Bijlage - Ontwerpbestemmingsplan Eanjum - Mûnebuorren 8 en 10
Tekst van het document
bestemmingsplan
Eanjum - Mûnebuorren 8 en 10 Noardeast-Fryslân
DATUM IMRO IDN
21-11-2023 NL.IMRO.1970.BpEjMunebuorren810-ON01
PROJECT PROJECTLEIDER
Eanjum - Mûnebuorren 8 ben 10
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
20230847
AUTEUR STATUS
ontwerp
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding
6
1.1
Aanleiding en planbeschrijving
6
1.2
Ligging plangebied
6
1.3
Planologische regeling
7
1.4
Leeswijzer
8
Hoofdstuk 2
Beleidskader
9
2.1
Rijksbeleid
9
2.2
Provinciaal beleid
10
2.3
Gemeentelijk beleid
11
Milieu- en omgevingsaspecten
12
3.1
Algemeen
12
3.2
Bedrijven en milieuzonering
12
3.3
Ecologie
13
3.4
Bodem
14
3.5
Geluid
14
3.6
Water
15
3.7
Luchtkwaliteit
16
3.8
Archeologie
17
3.9
Cultuurhistorie
18
3.10
Externe veiligheid
19
3.11
Kabels en leidingen
20
Hoofdstuk 4
Juridische toelichting
21
4.1
Het juridisch systeem
21
4.2
Toelichting op de bestemmingen
21
4.3
Verbeelding
22
Uitvoerbaarheid
23
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
23
5.2
Economische uitvoerbaarheid
23
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 5
Bijlagen toelichting
3/56
25
Bijlage 1
Watertoets
Regels Hoofdstuk 1
27 32
Inleidende regels
33
Artikel 1
Begrippen
33
Artikel 2
Wijze van meten
37
Bestemmingsregels
38
Artikel 3
Wonen
38
Artikel 4
Waarde - Archeologie 1
41
Hoofdstuk 3
Algemene regels
43
Artikel 5
Anti-dubbeltelregel
43
Artikel 6
Algemene bouwregels
44
Artikel 7
Algemene gebruiksregels
45
Artikel 8
Algemene aanduidingsregels
46
Artikel 9
Algemene afwijkingsregels
47
Artikel 10
Overige regels
48
Overgangs- en slotregels
49
Artikel 11
Overgangsrecht
49
Artikel 12
Slotregel
50
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 4
Bijlagen regels Bijlage 1 Verbeelding
4/56
51 Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
53 55
Toelichting
5/56
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en planbeschrijving
Op het perceel aan de Mûnebuorren 8 en 10 is een bedrijfswoning (nr. 8) en bedrijfsbebouwing (nr. 10) aanwezig. Het perceel heeft een bedrijfsbestemming.
Figuur 1.1: Huidige situatie Mûnebuorren 8 en 10 (bron: Google Maps) Initiatiefnemer heeft een verzoek ingediend bij de gemeente Noardeast-Fryslân om de bedrijfsbestemming van de Mûnebuorren 8 en 10 te wijzigen in een woonbestemming. De gemeente heeft hierop positief gereageerd. Op het perceel zijn geen ontwikkelingen voorzien. Het bestemmingsplan wordt opgesteld om de feitelijke situatie juridisch- planologisch te regelen. Het voorliggende plan voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt in het zuiden van centraal in het dorp Eanjum. Het dorp is gelegen in het noordoosten van de provincie Fryslân. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.2.
6/56
Figuur 1.2: Ligging van het plangebied
1.3
Planologische regeling
Het plangebied is momenteel geregeld in het bestemmingsplan Doarpen, dat is vastgesteld op 25 juni 2010 door de voormalige gemeente Dongeradeel (tegenwoordig gemeente Noardeast-Fryslân). Een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 1.3.
7/56
Figuur 1.3: Uitsnede geldende bestemmingsplan Doarpen (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) In het geldende bestemmingsplan is het plangebied bestemd als 'Bedrijf' en heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch en/of cultuurhistorisch waardevol gebied' en de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone molenbiotoop'. De gronden zijn bestemd voor bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2. Binnen de bestemming 'Bedrijf' is per bedrijf ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan en enkel ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'.
