CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Nationaal programma ‘Berging vliegtuigwrakken met nog vermiste vliegers uit de Tweede Wereldoorlog’

It Beslút 1 februari 2024, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Berging vliegtuigen met bemanning uit de Tweede Wereldoorlog13.712 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

FOTO: BERGING IN DALFSEN, NOVEMBER 2020

NATIONAAL PROGRAMMA BERGING VLIEGTUIGWRAKKEN

INFORMATIEDOSSIER

Voorwoord Voor wie Het bergen van een vliegtuigwrak uit de Tweede Wereldoorlog met mogelijk nog stoffelijke resten van vermiste vliegers is geen onderneming die binnen een gemeente regelmatig voorkomt. Het is vaak een complexe operatie waar veel partijen bij betrokken zijn, waaronder Defensie-onderdelen, zoals de Berging en Identificatie Dienst Koninklijke Landmacht en de Explosieven Opruimingsdienst Defensie, en een civiele aannemer. Ook zal de betreffende gemeente een aantal activiteiten moeten ontplooien om een berging binnen de gemeente in gang te zetten. Zoals bijvoorbeeld het verkrijgen van inzicht in wie is de grondeigenaar, wat zegt het bestemmingsplan, betreft het een gebied met archeologische waarde en is er een omgevingsvergunning nodig. Daarbij spelen het unieke karakter van iedere berging en de gemeentelijke afwegingen een belangrijke rol in het bergingsproces; een berging blijft maatwerk en de burgemeester is het bevoegde gezag in de besluitvorming over de berging. Tegelijkertijd hebben eerdere bergingen bijgedragen aan de opbouw van ervaringsdeskundigheid. Het informatiedossier bevat informatie en concrete handvaten ter ondersteuning van gemeenten die onder het Nationaal Programma berging vliegtuigwrakken een berging uitvoeren.

Het informatiedossier geeft een overzicht van de relevante informatie, waaronder toelichting op de achtergrond, governance en financiering van het Nationaal Programma. Gelet op het karakter van het programma en het maatwerk bij iedere berging, is het informatiedossier niet uitputtend. De toelichting op de governance en financiering, maar ook de bijgevoegde voorbeelden, zijn indicatief en dienen als handreiking geraadpleegd te worden.

Van wie Het Nationaal Programma berging vliegtuigwrakken met nog vermiste vliegers uit de Tweede Wereldoorlog. Deelnemende organisaties: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) Ministerie van Defensie, Stafofficier Vliegtuigberging van het C ommando Luchtstrijdkrachten (SOVB) Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) Studiegroep Luchtoorlog 1939–1945 (SGLO) Platform Blindgangers (PB)

Contact Voor vragen over het voorliggend dossier kunnen gemeenten contact opnemen met de werkgroep. Gemeenten kunnen ook bij de werkgroep op aanvraag het bergingsdossier van de gemeente Lochem opvragen om als voorbeeld te raadplegen bij het opstellen van de eigen stukken. Dit dossier bevat onder meer (praktijk)voorbeelden van een projectplan en raadsbesluit. Ook wanneer men contact zou willen met gemeenten/gemeentelijke projectleiders met ervaring in het bergen van een vliegtuig vanuit het Nationaal Programma, kan men zich wenden tot de werkgroep.

Disclaimer Het informatiedossier betreft een ‘collegiale’ notitie en kent geen formele status. De inhoud is met grote zorgvuldigheid tot stand gekomen, maar het is evenwel niet geheel uitgesloten dat de informatie onjuistheden en/of onvolkomenheden bevat. Bij verwijzingen naar wet- en regelgeving is de tekst van die wet- en regelgeving leidend. Aan de inhoud van het informatiedossier kunnen geen rechten ontleend worden.

31 augustus 2021

Inhoudsopgave Het Nationaal Programma berging vliegtuigwrakken: Achtergrond, governance en financiering ......... 3 1. Achtergrond......................................................................................................................... 3 1.1

Inleiding .................................................................................................................... 3

1.2

Aanleiding .................................................................................................................. 3 Omgang met het ‘veldgraf’ versus de ‘zorgplicht’ ............................................................ 4

2. Governance ......................................................................................................................... 5 2.1

Scope Nationaal Programma ........................................................................................ 5

2.2

Samenstelling en verantwoordelijkheden werkgroep ....................................................... 5

2.3

Werkwijze en werkprogramma ..................................................................................... 6 Beslisbevoegdheid van de gemeente ............................................................................. 7

2.4

Stappenplan bergingsproces......................................................................................... 7

2.5

Procedure bestemming stoffelijke resten en informeren ambassades en nabestaanden....... 9 Informeren ambassades............................................................................................... 9 Bestemming stoffelijke resten....................................................................................... 9 C ontact nabestaanden ................................................................................................. 9

2.6

Maatschappelijke meerwaarde ...................................................................................... 9 Rol archeologie...........................................................................................................10

3. Financiering ........................................................................................................................10 3.1

Financiering Nationaal Programma ...............................................................................10 Bijdrage Gemeentefonds .............................................................................................10 Achtergrond: de Bommenregeling ................................................................................11 Richtlijnen voor financiering.........................................................................................11

4. C ommunicatie.....................................................................................................................12 4.1

Verantwoordelijkheden ...............................................................................................12

4.2

Voorbeeld communicatiemateriaal ...............................................................................13

Bijlage n 1 e n 2. Mo tie Twee de Ka mer en Kamer brief Na tio naal P rogra mma ..............................14 Bijlage 3. C irculaire Vliegtuigbergingen ......................................................................................20 Bijlage 4. Veel gestelde vragen .................................................................................................27

2

Het Nationaal Programma berging vliegtuigwrakken: Achtergrond, governance en financiering 1. Achtergrond 1.1

Inleiding

Gedurende de Tweede Wereldoorlog gingen ruim 5500 vliegtuigen in en rond Nederland verloren. Van een deel van deze toestellen liggen de restanten nog in de Nederlandse bodem of wateren. De Studiegroep Luchtoorlog 1939–1945 (SGLO) doet onder andere uitgebreid onderzoek naar deze vliegtuigcrashes tijdens de Tweede Wereldoorlog. Verondersteld wordt dat in ongeveer 400 van deze vliegtuigwrakken mogelijk nog stoffelijke resten van vermiste piloten en bemanningsleden aanwezig zijn. Van een groot deel van deze vliegtuigwrakken wordt na bureauonderzoek door de SGLO aangegeven dat een eventuele berging van het vliegtuigwrak als ‘niet-kansrijk’ moet worden beschouwd, omdat de kans zeer klein is dat daar nog stoffelijke resten van vermiste piloten en bemanningsleden worden aangetroffen. Naar de inzichten van de SGLO ligt het aantal vliegtuigwrakken waarin zich met enige mate van zekerheid nog stoffelijke resten van vermiste piloten en bemanningsleden bevinden tussen de 30 en 50, de zogenaamde ‘kansrijke bergingen’.

1.2

Aanleiding

Het bergen van vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog heeft de afgelopen jaren van de landelijke media en politiek veel aandacht gekregen. In november 2016 heeft de Nationale Ombudsman aan de toenmalige minister van BZK aandacht gevraagd voor het onderwerp omdat hij concludeerde dat er door gemeenten verschillend werd omgegaan met bergingsverzoeken en dat dit vanuit het burgerperspectief -van met name de nabestaanden en betrokken Nederlandse burgersonwenselijk zou zijn. Gezien de complexiteit en gevoeligheid die bij een berging komen kijken, verzocht de Nationale Ombudsman de minister BZK een meer centrale coördinatie hierop in overweging te nemen. Het ‘Nationaal Programma berging vliegtuigwrakken met nog vermiste vliegers uit de Tweede Wereldoorlog’ vindt echter vooral zijn basis in de documentaire ‘Liever dood dan vermist’ die in januari 2018 is uitgezonden op de Nederlandse televisie. De documentaire laat zien hoe er door het bergen van een vliegtuigwrak met nog stoffelijke resten van vermiste piloten en bemanningsleden die in de Tweede Wereldoorlog neerstortten recht wordt gedaan aan hun offer voor de vrijheid van Nederland en de wens van nabestaanden om hen een laatste rustplaats te geven.

