CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Parkeerverordening Noardeast-Fryslan

It Beslút 8 juli 2021, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Parkeerverordening (parkeervergunningen)4.571 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Parkeerverordening gemeente Noardeast-Fryslân De raad van de gemeente Noardeast-Fryslân

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 juni 2021;

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; besluit:

vast te stellen de volgende verordening: Parkeerverordening gemeente Noardeast-Fryslân 2021.

AFDELING I. DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN Artikel 1.

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens1990;

b. motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia van het RVV 1990;

c. parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een

motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het

onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van

goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;

d. houder: degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van

het parkeren was ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens;

e. parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten met inbegrip van

verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan;

f. parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats waarvoor parkeerbelasting wordt geheven door

middel van parkeerapparatuur;

g. belanghebbendenplaats: een parkeerplaats die

a. is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990, of

b. gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV

1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd;

h. vergunning: een door het college verleende vergunning, krachtens welke het is

toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- of belanghebbendenplaatsen;

i. vergunninghouder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend;

j autodate: het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van motorvoertuigen op grond

van een overeenkomst tussen natuurlijke personen en een aanbieder of tussen natuurlijke personen uit meer dan één huishouden;

k. autodateplaats: een parkeerplaats aangewezen voor een motorvoertuig bestemd voor autodate.

AFDELING II. PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN EN VERGUNNINGBEWIJZEN Artikel 2.

1. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten en/of zones aanwijzen die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. Het college kan hierbij onderscheid maken in de categorieën als bedoeld in artikel 3, derde lid.

2. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren alleen aan vergunninghouders is toegestaan.

Artikel 3.

1. Het college kan op een daartoe strekkende aanvraag een vergunning verlenen voor het parkeren op belanghebbendenplaatsen of parkeerapparatuurplaatsen.

2. Het college kan regels stellen voor het aanvragen en verlenen van een vergunning. 3. Een vergunning kan worden verleend aan:

a. een eigenaar of houder van een motorvoertuig die woont in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie I);

b. een eigenaar of houder van een motorvoertuig die een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door vergunninghouders te gebruiken

parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en die aantoont dat het in het belang van diens

beroep- of bedrijfsuitoefening noodzakelijk is in dat gebied een motorvoertuig te parkeren (categorie II);

c. een eigenaar of houder van een motorvoertuig bestemd voor autodate, waarvan de

autodateplaats is gelegen in een gebied waar belanghebbendenplaatsen of mede door

vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn (categorie III).

4. Het college kan in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan een eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet voldoet aan één van de in het derde lid genoemde vereisten.

5. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, een maximum aantal uit te geven vergunningen per aaneengesloten gebied en per categorie vaststellen.

6. Het college kan aan een vergunning voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot

bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Aan een

vergunning voor categorie III kan het college voorschriften en beperkingen verbinden die strekken tot bescherming van het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte

overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waaronder mede wordt begrepen het stimuleren van selectief autogebruik.

Artikel 4.

1. Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van een aanvraag voor een vergunning.

2. Het college kan de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste vier weken verlengen. Van een verlenging van deze termijn wordt de aanvrager schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 5.

1. Een vergunning wordt voor ten hoogste 1 jaar verleend.

2. De vergunning bevat in ieder geval de volgende gegevens: a. de periode waarvoor de vergunning geldt;

b. het gebied waarvoor de vergunning geldt;

c. de naam van de vergunninghouder of het kenteken van het motorvoertuig waarvoor de vergunning is verleend.

Artikel 6.

Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen: a. op verzoek van de vergunninghouder;

b. wanneer de vergunninghouder niet meer woonachtig is of geen beroep of bedrijf meer uitoefent in het gebied, waarvoor de vergunning is verleend;

c. wanneer er zich een wijziging voordoet in een van de omstandigheden die relevant waren voor het verlenen van de vergunning;

d. wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen;

e. wanneer de vergunninghouder niet of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voor zijn vergunning heeft voldaan;

f. wanneer de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

g. wanneer blijkt dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; h. om redenen van openbaar belang.

AFDELING III. VERBODSBEPALINGEN Artikel 7.

1. Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats of een

autodateplaats slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden:

a. zonder vergunning;

b. zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van de voor dat motorvoertuig afgegeven vergunning;

c. in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften.

2. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

Artikel 8.

Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen, dan wel met andere

munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen.

Artikel 9.

1. Het is verboden om enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig, te plaatsen of te laten staan: a. op een parkeerapparatuurplaats; b. op een belanghebbendenplaats.

2. Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij

parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor een normaal gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd.

3. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel.

AFDELING IV. STRAFBEPALING Artikel 10.

Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de eerste categorie.

AFDELING V. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 11.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door het college aangewezen personen.

Artikel 12.

Deze verordening wordt aangehaald als: Parkeerverordening Noardeast-Fryslân 2021.

Artikel 13.

1. Deze verordening treedt in werking met terug werkende kracht vanaf 1 januari 2021 met

uitzondering van de afdelingen III en IV. Deze treden in werking op de dag na de bekendmaking.

2. Vergunningen die zijn verleend krachtens de Parkeerverordening gemeente Dongeradeel worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening.

Aldus besloten door de raad van de gemeente Noardeast-Fryslân in zijn openbare vergadering d.d. 8 juli 2021.

De raad voornoemd, de griffier,

Signed By: Dijkstra, Sytze <s.dijkstra@noardeast-fryslan.nl> {{Signer1}} 09/07/2021 11:30:10 CEST ID: da24c11c-d729-4991-8bc5-740c2c379e55 Auth: Scribble

mr. S.K. Dijkstra

de voorzitter,

Signed By: Kramer, Johannes <j.kramer@noardeast-fryslan.nl> {{Signer2}} 12/07/2021 11:55:53 CEST ID: da24c11c-d729-4991-8bc5-740c2c379e55 Auth: Scribble

mr. J.G. Kramer

TOELICHTING ALGEMENE TOELICHTING Parkeerbeleid is vanouds een belangrijk onderdeel van het gemeentelijk verkeer- en vervoerbeleid.

Parkeerbeleid is van belang in verband met de verbetering van de bereikbaarheid en leefbaarheid op lokaal en regionaal niveau. Via parkeerbeleid kunnen gemeenten de verdeling van de vaak schaarse parkeerruimte reguleren en overlast voorkomen. Een goed instrument dat gemeenten kunnen gebruiken voor de parkeerregulering is het invoeren van betaald parkeren en parkeren door

vergunninghouders (ook wel belanghebbendenparkeren) en autodate. Veel grote en middelgrote gemeenten passen dit instrument reeds vele jaren toe.

In het verleden heeft de VNG drie varianten voor een model-Parkeerverordeningen en drie varianten voor een model-Verordeningen Parkeerbelastingen opgesteld: 1. model voor fiscale afhandeling;

2. model voor strafrechtelijke afhandeling via de ‘Wet Mulder’

3. model voor een gecombineerde fiscale en strafrechtelijke afhandeling via de ‘Wet Mulder’. Bij het model voor de fiscale afhandeling wordt de handhaving door de gemeenten zelf gedaan door

middel van het opleggen van een fiscale naheffingsaanslag, wanneer iemand niet, niet geheel of niet tijdig aan zijn betalingsverplichting via de aangewezen parkeerapparatuur heeft voldaan.

Bij de strafrechtelijke afhandeling via de ‘Wet Mulder’ wordt de handhaving door de politie, bijzondere

opsporingsambtenaren (boa’s) en het openbaar ministerie gedaan. Bij de gecombineerde variant wordt de handhaving via beide wegen uitgevoerd.

Voor zover wij weten hebben (nagenoeg) alle gemeenten die betaald parkeren hebben ingevoerd gekozen voor de fiscale afhandeling (variant 1). Op zich niet vreemd, omdat gemeenten op deze

manier de handhaving van het betaald parkeren zelf in de hand hebben. De kosten die gemeenten hiervoor moeten maken kunnen voor een groot deel worden gedekt door de opbrengsten van de

naheffingsaanslag (anno 2008 max. € 49 per naheffingsaanslag). De andere varianten worden niet (of nauwelijks) toegepast. Dit is voor de VNG aanleiding geweest om nog slechts één model-

Parkeerverordening en één model-Verordening Parkeerbelastingen op te stellen. Deze beide modelverordeningen sluiten naadloos op elkaar aan.