1.4
Leeswijzer
Na deze planbeschrijving, wordt in de hoofdstukken 2 en 3 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 4 geeft een uitleg aan de juridische regeling van het bestemmingsplan. Tenslotte gaat hoofdstuk 5 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
8/56
Hoofdstuk 2 2.1
Beleidskader
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het is de bedoeling er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.
Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie; 2. de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; 3. steden en regio's sterker en leefbaarder maken; 4. een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Realiseren opgaven In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren: 1. De Omgevingsagenda In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio. 2. De NOVI-gebieden Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie. De regio waarvan de gemeente Noardeast-Fryslân deel uitmaakt is niet aangewezen als NOVI-gebied. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de NOVI. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro
9/56
stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen. Voorliggende regeling raakt geen nationaal belang. Ladder voor Duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is 'de Ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Toepassing ladder voor duurzame verstedelijking In het plangebied vinden geen ontwikkelingen plaats. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het betreft een functiewijziging die naar aard en omvang zodanig is (geen extra ruimtebeslag), dat niet gesproken kan worden van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een laddertoets hoeft niet uitgevoerd te worden. Conclusie rijksbeleid De ontwikkeling in Eanjum is niet in strijd met het rijksbeleid.
2.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Fryslân - De romte diele Op 23 september 2020 is de omgevingsvisie Fryslân - De romte diele vastgesteld waarin de ambitie voor de provincie voor 2030-2050 is uitgesproken. Hierbij wordt gewerkt met 9 principes die richting geven bij het maken van keuzes. Enerzijds zijn de principes inhoudelijk van aard, zoals zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities, gezondheid en veilig. Anderzijds zijn er samenwerkingsprincipes, zoals rolbewust, decentraal wat kan, het ja, mits principe, aansluiting zoeken en sturen op proces, ruimer op inhoud. Als uitgangspunt geldt dat veranderingen niet tegen moeten worden gehouden, maar dat ambities worden gerealiseerd door gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten. Functies (nieuw) moeten naar aard en schaal passen bij de stad of dorp. In voorliggend bestemmingsplan worden geen ontwikkelingen voorzien, maar de feitelijke situatie vastgelegd centraal in Eanjum. Het betreft de wijziging van een bedrijfs- naar een woonbestemming die naar aard en schaal past in het dorp en de directe omgeving. Verordening Romte 2014 Op 25 juni 2014 is de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld, deze is daarna een aantal keren partieel herzien.
In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het plangebied ligt binnen Bestaand Stedelijk Gebied. De Verordening Romte geeft voor deze wijziging van de bestemming geen regels. Op grond van artikel 2.2 van de Verordening Romte moet wel worden aangegeven op welke wijze het plan
10/56
rekening houdt met de wijze van onderzoek naar en bescherming van archeologische waarden en verwachtingswaarden zoals aangegeven op de Famke. Indien in een ruimtelijk plan wordt afgeweken van het bepaalde in het eerste lid wordt onderbouwd op welke wijze in een vergelijkbare bescherming van archeologische waarden is voorzien. In paragraaf 3.8 wordt hier nader op ingegaan.
2.3
Gemeentelijk beleid
Woonvisie 2020-2025 De Woonvisie van de gemeente Noardeast-Fryslân legt op hoofdlijnen vast wat de basis is voor verder uitgewerkte woonplannen en -afspraken in de komende vijf jaar. De hoofdlijnen worden uitgewerkt in een woonagenda. In het bestemmingsplan worden geen nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Gelet op de speerpunten uit de woonvisie wordt aangesloten op het toekomst geven aan bestaande woningen en buurten. De woonvisie bevat de volgende speerpunten: 1. Toekomst geven aan bestaande woningen en buurten. 2. Nieuwbouw in stad, dorpen en wijken, omgang met groei en krimp. 3. Ontwikkeling van de sociale huurvoorraad: betaalbaar, beschikbaar en met kwaliteit. 4. Wonen en zorg in dorpen en wijken. 5. Energietransitie en verduurzaming. 6. Leefbare stad en dorpen: sociaal en veilig, met bereikbare voorzieningen. 7. Samenwerking gemeente, belanghebbenden en bewoners. Woonagenda: Toekomst geven aan bestaande woningen en buurten. De focus van het woonbeleid richten op de kwaliteit van bestaand stedelijk- en dorpsgebied en de bestaande woningvoorraad. Eigenaren en bewoners faciliteren en ondersteunen bij een (betaalbare) verduurzamingsopgave. Juist bij mutatie van betaalbare woningen zorgen dat deze aantrekkelijk worden voor renovatie door starters op de woningmarkt. Afspraken maken met de corporatie en huurdersorganisatie over voortgaande, betaalbare woningverbetering.