De documentairemakers besteedden daarbij ook aandacht aan de vraag waarom vermiste piloten en bemanningsleden in de ene gemeente wel en in de andere gemeente niet geborgen worden, ingeleid door de vraag wie waar uiteindelijk over gaat: welke belangen spelen er mee in deze kwestie en wat is de verantwoordelijkheid van de gemeente of het Rijk. Naar aanleiding van deze uitzending hebben de Kamerleden Van der Graaf en Van der Molen in januari 2018 aan de ministers van BZK en van Defensie vragen gesteld die uiteindelijk hebben geleid tot een motie van de leden Van der Graaf, Van der Molen en Van Haga 1, waarin de regering wordt verzocht te komen tot een nationaal bergingsprogramma voor de circa 30 tot 50 vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog waarin zich mogelijk stoffelijke resten bevinden van vermiste piloten en bemanningsleden (bijlage 1). Deze motie is in juli 2018 met brede steun van de Tweede Kamer aangenomen. In oktober 2018 heeft de minister van BZK, mede namens de minister van Defensie, in een Kamerbrief 2 haar waardering voor het initiatief van de Kamerleden uitgesproken en toegezegd hier uitvoering aan te geven via de instelling van het Nationaal Programma berging vliegtuigwrakken met

1 2

Kamerstuk 32156-94. Kamerstuk 32156-96.

3

nog vermiste vliegers uit de Tweede Wereldoorlog (bijlage 2). Dit is de start geweest van het Nationaal Programma waar gemeenten en het Rijk sinds 2018 samen uitvoering aan geven.

Omgang met het ‘veldgraf’ versus de ‘zorgplicht’ In lijn met de verdragen binnen de C onventie van Geneve zijn geallieerde en Duitse strijdende partijen in de Tweede Wereldoorlog zowel tijdens als na de oorlog zorgvuldig omgegaan met gesneuvelden. Eventuele stoffelijke resten van gesneuvelde vliegers werden geborgen en (her)begraven op militaire begraafplaatsen of een lokale begraafplaats. Deze bergingen waren echter beperkt in omvang, vooral door de beschikbare technische hulpmiddelen in die tijd. In sommige gevallen aan geallieerde zijde werd aan de locatie van de crash in documenten gerefereerd als een ‘field grave’ (veldgraf). Het begrip ‘veldgraf’ is juridisch echter niet verder uitgewerkt en heeft daarmee geen formele status. In de afgelopen decennia is het beleid gegroeid deze veldgraven, waar zich mogelijk nog stoffelijke resten van vliegers zou kunnen bevatten, mede met het oog op de potentiële aanwezigheid van explosieven en gevaarlijke stoffen, zoveel mogelijk ongemoeid te laten. Dit is ook in lijn met de toepasselijke bepalingen van het internationaal humanitair recht zoals vermeld in de verdragen van Genève en het eerste aanvullende protocol. De gemeente heeft echter wel een aantal zorgplichten ten aanzien van het graf van gesneuvelden. Zo dient zij ervoor zorg te dragen dat een graf wordt ontzien en te allen tijde kan worden teruggevonden.

Ook is zij verplicht om zorgvuldig om te gaan met de stoffelijke resten van gesneuvelden op hun grondgebied. 3 De gemeente heeft daarnaast de zorgplicht om een verzoek van de autoriteiten van het land van herkomst van de (vermiste) gesneuvelden en/of hun nabestaanden om tot berging over te gaan in acht te nemen. Op dat snijvlak ontstaat de spanning tussen enerzijds het onberoerd laten van het oorlogsgraf en anderzijds de zorgplicht van de gemeente om op basis van overwegingen op grond van piëteit met de nabestaanden of openbare orde en veiligheid tot berging over te gaan. Daar komt bij dat volgens het beleid van het Verenigd Koninkrijk (i.v.m. geallieerde vermiste vliegers in Nederlandse bodem) dergelijke vliegtuigen worden beschouwd als oorlogsgraf en in beginsel onberoerd gelaten dienen te worden. In de circulaire vliegtuigbergingen staat daarover het volgende vermeld: “Indien de ambassade van een verdragsstaat, al dan niet als vertegenwoordiger van een nabestaande, de uitdrukkelijke wens kenbaar maakt tot herbegraven dan wel tot overbrenging van stoffelijke overschotten naar het land van herkomst, bestaat daarmee voor de Nederlandse overheid nog geen verdragsrechtelijke verplichting om tot berging over te gaan. Wel kan men, op grond van gevoerd beleid, spreken van een inspanningsverplichting.

Deze inspanningsverplichting richt zich op het meenemen van overwegingen van piëteit ten aanzien van zowel de gesneuvelden als nabestaanden in het totale afwegingsproces van het gemeentebestuur, waarbij ook overige betrokken belangen aan de orde komen, zoals dwingende redenen van openbare orde en veiligheid of het algemeen belang. Gelet op de strekking van de internationale verdragen, moet bedacht worden dat de grafrust en piëteitsoverwegingen ten aanzien van de overledenen van overwegend belang kunnen zijn bij het besluit het oorlogsgraf ongemoeid te laten.” 4 Zoals eerder genoemd, heeft dit in het verleden geleid tot wisselend beleid bij gemeenten, waarbij de ene gemeente wel en de andere gemeente niet over ging tot het bergen van een vliegtuigwrak waar mogelijk nog stoffelijke resten kunnen worden aangetroffen. Daarbij heeft het gebrek aan dekkende financiering vaak een doorslaggevende rol gehad in de overweging om het verzoek van nabestaanden niet te honoreren. Door de Tweede Kamer wordt grote waarde gehecht aan het bergen van de circa dertig wrakken in Nederlandse bodem waarin zich naar alle waarschijnlijkheid nog resten van vermiste bemanningsleden bevinden. Het Nationaal Programma heeft deze problematiek getracht te ondervangen door gemeenten bij het bergen van een vliegtuigwrak te ontzorgen met advies en middelen.

3

C irculaire vliegtuigbergingen, 4 .1. internationaal kader, 2 016. C irculaire vliegtuigbergingen, 4 .1. internationaal kader, 2 016. Voor meer informatie over het juridisch kader (internationale verdragen en nationale wetgeving) waartoe vliegtuigbergingen zich verhouden kan de Circulaire Vliegtuigbergingen in de bijlagen geraadpleegd worden. 4

4

2. Governance 2.1

Scope Nationaal Programma

Het Nationaal programma beperkt zich in scope tot het bergen van vliegtuigwrakken die onder de zogenaamde ‘kansrijke bergingen’ vallen, en waarbij dus op basis van historisch vooronderzoek en aanvullend onderzoek ter plaatse vastgesteld kan worden dat daar redelijkerwijs nog stoffelijke resten van vermiste piloten en bemanningsleden aangetroffen kunnen worden. Het gaat hierbij om circa 30 tot 50 vliegtuigwrakken in Nederlandse bodem. Het Nationaal Programma beperkt zich tot de daadwerkelijke berging en is erop gericht de gemeenten waarin deze vliegtuigwrakken zich bevinden in het bergingsproces met advies en middelen te ontzorgen.

