CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept bestemmingsplan Hallum-Mariëngaarderweg 2

It Beslút 23 juni 2022, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Bestemmingsplan Hallum – Mariëngaarderweg 222.202 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De criteria voor ontheffingsverlening zijn eender aan die van de Flora- en faunawet omdat de ontheffingsgronden van de Vogel- en Habitatrichtlijn gelijk zijn gebleven. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken.

2.3 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten is eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 herzien. Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Flora- en faunawet. Tussen de Flora- en faunawet en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten. Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die niet afnemen in aantal (geen Rode lijstsoort) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen in aantal (soorten die wél op de Rode lijst staan) is een uitgebreide effectenstudie wenselijk. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht (artikel 2 van de Flora- en faunawet). Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Onder de Nieuwe Wet natuurbescherming zijn een aantal Rode lijst soorten gekomen.

Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen.

Adviesbureau Mertens

6

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Mariengaarderweg 2 te Hallum. Concept rapport augustus 2016

3. METHODE Op dinsdag 16 augustus 2016 is een bezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. Er is zeer beperkt gebruik gemaakt van bestaande verspreidingsgegevens om het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten te bepalen omdat deze via o.a. Waarneming.nl worden beheerd voor een veel groter gebied. Overige waarnemingen worden tevens bewaard voor een groot gebied, namelijk op kilometerniveau zoals weergegeven op www.telmee.nl. en op een nog groter schaalniveau in verspreidingsatlassen.

Adviesbureau Mertens

7

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Mariengaarderweg 2 te Hallum. Concept rapport augustus 2016

4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING SCHUUR

4.1 Flora De vegetatie rond de schuur bestaat uit een pionier vegetatie. Deze vegetatie is het pioniersstadium niet ontgroeid. In dit ecotoop kan het voorkomen van beschermde soorten worden uitgesloten. De aanwezige muren zijn te droog voor muurplanten of ongeschikt. Gedurende het verkennend veldonderzoek op dinsdag 16 augustus 2016 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt het voorkomen van beschermde plantensoorten uitgesloten.

4.2 Vleermuizen Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen in de schuur kan worden uitgesloten. In de schuur zijn geen gaten of openingen vastgesteld die in potentie geschikt zijn als kolonie- en/of paarplaats van gebouwbewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis of laatvlieger. Het ontbreekt verder aan bomen direct rond de schuur met gaten waarin vleermuizen zich kunnen ophouden. Voor overwinteringsplaatsen is de schuur niet geschikt omdat de gebouwen te droog zijn en te veel aan temperatuurveranderingen onderhevig zijn. Geschikte invliegopeningen ontbreken tevens waardoor de toegang ontbreekt. Gelet op het feit dat er in potentie geen verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen zijn in de bebouwing zijn de daaraan gekoppelde vliegroutes eveneens uit te sluiten. De bebouwing is ook niet wezenlijk richtinggevend in relatie tot overige bebouwing en groenelementen, waardoor het niet aannemelijk is dat deze functioneert als begeleidend element in een vliegroute. Effecten op vliegroutes worden derhalve uitgesloten. Het voorkomen van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet aansluiten op het plangebied aan de Mariengaarderweg 2 te Hallum, c.q. de schuur. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen.

Het gebied bezit nu zeer weinig groen en dit zal in de toekomst niet wezenlijk veranderen. Negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten.

4.3 Overige zoogdieren Het is mogelijk dat ter plaatse van het plangebied de huismuis leeft. Deze soort is niet beschermd. Gelet op de verharding van het plangebied, wordt het voorkomen van matig of zwaar beschermde zoogdieren uitgesloten. Mogelijk bevindt zich plaatselijk in de tuin wel huisspitsmuis. Voor deze algemene soort bestaat een algemene vrijstelling van de Flora- en faunawet. Dit ontheffingenbeleid wordt voorgezet onder de Nieuwe Natuurwet.

Adviesbureau Mertens

8

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Mariengaarderweg 2 te Hallum. Concept rapport augustus 2016

4.4 Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op dinsdag 16 augustus 2016 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen die eventueel van waarde zouden kunnen zijn voor gebouwbewonende vogels (huismus en gierzwaluw) of andere vogels (al dan niet met vaste rust- en verblijfplaatsen). Huismus en gierzwaluw zijn ook niet vastgesteld gedurende het veldonderzoek. Op grond hiervan wordt het voorkomen van broedvogels (met jaarrond beschermde nesten) in het deelgebied van de schuur uitgesloten. 4.5 Amfibieën Als gevolg van de verharding en het ontbreken van oppervlaktewater in het deelgebied van de schuur, wordt het voorkomen van amfibieën uitgesloten.

4.6 Vissen Door het ontbreken van oppervlaktewater in en rond het deelgebied van de schuur, wordt het voorkomen van vissen uitgesloten. 4.7 Reptielen Gezien de huidige inrichting ten opzichte van de verspreiding van reptielen (zie Ravon.nl), de ligging en de aanwezige ecotopen (verhardingen) kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. 4.8 Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde geleedpotigen en mollusken (o.a. brede geelgerande waterroofkever en zeggekorfslak) worden uitgesloten.

Adviesbureau Mertens

9

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Mariengaarderweg 2 te Hallum. Concept rapport augustus 2016

5. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING VERBREDEN HOUTWAL 5.1 Flora Het plangebied van de te verbreden houtwal bestaat uit een akker met sloot. Deze sloot is gelegen tussen de bestaande houtwal en akker. De vegetatie in dit gebied is het pioniersstadium niet ontgroeit. Het water is grotendeels dichtgegroeid. Het voorkomen van beschermde planten wordt derhalve uitgesloten. Gedurende het verkennend veldonderzoek zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt het voorkomen van beschermde plantensoorten uitgesloten.

5.2 Vleermuizen Het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen kan worden uitgesloten. In het gebied van de te verbreden houtwal komen geen bomen of gebouwen voor waar vleermuizen zich kunnen ophouden. De werkzaamheden van de verlegging van de sloot en verbreding van de houtwal zullen er ook niet aan bijdragen dat er externe effecten gaan ontstaan. De houtwal zal worden versterkt en verbreed. Hierdoor wordt een landschapselement versterkt. Vleermuizen kunnen zich hierop beter oriënteren. Negatieve effecten op vliegroutes en migratieroutes worden derhalve uitgesloten. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet negatief van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Het gebied zal vergroenen. Uit het groen kunnen insecten komen die voedsel gaan vormen voor vleermuizen. Negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten.

5.3 Overige zoogdieren Mogelijk bevindt zich plaatselijk wel huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis en mol. Voor deze algemene soort bestaat een algemene vrijstelling van de Flora- en faunawet. Dit ontheffingenbeleid wordt voorgezet onder de Nieuwe Natuurwet. Het voorkomen van matig of zwaar beschermde soorten wordt uitgesloten op basis van aanwezige ecotopen en geografische ligging. 5.4 Broedvogels Aan de slootkant kunnen broedvogels voorkomen zoals meerkoet en waterhoen. In de bestaande houtwal kan bijvoorbeeld merel en roodborst broeden. In verband met het voorkomen van deze algemene broedvogels is het noodzakelijk dat wordt gewerkt buiten het broedseizoen of op een manier dat vogels niet tot broeden komen (voorkomen nestelen vogels). Gedurende het verkennend veldonderzoek op dinsdag 16 augustus 2016 zijn geen geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen die eventueel van waarde zouden kunnen zijn voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. Neste van buizerd, sperwer en ransuil zijn niet vastgesteld. Op grond hiervan wordt het voorkomen en effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten uitgesloten.

