CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 2 - Welstandsnota Noardeast Fryslan 2022 (gemarkeerd)

It Beslút 1 december 2022, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Vaststellen gerepareerde welstandsnota en beeldkwaliteitsplan uitbreiding bedrijventerrein Betterwird25.203 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Welstandsnota Noardeast-Fryslân 4 november 2020 1 december 2022

Welstandsnota Noardeast-Fryslân Vastgesteld door de raad van de gemeente Noardeast-Fryslân d.d. 16 december 2020 1 december 2022

Opgesteld door:

3

4

I n h oud so pg av e 1.

2.

3.

4.

5.

6.

Inleiding 1.1 Vooraf 1.2 Waarvoor dient de welstandsnota? 1.3 Hoe verhoudt deze nota zich tot ander beleid? 1.4 Wanneer is welstandstoetsing noodzakelijk? 1.5 Welke criteria zijn in de nota opgenomen? 1.6 Kan worden afgeweken van de welstandscriteria? 1.7 Wanneer kunnen B&W afwijken van het advies van de welstandscommissie? 1.8 Wat gebeurt er als een bouwwerk afwijkt van zijn omgeving? 1.9 Waaruit bestaat een vergunningaanvraag?

7 7 7 7 8 9 9 9 9

Algemene criteria 2.1 Waarom algemene welstandscriteria?

11

Criteria voor kleine bouwplannen 3.1 Wanneer worden deze criteria toegepast? 3.2 Hoe zijn de criteria opgebouwd? 3.3 Hoe vindt de welstandstoetsing plaats?

15 15 15

Gebiedsgerichte welstandscriteria 4.1 Toelichting 4.2 Gebiedsindeling 4.3 Beoordelingskader

21 21 22

Objectgerichte welstandscriteria 5.1 Toelichting 5.2 Objectindeling

51 51

(her-) Ontwikkelingsprojecten 6.1 Toelichting

93

5

7.

Excessenregeling 7.1 Wat is de excessenregeling? 7.2 Wat zijn excessen? Bijlagen Bijlage 1: Welstandsbeleidskaart Bijlage 2: Stalen dakplaten op het boerenerf Bijlage 3: Lijst met karakteristieke panden Bijlage 4: Begrippenlijst

Verwijzingen naar bestaande vastgestelde stukken: 1.

Witte welstandsgebieden AJ1 t/m TN2: AJ1 AJ2 AJ3 BD1 DK1 DK2 DK3 DK4 DK5 DK6 DK7 DK8 DK9 DK10 DK11 DK12 E1 E2 K1 LS1 LS2

6

Anjum aanvulling welstandsnota - uitbreiding wonen en werken Anjum aanvulling welstandsnota - uitbreiding wonen Anjum - Feart Burdaard Beeldkwaliteitsplan Dokkum Betterwird III fase 1a Dokkum De Trije Terpen Dokkum Appartementengebouw Rondweg Noord - Westerissestraat Dokkum Lyceumlocatie Dokkum Appartementengebouwen Fonteinslanden Dokkum Woon/werklocaties Dokkum-noord Dokkum Recreatieterrein Schreiershoek Dokkum supplement welstandsnota De Centrale As Dokkum Sportcentrum Tolhuispark Dokkum Houtkolk Dokkum Stadsdock Dokkum Bedrijventerrein Betterwird 3 fase 2 Ee aanvulling welstandsnota – uitbreiding wonen Ee uitbreiding bedrijventerrein Kollum Westenstein-Eiland Lioessens De Kamp Lioessens De kamp 8 – 18

95 95

NW1 OM1 OT1 R1 R2 TN1 TN2 2.

Niawier Tsjerkepaed Oostmahorn Nieuwbouw woningen Oosternijkerk Lou Sânen fase 2 Raard Lineleane Raard Van Kleffenswei (naast nr 3) Ternaard Woon-werklocatie Holwerterdyk Ternaard aanvulling welstandsnota – uitbreiding wonen

Straatwandtekeningen Dokkum

7

1. Inleiding 1.1 Vooraf Met deze nota wordt het welstandsbeleid van de voormalige gemeenten geharmoniseerd zodat er binnen de gemeente Noardeast-Fryslân op een eenduidige manier kan worden gewerkt. Harmonisatie is primair gericht op onderlinge afstemming van bestaand beleid. Dat is ook hier het uitgangspunt. 1.2 Waarvoor dient de welstandsnota? Het welstandsbeleid van Noardeast-Fryslân is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke bebouwde omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen met de openbare ruimte de dagelijkse leefomgeving van de mensen in Noardeast-Fryslân. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Het doel van het welstandstoezicht is om, in alle openheid, een bijdrage te leveren aan de belevingswaarde van de gemeente Noardeast-Fryslân. Uitgangspunt daarbij is dat met het opstellen van welstandsbeleid de gemeente een helder, controleerbaar en klantgericht welstandstoezicht levert. Burgers, ondernemers en ontwerpers worden in een vroeg stadium geïnformeerd over de criteria die bij de welstandsbeoordeling een rol spelen.

