CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Aanvullende zienswijze (De Wendel) AVG

It Beslút 20 juli 2023, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Burum - Schipsloot’4.364 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

r

INGEKOMEN

J

Geacht College,

11 MEI 2023

In aanvulling op onze [te vroeg ingezonden] zienswijze, zenden we u bij deze nog een aanvulling. Naar aanleiding van de definitieve bestemmingsplan wijziging willen we graag gebruik maken van de mogelijkheid om hier nog wat verder op in te gaan. Wij gaan in op de ecologische waarde van het plangebied, op de verkeerssituatie waarin ook de Wendel en de Herestraat een rol spelen. Tot slot zullen wij in gaan op het maatschappelijke belang en uitvoerbaarheid. Wij behandelen onze zienswijze op volgorde en met verwijzing naar de hoofdstukindeling uit de toelichting bij de aanvraag.

Wij hopen en gaan er van uit dat u, naar aanleiding van het gestelde in onze zienswijze en deze aanvulling, de wijziging van het bestemmingsplan wilt heroverwegen.

Met vriendelijke groet

De wendel Burum

Hoofdstuk 4.6 Ecologie Als bijlage 4 is een rapportage van een beknopte natuurtoets toegevoegd. Hierin wordt het grasland in plangebied beschreven als “voedselrijk tot zeer voedselrijk” aan de hand van 3 waargenomen plantsoorten. Opmerkelijk daar er in het bestemmingsplan Burum over dit perceel, juist wordt gesproken over agrarisch met natuurwaarden. De toetsing heeft plaatsgevonden augustus vorig jaar vlak na een maaibeurt en in het droogste jaar die we ooit hebben gekend!! In deze omstandigheden is de toetsing natuurlijk zinloos. In onze waarneming is dit perceel juist een uniek stukje grasland dat al decenia zeer extensief wordt gebruikt. Door het jarenlange extensieve gebruik vinden we hier vele plant, en diersoorten.

Op 6 mei 2023 en in juni 2022 zijn o.a. onderstaande planten op het perceel waargenomen en gefotografeerd. In tegenstelling tot voorgaande jaren is er dit jaar echter zeer vroeg in het seizoen al gemaaid op het perceel, waarschijnlijk in verband met de bouwplannen. Dit bemoeilijkt op dit moment een goede inventarisatie van de flora; we weten uit voorgaande jaren dat er in de zomerperiode meer plantensoorten zullen staan dan nu kort na het maaien zijn waar te nemen.

ilS .............

.. ...............................

i-.

amSiiÉi '1

'

7--

rwl -

■ ï' '

-

R

A-

/RS ' «flï’

g’ o ■V

H

ÏTÜ*

!V

Een korte inventarisatie heeft al een tiental verschillende grassoorten opgeleverd, o.a. vlo zegge, blauwe zegge. Grassen die ook voorkomen in blauwgrasland. Bijgevoegd hebben we een bijlage van het ministerie van landbouw, natuur. Blauwgraslanden zijn meestal beschermde drassige hooilanden met een gering productievermogen. Uit diverse artikelen blijkt dit soort typen grasland zeer beschermingswaardig maar staat erg onder druk door droogte en instroom bemest oppervlakte water, hetgeen te zien is aan brandnetelgroei aan de randen. Meer fotos achteraan dit document. Ook andere plantensoorten worden gevonden en dan ,ivm maaibeurt van kort geleden , vooral aan de randen: o.a wilgenroosje, dotterbloem, hondsdraf, pinksterbloem, waterzuring, etc. Ook het slootleven aan de rand van dit veld bevat een grote diversiteit aan plantensoorten o.a gele lis,water ranonkel, kranswieren en de beschermde zwanenbloem. In voorgaande jaren hebben veel weidevogels genesteld in het grasland, oa kievitten, grutto,s en in het riet een ijsvogel. Vorig jaar hebben er dan ook ook beschermingsconstructies gestaan om de nesten te beschermen. In de sloot en in het gras in een grote rijkdom in insecten, salamanders, kikkers, padden, etc. Een soortenrijkdom die voor altijd verloren dreigt te gaan. Migratie is deels mogelijk door door het water van de schipsloot die via een duiker uitkomt in de olde lauwers.

