Bijlage - Bestemmingsplan Ferwert - Zeedijk 11a en 12
Tekst van het document
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 de oppervlakte van een overkapping: tussen de buitenwerkse constructiedelen, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.7 de afstand tot de zijdelingse perceelgrens: de kortste afstand vanaf enig punt van een (hoofd)gebouw tot de zijdelingse perceelgrens; 2.8 bouwhoogte van een molen: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de kap van de molen; 2.9 de bouwhoogte van een ultrakleine en kleine windturbine: vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine; 2.10 de tiphoogte van een grote windturbine: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de wieken van de windturbine; 2.11 de bouwhoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van de mast van de windturbine.
43/72
2.12 bedrijfsvloeroppervlak: de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen, trappenhuizen, gangen en overige dienstruimten.
44/72
Hoofdstuk 2
Artikel 3
Bestemmingsregels
Wonen - 4
3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep; b. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen; met daaraan ondergeschikt: c. kleinschalige duurzame energieopwekking; d. nutsvoorzieningen; e. wegen en paden; f. water; met de daarbijbehorende: g. tuinen, erven en terreinen; h. bouwwerken geen gebouwen zijnde. 3.2
Bouwregels
3.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd; b. een hoofdgebouw zal binnen een bouwvlak worden gebouwd; c. per bestemmingsvlak zal ten hoogste één hoofdgebouw worden gebouwd; d. de afstand van een hoofdgebouw ten opzichte van de weg zal ten minste de bestaande afstand bedragen; e. de inhoud van een hoofdgebouw zal ten hoogste de bestaande bedragen; f. de goothoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste de bestaande bedragen; g. de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten minste 30° en ten hoogste 60° bedragen; h. de bouwhoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste de bestaande bedragen; i. hoofdgebouwen zullen ten minste 1,00 m vanaf de zijdelingse perceelgrens dan wel op de zijdelingse perceelgrens worden gebouwd. 3.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 3,00 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw c.q. het verlengde daarvan worden gebouwd; b. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 1,00 m vanaf de zijdelingse perceelgrens dan wel op de zijdelingse perceelgrens worden gebouwd; c.
de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zal per hoofdgebouw ten hoogste 100 m² bedragen; d. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zal ten hoogste 50% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak, gelegen achter de voorgevel(s) van het hoofdgebouw dan wel
45/72
het verlengde daarvan en verminderd met de oppervlakte van het hoofdgebouw, bedragen; e. in afwijking van het bepaalde onder c en d, mag de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw ten hoogste 125 m² bedragen, mits de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak bedraagt; f. de goothoogte van een aan- of uitbouw of een aangebouwde overkapping zal ten hoogste gelijk zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw plus 0,25 m; g. de goothoogte van een bijgebouw of een vrijstaande overkapping zal ten hoogste 3,00 m bedragen; h. indien een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping wordt voorzien van een kap, gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte van een aan- of uitbouw of een aan het hoofdgebouw gebouwde overkapping zal ten hoogste 9,00 m bedragen, mits de bouwhoogte 1,00 m minder bedraagt dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw; 2. de bouwhoogte van een bijgebouw of een vrijstaande overkapping zal ten hoogste 9,00 m bedragen. 3.2.3 Overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: a.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan ten hoogste 2,00 m zal bedragen; b. er zullen geen bouwwerken ten behoeve van de opwekking van windenergie en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken, reclamemasten en paardrijbakken worden gebouwd; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen. 3.3 Afwijken van de bouwregels Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van: het bepaalde in lid 3.2.3 onder b in die zin dat paardrijbakken worden toegestaan, mits tevens de in lid 3.5.4 bedoelde vergunning is verleend. 3.4 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van woonhuizen in combinatie met bedrijfsdoeleinden anders dan voor een aan-huis-verbonden beroep; b.