Adviesbureau Mertens

10

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Mariengaarderweg 2 te Hallum. Concept rapport augustus 2016

5.5 Amfibieën In het plangebied van de verbreden houtwal is oppervlaktewater aanwezig. In het water en op de oevers kunnen algemene amfibieën voorkomen zoals de grote of middelste (bastaard) groene kikker, bruine kikker en gewone pad. Al deze soorten zijn licht beschermd en niet bedreigd. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling van de Flora- en faunawet. Dit ontheffingenbeleid wordt voorgezet onder de Nieuwe Natuurwet. In het kader van de zorgplicht van de Flora- en faunawet dienen de werkzaamheden uitgevoerd te worden buiten de voorplantingsperiode van amfibieën (maart t/m juni). Het voorkomen van matig en zwaar beschermde amfibieën wordt uitgesloten op basis van aanwezige ecotopen en geografische ligging.

5.6 Vissen De te verleggen sloot heeft een relatief slechte waterkwaliteit doordat deze gedeeltelijk is dichtgegroeid en een beperkte waterdiepte heeft. De watergang ligt ook vrij geïsoleerd. Het voorkomen van beschermde vissen wordt derhalve uitgesloten. Effecten op (beschermde) vissen worden derhalve uitgesloten. 5.7 Reptielen Gezien de huidige inrichting ten opzichte van de verspreiding van reptielen (zie Ravon.nl), de ligging en de aanwezige ecotopen (verhardingen) kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. 5.8 Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde geleedpotigen en mollusken (o.a. brede geelgerande waterroofkever en zeggekorfslak) worden uitgesloten.

Adviesbureau Mertens

11

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Mariengaarderweg 2 te Hallum. Concept rapport augustus 2016

6. SAMENVATTENDE CONCLUSIE

Er zijn plannen voor omvorming van een boerderij aan de Mariengaarderweg 2 te Hallum waarbij een schuur wordt gesloopt en een houtwal zal worden verbreed. Bij deze verbreding wordt tevens een sloot verlegd naar het zuiden. Deze activiteiten zouden kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Op grond hiervan is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. Er is vastgesteld dat het voorkomen van matig of zwaar beschermde soorten is uitgesloten. Er zijn geen mogelijkheden voor vleermuizen of broedvogels met vaste rust- en verblijfplaatsen om te verblijven. Wel vliegen er vleermuizen in lage dichtheid. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen. Foerageermogelijkheden van vleermuizen nemen zelfs toe. Negatieve effecten op vleermuizen worden derhalve uitgesloten. Er kunnen daarnaast algemene licht beschermde zoogdieren en amfibieën voorkomen. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling van de Flora- en faunawet. Het is aannemelijk dat dit ontheffingenbeleid wordt voorgezet onder de Nieuwe Natuurwet. Het voorkomen van overige beschermde soorten is uitgesloten.

In verband met het voorkomen van deze algemene broedvogels en amfibieën in het gebied van de houtwal is het noodzakelijk om deze werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen van vogels en voortplantingsseizoen van amfibieën uit te voeren. Deze periode loopt van maart t/m half juli. Op deze manier wordt voorkomen dat er verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet worden overtreden en wordt invulling gegeven aan de zorgplicht. De sloop van de schuur kan zonder voorwaarden worden uitgevoerd. Op grond van bovenstaande analyse worden effecten op matig en zwaar beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de plannen aan de Mariengaarderweg 2 te Hallum zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Flora- en faunawet en de Nieuwe Wet natuurbescherming.

Adviesbureau Mertens

12

Wageningen

Quick scan beschermde planten- en diersoorten Mariengaarderweg 2 te Hallum. Concept rapport augustus 2016

GERAADPLEEGDE LITERATUUR Literatuur  Bink, F.A., 1992. Ecologische Atlas van de dagvlinders van Noordwest-Europa. Schuyt en Co Uitgevers en Importeurs BV, Haarlem.  Broekhuizen, S., Hoekstra, B., Laar. V. van, Smeenk, C., Thissen, J.B.M., 1992. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. KNNV 1-336.  Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, VZZ, Nijmegen, 1-348.  Creemers, R., Delft, J., 1999. De amfibieën en reptielen van Nederland. KNNV-Uitgeverij.  Creemers, C.M., Delft, J., 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nijmegen, 1-476.  EEG, 1979. Richtlijn 79/43/EEG inzake het behoud van de Vogelstand. Publicatieblad Europese Gemeenschap, nummer L. 103.  EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7.  Gerstmeier, R., Romig, T., 1997. Zoetwatervissen van Europa, Tirion, Baarn, 1-368.  Hustings, F., Vergeer, J.W., Eekelder, P., 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, SOVON, Beek-Upbergen, 1-584.  Limpens, H., Mostert, K., Bongers, W., 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV, Utrecht, 1260.  Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009a.

Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.  Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.  Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2004. Rode lijsten diverse soortgroepen.  Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen.  Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 1998. Wet van 25 mei 1998, houdende regels ter bescherming van in het wild levende planten en diersoorten (Flora en Faunawet). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 402, 1-37.  SOVON, 1987. Atlas van de Nederlandse broedvogels.  Nie, H.W. de, 1996. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem, 1-151.  Spikmans, F, Jong, T. de, 2006. Het waarnemen van zoetwatervissen, Nijmegen, 1-55.

Website  www.ravon.nl  www.waarneming.nl  www.sovon.nl  www.telmee.nl  www.zoogdiervereniging.nl

Adviesbureau Mertens

13

Wageningen

BIJLAGEN

1. PLANGEBIED

Rood = Te slopen schuur Groen = Extra groen

N▲

2. BEGRIPPEN

Baltsplaats

Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes.

Foerageergebied

Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt.

Foerageerplaats

Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop.

Kolonie

Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.

Migratieroute

Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen.

Paarplaats

Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”.

Verblijfplaats

Een object (huis, boom, bunker, grot, kast en dergelijke) waarin een of meerdere vleermuizen verblijven (overdag of ’s winters permanent).

Vliegroute

Route die door vleermuizen elke avond wordt gebruikt om van de kolonieplaats naar foerageergebied te vliegen en visa vers (zie ook migratieroute). Vrouwtjes met jongen keren soms midden in de nacht terug om de jongen te zogen en gebruiken dan de route. Vliegroutes liggen over het algemeen langs lijnvormige (landschaps)elementen als bomenlanen, huizenrijen e.d. De functies zijn beschutting bij winderig en koud weer, oriëntatie in verband met de echolokatie-geluiden en het vinden van voedsel.