2.2

Samenstelling en verantwoordelijkheden werkgroep

De berging van een vliegtuigwrak is een complexe operatie waarin verschillende betrokkenen in opeenvolging werkzaamheden nauwkeurig uitvoeren. Om dit proces te begeleiden heeft het ministerie van BZK in 2018 een werkgroep ingesteld. De werkgroep bestaat uit vertegenwoordigers van BZK, een vertegenwoordiger van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Stafofficier Vliegtuigberging van het C ommando Luchtstrijdkrachten (SOVB), een vertegenwoordiger van de Studiegroep Luchtoorlog 1939–1945 (SGLO) en een vertegenwoordiger van het Platform Blindgangers (PB). De werkgroep is actief sinds eind 2018 en heeft haar rol en verantwoordelijkheden in 2019 vastgelegd. Uitgangspunt in het Nationaal Programma is dat de SOVB verantwoordelijk is voor de daadwerkelijke uitvoering van een vliegtuigberging met ondersteuning van defensiediensten, zoals dat ook het geval is bij reguliere bergingen (zie onderaan deze paragraaf). De kaders voor het proces en de uitvoering uit de circulaire vliegtuigberging (bijlage 3) zijn daarbij geldend. Bergingen vanuit het Nationaal Programma wijken op drie punten af van reguliere bergingen: 1. 2. 3.

de aanleiding voor de berging (de minister van BZK verzoekt de gemeente in een specifiek geval tot berging over te gaan i.p.v. een direct verzoek van de gemeente zelf aan de SOVB); de communicatie richting de ambassade van het land van herkomst van het te bergen vliegtuigwrak (door BZK i.p.v. de gemeente); de financiële vergoeding van de berging uit de bommenregeling.

De werkgroep is verantwoordelijk voor de zorgvuldige uitvoering van de doelstellingen van het Nationaal Programma, in lijn met de Kamerbrief. De werkgroep geeft invulling aan deze verantwoordelijkheden op de volgende wijze: • Zij bereidt het werkprogramma en de voordracht van kansrijke bergingen aan de minister van BZK voor; • In een vroeg stadium voert zij een eerste informerend gesprek met de burgemeester van de betreffende gemeente . Hiermee wordt de gemeente in de gelegenheid gesteld om nader onderzoek uit te voeren over de crashlocatie, alvorens zij besluit om wel of niet de opdracht te geven om tot berging over te gaan; • Zij ondersteunt gemeenten in het gehele bergingsproces met advies, naast de uitvoering van de berging door de verschillende defensiediensten (BIDKL, EODD en Bergingsdienst); • Zij verstuurt de brieven aan de betreffende ambassades; • Zij monitort de voortgang van lopende bergingen en evalueert afgeronde bergingen; • Zij ziet toe op de evaluatie en monitoring van het Nationaal Programma met betrekking tot de middelen (de zogenaamde “bommenregeling”, zie onderdeel Financiering); • In verlengde van voorgaande, komt de werkgroep eens per kwartaal samen om de voortgang van lopende en voorgenomen bergingen gezamenlijk te bespreken; • Zij rapporteert jaarlijks aan de Tweede Kamer over de voortgang van het Nationaal Programma (via de circulaire van het

gemeentefonds). De daadwerkelijke uitvoering van een berging wordt onder primaire verantwoordelijkheid van de SOVB uitgevoerd door een team van Defensie. In dit team zijn de Bergingsdienst van het C ommando Luchtstrijdkrachten, de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD) en de Bergings- en Identificatiedienst van het C ommando Landstrijdkrachten (BIDKL) vertegenwoordigd. De identificatie 5

van eventuele gevonden stoffelijke resten zal worden uitgevoerd door de BIDKL. Het bergen van de wrakdelen en het verwijderen van gevaarlijke stoffen (zoals asbestresten) zal worden uitgevoerd door de Bergingsdienst (eventueel met hulp van een civiele aannemer). Het ruimen van conventionele explosieven wordt uitgevoerd door de EODD. Tevens adviseren de SOVB, BIDKL, de Bergingsdienst en de EODD aan de werkgroep aanvullend op het advies van de SGLO over de berging (zie volgende paragraaf). De BIDKL, de Bergingsdienst en EODD zijn formeel geen lid van de werkgroep. Daarnaast dient er voor de civieltechnische ondersteuning tijdens de berging (graafmachines, bouwhekken, keten, bronbemaling, et cetera) maar ook voor specifieke onderzoeken vooraf door de gemeente een aannemersbedrijf te worden gecontracteerd dat gecertificeerd is volgens het C ertificatieschema Opsporen Ontplofbare Oorlogsresten (C SOOO). In overleg met de SOVB zal hiertoe door de gemeente een uitvraag worden opgesteld. De gemeente ontvangt van de SOVB hiertoe een Leidraad Vliegtuigberging en eventueel voorbeelden van eerdere, vergelijkbare uitvragen.

2.3

Werkwijze en werkprogramma

De werkgroep geeft uitvoering aan het Nationaal Programma via een intern ‘werkprogramma’ waarin de potentiële kansrijke bergingen zijn opgenomen. De uitvoering van het programma is gefaseerd vormgegeven, waarbij wordt gewerkt met ‘batches’ met een horizon van één à twee jaar. Hiermee is de beheersbaarheid en uitvoerbaarheid gewaarborgd en kunnen de financiële implicaties goed gevolgd worden. Het streven is om per jaar circa drie vliegtuigwrakken te bergen, waarmee de totale looptijd van het Nationaal Programma naar verwachting 10 jaar is (op basis van tenminste 30 vliegtuigwrakken die als kansrijk aangemerkt kunnen worden). Voorafgaand aan een nieuwe batch wordt door de werkgroep bepaald welke vliegtuigwrakken in die periode in aanmerking komen om te worden geborgen. Het werkprogramma is ontworpen als een ‘voortschrijdend’ plan (met een horizon van één à twee jaar), wat inhoudt dat het programma niet voor de komende 10 jaar is vastgesteld, maar door de werkgroep in de loop der tijd wordt voortgezet, regelmatig wordt herzien en – indien nodig – bijgesteld. Van de circa 30 mogelijke kansrijke bergingen, maakt de SGLO op basis van historisch vooronderzoek, aangevuld met advies van de SOVB, de BIDKL, de Bergingsdienst en EODD, een selectie van de bergingen die het meest kansrijk worden geacht en legt deze voor opname in het werkprogramma voor aan de werkgroep.

Voor deze voorselectie maakt de SGLO gebruik van een toetsingskader met ‘criteria’, bestaande uit een aantal indicatoren die een belangrijke rol spelen bij de overweging van de werkgroep om het betreffende vliegtuigwrak op te nemen in het werkprogramma en de gemeente aan te schrijven. De criteria zijn indicatief van aard en niet limitatief. De unieke context van de berging in de betreffende gemeente wordt altijd in de overweging meegewogen. Ook kan het voortschrijdend inzicht door opgedane kennis en ervaring van de werkgroep met afgeronde bergingen een rol spelen, bijvoorbeeld bij inschatting van de complexiteit van de berging.

In ieder geval wordt in overweging meegenomen: • of er actieve nabestaande(n) zijn die verzoeken om te bergen, of nabestaande(n) bekend zijn, maar nog niet actief om de berging verzocht hebben; • of de gemeente actief verzoekt om te bergen; • of lokale eigenaar van de grond/betrokken burger(s) verzoeken om te bergen; • de ingeschatte complexiteit van een berging, dat wil zeggen de bijzonderheden op locatie en eventuele aanvullende contra-indicaties, bijvoorbeeld op basis van de resultaten van een bodemdetectie ter plaatse door de SOVB en EODD; • of er reeds (door amateur-bergers) stoffelijke resten zijn aangetroffen; • de mate van compleetheid van het historisch dossier; • de geschatte kosten van de berging in verhouding tot het beslag daarvan op de bommenregeling. Indien de werkgroep tot een gedragen besluit komt om een berging op te nemen in het werkprogramma (go/no-go moment), nodigt de voorzitter van de werkgroep de burgemeester van de betreffende gemeente uit voor een eerste oriënterend gesprek, waarin gezamenlijk wordt verkend wat er nodig is vanuit de gemeente en het Rijk om de berging in gang te zetten. Mogelijk voert de SOVB en de EODD voor fysieke validatie naar aanleiding van het gesprek en in overleg met de gemeente ter plaatse (nog) een bodemdetectie uit. 6

De werkgroep legt – nadat de gemeente het voornemen om over te gaan tot het bergen van het vliegtuigwrak kenbaar heeft gemaakt aan de werkgroep – de voordracht voor de berging(en) die als kansrijk worden gezien voor aan de minister van BZK. De minister van BZK neemt het besluit over welke kansrijke bergingen definitief worden opgenomen in het werkprogramma. Daaropvolgend zal de minister van BZK middels een brief aan de betreffende gemeente(n) vragen om het benodigde te doen om een berging uit het werkprogramma in gang te zetten. De werkgroepleden zullen op hun beurt de gemeenten ondersteunen met advies. Ook worden de betreffende ambassades door BZK op de hoogte gesteld van het voornemen om tot berging over te gaan.

