Kadernota FUMO 2022 - 2026
Tekst van het document
Kadernota 2022 – 2026
Pagina 1 van 21
Inhoudsopgave De eerste stappen in het nieuwe stelsel ............................................................................... 3 1. Inleiding
............................................................................................................................ 5
2. Trends en ontwikkelingen .................................................................................................. 7 2.1 Veranderingen in relatie tot de Omgevingswet ..................................................................................................... 7 2.2 Grens overstijgende vraagstukken ....................................................................................................................... 9 2.3 Versterken van het samenspel in de Big Eight.....................................................................................................10 2.4 Versterking VTH stelsel .......................................................................................................................................11
3. Organisatorische ontwikkelingen .................................................................................... 12 3.1 Communicatie en informatie ................................................................................................................................12 3.2 Zelfbewust klantgericht ........................................................................................................................................13 3.3 Aantrekkelijke werkgever.....................................................................................................................................13
4. Financieel kader en meerjarenperspectief ..................................................................... 15 4.1 Nieuw sturings- en financieringsmodel FUMO .....................................................................................................15 4.2 Financieel kader ..................................................................................................................................................16 4.2 Meerjarenperspectief...........................................................................................................................................19 4.3 Investeringsprogramma .......................................................................................................................................21
2
De eerste stappen in het nieuwe stelsel In 2022 treedt het nieuwe omgevingsstelsel in werking en baseren we voor het eerst onze financiering op het nieuwe sturings- en financieringsmodel. Samen zetten we hierin dan de eerste stappen. De Omgevingswet treedt in werking Vanaf 1 januari 2022 biedt de Omgevingswet het juridisch kader voor de uitvoering van taken op gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. Het nieuwe stelsel geeft u en ons nieuwe instrumenten voor het ontwikkelen in beheren van de fysieke leefomgeving. Het is onze kerntaak om de gemeenten en provincie daarbij te adviseren en de uitvoeringstaken doelmatig te organiseren. Onze medewerkers met een diversiteit aan specialistische kennis en ervaring leveren daaraan graag hun bijdrage. Dit alles voor een schoon, veilig en duurzaam Fryslân. Meer en meer in verbinding De FUMO zoekt steeds meer de verbinding met de deelnemers. Zo werken we intensief samen om stappen te kunnen zetten op ingewikkelde en belangrijke onderwerpen. Op gebied van uitdagende milieuvraagstukken, zoals de zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). Maar ook in afstemming met overheden en ketenpartners ter voorbereiding op de nieuwe Omgevingswet. Vanuit een open dialoog slagen we er in om stappen te maken op gebied van de governance van de FUMO en het aanpassen van ons sturings- en financieringsmodel.
Het lukt ons stap voor stap om gezamenlijke beleid en beleidsdoelen te formuleren en deze om te zetten naar realistische uitvoeringsprogramma’s. Versterken van de klantrelatie Omdat onze omgeving dynamischer wordt (en de Omgevingswet daartoe ook ruimte biedt) wordt het belangrijk om sneller in te spelen op ontwikkelingen en wensen. Wij verwachten een toenemende behoefte aan maatwerk. Vanuit de FUMO zetten we in op het duurzaam versterken van de klantrelatie met onze deelnemers. Binnen onze organisatie vergroten wij de wendbaarheid door te investeren in de professionaliteit van onze medewerkers. Uitdagingen en keuzes De maatschappelijke milieuvraagstukken zijn zodanig complex dat het samenbrengen van kennis en kunde bij een omgevingsdienst een unieke kans biedt om gezamenlijk daar aan te werken. Ook de verdere implementatie hiervan vergt de komende jaren nog de aandacht van de FUMO. Zo zijn we tot 2029 wel bezig met de implementatie van de Omgevingswet en zal de aanpassing en inrichting van ondersteunende systemen blijvend onze aandacht vragen. Dit is noodzakelijk om de kwaliteit van data – als basis voor beleid en uitvoering – verder te verbeteren. Wij hebben te maken met het gegeven dat een deel van nieuwe regelgeving nog niet gereed is. Ook de beleidsmatige keuzes die u als deelnemer kunt maken, zijn nog niet bekend.
Het is voor de FUMO dan ook niet mogelijk om voor de komende jaren precies en duidelijk aan te geven hoe deze omgevingsdynamiek zich gaat vertalen naar de uitvoering en in financiële zin. De FUMO gaat hierover graag met u in gesprek. We vertrouwen erop dat u met deze kadernota een beeld heeft van de ontwikkelingen en uitdagingen waar de FUMO voor staat. Daarover blijven wij graag met u in gesprek.
3
Samen verder De komende jaren blijven we werken aan het vergroten van de transparantie naar onze deelnemers. Dat bevordert het onderling vertrouwen. Transparantie en vertrouwen vormen de basis om tot meer uniformiteit te komen, zoals bijvoorbeeld bij het Fries VTH-beleid. Een gezamenlijke beleid van onze opdrachtgevers vertaalt zich in een eenduidige en doelmatige uitvoering van de VTH-taken. De komende jaren bouwen wij onze samenwerkingsrelaties graag verder uit. Natuurlijk in FUMOverband, maar ook in andere netwerken als bijvoorbeeld De Friese Aanpak. We vertrouwen erop dat u met deze kadernota een beeld heeft van de ontwikkelingen en uitdagingen waar de FUMO voor staat. Daarover blijven wij graag met u in gesprek. Anko Postma, voorzitter FUMO
4
1. Inleiding Deze kadernota biedt de raden van de Friese gemeenten, Provinciale Staten en het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân inzicht in de uitgangspunten voor de begroting van 2022. In de kadernota lichten wij een aantal beleidsmatige ontwikkelingen toe en geven daarbij aan hoe deze doorwerken naar de FUMO en haar deelnemers, ook in financiële zin. In hoofdstuk twee komen (externe) trends en ontwikkelingen aan bod. In hoofdstuk drie lichten wij toe welke uitdagingen zijn voorzien de aankomende jaren binnen de FUMO-organisatie. In hoofdstuk vier komen de uitgangspunten voor de begroting 2022 aan de orde en geven wij een meerjarig financieel perspectief van de FUMO-begroting tot 2026. De financiële effecten per individuele gemeente of provincie zijn afhankelijk van de eigen keuzes en ambities van de individuele deelnemers.