Voorbijvliegend

Vleermuizen die voorbijvliegen, niet via een vaste route. Het betreft meestal zwervers of trekkers.

Zwermen

Direct na het uitvliegen, naar vooral voor het invliegen bij een kolonie zwermt een deel van de kolonie rond de kolonieplaats. Zwermgedrag is derhalve een indicatie voor een eventuele kolonieplaats.

Winterverblijfplaats Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan. Deze ruimte is doorgaans donker, heeft een hoge luchtvochtigheid en

temperatuurwisselingen zijn nihil. Zomerverblijfplaats Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is. In sommige gevallen vormen bijvoorbeeld mannetjes kleine groepjes.

Bijlage 3

53/193

Archeologisch onderzoek

Hallum, Mariengaarderweg 2 Gem. Ferwerderadiel (Frl.) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek Steekproefrapport 2016-09/02

Hallum, Mariengaarderweg 2 Gem. Ferwerderadiel (Frl.) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek Steekproefrapport 2016-09/02

Hallum, Mariengaarderweg 2 Gem. Ferwerderadiel (Frl.) Een Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek Een onderzoek in opdracht van Rho Adviseurs B.V. Steekproefrapport 2016-09/02 ISSN 1871-269X auteurs: drs. R. Exaltus, senior archeoloog en W. Dijkstra autorisatie: dr. J. Jelsma, senior archeoloog

De Steekproef werkt volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 3.3 Foto’s en tekeningen zijn gemaakt door De Steekproef bv, tenzij anders vermeld. © De Steekproef bv, Zuidhorn, september 2016 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder bronvermelding. De Steekproef bv aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. De Steekproef bv Archeologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Hogeweg 3 9801 TG Zuidhorn telefoon fax internet e-mail kvk

050 - 5779784 050 - 5779786 www.desteekproef.nl info@desteekproef.nl 02067214

Inhoud Samenvatting 1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Locatie en administratieve gegevens 2. Bureauonderzoek 2.1 Bronnen 2.2 Resultaten bureauonderzoek 2.3 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel 3. Veldonderzoek 3.1 Aanpak 3.2 Bodem, reliëf en archeologie 4. Conclusies en advies Appendix I: Archeologische periodes Appendix II: Boorbeschrijvingen

1 1 2 3 3 4 9 10 10 11 13

Samenvatting In opdracht van Rho Adviseurs bv is door De Steekproef bv een plangebied onderzocht aan de Mariengaarderweg 2 te Hallum in de gemeente Ferwerderadiel. De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om de sloot ten zuiden van het boerderijterrein tien meter naar het zuiden te verleggen. De hiertoe benodigde graafwerkzaamheden zouden tot aantasting van archeologische waarden kunnen leiden. Het onderzoek had tot doel om vast te stellen of dergelijke waarden aanwezig kunnen zijn. Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied in een archeologisch monument (boerderijplaats ligt met een hoge archeologische waarde. In het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel is uitgegaan van een middelhoge kans op resten uit de ijzertijd tot de middeleeuwen. Voor resten uit eerdere perioden geldt in verband met de relatief recente wordingsgeschiedenis van het landschap een lage archeologische verwachting. Om de archeologische verwachting te toetsen zijn in het plangebied acht gutsboringen gezet en is langs de noordrand van het plangebied een oppervlaktekartering uitgevoerd. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de bovenste dertig tot zestig centimeter van de bodem uit een humusrijke bouwvoor bestaat. Deze bouwvoor is het dikst op het langs de sloot gelegen deel van het plangebied.

Deze sloot vormt van oudsher de grens tussen het plangebied en de ten noorden hiervan gelegen historische boerderijplaats. Van deze boerderijplaats is afval in de sloot terechtgekomen dat vervolgens bij het uitbaggeren van de sloot over de naastgelegen akker is uitgespreid. Het betreft puin en resten van aardewerk dat in de boringen in de bouwvoor is aangetroffen en tijdens de oppervlaktekartering aan het maaiveld is gevonden. De bouwvoor ligt op gelaagde getijde-afzettingen die op het oostelijke deel van het plangebied aanmerkelijk zandiger zijn dan op het westelijke deel. In deze getijden-afzettingen zijn in geen van de boringen archeologische indicatoren gevonden. Evenmin zijn in het plangebied vegetatiehorizonten aanwezig die samen zouden kunnen hangen met bewoning in de prehistorie of de middeleeuwen. De resultaten van het onderzoek geven derhalve geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn archeologische resten gevonden waarmee tijdens de verdere planvorming rekening zou moeten worden gehouden.

Figuur 1.

Hallum, Mariengaarderweg 2. Het plangebied is de rode lijn binnen de rode cirkel. (Naar: Kadata.)

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doel In opdracht van Rho Adviseurs bv, vertegenwoordigd door de heer J.-J. Posthumus, is door De Steekproef bv een plangebied onderzocht aan de Mariengaarderweg 2 te Hallum in de gemeente Ferwerderadiel (Figuur 1). De aanleiding voor het onderzoek is het voornemen om de sloot ten zuiden van het boerderijterrein tien meter naar het zuiden te verleggen. De hiertoe benodigde graafwerkzaamheden zouden tot aantasting van archeologische waarden kunnen leiden. Het onderzoek had tot doel om vast te stellen of dergelijke waarden aanwezig kunnen zijn. Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een veldonderzoek door middel van boringen. Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een archeologisch verwachtingsmodel van het gebied aan de hand van beschikbare fysisch-geografische, archeologische en historisch-geografische informatie. Tijdens het veldonderzoek is dit verwachtingsmodel getoetst. Het doel van het veldonderzoek is het vaststellen van de mate van gaafheid van het bodemprofiel en de aanwezigheid hierin van archeologische waarden. Hierbij wordt gekeken naar de bodemopbouw en de mate waarin deze intact is en naar het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals bewerkt en verbrand vuursteen, aardewerk, bouwmateriaal, bot en houtskool.

Figuur 2.

Hallum, Mariengaarderweg 2. Het plangebied gezien vanuit het zuiden.

1

1.2 Locatie en administratieve gegevens De nieuw te graven sloot ligt aan de zuidkant van het bebouwde boerderijterrein aan de Mariengaarderweg 2 en is ongeveer honderd meter lang en twee meter breed. Het plangebied bestaat nu nog uit landbouwgrond. De hoogte van het maaiveld bedraagt ongeveer 0,9 meter boven NAP.

Tabel 1:

Hallum, Mariengaarderweg 2. Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied.

Provincie

Fryslân

Gemeente

Ferwerderadiel

Plaats

Hallum

Toponiem

Mariengaarderweg 2

Coördinaten hoekpunten

179.743/591.262, 179.838/591.205, 179.736/591.243, 179.828/591.185

Bevoegde overheid

Gemeente Ferwerderadiel

Opdrachtgever

Rho Adviseurs bv

Onderzoeksmeldingsnummer

4011446100

ISSNnr.