Beslisbevoegdheid van de gemeente Ook bij de beoogde bergingen in het kader van het Nationaal Programma ligt de beslissingsbevoegdheid voor het al dan niet laten uitvoeren van een berging bij het gemeentebestuur. Hiermee is de vrijheid van gemeentebesturen om deze afweging te maken geborgd. Een belangrijk uitgangspunt is namelijk dat de gemeente bereid is een berging te laten uitvoeren. In of rond vliegtuigwrakken is praktisch altijd sprake van de (verdenking van) aanwezigheid van explosieven en schadelijke stoffen. Op dat moment is er ook sprake van een veiligheidskwestie. De Gemeentewet (Artikel 172, lid 1) bepaalt dat de handhaving van de openbare orde en veiligheid een primaire verantwoordelijkheid is van de burgemeester. De vliegtuigwrakken die nog stoffelijke resten bevatten gelden als graf. De burgemeester heeft bevoegdheden bij identificatie van begraven onbekenden, conform de wet op lijkbezorging. Derhalve is de bevoegdheid om te oordelen over het al dan niet bergen van een oorlogswrak bij burgemeester van de betreffende gemeente neergelegd. Bij de keuze van een gemeente om over te gaan tot berging zijn naast het waarborgen van de openbare orde en veiligheid, piëteit met de nabestaanden van de vermiste vliegers vaak zwaarwegend.

2.4

Stappenplan bergingsproces

Bijgaand overzicht geeft inzicht in het stapsgewijze proces van het bergen van een vliegtuigwrak in het kader van het Nationaal Programma en welke partijen in elk van deze fasen daarbij betrokken zijn. In de praktijk vinden een aantal te verrichten stappen gelijktijdig plaats. Tevens is elke berging uniek, waardoor de processtappen in de praktijk uiteraard kunnen afwijken van dit overzicht. Voortraject

Betrokkenen

Opstellen dossier

SGLO en SOVB, (BIDKL, Bergingsdienst, EODD)

Verkennend detectieonderzoek

SOVB en EODD (evt DDG) in overleg met gemeente

Voorstel opname toestel in werkpakket

De werkgroep, advisering door SOVB, SGLO (BIDKL en EODD).

Brief met verzoek aan gemeente door voorzitter Door voorzitter werkgroep werkgroep

Gesprek met gemeente (informatieverstrekking) Afgevaardigde(n) werkgroep en SOVB Nader onderzoek crashlocatie eigenaar, bestemmingsplan, kabel en leidingen, archeologische waarden, Natura 2000 etc. Indicatie tot voornemen kenbaar maken aan werkgroep Nationaal Programma Brief met verzoek aan gemeente door MinBZK

Gemeente

Gemeente (bgm/projectleider) Door BZK (brief kan worden beschouwd als ‘positief bergingsadvies’ aan de gemeente,

Besluit tot berging door Gemeente

tevens als goedkeuring voor vergoeding vanuit de bommenregeling) C ollege B&W

7

Gelden voor voorfinanciering op begroting Toestemming grondeigenaar

Projectleider gemeente; goedkeuring gemeenteraad (of college van B&W) Projectleider gemeente

Brief met verzoek tot berging aan C LSK/LC W

C ollege van B&W

Voorbereiding berging Opstellen historisch onderzoek voor gemeente

SOVB

Opstellen leidraad vliegtuigbergingen voor gemeente

SOVB

Opdracht geven tot aanvullende detectie, Milieukundig & Grond mechanisch onderzoek, etc.

Projectleider gemeente, met assistentie SOVB

Aanvullende detectie en milieukundig & grond mechanisch onderzoek

C SOOO gecertificeerd bedrijf

Opstellen uitvraag tbv contractering C SOOO gecertificeerd bedrijf

Projectleider gemeente, met assistentie SOVB Projectleider gemeente

Op de markt zetten uitvraag aan meerdere C SOOO gecertificeerde bedrijven Opstellen plan van aanpak en aanbieden aan gemeente

C SOOO gecertificeerd bedrijven

Beoordelen plannen van aanpak

Projectleider gemeente, met assistentie SOVB

C ontracteren C SOOO gecertificeerd bedrijf

Projectleider gemeente

Opstellen projectplan

C SOOO gecertificeerd bedrijf

Goedkeuren projectplan

Burgemeester gemeente/projectleider

Aanvragen eventueel benodigde vergunningen

Projectleider gemeente

Eventueel afsluiten verzekering (afhankelijk vermoeden aanwezigheid zware explosieven)

Projectleider gemeente

Opstellen communicatieplan

Projectleider gemeente

Specifiek informeren directe omwonenden

Projectleider gemeente

Voorbereidend overleg met alle betrokkenen bij de berging

SOVB en projectleider gemeente

Aanvragen en (bij berging) in werking stellen noodverordening bergingslocatie

Projectleider gemeente

Vooraf Informeren ambassade(s) betrokken land

MinBZK

Uitvoeren berging Uitvoeren projectplan/bergingsoperatie

Onder leiding van SOVB

Bijsturen projectplan

SOVB, C SOOO gecertificeerd bedrijf en projectleider gemeente Projectleider gemeente en SOVB

Uitvoeren communicatieplan Afloop en nazorg berging Identificatie eventueel aangetroffen stoffelijke

BIDKL

resten Bekend stellen identificatie en bestemming aangetroffen stoffelijke resten aan

Autoriteiten land van herkomst

nabestaanden Afhandeling geborgen vliegtuigdelen

SOVB

Afhandeling geborgen munitie en explosieven

EODD

Afronden projectplan (t/m schoon opleveren bergingslocatie) Aanvraag suppletie bij BZK

C SOOO gecertificeerd bedrijf

Declaratie van gemaakte kosten

MinBZK (‘bommenregeling’)

Raadsbesluit met factuur door gemeente

8

Evaluatie berging

SOVB en projectleider gemeente

Informeren eventuele nabestaanden en ambassade betrokken land

Gemeente

C ommunicatie afronden

Projectleider gemeente

2.5

Procedure bestemming stoffelijke resten en informeren ambassades en nabestaanden

Informeren ambassades Er wordt een onderscheid gemaakt tussen reguliere bergingen en bergingen vanuit het Nationaal Programma. In de circulaire vliegtuigbergingen, is bij reguliere bergingen aan het gemeentebestuur de taak toebedeeld om de ambassade van het land van herkomst te informeren over het bergen van een vliegtuigwrak. Omdat het ministerie van BZK uitvoering geeft aan het Nationaal Programma en de minister van BZK het werkprogramma vaststelt, is ervoor gekozen dat het ministerie van BZK de betreffende ambassades informeert over de bergingen die vanuit het Nationaal Programma worden ondernomen. Dit vervangt dus de communicatie vanuit de gemeente zoals bij reguliere bergingen is voorzien. De vliegtuigwrakken kunnen van alle nationaliteiten zijn, maar zullen feitelijk vooral van de Britse (C ommonwealth) Royal Air Force en de Duitse Luftwaffe zijn. De ambassades van Verenigd Koninkrijk en Duitsland, maar ook die van C anada en Tsjechië zijn in 2019 door de minister van BZK via een brief geïnformeerd over de instelling en uitvoering van de eerste zes bergingen vanuit het Nationaal Programma.