1.3 Hoe verhoudt deze nota zich tot ander beleid? Welstandsbeleid is eigenlijk de ‘finishing touch’ van het ruimtelijk beleid; het ligt in het verlengde van bestemmingsplannen en andere ruimtelijke beleidsstukken.

Bestemmingsplan Het bestemmingsplan regelt onder meer de functie en het ruimtebeslag van bouwwerken. Bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan geeft, kunnen niet door welstandscriteria (of een beeldkwaliteitplan) worden tenietgedaan. De architectonische vormgeving wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Het welstandsadvies kan zich richten op de gekozen invulling binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. In een situatie waarin een bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan, kan toch een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen architectonische oplossing te sterk afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving van het betreffende gebied. Uiteraard moet in zo’n geval de welstandsnota daartoe de argumentatie leveren. Nieuwe welstandscriteria Voor nieuw te ontwikkelen gebieden of gebieden die ingrijpend worden veranderd, zijn of worden nieuwe welstandscriteria opgesteld. Deze hebben hetzelfde doel als de welstandsnota en vormen ook een toetsingskader voor welstand. Beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten De gemeente Noardeast-Fryslân heeft 112 12 beschermde stads- en dorpsgezichten en 501 beschermde rijksmonumenten (peildatum september 2019, informatie RCE). Op grond van de bouwverordening is de adviserende taak van de gemeentelijke monumentencommissie ondergebracht bij de monumentencommissie van Hûs en Hiem.

1.4 Wanneer is welstandstoetsing noodzakelijk? Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op 1 oktober 2010 zijn de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Met deze wet heeft de wetgever de mogelijkheden voor vergunningvrij bouwen

7

vergroot. De Wabo en het Bor geven aan welke bouwwerken (en welke andere activiteiten) vergunningplichtig zijn en vormen daarmee de basis voor de welstandstoetsing. De volgende indeling wordt daarbij aangehouden: Vergunningvrije bouwwerken (artikel 2, bijlage II van het Bor) De eerste categorie bouwwerken zijn de kleinschalige ingrepen in het achtererfgebied, zoals het plaatsen van dakramen, zonnepanelen en dergelijke. In alle gevallen zijn er op grond van het Bor voorwaarden aan verbonden, met name over de omvang. Het bestemmingsplan vormt voor deze categorie bouwwerken geen toetsingskader. Dergelijke bouwplannen worden niet getoetst aan welstandscriteria, maar is het bouwwerk een exces, dan kan de gemeente wel ingrijpen (zie excessenregeling, p. 93). Vergunningvrije bouwwerken onder voorwaarden (artikel 3, bijlage II van het Bor) Onder deze categorie vallen de bouwplannen die vergunningvrij zijn als ze voldoen aan de voorwaarden uit artikel 3, bijlage II van het Bor en passen binnen de regels van het geldende bestemmingsplan (of andere planologische regeling). Dergelijke bouwplannen worden niet getoetst aan welstandscriteria, maar is het bouwwerk een exces, dan kan de gemeente wel ingrijpen (zie excessenregeling, p. 93).

Vergunningplichtige bouwwerken Is het plan niet vergunningvrij, dan is er sprake van een ‘regulier’ bouwplan en moet er een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk worden aangevraagd. Dergelijke plannen worden door de gemeente aan verschillende beleidsdocumenten en wet- en regelgeving getoetst, waaronder het bestemmingsplan (zie paragraaf 1.2) en de welstandsnota. Een vergunningplichtig bouwplan wordt vooraf op welstand getoetst (mits deze niet in een welstandsvrij gebied is gelegen). 1.5 Welke criteria zijn in de nota opgenomen? De volgende indeling wordt in de welstandsnota uitgewerkt: Algemene welstandscriteria