1871 - 269X

Steekproef projectcode

2016-09/02

Geomorfologische context

Kwelderwal

NAP hoogte maaiveld

Rond 0,9 m +NAP

maximale diepte onderzoek

1,5-2,0 m min maaiveld

Uitvoering van het veldwerk

2 september 2016

Beheer en plaats documentatie De Steekproef bv / Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed (RCE)

2

2. Bureauonderzoek 2.1 Bronnen Voor het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van de volgende bronnen (Tabel 2). Voor de paragraaf over archeologie is ARCHIS geraadpleegd. Dit is het archeologisch registratie- en informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Deze databank is toegankelijk voor organisaties die werkzaam zijn in de archeologie. Tijdens het onderzoek vond de overgang plaats van ARCHIS 2 naar ARCHIS 3. Gedurende een aantal maanden was de oude versie niet langer toegankelijk, terwijl de nieuwe nog beperkt informatie leverde (zie Paragraaf 2.2). Voor de paragraaf over de historische geografie is onder meer gebruik gemaakt van topotijdreis.nl. Hierop zijn historische kaarten in te zien. Tabel 2:

Hallum, Mariengaarderweg 2. Geraadpleegde literatuur, bronnen en kaarten.

ANWB, 2004. Topografische Atlas Friesland 1:25000. ANWB bv, Den Haag. Centraal Archeologisch Archief (CAA) en Centraal Monumenten Archief (CMA) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) [ARCHIS]. Exaltus R.P. & G.L.G.A. Kortekaas 2008. Prehistorische branden op Groningse kwelders. In: PaleoAktueel nr 19. p.115-124. Groningen 2008. Friese Archeologische MonumentenKaart Extra (FAMKE) www.fryslan.nl Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) versie 3.3. College voor de Archeologische Kwaliteit (www.sikb.nl). Schotanus, C. 1664. Beschrijvinge van de Heerlyckheydt van Frieslandt. Facsimile-uitgave 1978. De Tille bv Leeuwarden/Theatrum Orbis Terrarum bv Amsterdam. Stichting voor Bodemkartering, 1978. Bodemkaart van Nederland 1:50000. StiBoKa, Wageningen. Stichting voor Bodemkartering, 1982. Geomorfologische van Nederland 1:50000. StiBoKa, Wageningen. 12 Provinciën 2006/2007. Atlas van Topografische Kaarten. Nederland 1955-1965. Uitgeverij 12 Provinciën, Landsmeer. Uitgeverij Nieuwland, 2006. Grote Historische Topografische Atlas ±1926-1934. Fryslân 1 : 25 000. Uitgeverij Nieuwland, Tilburg. Uitgeverij 12 Provinciën, 2005. Luchtfoto-Atlas Fryslân. Schaal 1:14000. Uitgeverij 12 Provinciën, Landsmeer. Versfelt, H.J. & M. Schroor, 2005. De Atlas van Huguenin: Militair-topografische Kaarten van NoordNederland 1819-1829. Heveskes Uitgevers, Groningen/Veendam.

Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1990. Grote Historische Atlas van Nederland deel 2: NoordNederland 1851-1855, schaal 1:50000. Wolters-Noordhoff, Groningen. Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1992. Grote Historische Provincie Atlas 1:25000. Friesland 18531856. Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, Groningen. www.topotijdreis.nl www.tresoar.nl

3

2.2 Resultaten bureauonderzoek De diepere ondergrond van het plangebied bestaat uit keileem dat ongeveer 150.000 jaar geleden is ontstaan tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saale-glaciaal. Tijdens dit glaciaal zijn pleistocene fluviatiele afzettingen door Scandinavisch landijs grotendeels vermalen en her-afgezet als keileem. Tijdens een groot deel van de laatste ijstijd (het Weichseliën) heerste in Nederland een poolklimaat. Door het ontbreken van begroeiing had de wind vrij spel en kon vanuit het Noordzeebekken dekzand worden afgezet. Dit dekzand behoort tot het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het keileem- en dekzandlandschap helt sterk af in noordelijke en westelijke richting. Door de lage ligging hiervan is dit landschap in de kustzones van Friesland overdekt geraakt met veen en klei. Deze afzettingen zijn ongeveer vanaf 10.000 jaar geleden gevormd nadat de laatste ijstijd overging in een relatief warme periode, het Holoceen. De temperatuurstijging had tot gevolg dat de aanwezige ijskappen begonnen te smelten waardoor de zeespiegel steeg. Als gevolg van de snel stijgende zeespiegel en de slechte ontwatering van het landschap steeg de grondwaterspiegel en ontstonden grote moerassen en zoetwatermeren. Hier trad op grote schaal veenvorming op.

Door de snelle zeespiegelstijging verdronken veel van de langs de kust gelegen veengebieden en trad vaak grootschalige erosie van het veen op. Het plangebied ligt op een kwelderwal (code 3K31 op de geomorfologische kaart). De bodems bestaan hier uit poldervaaggronden die zijn gevormd in klei. Het betreft gronden die worden gekenmerkt door een onvoltooid rijpingsproces en ondiepe oxidatie (code Mn15A op de bodemkaart). De gemiddeld hoogste grondwaterstand is 40 tot 80 centimeter beneden maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand is meer dan 120 centimeter beneden maaiveld. Het plangebied ligt in een archeologisch monument (boerderijplaats) met hoge archeologische waarde (AMK 9098). Grontmij heeft op ongeveer 700 meter ten westen van het plangebied in 2013 een booronderzoek uitgevoerd voor de Vijfhuisterdijk (Onderzoeksmeldingsnummer 58721). Tijdens dit onderzoek is vastgesteld dat de Vijfhuisterdijk op een kwelderwal ligt, direct achter een twaalfde eeuwse dijk. Er zijn geen archeologische indicatoren gevonden. Ongeveer 800 meter ten noordoosten van het plangebied heeft ARC in 2007 een bureau- en booronderzoek uitgevoerd op het terrein van de Jaimastate (AMK 9293; onderzoeksmeldingsnummers respectievelijk 22917 en 23146).

Omdat resten van de Jaimastate werden vastgesteld, is in 2010 bij graafwerkzaamheden een archeologische begeleiding uitgevoerd (Onderzoeksmeldingsnummer 41320). In een sloot werden 24 fragmenten kogelpot uit de dertiende tot veertiende eeuw gevonden. Deze laat-middeleeuwse sloot is waarschijnlijk de voorloper van de gracht van het stateterrein. Door RAAP zijn ongeveer 500 meter ten oosten van het plangebied drie onderzoeken uitgevoerd. In 2004 werd voor de Doniaweg 30H een intacte bodem vastgesteld, maar er werden geen archeologische indicatoren gevonden. Verder werden booronderzoeken uitgevoerd in 2005 (Onderzoeksmeldingsnummer 8835) en in 2008 (Onderzoeksmeldingsnummer 27552). Van deze laatste onderzoeken waren geen gegevens opvraagbaar in Archis en DANS Easy. 4

Ruim een kilometer ten oosten van het plangebied heeft De Steekproef in 2015 een booronderzoek uitgevoerd voor het bedrijventerrein (Onderzoeksmeldingsnummer 3973304100). Er zijn geen archeologische indicatoren gevonden, wel een pakket veen in één van de tien boringen. Het hele onderzoeksterrein ligt volgens de Friese Archeologische MonumentenKaart Extra (FAMKE) in een zone waarvoor geen onderzoeksverplichting geldt voor resten uit de steentijd tot en met de bronstijd. Deze zijn hier, gezien de diepe ligging van het pleistocene landschap en de relatief recente wordingsgeschiedenis van het landschap, naar verwachting niet aanwezig. Wel geldt voor het plangebied voor de periode ijzertijd tot middeleeuwen het advies streven naar behoud in verband met de ligging in AMK 9098 (archeologisch monument met hoge archeologische waarde). Van deze terreinen is bekend dat zij waardevolle archeologische resten uit de periode bronstijd en later bevatten. Deze terreinen hebben de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie" gekregen en ij ingrepen groter dan vijftig vierkante meter is onderzoek nodig.