Verandering vraagt onze continue aandacht De wereld staat niet stil en zo ook de FUMO niet. Net als voorgaande jaren speelt ook in deze kadernota de Omgevingswet een prominente rol. Dit is ook niet vreemd aangezien deze wet de FUMO in de volle breedte raakt in haar taakuitvoering: vergunningverlening, toezicht en handhaving en onze specialistische advisering. Hoe groot die invloed is, is in de eerste plaats afhankelijk van de inhoud van regelgeving waar “Den Haag” nog aan werkt. Bij het opstellen van deze nota is het Invoeringsbesluit Omgevingswet met hierin het basistakenpakket nog niet bekend gemaakt. Daarnaast geeft de Omgevingswet aan gemeenten en provincies meer ruimte tot het maken van eigen afwegingen die worden vastgelegd in de omgevingsvisie en de omgevingsplannen. Dit leidt tot nieuwe toetsings - en toezichtskaders. Het Rijk geeft gemeenten zeven jaar de tijd om tijdelijke omgevingsplannen (de huidige bestemmingsplannen) om te zetten naar één omgevingsplan in de geest van de Omgevingswet. Dit vraagt het nodige van de gemeenten. De FUMO kan daaraan een bijdrage leveren. Uw omgevingsdienst beschikt over waardevolle kennis, praktijkervaring en gegevens (data) die als onderlegger voor planvorming en beleid dienen. De FUMO wil van waarde zijn voor de overheden, bedrijven en inwoners van Fryslân. Daarom investeert de FUMO continu in de relatie met haar deelnemers.
Hierdoor kunnen de beste
5
totaaloplossingen worden geboden, toegesneden op de specifieke situatie van de deelnemer. Het is dus van belang dat de FUMO weet wat de deelnemers ambiëren en hoe zij omgaan met de nieuwe wet- en regelgeving, zoals de Omgevingswet en met grensoverstijgende vraagstukken. Dit in combinatie met de (beleidsmatige) keuzes die de deelnemers op basis hiervan nog moeten maken. We moeten hierover met elkaar in gesprek gaan/blijven. De richting die dan duidelijk zal worden kan de FUMO dan door vertalen in de praktijk, wat dit meer of minder gaat kosten en waar nodig financieel vertalen. Met de komst van de Omgevingswet zal per 2022 (los van het beleid) veel veranderen voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dit zal invloed hebben de interne werkwijze, de producten, de operationele samenwerking tussen ketenpartners en de kengetallen. Daarom is na twee jaar uitvoering (2022 en 2023) een evaluatie gepland. Op basis van de ervaringen met het Fries VTHbeleid (2021 in werking), het nieuwe sturings- en financieringsmodel (2022 in werking) en de wetswijzingen zal worden beoordeeld of een herijking van het beleid gewenst is. Van kadernota naar begroting Het algemeen bestuur stelt deze kadernota vast en deze is daarmee richtinggevend voor het dagelijks bestuur van de FUMO bij het opstellen van de ontwerpbegroting 2022.
De ontwerpbegroting 2022 wordt in maart 2021 aangeboden aan de raden van de Friese gemeenten, Provinciale Staten en het algemeen bestuur van Wetterskip Fryslân. Zij worden hiermee in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen. Begin juli 2021 stelt het algemeen bestuur van FUMO de begroting 2022 vast, zodat wij deze voor 1 augustus 2021 aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen toezenden. De begroting van 2022 zal voor het eerst zijn gebaseerd op de nieuwe uitgangspunten die zijn verwoord in het sturings- en financieringsmodel FUMO die gelijktijdig met deze kadernota ter besluitvorming voor ligt bij het algemeen bestuur. Resumé De FUMO blijft ook de komende jaren belangrijke stappen zetten. Wij zetten ons in op het continu verbeteren van onze taakuitvoering en het versterken van de transparantie richting de deelnemers. In 2022 betekent dit onder andere dat voor het eerst de begroting is opgesteld op basis van het nieuwe sturings- en financieringsmodel. Dit is spannend, zeker omdat niet bekend is wat de invloed is van de Omgevingswet op het takenpakket van de FUMO en wat de eigen ambities van de deelnemers zijn. Zij kunnen daar zelf keuzes in maken. Deze kadernota geeft inzicht in een aantal belangrijke ontwikkelingen en het meerjarige financieel perspectief voor de periode tot 2026.
Naast nieuwe wet- en regelgeving zullen beleidsmatige keuzes die gemeenten en provincie de komende jaren maken, doorwerken naar de FUMO. In dit opzicht zijn wij als uitvoeringsdienst volgend. Omdat door de deelnemers nog keuzes gemaakt moeten worden is het op dit moment niet mogelijk om de financiële effecten daarvan in deze kadernota aan te geven.
6
2. Trends en ontwikkelingen 2.1 Veranderingen in relatie tot de Omgevingswet Met ingang van 2022 treedt de Omgevingswet in werking. In de kadernota’s van de afgelopen jaren hebben wij u al geïnformeerd over het nieuwe omgevingsstelsel. De inwerkingtreding van dit nieuwe stelsel is uitgesteld tot 1 januari 2022. Dit betekent dat we ons langer kunnen voorbereiden op een goede implementatie. Dat is ook nodig, want we zijn nu nog niet zover. De invoering van het nieuwe stelsel draait vooral om ketensamenwerking, anders werken en nieuwe afspraken daarover maken. Het is noodzakelijk gezamenlijk voorbereidingen te treffen en verkenningen te doen. Dit betekent dat er ook de ruimte moet zijn om dat te doen. In de komende jaren zal steeds meer de richting duidelijk worden op basis van de gestelde kaders in het nieuwe stelsel. De FUMO volgt hierbij de nieuwe regelgeving1 nauwgezet, zodat wij dit met de deelnemers gezamenlijk kunnen oppakken en verkennen. De Omgevingswet brengt verandering met zich mee in het takenpakket van deelnemers bij de FUMO. De landelijke regelgeving staat nog niet vast, zodat ook nog niet helder is wat de impact zal zijn. Wel is zeker dàt er verschuivingen in het takenpakket zullen optreden en dat betekent ook dat de deelnemersbijdrage wijzigt. Het wachten is op duidelijkheid uit “Den Haag”.
Maar wat weten we al wel over de impact van het nieuwe omgevingsstelsel? Zie hiervoor onderstaand kader. Wat weten we wel? - Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet gaat de provinciale bevoegdheid uit de Wet bodembescherming (Wbb) en gedeeltelijk uit de Ontgrondingenwet over naar de gemeenten. Om de integraliteit, kwaliteit (noodzakelijke kennis is al aanwezig) en continuïteit van de uitvoering van de Wbb en Ontgrondingenwet te borgen hebben vrijwel alle gemeenten (behoudens SúdwestFryslân en Smallingerland) aangegeven de uitvoering van deze taken bij de FUMO te laten. Met het robuust organiseren van deze taken op dit schaalniveau wordt tevens voldaan aan de kwaliteitscriteria 2.2. - Er ontstaan enkele nieuwe vergunningplichten voor onder meer bepaalde bovengrondse opslagtanks. Zij krijgen een van rechtswege omgevingsvergunning voor twee jaar. Binnen twee jaar moet voor deze activiteiten een nieuwe vergunning zijn aangevraagd en afgegeven. - Veel bedrijven die nu OBM-plichtig2 zijn worden onder de Omgevingswet weer vergunningsplichtig. Deze dan weer vergunningsplichtige bedrijven beschikken op dat moment op basis van het overgangsrecht over een van rechtswege vergunning, ook als ze eerder niet een OBM hebben aangevraagd. Echter, verandert de aard of omvang van de vergunningsplichtige activiteit dan houdt de van rechtswege vergunning op te bestaan.