Bestemming stoffelijke resten Indien bij de berging stoffelijke resten worden aangetroffen, zal de vertegenwoordiger van de BIDKL de stoffelijke resten verzamelen en meenemen naar het laboratorium van de BIDKL in Soesterberg voor formele identificatie. De beslissing over de bestemming van de stoffelijke resten, ligt bij de bevoegde instanties van het land van herkomst van het vliegtuig en vermiste bemanningsleden. Het is in geval van een Brits vliegtuig niet gebruikelijk dat stoffelijke resten worden overgebracht naar Engeland, of in geval van de C anadese bemanningsleden, naar C anada. C ommunicatie met de officiële instanties in het buitenland en overdracht van de stoffelijke resten voor het herbegraven vindt ook door de BIDKL plaats.

Contact nabestaanden Bij een reguliere berging waarbij stoffelijke resten worden aangetroffen (en door de BIDKL worden geïdentificeerd) komt het contact met nabestaanden veelal pas na de berging tot stand. Eventuele nabestaanden worden in beginsel door de bevoegde instanties uit het land van herkomst geïnformeerd. In geval van het bergen van een vliegtuigwrak vanuit het Nationaal Programma kan er al sprake zijn van actief contact met de nabestaanden. Het gaat hier om kansrijke bergingen, waarbij het aantreffen van stoffelijke resten van vermiste bemanningsleden aannemelijk is, en waarbij de nabestaanden veelal in het voortraject al zijn benaderd of hun wens zelfs prominent is meegenomen in de overwegingen. In beginsel zijn de betrokken gemeenten daarom verantwoordelijk voor het contact met de nabestaanden in aanloop naar en tijdens de uitvoering van de berging. In de meeste gevallen zullen leden van de SGLO hierbij assisteren omdat zij vaak al in contact zijn met de nabestaanden. Hierbij geldt nadrukkelijk dat elke berging uniek is en maatwerk vereist. De vertegenwoordiger van de SGLO in de werkgroep adviseert waar nodig.

2.6

Maatschappelijke meerwaarde

Het programma beperkt zich (m.b.t. middelen en advies) tot de daadwerkelijke berging van vliegtuigwrakken en eventueel stoffelijke resten van bemanningsleden. De werkgroep van het Nationaal Programma ziet echter dat de vliegtuigbergingen breder maatschappelijke impact generen en dat gemeenten een dergelijke bergingsoperatie ook als kans benutten om het lokale of regionale verhaal over de luchtoorlog te documenteren. Het blijkt dat deze bergingen uitermate geschikt zijn om het verhaal van de oorlog aan jongeren door te geven en te verbinden aan actuele thematiek. Op 9

verschillende wijzen geven gemeenten met de bergingen het lokale regionale verhaal een eigenstandige plek in de Nederlandse geschiedenis. Daarbij wordt door gemeenten ook de verbinding gelegd met educatieve doeleinden, waarbij er in de context van de berging activiteiten worden ontplooid voor de jeugd of waarbij de jeugd actief betrokken wordt bij het creëren van het verhaal. De komende tijd zullen het ministerie van BZK en de werkgroep (bijvoorbeeld in samenwerking met andere departementen) onderzoeken op welke wijze het Nationaal Programma van meer maatschappelijke impact kan worden voorzien door de bergingen te verbindingen met het bredere herdenkingslandschap, de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, (cultureel) erfgoed en documentatie en mogelijkheden te onderzoeken voor aansluiting bij de jeugdige generatie.

Rol archeologie De gemeente is bij een vliegtuigberging de opdrachtgever. Regels voor archeologische vondsten, terreinen en opgravingen zijn vastgelegd in de Erfgoedwet en gekoppeld aan het proces van ruimtelijke ordening (straks de Omgevingswet). Vanuit de Erfgoedwet zal de gemeente in het kader van de vergunningverlening een besluit moeten nemen over in welke mate archeologisch onderzoek nodig of wenselijk is. Of in het plangebied archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd staat aangegeven in het bestemmingsplan. Als achtergrondinformatie kan worden gekeken op de archeologische beleidskaart, waarover de meeste gemeenten beschikken. Hiertoe kan een gemeente advies inwinnen van een (gemeentelijk) archeoloog. Het betrekken van archeologische deskundigheid en organisaties kan bijdragen aan de gewenste grotere aandacht voor het beheer, behoud, onderzoeken en aan een breed publiek tonen, van erfgoed en archeologie uit de Tweede Wereldoorlog. De kosten van archeologisch onderzoek worden niet gedekt vanuit het Nationaal Programma (zie paragraaf Richtlijnen voor financiering).

3. Financiering 3.1

Financiering Nationaal Programma

Bijdrage Gemeentefonds Binnen het Nationaal Programma wordt, zoals onder 2.3 toegelicht, op advies van de werkgroep een werkprogramma vastgesteld door de minister van BZK. De betreffende gemeente wordt door de minister van BZK per brief gevraagd om samen uitvoering te geven aan een berging. De beslissingsbevoegdheid voor het al dan niet ingang zetten en laten uitvoeren van een berging uit het Nationaal Programma blijft te allen tijde berusten bij het gemeentebestuur. Als een specifieke berging eenmaal door de minister van BZK is toegewezen aan het werkprogramma kan de betreffende gemeente een beroep doen op een “100%” bijdrage via de zogenaamde “bommenregeling” in het gemeentefonds (zie hiervoor paragraaf Bommenregeling). Deze bijdrage wordt achteraf uitgekeerd via het gemeentefonds, daardoor is er dus sprake van voorfinanciering door de betreffende gemeente. Om voor de bijdrage in aanmerking te komen dient de gemeente bij het ministerie van BZK een raadsbesluit in waarin de gemaakte kosten zijn opgenomen. Op die manier stelt de gemeenteraad de gemaakte kosten vast en ontstaat duidelijkheid over het bedrag dat de gemeenteraad voor vergoeding in aanmerking wil laten komen. Het raadsbesluit dient te voldoen aan de eisen die aan doelmatigheid en rechtmatigheid worden gesteld. Desgewenst kan op aanvraag een voorbeeld worden aangereikt.

Voorafgaand aan een berging kan de gemeente een voorlopige begroting voor advies voorleggen aan de werkgroep. Hiermee kan in de eerste plaats vooraf meer duidelijkheid worden verkregen in de opgevoerde kosten in relatie tot andere bergingen die hebben plaatsgevonden en kan gezamenlijk worden nagedacht over de maataanpak die een gemeente voorogen heeft. Het wordt aanbevolen om ook tussentijds contact te houden over de kosten met de werkgroep. 10

De verrekeningen vindt plaats nadat een bergingsproject is afgerond en het Ministerie van BZK een bijbehorende raadsbesluit heeft ontvangen. Het raadsbesluit kan op dezelfde manier worden gedaan als voor de reguliere raadsbesluiten suppletie C E. Een door de raad geaccordeerd besluit voor de berging, naast een mogelijk raadsbesluit voor suppletie C E, moet voor 1 april zijn ingediend zodat de vergoeding kan meelopen in de meicirculaire, bij voorkeur per e-mail via regelingen@minbzk.nl en een afschrift naar postbus.gf@minbzk.nl. De bergingen worden gefaseerd uitgevoerd, waardoor de financiële implicaties (en het beslag op de bommenregeling) goed te volgen zijn. De geraamde kosten voor het bergen van een vliegtuigwrak wordt geschat op gemiddeld € 0,5 miljoen. Dit betreft een richtbedrag voor een gemiddelde berging, waarin de kosten voor de inzet van de verschillende Defensieonderdelen (de SOVB, EODD en BIDKL) niet meegerekend wordt. Deze komen voor rekening van het Rijk. Zoals hierboven aangegeven, blijft maatwerk bij het opstellen van de geraamde kosten het uitgangspunt.