Preventief beleid ontwikkelen voor leegstand in de particuliere woningvoorraad en leegstaande panden. Samen met corporatie en de Mienskip plannen maken om bestaand vastgoed toekomst te geven.
11/56
Hoofdstuk 3 3.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Algemeen
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet aandacht worden besteed aan wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. Het gaat hierbij om het minimaliseren van de invloeden vanuit het plangebied op de omgeving en omgekeerd. Dat zijn de milieu- en omgevingsaspecten geluid, luchtkwaliteit, bodem, externe veiligheid, water, ecologie, archeologie, cultuurhistorie, bedrijven en milieuhinder, en kabels en leidingen.
3.2
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Toetsing Het plangebied ligt in de dorpskern van Eanjum. Er is sprake van een gemengd gebied. De ontwikkeling in het plangebied betreft een wijziging van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Ten westen van het plangebied, aan de Mûnebuorren, bevindt zich op een afstand van circa 12 meter de bestemming 'Gemengd'.
Op deze locatie zijn maatschappelijke voorzieningen, kantoren, detailhandel, dienstverlening en horecabedrijven in categorie 1, 2 en/of 3 toegestaan. De bestemmingswijziging heeft geen invloed op de uitoefening van deze functies en de mogelijkheden binnen de bestemming 'Gemengd' (deze worden niet onredelijk ingeperkt). Het betreft bovendien een bestaande (voormalige) bedrijfswoning die nu als reguliere woning mag worden gebruikt. Hiermee is ook al rekening gehouden bij het toekennen van de bestemming 'Gemengd' in het bestemmingsplan Anjum - MFA/NAM. Bestaande functies en mogelijkheden kunnen ook gevolgen hebben voor de functionele mogelijkheden in het plangebied. De afstand van de voormalige bedrijfswoning is ongeveer 20 meter tot aan de hiervoor genoemde bestemming 'Gemengd' en de afstand van de met dit bestemmingsplan toegekende woonbestemming tot aan de gemengde bestemming ongeveer 12 meter. Het betreft een bestaande situatie in een gemengd gebied.
12/56
Van een verslechtering van de milieusituatie is in en rond het plangebied dan ook geen sprake. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor dit plan.
3.3
Ecologie
Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura 2000-gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. Toetsing In het plangebied vinden geen nieuwe ontwikkelingen plaats. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden als Natura 2000 en NatuurNetwerk Nederland (Voormalige EHS). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (tevens NNN) is het Lauwersmeer op 2,4 kilometer afstand tot het plangebied. Op ongeveer 260 meter ligt Natuur buiten NNN, deze kent geen externe werking. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten.
Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Natura 2000-gebieden: stikstofdepositie De ontwikkeling van het plangebied leidt niet tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in de omgeving. De ontwikkeling betreft een functiewijziging. Soortenbescherming De ontwikkeling heeft geen invloed op soorten die worden beschermd op grond van de Wnb. Er vinden geen bouw- en sloopactiviteiten plaats.
13/56
3.4
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Het bestemmingsplan brengt de feitelijke situatie in overeenstemming met de juiste regeling. In de huidige situatie worden de gronden al gebruikt ten behoeve van een (bedrijfs)woonfunctie. Gelet op de mogelijkheden van het bestemmingsplan voor alleen maar lichte bedrijven is een verkennend bodemonderzoek niet nodig.
Het plangebied is geen verdachte locatie. Voor het bestemmingsplan staat het aspect bodem de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Bij afvoer van grond vanaf het perceel dient wel rekening te worden gehouden met de regels van het Besluit Bodemkwaliteit.
