Bijlage 5 - Brief zienswijze ontwerp geurverordening omgevingsburo Wiegersma
Tekst van het document
A. Buiten of binnen de bebouwde kom / bestaand In het kader van de vigerende geurverordening zijn de bedrijven genoemd onder 1, 2, 3 en 5 gelegen buiten de bebouwde kom. Derhalve heeft u bepaald dat deze bedrijven moeten voldoen aan een afstandseis van 25 meter. Nu echter stelt u vast dat deze bedrijven zijn gelegen binnen de bebouwde kom en heeft u bepaald dat deze bedrijven aan een afstandseis van 50 meter moeten voldoen. Wanneer een bedrijf de bedrijfsvoering wil aanpassen moet in plaats van 25 meter worden voldaan aan de afstand van 50 meter. Dat betekent dat bestaande stallen, die in sommige gevallen nog maar zeer recentelijk zijn gerealiseerd, buitengebruik moeten worden gesteld wanneer men de bedrijfssituatie wil aanpassen. De bedrijven leiden hierdoor financiële schade en worden op slot gezet. In reactie op het eerste concept van de verordening hebben wij ten aanzien van deze aanpassing het volgende ingebracht: Ten opzichte van de huidige verordening is sprake van een gewijzigde interpretatie van het begrip bebouwde kom. In het verleden was sprake van bebouwde kom als zich >10 woningen binnen een straal van 100 meter van het emissiepunt(en) van de stal(len) bevonden. Thans moet op basis van de jurisprudentie de feitelijke situatie worden beoordeeld.
De Wet geurhinder en veehouderij geeft aan dat de bebouwde kom het volgende omvat: “gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven”. De vraag of een perceel in de bebouwde kom is gelegen is daarmee van feitelijke aard. Niet het bestemmingsplan of de plaats van het verkeersbord dat de bebouwde kom aangeeft is bepalend, maar de aard van de omgeving. Daarbij is in het bijzonder van belang of sprake is van een concentratie van bebouwing en of het gebied door die bebouwing overwegend een woon- of verblijffunctie heeft. Het gebied rondom deze bedrijven bestaat uit een bebouwingslint, bestaande uit afwisselend (agrarische) bedrijven met gebouwen van verschillende afmetingen, burgerwoningen met bijgebouwen van verschillende afmetingen en ruime percelen, en daar tussen grote open ruimten die voornamelijk voor agrarische doeleinden worden toegepast. Hoewel er sprake is van enige concentratie van bebouwing, zijn de omvang en situering daarvan naar ons oordeel te gering om te kunnen spreken van aaneengesloten bebouwing die het gebied een overwegende woon- en verblijffunctie geeft. Dit wordt ook ondersteund door de jurisprudentie. Enkele zaken waarin de Raad van State deze lijn bevestigd voegen wij hierbij toe: ECLI:NL:RVS:2015:1368 en ECLI:NL:RVS:2015:450.
Derhalve is gevraagd de verordening op dit punt aan te passen, inhoudend dat deze bedrijven blijvend wordt aangeduid als gelegen buiten de bebouwde kom conform de Wgv, en in plaats van een afstand van 50 meter een afstand van 25 meter kan worden aangehouden. De gemeentelijke ambtenaar heeft hierop de volgende reactie gegeven: Voor de Foarwei vinden wij dat hier sprake is van bebouwde kom. In het licht van de situatie van de uitspraak in de gemeente Dantumadiel (ECLI:NL:RVS:2020:1193) zijn wij hiervan van mening dat hier sprake van is van bebouwde kom. De bebouwing van de gehele Foarwei in
Pagina 2 van 7
Kollumerzwaag staat in verbinding met twee dorpskernen, is sprake van een relatief geconcentreerde bebouwing en is er tevens sprake van, kijkend naar Kollumerzwaag en de Westereen als geheel, een samenhangende structuur. Om deze reden zijn wij tot deze conclusie gekomen. De situatie waarop de gemeentelijke ambtenaar wijst speelt zich af in Feanwâldsterwâl. De Raad van State komt daarbij tot de conclusie dat De Wâl als bebouwde kom als bedoeld in de Wet geurhinder en veehouderij moet worden aangeduid. Deze situatie is echter niet te vergelijken met het onderhavige gebied tussen De Westereen en Kollumerzwaag. De Wâl bestaat grotendeels uit woonpercelen op kleinschalige percelen waarbij er nagenoeg geen ruimte is voor overige (agrarische) bedrijfsactiviteiten en open ruimten tussen de percelen. Uit de bestemmingsplannen (De Wâl ligt deels in Dantumadiel en deels in Tytsjerksteradiel) krijgt u een goed beeld van de situatie aldaar (geel is wonen, oranje horeca, paars bedrijfsbestemming, groen zonder kader agrarische grond, en groen met kader agrarisch bedrijf):
Figuur 1, uitsnede bestemmingsplan Butengebiet / Dantumadiel
Figuur 2, uitsnede bestemmingsplan ‘Feanwâldsterwâl – Kûkherne’ / Tytsjerksteradiel
Pagina 3 van 7