Naast de voorgestelde herbestemming van het plangebied willen wij u er zeer uitdrukkelijk op wijzen dat wat ons betreft de huidige bestemming, èn het huidige gebruik als grasland met natuurwaarde, wat ons betreft behouden zou moeten blijven. Een hogere beschermingswaarde zou ook zeer zeker op zijn plaats zijn naar grasland met hoge natuurwaarde plus weidevogelkansgebied. Hierbij zijn agrarische doeleinden nevengeschikt aan natuur- en landschapsdoeleinden. Eigenlijk net zoals de huidige situatie, met maar 1 keer per jaar maaien en niet mesten al het geval is. Het is verhoudingsgewijs een klein stukje grond maar een soortenrijk eilandje aan de rand van hectares van monocultuur aan engels raaigras. Het zou ongelofelijk jammer zijn als dit verloren gaat.

Om aan te geven hoe belangrijk wij dit vinden, hebben we vorig jaar onze intentie om het perceel over te kopen bij de eigenaar neergelegd om te voorkomen dat dit mooie stukje cultuurgrond verloren gaat Daarom zijn wij bereid het perceel te kopen en op vergelijkbare wijze in gebruik te houden. Hiervoor hebben wij financiële middelen gereserveerd.

Hoofdstuk 4.8 Verkeer en parkeren De beschrijving van het plangebied wordt toegelicht aan de hand van een uitsnede van de plankaart en satelietbeelden met dezelfde uitsnede. Het gaat hier om een volgens ons beperkte weergave omdat het verkeers probleem net iets verderop zit. Om een goed beeld te krijgen van de situatie, waaronder de verkeers- situatie gebruiken wij onderstaande iets ruimere uitsnede rondom het plangebied:

In de toelichting wordt de ontsluiting van het plangebied gerelateerd aan de verkeerscapaciteit van de Schipsloot, waarbij de redenatie is dat deze aan capaciteit van 3500 tot 4500 mvt/etm heeft. Hierbij tekenen wij aan: 1. Welke categorie uit de CROW kerncijfers is hier nu precies gebruikt, en op basis van welke criteria is die keuze gemaakt? 2. De zuidkant van de schipsloot is momenteel afgesloten voor auto verkeer; het feitelijke gebruik van de zuidelijke kant van de Schipsloot kan beter vergeleken worden met een woonerf, waar kinderen veilig op straat kunnen spelen. Dit komt ons inziens veel meer overeen met de feitelijke situatie dan de geselecteerde categorie. Op dit moment is de feitelijke capaciteit op de zuidkant van de Schipsloot 0 mvt/etm. 3. De toegang naar de Schipsloot loopt via de Wendel, en de Herestraat. De afslag van de Herestraat naar de Wendel is een zeer beperkende factor in de verkeerscapaciteit naar het plangebied toe. En onterecht niet meegenomen in het bestemmingsplan. Deze afslag kan met slechts één voertuig tegelijk genomen worden; in de praktijk moet hier vaak achteruit worden gereden om elkaar te kunnen passeren. Landbouwvoertuigen kunnen de draai nog net maken, tenzij er aan beide kanten van de wendel geparkeerd wordt, wat regelmatig gebeurt. 4. Vrachtwagens kunnen deze draai bij de wendel herestraat niet maken.

Hetgeen betekent dat ze in praktijk altijd omrijden door de woonwijk aan de meerpaal als ze wat aan moet leveren aan de wendel of de woningen bij de schipsloot. Vervolgens rijden ze achteruit terug tot aan de afslag aan de meerpaal om daar weer de draai te maken. Bij eventuele bouwplannen zal dit dan ook een groot knelpunt worden en tot gevaarlijke situaties leiden in de wijk.. Wij zouden graag een nauwkeurige analyse zien van de verkeerscapaciteit op dit punt in relatie tot de toename aan verkeersbewegingen die het huidige plan met zich meebrengt. Onderstaand geven wij de situatie weer aan de hand van Google maps:

5. Tijdens de bouwfase zullen er ook auto’s en bestelbussen voor langere tijd in de omgeving geparkeerd moeten staan. Vrachtwagens met toe te leveren materialen zullen ook voor kortere periodes buiten het plangebied moeten wachten. Na aflevering zullen de vrachtwagens achteruit het plangebied moeten verlaten ivm te smalle weg, , achteruit tussen geparkeerde busjes in door de schipsloot, achteruit door de wendel tot aan de meerpaal voordat ze weer vooruit en voldoende zicht hebben op kinderen die daar ook rondlopen. Ook nu gebeurt dit al regelatig en moet er echt stapvoets gereden worden om te voorkomen dat er ongelukken gebeuren. Alle parkeerplatsen zijn regelmatig bezet, waar komen alle busjes en vrachtwagens van leveranciers en werklieden te staan? De wegen zijn te smal om nog meer parkeerders kwijt te kunnen. We dringen aan om voor deze situaties een analyse van de verkeerskundige haalbaarheid èn veiligheid tijdens de bouwfase te maken