In de model-Parkeerverordening wordt vooral aandacht besteed aan het verlenen van

parkeervergunningen en is een aantal verbodsbepalingen opgenomen, zoals het zonder vergunning

parkeren op een belanghebbendenplaats en het plaatsen van andere voorwerpen op parkeerplaatsen die bestemd zijn voor betaald parkeren of belanghebbendenparkeren.

De model-Verordening Parkeerbelastingen gaat vooral over (het ontstaan van) de belastingplicht, de maatstaf en de wijze van de heffing, de betaling en de naheffingsaanslag.

FISCALISERING EN BELANGHEBBENDENPARKEREN Alleen het parkeren bij parkeerapparatuur (parkeermeters, parkeerautomaten en verder alles wat hieronder kan worden verstaan) kan worden gefiscaliseerd. Bij deze apparatuur wordt een

parkeerbelasting geheven. Het college van burgemeester en wethouders wijst de gebieden aan waar het betaald parkeren wordt ingevoerd. Bij niet-, niet geheel of niet tijdige betaling van de

parkeerbelasting wordt het verschuldigde parkeergeld nageheven en worden ook de kosten van de naheffingsaanslag doorgerekend.

Bij belanghebbendenparkeren wordt ook een parkeerbelasting betaald voor het verkrijgen van een parkeervergunning, waarmee in een bepaald gebied mag worden geparkeerd. Het college van

burgemeester en wethouders wijst de gebieden aan waar belanghebbendenparkeren wordt ingevoerd.

Wanneer iemand zijn auto zonder vergunning parkeert in een belanghebbendengebied (aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990), kan geen naheffingsaanslag worden opgelegd. Het zonder

vergunning parkeren is strafbaar gesteld in de model-Parkeerverordening (art. 7) en komt in principe alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet Mulder’ in aanmerking.

Gemeenten hebben de mogelijkheid om de handhaving binnen belanghebbendengebieden toch te

fiscaliseren. Zij kunnen dit doen door in het belanghebbendengebied ook parkeerapparatuur neer te

zetten, nadat dit gebied door het college ook als betaald parkeergebied is aangewezen. In feite is dan sprake van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én belanghebbendenparkeren. Wanneer iemand in zo’n gebied parkeert zonder vergunning én zonder betaling van de parkeerbelasting, kan

alsnog een naheffingsaanslag worden opgelegd. Dit betekent wel dat op de parkeerplaatsen, die voor belanghebbendenparkeren bestemd waren, ook andere parkeerders geduld moeten worden. Om te

voorkomen dat het belanghebbendengebied geheel door de losse parkeerders wordt bezet, kan een hoog (dag)tarief worden gehanteerd waardoor het parkeren door anderen dan vergunninghouders wordt ontmoedigd.

AUTODATE Onder autodate wordt verstaan het herhaald en opeenvolgend gezamenlijk gebruik van een auto op

basis van een overeenkomst tussen meerdere partijen (zie art.1 onder j van de Parkeerverordening).

Vergunningen voor aanbieders van motorvoertuigen bestemd voor autodate worden verleend met het oog op de bijdrage die daardoor kan worden geleverd aan het selectief gebruik van de auto. De

voorschriften en beperkingen waaronder de vergunningen worden verleend en de gronden waarop

vergunningen worden geweigerd zouden dan ook betrekking moeten hebben op deze bijdrage aan het publiek belang.

Om autodateplaatsen te kunnen reserveren in gebieden zonder parkeerdruk is het noodzakelijk om het motief van de verordening expliciet te verbreden naar de in artikel 2, tweede lid van de

Wegenverkeerswet genoemde motieven: het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer, waarbij onder het laatste ook wordt verstaan het bevorderen van selectief autogebruik.

Bij de besluitvorming over het afgeven van een vergunning voor een autodateplaats kunnen gemeenten de volgende criteria een rol laten spelen:

- de beschikbaarheid van de auto voor deelnemers dag en nacht

- het ophalen en terugbrengen van de auto is makkelijk en dicht in de buurt - het systeem draagt bij aan een bewust en selectief autogebruik

- de afspraken tussen aanbieder en deelnemers zijn van langere duur (dus niet incidenteel) - de (technische ) kwaliteit en service bij ongevallen en storingen is goed.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Aanhef In de aanhef van de Parkeerverordening dienen de artikelen 149 Gemeentewet en 2a Wegenverkeerswet 1994 opgenomen te worden. Op grond van het eerste artikel mogen autonome verordeningen worden opgesteld en op grond van het tweede artikel behouden gemeenten hun autonome regelgevende

bevoegdheid ten aanzien van het onderwerp waarin de Wegenverkeerswet voorziet, voorzover die regels niet in strijd zijn met de bij of krachtens deze wet vastgestelde regels en voorzover verkeerstekens krachtens deze wet zich daar niet toe lenen.