Figuur 3.

Hallum, Mariengaarderweg 2. Uitsnede uit de Friese MonumentenKaart Extra (FAMKE). Het plangebied ligt in de zwarte cirkel. De rode vlakken zijn archeologische monumenten waarvoor een onderzoeksverplichting geldt bij ingrepen groter dan vijftig vierkante meter.

5

Ongeveer 1,5 kilometer ten zuidwesten van het plangebied lag het norbertijner klooster Mariëngaarde. Dit klooster werd in 1163 gesticht door Frederik van Hallum. Het klooster is inmiddels afgebroken en op het perceel staat nu een boerderij. Volgens de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK 2) is de Mariengaarderweg (en Hoge Herenweg) een zeedijk door natuurlijke hoogte (zie Figuur 4).

Figuur 4.

Hallum, Mariengaarderweg 2. Uitsnede uit de Cultuurhistorische Kaart Fryslân (CHK 2). De doorgetrokken blauwe lijn geeft een aangelegde zeedijk weer, de onderbroken blauwe lijn een zeedijk door natuurlijke hoogte.

Het plangebied ligt ongeveer twee kilometer ten westen van de oude kern van Hallum. De historische situatie wordt goed weergeven op de kaart van Huguenin uit 18191829 (zie Figuur 5). De Mariengaarderweg is hier nog de doorgaande weg; de Doniaweg is nog niet achter de bebouwing tegenover Mariengaarderweg 2 langs getrokken richting de Roodschuursterlaan (zie Figuur 6, onder). Overigens heet de Mariengaarderweg dan nog Hooge Heerenweg. Langs de wegen liggen verspreid boerderijen en woningen.

6

Figuur 5.

Hallum, Mariengaarderweg 2. Uitsnede uit de kaart van Huguenin uit 1819-1829. Het plangebied ligt bij de rode pijl.

Op de historische topografische kaart uit 1960 (Figuur 6 boven) ligt er nog een gracht rondom de boerderij en het perceel ernaast. Vanaf 1973 heet de weg Mariengaarderweg. Het bedrijventerrein aan de Doniaweg bij Hallum is in ontwikkeling vanaf 1982 (zie Figuur 6, onder). Uitbreiding aan de westkant van het boerenbedrijf is voor het eerst zichtbaar op de kaart uit 1992 (niet afgebeeld). Vergelijking met elk van de historische kaarten, laat zien dat de tot de boerderij behorende gebouwen altijd binnen het omgrachte terrein hebben gelegen en nooit ten zuiden daarvan. Het plangebied ligt echter in zijn geheel ten zuiden van de omgrachting.

7

Figuur 6.

Hallum, Mariengaarderweg 2. Uitsnedes uit historische kaarten uit 1960 (boven) en 1982 (onder).

8

2.3 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Tabel 3:

Hallum, Mariengaarderweg 2: specificatie archeologische verwachting.

datering:

steentijd

ijzertijd - middeleeuwen

complextype:

n.v.t.

nederzetting

omvang:

n.v.t.

onbekend

diepteligging:

n.v.t.

afgedekt door klei

gaafheid en conservering:

n.v.t.

onbekend

locatie:

n.v.t.

hele plangebied

uiterlijke kenmerken:

n.v.t.

vondstlaag, scherven aardewerk, bot, spikkels baksteen en houtskool

mogelijke verstoringen:

n.v.t.

akkerbouw

verwachting:

geen

middelhoog

Om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van eventuele behoudenswaardige archeologische resten in de ondergrond, is een booronderzoek een geschikte methode. Hiertoe worden in een regelmatig patroon gutsboringen gezet die een duidelijk beeld geven van de bodemopbouw en de aan- of afwezigheid van archeologische resten. De resultaten van een dergelijk booronderzoek kunnen aanleiding geven tot nader archeologisch onderzoek of tot plan-aanpassing. De resultaten kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden.

9

3. Veldonderzoek 3.1 Aanpak In het plangebied zijn acht boringen geplaatst in twee noordwest-zuidoost gerichte boorraaien van elk vier boringen. Hierdoor is een boordichtheid ontstaan van ruim tien boringen per hectare. Voor het booronderzoek is gebruik gemaakt van een guts met een diameter van drie centimeter. Alle boringen zijn doorgezet tot anderhalf tot twee meter beneden het maaiveld. De ligging van de boorpunten is afgebeeld in Figuur 7. De resultaten van de boringen zijn weergeven in boorprofielen in Figuur 9.

Figuur 7.

Hallum, Mariengaarderweg 2. Boorpuntenkaart. De genummerde punten geven de boringen weer. [Bron: klic-melding.]

10

3.2 Bodem, reliëf en archeologie De hoogte van het maaiveld varieert tussen 0,6 en 1,0 meter boven NAP. Bovenin de boringen bevindt zich een rommelig pakket humushoudende klei. In de langs de sloot geplaatste boringen 1 tot en met 4 is dit pakket tien tot twintig centimeter dikker dan in de boringen 5 tot en met 8. Bovendien bevat dit pakket in de langs de sloot geplaatste boringen een geringe hoeveelheid baksteenpuin. Zowel de grotere dikte als de aanwezigheid van baksteenpuin zijn waarschijnlijk veroorzaakt door het uitdiepen van de sloot waarbij de uitgegraven bagger over het direct naastgelegen deel van de akker is verspreid. Ten tijde van het onderzoek was de strook van het plangebied ten noorden van de sloot onbegroeid. Omdat hierop een goede vondstzichtbaarheid heerste, is hier een oppervlaktekartering uitgevoerd (zie Figuur 8). Dit heeft slechts enkele baksteenresten en deeltjes van negentiende/ twintigste eeuwse aardewerkresten opgeleverd. Het gaat vrijwel zeker om materiaal dat ooit als afval in de sloot is terechtgekomen en dat vervolgens bij het uitbaggeren van de sloot op de akker is gedeponeerd.

Figuur 8.

Hallum, Mariengaarderweg 2. De goede vondstzichtbaarheid langs de sloot.

