging).

De watertoets is een belangrijk procesinstrument om het belang van water een evenwichtige plaats te geven in de ruimtelijke ordening. Uit de waterparagraaf blijkt de betrokkenheid van de waterbeheerder in het planproces en de wijze waarop het wateradvies van de waterbeheerder is meegenomen in de uitwerking van het plan. Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het Waterschap Zuiderzeeland. De uitkomsten van de watertoets zijn opgenomen in bijlage 4. Uit de uitkomst van de watertoets komt een reguliere procedure. Echter in de daaropvolgende inhoudelijke reactie van het waterschap wordt de normale procedure geadviseerd. De gewenste ontwikkeling heeft gevolgen voor de waterhuishouding en waterstaatswerken. Het beleidsthema, Voldoende Water en Schoon Water zijn van toepassing. De waterparagraaf dient de relevante streefbeelden,

33/142

uitgangspunten en randvoorwaarden te beschrijven, aangevuld met een concrete uitwerking van de gevolgen voor de waterhuishouding. Thema voldoende water Wateroverlast Streefbeeld: Het watersysteem, zowel in landelijk als in stedelijk gebied, is op orde. Het hele beheergebied voldoet aan de vastgestelde normen. Uitgangspunt wateroverlast Het waterschap streeft naar een robuust watersysteem dat de effecten van toekomstige klimaatveranderingen en bodemdaling kan opvangen. De planontwikkeling is gelegen in een watersysteem dat op basis van de toetsing in 2012 voldoet aan de normering voor wateroverlast. Een dergelijk systeem kan het water verwerken tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De compensatieplicht geldt zodanig voor de netto toename van het verhard oppervlak. Binnen het plangebied door de realisatie van de silo een toenamen van maximaal 700 m². In het buitengebied geldt een compensatieplicht vanaf 2.500 m 2. Met dit wijzigingsplan wordt het erf planologisch 5.100 m² uitgebreid. De nieuw te bouwen silo (700 m²) is onderdeel van deze planologische uitbreiding. Vooralsnog zijn er geen plannen om nieuwe bebouwing of extra verharding te realiseren. Daarnaast geldt rondom de bestaande loods, waar huisvesting plaatsvindt, een verbod voor agrarische activiteiten. extra toename in oppervlakte verharding wordt niet verwacht.

Voor het berekenen van de compensatie wordt ervan uitgegaan dat de volledige planologische uitbreiding (5.100m²) wordt verhard. In de schriftelijke reactie van het waterschap wordt vermeldt dat voor het plangebied nog een compensatie opgave geldt , voor verharding/ bebouwing sinds 2013, voor oppervlakte verharding van 3.350 m². Daarmee komt de totale oppervlakte op 8. 450 m². Het plangebied is gelegen in een peilgebied waarbij 5,5% van de netto toename aan verharding als open water moet worden gecompenseerd. De compensatie bedraagt (8.450*5,5%)= 465 m2. Achter op het erf wordt over een lengte van 166 m, voor de landschappelijke inpassing, een nieuwe erfsloot gerealiseerd. Er moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit de inrichtingstekening (bijlage 2) de afstand 2 m is vanuit het hart van de sloot, dus gezamenlijk 4 m. Uitgaand van een totale lengte van 166 m bij gemiddelde breedte van 3 meter voor het wateroppervlak, is het compensatieoppervlak 498 meter. Hiermee is, uitgaande van een fluctuerend waterpeil, voldoende ruimte voor compensatie. De exacte breedte van het sloot volgt na overleg tussen de initiatiefnemer en het waterschap. Voor de compensatie, en de realisatie van de sloot zal een watervergunning worden aangevraagd. Thema schoon water Bij de inrichting van het watersysteem wordt gestreefd naar de realisatie van een ecologisch gezond watersysteem.

De chemische toestand van deze wateren vormt hier geen belemmering voor. In het ontwerp van het watersysteem wordt uitgegaan van het principe 'schoon houden, scheiden, zuiveren'. Er worden bij eventuele bouwwerkzaamheden geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zinken dakgoten) gebruikt.

34/142

Goed omgaan met afvalwater Streefbeeld Veel menselijke activiteiten hebben een negatief effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater doordat ze water verontreinigen. Het waterschap zorgt met de regulering of behandeling van afvalwater dat zo veel mogelijk van deze effecten teniet worden gedaan. Verontreiniging van het oppervlaktewater door afvalwater (huishoudelijk afvalwater, vervuild hemelwater en bedrijfsafvalwater) wordt voorkomen. Uitgangspunten: voor (nieuw) te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt geloosd, zo nodig voorafgegaan door een lokale zuivering. Afstromend hemelwater van vervuilde oppervlakken wordt gezuiverd. Uitgangspunten Voor (nieuw) te ontwikkelen terreinen geldt dat het hemelwater niet naar een centrale rioolwaterzuivering wordt afgevoerd maar in of in de nabijheid van het plangebied wordt geloosd, zo nodig voorafgegaan door een lokale zuivering. Ten behoeve van de mestsilo wordt een afvoersysteem aangelegd, via dit systeem wordt drijfmest in en uit de silo gehaald. Dit is een gesloten systeem. In de silo en bij het vulpunt wordt een vloeistofdichte vloer aangebracht, waardoor vuilwater niet in aanraking komt met schoon oppervlaktewater.

Goed functionerend watersysteem Het waterschap streeft naar een robuust en klimaatbestendig watersysteem met grote peilvakken. Versnippering van het watersysteem is een ongewenste situatie. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan op bestaande peilvakken en de inrichting wordt afgestemd op de functie van het water. Het functioneren van het huidige watersysteem, (doorstroming, afwatering, realiseren van het gewenste peil) verslechtert door het project niet. Ook het streefpeil blijft ongewijzigd. Het project heeft geen nadelige gevolgen voor (grond)water in de omgeving. 4.7.3 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.8

Bodem

4.8.1 Algemeen Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Op basis van de Woningwet, de Wabo en bijbehorende regelgeving geldt in de volgende situaties een uitzondering op de bodemonderzoeksplicht: bouwwerken die de grond niet raken of het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik worden gehandhaafd;

35/142

bouwen van bouwwerken waarin niet (of nagenoeg niet) voortdurend mensen zullen verblijven (Woningwet, artikel 8, derde lid). Hierbij wordt een verblijftijd van minder dan twee uur gehanteerd; B&W verlenen vrijstelling omdat er al voldoende gegevens met betrekking tot de bodemkwaliteit bekend zijn, bijvoorbeeld op basis van een reeds eerder uitgevoerd bodemonderzoek (maximaal vijf jaar oud en waarvan het gebruik sindsdien niet is gewijzigd). 4.8.2 Toetsing In de toekomstige situatie wordt alleen een mestsilo mogelijk gemaakt op gronden die al bestemd zijn voor agrarische doeleinden. Daarnaast is een mestsilo geen gevoelig object en daardoor vrijgesteld van bodemonderzoeksplicht. Eventuele toekomstige bedrijfsgebouwen worden niet aangemerkt als bodemgevoelig object of bodemgevoelige functie, aangezien personen voor een beperkte tijd aanwezig zijn. Daarnaast zijn er geen bodemverontreinigingen bekend binnen het plangebied en de nabije omgeving op basis van het bodemloket. Voor de beoogde ontwikkeling is dan ook geen bodemonderzoek vereist. 4.8.3 Conclusie De bodem is van voldoende kwaliteit voor de beoogde ontwikkeling.