8

Met de algemene welstandscriteria wordt in feite een globaal kader beschreven van waaruit de meer specifieke criteria zijn afgeleid. Daarnaast wordt dit kader gebruikt op het moment dat de welstandscriteria onvoldoende mogelijkheden bieden (zie verder ‘hardheidsclausule’, paragraaf 1.5). Criteria voor veel voorkomende kleine bouwplannen Deze criteria zijn opgesteld voor enkele typen veel voorkomende kleine bouwplannen. Deze criteria zijn zo concreet mogelijk geformuleerd en zijn voor het gehele gemeentelijke grondgebied gelijk. De beoordeling wordt door de gemeente zelf gedaan op grond van de zogenaamde ‘KANbepaling’. Met de KAN-bepaling is de verplichting opgeheven om de welstandsadvisering door een onafhankelijke en deskundige commissie uit te laten brengen. De advisering kan ambtelijk worden afgedaan. De gemeente maakt hiervan gebruik voor enkele typen veel voorkomende kleine bouwplannen. De kern van de werkwijze is de gedachte dat de ambtelijke welstandstoetsing van kleine bouwplannen mogelijk is wanneer daarvoor meetbare criteria zijn vastgesteld (zie hoofdstuk 3). Gebiedscriteria voor reguliere bouwplannen De gebiedscriteria (zie hoofdstuk 4) gelden voor alle reguliere bouwplannen en zijn verschillend per gebied. Het hele gemeentelijke grondgebied is ingedeeld in ‘welstandsgebieden’.

Een welstandsgebied vertoont samenhang in de verschijningsvorm van de bebouwing, in de stedenbouwkundige opzet of in het type landschap. De gebiedscriteria dagen de planindieners uit zich bij het ontwerpen te laten inspireren door de beschreven kenmerken van de omgeving. Objectgerichte criteria voor specifieke bouwwerken De objectgerichte criteria (zie hoofdstuk 5) gelden voor de bouwwerken die bijzonder specifiek en beeldbepalend zijn voor de gemeente Noardeast-Fryslân en zijn aanvullend op de gebiedsgerichte criteria.

1.6 Kan worden afgeweken van de welstandscriteria? De gemeente ziet graag dat de welstandsnota/-criteria worden gebruikt als middel om na te denken over de schoonheid van het bouwwerk in zijn omgeving. Toch kan het zijn dat de welstandscriteria ontoereikend of te beperkend zijn. Burgemeester en wethouders kunnen dan na schriftelijk en gemotiveerd advies van de welstandscommissie afwijken van deze criteria. Dit wordt aangeduid als de hardheidsclausule. De welstandscommissie kan adviseren gebruik maken van de hardheidsclausule. In dat geval motiveert zij op basis van algemene criteria (zie hoofdstuk 2) dat een plan voldoet en uitstijgt boven de vastgestelde criteria. Daarmee kan een bouwplan geheel op zichzelf, op het eigen architectonische vakmanschap worden beoordeeld. De algemene welstandscriteria kunnen niet te pas en te onpas worden gebruikt. Ze zijn voor de onverwachte, experimentele of opvallende bouwwerken met een overtuigende vormgeving die een positieve bijdrage leveren aan de omgeving. Zijn er mee grootschalige veranderingen aan de orde, dan volgt de gemeente de procedure zoals beschreven in hoofdstuk 6. Het gaat hier om (her)ontwikkelingsprojecten waarvoor veelal een specifieke uitwerking gemaakt wordt middels nieuwe welstandscriteria.

daarvoor andere zwaarwegende redenen gelden, bijvoorbeeld van economische en/of maatschappelijke aard. 1.8 Wat gebeurt er als een bouwwerk afwijkt van zijn omgeving? Achteraf kunnen gebouwen die in extreme mate afwijken van de normale gang van zaken (excessen) worden onderworpen aan een beoordeling. Het moet dan gaan om buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken waarvan de negatieve invloed op de omgeving evident is. De excessenregeling (zie hoofdstuk 7) voorziet dan achteraf in het ongedaan maken of herstellen van de schadelijke gevolgen van het betreffende bouwwerk. Burgemeester en wethouders kunnen de eigenaar aanschrijven en het bouwwerk laten verwijderen of aanpassen. Om te voorkomen dat men achteraf wordt geconfronteerd met de excessenregeling, kan de eigenaar van het te bouwen vergunningvrije bouwwerk toch laten toetsen door welstand, de vrijwillige welstandstoets. 1.9 Waaruit bestaat een vergunningaanvraag? De aanvraag voor een vergunning dient vergezeld te gaan van ondersteunend materiaal, dat in woord en beeld voldoende inzicht geeft in de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Om welk materiaal het gaat, is vastgelegd in een Ministeriële regeling omgevingsrecht.

