Bijlage A - Reactie nota ontwerp beleidsregel zonnepanelen beschermde gezichten
Tekst van het document
Signed By: Dijkstra, Sytze
Behoort bij raadsbesluit 16 oktober 2025 gemeente Noardeast-Fryslân: 17/10/2025 13:10:38 CEST ID: 6738903a-7138-4509-b2b5-4f5635bafbfa Auth: Scribble
Reactienota ontwerp beleidsregel zonnepanelen en -collectoren en buitenunits warmtepompen in beschermde stads- en dorpsgezichten
I. Inleiding
Het ontwerp van de beleidsregel over zonnepanelen en -collectoren en buitenunits van warmtepompen in beschermde stads- en dorpsgezichten heeft van 10 april tot en met 22 mei 2025 voor zes weken ter inzage gelegen. Tijdens de periode van terinzagelegging is een ieder in de gelegenheid gesteld een reactie hierop te geven. Er zijn 8 afzonderlijke schriftelijke reacties ontvangen. Ook zijn tijdens informatiebijeenkomsten verschillende losse opmerkingen ontvangen en genoteerd die eveneens in deze reactienota zijn behandeld. Dit omdat ze aanleiding gaven om de regels nog eens te bekijken. Daarnaast is door Hûs en Hiem Welstandsadvisering en Monumentenzorg gereageerd. Ook is een ambtelijke reactie nog meegenomen in deze reactienota. De ingekomen reacties zijn beoordeeld, waarbij is nagegaan of en hoe de beleidsregel bijgesteld moet worden. Deze reactienota is daarvan het eindresultaat. De ingekomen reacties zijn samengevat, gevolgd door een antwoord. Hierin is ook aangegeven of dit leidt tot aanpassingen van de ontwerp beleidsregel. Het laatste hoofdstuk geeft een conclusie. Bij de gemeente zijn de oorspronkelijke stukken in te zien, zodat waar nodig op de integrale tekst in de zienswijzen kan worden teruggevallen.
II. Samenvatting en beantwoording schriftelijke reacties INSPREKER 1. Inspreker stelt geen standaard zonnepanelen op rijksmonumenten te willen, maar dakpannen met geïntegreerde zonnecellen.
Antwoord:
De beleidsregel geldt voor alle gebouwen in beschermde stads- en dorpsgezichten, behalve voor (rijks)monumenten. Die hebben zulke bijzondere waarden dat we daar zoeken naar een maatwerk oplossing die het beste past bij het monument. Voor gebouwen die geen monument zijn, maar wel in een beschermd gezicht liggen, geeft de beleidsregel aan dat aanpassingen omkeerbaar moeten zijn. Dat betekent dat veranderingen later weer ongedaan gemaakt kunnen worden. De techniek verandert snel, wellicht dat er over niet al te lange tijd geen zonnepanelen meer nodig zijn. Die kunnen dan weggehaald worden, waarbij de oorspronkelijke dakbedekking weer zichtbaar wordt. Als de dakpannen vervangen worden door pannen met geïntegreerde zonnecellen, gaan karakteristieken verloren.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt niet aangepast naar aanleiding van deze reactie. INSPREKER 2.
Inspreker heeft recent een vergunning gekregen voor het plaatsen van warmtepompunits naast elkaar achter een hek op het dakterras. De voorkeur van de inspreker gaat echter uit naar plaatsing boven elkaar tegen de achtergevel. Volgens het nieuwe beleid lijkt dit mogelijk, mits de units 3 meter van de rooilijn met de straat staan. Eén unit blijft dan achter het hek, de andere komt erboven, omkist in een kast die past bij de woning. Inspreker vraagt zich af of dit mogelijk (vergunningsvrij) is.