4.9

Luchtkwaliteit

4.9.1

Algemeen

In de Wet milieubeheer zijn normen voor luchtkwaliteit opgenomen. Deze normen zijn bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging, tegen te gaan. Als maatgevend voor de luchtkwaliteit worden de gehalten fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) gehanteerd. Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur 'niet in betekenende mate' (nibm) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen vrijgesteld van toetsing. 4.9.2 Toetsing Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten blijkt dat ter hoogte van het plangebied en de nabije omgeving er sprake is van een goede luchtkwaliteit. Dit plan betreft de uitbreiding van een mestsilo horende bij een biologisch akkerbouwbedrijf. Het plan draagt in 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. 4.9.3 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering.

36/142

4.10 Externe veiligheid 4.10.1 Algemeen Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als het vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR drukt de kans per jaar uit dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval indien hij zich onafgebroken (24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. 4.10.2 Toetsing Voor het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat nabij het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn.

Wel is het bedrijf zelf aangewezen als risicovolle inrichting door de aanwezigheid van een brandstoftank. Deze tank hoeft in het kader van externe veiligheid niet beschouwd te worden en vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maken. Met de opslag van mest in een luchtdichte silo kan explosiegevaar ontstaan. Gas(methaan) dat vrijkomt bij de opslag van mest is brandbaar. Indien hier een vonk of openvuur bij komt, kan dit ontploffen. De mestsilo staat afzonderlijk op het terrein op minimaal 50 meter van de dichtstbijzijnde bebouwing. Daarmee staat de silo op ruim voldoende afstand en vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering. 4.10.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.

4.11 Kabels en leidingen 4.11.1 Algemeen Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). 4.11.2 Toetsing Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen of straalpaden aanwezig.

37/142

4.11.3 Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het plan.

4.12 Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4.12.1 Algemeen In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan plan-m.e.r-plichtig, project-m.e.r-plichtig of m.e.r-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r.-drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarbij de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van (meer dan) 100 hectare of indien een aaneengesloten gebied 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). In de voorgenomen ontwikkeling wordt het mogelijk om een mestsilo te realiseren en deze activiteit blijft onder de 100 hectare. Daarmee blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarden. 4.12.2 Toetsing Akkerbouwbedrijven zijn niet genoemd in de bijlagen bij het Besluit m.e.r.

Het is daarmee niet nodig om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. Overigens heeft de toets aan de omgevingsaspecten, zoals opgenomen in dit hoofdstuk, in voldoende mate aangetoond dat er geen belangrijke milieugevolgen aan de orde zijn, gelet op de aard en relatief kleine omvang van het project, de plaats hiervan en de kenmerken van de potentiële effecten.

38/142

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en die op eenzelfde manier zijn verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en in bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

Agrarisch In het plangebied wordt een agrarisch bedrijf in de vorm van een akkerbouwbedrijf toegestaan. Het bedrijfsperceel heeft daarom de bestemming 'Agrarisch'. De gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. Buiten het bouwvlak bestaan beperkte mogelijkheden voor bouwwerken, niet zijnde gebouwen. Conform de eisen van de lopende vergunningsaanvraag, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - huisvesting arbeidsmigranten'de huisvesting van 20 arbeidsmigranten ten behoeve van de eigen bedrijfsvoering toegestaan. Rondom deze huisvesting geldt een zone 'specifieke vorm van agrarisch - agrarische bedrijvigheid uitgesloten' van 10 meter waar geen agrarische activiteiten zijn toegestaan. De goothoogte en hoogte van bedrijfsgebouwen mogen niet meer bedragen dan 8,5 m en 11 m. Voor bijbehorende bouwwerken geldt een goothoogte van 3,5 m en een bouwhoogte van 6 m. De realisatie van een drijfmestopslag is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - drijfmestsilo' worden gebouwd' De gronden binnen de bestemming zijn daarnaast bestemd voor de instandhouding en ontwikkeling van de afschermende erfbeplanting. Hiermee worden de aanwezige historische erfsingels beschermd door de regeling.

Daarnaast wordt middels een voorwaardelijke verplichting de uitvoering en het in stand houden van de landschappelijke inpassing gewaarborgd. Waarde - Archeologische verwachtingswaarde WA-7

39/142

In het plangebied zijn mogelijk archeologische waarden aanwezig die beschermd moeten worden zoals in paragraaf 4.6 is omschreven. Om deze reden is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde WA-7' opgenomen. De gronden zijn hierdoor, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de aldaar in of op de grond aanwezige archeologische verwachtingswaarden. Dit houdt in dat bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 10.000 m² en dieper dan 0,5 m archeologisch onderzoek moet worden verricht.

40/142

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg en inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan is, conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), verzonden naar de overleginstanties. Het voorontwerp is niet voor inspraak ter inzage gelegd. De ingekomen reacties van de provincie en het waterschap hebben er toegeleid dat de toelichting op onderdelen is aangevuld. De ingekomen adviezen geven geen aanleiding om de planregels of verbeelding aan te passen. Zienswijze Vervolgens wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen (artikel 3.8 Wro). Tijdens de ter inzage periode zijn geen zienswijze kenbaar gemaakt. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens door de gemeenteraad vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te stellen tegen het besluit en het plan.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Ten behoeve van de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Voorliggend plan betreft een particulier initiatief. De voor dit plan en de ruimtelijke procedure te maken kosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Met initiatiefnemer worden hier afspraken over gemaakt. De kosten zijn anderszins verzekerd. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Wel wordt met de initiatiefnemer een planschadeovereenkomst gesloten zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

41/142

42/142

Bijlagen bij de toelichting

43/142

44/142

Bijlage 1

45/142

Historische erfsingels

Boerderij aan de Veneweg ten zuidoosten van Runen: de schokbetonnen schuur van de tweede serie en de pac/11erswo11ing type L hebben een afwijkende dakhelling en zijn haaks op elkaar geboull'd, /7 augustus/964 (fotoJ. V. Potuyt).

was de afstand tussen de pachterswoningen in alle gevallen 45 meter (15 meter weg­ breedte plus twee maal de rooilijnafstand van 15 meter). 41 Steeds werd ernaar gestreefd de woningen en de koestallen op het zuiden te oriënteren. Voor de ligging van de schuren waren er in feite slechts twee mogelijkheden: loodrecht op of evenwijdig aan de weg. Alleen op scheve kavels deden zich uitzonderingen voor. Indien een vrijstaande pach­ terswoning dezelfde dakhelling had als de erbij behorende schuur, werden beide gebou­ wen zodanig geplaatst dat de nokken parallel liepen. Hadden de daken van schuur en woning ieder hun eigen schuinte dan werd ervoor gekozen deze gebouwen haaks op el­ kaar te plaatsen. Door het gebruik van dezelfde dakbedekking (rode pannen) werd dan toch geprobeerd enige samenhang aan te brengen. 42 Windsingels De hoogte van de schuren en pachterswoningen was zodanig dat er windsingels werden aangelegd die op den duur zouden bestaan uit een bovenscherm van bomen en een be­ nedenscherm van struiken. Dit werd de beste beschutting geacht voor de gebouwen op en de gebruikers van het boerenerf.43 De windsingels werden door en voor rekening van de Directie van de Wieringermeer aangelegd door de Afdeling Bebossing en Beplanting.