Hoofdstuk 6.2 Maatschappelijk uitvoerbaarheid Hier wordt gesteld dat “het plan is in samenspraak met het dorp en de aanwonenden opgesteld”. Wij en ook anderen herkennen ons zeer zeker niet in het beeld dat met deze zinsnede wordt opgewekt. • Door de initiatiefnemer(s) is een informatie avond georganiseerd en is informatie verschaft tijdens vergaderingen van bestaande verenigingen in het dorp. De informatieavonden hadden als uitgangspunt de huidige bouwplannen. Van gezamenlijk opstellen laat staan inspraak is dus geen sprake geweest en de huidige aanvraag is daarom ook niet voortgekomen uit de wens van het hele dorp, wat wel gesuggereerd lijkt te worden. • In het bestemmingsplan van Burum wordt aangegeven dat er alleen gebouwd wanneer daar specifieke behoefte naar is. De bewonerscommissie heeft deze specifieke behoefte onderzocht en kwam tot de conclusie dat er behoefte is aan starterswoningen. De prijzen van de huizen begint bij 339, 000, + zonder schuur, zonder keuken, zonder inrichting van bovenverdieping etc. bij lange na niet de prijzen die een starter kan betalen. Onze vraag luidt dan ook aan welke behoefte wordt hier dan wel voorzien? • Tevens vragen wij ons af of er geen karterend archeologisch onderzoek gewenst daar het stuk grond al zeer lang in gebruik is aan de rand van de terp aan de wendel en ooit als galgenveld gedient heeft.

In dit verband missen wij in de aanvraag enige duiding van de noodzaak en het belang van de plannen. Op basis van de aanvraag zoals die er nu ligt zien wij wel bezwaren, maar geen noodzaak om de bestemming van het perceel aan te passen.

Appendix: waargenomen flora □MJ» ‘

■ ^' ,

i!

I

V

> ! I

'lï

t

L\

•r

J

»l

't

r

Af

',■

t .

sp ',,!' »

-n , ' F

*'1

'.'?«W. ■ ' '

’.. A. - ‘ -. ■■

*

■

,.

■=*

...

,’*-\«'*'5 'V

<

.-■ *x

..At’

■ ï

'■

...^ ...

:.

r. (

j

4

♦ X ■

i

.^ww

■’

'. ’ /»** f f<'

a'

• -t

>'»

’-i»

> .1 •■*^-,

•^'

•

\ '■

r' '.O t

r-'j

A.’

tKt

A A

’I FAl '

V-j:

■■».■■

.>

S; 'M

r I

/.

\ i'. J *

*'

.•V«'

V’'

1 X

f i'

flv

:

i 1

V

iV-

l

Ar

■

••r,

rAji Os

' .4.

»

i,'> ■ .-■ •»■,

.

•, ■•■.

/■

.-'t '

■-

•/,-

„J

ïïS^SsSSSSSfiiS

ÜiB9

. - »w

- •;

I 1

?• > ■

H6410 versie 1 sept 2008, met erratum 24 maart 2009.doc

H6410 versie 1 sept 2008, met erratum 24 maart 2oo9.doc

H6410 Blauwgraslanden______ Code Nederlandse naam vegetatie- vegetatietype type iBAal Blauwgrasland

Dit profiel dient gelezen, geïnterpreteerd en gebruikt te worden in combinatie met de leeswijzer, waarin de noodzakelijke uitleg van de verschillende paragrafen vermeld is. 7

Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige kleibodem (Molinion caeruleae) (H6410) Verkorte noam: Blauwgraslanden

wetenschappelijke naom vegetatietype

Goed/ beperkende Matig criteria

Cirsio dissectiMolinietum

C

16Abl

Veldrus-associatie

Crepido-Juncetum acutiflori

G

16-RC5[iBAal

Rompgemeenschap met RG Carex paniceaBlauwe zegge en Blauwe|Succfso pratensis-

M

1. Status:

Habitatrichtlijn Bijlage I (inwerkingtreding 1994)