1.7

Wanneer kunnen B&W afwijken van het advies van de welstandscommissie? Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstandscommissie. Uitzonderingen kunnen zijn: Afwijken op inhoudelijke grond. Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie indien zij hierover ernstige twijfels hebben en op basis van een second opinion tot een ander standpunt komen. Afwijken om andere redenen. Burgemeester en wethouders hebben volgens artikel 2.10, lid 1d Wabo de mogelijkheid om bij strijd van een bouwplan met de redelijke eisen van welstand toch de omgevingsvergunning te verlenen indien zij van oordeel zijn dat

9

10

2. Algemene criteria 2.1 Waarom algemene welstandscriteria? In bijzondere situaties, wanneer de gebiedsgerichte en objectgerichte ontoereikend zijn, kan het nodig zijn terug te grijpen op algemene uitgangspunten. De algemene welstandscriteria zijn gebaseerd op de notitie ‘Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid’ van prof. ir. TJ. Dijkstra, die hij in 1985 schreef als Rijksbouwmeester. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie ‘Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft.’ Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie.

Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm meer is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben, zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-

culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit. Relatie tussen bouwwerk en omgeving ‘Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is.’ Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan.

Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen. Betekenissen van vormen in de sociaal -culturele context ‘Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit.’

11

Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd.

om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst.

Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang.

Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld.

In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd, doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in de bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te ‘begrijpen’ als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk

12

Evenwicht tussen helderheid en complexiteit ‘Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat.’

Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie. Schaal en maatverhoudingen ‘Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen.’ Ieder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn, maar worden onherkenbaar

en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar waarom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen.

worden gekozen op grond van de decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan het afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat.

Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. Materiaal, textuur, kleur en licht ‘Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken.’ Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot.

Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben maar slechts

13

14

3. Criteria voor kleine bouwplannen 3.1 Wanneer worden deze criteria toegepast? De gemeente heeft voor de onderstaande vier typen veel voorkomende kleine bouwplannen heldere en meetbare eisen opgesteld. KB1 KB2 KB3 KB4

NB de hier genoemde criteria gelden niet voor monumenten, situaties in beschermde stads- en dorpsgezichten en/of beeldbepalende/karakteristieke panden.

Bijbehorende bouwwerken, aangebouwd Bijbehorende bouwwerken, vrijstaand Dakkapellen aan de voorkant Dakkapellen aan de achterkant

3.2 Hoe zijn de criteria opgebouwd? De criteria zijn dusdanig concreet, dat er geen misverstand over kan bestaan hoe er moet worden gebouwd om aan de redelijke eisen van welstand te voldoen. De criteria kunnen niet of nauwelijks individueel geïnterpreteerd worden en zijn daarmee niet voor discussie vatbaar. 3.3 Hoe vindt de welstandstoetsing plaats? De welstandstoetsing van de veel voorkomende kleine bouwplannen wordt op grond van de KAN-bepaling, in principe ambtelijk afgehandeld. In de volgende situatie zal een plan echter aan de Welstandscommissie voorgelegd worden: Bij twijfel over de toepasselijkheid van de criteria of in bijzondere situaties. Indien de toetsing niet leidt tot een positief advies. Indien de aanvrager daarom verzoekt. In geval van bezwaar, beroep of verzoek om heroverweging. In geval van een beschermd stads- of dorpsgezicht, een beschermd monument en/of een beeldbepalend/karakteristiek pand.

15

KB1

BIJBEHOREND BOUWWERK, AANGEBOUWD

Toelichting TIP: bijbehorende bouwwerken, aangebouwd zijn in veel gevallen omgevingsvergunningvrij. Check de mogelijkheden via www.omgevingsloket.nl Voor vergunningsvrije werken zijn onderstaande punten inspiratie voor uw plan. Is uw plan niet vergunningsvrij dan wordt getoetst op basis van deze aspecten. Een aangebouwd bijbehorend bouwwerk is in het algemeen niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande criteria wordt voldaan. Algemeen In maat, schaal en verschijningsvorm ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Standaardplan Het plan komt in plaatsing, vormgeving, indeling, materiaal en kleur overeen met een eerder vergund plan in een zelfde soort situatie en bij een zelfde woningtype. Het positieve welstandsadvies is maximaal 10 jaar geleden afgegeven. Plaatsing Niet in het voorerfgebied. Afstand tot voorgevellijn (45°-principe): - Indien bijbehorend bijgebouw minder dan 3 meter breed is, minimaal gelijk aan breedte. - Indien bijbehorend bijgebouw meer dan 3 meter breed is, minimaal 3 meter.