De betrokkenheid van de Directie had vooral te maken met de betekenis die aan de boe­ renerven in het landschap was toegekend en met de wens om de weg- en erfbeplantingen

129

Windsingel met een dicht onder- en een luchtig bovenscherm op het boerene1f van een akkerbouwbedrijf van 48 hectare,juni 1955 (foto Van Wijk).

130

op elkaar te laten aansluiten. Door deze aansluiting zou de betekenis van beide worden versterkt en zou, zo was de verwachting, hun homogeniteit een karakteristiek van het polderlandschap kunnen worden.44 Voor de breedte en de invulling van de windsingels hield men in de Noordoostpolder nadrukkelijk rekening met de inzichten van Bijhouwer. De breedte was trouwens niet alleen afhankelijk van de grootte en de ligging van een bedrijf, maar ook van de plaats van boomgaard en moestuin op het erf. Op de grote bedrijven waren de singels aan de noord- en westzijde maximaal 7 meter en aan de oostzijde maximaal 5 meter breed. Op de kleinere bedrijven waren de maten respectievelijk 5 en 3 meter. Lag de boomgaard van grote bedrijven aan de oostzijde dan werd daar een singelbreedte van 3 meter aan­ gehouden. Voor de zuidzijde van alle erven hanteerde men singels van ten hoogste 3 me­ ter. Wanneer de zuidzijde van een erf langs de weg lag, werd aan die zijde slechts een singel geplant langs de boomgaard. Langs de moestuin kwam aan de wegzijde alleen een circa 1,50 meter hoge heg. Voor het woonhuis werd de beplanting onderbroken, om zo de bewoners vrij uitzicht te geven. 45 De hoofdsoorten van de windsingels, die op den duur de boometage moesten vormen, kwamen overeen met die van de wegbeplantingen. Soberheid in de keuze van de soorten gold in de polder als een algemeen uitgangspunt.

Volgens Overdijkink, de schrijver van de toelichting van het Algemeen Beplantingsplan, zou hierdoor een evenwichtig land­ schapsbeeld verkregen kunnen worden "dat de monumentaliteit van de wijdte- de verte - in zich draagt".46 Feitelijk wilde men door soberheid vooral de aanplant van exotische bomen en struiken tegengaan. In navolging van opvattingen van Bijhouwer voelde men wel voor enige differentiatie bij de houtsoortenkeuze op basis van de bodemgesteld­ heid. 47 Zo plantte men in het oosten van de polder in de singels veel eik, in het midden nogal wat es, in infiltratiegebieden de snelgroeiende wilg, nabij Urk en Creil iep en ten zuidwesten van Nagele veel populier. Tien tot twintig populieren kwamen trouwens in elke singel voor. Ze moesten de boomschermen snel hoogte geven.48 Naast de hoofdhoutsoorten werden in de singels eik en esdoorn aangeplant. Dit waren

P. Kelder, 1971.

soorten die ook als hakhout dienst zouden kunnen doen en die in de samenstelling van de windsingels enige afwisseling brachten. Als struiken koos men voor soorten die scha­ duw goed verdroegen, zoals veldesdoorn, haagbeuk en beuk, en bloeiende planten, zoals vlier, lijsterbes, krenteboom, sleedoorn en meidoorn.49 De aanleg van beplanting op de eerste boerenerven vond plaats in het plantseizoen 1942/ 1943 (herfst 1942-Iente 1943).50 Toen kregen elf erven een windsingel. Door gebrek aan jonge bomen en struiken moest de overige beplanting van de erven worden uitge­ steld tot het voorjaar van 1944.51 Wel werden in de tweede helft van 1943 beplantings­ plannen gemaakt voor alle tot dan toe gerealiseerde en nog in aanbouw zijnde ont­ ginningsboerderijen. 52 De aanleg en het onderhoud van erfbeplantingen zette zich gedurende de laatste twee bezettingsjaren moeizaam voort.53 Na 1945 werden de beplantingsactiviteiten met kracht ter hand genomen en werd ook de groei van bomen en struiken op verschillende bodemsoorten nauwlettend gevolgd. De houtgewassen werden daartoe zelfs enige tijd nauwkeurig opgemeten en gefotogra­ feerd. 54 Voordat de singel kon worden aangelegd werd de grond tot een diepte van on­ geveer 30 centimeter mechanisch bewerkt. Daarna werden in een plantverband· van 80 bij 100 centimeter de verschillende houtsoorten gepoot.

Dit plantverband werd onder andere aangehouden met het oog op mechanische onkruidbestrijding. De helft van het plantmateriaal bestond uit de zo even genoemde houtsoorten, de andere helft uit zwarte els. De els moest ertoe bijdragen dat de singel zich zo spoedig mogelijk sloot, waarna de els in de loop der jaren kon worden verwijderd. Bij de aanplant van de hoofdhoutsoor­ ten, waarvoor men zoveel mogelijk uit eigen kwekerij afkomstige twee- en driejarige stekken gebruikte, werd rekening gehouden met een eventuele dunning in de toekomst.55 Binnen de singels

Op de erven werden naast windsingels ook hagen en struiken geplant. Ze vormden de scheiding tussen moestuin, siertuin, boomgaard en werkerf. De precieze indeling van een erf werd door de Directie van de Wieringermeer bepaald na overleg met de pachter. De Directie wenste namelijk dat iedere boerderij gelegen zou zijn op een doelmatig in­ gedeeld erf. Hierdoor kon een moderne, rationele bedrijfsvoering worden bevorderd. Voor ieder boerenerf werden de afspraken over de verdeling van de verschillende be­ stemmingen op een tekening vastgelegd. De ontwerparbeid voor de boerenerven lag voor een belangrijk deel in handen van ing. P. Kelder, een landschapsarchitect van Staatsbosbeheer die deel uitmaakte van de Afdeling Bebossing en Beplanting van de Directie van de Wieringermeer. 56 De kosten van de aanleg van hagen en struiken werden gedragen door de Directie. Voor het plantwerk deed men net als bij de singels een beroep op arbeiders die betrokken waren bij de ontginning van de polder. Wat betreft de planten werd zoveel mogelijk aan­ gesloten bij de soorten die ook bij andere polderbeplantingen werden toegepast. Veld­ esdoorn, meidoorn, beuk en haagbeuk kwamen het meeste voor. Daarnaast werd ook gewone liguster aangeplant. Een lage heg bestond in het algemeen uit een rij struiken, die op korte afstand van elkaar waren geplant, dat wil zeggen drie à vier stuks per strekkende meter.