het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep zodanig dat de beroepsvloeroppervlakte meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel met een maximum van 50 m²; c. het gebruik van een woonhuis, inclusief aan- en uitbouwen, voor mantelzorg; d. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning; e. het gebruik van een woonhuis voor meer dan één woning; f. het gebruik van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatieve doeleinden; g. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de huisvesting van tijdelijke werknemers dan
46/72
wel arbeidsmigranten; h. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van agrarische bedrijfsactiviteiten; i. het gebruik van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardrijbak met de daarbijbehorende bouwwerken. 3.5 Afwijken van de gebruiksregels 3.5.1 Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.4 onder a in die zin dat de gebouwen worden gebruikt ten behoeve van kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, die zijn genoemd in bijlage 1, mits: a. de bedrijfsvloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing binnen het bestemmingsvlak, met dien verstande dat de beroepsvloeroppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ruimtelijke uitstraling van de woning; c. het niet gaat om vormen van detailhandel en/of horeca; d. het parkeren op eigen erf plaatsvindt. Indien dit niet mogelijk is, mag de parkeerdruk in de naaste omgeving als gevolg van de voorgenomen activiteit niet onevenredig toenemen; e. de verkeersdruk in de naaste omgeving niet onevenredig toeneemt; f. geen bedrijfsmatige opslag in de open lucht plaatsvindt; g. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeersveiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
3.5.2 Kleinschalige logiesverstrekking Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.4 onder f in die zin dat een woonhuis en/of de daarbijbehorende aan- en uitbouwen en bijgebouwen in combinatie met het wonen worden gebruikt ten behoeve van kleinschalige logiesverstrekking, mits: a. de woonfunctie niet onevenredig wordt aangetast; b. het uiterlijk van het betreffende woonhuis niet wordt aangetast; c. het parkeren op eigen erf plaatsvindt. Indien dit niet mogelijk is, mag de parkeerdruk in de naaste omgeving als gevolg van de voorgenomen activiteit niet onevenredig toenemen; d. de verkeersdruk in de naaste omgeving niet onevenredig toeneemt; e. geen bedrijfsmatige opslag in de open lucht plaatsvindt; f. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeersveiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 3.5.3 Huisvesting van tijdelijke werknemers dan wel arbeidsmigranten Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.4 onder g in die zin dat de gronden en bouwwerken worden gebruikt ten behoeve van de huisvesting van tijdelijke werknemers dan wel arbeidsmigranten, mits: a. de huisvesting niet plaatsvindt in ruimtes ingericht voor logiesverstrekking en op kleinschalige kampeerterreinen; b. het parkeren op eigen erf plaatsvindt; c.
er per persoon ten minste 12 m² gebruiksoppervlakte binnen het woonhuis beschikbaar is;
47/72
d. er per woonhuis ten hoogste zes tijdelijke werknemers en/of arbeidsmigranten worden gehuisvest; e. binnen een straal van 1.000 m ten hoogste één bedrijfswoning of woonhuis voor een dergelijke functie wordt gebruikt; f. de bewoning voldoet aan de eisen gesteld door het afdeling Risicobeheersing en planvorming van Brandweer Fryslân; g. de aanvrager aantoont dat een beheerder wordt en blijft aangesteld voor het toezicht op de huisvesting; h. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; i. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 3.5.4 Paardrijbakken Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.4 onder i in die zin dat gronden, voorzover gelegen binnen het bestemmingsvlak, worden gebruikt voor de aanleg van een paardrijbak ten behoeve van het eigen hobbymatige gebruik met de daarbijbehorende bouwwerken, mits: a. de paardrijbak zoveel mogelijk uit het zicht van de openbare weg wordt gesitueerd ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing; b.
er vanwege de paardrijbak geen onevenredige hinder (geur, geluid, licht en stof) wordt veroorzaakt voor nabijgelegen woningen van derden (minimale afstand 50 m tot de woonbestemmingsgrens); c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waardevolle zichtlijnen op dorpssilhouetten; d. er geen onevenredige verstoring van het bodemarchief wordt veroorzaakt e. de oppervlakte van een paardrijbak ten hoogste 1.200 m² bedraagt; f. de bouwhoogte van lichtmasten of naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken ten behoeve van de verlichting van paardrijbakken ten hoogste 5,00 m zal bedragen; g. de lichtmasten uitsluitend zijn gericht op de paardrijbak; h. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ten hoogste 3,00 m zal bedragen. 3.6 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat een woonhuis wordt gebruikt voor meer dan één woning, mits: a. deze wijziging uitsluitend wordt verleend in situaties waarin het hoofdgebouw vóór splitsing een omvang heeft van ten minste 300 m²; b. de bestaande bouwmassa niet wordt vergroot en er niet meer dan twee woningen worden gevestigd; c. de wijziging passend is in een door Gedeputeerde Staten geaccordeerd woningbouwprogramma; d.