Er moet dan een nieuwe vergunning worden aangevraagd, waarbij de activiteit in zijn geheel opnieuw moet worden beoordeeld. Dit overgangsrecht voor de nu OBM-plichtige bedrijven vergt de nodige alertheid bij toezicht en bij vergunningverlening. Het vergt ook dat de ondersteunende systemen zoals Leef, de portal en het inrichtingenbestand up to date zijn. - De registratie van de activiteiten van de inrichtingen vraagt na het bekend worden van de definitieve regelgeving aandacht van zowel de deelnemers als de FUMO. Op dit moment zijn de activiteiten van nog niet alle inrichtingen die zijn opgenomen in het inrichtingenbestand van de
1
Invoeringswet, Aanvullingswetten, Aanvullingsbesluiten, Aanvullingsregelingen, e.d..
2 OBM = omgevingsvergunning beperkte milieutoets.
7
-
-
-
-
-
-
FUMO bekend. Daarnaast moet de registratie van de activiteiten die wel bekend zijn omgezet worden conform de nieuwe regelgeving die is opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Het AB ontvangt hierover in 2021 een voorstel voor een plan van aanpak. De regelgeving wijzigt waardoor een verschuiving plaatsvindt van sommige vergunning- en meldingsplichten (in rijksregels) naar decentrale regels. Ook de uitvoering van deze decentrale regels kan in sommige gevallen onder het basistakenpakket vallen. Doordat wordt gewerkt met het begrip milieubelastende activiteit in plaats van inrichting, ontstaan wijzigingen in het basistakenpakket, waardoor een verschuiving in rollen plaatsvindt. Zo worden bepaalde taken bij inrichtingen die nu worden uitgevoerd door de Omgevingsdienst straks uitgevoerd door gemeenten en andersom. In het najaar ’20 wordt het basistakenpakket onder de Omgevingswet bekend gemaakt, dan is exact duidelijk om welke activiteiten het hier gaat. Onder de Omgevingswet moet de omgevingsdienst straks per gemeente een actualiseringsplanning van de vergunningen worden opgesteld. Ook deze extra taak vergt dat de ondersteunende systemen op orde moeten zijn.
Voorafgaand aan controles en vooroverleg zal een beoordeling van het bedrijfsdossier nodig zijn om te kunnen vaststellen welk regime er geldt op grond van het overgangsrecht, waar nodig in samenhang met een beoordeling wat tot de milieubelastende activiteit moet worden gerekend. Het overgangsrecht is zeer complex. Vervalt een vergunning dan kunnen toch veel voorschriften daarvan blijven gelden als maatwerk. Dit levert bij handhaving op overtreding, de eerste jaren meer uitzoekwerk op. Welk voorschrift is overtreden? Is dit van het Besluit activiteiten leefomgeving, de milieuregels uit het omgevingsplan, of (oude) vergunningvoorschriften. Daarbij geldt dat bij sommige thema’s als geluid net even andere uitgangspunten worden gehanteerd onder de Omgevingswet dan nu het geval is. Naar verwachting treedt in 2022, als onderdeel van het nieuwe Omgevingsstelsel, de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen in werking. In de kern gaat het om een privatisering van het bouwtoezicht bij nieuw- en verbouw. Taken en verantwoordelijkheden op gebied van bouwen (bouwtechniek) verschuiven van de overheid naar bouwers en private kwaliteitsborgers. Door de gemeenten is begin januari 2020 aangegeven dat zij de taken vooreerst zelf willen blijven uitvoeren om de impact van de nieuwe wet te bezien.
Met de deelnemers wil de FUMO in 2022/2023 de impact van deze wet in beeld brengen en op basis daarvan scenario’s uitwerken hoe wij de rol van de overheid onder deze nieuwe wet kunnen inrichten. Hierbij is het van belang dat deze specifieke kennis op het gebied van bouwen voor de regio behouden blijft en op een passend schaal- en kwaliteitsniveau wordt uitgevoerd.
Financiering De focus van de financiering van de invoering van de Omgevingswet binnen de FUMO lag (bij besluitvorming hierover in de begroting van 2019) voor de voorbereiding en implementatie van de Omgevingswet door de FUMO op intern perspectief. Dit betreft alleen de interne voorbereiding en niet het samen met de deelnemers ontdekken, ontwikkelen en implementeren van de consequenties van de Omgevingswet. Bij het opstellen van deze kadernota is nog steeds niet duidelijk wat het ambitieniveau van de deelnemers is. Wel is in de regionale bijeenkomst van 2 maart 2020 over de samenwerking onder de Omgevingswet, uitgesproken om te komen tot een betere ketensamenwerking en meer betrokkenheid en participatie van de ketenpartners (dus ook FUMO) bij de voorbereiding en implementatie van de Omgevingswet. De DFA wordt hiervoor in stelling gebracht. Daarnaast treedt de Omgevingswet op 1 januari 2022 in werking in plaats van 1 januari 2021. Deze ontwikkelingen brengen met zich mee dat de begroting betreffende de kosten implementatie Omgevingswet voor de periode 2019-2021, zoals die is vastgesteld in 2019 niet sluitend is. Al is het maar omdat 2022 geen onderdeel uit maakt van deze begroting en in 2022 (uitgaande van 1 jaar
8
uitstel) wel nog kosten worden gemaakt. De gewenste (keten)samenwerking en deelname in werkgroepen en pilots maakten geen onderdeel uit van de begroting 2019. Hiervoor zullen dus meer uren nodig zijn. Dit zorgt op termijn wel voor meer efficiency, omdat op die manier bijvoorbeeld voorkomen kan worden dat er voor de 18 deelnemers allemaal verschillende procesafspraken liggen aan de hand waarvan de FUMO moet werken. Het uitstel en de integrale samenwerking zorgen er ook voor dat er meer uren nodig zijn voor het projectleiderschap. Met dit in gedachten is onze prognose dat voor het project een budget van ongeveer € 50.000 tot € 100.000 nodig is. Benadrukt wordt dat de hoogte van dit bedrag afhankelijk is van de ambitie en de samenwerking in 2021 en 2022. In de financiële doorrekening is rekening gehouden met € 75.000.