Antwoord:
De beleidsregel is bedoeld voor het afwegen van initiatieven, maar niet om te beoordelen of een vergunning wel of niet verplicht is. Voor het plaatsen van buitenunits van warmtepompen in beschermde stads- en dorpsgezichten is echter meestal een omgevingsvergunning nodig. Dat wordt apart vastgesteld door de gemeente. Het is op dit moment lastig om op een concrete situatie in te gaan en een definitieve uitspraak te doen. Geadviseerd wordt dan ook de concrete casus aan de gemeente voor te leggen na vaststelling van voorliggende beleidsregel. Dit omdat de nieuwe regels dan gaan gelden.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt niet aangepast naar aanleiding van deze reactie. INSPREKER 3. Inspreker verzoekt om plaatsing van een buitenunit ook hoger op de gevel toe te staan en soepeler om te gaan met de regels, gezien veranderende omstandigheden en de indeling binnenshuis. Ook geluidoverlast moet worden meegewogen bij het bepalen van de beste locatie.
Antwoord:
In de ontwerp beleidsregel is geen vaste maximumhoogte opgenomen voor het plaatsen van een buitenunit als deze niet zichtbaar vanaf openbaar toegankelijk gebied geplaatst wordt. Als een buitenunit zichtbaar is vanaf de straat of een andere openbare ruimte, dan moet deze op de grond worden geplaatst. Daarbij geldt dat de unit zo ver mogelijk, maar in ieder geval minimaal 3 meter achter de voorgevelrooilijn moet staan. Deze regel (hoofdstuk 4, artikel 13 onder c van de ontwerp beleidsregel) was is niet duidelijk omschreven. Naar aanleiding van de opmerking van inspreker 3 is er daarnaast voor gekozen om ook regels op te nemen voor het plaatsen van een buitenunit hoger aan de gevel. Wat betreft de opmerking om geluidsoverlast mee te nemen bij het bepalen van de locatie van een buitenunit, geldt het volgende: de beleidsregel is een aanvulling op de gemeentelijke welstandsnota en gaat daarom niet over geluidsnormen. Voor geluidsnormen gelden landelijke regels. Deze zijn vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), onder andere in artikel 4.107, lid 2 en artikel 4.108, lid 3. Deze regels stellen eisen aan de plaatsing van installaties zoals buitenunits. De gemeente past deze landelijke regels toe bij de beoordeling van geluid.
Een installateur beschikt vaak over een rekentool om te bepalen wat de minimale afstand moet zijn tussen een warmtepomp en de perceelgrens of een raam of deur van de buren. Ook kan de installateur dit laten narekenen. Op basis daarvan kan worden vastgesteld welk type warmtepomp geschikt is, welke afstand nodig is, en of er eventueel een extra geluidsdempende omkasting nodig is.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
Naar aanleiding van deze reactie wordt de beleidsregel aangevuld. INSPREKER 4. Inspreker geeft aan dakplaten van metaal te hebben en vraagt of daarop ook zonnepanelen kunnen worden toegestaan.
Antwoord:
In de ontwerp beleidsregel staat in artikel 8, lid 2, sub a dat zonnepanelen of zonnecollectoren niet geplaatst mogen worden op daken met dakbedekking van leisteen, riet, koper, zink of andere metalen. In deze formulering is een fout geslopen. In het algemeen geldt dat het niet wenselijk is om installaties te plaatsen op daken met bijzondere en kwetsbare materialen, zoals koper, zink en lood. Dit heeft te maken met de historische waarde en de kwetsbaarheid van deze materialen. Metalen zonder historische waarde en die niet kwetsbaar zijn, zoals staal, kunnen wél geschikt zijn voor plaatsing. Dat is ook het geval in de situatie van de inspreker. De regels worden naar aanleiding van deze reactie aangepast.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
Naar aanleiding van deze reactie wordt de beleidsregel aangepast. INSPREKER 5. In het beschermd dorpsgezicht van Holwert zijn veel rode daken, terwijl de gemeente alleen zwarte zonnepanelen toestaat. In de situatie van inspreker zouden rode panelen beter passen en zorgen voor een rustiger geheel. Inspreker stelt daarom voor het beleid te herzien, aangezien zwart niet overal passend is en rood soms een betere keuze.