Achtergrond: de Bommenregeling Vanaf 2010 kunnen gemeenten via het Gemeentefonds op grond van de Bommenregeling een bijdrage ontvangen voor de kosten rond het opsporen en ruimen van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Een jaarlijkse toevoeging van circa € 27 mln. aan het gemeentefonds ondersteunt de gemeenten in het ruimen van deze explosieven. In de mei- en septembercirculaire 2014 van het gemeentefonds wordt hier nader op in gegaan. De mogelijkheid voor het ontvangen van een bijdrage voor het ruimen van conventionele explosieven, via een suppletie-uitkering, beperkt zich tot de werkelijk gemaakte kosten. De kosten zijn exclusief BTW. Voor de voorgestelde kansrijke bergingen, die onderdeel uit maken van het Nationaal Programma, ontvangen de betreffende gemeenten via de bovengenoemde regeling een bijdrage van 100% om gemaakte kosten af te dekken. De mogelijkheid voor het ontvangen van een bijdrage beperkt zich hier ook tot de werkelijk gemaakte kosten van de daadwerkelijke berging van vliegtuigwrakken en de kosten zijn exclusief BTW. Zie hieronder de paragraaf Richtlijnen voor financiering.

Richtlijnen voor financiering Aangezien het bergen van vliegtuigwrakken een activiteit is die binnen de gemeente niet vaak voorkomt, volgt hieronder ter ondersteuning van gemeenten een aantal richtlijnen voor de kosten die onder het Nationaal Programma voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Deze kunnen gebruikt worden bij het opstellen van de begroting en het raadsbesluit door de betreffende gemeente. NB Vanwege de unieke situatie in elke gemeente en de noodzakelijke maatwerkaanpak, kan er door de werkgroep geen uitputtende lijst met te vergoeden kosten worden opgesteld. De onderstaande opsomming is dus niet limitatief. Ook kunnen er geen rechten aan ontleend worden. 1.

Het Nationaal Programma beperkt zich tot de kosten van de daadwerkelijke berging van vliegtuigwrakken en mogelijk de stoffelijke resten van vermiste bemanningsleden. Aan gemeenten wordt gevraagd ten alle tijden direct betrokken te zijn bij de uitvoering en coördinatie van het bergingsproject, van volledige uitbesteding kan nimmer sprake zijn. De volgende indicatie is afgeleid uit de ervaring opgedaan met inmiddels geruimde vliegtuigwrakken: − gemeentelijke projectleiding; − contracteren C SOOO gecertificeerd bedrijf; − kosten van opsporingswerkzaamheden, preventieve maatregelen ter voorkoming van schade (waaronder kosten in verband met detectie, opsporing en benadering van het vliegtuigwrak); − milieutechnisch en grond mechanisch onderzoek (waaronder eventuele KLIC -melding); − bouwkundige vooropname belendende percelen (waaronder nulmeting bij eventuele omwonenden in verband met eventuele schade); − externe vergunningen; − kosten gepaard gaand met het gebruik van de grond waarin het wrak zich bevindt (waaronder de kosten van taxatie en vergoeding van inkomstenderving of verlies aan derden); − uitvoering van de berging conform plan van aanpak; 11

− − − −

verkeersregelaars (indien nodig); beveiliging van locatie tijdens en buiten werktijden; receptie bij eventuele begrafenis gevonden oorlogsslachtoffers; een eenmalige bezoekersdag, proportioneel in omvang. De inzet van gemeentepersoneel mag daarbij wel berekend worden. De kosten voor een bezoekersdag bedragen ca. 12.500 euro.

2.

De kosten van aspecten buiten de daadwerkelijke berging vallen als regel niet onder een bijdrage vanuit het Nationaal Programma. Dit betreft: a. historisch vooronderzoek, dit wordt uitgevoerd door Defensie; b. betrekken archeologische deskundigheid en archeologisch onderzoek; c. communicatie en extra activiteiten over historische waarde en voorlichting aan burgers, zoals het uitgeven van een boek, educatief programma en/of het maken van een film; d. oprichting van een monument (wel kunnen wrakdelen hiervoor ter beschikking worden gesteld door de SOVB); e. reis- en verblijfkosten van nabestaanden.

3.

Het herbegraven van eventuele gevonden oorlogsslachtoffer(s) en de kosten die hieruit voortvloeien, worden betaald door het land van herkomst.

4.

De activiteiten van ander gemeentepersoneel anders dan het projectmanagement, vallen niet onder een bijdrage vanuit het Nationaal Programma. Deze behoren tot de reguliere inzet van de gemeente.

5.

Indien een kansrijke berging van een vliegtuigwrak het gevolg is van voorbereidingen op of het uitvoeren van ontwikkelingsprojecten of infrastructurele projecten binnen een gemeente dan zal er vooraf met de werkgroep overleg noodzakelijk zijn. Er zal dan inzichtelijk gemaakt moeten worden welke kosten toch al aan de orde zijn geweest, zonder dat er sprake was van het Nationaal Programma.

6.

Wanneer er vooraf grote milieutechnische aanpassingen nodig zijn in het gebied waarin de berging wordt uitgevoerd dan is vooraf overleg eveneens noodzakelijk.

4. Communicatie De ervaring leert dat vliegtuigbergingen altijd op belangstelling van de media kunnen rekenen. Het betreft veelal lokale en regionale pers, zowel kranten als radio en/of TV. In sommige gevallen is ook enige nationale en zelfs internationale pers geïnteresseerd.

4.1

Verantwoordelijkheden

De (communicatieafdeling van de) betreffende gemeente coördineert de externe communicatie gedurende het gehele bergingsproces. Het SOVB en de communicatieafdelingen van de ministeries van Defensie en BZK zullen steeds meegenomen worden door de gemeente in de communicatieactiviteiten. Op deze wijze kan er zorg voor worden gedragen dat de inhoud en het moment van uitgaan van persberichten op elkaar zijn afgestemd. Ook kan de communicatie van de verschillende partijen elkaar versterken, pnder andere op social media of met een eventueel werkbezoek van een minister. Bij vragen of voor reflectie kan er altijd contact opgenomen worden met de communicatieafdelingen van de ondersteunende ministeries van BZK en Defensie. De te onderscheiden communicatie-momenten die steeds afgestemd zullen worden: − De communicatie over de aankondiging van de berging; − De communicatie over het proces van de berging; 12

− − − −

4.2

De communicatie tijdens de berging; De communicatie na de berging over het al dan niet vinden van stoffelijke resten; De communicatie over de identificatie van de stoffelijke resten; De communicatie over het herbegraven van de stoffelijke resten.

Voorbeeld communicatiemateriaal

Ter ondersteuning is een alinea opgesteld over het Nationaal Programma die gebruikt kan worden in onder andere de persberichten. Nationaal Programma berging vliegtuigwrakken Deze berging maakt deel uit van het Nationaal Programma berging vliegtuigwrakken. Gemeente X is opdrachtgever. De berging wordt uitgevoerd door het ministerie van Defensie met assistentie van een gespecialiseerd aannemersbedrijf. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) en de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG) ondersteunen de gemeente bij de berging met geld en advies.

13

Bijlagen 1 en 2. Motie Tweede Kamer en Kamerbrief Nationaal Programma

Tweede Kamer der Staten-Generaal

2

Vergaderjaar 2017–2018

32 156

Monumentenzorg

Nr . 94GEWIJZ IG DE MOTIE VAN HET LID VAN DER GRAAF C.S. TER VERVA NGIN G VAN DIE GEDRUKT ONDE R NR. 93 Voorgesteld 5 juli 2018 De Kamer, gehoord de beraadslaging, constater ende dat de inzichten van de Studiegroep Luchtoorlog 1939–1945 erop w ijzen dat er zich in Nederland en zijn territoriale w ateren 30–50 vliegtuigw rakk en uit de Tw eede Wereldoor log bevinden w aarin zich mogelijk stoffelijke resten bevinden van vermiste piloten en bemannings- leden; overw egende dat in 2020 75 jaar bevrijding zal w orden gevierd en dat voor deze bevrijding een hevige strijd is gelever d, voorts overw egende dat het een erezaak is om vermiste piloten en bemannings leden de laatste eer te bew ijzen en recht te doen aan de w ens van nabestaanden om hen te kunnen identific er en en te begraven; verzoekt de regering, in overleg met Vereniging Nederlands e Gemeenten, de Stafdienst Vliegtuigber ging en de Studiegr oep Luchtoor log 1939–1945 te komen tot een nationaal bergings pr ogr amma, verzoekt de regering, de bijdrage in de kosten aan gemeenten voor de berging van deze 30–50 vliegtuigw rak ken voortaan volledig aan te vullen vanuit het gemeentefonds , w aarin voor de berging van vliegtuigw rakken nu al een reservering is opgenomen; verzoekt de regering, de Kamer voor de begrotings behandeling BZK te informer en over de nadere uitw erking, en gaat over tot de orde van de dag.