2.2 Grensoverstijgende vraagstukken Ondermijning Ondermijning is één van de prioritaire thema’s in de Friese omgevingsanalyse. Uit informatie van de Strategische Milieukamer3 blijkt dat in circa de helft van de zaken die daar worden besproken omgevingsdiensten ketenpartner zijn. Er zijn diverse voorbeelden dat criminele activiteiten zich niet houden aan bestuurlijke grenzen. Samenwerking en informatie-uitwisseling tussen politie/OM, landelijke inspectiediensten, gemeenten, provincies, waterschappen en omgevingsdiensten is noodzakelijk. De omgevingsdiensten hebben daartoe sinds enige tijd een vertegenwoordiger, zijnde de boa-coördinator van de FUMO, in de Landelijke Milieukamer. Zeer zorgwekkende stoffen Zeer zorgwekkende stoffen hebben al geruime tijd onze aandacht. In het afgelopen jaar lag de focus vooral op het opbouwen van kennis over deze groep van circa 1.450 stoffen die schadelijk zijn voor de gezondheid en het milieu. De FUMO participeert in het landelijk kennisnetwerk. Vanuit herkenning en beoordeling van stoffen zal er nieuwe regelgeving komen die vervolgens door moet worden vertaald naar vergunningvoorschriften en naar het toezicht. Ook wordt gewerkt aan (het aanpassen van) registratiesystemen, zodat de toepassing van deze stoffen kan worden gemonitord. De focus ligt in de beginfase bij provinciale inrichtingen.
Vanuit de provincies zijn hiervoor extra middelen beschikbaar gesteld. In dit stadium kunnen wij nog niet aangeven in hoeverre de reguliere budgetten toereikend zijn om zeer zorgwekkende stoffen afdoende in vergunningverlening en toezicht mee te nemen. Klimaat, energie en verduurzaming Zoals in de vorige kadernota al is aangegeven vormt de energietransitie de komende decennia een majeur thema binnen het milieu- en duurzaamheidsbeleid van de overheid. Eind 2018 is het Klimaatakkoord gesloten met daarin de vergaande reductiedoelstellingen voor CO 2 en energie. Lokale overheden hebben een belangrijke rol bij het behalen van deze doelstellingen. In Fryslân wordt stevig ingezet op energiebesparing (25% ten opzichte van 2010) en duurzaam opgewekte energie (33% in 2030).
3 In de Strategische Milieukamer hebben zitting: het OM (Functioneel parket), de Inspecteurs-generaal van de ILT, NVWA en
de Inspectie SZW, de Nationale Politie en een vertegenwoordiging van de omgevingsdiensten en/of het bestuurlijk bevoegd gezag. De landelijke prioriteiten voor de strafrechtelijke milieuhandhaving en de afstemming van de strafrechtelijke handhaving op de bestuurlijke handhaving worden voorbereid door de strategische milieukamer. Bij deze laatste afstemming gaat het om de voor het straf- en bestuursrecht gemeenschappelijke prioriteiten. De prioriteiten worden vastgesteld op basis van risicoanalyses zoals het nationale dreigingsbeeld en criminaliteitsbeeld milieu en elementen uit regionale handhavingsprogramma’s.
9
De FUMO levert door de inzet van het VTH-instrumentarium voor de basistaken en door gevraagd advies een bijdrage aan onder meer de volgende strategische doelen (omtrent klimaat, energie en verduurzaming) in het gemeentelijke en het provinciale VTH-beleid. • Fryslân wordt klimaatbestendig ingericht en is energieneutraal in 2050; • Bedrijven opereren veilig, duurzaam en schoon; • Luchtkwaliteit in Fryslân (gezondheid) blijft minimaal op het huidig niveau; • Uitstoot van stikstof, fosfaat en overige stoffen die schadelijk zijn voor kwetsbare natuurgebieden neemt af; • Friese economie wordt vergroend en meer circulair gemaakt, met extra aandacht voor hergebruik van grondstoffen. In het VTH-beleid Fryslân voor de basistaken zijn hiervoor de volgende doelen opgenomen: • Bedrijven hebben inzicht in hun bijdrage aan en verantwoordelijkheid voor een klimaatbestendig, circulair en energieneutraal Fryslân. • Emissies naar water en lucht door industrie en landbouw worden gereduceerd door een branchegerichte aanpak. In de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s zal hier invulling aan worden gegeven (zie paragraaf 2.3). Circulaire economie De Rijksoverheid heeft als doelstelling een volledig circulaire economie in 2050. Op regionaal en lokaal niveau moet hieraan mede invulling worden gegeven.
Daartoe worden onder meer inventarisaties van grondstoffen- en reststromen uitgevoerd en gekeken hoe hiermee op een slimme wijze kan worden omgegaan. Het verbinden van circulaire doelstellingen aan gebiedsopgaven, integraal afgewogen tegenover andere ambities maakt een brede kennisbasis van medewerkers noodzakelijk. Activatie van ondernemers vergt daarnaast forse inzet om daadwerkelijk een beweging op gang te brengen.
2.3 Versterken van het samenspel in de Big Eight De Big Eight is de visuele weergave van de procescriteria die wettelijk zijn vastgelegd. Deze procescriteria gelden voor alle bestuursorganen die verantwoordelijk zijn voor beleid- en uitvoering van VTH-taken. De wetgever vraag deze bestuursorganen, daar waar zij VTH-taken hebben ondergebracht bij hun omgevingsdienst, om het beleid en de uitvoering op elkaar af te stemmen. Met twintig deelnemers is dat geen eenvoudige opgave. Toch zijn hier de afgelopen jaren stevige stappen in gezet. Zo zijn we binnen de FUMO gestart met een eerste proeve van een Fryslânbreed Uitvoeringsprogramma (2019). In 2021 werken we met een Uitvoeringsprogramma dat alle basistaken omvat. Eind 2020 is het VTH-beleid voor de basistaken tot stand gekomen 4. In dit beleidsdocument zijn meerjarige doelen met betrekking tot de fysieke leefomgeving vastgelegd. Vanaf 2021 worden in het jaarlijks door de FUMO op te stellen Afbeelding 2: Big Eight
4
De bestuurlijke besluitvorming hiervan is gepland in december 2020.
10
jaarprogramma’s deze doelen concreet ingevuld met activiteiten. Dit stelt onder andere eisen aan het informatie gestuurd werken en de kwaliteit van data (zie ook paragraaf 3.1). Nieuwe ontwikkelingen, in combinatie met actuele informatie uit de uitvoeringspraktijk, zullen leiden tot een gewijzigde risicoanalyse en mogelijk andere prioriteiten. Van de FUMO vraagt dit flexibiliteit om de beschikbare menskracht en deskundigheid in te zetten op juist die thema’s waarvoor bestuurlijk aandacht wordt gevraagd.