AFDELING I DEFINITIES EN BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

Artikel 1

b. motorvoertuigen

Op grond van artikel 225 van de Gemeentewet kunnen parkeerbelastingen worden geheven voor het

parkeren met voertuigen. In de model-Parkeerverordening is ervoor gekozen om de werking van deze

verordening te beperken tot motorvoertuigen, zoals bedoeld in artikel 1 onder z van het RVV 1990 met inbegrip van brommobielen. In dit artikel wordt onder motorvoertuigen verstaan: ‘alle gemotoriseerde

voertuigen behalve bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen’. Een brommobiel is in het RVV 1990 (art. 1 onder ia) gedefinieerd als een bromfiets op meer dan twee wielen, die is voorzien van een carrosserie.

Brommobielen vallen dus niet onder de definitie van motorvoertuigen. In artikel 2a van het RVV 1990 is echter bepaald dat de regels voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn op brommobielen en de bestuurders en passagiers van brommobielen. Bestuurders van brommobielen moeten zich in het verkeer dus gedragen als een ‘gewone’ automobilist. Dit geldt ook voor het parkeren met een

brommobiel. Daarom is ervoor gekozen de Parkeerverordening en de Verordening parkeerbelastingen ook van toepassing te verklaren op brommobielen.

c. parkeren

In de Parkeerverordening is aansluiting gezocht bij de definitie van het begrip parkeren in artikel 225

van de Gemeentewet en dus niet bij de definitie uit artikel 1 onder ac. van het RVV 1990. Er is gekozen voor deze definitie, omdat het invoeren van betaald parkeren en vergunninghoudersparkeren ook gebaseerd is op artikel 225 van de Gemeentewet.

d. houder

In de definitie van het begrip houder komt het begrip ‘motorrijtuig’ voor. Dit is gedaan, omdat in de

WVW 1994 bepaald is dat motorrijtuigen over een kenteken moeten beschikken. Het RVV 1990, waarin onder andere bepalingen over parkeren zijn opgenomen, spreekt daarentegen over motorvoertuigen. Dit is op zich verwarrend, maar materieel gezien komen de definities van beide begrippen goeddeels overeen.

j. autodate

De omschrijving van het begrip autodate is bewust ruim gelaten, om ruimte te bieden aan verschillende vormen van autodate. Anderzijds dient autodate te worden onderscheiden van andere, met name

reguliere vormen van autoverhuur, hetgeen uiteraard niet betekent dat reguliere autoverhuurbedrijven

geen autodate kunnen aanbieden. Deze 'reguliere' vormen van autoverhuur vallen niet onder autodate, omdat het daarbij niet gaat om herhaald gezamenlijk gebruik op grond van een overeenkomst. Bij

autodate worden overeenkomsten gesloten tussen meerdere deelnemers en een aanbieder op grond waarvan deelnemers meerdere malen een auto kunnen gebruiken. Bij reguliere autohuur wordt in beginsel per huurperiode een overeenkomst gesloten.

AFDELING II PLAATSEN VOOR VERGUNNINGHOUDERS, VERGUNNINGEN EN VERGUNNINGBEWIJZEN

Artikel 2. Het aanwijzen van de gebieden en plaatsen waar en de tijden waarop met een vergunning op

belanghebbendenplaatsen geparkeerd kan worden, dient bij of krachtens deze verordening te worden geregeld. Het aanwijzen van de gebieden, plaatsen en tijden voor het parkeren bij parkeerapparatuur gebeurt op basis van de Verordening Parkeerbelastingen. Uit praktische overwegingen is de aanwijzingsbevoegdheid bij het college neergelegd.