De Foarwei bestaat uit afwisselend (agrarische) bedrijven met gebouwen van verschillende afmetingen, burgerwoningen met bijgebouwen van verschillende afmetingen, ruime percelen, en daar tussen grote open ruimten die voornamelijk voor agrarische doeleinden worden toegepast. Het bestemmingsplan laat voor die gebied dan ook een heel ander beeld zien:
Figuur 3, uitsnede bestemmingsplan Buitengebied / gemeente Kollumerland Hoewel er sprake is van enige concentratie van woonbebouwing, is de omvang en situering in relatie tot de overige (agrarische) functies te gering om te kunnen spreken van aaneengesloten bebouwing die het gebied een overwegende woon- en verblijffunctie geeft. Het bestempelen van het gebied als zijnde bebouwde kom op basis van de aangehaalde uitspraak achten wij dan ook niet redelijk. Er dient op basis van de kenmerken van het gebied een afweging te worden gemaakt, en wij zijn van mening dat de kenmerken in dit geval dusdanig zijn dat er sprake is van een gebied dat is gelegen buiten de bebouwde kom conform de Wet geurhinder en veehouderij. Deze uitleg wordt door de aangehaalde jurisprudentie ondersteund. Overigens heeft de gemeente zeer recentelijk een vergunning verleend voor een agrarisch bedrijf binnen dit deel van de Foarwei waarbij zowel de FUMO in haar advies, als de gemeente in haar besluit, geoordeeld heeft dat er ter plaatse sprake is van een situatie buiten de bebouwde kom. Het betreft een besluit van 20 april 2022, zaaknummer 202113569. De beoordeling in het kader van dit besluit is juist en het is niet redelijk om in de verordening nu uit te gaan van bebouwde kom.
Pagina 4 van 7
Alleen bij besluiten waarbij de verordening wordt toegepast kan het begrip wel/niet bebouwde kom in bezwaar en beroep aan de orde komen. Zeker met de door ons gegeven uitleg, uw eerdere standpunt in de vigerende verordening / verleende vergunningen dat er sprake is van een gebied buiten de bebouwde kom, en ter voorkoming van grote nadelige invloed op deze bedrijven, zijn wij van mening dat u de belangen van deze bedrijven dient te beschermen. Namens cliënten vragen wij u dan ook uitdrukkelijk de verordening op dit punt aan te passen. Gelet op de zeer grote impact op de bedrijfsvoering van cliënten vragen wij u persoonlijk het gesprek met ons aan te gaan wanneer u echter anders zou besluiten. Vooreerst gaan we er vanuit dat u de verordening op basis van de gegeven motivering aangepast zal worden.
B. Buiten of binnen de bebouwde kom / nieuw Hoewel wij verwachten dat u de omgeving aan de Foarwei tussen de dorpskern van De Westereen en Kollumerzwaag zal beschouwen als buiten de bebouwde kom conform de Wet geurhinder en veehouderij willen wij u nog wijzen op het volgende. Wanneer u toch zou besluiten dat het gaat om bebouwde kom dan zullen ook bedrijven die nu niet in de verordening zijn opgenomen op slot worden gezet. Voor zowel de bedrijven 4 en 6 heeft u recentelijk een omgevingsvergunning verleend waarbij u in de beoordeling ervan uit bent gegaan dat de omliggende woningen zijn gelegen buiten de bebouwde kom. Deze bedrijven voldoen thans aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij. Derhalve dat deze bedrijven ook niet in de verordening zijn opgenomen. Wanneer u echter de omgeving zou zien als bebouwde kom dan wordt door deze bedrijven niet meer aan de afstandseisen uit de Wet geurhinder en veehouderij voldaan. Om te voorkomen dat deze bedrijven op slot komen te zitten is het derhalve nodig ook voor haar, wanneer u niet zou overgaan tot het zien van de omgeving als zijnde buiten de bebouwde kom, opgenomen te worden in de geurverordening. Wij vragen u dan ook uitdrukkelijk bij vaststelling van de verordening rekening te houden met de belangen van deze bedrijven.
C. Actualiseren verordening In reactie op het eerste concept is u gevraagd namens het bedrijf op nummer 7 om haar bedrijf op te nemen in de geurverordening. De milieukundige inpassing van het bedrijf heeft destijds door u plaatsgevonden met de uitgangspunten van uw vigerende verordening. In zoverre is het ook noodzakelijk voor het bedrijf dat zij ook nu bij de actualisering van de verordening op de lijst wordt geplaatst. Ambtelijk is het verzoek afgewezen omdat er enkel sprake zou zijn van een consoliderende verordening, en is het de bedoeling de geurverordening vast te stellen voor bestaande gevallen. Hoewel het bedrijf niet op de lijst staat blijkt uit de geschiedenis voldoende duidelijk dat u voor de beoordeling destijds aansluiting heeft gezocht bij de uitgangspunten van uw huidige verordening. Het is dan ook niet redelijk het bedrijf als zijnde een nieuwe locatie te beschouwen. Wij vragen u dan ook dit bedrijf alsnog op te nemen in de verordening.