2.4 Versterking VTH stelsel De FUMO is de omgevingsdienst in Fryslân en maakt deel uit van het landelijke stelsel van 29 omgevingsdiensten. Het huidige stelsel is vanaf 2013 opgebouwd en in 2016 wettelijk vastgelegd. Nu het stelsel enkele jaren van kracht is, wordt beter zichtbaar wat wel en niet werkt. Dit blijkt onder meer uit de evaluatieonderzoeken die periodiek in opdracht van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat worden uitgevoerd5. De staatssecretaris constateert in de praktijk dat het stelsel nog niet optimaal functioneert6. Zij heeft daarop besloten een onafhankelijke adviescommissie in te stellen: de Bestuurlijke Commissie Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) in het milieudomein (commissie Van Aartsen). De hoofdvraag aan de commissie is welke mogelijkheden de commissie ziet om milieuhandhaving, toezicht en vergunningverlening in Nederland te versterken met als doel het stelsel effectiever en slagvaardiger te maken. Als belangrijk onderdeel van het advies vraagt de staatssecretaris de commissie welke mogelijkheden zij ziet om de onafhankelijkheid en deskundigheid van toezichthouders - waaronder in het bijzonder omgevingsdiensten - te versterken en aan te geven wat er voor nodig is om die versterking daadwerkelijk te realiseren.
Voorts is de commissie gevraagd om op basis van haar bevindingen over de voorgaande punten een oordeel en advies te geven over de huidige verdeling van rollen, taken en bevoegdheden in het stelsel en aan te geven of dit voldoende mogelijkheden biedt voor het Rijk om vanuit de regierol haar stelselverantwoordelijkheid waar te maken. Het advies van de commissie Van Aartsen wordt in het voorjaar van 2021 verwacht. Dit kan de komende jaren gevolgen hebben, ook in financiële zin. Zodra hierover meer bekend is komen wij hierbij u op terug.
5
Zie: Evaluatie Wet VTH - 2017 en Evaluatie Wet VTH - 2019
6
Zie: Instelling commissie Van Aartsen - 25 juni 2020
11
3. Organisatorische ontwikkelingen 3.1 Communicatie en informatie Op het gebied communicatie en informatie is veel te doen de aankomende jaren. Zo zet de FUMO zich in op het op orde brengen / versterken van: • haar ondersteunde systemen. De primaire processen binnen de FUMO worden ondersteund met een (zaakgericht) informatiesysteem: het Leefomgeving Informaties Systeem (LIS). De aankomende jaren wordt gewerkt aan LIS als robuust zaaksysteem om de FUMO optimaal te ondersteunen. Oftewel de basis van LEEF dusdanig op orde, dat LEEF mee kan bewegen met nieuwe ontwikkelingen. Het verhogen van de datakwaliteit is hierbij naast dat het urgent is en een hoge prioriteit krijgt ook het meest inspannend voor de FUMO. Met deze inzet wordt proces-, informatie- en activiteitgericht werken gestimuleerd en de verantwoordingsinformatie verbeterd. Dit alles wordt ingezet om de medewerkerstevredenheid te verhogen en de dienstverlening te verbeteren. • informatie- en risicogestuurd werken. Dit vloeit logischerwijs voort uit de behoefte om de VTHinzet te richten op onderwerpen die maatschappelijk en bestuurlijk de meeste inzet vragen (zie ook paragraaf 2.4). Deze vorm van werken is een continu proces waarbij de FUMO interne en externe data bij elkaar brengt, analyseert en de daaruit resulterende informatie toepast. Het uitwisselen van data en informatie is hierbij van belang.
Denk bijvoorbeeld aan de uitwisseling van informatie ten aanzien van de activiteiten die worden ontplooid in Friesland. In 2022 wil de FUMO in staat zijn in- en externe informatie gestructureerd te verzamelen en te gebruiken in de sturing van interventies waarbij ook meer op risico’s wordt gestuurd. Om dit te verwezenlijken wordt eerst een impactanalyse gedaan om duidelijkheid te verkrijgen welke informatie ontsloten moet worden en wat dit betekent voor de organisatie • Informatiebeveiliging en privacy. De dienstverlening van de FUMO ziet op het uitvoeren van toezicht, handhaving en vergunningverlening in naam van de gemeenten en provincie. Het verwerken van persoonsgegevens is daarmee onderdeel van onze dienstverlening, met als gevolg dat de FUMO ook verantwoordelijk is voor de informatiebeveiliging en privacy. De taken op het gebied van informatiebeleid en bescherming persoonsgegevens zijn in 2022 geborgd binnen de FUMO. Voor de taak die de FUMO heeft op het gebied van informatiebeveiliging geldt dat dit nog moet worden vormgegeven. Voor de uitvoering van die taak heb je een Cisofunctionaris7 nodig. Deze Ciso-functionaris heeft een sleutelrol op het gebied van cyberveiligheid. Onderzocht wordt of aan deze taak in gezamenlijkheid met andere overheidsdiensten vorm en inhoud kan worden gegeven.
In de Producten en Diensten Catalogus (PDC) staan sinds 2021 ook kengetallen benoemd die worden gebruikt voor het onderdeel begroten en programmeren in de financieringsystematiek. Wil de FUMO de producten en diensten kunnen leveren binnen deze kengetallen dan moet aan bepaalde randvoorwaarden zijn voldaan. Deze randvoorwaarden zijn: • een uniform mandaat; • kwaliteit van de dossiers en de ondersteunende systemen op orde en • een goede onderlinge afstemming waarin vertrouwen naar voren komt.
7 Ciso = Chief Information Security Officer
12
In het bijzonder is ‘het op orde hebben van de kwaliteit van de dossiers en de ondersteunende systemen’ een belangrijke randvoorwaarde om aan het behalen van de kengetallen te voldoen. De ondersteunende systemen zijn niet op een juiste wijze ingericht bij de oprichting van de FUMO. Hier zijn wel diverse pogingen voor ondernomen echter er werd dan toch weer prioriteit gegeven aan het behalen van productie, een wens van de deelnemers. Medewerkers van de FUMO moeten benodigde gegevens halen uit het zaaksysteem Leef, uit een zogenaamde Portal, uit Doc-base en eigen bestanden. De routekaart om deze situatie te veranderen zodat gegevens veel gemakkelijker en vollediger kunnen worden gevonden heeft een doorlooptijd van ongeveer 2,5 jaar vanaf 2021. Om echt aan de kengetallen te kunnen voldoen moet deze expliciete randvoorwaarde goed zijn ingevuld. In de vorige kadernota is al aangegeven dat er op het gebied van digitalisering veel op overheden af komt. Er liggen op dit moment meerdere wetsvoorstellen 8 voor. Deze hebben allen betrekking op het elektronisch verkeer tussen burgers/bedrijven en de overheid. Deze regelgeving zal ook op de FUMO van toepassing zijn, wat betekent dat de systemen en werkwijzen van de FUMO hierop aangepast moeten worden. De verwachting is dat aan deze aanpassingen initiële en structurele kosten verbonden zijn.
Welke middelen hiervoor nodig zijn is nog niet duidelijk, omdat de wetsvoorstellen nog in procedure zijn. Wij blijven de ontwikkelingen rond deze regelgeving volgen.