Bij de hogere heg131

gen, zoals bijvoorbeeld rond de boomgaard, werden de struiken in twee rijen op ruimere afstand van elkaar, zo'n 50 centimeter, gepoot. De struiken konden daardoor wat meer uitgroeien. Soms werd als afscheiding een snel groeiend singeltje van els en later weg te kappen struiken geplant.57 De aanleg van boomgaard, moestuin en siertuin was een zaak van de pachters. Voor de aanplant van fruitbomen konden zij terugvallen op een advies van de Nederlandsche Heidemaatschappij. 58 De moestuin werd veelal naar eigen inzicht aangeplant. Groen­ ten en kruiden waarmee men van oudsher vertrouwd was, maakten het leeuwendeel uit van hetgeen werd verbouwd.59 Als aanzet voor de siertuin kregen de boeren van de Directie van de Wieringermeer 25 grove sierheesters.60 De Directie hoopte dat de boeren hun siertuinen zouden afstem­ men op het landschap van het nieuwe land en zo zouden inrichten dat er weinig onder­ houd nodig was: "Daar de tuinen in een polderlandschap liggen, een landschap met over het algemeen sprekende kleuren, rechte lijnen en een strakke, eenvoudige beplanting, behoren ook de tuinen zich hierbij aan te passen. Rotspartijen, slingerpaden en andere 'ornamen­ ten' zijn hier niet op hun plaats. De opzet dient eenvoudig te zijn, zo eenvoudig zelfs dat de tuin gedurende de drukke oogstperiode nog in een verloren uurtje kan worden onderhouden.

De hoofdmotieven in de tuin moeten worden gevormd door een groot gazon, wat heestergroepen, enkele bomen en een rand van vaste planten, rozen en/ of zaaibloemen. De keuze van de te gebruiken soorten kan eenvoudig zijn; exoten en vooral een overmaat van coniferen dient te worden vermeden:' 61 De Directie van de Wieringermeer dacht bij de vormgeving van de siertuin in de Noord­ oostpolder niet aan nieuwe versies van de drie traditionele boerentuintypen. Ze voelde dus geenszins voor een 'versierde' nutstuin, noch voor boerentuinen in een formele of een landschapsstijl.62 Ook de aanleg van tuinen die bij stadswoningen of villa's gebrui­ kelijk waren, kon haar instemming niet wegdragen. De ideale siertuin in de Noordoost­ polder diende een duidelijk polderkarakter te dragen. Inspiratie daarvoor kon worden opgedaan in de Wieringermeer, waar vele boerderijen van 'mooie' en grote poldertuinen waren voorzien. 63 In een schrijven aan de pachters van de uitgifte 1949 constateerde het hoofd van de Sociaal-economische Afdeling Minderhoud eind oktober 1950 dat een aantal tuinen er weliswaar behoorlijk uitzag, maar ook dat velen "de toets van een gematigde critiek" niet konden doorstaan.

Aangezien de verantwoorde aanleg van een tuin "bijzondere vakbekwaamheid" vereiste, had de Directie besloten een tuinarchitect aan te trekken die de pachters voorlichting kon geven.64 Eind januari 1951 deelde men de boeren mede dat ze voortaan adviezen konden inwinnen bij tuinarchitect J. Meijers, die enkele dagen per week zitting zou houden in het kantoor van de Bouwkundige Afdeling te Emmel­ oord.65 De in Dordrecht woonachtige Meijers maakte deel uit van het Tuinarchitectenbureau Buys-Meijers (later Buys-Meijers-Warnau) te 's-Hertogenbosch, maar verrichtte op per­ soonlijke titel werkzaamheden voor de Directie.66 Hij beschouwde "het ontwerpen van een aanvaardbare en aesthetisch verantwoorde erf situatie voor iedere pachter afzonder132

Een siertuin =oals de Directie van de Wieringermeer die graag zag, op kavel M88 aan de Lindeweg ten zuidwesten van Lu11elgeest (bedrijf E. van de Dee11),j1111i 1955 (foto Van Wijk).

lijk" als zijn primaire polderactiviteit.67 Vandaar dat hij zijn werkzaamheden ook niet beperkte tot advisering omtrent de aanleg van boerentuinen. Dit was zeer tegen de zin van de Afdeling Bebossing en Beplanting, die meende dat de tuinarchitect zich te ruime bevoegdheden aanmatigde. Landschapsarchitect Kelder, die aan deze afdeling verbon­ den was, beklaagde zich er dan ook al medio 1951 over dat Meijers zich in toenemende mate bemoeide met de indeling van erven, de beplanting van singels en de aanplant van fruitbomen.68 De gerezen problemen kwamen voort uit het feit dat Meijers bij de aanvang van zijn werkzaamheden geen heldere taakomschrijving had gekregen. Het leek de directiever­ gadering in oktober 1951 dan ook raadzaam alsnog tot zo'n omschrijving te komen. Zo kon ook het aantal dagen dat de tuinarchitect in de Noordoostpolder geacht werd door te brengen beter worden vastgesteld.69 A.G. Lindenbergh, die belast was de leiding van de Onderafdeling Domeintoezicht, stelde daarop voor de indeling van de erven toe te vertrouwen aan een nog op te richten commissie en de werkzaamheden van Meijers te beperken tot adviezen over de wijze waarop pachters "een nette boerentuin" konden aanleggen.

Door Meijers een strak afgebakende taak te geven, kon tevens flink worden bespaard op de uitgaven die met zijn werkzaamheden waren gemoeid.7° De directievergadering kon zich in de strekking van Lindenberghs rapport vinden, maar vond wel dat Meijers in de voorgestelde commissie zitting moest hebben.71 Op 18 februari 1952 kwam de 'Commissie voor de indeling van boerderijerven' voor het eerst 133

bijeen. Aanwezig waren domeinopziener A. de Groene, rijkstuinbouwconsulent ir J.J. Pettinga, houtvester in de Noordoostpolder ir L.W. Wilmes, boerderij-architect No­ back, Kelder en Lindenbergh. De laatste trad op als voorzitter en zette beknopt de werk­ wijze uiteen: "Door de Commissie wordt aan de hand van door de Bouwk. Afd. vervaardigde situ­ aties, waarop alleen de grenzen van het erf, de gebouwen en de paden zijn aangegeven, een erfindeling gemaakt. De plaats van de singels, siertuin, moestuin en boomgaard wordt bepaald, waarbij voldoende bedrijfsruimte voor opslag van producten en voor eventueel door de pachters te bouwen silo's wordt gereserveerd. De Landmeetk. Afdeling maakt van deze aldus vastgestelde erfindeling een tekening, waarvan een exemplaar wordt toegezonden aan de betrokken pachter, de domeinopzieners te Em­ meloord en aan de heren Meijers, Ir Wilmes en Ir Pettinga. Vervolgens worden de pachters in de gelegenheid gesteld om de erfindeling te komen bespreken en hun wen­ sen kenbaar te maken. Zonodig kan de erfindeling dan gewijzigd worden. Van de ge­ wijzigde erfindeling wordt dan opnieuw een kaartje getekend en aan de betrokkenen toegezonden. Aan de hand van de aldus vastgestelde erfindeling kan de Afd.

Bebos­ sing en Beplanting dan de singels en erfscheidingen planten, de heer Pettinga kan ad­ viseren over de aanleg van de boomgaard en de heer Meijers kan advies geven over de aanleg van de siertuin." 72 A.G. Lindenbergh, 7 oktober 1949 (/otoJ V. Potuyt).