er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
48/72
Artikel 4
Wonen - Voormalige boerderijpanden
4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - Voormalige boerderijpanden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woonhuizen in de vorm van voormalige boederijpanden, al dan niet in combinatie met ruimten voor een aan-huis-verbonden beroep; b. het behoud en herstel van de karakteristieke en waardevolle hoofdvormen van voormalige boerderijpanden; c. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen; met daaraan ondergeschikt: d. kleinschalige duurzame energieopwekking; e. nutsvoorzieningen; f. wegen en paden; g. water; met de daarbijbehorende: h. tuinen, erven en terreinen; i. bouwwerken geen gebouwen zijnde. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Gebouwen en overkappingen Voor het bouwen van woonhuizen gelden de volgende regels: a. per bestemmingsvlak zal ten hoogste één woonhuis ten behoeve van het wonen worden gebouwd; b. een woonhuis zal binnen het bouwvlak worden gebouwd; c. de afstand van een woonhuis ten opzichte van de weg zal ten minste de bestaande afstand bedragen; d. de goothoogte, bouwhoogte, nokrichting en dakhelling van een boerderijpand zal de bestaande goothoogte, bouwhoogte, nokrichting en dakhelling bedragen. 4.2.2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 3,00 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw c.q.
het verlengde daarvan worden gebouwd; b. aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 1,00 m vanaf de zijdelingse perceelgrens dan wel op de zijdelingse perceelgrens worden gebouwd; c. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zal per hoofdgebouw ten hoogste 100 m² bedragen; d. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zal ten hoogste 50% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak, gelegen achter de voorgevel(s) van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan en verminderd met de oppervlakte van het hoofdgebouw, bedragen; e. in afwijking van het bepaalde onder c en d, mag de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen per hoofdgebouw ten hoogste 125 m² bedragen, mits de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak bedraagt;
49/72
f.
de goothoogte van een aan- of uitbouw of een aangebouwde overkapping zal ten hoogste gelijk zijn aan de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw plus 0,25 m; g. de goothoogte van een bijgebouw of een vrijstaande overkapping zal ten hoogste 3,00 m bedragen; h. indien een aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping wordt voorzien van een kap, gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte van een aan- of uitbouw of een aan het hoofdgebouw gebouwde overkapping zal ten hoogste 6,00 m bedragen, mits de bouwhoogte 1,00 m minder bedraagt dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw; 2. de bouwhoogte van een bijgebouw of een vrijstaande overkapping zal ten hoogste 5,00 m bedragen. 4.2.3 Overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan ten hoogste 2,00 m zal bedragen; b. er zullen geen bouwwerken ten behoeve van de opwekking van windenergie en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken, reclamemasten en paardrijbakken worden gebouwd; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen.
4.3 Afwijken van de bouwregels 4.3.1 Ondergeschikte functie bij het wonen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2.1 onder a in die zin dat bouwwerken ten behoeve van een ondergeschikte tweede tak worden gebouwd, mits: a. de gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van een ondergeschikte functie bij het wonen per woonhuis ten hoogste 250 m² zal bedragen; b. met een erfinrichtingsplan wordt aangetoond dat de ontwikkeling op een zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast overeenkomstig het gestelde in het Beeldkwaliteitplan; c. tevens de in 4.4 genoemde vergunning wordt verleend. 4.3.2 Bouwen buiten bouwvlak Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2.1 onder b in die zin dat een hoofdgebouw gedeeltelijk buiten een bouwvlak wordt gebouwd, mits: a. er geen wijziging optreedt in de bestaande hoofdvorm van het hoofdgebouw en de bestaande nokrichting wordt aangehouden; b. de huidige situering van het hoofdgebouw belemmeringen oplevert voor de omgeving dan wel voor de bewoners zelf en er met een gewijzigde situering een verbetering kan worden bewerkstelligd ten gunste van een goed woon- en leefklimaat, al dan niet vanwege stedenbouwkundige redenen; c.