Van der Graaf Van der Molen Van Haga

kst-32156-94 ISSN 0921 - 7371 ’s-Gravenhage 2018

Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 32 156, nr. 9

14

> Retouradres Postbus 20011 2500 EA 's Gravenhage

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018

Directoraat-generaal Bestuur, Ruimte en Wonen Directie Bestuur, Financiën en

2500 EA Den Haag

Regio’s Ministerie van Binnenlands e Zaken en Koninkrijksrelatie s Turfmarkt 147 Postbus 20011 2500 EA Den Haag www.rijksoverheid.nl Kenmerk 2018-0000820816

Datum

16 oktober 2018

Betreft

Nationaal programma berging vliegtuigwrakken met nog vermiste vliegers uit de Tweede Wereldoorlog

Bijlage Advies afwegingskader en kenniscentrum conventionele explosieven

Met deze brief informeer ik u, mede namens de minister van Defensie, over de instelling van een nationaal programma berging vliegtuigwrakken met nog vermiste vliegers uit de Tweede Wereldoorlog. In deze brief zet ik uiteen op welke manier het programma wordt vormgegeven. Dit naar aanleiding van de motie Van der Graaf (Kamerstuk 32156-94). De motie verzoekt de regering te komen tot een nationaal bergingsprogramma voor circa 30 tot 50 vliegtuigwrakken uit de Tweede Wereldoorlog waarin zich mogelijk stoffelijke resten bevinden van vermiste piloten en bemanningsleden. Daarnaast maak ik van de gelegenheid gebruik u te informeren over de stand van zaken omtrent de mogelijke oprichting van een kenniscentrum op het terrein van opsporing van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Achtergrond Gedurende de Tweede Wereldoorlog gingen ruim 5500 vliegtuigen in Nederland verloren. Van een groot deel hiervan liggen nog restanten in de Nederlandse bodem. In ongeveer 400 vliegtuigwrakken zijn waarschijnlijk nog stoffelijke resten van bemanningsleden aanwezig. De Studiegroep Luchtoorlog 1939 – 1945 (SGLO) doet onder andere uitgebreid onderzoek naar deze vliegtuigcrashes in de Tweede Wereldoorlog. Van een groot deel van de vliegtuigwrakken wordt na analyse door de SGLO aangegeven dat een eventuele berging van de vermisten als niet-kansrijk moet worden beschouwd.

Recent onderzoek toont aan dat het aantal locaties waar met enige mate van zekerheid stoffelijke resten van vermiste bemanningsleden kunnen worden aangetroffen beperkt is. Naar de inzichten van de SGLO is dit aantal circa 30 tot 50, de zogenaamde ‘kansrijke bergingen’.1 Het kabinet waardeert het initiatief van de Kamerleden Van der Graaf, Van der Molen en Van Haga - indieners van de motie - en de brede steun vanuit de Tweede Kamer. Via het nationaal programma berging vliegtuigwrakken met nog vermiste vliegers uit de Tweede Wereldoorlog (hierna: programma) wil ik hier graag uitvoering aan geven. In de eerste plaats om recht te doen aan de wens van nabestaanden van omgekomen bemanningsleden. Daarnaast is het een betekenisvol gebaar met het oog op de viering van 75 jaar bevrijding in 2020. Voor he t overige blijve n bergingen onder de huidige re gelgeving, zoals vastgelegd in de circulaire vliegtuigberging (Staatscourant 2016, 54987), vallen. 1

15

Werkgroep De berging van een vliegtuigwrak is een complexe operatie waarin verschillende betrokkenen in opeenvolging werkzaamheden nauwkeurig uitvoeren. De beslissingsbevoegdheid voor het al dan niet laten uitvoeren van een berging uit het programma blijft berusten bij het gemeentebestuur. Het programma is erop gericht de gemeenten waarin de circa 30 tot 50 vliegtuigwrakken zich bevinden met advies en middelen te ontzorgen. Om dit proces te begeleiden stelt BZK een werkgroep in. De werkgroep bestaat uit een vertegenwoordiger van BZK, een vertegenwoordiger van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de Stafofficier Vliegtuigberging van het C ommando Luchtstrijdkrachten (SOVB), een vertegenwoordiger van de SGLO en een vertegenwoordiger van het Platform Blindgangers (PB). De werkgroep adviseert de minister van BZK over de bergingen die als ‘kansrijk’ worden gezien, waarbij historisch vooronderzoek door de SGLO en soms ook al beperkt veldonderzoek is verricht. De minister van BZK neemt een besluit over welke kansrijke bergingen worden opgenomen in het werkprogramma. Daaropvolgend zal de minister van BZK aan de betreffende gemeenten vragen om het benodigde te doen om een berging uit het werkprogramma in gang te zetten en te ondersteunen. De werkgroepleden zullen op hun beurt de gemeenten ondersteunen met advies.

Eveneens worden de gemeenten financieel ondersteund en staan de bergingsdiensten van Defensie tot hun beschikking. Werkprogramma Een werkprogramma waarin een aantal kansrijke bergingen zijn opgenomen wordt gefaseerd uitgevoerd. Het wordt als een ‘voortschrijdend plan’ gezien - dat wil zeggen een werkprogramma dat wordt ontworpen om in de loop van de tijd te worden voortgezet en dat regelmatig wordt herzien en bijgewerkt - waarbij een horizon van twee jaar wordt gehanteerd. Hiermee is de beheersbaarheid gewaarborgd en zijn ook de financiële implicaties goed te volgen. BZK draagt zorg voor het halfjaarlijks laten samenkomen van de werkgroep zodat de voortgang van het programma en lopende zaken kunnen worden besproken. Daarnaast beschouwen BZK en de VNG de financiële aspecten van het werkprogramma (bijvoorbeeld door het maken van kostenramingen). Gemeenten Aan de gemeenten die het betreft wordt gevraagd het benodigde te doen om een berging uit het werkprogramma in gang te zetten en te ondersteunen. Gemeenten moeten immers diverse activiteiten ontplooien om een berging mogelijk te maken. Zij zullen in de eerste plaats veelal in overleg moeten treden met grondeigenaren waar een vliegtuigwrak zich bevindt. Ook moeten gemeenten in het kader van de vergunningverlening een besluit nemen over in welke mate archeologisch onderzoek nodig of wenselijk is.

Hiertoe kunnen gemeenten advies inwinnen van een (gemeentelijk) archeoloog. Het betrekken van archeologische deskundigheid en organisaties kan bijdragen aan de door uw Kamer gewenste grotere aandacht voor het beheer, behoud, onderzoeken en aan een breed 16

publiek tonen van erfgoed en archeologie uit de Tweede Wereldoorlog (motie Beckerman c.s.).2 De gemeente zal in overleg met de werkgroep uiteindelijk de SOVB verzoeken om tot de daadwerkelijke berging over te gaan. Voor de coördinatie van de uitvoering is immers de SOVB eindverantwoordelijk. Gezamenlijk dragen gemeenten en het Rijk zo bij aan de uitvoering van een programma. Een belangrijke voorwaarde is dat gemeenten bereid zijn een berging te laten uitvoeren. Wanneer een gemeente besluit om een kansrijk vliegtuigwrak niet te laten bergen zal BZK, en waar nodig met andere werkgroepleden, hierover met de betreffende gemeente in gesprek gaan. Uitvoering Om de zorgvuldigheid van bergingen te waarborgen en invulling te geven aan de toepasselijke bepalingen van internationaal humanitair recht zal de daadwerkelijke berging van wrakken onder verantwoordelijkheid van de SOVB worden uitgevoerd. De identificatie van eventuele gevonden stoffelijke resten zal worden uitgevoerd door de Bergings- en Identificatiedienst van het C ommando Landstrijdkrachten (BIDKL) en het ruimen van conventionele explosieven wordt uitgevoerd door de Explosieven Opruimingsdienst Defensie van het C ommando Landstrijdkrachten (EODD).