2. Kenschets

Beschrijving: Het habitattype betreft in ons land de zogenoemde blauwgraslanden. Het zijn soortenrijke hooilanden op voedselarme, basenhoudende bodems die ’s winters piasdras staan en ’s zomers oppervlakkig uitdrogen. De naam blauwgrasland is afgeleid van de zwak blauwgroene kleur van de soorten die het aanzien bepalen. Dat zijn bijvoorbeeld Spaanse ruiter [Cirsium dissectum}, blauwe zegge (Carex panicea} en tandjesgras (Danthonia decumbens}. De blauwgraslanden worden plantensociologisch gerekend tot het verbond Junco-Molinion. De begroeiingen kennen een grote variatie in soortensamenstelling, afhankelijk van bodem, hydrologie en geografische ligging. Zo kunnen in het laagveengebied plaatselijk riet [Phragmites australis} en melkeppe [Peucedanum palustris} talrijk zijn, terwijl op de hogere zandgronden soorten uit de heischrale graslanden opvallend aanwezig zijn. In sommige geografische regio’s zijn bepaalde soorten kenmerkend, zoals Grote pimpernel (Sanguisorba officinalis} in noordelijk Noord-Brabant, Veldrus [Juncus acutiflorus} in beekdalen, en Karwijselie (Selinum carvifolium} in Willinks Weust. Schrale hooilanden met veel Veldrus worden eveneens tot het habitattype H6410 gerekend, wanneer ze veel soorten van het verbond Junco-Molinion bevatten (tenminste drie typische soorten aanwezig)*.

Op relatief basenrijke natte plekken kunnen bepaalde basenminnende soorten naar voren treden zoals Parnassia IParnassia palustris}. Basenrijke kwelmoerassen, waarin de typische blauwgraslandsoorten ontbreken en kleine zeggen domineren,yvorden echter gerekend tot het habitattype ‘Alkalisch laagveen’ (habitattype H7230; zie aldaar voor de verschillen met type H6410). In duingebieden komen plaatselijk ook blauwgraslanden voor. Het betreft hier oudere, reeds langdurig in cultuur gebrachte delen met een sterke bodemontwikkeling.'

knoop van het Verbond van Biezeknoppen en Pijpestrootje__________ Draadgentiaanassociatie

lJunco-Molinion]

Cicendietum filiformis

C

SBB-16A-b RC Kussentjesmos(Verbond van Biezenknoppen en Pijpestrootje]_________ 5BB-16A-C RC Moerasstruisgras(Verbond van Biezenknoppen en Pijpestrootje]_________ SBB-16A-e RC PijpestrootjeVeenmos-(Klasse der kleine Zeggen/Verbond van Biezenknoppen en Pijpestrootje!_________ 5BB-16A-f RC Veldrus Veenmos[Verbond van Biezenknoppen en Pijpestrootje!

RC Leucobryum glaucum-llurtcoMolinionj

M

RC Agrostis caninafJunco-Motinion]

M

RC Molinia caeruleaSphagnum palustre[Parvocaricetea/luncoMolinion]

M

RC Juncus acutiflorusSphagnum-[JuncoMolinionl

M

28Aal

Relatief belang binnen Europa: zeer groot Blauwgrasland {Junco-Molinion} omvat binnen Europa een klein gebied aan de Atlantische kust (van Noord-Frankrijk en Ierland tot Noord-Duitsland). Nederland ligt centraal in dit gebied. Verder bevat ons land het merendeel van de oppervlakte van deze Atlantische vorm van het habitattype. Ons land is dan ook van groot Europees belang voor dit type vanwege de soortensamenstelling, de geografische ligging en de oppervlakte.

alleen in mozaïek

mits niet voldoend aan de criteria voor H7230__________ mits minstens drie van de volgende plantensoorten aanwezig zijn: blauwe knoop, blauwe zegge, gevlekte orchis, ruw walstro, tormentil, veelbloemige veldbies________ mits niet in mozaïek met vegetaties van H7230

alleen in mozaïek met zelfstandige vegetaties van H6410___________ alleen in mozaïek met zelfstandige vegetaties van H6410___________ alleen in mozaïek met zelfstandige vegetaties van H6410___________ alleen in mozaïek met zelfstandige vegetaties van H6410 alleen in mozaïek met zelfstandige vegetaties van H6410

4. Kwaliteitseisen habitattype 3. Definitie

a. Abiotische randvoorwaarden

Vegeta tietypen

I

_______ H6410 Blauwgraslanden Zuurgraad

[ ' Overeenkomstig wordt in de bergzone van Zuid-Atlantisch Europa het Juncion acutiflori tot dit habitattype gerekend. ' Voorkomens in het kustgebied betreffen vrijwel alleen voorkomens buiten het duinmassief. Heel soms gaat het om reeds lang in cultuur gebrachte duinvalleien die bezwaarlijk tot ‘vochtige duinvalleien’ (H2190) kunnen worden gerekend.