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 4.3.3 Afwijken bestaande maatvoering 1 Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2.1 onder d in die zin dat wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen van een voormalig boerderijpand, mits:
50/72
a. er vanuit architectonisch oogpunt een hoogwaardige versterking van de ruimtelijke kwaliteit en het omgevingsbeeld wordt bewerkstelligd; b. de bouwhoogte van het woonhuis ten hoogste 12,00 m zal bedragen en het woonhuis zal worden voorzien van een kap; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 4.3.4 Afwijken bestaande maatvoering 2 Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2.1 onder d in die zin dat in ondergeschikte mate wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen van een voormalig boerderijpand, mits: a. dit vanwege bouwtechnische vereisten noodzakelijk is; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de hoofdvorm van het voormalige boerderijpand; c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bebouwingskarakteristiek van het woonhuis en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 4.3.5 Afstand tot de zijdelingse perceelgrens Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2.2 onder b in die zin dat de afstand van aan- of uitbouw, een bijgebouw of een overkapping tot de zijdelingse perceelgrens wordt verkleind, mits: geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
4.3.6 Vergroten oppervlakte aan- of uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2.2 onder c in die zin dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen bij een hoofdgebouw wordt vergroot tot ten hoogste 10% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak, mits: a. de gezamenlijke oppervlakte van de aanbouwen, uitbouwen, overkappingen en bijgebouwen ten hoogste 300 m² zal bedragen; b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 4.3.7 Paardrijbakken Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2.3 onder b in die zin dat paardrijbakken worden toegestaan, mits tevens de in lid 4.5.5 bedoelde vergunning is verleend.
4.4 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van woonhuizen in combinatie met bedrijfsdoeleinden anders dan genoemd in lid 4.2.1 onder a; b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep zodanig dat de beroepsvloeroppervlakte meer bedraagt dan 30% van de totale gezamenlijke begane vloeroppervlakte van de aanwezige bebouwing op het bouwperceel met een maximum van 50 m²; c. het gebruik van een woonhuis, inclusief aan- en uitbouwen, voor mantelzorg; d. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning;
51/72
e. het gebruik van een woonhuis voor meer dan één woning; f. het gebruik van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatieve doeleinden; g. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de huisvesting van tijdelijke werknemers dan wel arbeidsmigranten; h. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van agrarische bedrijfsactiviteiten; i. het gebruik van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardrijbak met de daarbijbehorende bouwwerken. 4.5 Afwijken van de gebruiksregels 4.5.1 Ondergeschikte functie bij het wonen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.4 onder a in die zin dat de uitoefening van de woonfunctie wordt gecombineerd met een ondergeschikte functie bij het wonen in de vorm van de in bijlagen 1 en 2 opgenomen bedrijvigheid, mits: a. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; b. niet meer dan 25% van de bestaande gebouwen ten tijde van de verleende vergunning, met een maximum van 250 m², wordt gebruikt ten behoeve van de ondergeschikte functie bij het wonen; c. er sprake is van een ligging aan een weg, die geschikt is voor een eventuele toename van (zwaar) verkeer; d.
alle activiteiten ten behoeve van de uitoefening van de toegelaten bedrijvigheid binnen de bestaande bebouwing wordt ondergebracht; e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, natuurlijke en landschappelijke waarden, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 4.5.2 Mantelzorg Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.4 onder c en d in die zin dat een hoofdgebouw met de daarbijbehorende aan- en uitbouwen en vrijstaande bijgebouwen, al dan niet gepaard gaande met interne bouwactiviteiten, wordt gebruikt voor mantelzorg, mits: a. de bewoning van een vrijstaand bijgebouw uitsluitend plaatsvindt vanuit een oogpunt van mantelzorg voor personen; b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in geding zijnde belangen waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven; c. de oppervlakte van de afhankelijke woonruimte per bestemmingsvlak niet meer bedraagt dan 100 m²; d. de inrichting van het vrijstaand bijgebouw ten behoeve van de bewoning ongedaan wordt gemaakt na beëindiging van de mantelzorg. 4.5.3 Klein kamperen Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.4 onder f in die zin dat de gronden tevens worden gebruikt als standplaats voor kampeermiddelen, mits: a.