3.5
Geluid
Toetsingskader Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Toetsing Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied. De wegen in Eanjum betreffen alleen 30 km/uur wegen. Voor deze wegen is het niet noodzakelijk een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uit te voeren. Bovendien betreft de woning in het plangebied een woning die in de huidige situatie een bedrijfswoning is. Ook een bedrijfswoning is een geluidgevoelig object in het kader van wegverkeerslawaai. Door de beoogde ontwikkeling wordt de situatie voor de woning in het kader van wegverkeerslawaai niet gewijzigd. Het aspect geluid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
14/56
3.6
Water
Toetsingskader Van groot belang voor de ruimtelijke ordeningspraktijk is de wettelijk verplichte 'watertoets'. De watertoets kan worden gezien als een procesinstrument dat moet waarborgen dat gevolgen van ruimtelijke ontwikkelingen voor de waterhuishouding meer expliciet worden afgewogen. Belangrijk onderdeel van de watertoets is het vroegtijdig afstemmen van ontwikkelingen met de betrokken waterbeheerder. Toetsing Het plan betreft een functiewijziging waarbij de bouw- en gebruiksmogelijkheden geen invloed hebben op de wateraspecten. De uitkomst van de watertoets is dat er geen waterschapsbelang is. Dit houdt in dat het plan geen invloed heeft op de wateraspecten. Het resultaat van de watertoets is opgenomen in bijlage 1. Waterkwantiteit In het wateradvies is aangegeven dat door ruimtelijke ontwikkelingen de hoeveelheid verhard oppervlak toeneemt met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.
Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in het wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Er is geen sprake van een toename in verharding. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. In dit geval is geen sprake van wijziging in aansluiting op de riolering of wijziging in afvoer van het hemelwater. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase.
15/56
Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Vanuit het aspect water is er geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied.
3.7
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.
16/56
Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)
Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Toetsing Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2020) is er in de directe omgeving van het plangebied sprake van een goede luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
Op voorhand kan gesteld worden dat dit plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Bovendien valt het project, onder de NIBM-regeling.
3.8
Archeologie
Toetsingskader In de Erfgoedwet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord, moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. FAMKE Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie Friesland de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 - 800 v Chr.), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr. - 1500 n Chr.).
17/56
Toetsing Voor de planontwikkeling zijn de archeologische kaarten van FAMKE geraadpleegd. Deze kaarten geven de actuele status op het gebied van archeologie weer. Uit de advieskaart van FAMKE voor de periode ijzertijd-middeleeuwen blijkt dat waarderend onderzoek (terpen) wordt geadviseerd. Deze gebieden betreffen archeologische vindplaatsen, te weten terpen of terpzolen, die archeologische vondsten en sporen bevatten. Ook afgegraven terpen, waarvan de terpzool slechts nog rest, kunnen nog waardevolle diepere sporen bevatten, zoals waterputten en sloten. De precieze waarde en omvang van deze terpen of terpzolen is echter nog niet bekend. De provincie beveelt aan om bij ingrepen van meer 50 m² een waarderend booronderzoek te laten uitvoeren, waarbij duidelijk wordt wat de waarde van de bestaande vindplaats is. Op basis van de resultaten van het waarderend onderzoek kan het gebied eventueel bestempeld worden als ‘archeologisch waardevol', waarbij geldt dat men moet streven naar behoud ervan (zie advies ‘streven naar behoud'). De resultaten kunnen ook uitwijzen dat de voorgenomen ingreep niet bezwaarlijk is, of met welke randvoorwaarden in het plan rekening dient te worden gehouden. Het bestemmingsplan voorziet niet direct in ingrepen die de uitvoering van een archeologisch onderzoek op voorhand noodzakelijk maakt.
Het bestemmingsplan voorziet alleen in een functiewijziging om de feitelijke situatie juridisch-planologisch te regelen. De bestaande dubbelbestemming is opnieuw opgenomen ter bescherming van de archeologische waarden. Indien sprake is van ingrepen moet op grond van de dubbelbestemming een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden bij ingrepen van meer dan 50 m2. Uit de advieskaart van FAMKE blijkt dat voor de periode steentijd-bronstijd geen onderzoek noodzakelijk is. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3.9
Cultuurhistorie
Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Toetsing Om te onderzoeken of sprake is van cultuurhistorische waarden is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Langs de Mûnebuorren loopt de aanduiding Oude Paden Nieuwe Wegen. Tevens is sprake van de aanduiding Boerderijplaatsen en Blokverkaveling kleinschalige regelmaat. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Ter bescherming van de waarde en werking van de molen (Rijksmonument) nabij het plangebied is (opnieuw) de aanduiding opgenomen die de waarde en werking van de molen beschermd (De Eendracht).