134

Begin 1953 werd de werkwijze van de commissie enigszins vereenvoudigd. De leden be­ sloten zich tijdens hun vergaderingen niet meer te buigen over ieder boerenerf, maar zich alleen nog bezig te houden met het ontwerpen van erfindelingen voor elk type uit te geven bedrijf. L. H. Bos, tekenaar in dienst van de Directie van de Wieringermeer, moest daarna de erfindeling voor elk afzonderlijk bedrijf in kaart brengen. Zijn tekenin­ gen werden vervolgens op een aantal nader te bepalen dagen met de pachters besproken. Op diezelfde dagen kon Meijers in de polder zitting houden om de boeren advies te ge­ ven over de aanleg van een siertuin.73 Bos had vanaf het begin van Meijers' bezigheden in de polder vele hand- en spandiens­ ten verleend aan de tuinarchitect. Door de taakafbakening van Meijers kwam er ten dele een einde aan die ondersteuning. Bos mocht de door Meijers gemaakte tuinontwerpen nog wel uitwerken, maar voor verdere diensten werd hij niet meer beschikbaar gesteld. De tuinarchitect zelf werd te verstaan gegeven dat zijn wens om ingeschakeld te worden bij het ontwerpen van algemene beplantingen in de polder "voorshands niet voor ver­ wezenlijking vatbaar" was.

Ook liet de Wieringermeerdirectie Meijers weten dat hij dui­ delijk onderscheid diende te maken tussen zijn jaarlijkse ontwerparbeid voor de nieuw uit te geven bedrijven en zijn andere vormgevingsactiviteiten, zoals het aanpassen van reeds bestaande siertuinen. Alleen de eerstgenoemde activiteit verrichtte hij in opdracht van de Directie en brachten voor de polderboeren geen kosten met zich mee. De overige werkzaamheden werden als particuliere opdrachten beschouwd.74 Door de werkzaamheden van de Commissie voor de indeling van boerderijerven en de nauwkeurige omschrijving van de adviseringstaak van de tuinarchitect nam het aantal dagen dat Meijers in de Noordoostpolder actief was gestaag af. In 1951 verbleef hij twee à drie dagen per week in de polder, na 1955 niet meer dan drie à vier dagen per jaar.75

DIPEC'M'E VJ..� DE WlERIN•J:.!iio:.iR ( �h>erdooet pold. •rw.rttu.) ZWOLU

,,, Ond.•M•rp

Clr.a .:•M•rk Cd .;.9011

err,1tuatu.

HO�Wl.G

z.w-,1h 29 Jr,;01 :154

lhtrb1J u'ld .;c l'tn ;t:1't:1lAJ ae ert'1ni•l1ni c� :J• b�r1Jr, ::06h 41• io�r 1• �1reet1� a a...su�t. n. aie..el1 .r. :ie �he1J1nos�n tu,Hn ie v,r,.:Ull•n.1• Ol'l­ d•r1hle:. ,..n h,H or:" 90rdec '1"Jor :h Af:1, !.,bonl.t1,i; •?:: l•pla"l­ \1.i:ic 'f'&ft :h DlNCth itpltri�. ':'•,·,na 1,1J" opt• te:ic•rulti( 4• erf•erbaNu,c"n ucg•.,... :i, Set br,..1ri ,•kle.ird.o "9..i nerd• •aOKflC� do !>lr•ch• aan,. !et:'t , de r.•". der p.d,;o 110.\ .:tnr 'J ulr W<r:lea ••�hF, :lcr•..,.:ir

••:1

V

V

V

0 0

0

0 0

��c�l�::..;°'.::!�,1�.;�:t�;;�;r��:r��!.��!11h;�:, 1,f/;� ·°"'

1/ ,.- per,. > . Jt.ochr. U ll'ltor p.110: •:.!lcin hebhn 4•c du h n rT : r l D d ;;�:�i;1!;� <iH ::� dej!:} � :::i. :!.:.,.� •111 :te p.ul\laa.{ v->er :•s.or •er,;eo: aoet 20-2, ei-, ztJll, <!h ,oor li:Ct "trY.e•r • 1, cc, "!Ha c,voral 't'01Jo,r,?:rlo s&lld ( .. 40 Olr:j .or!t u:,19't:r:17.t-:, Zand Xuct J op eon ll.ài•r Ht \e •1.J'i•n nl!dd4p6t �a!•!I . .- !:u.r,oar ••rC'alcn1� Of t.tt ::e­ !'leH.kar\oor t• l.aillMlotrd ••rkre,ti'n t4 C.•bben.

p;��-·t; r�· r:;,:!l

�••!��:..tin;..;:::.��:!��!/�!.;::�· 1:� �3e.-°:r!;;-;�:ft"!: . :s . �

boo'f4el puir •z�:-11 roet .-or.io.a. l•···Tor� 1. p.,r k\.ot ourvooT ;•bnu._ 111aken ••n !:1Jga"nd for-r11l rtJO, ':'n•n.. •�ri· 1u.i.,ooé1sd- CII' �, �/loen�"C J..Wl4 Juli •· •· OII (..(). -;.;1,1,r :ip h,u :;.;...,.-• .-az:t?or te r.r.:�rt '1• e:-1'1n!el1q t, ,u;:ro-.. 'I! besprtk<n, •urtlJ U e't'4nhod4 w!Jl141'l4•n KUnt ""1rstell, n, Tu1Au'('ll1t•ct ... • 1. rs ;.u b1Crt1J lld'f� .. P"on o"fer te un.:.•, ••n d• a1ori1.11n.

lH;l..-er:11 l <:•k•nlft.J• l !'cml\l.lu:-.

•z

29.,s. ·�,

ViX'tl I1S, DlRJC"lWE V,UI DE fl!:::Riltil.Rifi.!I: (�oo,,poU•"'e:-;..e11.

·�

'""· :t<.1c�1 �.....- kon. J..f •

,'

�vtllMAltOlilG. i:ir!:i CNtHl( Kl'\.t.HlM .-IIUlU

__ ....

··-

• kOCMC.NlUIH V MOUlUIN

0 Vl'UCNfl00f!4. 0 GIOKCI.OU +� IIIOOL K 10"CNMOK. ___ tl.t:(TII KAl(I.. -··• ttUr'OON KAKL , .l'tTtl.OUUMTAHK •·-·- WAll:lltLUOM l.SILO � •·•t D!MttCII &'.l. IIIAHOKIIAAN OP'tll ONOClll1U01t OPfTl\lU !IJN <.tlOUWO 000" Ot PIIÇ)4l(a VOO�GUTtlD[

[Rr!IIOCUHG

,-CHTU.1 l,..J 11:0[lll,.C.,

l(HUl:

1 tOOO

OAl WIJZ

8 IOUOUU NO W.WOllUIC. HO. T .tMltWON4ATOII MO • KI ICAPICAG

DIRECTIE VAN OE WIERINGERMEER NOOAOOOSTPOlOCRWtAKtN

00M[IN8tHttR

Vil' Ot

N.O POLDER

aco11ur: K-51

W:UUN ANI or: HOPWtG

De ontwerparbeid voor de erven van enkele staatsboerderijen76 werd in 1955 door Van Eck toevertrouwd aan de tuin- en landschapsarchitecte Mien Ruys, die grote bekend­ heid genoot door de voorbeeldtuinen die ze in Dedemsvaart aanlegde.77 De bouwkun­ dige was met Ruys in contact gekomen door haar lidmaatschap van de architectengroep 'de 8', die nauw betrokken was bij de planvorming en -realisering van het polderdorp Nagele. Met de opdracht aan Ruys werd afgeweken van de 'normale' gang van zaken bij de erfaanleg van staatsbedrijven. Gewoonlijk lagen zowel het ontwerp voor de erf­ indeling als de keuze van het plantmateriaal en de aanleg van singels en heggen geheel in handen van de Afdeling Bebossing en Beplanting van de Wieringermeerdirectie.78 135