het kleinschalig kamperen kan worden toegestaan binnen en/of direct aansluitend op een bestemmingsvlak, waarbij voor het deels of geheel buiten het bestemmingsvlak situeren van het kampeerterrein tevens de afwijking genoemd in artikel 3 lid 3.5.2 van het bestemmingsplan Buitengebied met identificatienummer NL.IMRO.1722.1211606-0003 wordt verleend; b. het kamperen uitsluitend plaatsvindt in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober;
52/72
c. het ten hoogste 25 kampeerplaatsen per bestemmingsvlak waarbinnen een woonhuis aanwezig is, betreft; d. met een erfinrichtingsplan wordt aangetoond dat de ontwikkeling op een zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast overeenkomstig het gestelde in het Beeldkwaliteitplan; e. de oppervlakte van het perceel bij een terrein met maximaal 15 standplaatsen ten minste 0,50 ha bedraagt, en bij een terrein met maximaal 25 standplaatsen ten minste 0,75 ha; f. de afstand van het kampeerterrein tot de gevel van de dichtstbijzijnde woning van derden ten minste 50 m bedraagt; g. het kleinschalige kampeerterrein voor wat betreft de ligging direct aansluit op de bestaande woonbebouwing of bedrijfsbebouwing; h. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waardevolle zichtlijnen op dorpssilhouetten; i. bij een kleinschalig kampeerterrein voor de sanitaire voorzieningen tot maximaal 50 m² aan gebouwen mag worden gerealiseerd. De locatie van het gebouw dient dusdanig gekozen te worden dat er een samenhang is met de bestaande bebouwing; j. er binnen het gemeentelijk grondgebied niet meer dan 20 kleinschalige kampeerterreinen worden opgericht; k. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; l.
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 4.5.4 Huisvesting van tijdelijke werknemers dan wel arbeidsmigranten Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.4 onder g in die zin dat de gronden en bouwwerken (inperken?) worden gebruikt ten behoeve van de huisvesting van tijdelijke werknemers dan wel arbeidsmigranten, mits: a. de huisvesting niet plaatsvindt in ruimtes ingericht voor logiesverstrekking en op kleinschalige kampeerterreinen; b. het parkeren op eigen erf plaatsvindt; c. er per persoon ten minste 12 m² gebruiksoppervlakte binnen het woonhuis beschikbaar is; d. er per woonhuis ten hoogste zes tijdelijke werknemers en/of arbeidsmigranten worden gehuisvest; e. binnen een straal van 1.000 m ten hoogste één bedrijfswoning of woonhuis voor een dergelijke functie wordt gebruikt; f. de bewoning voldoet aan de eisen gesteld door het Team Risicobeheersing Noordwest Friesland; g. de aanvrager aantoont dat een beheerder wordt en blijft aangesteld voor het toezicht op de huisvesting; h. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; i.
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 4.5.5 Paardrijbakken Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.4 onder i in die zin dat gronden, voorzover gelegen binnen het bestemmingsvlak, worden gebruikt voor de aanleg van een paardrijbak ten behoeve van het eigen hobbymatige gebruik met de daarbijbehorende bouwwerken, mits: a. de paardrijbak zoveel mogelijk uit het zicht van de openbare weg wordt gesitueerd ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing;
53/72
b. er vanwege de paardrijbak geen onevenredige hinder (geur, geluid, licht en stof) wordt veroorzaakt voor nabijgelegen woningen van derden (minimale afstand 50 m tot de woonbestemmingsgrens); c. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waardevolle zichtlijnen op dorpssilhouetten; d. er geen onevenredige verstoring van het bodemarchief wordt veroorzaakt e. de oppervlakte van een paardrijbak ten hoogste 1.200 m² bedraagt; f. de bouwhoogte van lichtmasten of naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken ten behoeve van de verlichting van paardrijbakken ten hoogste 5,00 m zal bedragen; g. de lichtmasten uitsluitend zijn gericht op de paardrijbak; h. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, ten hoogste 3,00 m zal bedragen. 4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.6.1 Vergunningplicht Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist: het (gedeeltelijk) verwijderen van een karakteristieke of waardevolle hoofdvorm. 4.6.2 Uitzondering Het bepaalde in 4.6.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. het normale onderhoud en/of het normale agrarische gebruik betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan met een daarvoor benodigde vergunning.