Antwoord:
Naar aanleiding van deze inspraakreactie hebben we het toestaan van rode panelen nog eens overwogen. We denken echter dat alleen donkere zonnepanelen een rustiger beeld opleveren. Er zijn heel veel verschillende kleuren dakpannen. Daar is niet altijd een passende kleur panelen bij. In de ontwerp beleidsregel is er daarom voor gekozen om alleen kleuren als zwart, antraciet of donkergrijs toe te staan voor zonnepanelen en zonnecollectoren. Dit zorgt voor een rustig en eenduidig beeld in de omgeving. Indien de welstandscommissie bij de beoordeling van een aanvraag ook vindt dat op een specifieke locatie toch rode zonnepanelen passender zijn, kan gemotiveerd worden afgeweken van de regels.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt niet aangepast naar aanleiding van deze reactie. INSPREKER 6. De woning van inspreker ligt op een karakteristieke plek langs een pad rond de kerk, binnen een beschermd dorpsgezicht. Hoewel zonnepanelen volgens de ontwerp beleidsregel aan de tuinzijde worden toegestaan, is juist dat dakvlak en die kant het meest in het oog springend vanaf het pad rond de kerk en bovendien ongeschikt vanwege de noordnoordwestelijke ligging. De voorzijde (straatzijde) met betere zonligging (zuidoost) zou technisch en esthetisch geschikter zijn, maar valt formeel onder de straatzijde, waar plaatsing niet is toegestaan. Twee panelen in een hoek daar zouden visueel de beste oplossing zijn, maar dat botst met de ontwerp beleidsregel.
Antwoord:
De beleidsregel is bedoeld om een generieke regeling als beoordelingskader voor mogelijkheden van plaatsing in de beschermde gezichten in te stellen. Terwijl juist in de beschermde stads- en dorpsgezichten is vrijwel elke situatie uniek. Het is dan ook lastig om een regeling te maken die elke situatie recht doet. Daarom is de hardheidclausule opgenomen. Hiermee kan afgeweken worden van de regels en een maatwerk oplossing worden gezocht, mits wordt onderbouwd dat de strikte toepassing van de regels zich onevenredig verhouden tot de mate waarin de waarden en beeldkwaliteit van de beschermde stads- en dorpsgezichten worden aangetast. Of in geval van de inspreker ook afgeweken kan worden van de regels, kunnen we op dit moment niet beoordelen. Een concreet plan kan na vaststelling van de beleidsregel aan de gemeente worden voorgelegd. De gemeente beoordeelt dan of in die specifieke situatie maatwerk mogelijk is.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt niet aangepast naar aanleiding van deze reactie. INSPREKER 7. Inspreker weet nog niet of bij de afweging tussen monumentenzorg en milieubesparing prioriteit moet worden gegeven aan het ene of het andere. Er wordt gevraagd om een duidelijk model of handvat voor deze beslissing.
Reactie:
De afweging tussen verduurzaming en het behoud van erfgoed is voor iedereen persoonlijk. De beleidsregel is bedoeld om burgers en bedrijven meer ruimte en duidelijkheid te geven voor het verduurzamen van panden, terwijl tegelijkertijd de waarden van beschermde stads- en dorpsgezichten zoveel mogelijk behouden blijven. De gemeente gebruikt deze beleidsregel als afwegingskader om plannen te kunnen beoordelen. Voor monumenten geldt een maatwerkbenadering. Daarbij wordt gekeken hoe verduurzaming mogelijk is, mét behoud van karakteristieke elementen. In dit kader verwijzen we de inspreker graag naar de publicatie “Een warme jas; over het mooi en goed verduurzamen van oude huizen”. Dit document laat zien hoe historische woningen op een zorgvuldige en esthetisch verantwoorde manier kunnen worden verduurzaamd, met als resultaat een lager energieverbruik. Milieubesparende maatregelen hoeven het behoud van een beschermd stads- of dorpsgezicht dus niet in de weg te staan.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt niet aangepast naar aanleiding van deze reactie. INSPREKER 8. Door inspreker 8 zijn diverse vragen gesteld, kanttekeningen geplaatst en opmerkingen gemaakt met betrekking tot de onderdelen in art. 5: regels zichtbaarheid op daken en artikelen 7 en 8 betreffende de regels voor zonnepanelen en -collectoren op een plat dak respectievelijk bijgebouwen en overkappingen. Deze worden in het hiernavolgende puntsgewijs behandeld. •
De definiëring van aangrenzend aan en niet-aangrenzend aan openbaar toegankelijk gebied is inspreker niet duidelijk.