18/56
Figuur 3.1: Fragment Cultuurhistorische Kaart Fryslân Het aspect cultuurhistorie staat de beoogde bestemmingswijziging niet in de weg.
3.10 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.
Toetsing In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waarmee rekening moet worden gehouden. Daarom vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling in het
19/56
plangebied.
3.11 Kabels en leidingen Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Toetsing Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
20/56
Hoofdstuk 4 4.1
Juridische toelichting
Het juridisch systeem
Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.
4.2
Toelichting op de bestemmingen
In het voorliggende bestemmingsplan wordt de feitelijke situatie vastgelegd. Het plangebied in dit plan heeft een woonbestemming. Deze zijn opgezet volgens het geldende bestemmingsplan en de recente bestemmingsplannen van de gemeente Noardeast- Fryslân. Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bedoeld voor het wonen in woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep. Een hoofdgebouw is alleen toegestaan in het bouwvlak en er mag niet meer dan 1 hoofdgebouw worden gebouwd. Per hoofdgebouw is 1 woning toegestaan. Het bouwvlak is nagenoeg rondom de bestaande voormalige bedrijfswoning gelegd. De bouwhoogte sluit aan op de systematiek van de omliggende woonbestemmingen. Ook de aan- , uit- en bijgebouwenregeling sluit aan op de systematiek van de omliggende woonbestemmingen. Hierbij is rekening gehouden met de oppervlakte van de voormalige bedrijfsbebouwing. Waarde - Archeologie 1 Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in de grond is de dubbelbestemming toegekend. Archeologische waarden bij gebiedsoverstijgende ingrepen boven de 50 m2 en dieper dan 30 cm worden hiermee beschermd. Een archeologisch onderzoek is verplicht. Vrijwaringszone - molenbiotoop De molenbiotoop rond de molen van Eanjum, wordt beschermd via de aanduiding 'vrijwaringszone molenbiotoop'. Hierin is de bescherming van de windvang van de molen geregeld.
21/56
4.3
Verbeelding
Het plangebied heeft de bestemmingen 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' tevens aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop toegekend. In de verbeelding is binnen de bestemming 'Wonen' een bouwvlak opgenomen waarbinnen het hoofdgebouw aanwezig is en alleen hier mag worden gebouwd. Per hoofdgebouw is maximaal één woning toegestaan.
22/56
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Vooroverleg Het concept-ontwerpbestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ter beoordeling voorgelegd aan de overlegpartners. De volgende overlegpartners hebben hierop gereageerd: Wetterskip Fryslân Het Wetterskip heeft aangegeven geen reden te hebben tot het maken van op- en/of aanmerkingen en stemt in met het onderdeel 'Water'. Provinsje Fryslân De provincie geeft aan dat het bestemmingsplan geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen. Brandweer Fryslân De brandweer ziet geen knelpunten in debeoogde ontwikkeling en ziet daardoor af van de mogelijkheid tot het geven van een advies. De vooroverlegreacties hebben niet geleid tot aanpassingen aan het plan. Zienswijzeperiode Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn wel/geen zienswijzen ingediend. Vaststelling Het bestemmingsplan is op .... vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat voor belanghebbenden die eerder een zienswijze hebben ingediend de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor een particuliere ontwikkeling en een ontwikkeling van de gemeente Noardeast Fryslân. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt
23/56
onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De gemeente heeft een exploitatie- of planschadeovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer.
24/56
Bijlagen toelichting
25/56
26/56
Bijlage 1
27/56
Watertoets
Digitale Watertoets
Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van het Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.
Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Procedure: Geen waterschapsbelang
Op basis van onderstaande locatie
15-08-2023 10:59
1
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
Vragen en antwoorden uit de check Gaat het plan uitsluitend over de functiewijziging van bestaande bebouwing zonder fysieke aanpassing van bebouwing en ruimte?
ja
15-08-2023 10:59
2
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets
Details 1. Procedure: Geen waterschapsbelang Wat moet ik doen? Je hoeft geen verdere actie te ondernemen. Uit de door jou ingevulde gegevens blijkt namelijk dat je plan geen invloed heeft op het water of de wateraspecten (zoals gemalen, stuwen of persleidingen) in de omgeving.