Bijlage 2

53/142

Inrichtingsplan

INRICHTINGSPLAN 2.000 6.000

KAVELPAD

6.000

14.000

BEBOUWINGSVRIJE ZONE

00

6.0

00 4.2

18

N

BE BO UW ING SV RIJ EZ ON E

6.000

6.0

BEBOUWINGSVRIJE ZONE

AD LP VE KA

6.000

14.000

0

Kadastrale Situatie: Gemeente: Noordoostpolder Sectie: G Perceel: 02720 10

20

30

40

50 m

LEGENDA = sloot = bebouwingsvrije zone

-K uin de rw eg -

= erfsingel conform beplantingsplan

BeplanvPov

} o

ev (]vPo

Schematische doorsnede van erfsingel: Sloot Rij 1 Rij 2 Rij 3 Rij 4 Rij 5 Bebouwing

uit rit

luifel

De onderlinge afstand van de rijen is 150 centimeter De onderling afstand in de rijen is 150 centimeter Per 2,25 m² wordt één boom/struik beplant

-.

-

Gewijzigde situatie

BE BO UW ING SV RIJ EZ ON E

6.0

-K uin de rw eg -

De erfsingel is minimaal 6 meter breedt. Dit is gemeten van hart boom/struik 1e rij tot hart boom/struik laatste rij. Een bredere singel is toegestaan. Soortkeuze en percentage voor bomen is; Carpinus betulus haagbeuk Tilia cordata Winderlinde Quervus robur Eik Acer campestre Veldesdoorn Alnus glutinosa Els Acer pseudoplatanus Gewone Esdoorn

5% 10% 10% 5% 10% 10%

60-100 cm. 80-100 cm. 80-120 cm. 60-100 cm. 80-100 cm. 80-100 cm.

Soortkeuze en percentage voor struiken is; Prunus padus Vogelkers Euonymus europaea Kardinaalmuts Rosa canina Hondsroos Viburnum opulus gelderse roos Rhamnus carharticus Wegedoorn Cornus sanguinea Rode kornoelje Cornus mas Gele kornoelje Ligustrus vulgare Gewone Liguster Corylus avellana hazalaar

5% 5% 5% 10% 5% 5% 5% 5% 5%

50-80 cm. 50-80 cm. 60-100 cm. 50-80 cm. 50-80 cm. 60-100 cm. 50-80 cm. 50-80 cm. 60-100 mm.

00

14.000

00

Project: WIJZIGEN BESTEMMINGSPLAN Onderdeel: INRICHTINGPLAN

Werknummer:

Bladnummer:

A-23-049 T-01

Opdrachtgever:

Status:

Fase:

DE FEIJTER TUINBOUW

VOORLOPIG

SCHETSONTWERP

Schaal:

Formaat:

1:500

A-1

Datum:

Kuinderweg 15

21-08-2023

8305 AJ, Emmeloord

Wijzigingen:

Lokatie:

A|

D|

Kuinderweg 15

Tekenaar:

Email:

B|

E|

8305 AJ, Emmeloord

M. Kok

m.kok@boes-kok.nl

C|

F|

Deze ontwerptekening is vervaardigd ter besluitvorming van het bevoegd gezag m.b.t een aanvraag omgevingsvergunning. Het betreL Z] P ev ]}]vP - / werktekening, het is aan de opdrachtgever / uitvoerend aannemer om deze te vervaardigen en ter controle / goedkeuring aan te bieden aan het bevoegd gezag. Al onze werkzaamheden worden uitsluitend uitgevoerd onder toepasselijkheid van de Standaardvoorwaarden De Nieuwe Regeling 2011 (DNR-2011) met in mogelijke aanvulling hierop de expliciete voorwaarden als gesloten in de opdrachtovereenkomst met Boes + Kok B.V.

KUINDERWEG 15, EMMELOORD

De op deze tekening aangegeven aangrenzende percelen en bebouwing, of de inrichvP v Z }v a P] o Hier zijn dan ook geen rechten aan te ontlenen, deze tekening is uitsluitend bedoeld ter aanduiding van de betre+v

]v lo

v

v`} oo]ilZ] v }B o]}u]vP v Z }P

+ Kok B.V. PP .

ZP]l Deze tekening is eigendom van Boes + Kok B.V. en mag zonder haar schriLo]il }u m]vP v] `}v , gekopieerd en/of aan derden ter beschikking worden gesteld anders dan de opdrachtgever of haar uitvoerende pariv . Auteursrechten voorbehouden volgens de Auteurs wet van 23 september 1912, houdende nieuwe regeling van het auteursrecht.

6.0

-.

-

in

15

BE BO UW ING SV RIJ EZ ON E

6.000

rit -K uin de rw eg -

ALLE MAATVOERING IN HET WERK CONTROLEREN BEBOUWINGSVRIJE ZONE

2.000

BEBOUWINGSVRIJE ZONE

Bijlage 3

55/142

Stikstofonderzoek

- MEMO

STIKSTOFDEPOSITIE Kuinderweg 15 - Emmeloord 8 november 2023

DATUM KENMERK

08-11-2023 20230928_stk_02

PROJECT PROJECTLEIDER

Emmeloord, Kuinderweg 15 J. Tromp

OPDRACHTGEVER De Feijter PROJECTNUMMER 20230928

AUTEUR

2/9

J. Tromp

Memo

1. INHOUD 1. 2.

3.

4.

Inleiding Wettelijk kader

4 5

2.1 2.2 2.3

5 5 6

Wet natuurbescherming Beslisboom toestemmingsverlening Bepalen referentiesituatie bestemmingsplan

Uitgangspunten, opzet onderzoek

6

3.1 3.2 3.3

6 7 8

Referentiesituatie Gebruikfase Realisatiefase

Conclusie

Bijlage 1 Stikstofberekeningen

3/9

9

1. INLEIDING Aan de Kuinderweg 15 te Emmeloord in de gemeente Noordoostpolder wil initiatiefnemer op het perceel een nieuwe mestsilo realiseren. Het bedrijf haalt nu elders haar mest vandaan, maar is het voor de bedrijfsvoering efficiënter om een mestsilo te realiseren voor de opslag van vaste mest op het erf zelf. Het realiseren van een opslag draagt niet bij aan meer mestverbruik, de mest wordt namelijk in de huidige situatie al uitgereden over het land. Door de opslag van mest, ondanks dat dit nu in de omgeving wordt opslag, is de stikstofdepositie hiervan wel relevant. In het kader van de beoogde ontwikkeling dient het plan te worden getoetst aan de eisen uit de Wet natuurbescherming, waarbij onder andere de mogelijke gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 een rol spelen. Figuur 1 laat de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000‐netwerk zien. Het meest nabijgelegen gebied met stikstofge‐ voelige habitats betreft het Natura 2000‐gebied Weerribben en De Wierden. De afstand van dit Natura 2000‐gebied tot het plangebied bedraagt minimaal 8 kilometer.