1

Vochttoestand

2uur-a

diep water | ondiep I ondiep droog- I ■s winters I permanent water I vallend water | inunderend

2

zuurb

droog

H5410 versie 1 sept 2008, met erratum 24 maart 2oo9.doc

H641O versie 1 sept 2008. met erratum 24 maart 2oo9.doc

Zoutgehalte

(matig) zoet

I zwak brak

I licht brak

Voedselrijkdom [zeer I voedselarm

Overstromings- | dagelijks lang tolerantie |

dagelijks kort

I matig brak

I sterk brak

matig voedselrijk-b

zeer voedselrijk I uiterst I voedselrijk

zout

1

regelmatig

b. Typische soorten: H6410 Blauwgraslanden Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Soortgroep

Categorie^

Dagvlinders

K*

Zilveren maan

^uphydryas aurinia ssp. aarinia_________ ________ Solorio setene

Dagvlinders

K

Blauwe knoop

Soccisa pratensis

Vaatplanten

Ca

Blauwe zegge

Carex panicea

Vaatplanten

Ca

Blonde zegge

Carex hostiona

Vaatplanten

K

Klein glidkruid Kleine valeriaan

Scutellaria minor

Vaatplanten

K

Valeriana dioica

Vaatplanten

K__

Knotszegge

Carex buxbaumii

Vaatplanten

K

Kranskarwij

Carum verticillatum

Vaatplanten

K

Melkviooltje

Vaatplanten

E__

Spaanse ruiter

Viola persicifolia Cirslum dissectum

Vaatplanten

E

Vlozegge

Carex pulicaris

Vaatplanten

K

Watersnip

Callinogo gallinago ssp. gallinago

Vogels

Cab

Moerasparelmoervlinder

* verdwenen

Kenmerken van een goede structuur en functie • Hooibeheer (jaarlijks laat in het jaar maaien en materiaal afvoeren); • Toevoer van basenrijk water (door overstromingen met oppervlaktewater of door toestroom grondwater); • Opslag van struwelen en bomen < 5%; • Optimale functionele omvang: vanaf enkele hectares; • Het zo nu en dan opbrengen van organisch materiaal kan noodzakelijk zijn om verzuring tegen te gaan.

5. Kwaliteitseisen omgeving

Het habitattype komt optimaal voor op voedselarme, matig zure tot neutrale bodems. Buffering vindt plaats door aanvoer van basen met grond- en/of oppervlaktewater. In de winter staat het grondwater aan of op maaiveld, in de zomer zakt de grondwaterstand enkele decimeters of meer weg. Hoe diep de grondwaterstand mag wegzakken is sterk afhankelijk van het bodemtype en de aard van het zuurbufferend proces. Op veenbodems mag de grondwaterstand niet meer dan enkele decimeters wegzakken omdat bij diepere standen eutrofiëring of verzuring kan optreden. Op minerale bodems is de variatie in laagste grondwaterstanden groter en afhankelijk van het type grondwaterysteem. Sommige blauwgraslanden op zand blijken te verzuren als de laagste grondwaterstanden dieper dan ca. 0,7 m onder maaiveld zakken, doordat dan geen capillaire nalevering van basenrijk water meer optreedt. Ook in blauwgrasland dat gevoed wordt door kwel uit regionale kwelsystemen zakt de grondwaterstand meestal niet veel dieper weg. In sommige blauwgraslanden waar periodiek basenrijk water uit lokale systemen tot in maaiveld opkwelt, komt blauwgrasland ook voor bij dieper (tot ca. 1 m onder maaiveld) wegzakkende

’ Ca - constante soort goede abiotische toestand: Cb = constante soort goede biotische structuur; Cab = constante soort goede abiotische toestand en goede biotische structuur: K = karakteristieke soort; E exclusieve soort

3

1

"I

zomerwaterstanden. Om grenswaarden voor duurzaam voorkomen te kunnen bepalen is inzicht in de lokale situatie noodzakelijk.