3.2 Zelfbewust klantgericht De komende jaren willen we onze dienstverlening optimaal afstemmen op de wensen en behoeften van de deelnemers. Deze benadering staat bekend als ‘Customer Intimacy’. Kort gezegd betekent dit dat we meer gaan investeren in het waardevolle klantrelaties. Hiertoe wordt het accountmanagement anders ingericht. We vormen accountteams met een sturende rol voor de afdelingshoofden. Zo kunnen we iedere deelnemer op maat gaan bedienen en krijgt de FUMO voor iedere deelnemer letterlijk een gezicht. Met ingang van 2021 richten teamleiders zich op de operationele aansturing van de FUMO medewerkers. Afdelingshoofden kunnen zich daardoor beter focussen op de interne samenwerking en samenhang, ontwikkelopgaven en het versterken van de klantrelaties. Het algemeen bestuur heeft ingestemd met deze veranderingen. De organisatieaanpassingen leiden niet tot een stijging van de deelnemersbijdragen. Tegenover meer managementcapaciteit staat een verwachte stijging van de productiviteit. Door de verbeterde sturing faciliteren wij onze medewerkers om meer bezig te zijn met hun vak en minder met de indirecte taken in de sfeer van planning, offreren voor aanvullende opdrachten en periodieke rapportages. Deze coördinatie- en sturingstaken behoren tot het takenpakket van de teamleiders.
3.3 Aantrekkelijke werkgever Het aantrekken van nieuw specialistisch personeel is binnen de huidige krappe arbeidsmarkt een hele uitdaging. Jonge medewerkers die na het afronden van hun opleiding bij de FUMO aan de slag gaan, vragen aanvullende opleiding en intensieve begeleidingstrajecten. Dit intern opleiden vraagt tijd en gaat ten koste van productiviteit. Omdat de loonkosten van jonge medewerkers lager uitvallen, kan dit binnen de huidige loonsom worden opgelost.
8 Het gaat om wetsvoorstellen inzake de Wet digitale overheid (Wdo), Besluit digitale overheid (Bdo), Wet open overheid (Woo)
treedt naar verwachting in 2022 in werking en de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (Wmeb) treedt naar verwachting op 1 juli 2021 in werking.
13
In 2022 onderzoeken we de mogelijkheid om een traineeprogramma op te zetten, samen met andere omgevingsdiensten. Dit richt zich in het bijzonder in het opleiden van jongere medewerkers op specialistische vakgebieden.
14
4. Financieel kader en meerjarenperspectief Het financiële vertrekpunt voor deze kadernota is de begroting van 2021. De meest belangrijke wijziging die per 2022 optreedt is de Omgevingswet. Inhoudelijk zijn de veranderingen als gevolg van de Omgevingswet, voor zover bekend, in voorgaande hoofdstukken toegelicht. Tegelijkertijd is ook duidelijk dat er nog veel onzekerheden zijn. Zo is het basistakenpakket nog niet bekend, waardoor niet duidelijk is welke taken de FUMO vanaf 2022 precies gaan uitvoeren. Op basis van de nu bekende informatie is de financiële impact van de Omgevingswet op de FUMO-begroting van 2022 en het meerjarenperspectief over de periode 2023-2026 niet op een betrouwbare wijze te bepalen. Daarom is ervoor gekozen om financiële effecten van de Omgevingswet in deze kadernota buiten beschouwing te laten. Zodra er meer duidelijkheid is over het basistakenpakket zullen de financiële effecten hiervan in samenspraak met de deelnemers worden geconcretiseerd.
4.1 Nieuw sturings- en financieringsmodel FUMO Gelijktijdig met deze kadernota ligt ter besluitvorming een voorstel voor bij het algemeen bestuur voor een nieuw sturings- en financieringsmodel. Het voorstel is dat dit nieuwe sturings- en financieringsmodel voor het eerst wordt toegepast bij de begroting voor het jaar 2022. Diverse schuurpunten die worden ervaren met de huidige financieringsopzet hebben geleid tot een opdracht aan de directeur van de FUMO om te komen tot een voorstel voor een nieuwe financieringssystematiek met de onderdelen begroten, programmeren en verantwoorden/afrekenen. Twee van de belangrijkste schuurpunten zijn de noodzaak om de (verouderde) Fryske norm te herijken en de grote verschillen tussen de bijdrage versus de realisatie tussen deelnemers (zie hiervoor afbeelding 3 en 4). Omdat basistaken in de huidige systematiek niet worden afgerekend op basis van werkelijke bestede uren, is er nu sprake van een model waarin het voorkomt dat de ene deelnemer de uren voor de andere deelnemer betaalt. Het nieuwe sturings- en financieringsmodel van de FUMO gaat uit van meer realistisch begroten. Daarnaast wordt op een andere wijze en meer in gezamenlijkheid geprogrammeerd om meer uit de uren te halen qua efficiency en rendement. Als laatste worden ook basistaken in het nieuwe model op basis van werkelijk bestede uren afgerekend.
In de huidige systematiek gebeurt dit alleen bij de asbest- en Bbk9- en plustaken.
Afbeelding 3: Uitnutting uren vergunningverlening over 2019
9
Bbk = Besluit bodemkwaliteit.
15
Afbeelding 4: Uitnutting uren toezicht over 2019
Op basis van het nieuwe sturings- en financieringsmodel gaan herverdeeleffecten optreden in de deelnemersbijdragen. Op het moment van het opstellen van deze kadernota zijn deze herverdeeleffecten per deelnemer nog niet precies bekend. Een van de uitgangspunten van de invoering van het nieuwe sturings- en financieringsmodel is dat dit budgetneutraal gebeurt voor de FUMO als totaal. In deze kadernota is dit uitgangspunt gehanteerd in de financiële doorrekening. Vanaf 2022 is de begroting gebaseerd op de uitgangspunten die zijn verwoord in het nieuwe sturingsen financieringsmodel (mits het AB in december 2020 hierop positief besluit). Het huidige basistakenpakket is een van de uitgangspunten voor dit sturings- en financieringsmodel. Zoals in de inleiding van dit hoofdstuk al staat verwoord kan een wijziging van het basistakenpakket inhoudelijk veel gevolgen hebben. De gevolgen hiervan zullen eerst in kaart gebracht moeten worden voordat deze verwerkt kunnen worden in het sturings- en financieringsmodel en de begroting. Het nieuwe financieringsmodel is gebaseerd op de huidige wetgeving. Met de komst van de Omgevingswet zal per 2022 (los van het beleid) veel veranderen voor vergunningverlening en toezicht. Dit zal invloed hebben de interne werkwijze, de producten, de samenwerking en de kengetallen.
Het model hoeft dan niet geheel herzien te worden, het betreft slechts een verfijning/aanpassing. Een van de verfijningen betreft de kengetallen. Deze verfijning is echter pas mogelijk als er ervaringscijfers zijn opgedaan met het werken op basis van de Omgevingswet. Vandaar dat een evaluatie van de variabelen binnen het financieringsmodel (VTH beleid, activiteiten onder de Omgevingswet, kengetallen, frequentie en afspraken over bijvoorbeeld maatwerk) is gepland na 2 jaar (2023) om de ervaringen nader te bezien. Op basis daarvan kan worden beoordeeld of tussentijds herijken van de variabelen en afspraken gewenst is.