De aanwijzing van belanghebbendengebieden is in principe alleen mogelijk voor gebieden waar een redelijke mate van parkeerdruk aanwezig is. Voor het aanwijzen van een autodateplaats is de

aanwezigheid van parkeerdruk niet perse noodzakelijk. Het motief van het aanwijzen van zo’n

autodateplaats is veel meer gelegen in het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer (zie artikel 2, tweede lid WVW 1994).

Autodate levert een bijdrage aan een selectiever autogebruik en daarmee aan het verbeteren van de luchtkwaliteit en het verminderen van de geluidsoverlast door het verkeer. Het reserveren van een

autodateplaats in een gebied zonder parkeerdruk is nodig om autodate als werkbaar alternatief voor de eigen auto te kunnen aanbieden. Voorkomen moet worden dat de gebruiker van een date-auto eerst de gehele buurt moet gaan afzoeken naar de plek waar de date-auto door de vorige gebruiker is

geparkeerd. Het welslagen van autodatesystemen is in grote mate afhankelijk van de mate waarin de aanbieder een dienst kan aanbieden die hetzelfde gebruikersgemak kent als 'de (eigen) auto voor de deur'.

Artikel 3. Het college kan parkeervergunningen afgeven voor het parkeren op plaatsen voor belanghebbenden of met parkeerapparatuur. Het college kan tevens nadere regels stellen voor het indienen van aanvragen en het verlenen van de parkeervergunning. Hierbij kan worden gedacht aan het stellen van

indieningsvereisten voor het aanvragen van een parkeervergunning. In het kader van het voorkomen van onnodige administratieve lasten voor burgers en bedrijven adviseren wij u geen gegevens te

vragen die reeds binnen uw organisatie bekend zijn of die u eenvoudig en vaak goedkoper zelf kunt opvragen. Wij denken hierbij dan aan het opvragen van bedrijfsgegevens bij de Kamers van Koophandel voor het afgeven van een parkeervergunning aan een bedrijf.

Ook kan het college regels stellen voor personen of bedrijven die nog niet in het

vergunningenhoudersgebied wonen of gevestigd zijn, maar die dat wel binnen afzienbare tijd gaan

doen. Zij zouden alvast op een eventuele wachtlijst voor een parkeervergunning kunnen worden gezet. Wel zullen zij voldoende hard moeten kunnen maken dat zij ook daadwerkelijk in het betreffende gebied gaan wonen of zich daar gaan vestigen met een bedrijf. Denk hierbij een koopcontract of huurcontract.

Voorbeeldformulieren voor het aanvragen van een parkeervergunning kunt u vinden op de website van EGEM: http://www.egem-iteams.nl.

In de verordening zijn drie categorieën opgenomen: bewoners, bedrijven en autodate. U kunt het aantal categorieën eventueel uitbreiden met bijvoorbeeld: bezoekers, huisartsen, incidentele vergunningen ed.

Parkeervergunningen voor autodate worden veelal verleend aan bedrijven die zich bezighouden met het aanbieden van date-auto’s. Deze vergunningen zijn geldig de voor specifiek aangewezen

autodateplaatsen. Daarnaast kunnen dit soort vergunningen ook worden verleend aan natuurlijke

personen of aan een maatschap ten behoeve van particuliere autodate. De Vereniging voor Gedeeld Autogebruik heeft een standaard-maatschapovereenkomst voor particuliere autodate: zie www.autodate.nl.

Een parkeervergunning voor autodate kan ook worden verleend voor een subcategorie. Als

bijvoorbeeld in één straat meerdere aanbieders van autodate standplaatsen hebben, kunnen

vergunningen worden verleend voor categorie III (autodate) in zone A (wijk X), subcategorie 2 (plaatsen voor aanbieder Z). Hiermee kan worden voorkomen dat een auto van bedrijfsmatige aanbieder Y wordt geparkeerd op plaatsen gereserveerd voor een auto van aanbieder Z.

Door in de parkeerverordening te verwijzen naar categorieën en deze middels een onderbord ook bij de parkeerplaats zelf te vermelden, is het de betrokken vergunninghouders ook bekend waar zij

kunnen parkeren. Voor een uitgebreider behandeling van de parkeerbebording verwijzen wij naar de CROW-uitgave 'Richtlijn parkeerbebording' (publicatie 134, 1999).