16

Vorm Vormt een eenheid met mogelijk bestaande bijbehorende bijgebouwen. Overwegend rechthoekige plattegrond. Plat dak of een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm. Maatvoering Goothoogte/hoogte plat dak: maximaal 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw én maximaal gelijk aan goot/dakrand hoofdgebouw indien daaraan grenzend. Diepte ten opzichte van achtergevel hoofdgebouw maximaal 5 meter, voor zover gelegen binnen afstand van 1 meter van de zijdelingse erfgrens. Totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken maximaal 100% van oppervlakte hoofdgebouw. Materiaal- en kleurgebruik De naar de openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijde: - Steen: gelijk aan hoofdgebouw. - Hout of gelijkwaardig: naturel vergrijzend of gedekte, donkere kleur. Het naar het voorerf gekeerde gevelvlak dient een gevelopening te bevatten met een oppervlakte van min. 10% van het totale gevelvlak. De gevelopening kan bestaan uit een raam, toegangsdeur of garagedeur.

KB2

BIJBEHOREND BOUWWERK, VRIJSTAAND

TIP: bijbehorende bouwwerken, vrijstaand zijn in veel gevallen omgevingsvergunningvrij. Check de mogelijkheden via www.omgevingsloket.nl Voor vergunningsvrije werken zijn onderstaande punten inspiratie voor uw plan. Is uw plan niet vergunningsvrij dan wordt getoetst op basis van deze aspecten. Toelichting Een vrijstaand bijbehorend bouwwerk is in het algemeen niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande criteria wordt voldaan. Algemeen In maat, schaal en verschijningsvorm ondergeschikt aan het hoofdgebouw.

Maatvoering Goothoogte/hoogte plat dak: - Maximaal 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw. - Maximaal gelijk aan goot/dakrand hoofdgebouw indien daaraan grenzend. Totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken maximaal 100% van oppervlakte hoofdgebouw. Materiaal- en kleurgebruik Het naar het voorerf gekeerde gevelvlak: - Steen: gelijk aan hoofdgebouw. - Hout of gelijkwaardig naturel of gedekte, donkere kleur. Het naar het voorerf gekeerde gevelvlak dient een gevelopening te bevatten met een oppervlakte van min. 10% van het totale gevelvlak. De gevelopening kan bestaan uit een raam, toegangsdeur of garagedeur.

Standaardplan Het plan komt in plaatsing, vormgeving, indeling, materiaal en kleur overeen met een eerder vergund plan in een zelfde soort situatie en bij een zelfde woningtype. Het positieve welstandsadvies is maximaal 5 jaar geleden afgegeven. Plaatsing Niet in het voorerfgebied. Afstand tot voorgevellijn (45°-principe): - Indien de afstand van de zijgevel van het hoofdgebouw tot de buitenste contour van het bijgebouw of overkapping minder dan 3 meter bedraagt, minimaal gelijk aan deze maat; anders: minimaal 3 meter. Vorm Vormt een eenheid met mogelijk bestaande bijbehorende bouwwerken. Overwegend rechthoekige plattegrond. Plat dak of een van het hoofdgebouw afgeleide kapvorm.

17

KB3

DAKKAPELLEN AAN DE VOORKANT

-

TIP: dakkapellen zijn in veel gevallen omgevingsvergunningvrij. Check de mogelijkheden via www.omgevingsloket.nl

-

Voor vergunningsvrije werken zijn onderstaande punten inspiratie voor uw vormgeving. Is uw plan niet vergunningsvrij dan wordt getoetst op basis van deze aspecten. Op voordakvlak of naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak Toelichting Een dakkapel aan een voorkant is in het algemeen niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande criteria wordt voldaan. Algemeen De dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw. Geen dakkapel op bijbehorende bouwwerken. Geen dakkapel in dakvlak met dakhelling minder dan 30°. Standaardplan Het plan komt in plaatsing, vormgeving, indeling, materiaal en kleur overeen met een eerder vergund plan in een zelfde soort situatie en bij een zelfde woningtype. Het positieve welstandsadvies is maximaal 5 jaar geleden afgegeven. Plaatsing Maximaal 1 dakkapel per woning per dakvlak. Bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn. Bij vrijstaande woning en rijenwoning in het midden van het dakvlak, tenzij afwijkend standaardplan. Bij twee-onder-een-kapwoning: symmetrisch t.o.v. de gezamenlijke bouwmuur.