Antwoord:
Met ‘openbaar toegankelijk gebied’ bedoelen we plekken waar iedereen vrij mag komen. Denk aan straten, stoepen, pleinen, parken, plantsoenen en openbaar vaarwater. Dus alle ruimtes die voor het algemene publiek bereikbaar en zichtbaar zijn. Een dakvlak dat grenst aan openbaar toegankelijk gebied betekent dat het direct aan zo’n openbare plek ligt, bijvoorbeeld een dak dat zichtbaar is vanaf de straat. Een dakvlak dat niet grenst aan openbaar toegankelijk gebied, maar toch zichtbaar is, gaat om situaties waarbij je het dak goed kunt zien vanaf een openbare plek verderop. Bijvoorbeeld een achterdak dat je kunt zien vanuit een open doorgang, een pad of een stukje openbaar groen tussen de huizen in. Zicht vanaf een andere tuin of perceel van een particulier valt hier niet onder – dat beschouwen we niet als openbaar. •
Gevraagd wordt waar de grens van zichtbaarheid ligt in categorie 2 “deels zichtbaar – niet grenzend aan of gericht naar openbaar toegankelijk gebied” en waarbij een deel van de zonnepanelen zichtbaar zijn, en of dit bijvoorbeeld minder dan 75% moet zijn.
Antwoord:
De suggestie om een percentage aan de omschrijving van deels zichtbaar te koppelen, lijkt handig, want goed meetbaar. Toch kiezen we ervoor om geen percentage op te nemen, om afwegingsruimte te houden. Bijvoorbeeld voor hoofdgebouwen geldt dat (mits niet aan de straatkant) er panelen mogen als ze niet zichtbaar zijn. Op het zichtbare deel mogen panelen als ze 3 meter teruggerooid worden. Als het dakvlak heel groot is kan er meer dan 75% en als het een klein dak is, zal er minder mogelijk zijn. Vanuit de straat is echter altijd de eerst 3 meter vrij van zonnepanelen. Dit levert een rustiger straatbeeld op. •
Gevraagd wordt waarom als 2de uitgangspunt in artikel 5, lid 2 daar staat opgenomen dat ‘Op de delen van dakvlakken die zichtbaar zijn in beperkte mate zonnepanelen conform de beleidsregel mogen’.
Antwoord:
In dit artikel wordt verwezen naar de regel van andere artikelen. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat dit artikel over zichtbaarheid niet op zichzelf staat. Maar het klopt dat deze toevoeging hier niet nodig is. •
Onduidelijk is waarom als voorwaarde verder is opgenomen dat de zichtbaarheid vanuit het openbaar toegankelijk gebied dat zelf niet in het beschermde gezicht ligt ook wordt meegewogen.
Antwoord:
De zichtbaarheid vanaf openbaar toegankelijke plekken buiten het beschermde gebied wordt ook meegewogen. Dit komt doordat het beschermde dorps- of stadsgezicht vaak goed zichtbaar is vanaf omliggende straten, bruggen of paden. Wat daar gebeurt, heeft dus invloed op hoe mensen het gebied ervaren. Als zonnepanelen daar sterk opvallen, kan dat het karakter en de uitstraling van het beschermde gezicht aantasten. Daarom kijkt de gemeente niet alleen naar het zicht vanuit het beschermde gebied zelf, maar ook naar het zicht vanuit de omgeving eromheen. •
In artikel 7 is de definitie grenzend/niet-grenzend niet meegenomen, wat de vraag oproept wat de regels voor zonnepanelen en -collectoren op een plat dak dan anders maakt.
Reactie:
De meeste platte daken zijn niet zichtbaar vanuit de openbare ruimte, tenzij je er vanaf een hoger standpunt op kan kijken. Daarom kunnen panelen wel als een plat dak grenst aan openbaar toegankelijke gebied: ze zijn immers niet zichtbaar (of althans: ze kunnen zo vlak gelegd worden dat ze niet zichtbaar zijn). • •
Een tekstuele toevoeging ‘volledig of deels’ met betrekking tot zichtbaarheid op plat dak wordt in artikel 7, onder 1 gedaan; Gevraagd wordt waarom bij zonnepanelen en zonnecollectoren op een plat dak die niet zichtbaar zijn, niet wordt gekozen voor een voorkeurshoek van maximaal 10 graden in plaats van een maximale hellingshoek van 35 graden.