4.2 Financieel kader Wijze van kostennormering Het financieel kader voor de jaren 2022-2026 is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: • Als productiviteitsnorm wordt uitgegaan van 1.360 uur, een percentage van 72.6% van de totale beschikbare uren per fte (1.872). Dit betreft de ‘declarabele’ uren, de uren die direct gerelateerd
16
•
•
zijn aan productie voor deelnemers. Dit betekent een verhoging ten opzichte van de gehanteerde productiviteitsnorm in de begroting van 2020. Reden hiervoor is de wijziging van de organisatiestructuur, waardoor er meer sturing kan plaatsvinden op dit onderdeel. In de vergadering van het algemeen bestuur van 10 december 2020 (dezelfde vergadering waar op deze kadernota voorligt) wordt een begrotingswijziging ingediend voor de begroting van 2021, waarbij de verhoging van de productiviteitsnorm van 1.340 naar 1.360 in is verwerkt. Als flexibele schil voor het primair proces wordt 15% aangehouden. (Dit is een streefpercentage, in het kader van de strategische personeelsplanning zijn wij teruggelopen van 27 naar 17,6%. In het kader van de organisatieverandering zijn wij van mening dat we dit nog verder terug kunnen brengen naar onder de 15%.) Dit betreft de verhouding externe medewerkers ten opzichte van het totaal aantal medewerkers. In de jaren tot en met 2022 vindt groei plaats naar de hiervoor aangegeven financiële uitgangspunten. Daartoe zal de begroting worden gesplitst naar een reguliere begroting en een transitiebegroting. De uitgangspunten van de transitiebegroting 2020-2022 zijn niet gewijzigd ten opzichte van voorgaand jaar, behalve voor wat betreft de opbouw van het weerstandsvermogen. Zie hiervoor de toelichting op de transitiebegroting.
Wijze van financiering In de vergadering van het algemeen bestuur waarin deze kadernota voorligt10, wordt ook het voorstel voor een nieuw sturings- en financieringsmodel behandeld. De belangrijkste wijziging in het nieuwe sturings- en financieringsmodel betreft de financiering van de inrichting gebonden basistaken. In onderstaande opsomming wordt er van uitgegaan dat het nieuwe sturings- en financieringsmodel door het algemeen bestuur van de FUMO wordt omarmd. De belangrijkste uitgangspunten die voor de begroting 2022 worden gehanteerd zijn de volgende: • Voor de inrichtingsgeboden basistaken op het gebied van regulering (vergunningverlening) geldt dat in samenspraak met de deelnemers een begroting wordt opgesteld voor de verwachte aantallen ingediende meldingen en vergunningen in het begrotingsjaar. Dit aantal meldingen en vergunningen wordt op basis van de kengetallen opgenomen in de PDC omgerekend naar de benodigde uren om deze producten te kunnen leveren. De benodigde uren, inclusief opslagen voor informatieverstrekking, maatwerk en onvoorzien, vermenigvuldigd met het integrale uurtarief bepaalt de deelnemersbijdrage voor dit onderdeel. • Voor de inrichtingsgebonden basistaken op het gebied van toezicht en handhaving blijft de bedrijvenlijst per deelnemer de basis voor de financiering.
Het aantal inrichtingen vermenigvuldigd met de afgesproken frequentie en het kengetal bepaalt het benodigde aantal uren voor deze taak. De benodigde uren, inclusief opslagen voor informatieverstrekking, maatwerk, hercontroles en evt. onvoorzien, vermenigvuldigd met het integrale uurtarief bepaalt de deelnemersbijdrage voor dit onderdeel (peildatum inrichtingenbestand = bestand van jaar voorafgaand aan het begrotingsjaar). • Voor de overige basistaken (asbest, Bbk, handhaving) wordt uitgegaan van de normen die zijn gehanteerd in de begroting 2020 (vastgesteld door het algemeen bestuur op 12 december 2019). • Bij de jaarrekening volgt de definitieve financiële bijdrage per deelnemer omdat wordt afgerekend op basis van de geleverde uren (met uitzondering van de taak boa-coördinatie en de boa-inzet voor die deelnemers die deze taak hebben ondergebracht bij de FUMO.
10
Dit betreft de vergadering van het algemeen bestuur van de FUMO van 10 december 2020.
17
•
De omvang en samenstelling van de plustaken is in samenspraak met de deelnemers tot stand gekomen. Per plustaak is vervolgens de tariefgroep bepaald. Het aantal uren per type plustaak, vermenigvuldigd met het geldende tarief, leidt tot de deelnemersbijdrage voor de plustaken. Het budget dat beschikbaar is gesteld voor de implementatie van de Omgevingswet wordt vertaald naar een bijdrage per deelnemer op basis van de verhouding in de bijdrage van de basistaken. Hetzelfde geldt voor de collectieve taken. De bijdragen aan de transitiebegroting worden naar rato van de bijdrage van basis- en plustaken verdisconteerd in de deelnemersbijdragen. Met de deelnemers zijn dienstverleningsovereenkomsten afgesloten. Naast afspraken over de basistaken zijn hierin voor veel deelnemers tevens afspraken gemaakt over afname van plustaken.
•
• •
Indexering: loon- en prijscompensatie • Voor de kostenopbouw van de programmabegroting 2022 - 2026 worden de uitgangspunten van het Centraal Plan Bureau (CPB) gebruikt. • In de ‘Kerngegevenstabel CEP 2020 MLT maart 2020’ geeft het CPB aan dat de loonvoet voor de sector overheid naar verwachting 2,2% bedraagt in de periode 2022-2025. Daarnaast wordt voor periodieke verhogingen 1% gehanteerd 11. In totaal is de loonontwikkeling derhalve 3,2%. • Voor materiële kosten hanteren we de consumptie overheid uit dezelfde kerngegevenstabel. Deze bedraagt voor de periode 2022-2025 1,7%. • De lasten in de begroting van de FUMO bestaan voor ca. 80% uit personele lasten en voor ca. 20% uit materiële lasten. Hiermee wordt de gemiddelde index van de FUMO-begroting 2,9%. Financiële impact ontwikkelingen In de hoofdstukken 2 en 3 zijn trends, ontwikkelingen en organisatorische ontwikkelingen beschreven. Er moeten nog veel (beleids)keuzen gemaakt worden door de deelnemers. Het is daarom niet mogelijk om hierop nu al te anticiperen en voor de komende jaren precies en duidelijk de financiële consequenties in beeld te brengen. Wij verwachten de financiële effecten van deze ontwikkelingen grotendeels op te kunnen vangen binnen de huidige financiële kaders. Van de volgende onderwerpen worden de financiële effecten wel meegenomen in het meerjarenperspectief:
1 2
Onderwerp
Financiële impact
Structureel/ incidenteel
Budget implementatie Omgevingswet 2022 Ciso-functionaris
€ 75.000 € 35.000
Incidenteel Structureel
Ad 1. Zoals in paragraaf 2.1 al is aangegeven, heeft het toegekende budget voor de implementatie van de Omgevingswet betrekking op de periode 2019-2021. Tevens had het toegekende budget betrekking op een intern gerichte projectaanpak. Aangezien de Omgevingswet een jaar is uitgesteld en aangezien we merken dat door partners steeds meer een beroep wordt gedaan op de FUMO, is de verwachting dat voor 2022 aanvullend budget benodigd. Ad 2. In paragraaf 3.1 is de noodzaak voor het invullen van de Ciso-functie beschreven. Voor de FUMO betreft dit naar verwachting geen fulltime functie. Er wordt rekening gehouden met € 35.000 aan structurele kosten.