In het landschapstype meren en moerassen kwamen aan het begin van de 20' eeuw nog de grootste oppervlakten blauwgrasland voor. Door gebrekkige bemaling stonden veel polders in de winter langdurig onder water, waardoor aanvoer van basen optrad. Door de verbeterde bemaling is deze aanvoer verdwenen. In boezemlanden en zomerpolders treden nog wel winterinundaties op. Hier komen plaatselijk nog goed ontwikkelde blauwgraslanden voor. De bodem van deze (voorheen) overstroomde standplaatsen bestaat uit kleiig veen of klei-op-veen. Kwel naar maaiveld speelt in deze systemen geen belangrijke rol, doordat de kweldruk -indien aanwezig- in dit vlakke landschep laag is en de weerstand van de deklaag hoog. Het wegvallen van inundaties heeft de bodem gevoelig gemaakt voor verzuring, doordat regenwaterlenzen konden ontstaan. Dit proces wordt vaak versterkt door een toegenomen wegzijging naar de ondergrond. Restanten van het blauwgrasland zijn dan alleen te vinden langs perceelsranden waar zijdelingse indringing van oppervlaktewater in een smalle zone voor basenrijkdom zorgt en in zones waar kwel uit boezemwater of hoger gelegen polder optreedt. Ook blauwgraslanden op legakkers zijn voor het behoud van basenrijkdom afhankelijk van aanvoer van basen via inundatie. Randvoorwaarde bij de buffering door winterinundaties is dat deze niet leiden tot een voor blauwgraslanden te hoge voedselrijkdom.

Binnen het landschapstype meren en moerassen komen op de overgangen naar de hogere pleistocene gronden wel locaties voor waar de kweldruk groot genoeg is en de deklaag dun genoeg voor het voorkomen van blauwgrasland met kwel naar maaiveld.

In het landschapstype beekdalen kunnen verschillende combinaties van sturende processen leiden tot geschikte condities voor blauwgrasland. Bij een voldoende stijghoogte van het regionale grondwatersysteem en voldoende ondiepe grondwaterstanden kan het basenrijke grondwater tot in de wortelzone doordringen in de vorm van uittredend grondwater of via capillaire opstijging. Bij geringere kweldruk en/of lagere grondwaterstanden vormen zich regenwaterlenzen en kan het grondwater de wortelzone niet bereiken, waardoor de standplaats verzuurt. De aanvoer van basenrijk grondwater is niet noodzakelijkerwijs gebonden aan regionale kwel. Op een aantal plaatsen in Nederland komen op geringe diepte al kalkhoudende sedimenten voor, die ervoor zorgen dat het lokale grondwater basenrijk is. Een andere bron van basenrijk lokaal grondwater is geïnfiltreerd oppervlaktewater (kanaalkwel). In sommige beekdalen is blauwgrasland te vinden in een gradiënt van overstroming met basenrijk beekwater en lokale kwel van basenarm water vanuit omliggende hogere zandgronden. Het blauwgrasland komt dan voor aan de rand van het beekdal, waar het beekwater zodanig is verdund met kwel- en regenwater en er zo weinig afzetting van slib optreedt, dat er nauwelijks eutrofiëring optreedt.

De eveneens tot het habitattype gerekende schrale vormen van de Veldrusassociatie zijn gebonden aan laterale doorstroming met jong, nog niet geheel gereduceerd grondwater. In beekdalen die geheel door lokale kwel gevoed worden, kan dit type tot aan de beek voorkomen. In beekdalen met overstroming of met sterke kwel van anaëroob grondwater komt dit type aan de rand van het beekdal voor, iets hoger in het landschep dan het blauwgrasland (de associatie met Spaanse ruiter). In dit vegetatietype kan de grondwaterstand in de zomer relatief ver weg zakken (ca 1,20 m onder maaiveld).

Buiten de beekdalen komt het habitattype slechts incidenteel voor in de tot de hoge zandgronden gerekende dekzandgebieden. Bij aanwezigheid van ondiepe Er zijn dan basenrijke klei- of leemlagen aanwezig, die het lokaal grondwater zodanig aanrijken dat er schrale veldrushooilanden of veldrus-rijke vormen van het blauwgrasland kunnen voorkomen. Ook zijn er voorbeelden van laagten met basenrijke lokale kwel, waar blauwgrasland optreedt op plekken waar ondiep basenrijk grondwater wordt opgeperst aan de randen van ondergelopen laagten. Het blauwgrasland ligt daar in een gradiënt tussen amfibische vegetatietypen in het laagste deel en heischrale graslanden en heide in de hogere delen van het gebied. Hier kunnen bijzondere vormen van het blauwgrasland voorkomen met onder andere Oeverkruid. Zowel in de beekdalen als op de hogere zandgronden wordt het habitattype sterk bedreigd door verlaging van grondwaterstanden, die tot gevolg hebben dat onvoldoende bufferstoffen doordringen tot in de wortelzone. In de beekdalen kan ook overstroming met eutroof en slibrijk water leiden tot achteruitgang van het blauwgrasland.