In het vierde lid is een soort hardheidsclausule opgenomen. In bijzondere gevallen kan het college ook een (tijdelijke) parkeervergunning verlenen aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig die niet

voldoet aan één van de vereisten die in het derde lid zijn opgenomen. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan de eerder genoemde personen of bedrijven die nog niet in het

vergunningenhoudersgebied wonen of gevestigd zijn, maar die dat wel binnen afzienbare tijd gaan doen.

Om te voorkomen dat er voor een bepaald gebied teveel parkeervergunningen worden uitgegeven, kan bij de invoering van een belanghebbendengebied het maximum aantal uit te geven vergunningen worden bepaald. Hierbij kan ook onderscheid worden gemaakt naar de verschillende categorieën

parkeervergunningen, waarbij het in de praktijk vooral zal gaan om het aantal bewonersvergunningen en bedrijfsvergunningen. Hoewel een parkeervergunning geen absoluut recht geeft op een

parkeerplaats in een aangewezen belanghebbendengebied, moet de vergunninghouder er wel op

kunnen vertrouwen dat hij zijn auto doorgaans kwijt kan in dat gebied. Wanneer het maximum aantal uit te geven parkeervergunningen is bereikt, kan het college de parkeervergunning weigeren en de betreffende persoon of het betreffende bedrijf op een wachtlijst plaatsen.

Op grond van het zesde lid kunnen met het oog op een goede verdeling van de beschikbare

parkeerruimte aan de vergunning zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te

gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is. Vergunningen kunnen ook worden verleend voor bepaalde zones, om te voorkomen dat vergunninghouders overal elders in de gemeente gratis kunnen parkeren.

Artikel 4. In de verordening is een beslistermijn van acht weken opgenomen. Dit is de algemene wettelijke

termijn als genoemd in artikel 4:13, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht. Mocht de termijn in een enkel geval onverhoopt niet worden gehaald, dan kan deze termijn worden verlengd met vier weken.

Artikel 5. De termijnen waarvoor de parkeervergunningen worden verleend, verschillen sterk van gemeente tot

gemeente. Het varieert van vergunningen voor onbepaalde tijd tot vergunningen voor een periode van 1 jaar. De tekst moet op dit punt worden aangepast aan de in de gemeente gangbare praktijk.

Het is mogelijk om een parkeervergunning voor onbepaalde tijd ofwel tot wederopzegging te verlenen. Het voordeel hiervan is dat er minder administratieve lasten bij de burger en het bedrijfsleven komen te liggen, omdat zij niet steeds opnieuw een nieuwe vergunning behoeven aan te vragen. Ook de administratieve lasten van het gemeentelijke apparaat komen hierdoor lager te liggen dan bij tussentijdse verlenging. Een mogelijk nadeel is dat eenmaal uitgegeven vergunningen alleen

ingetrokken of gewijzigd kunnen worden op grond van de in de verordening genoemde criteria. De

intrekkings- en wijzigingsgronden in artikel 6 zijn echter zodanig ruim geformuleerd, dat inspelen op gewijzigde omstandigheden ook dan mogelijk is.

Wanneer gekozen wordt voor een parkeervergunning voor onbepaalde tijd is het verstandig om wél jaarlijks – na betaling van de parkeerbelasting – een nieuw vergunningbewijs te verstrekken. Dit

vergunningbewijs moet achter de voorruit worden bevestigd, zodat de parkeercontroleurs eenvoudig kunnen zien dat er nog steeds sprake is van een geldige parkeervergunning.

Om de controle op de naleving van het belanghebbendenparkeren efficiënt te laten verlopen, moet zo min mogelijk informatie op de vergunning worden vermeld. Een overmaat aan informatie bemoeilijkt de waarneming voor de controleurs (veel lezen, kleine letters etcetera). Wanneer er toch behoefte

bestaat aan meer informatie, zou deze op de achterzijde van de vergunning vermeld kunnen worden.

Ook is het denkbaar de vergunning vouwbaar uit te voeren of een bijlage te verstrekken. Om fraude te bemoeilijken (het maken van bij voorbeeld een fotokopie) is het denkbaar de vergunning in meer

kleuren uit te voeren. In dat geval moet gelet worden op de kleurechtheid van de inkt en/of het papier.