4.6.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning kan worden verleend, mits: a. de bouwtechnische kwaliteit dusdanig slecht is dat hergebruik in alle redelijkheid niet mogelijk is; b. het delen van een pand betreft, die op zichzelf niet als waardevol zijn aan te merken, en door het verwijderen daarvan geen onevenredige aantasting van de waardevolle hoofdvorm plaatsvindt. 4.7 Wijzigingsbevoegdheid 4.7.1 Woningsplitsing Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat een woonhuis wordt gebruikt voor meer dan één woning, mits: a. deze wijziging uitsluitend wordt verleend in situaties waarin het hoofdgebouw vóór splitsing een omvang heeft van ten minste 300 m²; b. de bestaande bouwmassa niet wordt vergroot en er niet meer dan twee woningen worden gevestigd; c. de wijziging passend is in een door Gedeputeerde Staten geaccordeerd woningbouwprogramma; d. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in dié zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
54/72
Hoofdstuk 3 Artikel 5
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel
Grond welke eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
55/72
Artikel 6
Algemene gebruiksregels
6.1 Strijdig gebruik Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met enige bestemming wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen; b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; c. het gebruik van de gronden voor de opslag van aan het oorspronkelijk verkeer onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen, anders dan in het kader van de bedrijfsvoering; d. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin en voor het storten van vuil, anders dan in het kader van de bedrijfsvoering dan wel de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden; e. het gebruik van de gronden voor het plaatsen en/of aanbrengen van niet-perceelsgebonden handelsreclame en/of reclame voor ideële doeleinden of overtuigingen, tenzij hiervoor anderszins vergunning is verleend; f. het gebruik van gronden voor het plaatsen van meer dan één evenementenbord per dorp; g. het gebruik van gronden voor de plaatsing van zonnecollectoren en zonnepanelen anders dan op bouwwerken en op achtererven, waarbij het op te stellen vermogen niet is gericht op de energiebehoefte die samenhangt met de bestaande functie van dat perceel; h.
het gebruik van gronden, gebouwen en/of overkappingen waarbij een toename plaatsvindt van de bestaande stikstofemissie als gevolg van een wijziging van dieraantallen, diersoorten en/of andere stalsystemen vanaf het betreffende agrarische bedrijf of de betreffende gronden.
56/72
Artikel 7
Algemene aanduidingsregels
7.1 vrijwaringszone - dijk Aanduidingsomschrijving 7.1.1 Aanduidingsomschrijving De voor 'vrijwaringszone - dijk' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de functie van de waterkering. 7.1.2 Bouwregels In afwijking van het bepaalde in de ter plaatse voorkomende bestemming(en) gelden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk' de volgende regels: a. er mogen geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, anders dan ten behoeve van de waterkering worden gebouwd, met uitzondering van de bestemming 'Wonen - 4 en Wonen Voormalige boerderijpanden' waar de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 200 m² dan wel de bestaande oppervlakte zal bedragen; b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, zal ten hoogste 2,00 m bedragen. 7.1.3 Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. het bepaalde in lid 7.1.2 onder a in die zin dat gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, anders dan ten behoeve van de waterkering worden gebouwd, mits: 1. vooraf advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de waterkering; 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bescherming, ophoging, verbreding en verbetering van het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen waterkering; b.
het bepaalde in lid 7.1.2 onder a in die zin dat de oppervlakte van een hoofdgebouw in de bestemming 'Wonen - 4 en Wonen - Voormalige boerderijpanden' wordt vergroot tot ten hoogste 10% van de oppervlakte van het hoofdgebouw, mits: 1. vooraf advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de waterkering; 2. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bescherming, ophoging, verbreding en verbetering van het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen waterkering; c. het bepaalde in lid 7.1.2 onder a in die zin dat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen bij een hoofdgebouw in de bestemming 'Wonen - 4 en Wonen Voormalige boerderijpanden' wordt vergroot tot ten hoogste 10% van de oppervlakte van het erf, exclusief de oppervlakte van het hoofdgebouw, mits: 1. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 300 m² zal bedragen; 2. vooraf advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de waterkering; 3. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bescherming, ophoging, verbreding en verbetering van het doelmatig en veilig functioneren van de nabijgelegen waterkering;
57/72
7.1.4 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in dié zin dat de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk' wordt verwijderd, mits het definitieve tracé van de reserveringszone is vastgesteld en de aanduiding aan dit tracé wordt aangepast. 7.2
vrijwaringszone - radarverstoringsgebied
7.2.1 Aanduidingsomschrijving De voor 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het vrijhouden van een goed radarbeeld van het luchtruim. 7.2.2 Bouwregels Op de met 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied' aangeduide gronden zal de bouwhoogte van bouwwerken binnen de ter plaatse voorkomende bestemmingen ten hoogste de ter plaatse binnen de aanduiding 'vrijwaringszone - radarverstoringsgebied' aangegeven bouwhoogte (m), ten opzichte van NAP, dan wel de bestaande bouw- of tiphoogte bedragen. De maximaal toelaatbare bouwhoogte tussen de aangegeven contouren wordt door lineaire interpolatie bepaald. 7.2.3 Afwijken van de bouwregels Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 7.2.2 in die zin dat de bouw- of tiphoogte, ten opzichte van NAP, wordt overschreden, mits: a. uit een beoordeling door de beheerder van de radar is gebleken dat door de bouw van het bouwwerk het radarbeeld van het luchtruim niet ontoelaatbaar wordt verstoord; b. vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de radar.