Antwoord: [Het antwoord op deze twee reacties hangt nauw met elkaar samen. Daarom is één antwoord geformuleerd voor twee vragen]
De beste hellingshoek voor zonnepanelen in Nederland ligt tussen de 35 en 45 graden. Dit is vooral belangrijk bij daken die naar het zuiden gericht zijn. Een hellingshoek van 35 graden zorgt daar voor de meeste zon en dus de hoogste opbrengst. Bij platte daken is een hellingshoek van 10 graden vaak een goede keuze, vooral bij een opstelling van oost naar west. Als de zonnepanelen niet zichtbaar zijn vanaf de straat, is ervoor gekozen om een maximale hellingshoek van 35 graden toe te staan op platte daken. Dit voorkomt dat een goede opbrengst wordt uitgesloten. Zichtbaarheid blijft hierbij wel een belangrijkste beoordelingspunt. De regel schrijft nu voor dat panelen alleen mogelijk zijn op platte daken als ze niet zichtbaar zijn. De inspraakreactie heeft ertoe geleid dat we regels nog eens goed doorgenomen hebben en verder verruimd. Als een plat dak zichtbaar is en als de zonnepanelen volledig vlakliggend geplaatst kunnen worden, dan zijn ze alsnog niet storend zichtbaar. De regels zijn hierop aangepast.
•
Gevraagd wordt bij zonnepanelen en -collectoren op een plat dak die niet zichtbaar zijn of daarmee ook het veiligheidsaspect wordt beoordeeld.
Antwoord:
Het veiligheidsaspect wordt in de beleidsregel niet beoordeeld. In de beleidsregel gaat het over het uiterlijk van bouwwerken. Veiligheid valt onder de bredere vergunningsbeoordeling op basis van andere regelgeving. Hoewel de beleidsregel niet over veiligheid gaat, wordt dit aspect wel beoordeeld door de gemeentelijke vergunningverleners op grond van de Omgevingswet. Daarbij gelden: - Technische eisen uit het Bouwbesluit / Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), zoals constructieve veiligheid en brandveiligheid. - De vraag of het dak geschikt is voor het gewicht en de bevestiging van zonnepanelen. - En of plaatsing veilig kan plaatsvinden zonder risico voor bewoners of omwonenden. Als er twijfel is of een dak sterk genoeg is voor het plaatsen van installaties, wordt aanvullend advies gevraagd. Dit kan bijvoorbeeld een bouwkundige toets zijn om te controleren of het dak geschikt is.
•
Met betrekking tot het voorgeschreven kleur- en materiaalgebruik wordt voorgesteld ook bevestigingsmateriaal en ballast, voor verzwaring op platte daken, te noemen.
Antwoord:
Om te voorkomen dat met de plaatsing van zonnepanelen en zonnecollectoren het straatbeeld wordt verstoord, is dit een goede suggestie.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
Naar aanleiding van deze reactie wordt de beleidsregel op meerdere punten aangepast en aangevuld.
III. Samenvatting en beantwoording opmerkingen tijdens inloopbijeenkomsten OPMERKING 1. Het is beter om naast warmtepompen ook airco’s te noemen.
Antwoord:
In de ontwerp beleidsregel wordt alleen gesproken over warmtepompen, omdat een airco een lucht-lucht-warmtepomp is. Maar de inspreker heeft gelijk dat het duidelijker is om ook airco’s te benoemen. Door airco’s expliciet te noemen, is duidelijk dat ze onder dezelfde voorwaarden vallen. Dit wordt meegenomen in de beleidsregel.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt aangevuld naar aanleiding van deze opmerking. OPMERKING 2. Wat wordt bedoeld met de regel dat de installatie één geheel met opwekking van elektriciteit en/of het verwarmen van water moet zijn?