Figuur 1 Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden (bron: Aerius Calculator)

4/9

2. WETTELIJK KADER 2.1

Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming: ● verankert de Europese gebiedsbescherming van Natura 2000, bestaande uit Speciale Beschermingszones (SBZ's) op grond van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, in de Nederlandse wetgeving; ● vormt de wettelijke basis voor de aanwijzingsbesluiten met instandhoudingsdoelstellingen; ● legt de rol van bevoegd gezag voor verlening van vergunningen meestal bij de provincies. Voor Natura 2000-gebieden gelden onder meer de volgende verplichtingen: ● De overheid dient ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert. Tevens mag er geen verstoring optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen. ● Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied. Bevoegde nationale instanties geven slechts toestemming voor het plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast.

● Als een plan of project om dwingende reden van groot openbaar belang toch moet worden gerealiseerd, terwijl significant negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moeten alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Europees ecologisch netwerk (Natura 2000) bewaard blijft. Bij de beoordeling van de gevolgen van plannen, projecten en handelingen voor de instandhoudingsdoelstellingen spelen onder andere de ecologische effecten van verzuring en vermesting door een eventuele toename van stikstofdepositie een rol. Uit jurisprudentie volgt dat in een overbelaste situatie al bij een kleine toename van stikstofdepositie sprake kan zijn van significante negatieve effecten. In dat geval is een passende beoordeling noodzakelijk.

2.2

Beslisboom toestemmingsverlening

Uit de op 12 oktober 2019 door de Rijkoverheid gepubliceerde beslisboom “Toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten” volgt dat als de uitkomst van de berekening is dat er geen sprake is van stikstofdepositie (dat wil zeggen dat de op twee decimalen afgeronde bijdrage niet meer bedraagt dan 0,00 mol N/ha/jr er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten en er geen natuurvergunning nodig is. Als de AERIUS-berekening aantoont (zie volgend) dat een project leidt tot tijdelijke en/of zeer geringe stikstofdepositie op overbelaste Natura 2000-gebieden, kan het toch zo zijn dat significante negatieve effecten via een ecologische voortoets kunnen worden uitgesloten. Als dit niet het geval is, kan overgegaan worden naar een passende beoordeling.

5/9

2.3

Bepalen referentiesituatie bestemmingsplan

Bij het opstellen van een bestemmingsplan geldt volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling als referentiesituatie de feitelijke aanwezige en planologisch toegestane situatie voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan. ABRvS 4 maart 2020, http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2020:684 Wat betekent dat? 1. 2. 3.

Feitelijk aanwezig betekent dat iets gerealiseerd en feitelijk aanwezig moet zijn (dus niet enkel vergund). Bij agrarische bedrijven gaat het bijvoorbeeld om de feitelijke veebezetting, niet de vergunde situatie waar vaak nog ‘lucht’ in zit. Planologisch legaal betekent positief bestemd. Gebruik dat enkel is toegestaan op basis van het gebruiksovergangsrecht en dus niet positief is bestemd kan niet worden gebruikt als referentiesituatie. Voorafgaand betekent aanwezig tot op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan. Dit is tot nu toe alleen genuanceerd voor agrarisch gebruik dat met het oog op een nieuwe ontwikkeling al eerder was geëindigd. Dat dit met het oog op de ontwikkeling werd geëindigd moet wel blijken uit een schriftelijk stuk zoals een koopovereenkomst, ABRS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1690 (Heiloo).

Met de uitspraak van Raad van State in de zaak ‘Logtsebaan’, van 20 januari 2021, is voor intern salderen geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming meer nodig.

3. UITGANGSPUNTEN, OPZET ONDERZOEK AERIUS Calculator, release 6 november 2023 Met behulp van de nieuwe release van het rekenprogramma AERIUS-Calculator (release 06 november 2023) is gekeken naar de depositie op de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden (automatische berekening). Vanuit de AERIUS-Calculator is vervolgens een PDF-bestand met resultaten gegenereerd. Er zijn in dit onderzoek meerdere berekeningen uitgevoerd om de stikstofdepositiebijdrage van het plan op de Natura 2000-gebieden in kaart te brengen: ● Berekeningen stikstofdepositiebijdrage in de referentiesituatie ● Berekening realisatie van de mestopslag ● Berekening stikstofdepositiebijdrage alleen van de mestopslag De referentiesituatie voor plannen is de feitelijk bestaande, planologisch legale situatie ten tijde van de (beoogde) vaststelling van het plan. In de situatie van het plan Kuinderweg zijn de gronden bestemd en worden de grond agrarisch gebruikt voor akkerbouw. Hieruit komen emissies van NH3 voort vanwege de bemesting van het land.

3.1

Referentiesituatie

In de huidige situatie is sprake van 1 hectare landbouwgrond. Bij de bemesting van landbouwgronden komt ammoniak (NH3) vrij. Het type teelt bepaald de emissie van ammoniak. Om die reden is dan ook op basis van www.boerenbunder.nl de actuele teelt bepaald. Op basis van de gebruiksnormen van de actuele teelt, het type mest, het TAN-gehalte van de mest, de mestaanwendingstechniek en de bijbehorende emissiefactor is de NH3-emissie berekend. De gegevens over TAN en emissiefactoren zijn ontleend aan Velthof et al (2019): “Referentieraming van emissies naar de lucht uit landbouw en landgebruik tot 2030”. Onderstaand zijn de uitgangspunten uitgewerkt en samengevat in tabellen.” Op dit moment worden het perceel NOP00 A 1874 agrarisch gebruikt. Het gaat om kleigrond, waarbij op het perceel op het perceel worden mais (2023) geteeld. Met onderhavig plan wordt 1 ha van dit perceel in gebruik genomen als agrarisch erf, waardoor deze gronden niet meer worden bemest.

6/9

Bij de bemesting van landbouwgronden komt ammoniak (NH3) vrij. Het type teelt bepaald de emissie van ammoniak. Om die reden is dan ook op basis van www.boerenbunder.nl de actuele teelt bepaald. Op basis van de gebruiksnormen van de actuele teelt, het type mest, het TAN-gehalte van de mest, de mestaanwendingstechniek en de bijbehorende emissiefactor is de NH3-emissie berekend. Emissiefactoren De emissiefactor wordt bij aanwending van dierlijke mest in sterke mate bepaald door de aanwendingstechniek. In Velthof et al. (2019) is beschreven in welke mate (implementatiegraad) de verschillende aanwendingstechnieken worden toegepast en de bijbehorende emissiefactoren. Op basis van emissiefactor per aanwendingstechniek is voor dierlijke mest (stalmest en drijfmest) op grasland en bouwland, en voor kunstmest, een gemiddelde emissiefactor bepaald. Voor de onderhavige situatie wordt uitgegaan van drijfmest op bouwland. Tabel 2.4 Gemiddelde emissiefactoren voor perceelsbemesting

Ammoniakemissie bij mestaanwending Op basis van de gegevens die in het voorgaande zijn beschreven is per perceel en gewas berekend wat de ammoniakemissie ten gevolge van mestaanwending in 20231 is. Hierbij is geen rekening gehouden met de agrarische verkeersbewegingen (ploegen, mesten spuiten, maaien etc.) die eveneens zullen komen te vervallen. Hierover bestaan geen gegevens en ook geen kengetallen. Deze emissiebron blijft daarom buiten beschouwing.