Waar moet ik op letten? Voor sommige werkzaamheden heb je een watervergunning nodig. Bijvoorbeeld als je een sloot wilt dempen, afvalwater wilt lozen op oppervlaktewater of grondwater wilt onttrekken. Soms is het doen van een melding voldoende. Via Omgevingsloket online www.omgevingsloket.nl kun je nagaan of je een watervergunning nodig hebt of een melding moet doen (vergunningcheck). Je kunt hier ook meteen de vergunning aanvragen of de melding doen.
Achtergrondinformatie
15-08-2023 10:59
3
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets Watertoets De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. Als richtlijn bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werken we met de Leidraad Watertoets. Hierin staat voor alle wateraspecten uitgangspunten omschreven waar je rekening mee moet houden. Ook is er informatie te vinden over de te nemen maatregelen. Je kunt de leidraad vinden via deze link: www.wetterskipfryslan.nl/vergunningen-wetten-en-regels/online-watertoets-voor-nieuwe-plannen
Toename verharding Wij willen je verzoeken om in de waterparagraaf de volgende passage op te nemen over het onderdeel toename verharding. Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.
Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteren wij de volgende compensatienorm: • • •
Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem; Polder 10%, Vrij afstromend, alternatieve maatregelen.
Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan hier vermeld. Zie de ‘Leidraad watertoets’ voor meer informatie over compenserende maatregelen of neem contact op met ons. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij bovenstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. Bekijk ook de ‘Leidraad Watertoets’ voor meer informatie over maatregelen die je kunt treffen om te compenseren. Als je niet compenseert dan moet je een watervergunning aanvragen voor het snel afvoeren van regenwater.
Klimaat Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Meer informatie hierover kun je vinden op ‘De Friese klimaatatlas’: www.frieseklimaatatlas.nl
Privacyverklaring Nadere informatie over de verwerking van je gegevens en je rechten vind je op https://www.wetterskipfryslan.nl/ over-de-site/privacyverklaring
15-08-2023 10:59
4
https://dewatertoets.nl
Regels
32/56
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan: het bestemmingsplan Eanjum - Mûnebuorren 8 en 10 met identificatienummer NL.IMRO.1970.BpEjMunebuorren810-ON01 van de gemeente Noardeast-Fryslân; 1.2 bestemmingsplan: de geometrische bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij horende bijlagen; 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden opgesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aan- of uitbouw: een gebouw dat ruimtelijk ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en dat een vergroting dan wel uitbreiding van het hoofdgebouw vormt; 1.6 aan-huis-verbonden beroep: een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.7 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.8 bestaand: a. bestaand gebruik: het gebruik van de gronden en bouwwerken dat aanwezig is op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan, daaronder valt niet het gebruik dat reeds in strijd was met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan; b.
bestaande bouwwerken: bouwwerken die: 1. op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan aanwezig zijn, daaronder vallen niet de bouwwerken, die reeds in strijd waren met het daarvoor geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan; 2. gebouwd worden of kunnen worden krachtens een voor het van kracht worden van het bestemmingsplan verleende omgevingsvergunning (al dan niet in afwijking van het voorgaande bestemmingsplan); c. bestaande afmetingen: afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van de vaststelling van het bestemmingsplan tot stand zijn gekomen;
33/56
1.9 bestemmingsgrens: een op de verbeelding aangegeven lijn, die de grens vormt van een bestemmingsvlak; 1.10 bestemmingsvlak: een op de verbeelding aangegeven vlak met eenzelfde bestemming; 1.11 bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.12 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.13 bouwgrens: een op de verbeelding aangegeven lijn die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze regels toegelaten afwijkingen; 1.14 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.15 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.16 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.17 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.18 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct
hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.19 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.20 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;
34/56
1.21 dienstverlening: het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden; 1.22 eerste bouwlaag: de bouwlaag op de begane grond; 1.23 erotisch getinte vermaaksfunctie: een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaats vinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal; 1.24 hoofdgebouw: een gebouw, dat zowel functioneel als qua vorm bepalend is voor de materiële inhoud van de bestemming; 1.25 horeca: het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse en/of het bedrijfsmatig verstrekken van logies, al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie; 1.26 kampeermiddel: een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.27 milieusituatie: de situatie, waarbij milieuaspecten dienen te worden beoordeeld, zoals hinder voor omwonenden en een verkeersaantrekkende werking. In het bijzonder dient er bij de situering en omvang van milieubelastende functies (o.a. bedrijven) op te worden gelet dat de uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies (o.a.