Omdat de bergingen, conform de geldende regelgeving, onder leiding van de SOVB worden uitgevoerd en diens capaciteit en die van de BIDKL en de EODD niet exclusief voor het programma wordt ingezet en niet onbegrensd is, zullen de bergingen gefaseerd worden uitgevoerd. Jaarlijks wordt dit vastgelegd als onderdeel van de periodieke herziening van het werkprogramma. Gemeenten worden in de uitvoering door de werkgroep en in samenwerking met het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Defensie ondersteund om indien nodig de ambassade van het land van herkomst van het vliegtuigwrak op de hoogte te stellen van een verzoek tot het bergen van een vliegtuigwrak en het opgraven van stoffelijke resten. Indien zich in het wrak stoffelijke resten bevinden van personen met een andere nationaliteit dan die van het land van herkomst van het vliegtuigwrak, dan zal ook met dit land contact gezocht worden. Financiering en inzet van middelen Gemeenten en Rijk dragen gezamenlijk financieel bij aan de uitvoering van een programma. De berging van een vliegtuigwrak kost een gemeente gemiddeld € 0,5 mln. (excl. de kosten van de SOVB, de EODD en de BIDKL, die in de regel voor rekening van het Rijk zijn). In of rond wrakken is praktisch altijd sprake van de (verdenking van) aanwezigheid van explosieven.

Zoals opgenomen in de septembercirculaire gemeentefonds 2014 en de circulaire vliegtuigberging kunnen gemeenten een bijdrage van 70% ontvangen voor het opsporen (en zo nodig ruimen) van explosieven via de bestaande ‘bommenregeling’ in het 2

Twe e de Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 32820, nr. 264.

17

gemeentefonds. Voor de voorgestelde kansrijke bergingen in het programma ontvangen de betreffende gemeenten een bijdrage van 100% via deze regeling in het gemeentefonds. De totale kosten, uitgaande van 30 vliegtuigwrakken, bedragen circa € 15 mln. over de looptijd van het programma (als onderdeel hiervan bedragen de kosten bovenop de reeds beschikbare 70% circa € 4,5 mln.). De bergingen worden gefaseerd uitgevoerd, waardoor de financiële implicaties goed zijn te volgen. Wanneer het beroep op de regeling door dit programma daartoe aanleiding geeft, treden BZK en de VNG hierover in gesprek. Monitoring De werkgroep monitort de voortgang van het programma. BZK informeert de Tweede Kamer jaarlijks over de voortgang van het programma via de circulaire van het gemeentefonds. Mocht gedurende het programma blijken dat het aantal kansrijke bergingen te hoog is ingeschat of de beoogde resultaten uitblijven, zal de werkgroep op dat moment het programma evalueren. Hierover zal de Tweede Kamer door BZK worden geïnformeerd. Wanneer zich daarna in de toekomst onverwacht een nieuwe kansrijke berging aandient zal BZK hierover met alle partijen in gesprek treden. Afbakening Het programma beperkt zich tot de daadwerkelijke berging van vliegtuigwrakken en mogelijk de stoffelijke resten van vermiste bemanningsleden.

Alle overige aspecten (zoals het betrekken van archeologische deskundigheid of het oprichten van een monument) en de daaruit volgende kosten vallen niet onder een bijdrage vanuit het programma. Nabestaanden worden rond de berging in principe begeleid door de gemeente. In de meeste gevallen zullen leden van de SGLO hierbij assisteren omdat zij vaak al contact hebben met deze nabestaanden. Indien er door gemeenten of nabestaanden de vraag wordt gesteld of een vliegtuigwrak dat niet in het programma is opgenomen, alsnog kan worden opgenomen, zal een verzoek daartoe in de werkgroep worden besproken. De SOVB en SGLO zullen in dat geval een advies voor de werkgroep opstellen en na besluitvorming worden de verzoekers schriftelijk door BZK geïnformeerd over de uitkomst. Kenniscentrum Conventionele Explosieven Ik maak van de gelegenheid gebruik u te informeren over de voortgang van de mogelijke oprichting van een kenniscentrum op het terrein van opsporing van conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Aanleiding is het advies van een brede ambtelijke werkgroep, dat als bijlage bij deze brief is gevoegd. Het advies concludeert dat het gemeenten ontbreekt aan kennis op genoemd terrein. Er is een sterke behoefte aan eenduidig beleid en duidelijke richtlijnen waar gemeenten zich aan vast kunnen houden op het moment dat zij met conventionele explosieven te maken krijgen.

In het advies wordt ingegaan op aspecten als opdrachtverstrekking, scope, bevoegdheden en verantwoordelijkheden, kosten en financiering van het kenniscentrum. De werkgroep adviseert onder meer om het kenniscentrum een onderzoekprogramma op te laten stellen. Ik ben van mening dat het advies een werkbaar kader biedt om verdere invulling te geven aan de wens van gemeenten. 18

Daarom heb ik vanuit de coördinerende rol van BZK naar aanleiding van het advies aan Rijkswaterstaat om een offerte gevraagd voor de oprichting van een kenniscentrum. Rijkswaterstaat heeft de afgelopen tijd gesprekken gevoerd en bijeenkomsten belegd om de wensen en behoeften verder aan te scherpen. Ik verwacht de offerte dit najaar te ontvangen, waarna ik in afstemming met betrokken partijen zal besluiten over de daadwerkelijke oprichting van een kenniscentrum. Eén van de beoogde taken van het kenniscentrum is het ontwikkelen van een afwegingskader dat gemeenten helpt bij het nemen van een beslissing over het al dan niet opsporen en ruimen van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog, waarin zij vanuit het oogpunt van openbare orde en veiligheid een verantwoordelijkheid hebben. Eerder3 heb ik gemeld dat in het afwegingskader ook aandacht zou worden geschonken aan de beslissing van gemeenten over de berging van een vliegtuigwrak uit de Tweede Wereldoorlog. Door het hierboven genoemde programma is deze toezegging ingehaald door de actualiteit. Ik verwacht dat gemeenten via het programma bij de beslissing over het bergen van een vliegtuigwrak in voldoende mate zullen worden ondersteund.

Tot In deze brief heb ik u geschetst hoe invulling wordt gegeven aan een nationaal programma berging vliegtuigwrakken met nog vermiste vliegers uit de Tweede Wereldoorlog en heb ik u geïnformeerd over de voortgang van de mogelijke oprichting van een kenniscentrum op het terrein van opsporing van conventionele explosieven. Komende jaren geven gemeenten en het Rijk hieraan samen uitvoering. In het bijzonder om recht te doen aan de nabestaanden van omgekomen bemanningsleden tijdens de Tweede Wereldoorlog en in het besef dat we met elkaar in vrede en veiligheid mogen leven. Hierbij kijken we uit naar de viering van 75 jaar bevrijding in Nederland.

Hoogachtend, De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

drs. K.H. Ollongren

3

Twe e de Kamer, vergaderjaar 2017-2018, 32156, nr. 92.

19

Bijlage 3. Circulaire Vliegtuigbergingen Circulaire Vliegtuigberging Geldend van 19-10-2016 t/m heden Circulaire Vliegtuigberging 1. Inleiding

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=6ab736be-052e-4c86-9126-28a09b8c0c35