11

De bouwvoor van humusrijke klei gaat naar beneden toe over in gelaagde getijdeafzettingen. Deze bestaan bovenin uit sterk zandige klei dat op de boorpunten 3 en 4 wordt onderbroken door zandlaagjes. In de boringen 1, 2, 5 en 6 gaat de sterk zandige klei op een diepte van ongeveer een meter beneden het maaiveld over in een door zandlaagjes onderbroken kleipakket. In de boringen 3, 4, 7 en 8 is daarentegen vanaf een diepte van zestig tot zeventig centimeter beneden het maaiveld een door kleilaagjes onderbroken zandpakket aanwezig. Het betreft in alle gevallen natuurlijke getijde-afzettingen die geen sporen van antropogene beïnvloeding vertonen. In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren gevonden. Ook vegetatiehorizonten die samen zouden kunnen hangen met bewoning in de prehistorie ontbreken volledig. Om deze reden is het KNA-onderdeel waardestelling in dit rapport niet nader uitgewerkt.

Figuur 9.

Hallum, Mariengaarderweg 2. Weergave van de resultaten van het booronderzoek in de vorm van boorprofielen.

12

4. Conclusies en Advies Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied in een archeologisch monument (boerderijplaats) ligt met een hoge archeologische waarde. In het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel is uitgegaan van een middelhoge kans op resten uit de ijzertijd tot de middeleeuwen. Voor resten uit eerdere perioden geldt in verband met de relatief recente wordingsgeschiedenis van het landschap een lage archeologische verwachting. Om de archeologische verwachting te toetsen zijn in het plangebied acht gutsboringen gezet en is langs de noordrand van het plangebied een oppervlaktekartering uitgevoerd. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de bovenste dertig tot zestig centimeter van de bodem uit een humusrijke bouwvoor bestaat. Deze bouwvoor is het dikst op het langs de sloot gelegen deel van het plangebied. Deze sloot vormt van oudsher de grens tussen het plangebied en de ten noorden hiervan gelegen historische boerderijplaats. Van deze boerderijplaats is afval in de sloot terechtgekomen dat vervolgens bij het uitbaggeren van de sloot over de naastgelegen akker is uitgespreid. Het betreft puin en resten van aardewerk dat in de boringen in de bouwvoor is aangetroffen en tijdens de oppervlaktekartering aan het maaiveld is gevonden.

De bouwvoor ligt op gelaagde getijde-afzettingen die op het oostelijke deel van het plangebied aanmerkelijk zandiger zijn dan op het westelijke deel. In deze getijden-afzettingen zijn in geen van de boringen archeologische indicatoren gevonden. Evenmin zijn in het plangebied vegetatiehorizonten aanwezig die samen zouden kunnen hangen met bewoning in de prehistorie of de middeleeuwen. De resultaten van het onderzoek geven derhalve geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming rekening zou moeten worden gehouden. Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan direct melding te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Ferwerderadiel en bij de provinciaal archeoloog, dr. G. de Langen (tel: 058-2925487).

13

Appendix I Archeologische periodes Hallum, Mariengaarderweg 2

paleolithicum: paleolithicum vroeg: paleolithicum midden: paleolithicum laat: paleolithicum laat A: paleolithicum laat B: mesolithicum: mesolithicum vroeg: mesolithicum midden: mesolithicum laat: neolithicum: neolithicum vroeg: neolithicum vroeg A: neolithicum vroeg B: neolithicum midden: neolithicum midden A: neolithicum midden B: neolithicum laat: neolithicum laat A: neolithicum laat B: bronstijd: bronstijd vroeg: bronstijd midden: bronstijd midden A: bronstijd midden B: bronstijd laat:

tot 8.800 vC ijzertijd: tot 300.000 BP ijzertijd vroeg: 300.000 - 35.000 BP ijzertijd midden: 35.000 BP - 8.800 vC ijzertijd laat: 35.000 - 18.000 BP 18.000 BP - 8.800 vC Romeinse tijd: Romeinse tijd vroeg: 8.800 - 4.900 vC Romeinse tijd vroeg A: 8.800 - 7.100 vC Romeinse tijd vroeg B: 7.100 - 6.450 vC Romeinse tijd midden: 6.450 - 4.900 vC Romeinse tijd midden A: Romeinse tijd midden B: 5.300 - 2.000 vC Romeinse tijd laat: 5.300 - 4.200 vC Romeinse tijd laat A: 5.300 - 4.900 vC Romeinse tijd laat B: 4.900 - 4.200 vC 4.200 - 2.850 vC middeleeuwen: 4.200 - 3.400 vC middeleeuwen vroeg: 3.400 - 2.850 vC middeleeuwen vroeg A: 2.850 - 2.000 vC middeleeuwen vroeg B: 2.850 - 2.450 vC middeleeuwen vroeg C: 2.450 - 2.000 vC middeleeuwen vroeg D: middeleeuwen laat: 2.000 - 800 vC middeleeuwen laat A: 2.000 - 1.800 vC middeleeuwen laat B: 1.800 - 1.100 vC 1.800 - 1.500 vC nieuwe tijd: 1.500 - 1.100 vC nieuwe tijd A: 1.100 - 800 vC nieuwe tijd B: nieuwe tijd C:

800 - 12 vC 800 - 500 vC 500 - 250 vC 250 - 12 vC 12 vC - 450 nC 12 vC - 70 nC 12 vC - 25 nC 25 - 70 nC 70 - 270 nC 70 - 150 nC 150 - 270 nC 270 - 450 nC 270 - 350 nC 350 - 450 nC 450 - 1.500 nC 450 - 1.050 nC 450 - 525 nC 525 - 725 nC 725 - 900 nC 900 - 1.050 nC 1.050 - 1.500 nC 1.050 - 1.250 nC 1.250 - 1.500 nC 1.500 - heden 1.500 - 1.650 nC 1.650 - 1.850 nC 1.850 – heden

Appendix II Boorbeschrijvingen Hallum, Mariengaarderweg 2

Boorbeschrijving volgens ASB 5.1 Boor LDO Lithologie Nr GD B BS BZ B K V 1 55 K 113 K 3 175 K 3 2 28 K 94 K 3 150 K 3 3 43 K 70 K 3 150 Z 4 43 K 73 K 3 155 Z 5 33 K 93 K 3 180 K 3 6 32 K 98 K 3 155 K 3 7 30 K 64 K 3 150 Z 8 32 K 67 K 3 170 Z