woningen) zo weinig mogelijk wordt beperkt. Omgekeerd dient er bij uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies op te worden gelet dat bestaande milieubelastende functies zo weinig mogelijk in hun functioneren worden beperkt; 1.28 peil: a. voor een hoofdgebouw: de hoogte van de bovenkant van de afgewerkte vloer van het hoofdgebouw, met dien verstande dat deze hoogte ter plaatse van minimaal één van de hoofdtoegangen van het gebouw aansluiting vindt bij de bestaande terreinhoogte; b. voor overige bouwwerken: 1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
35/56
1.29 nutsvoorzieningen: een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten; 1.30 overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder wanden dan wel met ten hoogste één wand; 1.31 seksinrichting: een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.32 straat- en bebouwingsbeeld: een in stedenbouwkundig opzicht, samenhangend straat- en bebouwingsbeeld, dat zich in het algemeen kenmerkt door: een goede verhouding tussen bouwmassa en open ruimte; een goede hoogte-/breedteverhouding tussen de bebouwing onderling; een samenhang in bouwvorm/architectonisch beeld tussen bebouwing die ruimtelijk op elkaar georiënteerd is; 1.33 verkeersveiligheid: de veiligheid voor het verkeer die wordt bepaald door de mate van overzichtelijkheid en vrij uitzicht (met name bij kruisingen van wegen en uitritten) en de (mogelijke) effecten van bebouwing en overige inrichtingselementen op de gedragingen van verkeersdeelnemers; 1.34 woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld en bestemd voor de huisvesting van een huishouden; 1.35 woonhuis: een gebouw, dat één woning omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.
36/56
Artikel 2
Wijze van meten
2.1 de afstand tot de zijdelingse perceelgrens: de kortste afstand vanaf enig punt van een bouwwerk tot de zijdelingse perceelgrens; 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.4 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.5 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.6 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.7 de oppervlakte van een overkapping: tussen de buitenwerkse constructiedelen, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
37/56
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels
Wonen
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep; b. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen; met daaraan ondergeschikt: c. groenvoorzieningen; d. openbare nutsvoorzieningen; e. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; f. water; met de daarbij behorende: g. tuinen, erven en terreinen; h. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd; b. een hoofdgebouw dient binnen het bouwvlak te worden gebouwd; c. het aantal hoofdgebouwen mag niet meer dan 1 per bouwvlak bedragen; d. een hoofdgebouw zal in de naar de weg gekeerde bouwgrens worden gebouwd, dan wel ten hoogste 2,00 m vanaf de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd; e. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelgrens dient ten minste 3,00 m te bedragen, tenzij de bestaande afstand minder bedraagt, in welk geval de bestaande afstand geldt; f. de goot- en bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 4,00 m respectievelijk 9 m; g. de dakhelling van een hoofdgebouw dient ten minste 30° en niet meer dan 60° te bedragen.
3.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen zullen ten minste 3,00 m achter de voorgevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan worden gebouwd; b. de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 1,00 m vanaf de zijdelingse perceelgrens dan wel op de zijdelingse perceelgrens worden gebouwd; c. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw zal ten hoogste 100 m² bedragen; d. de goothoogte van een aan- of uitbouw of een aangebouwde overkapping zal ten hoogste gelijk zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw plus 0,30 m; e. de goothoogte van een bijgebouw of een vrijstaande overkapping zal ten hoogste 3,30 m bedragen; f. de bouwhoogte van een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping mag niet meer bedragen dan,
38/56
danwel ten hoogste de bestaande bouwhoogte: 1. 6,50 m, indien in de zijdelingse perceelgrens wordt gebouwd, en: 2. de bouwhoogte van een punt in een denkbeeldige lijn van 45°, getrokken vanuit een punt op 3,30 m bouwhoogte op de zijdelingse perceelgrens, met dien verstande dat geen deel van de kap zich buiten deze denkbeeldige lijn mag bevinden; 3. met dien verstande dat de bouwhoogte van een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping ten minste 1,00 m lager is dan het hoofdgebouw. 3.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan ten hoogste 1,00 m zal bedragen; b. de bouwhoogte van vlaggenmasten zal ten hoogste 6,00 m bedragen; c. de bouwhoogte van andere overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen. 3.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. een goede woonsituatie; b. een goede milieusituatie; c. de verkeersveiligheid; en d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