58/72
Artikel 8
Overige regels
8.1 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen ten behoeve van de milieusituatie, de landschappelijke waarden, de natuurlijke waarden, de geomorfologische waarden, de cultuurhistorische waarden, de archeologische waarden, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, het voorkomen van lichthinder en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, zodanig dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de genoemde criteria. 8.2 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen mogen in afwijking van de verbeelding en de gebiedsbestemmingen en de overige bestemmingen in deze regels uitsluitend worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, serres, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,50 m over ten hoogste de halve lengte van de gevel; b. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,00 m. 8.3 Voldoende parkeergelegenheid a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, kan niet worden gebouwd of gebruikt wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden. b.
Bij een omgevingsvergunning wordt aan de hand van op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. c. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.
59/72
Hoofdstuk 4 Artikel 9
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
9.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 9.2 Overgangsrecht gebruik a.
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet, behoudens voor zover uit de Richtlijn 79/409/EEG en 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand onderscheidenlijk van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna beperkingen voortvloeien ten aanzien van ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaand gebruik. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
60/72
Artikel 10 Slotregel Deze regels worden aangehaald als regels van het bestemmingsplan 'Ferwert - Zeedijk 11a en 12'.
61/72
62/72
Bijlagen regels
63/72
64/72
Bijlage 1
65/72
Lijst met kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
BIJLAGE 1: LIJST MET KLEINSCHALIGE BEDRIJFSMATIGE ACTIVITEITEN
Kledingmakerij (maat)kledingmakerij en kledingverstelbedrijf woningstoffeerderij Kantoorfunctie ten behoeve van bedrijvigheid die elders wordt uitgeoefend, zoals: schoonmaakbedrijf, schoorsteenveegbedrijf, glazenwasserij, maar ook ten behoeve van bijvoorbeeld een groothandelsbedrijf Reparatiebedrijfjes, waaronder: schoen-/lederwarenreparatiebedrijf uurwerkreparatiebedrijf goud- en zilverwerkreparatiebedrijf reparatie van kleine (elektrische) gebruiksgoederen reparatie van muziekinstrumenten In ieder geval zijn autoreparatiebedrijven uitgezonderd. Advies- en ontwerpbureaus reclame ontwerp grafisch ontwerp architect (Zakelijke) dienstverlening, waaronder: notaris advocaat accountant assurantie-/verzekeringsbemiddeling exploitatie en handel in onroerende zaken Overige dienstverlening, waaronder: kappersbedrijf schoonheidssalon pedicure Onderwijs autorijschool onderwijs niet in te delen naar specificatie, mits zonder werkplaats of laboratorium alsmede naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
Bijlage 2 Specifieke toetsingscriteria ondergeschikte tweede tak bij agrarische bedrijven
67/72
Bijlage 2 Specifieke toetsingscriteria ondergeschikte tweede tak bij agrarische bedrijven
69/72
70/72
Verbeelding
71/72
Plangebied Ferwert - Zeedijk 11a en 12
Enkelbestemmingen W-4 k
ij ed Ze
W-VBP
Wonen - 4 Wonen - Voormalige boerderijpanden
Gebiedsaanduidingen
r 89
vrijwaringszone - dijk vrijwaringszone - radarverstoringsgebied 12
r 85
Bouwvlakken bouwvlak
W-VBP
Maatvoeringen r 85
bouwhoogte (m)
11 A
W-4
Gemeente Noardeast-Fr sl n 10
Ferwert - Zeedijk 11a en 12
Re in de
rs
la
an
Bestemmingsplan PROJECT
20220322
FORMAAT
A3
SCHAAL
1:1000
Vastgesteld
KAART
1/1
Ontwerp
GETEKEND
RV
Voorontwerp
IDN
NL.IMRO.1970.BP???-ON01
Concept
RHO ADVISE RS
30-08-2022
24-03-2022 info@rho.nl www.rho.nl
N