B H 3

3

3

3

3

3

3

3

Kleur HK BR GR GR BR GR GR BR GR GR BR GR GR BR GR GR BR GR GR BR GR GR BR GR GR

TK

IK

Overige kenmerken VL CO PLH VS SST K

DO

AIS BHN

BI

GI

ROG MSL MSL

WAD WAD

EZL

DO

ROG MSL MSL

EZL

MSL MST

ZL KL

MSL MST

ZL KL

DO

WAD WAD ROG

DO

WAD WAD ROG

DO

WAD WAD ROG

MSL MSL

WAD WAD

EZL

DO

ROG MSL MSL

ZL

MSL MST

EZL KL

MSL MST

EZL KL

DO

WAD WAD ROG

DO

WAD WAD ROG WAD WAD

Betekenis van de afkortingen: LDO – Onderzijde boortraject Lithologie: GD – Onverharde sedimenten: G = grind, K = klei, L = leem, V = veen en Z = zand Bijmengsels: BK = bijmengsel klei, BS = bijmengsel silt, BZ =bijmengsel zand, BV= bijmengsel veen, BH = bijmengsel humus. Betekenis toegevoegde cijfers: 1 = zwak, 2 = matig, 3 = sterk en 4 = uiterst. Kleur: HK = hoofdkleur, BL = blauw, BR = bruin, GE = geel, GN = groen, GR = grijs, OL = olijf, OR =oranje, PA = paars, RO = rood, RZ = roze, WI = wit, ZW = zwart. TK = Tweede kleur (kleurafkortingen als boven). IK = Intensiteit kleur: LI = licht en DO = donker VLK = Vlekken (V): 2e en 3e letter is kleurafkorting als boven, 1 = weinig, 2 = matig , 3= veel Overige kenmerken: CO = Consistentie (C ): ZSL-zeer slap, SLA-slap, MSL-matig slap, MST-matig stevig, STV-stevig PLH = plantenresten (PL0 = geen, PL1 = spoor, PL2 = weinig, PL3 = veel); DW = doorworteld VS = veensoorten SST = Sedimentaire structuren; ZL is zandlagen BHN = Bodemhorizont; BHC = C-horizont, BHBC= BC-horizont BI = Bodemkundige interpretaties; BOV = bouwvoor , ROG = rommelig, VRG = vergraven GI = Geologische interpretaties; WAZ = wad(getijde)afzettingen AIS = Archeologische indicatoren

Bijlage 4

75/193

Overlegreactie provincie

Regels

78/193

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 het plan: het bestemmingsplan Hallum - Mariëngaarderweg 2 NL.IMRO.1970.HaMariengwBP-VA01 van de gemeente Noardeast-Fryslân; 1.2 het bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aan-huis-verbonden beroep: het beroep van: accountant, administratieconsulent, advocaat, apotheker, architect, assurantiebemiddelaar, belastingconsulent, bouwkundig architect, dierenarts, fysiotherapeut, gerechtsdeurwaarder, huisarts, interieurarchitect, logopedist, makelaar in onroerend goed, medisch specialist, notaris, oefentherapeut, organisatieadviseur, raadgevend ingenieur, registeraccountant, specialist, tandarts, tandartsspecialist, tuin- en landschapsarchitect, verloskundige, dan wel een naar de aard daarmee gelijk te stellen beroep, dat, in combinatie met de woonfunctie als hoofdfunctie, kan worden uitgeoefend in een hoofdgebouw, aan-/uitbouwen en/of bijgebouw(en) dat is (die zijn) bestemd voor het wonen; 1.4 aan- of uitbouw: een gebouw dat ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en dat een vergroting dan wel uitbreiding van het hoofdgebouw vormt; 1.5 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6 aanduidingsgrens: de grens

van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7 agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, al dan niet in combinatie met volledig bedrijfseigen mestbewerking/-verwerking en mestraffinage in de vorm van mini-vergisters; 1.8 ambachtelijk bedrijf: een bedrijf, waarbij het productieproces grotendeels wordt uitgevoerd met de hand of althans niet gemechaniseerd, geautomatiseerd of met behulp van werktuigen die door energiebronnen buiten de menselijke arbeidskracht worden aangedreven;

79/193

1.9 archeologisch monument: een terrein dat op basis van de Monumentenwet 1988 door het Rijk is aangewezen als beschermd archeologisch monument; 1.10 archeologisch onderzoek: een onderzoek (bureauonderzoek en/of boren en/of graven en/of begeleiden) verricht door een daartoe bevoegde instantie conform de kwaliteitsnorm Nederlandse archeologie; 1.11 archeologisch waardevol gebied: een gebied met daaraan toegekende archeologische waarde vanwege de kennis en wetenschap van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden; 1.12 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.13 bebouwingsbeeld: de waarde van een gebied in stedenbouwkundige zin, die wordt bepaald door de mate van samenhang in aanwezige bebouwing, daarbij in het bijzonder gelet op een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte, een goede hoogte- en breedteverhouding tussen de bebouwing onderling en de samenhang in bouwvorm en ligging tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar is georiënteerd; 1.14 (bedrijfseigen) mest- en/of organische (bij)productvergisting: de verwerking van op het bedrijf zelf geproduceerde en van andere bedrijven aangevoerde mest, waaraan eigen en/of van derden afkomstige co-substraten (bijvoorbeeld maïs) worden toegevoegd.

Het digestaat (restproduct) wordt op de tot het bedrijf behorende gronden gebruikt of naar derden afgevoerd; 1.15 bedrijfsgebouw: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; 1.16 bedrijfsvloeroppervlakte: de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen gebouwen of behorende bij een functie (deels) buiten gebouwen die wordt gebruikt voor een bedrijf, een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.17 bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein gewenst is; 1.18 bestaand: ten aanzien van de aanwezige bouwwerken en de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, en het overige gebruik: bestaand ten tijde van het inwerkingtreden van het bestemmingsplan; 1.19 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak;

80/193

1.20 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.21 bijzondere teeltvorm: algenteelt, zilte teelt en naar de aard daarmee gelijk te stellen bijzondere teeltvormen; 1.22 bodemarchief: de sporen van (vooral) menselijke bewoning en bewerking die in de bodem zijn achtergebleven; 1.23 boerderijpand: het gebouw behorende tot het bestaande agrarisch bedrijf of het voormalige agrarisch bedrijf, waarin oorspronkelijk het woongedeelte en de stal was ondergebracht en dat oorspronkelijk als het hoofdgebouw van het agrarisch bedrijf is gebouwd; 1.24 bosbouw: het geheel van bedrijfsmatig handelen en van activiteiten gericht op de instandhouding en ontwikkeling van bestaande respectievelijk nieuwe bossen ten behoeve van (de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu en recreatie; 1.25 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.26 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.27 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.28 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.29 bouwperceelgrens: een grens van een

bouwperceel; 1.30 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zijn toegelaten; 1.31 bouwwerk: een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

81/193

1.32 bijgebouw: een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en dat qua afmetingen ondergeschikt is aan en vrijstaat van dat hoofdgebouw; 1.33 cultuurhistorische waarden: de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt; 1.34 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.35 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een woonhuis of een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw; 1.36 erfbeplanting: opgaande beplanting, zijnde bomen en struiken, die een scherm vormt op de grens van een bouwperceel waarop bebouwing voorkomt of die verspreid over een dergelijk bouwperceel voorkomt, en welke beplanting mede bepalend is voor de inpassing van de betreffende bebouwing in het landschap; 1.37 erfinrichtingsplan: een plan waarin inzichtelijk wordt gemaakt op welke wijze een ontwikkeling wordt ingepast op het betreffende perceel en in relatie tot de omgeving, waarbij het