3.4 Afwijken van de bouwregels 3.4.1 Omgevingsvergunning Met een omgevingsvergunningen kunnen worden afgeweken van: a. het bepaalde in lid 3.2.1 sub b in die zin dat een hoofdgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits de naar de weg gekeerde bouwgrens of het verlengde daarvan niet wordt overschreden; b. het bepaalde in lid 3.2.1 sub d in die zin dat een hoofdgebouw ten hoogste 2,00 m vanaf de naar de weg gekeerde bouwgrens wordt gebouwd; c. het bepaalde in lid 3.2.1 sub e in die zin dat de afstand tussen een hoofdgebouw en de zijdelingse perceelsgrens wordt verkleind; d. het bepaalde in lid 3.2.2 sub a in die zin dat een aan- of uitbouw, bijgebouw of overkapping minder dan 3,00 m achter, dan wel vóór de voorgevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd; e. het bepaalde in lid 3.2.2 sub c in die zin dat de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen wordt vergroot tot ten hoogste 80%. 3.4.2 Toetsingscriteria De in lid 3.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: a. het straat- en bebouwingsbeeld; b. de woonsituatie; c. de verkeersveiligheid; en d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
39/56
3.5 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van bijgebouwen voor bewoning; b. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor detailhandel; c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijvigheid, anders dan in de vorm van een aan-huis-verbonden beroep; d. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep zodanig dat de bedrijfsvloeroppervlakte meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel met een maximum van 50 m²; e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de huisvesting van tijdelijke werknemers c.q. arbeidsmigranten; f. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatie en/of horeca. 3.6 Afwijken van de gebruiksregels 3.6.1 Omgevingsvergunning Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. het bepaalde in lid 3.5 sub c in die zin dat de gebouwen worden gebruikt ten behoeve van kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten die zijn genoemd in bijlage 1 dan wel naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijven, mits: 1.
de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel, met dien verstande dat de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen; 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke uitstraling van de woning; 3. het niet gaat om vormen van detailhandel en/of horeca; 4. het parkeren op eigen erf plaatsvindt. Indien dit niet mogelijk is, mag de parkeerdruk in de naaste omgeving als gevolg van de voorgenomen activiteit niet onevenredig toenemen; 5. de verkeersdruk in de naaste omgeving niet onevenredig toeneemt; 6. geen bedrijfsmatige opslag in de open lucht plaatsvindt; b. het bepaalde in lid 3.5 sub e en toestaan dat de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van de huisvesting van tijdelijke werknemers c.q. arbeidsmigranten, mits binnen een straal van 50 m ten hoogste één woonhuis voor een dergelijke functie wordt gebruikt. c. het bepaalde in lid 3.5 sub f en toestaan de gronden en bouwwerken in combinatie met het wonen worden gebruikt ten behoeve van kleinschalige logiesverstrekking, mits: 1. de woonfunctie niet onevenredig wordt aangetast; 2. het uiterlijk van de betreffende woning niet wordt aangetast; 3. het parkeren op eigen erf plaatsvindt.
Indien dit niet mogelijk is, mag de parkeerdruk in de naaste omgeving als gevolg van de voorgenomen activiteit niet onevenredig toenemen; 4. de verkeersdruk in de naaste omgeving niet onevenredig toeneemt; 5. geen bedrijfsmatige opslag in de open lucht plaatsvindt.
40/56
Artikel 4
Waarde - Archeologie 1
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische en archeologische waarden. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen Voor bouwwerken, waarvoor bodemingrepen nodig zijn met een oppervlakte groter dan 50 m² en dieper dan 30 cm, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van burgemeester en wethouders: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 4.2.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen Indien uit het in 4.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c.
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. Indien burgemeester en wethouders voornemens zijn om aan de vergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in 4.2.2 wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd. 4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op de gronden van toepassing zijnde bestemmingen een omgevingsvergunning vereist, met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan 50 m² en dieper dan 30 cm: a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van de gronden; b. het graven of dempen van watergangen; c. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
41/56
4.3.2 Uitzonderingen Het bepaalde in lid 4.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie . 4.3.3 Toetsingscriteria De in lid 4.3.1 genoemde omgevingsvergunning wordt slechts verleend indien: 1. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn, of: 2. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en/of werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad, of: 3. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt: a. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden, of; b. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen, of: c. een verplichting de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.