Antwoord:
In artikel 6, onder 4 van de ontwerpbeleidsregel staat dat een zonnepaneel of zonnecollector een compleet systeem moet zijn. Dat betekent: niet alleen het paneel zelf, maar ook de bijbehorende onderdelen – zoals kabels, leidingen, omvormer of boiler – horen erbij. Deze regel is bedoeld om te voorkomen dat installaties er rommelig uitzien of losse onderdelen zichtbaar zijn. Alles moet netjes worden weggewerkt, het liefst inpandig of uit het zicht. Denk bijvoorbeeld aan kabels die over een gevel lopen of leidingen die op het dak liggen – dat is niet wenselijk in een beschermd stads- of dorpsgezicht. In artikel 6, onder 5 staat eigenlijk al iets soortgelijks. Daarin staat dat kabels, leidingen en andere onderdelen geen schade mogen doen aan historische waarden en uit het zicht moeten worden geplaatst, tenzij ze al onderdeel zijn van het systeem. Omdat deze twee regels grotendeels hetzelfde bedoelen, is het voorstel om regel 4 te schrappen en samen te voegen met regel 5. Zo ontstaat één duidelijke bepaling.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt aangepast naar aanleiding van deze opmerking. OPMERKING 3. Een inspreker heeft de suggestie gedaan dat de gemeente bedrijven die zonnepanelen en warmtepompen installeren te informeren over het beleid. Vaak weten bedrijven niet dat er andere regels gelden voor beschermde gezichten of waar deze liggen.
Reactie:
Bedankt voor de suggestie. We begrijpen dat het voor ondernemers belangrijk is om goed geïnformeerd te zijn over het gemeentelijk beleid. Als gemeente streven we ernaar om communicatie en advisering richting bedrijven voortdurend te verbeteren. De suggestie om hierin meer te investeren nemen we dan ook serieus mee. Bekeken wordt op welke manier de ondersteuning van ondernemers ten aanzien van de beleidsregel verder kan worden versterkt, bijvoorbeeld door duidelijke informatievoorziening, een extra informatiebijeenkomst voor ondernemers en/of eventueel gerichte advisering.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt niet aangepast naar aanleiding van deze opmerking. OPMERKING 4. Gesteld is door een inspreker dat veel locaties in beschermde gezichten van alle kanten zichtbaar zijn en dat de gemeente ook in die gevallen ruimte dient te geven om zonnepanelen te kunnen plaatsen.
Antwoord:
Het klopt dat veel gebouwen in beschermde gezichten van meerdere kanten zichtbaar zijn. Dit kan het plaatsen van zonnepanelen lastig maken en betekent dat het niet altijd mogelijk is. In de beleidsregel zoeken we een goede balans tussen verduurzaming en het beschermen van de uitstraling en historische waarde van deze gebieden. Daarom maken we onderscheid in hoe zichtbaar zonnepanelen zijn vanaf de openbare ruimte. Er is ruimte voor panelen op dakvlakken die minder goed zichtbaar zijn. Zonnepanelen die volledig of grotendeels zichtbaar zijn vanaf openbaar toegankelijke plekken staan we bewust niet toe. Zulke zichtbaarheid heeft namelijk veel invloed op het aanzicht en de cultuurhistorische waarde van het gebied. Tegelijk willen we niet alles uitsluiten. In artikel 14 van het beleid is ruimte voor maatwerk opgenomen. Als er goede redenen zijn om van de regels af te wijken – bijvoorbeeld omdat de duurzame winst groot is en de zichtbaarheid beperkt – dan kunnen we dat meewegen. We staan open voor initiatieven die binnen deze afweging passen, zolang deze zorgvuldig onderbouwd kunnen worden.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt niet aangepast naar aanleiding van deze opmerking. OPMERKING 5. Er kunnen zich situaties voordoen waarbij met de beleidsregel zonnepanelen kunnen worden toegelaten op plekken die daarvoor juist uit oogpunt van rendement/efficiency niet geschikt zijn (zoals een noord gerichte zijde). Geopperd is in dat geval te kijken naar de tuin, verticaal tegen bijvoorbeeld een schutting aan.