DierPerNorm lijke TAN ceel mest Mais

185

3.2

Gebruikfase

EmisEmissie- Emis- Kunst- sie- Emis- Totaal facsie mest facsie per ha tor tor

170 0,66 0,033 3,7026

15

Omrekening naar N

0,036 0,54 4,2426 5,09112

Opp. perceel 1

Totale emissie Emissie per- dierlijke ceel mest 4,2426

3,7026

emissie kunstmest 0,54

Berekening ammoniakemissies uit mestsilo Bij12 heeft voor het berekenen van ammoniakemissies uit een mestsilo een notitie2 opgesteld. Voor onderhavige berekening zijn de uitgangspunten van deze notitie aangehouden. Voor het berekenen van de emissie wordt de volgende formule gehanteerd, Kg NH3/jaar emissie = emitterend oppervlak x gemiddelde emissie kg/h x 24 uur x aantal gebruiksdagen3 x percentage dat vervluchtigt ondanks afdekking. Uitgangspunten:

1 https://www.rvo.nl/sites/default/files/2023-08/Brochure-Hoeveel-mest-gebruiken-hoe-rekent-u-dat-uit-v1.7-Aug2023.pdf 2 Notitie-mestsilos.pdf (bij12.nl) 3

Niet alle mestsilo's zijn jaarrond gevuld. Neem daarom het aantal dagen dat de opslag in gebruik is. De gebruiksdagen zijn die dagen dat er géén mest mag worden uitgereden en opslag noodzakelijk is. De uitrijtijden verschillen per grondsoort en gebruik. Zie RVO (Wanneer mest uitrijden?)

7/9

Op het erf wordt een nieuwe drijfmestsilo gesitueerd. Deze silo heeft een oppervlak van 615 m2 en een inhoud van 3.100 m3. Het bestemmingsplan laat een silo tot een maximum oppervlak van 750 m² toe, in de berekening is daarom uitgegaan van een mestsilo van 750m² In de silo wordt drijfmest opgeslagen. Op basis van het activiteitenbesluit dient elke mestbassins te zijn afgedekt (artikel 3.67 lid 1 Activiteitenregeling). Dit geldt voor alle soorten mestbassins. Het kan een constructieve voorziening (bijvoorbeeld een kap of overkapping) of een drijvende voorziening (bijvoorbeeld een drijfkleed, al dan niet met mixluiken) zijn. In onderhavig project wordt gebruik gemaakt van een spankap. De opslag van drijfmest vindt plaats in een dichte silo, waardoor minimaal is van ammoniakemissie. Deze emissie ontstaan alleen als de spankap wordt opengaat, voor de berekening is uitgegaan van een vervluchtigt van 5%. •

De gemeten emissie uit niet afgedekte mestopslagen met runderdrijfmest bedroeg gemiddeld over het jaar ca 235 mg/h per m2 mestoppervlak;

De mistsilo is over een jaar, 4 maanden in gebruik, uitgaande van gemiddeld 30 dagen per maand, komt dit neer op 120 dagen. Gehanteerd: emitterend oppervlak x gemiddelde emissie kg/h x 24 uur x aantal gebruiksdagen4 x percentage dat vervluchtigt ondanks afdekking. 750 m² x 0,000235 kg/h per m² x 24 uur x 120 dagen x 5% = 25,38 kg NH3- emissie/jr.

3.3

Realisatiefase

Er dient onderzocht te worden of het initiatief in de aanlegfase negatieve gevolgen heeft voor stikstofgevoelige habitattypen binnen omliggende beschermde natuurgebieden. De aanlegfase duurt 2 weken. Tijdens de bouw worden de materialen zoals, beton, metaal, prefab elementen, bekisting e.d. en de installatie(s) aangevoerd middels 30 vrachtwagens (zwaar-vrachtverkeer) en wordt bouwafval afgevoerd middels 2 vrachtwagens (zwaarvrachtverkeer). Ten behoeve van de werkzaamheden is er een kraan (zwaar- vrachtverkeer), een graafmachine en een tractor met kipper. Dit zijn in totaal 35 verkeersbewegingen in 2 weken. Aangezien Aerius niet rekent per week, zijn de aantallen voor een maand ingevoegd. Tijdens de bouw komen ook personen (bouwvakkers, installateurs, elektriciens enz.) naar de locatie. Dit zullen 2 voertuig per werkdag zijn (licht verkeer). Ervan uitgaande dat er 5 werkdagen per week gewerkt wordt over een periode van 2 weken bedraagt dit in totaal 10 verkeersbewegingen. Aangezien Aerius niet rekent per week, zijn de aantallen voor een maand ingevoegd. Tijdens de werkzaamheden is een kraan (mobiele kraan) aanwezig om en de wanden te plaatsen. Deze kraan is niet de gehele 2 weken in gebruik, en wordt over 1 week ingezet, uitgaande van 5 werkdagen van 8 uur, komt dit op een inzet van 40 uur. Uitgegaan wordt van de klasse Stage IV 75-560kw met een verbruik van 20 liter per uur.

Met een brandstofverbruik van maximaal 800 liter. Tijdens de werkzaamheden is in totaal 2 dagen een graafmachine (mobiele kraan) inclusief een tractor met kipper aanwezig om het grondwerk te verrichten. Voor beide mobiele werktuigen wordt uitgegaan van de Stage IV 75-560kw. Uitgaande van 2 werkdagen van 8 uur, komt dit op een inzet van 16 uur per voertuig. met een verbruik van 20 liter per uur. Met een brandstofverbruik van maximaal 640 liter.

4

Niet alle mestsilo's zijn jaarrond gevuld. Neem daarom het aantal dagen dat de opslag in gebruik is. De gebruiksdagen zijn die dagen dat er géén mest mag worden uitgereden en opslag noodzakelijk is. De uitrijtijden verschillen per grondsoort en gebruik. Zie RVO (Wanneer mest uitrijden?)

8/9

Bovenstaande verkeersbewegingen en brandstofverbruik zijn een worst-case inschatting van de activiteiten met betrekking tot de bouw van de mestsilo. De ontsluiting van het verkeer vindt in zuidelijk richting plaats via de Kuinderweg. Een criterium voor wanneer verkeer in het heersende verkeersbeeld is opgenomen wordt gegeven in de instructie, namelijk: ‘op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aangetrokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer.’ Het verkeer zal na 250 meter op de Kuinderweg opgaan in het overige verkeer dat op deze weg aanwezig zal zijn. In het programma Aerius Calculator zijn de emissiegegevens voor de aanlegfase ingevoerd. Het resultaat van het rekenprogramma is de depositie per jaar. In het rekenprogramma zijn de volgende invoergegevens opgenomen: Zwaar-vrachtverkeer: Lichtverkeer: Kraan: Graafmachine: Tractor met kipper

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.noordoostpolder.nl/api/v1/meetings/2141/documents/38214