Pagina 5 van 7
D. Ruimte voor maatwerk In de toelichting bij de verordening heeft u onder punt 5 ‘gebiedsvisie’ aangegeven dat een mogelijke uitbreiding de milieusituatie gunstiger dient te maken. Uitbreidingen moeten daarom volgens u zijn gelegen van de bestaande geurgevoelige objecten af. Door invulling te geven aan deze randvoorwaarde wordt de leefkwaliteit van de omliggende woningen volgens u niet nadelig beïnvloed. Wij kunnen uw overweging in beginsel volgen maar missen echter de ruimte van het toepassen van maatwerk. De situatie kan zich voordoen dat er geen ruimte is om van de geurgevoelige bebouwing / stalruimte af te bouwen omdat het bouwvlak daarin niet voorziet, of omdat het financieel niet haalbaar is omdat daarmee aanvullende investeringen nodig zijn. Daarmee zet u de situatie op slot met als gevolg dat bedrijven niet ontwikkelen en derhalve inwerking blijven met bestaande verouderde technieken die veelal ten opzichte van de moderne standaard meer hinder opleveren voor de omgeving. Het gaat dan niet enkel om geur, maar ook bijvoorbeeld om hinder op het vlak van geluid, luchtkwaliteit (fijnstof) en trillingen. Het is dan ook wenselijk maatwerk mogelijk te maken.
Wij vragen u dan ook uitdrukkelijk de visie op dit punt aan te passen door te bepalen dat wanneer aan de afstanden uit uw verordening wordt voldaan uitbreiding op kortere afstand is toegestaan ingevallen dat er elders geen ruimte binnen het bouwvlak aanwezig is, of dat wanneer blijkt dat situering op grotere afstand onevenredige kosten met zich meebrengt. Dit onder de voorwaarde dat de milieukundige situatie door de investering verbeterd. Onder een verbetering van de milieusituatie wordt in het kader van deze verordening volstaan met het verlagen van de ammoniakemissie ten opzichte van de vergunde situatie waarmee het voldoende aannemelijk is dat de geurbelasting op de omgeving zal afnemen. Uiteraard moet minimaal aan de afstanden worden voldaan die u heeft gesteld in artikel 2. Het volgende tekstvoorstel zou in de plaats kunnen treden van uw huidige tekst onder punt 5 van uw visie: Om een leefbaar platteland te houden kan het niet de bedoeling zijn om van oudsher aanwezige bedrijven of woningen te saneren. Wel dient bij een mogelijke uitbreiding van een bedrijf of woning de bescherming van het milieu even hoog te zijn dan voor de uitbreiding. Derhalve hanteren wij het uitgangspunt dat een uitbreiding is in beginsel van de bestaande geurgevoelige objecten af gerealiseerd moet worden*.
Door invulling te geven aan deze randvoorwaarde wordt de leefkwaliteit van de omliggende woningen en de gebruiksmogelijkheden voor de bedrijven niet nadelig beïnvloed (aspect a). Algemeen uitgangspunt in het bestemmingsplan Bûtengebiet is dat de gemeente ontwikkelingsruimte geeft voor, onder andere, agrarische bedrijven. Met betrekking tot nieuwe vergunningen/meldingen voor uitbreidingen van agrarische bedrijven is opgenomen dat deze worden getoetst aan de Wet geurhinder en veehouderij en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening (aspect b). Door bovenstaande geïntegreerde aanpak wordt de noodzaak van een even hoog beschermingsniveau van de bescherming van het milieu aangetoond (aspect c). Gestreefd moet worden naar een agrarisch gebied waarbij de functie werken mogelijk wordt gemaakt met de hier en daar van oorsprong bestaande bebouwing (aspect d). Randvoorwaarde hierbij is de minimaal genoemde afstand in de Wet geurhinder en veehouderij.
Pagina 6 van 7
*Enkel in het geval dat voor wonen of bedrijfsuitbreiding geen mogelijkheden aanwezig zijn om op grotere afstand een uitbreiding te realiseren is het toegestaan een kortere afstand te hanteren. Voorwaarde is echter dat minimaal aan de afstanden uit artikel 2 wordt voldaan, en tevens geen sprake is van een toename aan ammoniakemissies. Op deze wijze is de noodzaak van een even hoog niveau van de bescherming van het milieu voldoende geborgd.
Tot Slot Namens de bedrijven wil ik u vragen om bij de vaststelling van de definitieve geurverordening rekening te houden met haar belangen, en aan te sluiten bij de voorstellen die wij u in deze brief hebben gepresenteerd. Mocht u naar aanleiding van deze brief nog vragen hebben dan horen wij dat uiteraard graag.
Pagina 7 van 7