Antwoord:
Het is terecht dat er wordt gewezen op een belangrijk spanningsveld in de beleidsregel. Soms kunnen zonnepanelen volgens de beleidsregel alleen geplaatst worden op minder zichtbare plekken, zoals een dakvlak aan de noordkant. Het rendement is daar vaak lager, en dat is technisch en financieel niet altijd de beste keuze. De suggestie om in zulke gevallen ook te kijken naar alternatieven in de tuin, zoals plaatsing op een schutting of andere
verticale constructie, vinden we een goede. Daarom zullen we de beleidsregel aanpassen, zodat dat zonnepanelen, als ze volledig uit het zicht staan, ook verticaal tegen een schutting mogen worden geplaatst. Deze aanvulling wordt opgenomen in artikel 12, bij de regels voor plaatsing op de grond in de tuin of op het erf
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt aangepast naar aanleiding van deze opmerking.
IV. Ambtshalve opgemerkte aandachtspunten
HÛS EN HIEM WELSTANDSADVISERING EN MONUMENTENZORG 1. Hûs en Hiem geeft aan dat de derde categorie in de indeling van zichtbaarheid van zonnepanelen en zonnecollectoren op daken niet duidelijk is. Het gaat om de categorie 3: “(vrijwel) volledig zichtbaar, niet gericht naar of grenzend aan openbaar toegankelijk gebied.” Het is hierin lastig is om een goed beeld te vormen. De vraag is of deze categorie ook geldt voor dakvlakken die (deels of helemaal) zichtbaar zijn vanaf andere percelen in het beschermde gebied. Ook is de vraag waarom deze categorie er is. Er zijn geen extra regels voor. [Pagina 7, publieksversie]
Antwoord:
Het klopt: er zijn geen extra regels voor deze categorie. Daarom is deze categorie overbodig. De plaats van de zonnepalen die deze categorie aanduidt zullen we daarom verplaatsen naar categorie 2 en 4. Hiermee worden de regels duidelijker.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt aangepast naar aanleiding van deze opmerking. 2. Bij de indeling in vier categorieën voor zichtbaarheid zijn verschillende uitgangspunten benoemd. Het eerste uitgangspunt gaat over het zichtpunt vanaf gemiddelde ooghoogte, namelijk 1,70 meter gemeten vanaf het maaiveld. In sommige situaties ligt het zichtpunt hoger, zoals op de bolwerken, terpen of de zeedijk. In die gevallen wordt de ooghoogte van 1,70 meter gemeten vanaf die verhoging. Hûs en Hiem noemt als voorbeeld een situatie in Moddergat, waarbij zonnepanelen op een plat dak vanaf de zeedijk volledig zichtbaar zijn. Zij vragen in welke categorie deze situatie valt en of plaatsing van de zonnepanelen in zo’n geval mogelijk is. [Pagina 9, publieksversie]
Antwoord:
Deze voorbeeldsituatie leidt ertoe dat de regels voor platte daken opnieuw zorgvuldig zijn bekeken. Op basis daarvan nemen we in Artikel 7 de regel op dat artikel 5 over zichtbaarheid niet van toepassing is bij platte daken. Daarvoor in de plaats maken we een duidelijker regeling.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt aangepast naar aanleiding van deze opmerking. 3. Hûs en Hiem stelt dat zonnepanelen volgens de ontwerp beleidsregel op platte daken binnen de beschermde gezichten niet zichtbaar mogen zijn. In een voorbeeldsituatie op foto is in de omschrijving opgenomen dat de zonnepanelen vanaf ooghoogte vanaf de straat ‘niet of
nauwelijks zichtbaar’ zijn. Aangegeven wordt dat de omschrijving 'nauwelijks' in dit voorbeeld ruimte geeft om toch zonnepanelen toe te staan terwijl dat wellicht helemaal niet de bedoeling is. [Pagina 16, publieksversie]
Antwoord:
De toelichting bij de voorbeeldsituatie op de foto zorgt inderdaad voor verwarring. Ook in de regels komt het niet voldoende duidelijk naar voren. Daarom passen we de regels aan. Als zonnepanelen op een plat dak worden geplaatst en goed zichtbaar zijn vanaf openbaar toegankelijk gebied, dan mogen ze alleen worden gelegd als ze helemaal plat liggen (hellingshoek 0 graden). Is er géén zicht vanaf openbaar toegankelijk gebied op het dak waarop de panelen geplaatst worden, dan mag een hellingshoek tot maximaal 35 graden worden gebruikt. Hoe zichtbaarder de panelen zijn, hoe vlakker ze moeten worden geplaatst.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt aangepast naar aanleiding van deze opmerking. 4. Wat betreft de aanvullende criteria voor zonnepanelen op bijgebouwen en overkappingen is met betrekking tot plaatsing gesteld dat het in de omschrijving niet geheel duidelijk wordt om welke positie het gaat voor wat betreft de vermelde voorste rooilijn (of binnen 2 m van deze rooilijn van het hoofdgebouw). In dat kader wordt geopperd wellicht een verbeelding op te nemen. [Pagina 18, publieksversie]
Antwoord:
Deze regel is inderdaad complex. We passen de regel aan en vereenvoudigen deze.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt aangevuld naar aanleiding van deze opmerking. 5. Gevraagd wordt waarom bij de criteria voor zonnepanelen ‘op bijgebouwen en overkappingen’ en bij ‘hoofdgebouwen’ geen zonnepanelen worden toegestaan op dakbedekking die bestaat uit leisteen, riet, koper, zink of andere metalen. [Pagina 17/24]
Reactie:
In de beleidsregel stond een voetnoot waarin werd uitgelegd dat zonnepanelen niet geplaatst mogen worden op daken van leisteen, koper, zink of andere metalen. Deze uitleg bleek, mede door de reactie van inspreker 4, niet helemaal juist te zijn. Het is niet zo dat álle metalen ongeschikt zijn. Het gaat vooral om daken met bijzondere en kwetsbare (historische) materialen, zoals koper, zink en lood. Deze materialen hebben vaak een historische waarde en zijn gevoelig voor beschadiging. Daarom is plaatsing van installaties op zulke daken niet wenselijk. Andere metalen, zoals staal, die geen historische waarde hebben en niet kwetsbaar zijn, vormen geen probleem voor plaatsing. De regeling wordt hierop aangepast.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt aangepast naar aanleiding van deze opmerking. AMBTELIJK 6. Thuisbatterij
De salderingsregeling stopt per 1 januari 2027. De verwachting is dat het aantal thuisbatterijen hierdoor zal toenemen. In dat kader is dan ook ambtelijk opgemerkt dat het verstandig is ook de thuisbatterij te benoemen in het beleid.
Reactie:
Thuisbatterijen kunnen zowel binnenshuis als buitenshuis worden geplaatst. Voor zover dit buitenshuis plaatsvindt, is het inderdaad verstandig dit ook in de beleidsregel te verankeren. Een thuisbatterij heeft in dat geval namelijk een ruimtelijk effect in beschermd gezicht vergelijkbaar met een buitenunit voor een warmtepomp of airco. Hierom worden thuisbatterijen in de regeling voor buitenunits geplaatst.
Conclusie m.b.t ontwerp beleidsregel:
De beleidsregel wordt aangevuld naar aanleiding van deze opmerking.
V. Eindconclusie
Naar aanleiding van de schriftelijke reacties van insprekers 3, 4 en 8 (zoals genoemd in paragraaf II) wordt de beleidsregel aangepast of aangevuld. Allen insprekers krijgen een brief met ons antwoord op hun inspraakreactie. Ook de losse opmerkingen die tijdens de informatiebijeenkomsten zijn gemaakt onder de nummers 1, 2 en 5 (in paragraaf III) leiden tot een bijstelling van de beleidsregel. Daarnaast worden de ambtelijke aandachtspunten uit paragraaf IV, onder de nummers 1, 2, 3, 4, 5 en 6, meegenomen in de aanpassing. Verder wordt voorgesteld om de naam van de beleidsregel te wijzigen, omdat nu ook airco’s en thuisbatterijen worden genoemd. De nieuwe naam wordt: “Beleidsregel zonnepanelen en -collectoren, buitenunits van warmtepompen en airco’s, en thuisbatterijen in beschermde stads- en dorpsgezichten 2025.”