4

H5410 versie 1 sept 2008, met erratum 24 maart 2oo9.doc

H6410 versie 1 sept 2008, met erratum 24 maart 2oo9.doc

In het landschapstype duinen komt blauwgrasland voor op plaatsen met lokale kwel van in kalkrijk duinzand aangerijkt grondwater. Deze zijn te vinden aan de randen van valleien en aan de binnenduinrand, waar oudere bodems met een diep ontwikkeld humeus profiel voorkomen.

Daarvan was in 1924 nog 70 tot 80 ha over, in 1954 nog drie ha en tegenwoordig nog een schamele één ha. Op meer plaatsen in het land is een dergelijke afname opgetreden als gevolg van intensivering van de landbouw (ontwatering, bemesting). De achteruitgang in oppervlakte heeft uiteraard consequenties gehad voor de typische soorten. Voorheen algemene graslandsoorten als Spaanse ruiter. Kleine valeriaan en Brede orchis staan nu op de Rode Lijst van bedreigde soorten. Blonde zegge, Vlozegge en Melkviooltje zijn bijzonder sterk bedreigd. Zaagblad (Serratula tinctona) is in ons land uitgestorven, Harlekijn (Orchis mono) is uit het habitattype verdwenen. Binnen de blauwgraslanden van dit habitattype is Klokjesgentiaan (Centiana pneumonanthe) nog maar op een enkele plek aanwezig. De restanten van het habitattype zijn zodanig klein en versnipperd dat een aantal kenmerkende insectensoorten is uitgestorven. Dat zijn bijvoorbeeld de van Blauwe knoop afhankelijke Moerasparelmoervlinder (Euphydryas ourinia), Hommelvlinder (Hemaris tityus) en de Oranje zandbij (Andrena marginata).

In het rivierengebied kunnen blauwgraslanden en overgangen naar blauwgrasland voorkomen in boezemlanden en in schrale klei-op-veen gebieden. Deze situatie komt overeen met die in meren en moerassen. Het type is zeer gevoelig voor stikstofdepositie en verlangt dus een goede luchtkwaliteit.

6. Huidig voorkomen Het habitattype komt voor in laagveengebieden, op de hogere zandgronden (in beekdalen en heideterreinen) en plaatselijk in de duinen. Het habitattype is in de periode 1975 - 2000 aangetroffen in meer dan vijftig uurhokken, maar in de meeste gebieden neemt het habitattype slechts een kleine oppervlakte in. De oppervlakte aan goed ontwikkeld blauwgrasland bedraagt in totaal naar schatting 100 ha, waarvan ongeveer 50 ha goed zijn ontwikkeld.

Recente ontwikkelingen: In de periode 1994-2004 zijn op verschillende locaties met succes maatregelen uitgevoerd om om het habitattype uit te breiden of te herstellen. Een aansprekend voorbeeld is de uitbreiding van blauwgrasland in Punthuizen (Dinkelland). Daar zag het habitattype kans zich vanuit belendende percelen te vestigen op afgegraven maisakkers. In veel gebieden zijn de vooruitzichten voor behoud op langere termijn echter nog steeds ongunstig doordat de hydrologische condities niet optimaal zijn en de meeste plantesoorten van dit type geen langlevende zaden hebben.

Verspreiding en verspreidingsgebied Beoordelingsaspect natuurlijk verspreidingsgebied: matig ongunstig Het areaal is in omvang min of meer gelijk gebleven, maar er heeft in de loop van de 20' eeuw een flinke uitdunning plaatsgevonden. De verspreiding van het vegetatietype blauwgrasland (CirsioMolinietum) is afgenomen van 131 uurhokken voor 1975 naar 67 uurhokken na 1975-

Habilaltype 6410: Blauwgraslanden

Beoordelingsaspect oppervlakte: zeer ongunstig De oppervlakte van het habitattype is in de loop van de 20' eeuw sterk en gestaag achteruitgegaan. Voor een gunstige staat van instandhouding is een forse uitbreiding nodig. Bij bepaling van het referentieoppervlak bleek dat het huidige voorkomen (oppervlakte) meer dan 10% onder de na te streven waarde ligt. De oranje score in het doelendocument is gebaseerd op een positieve trend van de laatste jaren, waarbij geen rekening is gehouden met de referentieoppervlakte. De conclusie moet dus zijn: zeer ongunstig.