Artikel 6. In de aanhef van dit artikel wordt aangegeven dat het college een parkeervergunning 'kan’ intrekken of wijzigen. Bedoeld is hiermee aan te geven dat het ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders staat of een vergunning daadwerkelijk moet worden ingetrokken of gewijzigd, wanneer een van de opgesomde omstandigheden zich voordoet. De opsomming is limitatief bedoeld. Om andere redenen kan de vergunning dan ook niet worden ingetrokken of gewijzigd.

Artikel 7. Deze bepaling is opgenomen voor situaties waarin er sprake is van een gebied waarbinnen géén betaald parkeerregime geldt, maar waarbinnen alléén met een parkeervergunning mag worden

geparkeerd. Er kan géén fiscale naheffingsaanslag worden opgelegd bij het zonder vergunning parkeren in een belanghebbendengebied ‘sec’. De fiscale aanpak van het niet betalen van de parkeerbelasting is, gelet op artikel 234 van de Gemeentewet, alleen mogelijk bij

parkeerapparatuurplaatsen. Daarom moet in de verordening een strafbepaling worden opgenomen, die alleen voor strafrechtelijke handhaving via de ‘Wet Mulder’ in aanmerking komt. Alleen indien sprake is van een gecombineerd gebied voor betaald parkeren én

belanghebbendenparkeren, kan wél een naheffingsaanslag worden opgelegd, wanneer iemand parkeert zonder geldige vergunning én zonder te betalen in de parkeerapparatuur.

Voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur zonder (geldige) vergunning is geen strafbaarstelling nodig. Op die plaatsen kan immers wel het fiscale regime gehanteerd worden.

Artikel 8. Ook dit artikel bevat een verbodsbepaling voor gedragingen die niet gefiscaliseerd kunnen worden. Deze bepalingen moeten, ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan of niet, in de verordening opgenomen worden.

Een 'bijvulverbod' is niet opgenomen, omdat dit in strijd zou zijn met het fiscale regime. Wanneer de

parkeertijd, waarvoor een bestuurder heeft betaald, is verstreken moet hij (opnieuw) aangifte doen. Als hij niet aan die verplichting voldoet, wordt hem, in geval van constatering, een naheffingsaanslag

opgelegd. Wanneer een bijvulverbod geldt, zou de parkeerder een strafbaar feit plegen, terwijl hij wél aan zijn belastingplicht voldoet. Een bijvulverbod is derhalve onder een fiscaal regime niet mogelijk.

Artikel 9. Dit artikel verbiedt het plaatsen van voorwerpen, niet zijnde motorvoertuigen, op parkeerapparatuur-

en belanghebbendenplaatsen. Het plaatsen van dergelijke voorwerpen belemmert het normale gebruik van de bedoelde parkeerplaatsen en doorkruist daarmee de beoogde parkeerregulering. Het gaat hier om gedragingen die zich niet lenen voor fiscalisering. Deze verbodsbepaling moet dan ook, ongeacht of tot fiscalisering wordt overgegaan, in de verordening worden opgenomen.

Artikel 10. Artikel 154 van de Gemeentewet bepaalt dat gemeenten op overtreding van hun verordeningen een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie kunnen stellen.

Openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak kan als bijkomende straf op een overtreding worden gesteld.

Gezien de ernst van een parkeerovertreding lijkt het minder gewenst om daarop de zwaarste

strafsanctie te stellen. Er is daarom gekozen voor een hechtenis van maximaal een maand of een geldboete van de eerste categorie. Het openbaar maken van de rechterlijke uitspraak is een

bijkomende straf waarvan bij parkeerovertredingen weinig effect te verwachten valt. Het opnemen daarvan in de Parkeerverordening is daarom achterwege gelaten.

Artikel 11. Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften, zo volgt uit artikel 5:11 Awb. Deze personen

kunnen (deels) categoraal en (deels) individueel worden aangewezen. Voor een uitgebreide toelichting

op deze bepalingen verwijzen wij naar de toelichting op in de model Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de VNG.

Artikel 13. Gezien de nauwe samenhang die er bestaat tussen de Parkeerverordening en de Verordening

Parkeerbelastingen, dienen deze gelijktijdig in werking te treden. Bovendien moeten op dat ogenblik de oude verordeningen worden ingetrokken.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=a0d4cd45-d6da-47e1-8c51-0cef84ce2f9a