11
Gemiddeld een derde van de medewerkers krijgt jaarlijks een periodiek van 3%. Gemiddeld is dit 1%.
18
Transitiebegroting 2022 is het laatste jaar van de transitiebegroting. De deelnemersbijdrage aan de transitiebegroting is neerwaarts bijgesteld als gevolg van het vervallen van de bijdrage aan het weerstandsvermogen in 2021 en als gevolg van het in mindering brengen van het positieve rekeningresultaat van 2019 op de transitiebegroting. De opbouw en bijdrage aan de transitiebegroting is als volgt. Transitiebegroting (Bedragen x € 1000)
Lasten Loonkosten primair proces (productiviteit) Loonkosten primair proces (flexibele schil) Extra onvoorzien Opbouwen weerstandsvermogen Implementatiekosten (oud) Resultaatsbestemming 2019 Totaal lasten exclusief indexering Indexering Totaal lasten inclusief indexering Bedrage oorspronkelijk Bijstelling opbouw weerstandsvermogen Aflossing resultaatsbestemming 2019 Bijgestelde bijdrage
Totaal transitiebegroting
2019
2020
2021
2022
167 226 60 327 647
56 226 60 327 453
1.427 1.427
1.122 28 1.150
60 453 - 196 318 31 349
453 - 196 258 32 290
223 452 180 654 2.006 - 391 3.124 91 3.215
983
983
983
983
983 - 164 - 196 624
983 - 164 - 196 624
3.933 - 327 - 391 3.215
4.2 Meerjarenperspectief Reguliere begroting Hierna wordt het meerjarenperspectief van de reguliere begroting weergegeven. Meerjarenperspectief reguliere begroting (Bedragen x € 1000)
2021
Mutatie
2022
2023
2024
2025
2026
55 4 0 0 0 0 0 0 -20 0 -64 -25 468 442
13.484 862 84 163 660 53 416 179 100 50 75 16.126 468 16.594
13.484 862 84 163 660 53 416 179 100 50 0 16.051 933 16.984
13.484 862 84 163 660 53 416 179 100 50 0 16.051 1.399 17.450
13.484 862 84 163 660 53 416 179 100 50 0 16.051 1.864 17.915
13.484 862 84 163 660 53 416 179 100 50 0 16.051 2.330 18.381
758 15.394 0 16.151
22 -47 468 442
780 15.346 468 16.594
780 15.271 933 16.984
780 15.271 1.399 17.450
780 15.271 1.864 17.915
780 15.271 2.330 18.381
0
0
0
0
0
0
0
Lasten 1) Personeelskosten 2) Overige personeelskosten 3) Kapitaallasten 4) Wagenpark 5) Huisvesting 6) Administratie 7) ICT 8) Overige kosten 9) Onvoorzien 10) Ontwikkelkosten 11) Implementatie omgevingswet Totale lasten excl indexering 12) Indexering Totale lasten incl indexering
13.429 859 84 163 660 53 416 179 120 50 139 16.151 0 16.151
Baten 13) Baten uit extra opdrachten excl indexering 14) Deelnemersbijdrage excl indexering 15) Indexering Totale baten Saldo baten en lasten reguliere begroting
19
1.
2. 3. 4. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15.
De personeelskosten stijgen als gevolg van het opnemen van de Ciso-functie en als gevolg van het opnemen van een post van € 20.000 voor het afhandelen van aan de FUMO-gerichte WOBverzoeken. Dit laatste is ook opgenomen in de begrotingswijziging 2021, die in de vergadering van het algemeen bestuur van de FUMO van 10 december 2020 wordt behandeld. De dekking voor de € 20.000 wordt gerealiseerd door de post onvoorzien te verlagen. Onder de overige personeelskosten vallen onder meer de scholingskosten en het budget voor secundaire arbeidsvoorwaarden. Deze zijn een afgeleide van de directe personeelskosten. De kapitaallasten blijven naar verwachting gelijk. De punten 4 t/m 8 betreffen de bedrijfskosten. Deze blijven naar verwachting gelijk. Het budget voor onvoorzien wordt verlaagd met de onder punt 2 genoemde € 20.000 inzake de WOB-verzoeken. Het budget voor ontwikkelkosten is ongewijzigd. Het budget voor de implementatie van de omgevingswet is toegelicht in paragraaf 4.1. Op basis van de indexeringen (zie paragraaf 4.1), worden de kosten geïndexeerd met 2,9%. De baten uit incidentele opdrachten betreft een doelstelling aan de FUMO voor wat betreft het genereren van extra inkomsten. De deelnemersbijdrage exclusief indexering blijft nagenoeg gelijk, omdat er ook weinig mutaties in de kosten worden verwacht.
Dit betreft de indexering van de baten op basis van de toegelichte uitgangspunten.
Deelnemersbijdrage inclusief transitiebegroting In onderstaande tabel is de verwachte ontwikkeling van de deelnemersbijdrage, inclusief de deelnemersbijdrage aan de transitiebegroting opgenomen. Dit betreft de bedragen exclusief indexering. Meerjarenperspectief incl transitiebegroting (Bedragen x € 1000)
Deelnemersbijdrage excl indexering Bijdrage transitiebegroting Totale deelnemersbijdrage
2021
2022
2023
2024
2025
2026
15.394 624 16.018
15.345 624 15.969
15.270 15.270
15.270 15.270
15.270 15.270
15.270 15.270
Uit deze tabel blijkt dat de deelnemersbijdrage in 2022 naar verwachting licht daalt ten opzichte van 2021. Vanaf 2023 zal de deelnemersbijdrage dalen, omdat de bijdrage aan de transitiebegroting dan in zijn geheel vervalt. Hieronder zijn de verwachte deelnemersbijdragen (excl. indexering) in grafiekvorm weergegeven.
20
4.3 Investeringsprogramma Op dit moment is voor veel van de hiervoor genoemde ontwikkelingen nog niet te voorzien in hoeverre investeringen nodig zijn. In het geval dat er investeringen benodigd zijn, zullen deze separaat aan het algemeen bestuur voorgelegd worden.
21