Beeldkwaliteitplan leidraad is bij het maken van een erfinrichtingsplan; 1.38 erotisch getinte vermaaksfunctie: een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaats vinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal; 1.39 evenement: elke voor publiek buiten de daartoe ingerichte inrichtingen toegankelijke festiviteit, grootschalige sportwedstrijd, auto- of motorcrosswedstrijd, optocht, georganiseerd vuurwerk en alle overige tot vermaak en recreatie bedoelde activiteiten, met uitzondering van markten als bedoeld in de Gemeentewet, kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen en betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; 1.40 extensief dagrecreatief medegebruik: een extensief dagrecreatief medegebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, vissen, picknicken, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen medegebruik;

82/193

1.41 fruitteelt: de teelt of het kweken van fruit aan houtige gewassen; 1.42 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.43 gebruiksgerichte paardenhouderij: een bedrijf dat in hoofdzaak is gericht op het africhten, het opleiden en het trainen, alsmede het opvangen en stallen van paarden en/of pony's in de vorm van een paardenpension, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.44 gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden: de mogelijkheden om gronden en daarop toegelaten bouwwerken overeenkomstig de daaraan toegekende bestemming te gebruiken; 1.45 geluidsbelasting: de geluidsbelasting vanwege een weg, een industrieterrein en/of een spoorweg; 1.46 geluidsgevoelige objecten: gebouwen welke dienen ter bewoning of andere geluidsgevoelige gebouwen, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder; 1.47 geluidsgevoelige functies: in een gebouw of op een terrein aanwezige functies die maken dat een gebouw of een terrein als geluidsgevoelig object wordt aangemerkt; 1.48 geluidszoneringsplichtige inrichting: een inrichting, waarbij ingevolge de Wet geluidhinder rondom het terrein van vestiging in een bestemmingsplan een geluidszone moet worden vastgesteld; 1.49 grondgebonden agrarische bedrijfsvoering: een agrarische bedrijfsvoering, waarbij het gebruik van agrarische gronden

noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, op de wijze van een melkrundveehouderijbedrijf, een melkgeitenhouderijbedrijf, een schapenhouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, een vollegronds tuinbouwbedrijf, een productiegericht paardenhouderijbedrijf, en naar de aard daarmee gelijk te stellen agrarische bedrijven; 1.50 hoofdgebouw: een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

83/193

1.51 hoofdverblijf: het adres/de plaats die fungeert als het centrum van de sociale en maatschappelijke activiteiten van betrokkene, waarbij betrokkene moet zijn ingeschreven in de Gemeente Basisadministratie Persoonsgegevens op dat adres en/of betrokkene het adres heeft opgegeven bij de Belastingdienst als hoofdadres en/of uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat het adres als hoofdverblijf moet worden aangemerkt; 1.52 houtteelt: de bedrijfsmatige uitoefening van uitsluitend het kweken van bomen ten behoeve van de houtproductie op gronden die in principe hiervoor tijdelijk worden gebruikt en waarvoor daartoe ontheffing is verleend van de meldings- en herplantplicht ex artikel 2 en 3 van de Boswet; 1.53 huishouden: een zelfstandig(e) dan wel samenwonend persoon of groep van personen met een mate van verbondenheid die binnen een complex van ruimten gebruik maken van dezelfde voorzieningen zoals een keuken, sanitaire voorzieningen en de entree; 1.54 kampeermiddel: een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.55 kampeerplaats: een al dan niet afgescheiden gedeelte van een kampeerterrein bedoeld voor de plaatsing van een of meer kampeermiddelen; 1.56 kampeerterrein: een terrein of een deel

van een terrein met minimaal een wasgelegenheid en toiletten, waarop kan worden overnacht in tenten, toercaravans, kampeerauto's, stacaravans, tenthuisjes of trekkershutten; 1.57 kap: een dakafdekking onder een hoek van meer dan 5° met het horizontale vlak; 1.58 kleine of ultrakleine windturbine: een installatie of een bouwwerk voor het opwekken van elektrisch of thermisch vermogen uit wind: met een horizontale as en waarvan de rotor een oppervlakte beschrijft van maximaal 40 m² (een maximale wiek van ongeveer 3,50 m); met een horizontale as in andere vormen dan twee of drie wieken, waaronder de zogenaamde niet-wiekturbines; met een verticale as; 1.59 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten: de in bijlage 3 Lijst met kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

84/193

1.60 kleinschalige duurzame energieopwekking: winning van energie uit kleinschalige perceelsgebonden voorzieningen, waarbij weinig tot geen schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en waarvan de bronnen in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar zijn, zoals zon, wind, water, aard- en omgevingswarmte; 1.61 kleinschalig kampeerterrein: een kampeerterrein met een recreatieve medebestemming waar een beperkt aantal kampeerplaatsen voor mobiele kampeermiddelen worden verhuurd als toeristische standplaatsen; 1.62 landschappelijke waarden: waarden in verband met de verschijningsvorm van een gebied en de aanwezigheid van waarneembare structuren en/of elementen in dat gebied.

Bij de afweging van de landschappelijke waarden zal het Beeldkwaliteitplan mede toetsingskader zijn; 1.63 ligplaats: een ruimte voor het afmeren en doen of laten liggen van een vaartuig; 1.64 maatschappelijke voorzieningen: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en opvang, alsook productiegebonden detailhandel, dagrecreatie en ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen; 1.65 manege-activiteiten: bedrijfsactiviteiten met een publieksgericht karakter, die zijn gericht op het bieden van gelegenheid tot het berijden en verzorgen van paarden en pony's (waaronder het lesgeven, de verhuur of het organiseren van wedstrijden en/of andere hippische evenementen); 1.66 mantelzorg: het bieden van zorg aan een ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, op vrijwillige basis en buiten organisatorisch verband in de vorm van afhankelijke woonruimte.

Als afhankelijke woonruimte wordt aangemerkt een aan- of uitbouw of bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg is gehuisvest; 1.67 mestbassin: een reservoir bestemd en geschikt voor het bewaren van dunne mest, dat niet geheel of gedeeltelijk is gelegen onder een stal; 1.68 mestsilo: een bouwwerk van enige omvang voor de opslag van mest;

85/193

1.69 milieusituatie: de situatie, waarbij milieuaspecten dienen te worden beoordeeld, zoals hinder voor omwonenden en een verkeersaantrekkende werking. In het bijzonder dient er bij de situering en omvang van milieubelastende functies (o.a. bedrijven) op te worden gelet dat de uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies (o.a. woningen) zo weinig mogelijk wordt beperkt. Omgekeerd dient er bij uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies op te worden gelet dat bestaande milieubelastende functies zo weinig mogelijk in hun functioneren worden beperkt; 1.70 mobiel kampeermiddel: een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of enig ander onderkomen met de bedoeling te plaatsen op een kampeerterrein voor ten hoogste een kampeerseizoen; 1.71 molen: een bouwwerk met wieken waarmee iets gemalen wordt, waarmee men water verplaatst en/of waarmee op windkracht arbeid wordt verricht; 1.72 natuurlijke waarden: de aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen voorkomende in dat gebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=e40cedb7-5599-4c6a-9f4f-cfe310d0ac27