Beoordelingsaspect kwaliteit: zeer ongunstig a. Abiotische randvoorwaarden: Het blauwgrasland staat nog steeds op veel locaties onder druk door verdroging, verzuring en vermesting. b. Typische soorten: In de loop van de 20’ eeuw is een aantal typische soorten van het blauwgrasland geheel uit ons land verdwenen. Een andere groep soorten is uit het habitattype verdwenen. Bovendien is een groot aantal voor het blauwgrasland typische soorten sterk achteruitgegaan. c. Overige kenmerken:Nieuwe vormen van herstelmaatregelen bieden in de toekomst kansen op uitbreiding en herstel.

Beoordeling toekomstperspectief: matig ongunstig Voor het behoud van het habitattype op lange termijn zijn de omstandigheden niet gunstig. Daarbij is echter aan te tekenen dat lokaal opmerkelijke resultaten zijn geboekt aangaande herstel. Voor duurzaam herstel zijn in veel gevallen maatregelen in de waterhuishouding noodzakelijk, vaak op gebiedsschaal.

Legenda CZ2 verspreidingsgebied (range] ■i verspreiding (distribution) ■ Habiiatnchtlipgebieden 2003 ■i Grote Rivieren

Landelijke instandhoudingsdoelstelling: Behoud verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit.

7. Beoordeling landelijke staat van instandhouding Trends: In oppervlakte is het type in de loop van de 20' eeuw enorm achteruitgegaan. In de 19' eeuw besloeg het blauwgrasland naar schatting tegen de 100.000 ha, met een zwaartepunt in laagveenpolders. In de Krimpenerwaard bijvoorbeeld bevond zich oorspronkelijk circa 10.000 ha blauwgrasland (inclusief aangrenzende schrale begroeiingen, zogenoemde masteluinland).

5

Streefbeeld bij de landelijke instandhoudingsdoelstelling: Voor een gunstige staat van instandhouding is een verspreiding gewenst over minimaal 80 uurhokken. Daarbij is het streven het type verspreid te laten voorkomen in het laagveengebied, duingebied, beekdalen en op de hogere zandgronden. De goed ontwikkelde blauwgraslanden van het type (representativiteit A of B) zouden in de toekomst een totale oppervlakte moeten beslaan van tenminste 100 hectare. Waar het habitattype deel uitmaakt van een gradiënt (overgangssituatie), wordt gestreefd naar een

6

H641O versie 1 sept 2008, met erratum 24 maart 2oo9.doc

goede staat van de hele gradiënt. De in 2007 aan de Europese Commissie gerapporteerde referentiewaarde voor verspreidingsgebied is meer dan huidig en voor oppervlakte 1 km2.

Oordeel: zeer ongunstig Aspect

Verspreiding

1994

2007

Matig Matig Matig ongunstig ongunstig ongunstij

Matig ongunstig

Oppervlakte

' Zeerol

Kwaliteit

2004

fes»

ongunstig Matig Zeerol Matig Toekomst­ ongunstig perspectief ongurtsr-"'ongunstig --------- * Beoordeling Zeer Zeer zeer ongunstiolonqnastiq lonqunsti Svl

I

8. Bronnen Jansen, A.J.M. (2000). Hydrology and restoration of wet heathland and fen meadow communities. Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen. Eigen uitgave. De Graaf et. al. (2004). Lange termijn effecten van herstelbeheer in heide en heischrale graslanden. Rapport EC-LNV nr. 2004/288-O.

7

•

189 gr.

-i-c

r 3

POStNL

NL Frankering betaald €9.25

218101

09-05-2023 12:14

NI

Xi

I V.

1 Od

LWJW '10407 ... 1050(Mi_ Postous 1 9100 AA Naam: gemeente Noardeast-Fryslan 9101 LR DOKKUM Adres: Koningstraat 114.-----------

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=e9cc69db-dc85-4b3d-8ed2-82dbfcae733f