18

Minimaal 1 meter dakvlak boven en ter weerszijden van de dakkapel, ook ten opzichte van hoek- en kilkepers en woningscheidende bouwmuren. Verticale afstand van dakvoet tot onderzijde dakkapel 0,8 meter tot 1,2 meter.

Vorm Plat afgedekt. Maatvoering Hoogte van voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord/daktrim maximaal 50% van de verticale hoogte van het dakvlak, met een maximum van 1,5 meter; bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok: gelijke hoogte en breedte. Breedte maximaal 50% van de breedte van het dakvlak met een maximum van 4 meter, gemeten tussen eindgevels of midden woningscheidende bouwmuren. Materiaal- en kleurgebruik Afgestemd op hoofdgebouw. Onder glasvlak(ken) geen dichte panelen of borstwering. Detaillering binnen eenzelfde rij of bouwblok identiek.

KB4

DAKKAPELLEN AAN DE ACHTERKANT

TIP: bijbehorende bouwwerken, aangebouwd zijn in veel gevallen omgevingsvergunningvrij. Check de mogelijkheden via www.omgevingsloket.nl Voor vergunningsvrije werken zijn onderstaande punten inspiratie voor uw vormgeving. Is uw plan niet vergunningsvrij dan wordt getoetst op basis van deze aspecten. Op achterdakvlak of niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak Toelichting Een dakkapel aan een achterkant is in het algemeen niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan onderstaande criteria wordt voldaan.

Vorm Plat afgedekt. Bij dakhelling >45° is aangekapte dakkapel met dakhelling >25° mogelijk mits hoogte van voet dakkapel tot druiplijn minder dan 1,3 meter bedraagt en de dakkapel minimaal 1,0 meter onder nok blijft. Maatvoering Hoogte (van voet dakkapel tot bovenzijde boeiboord/ daktrim) maximaal 50% van de (verticale) hoogte van het dakvlak, met een maximum van 1,75 meter. Materiaal- en kleurgebruik Gelijk aan hoofdgebouw. Geen dichte panelen of borstwering onder glasvlak(ken).

Algemeen De dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan het hoofdgebouw. Geen dakkapel op bijgebouw, aan- of uitbouw. Geen dakkapel in dakvlak met dakhelling minder dan 30°. Standaardplan Het plan komt in plaatsing, vormgeving, indeling, materiaal en kleur overeen met een eerder vergund plan in een zelfde soort situatie en bij een zelfde woningtype. Het positieve welstandsadvies is maximaal 5 jaar geleden afgegeven. Plaatsing Bij meerdere dakkapellen in hetzelfde bouwblok regelmatige rangschikking op horizontale lijn. Minimaal onder de nokvorst en minimaal 0,5 meter dakvlak ter weerszijden van de dakkapel, ook ten opzichte van hoek- en kilkepers, en bij eindsituaties afstand van minimaal 2 meter tot de zijkant van het dakvlak. Verticale afstand van dakvoet tot onderzijde dakkapel 0,8 tot 1,2 meter.

19

20

4. Gebiedsgerichte welstandscriteria 4.1 Toelichting Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor alle bouwplannen. Deze criteria zijn gebaseerd op de identiteit van Noardeast-Fryslân en het architectonisch vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden aangetroffen. Deze criteria geven aan hoe een bouwwerk ‘zich moet gedragen’ om in zijn omgeving goed passend te zijn, en welke gewaardeerde karakteristieken uit de omgeving in het ontwerp moeten worden gebruikt. 4.2 Gebiedsindeling Op grond van de ruimtelijke ontwikkeling en veldwaarnemingen is een indeling gemaakt naar ruimtelijk en functioneel samenhangende gebiedsdelen. De indelingen is vanuit de voorgaande welstandsnota’s gehergroepeerd zodat er in Noardeast-Fryslân 12 welstandsgebieden zijn onderscheiden. Voor een aantal gebieden zijn ontwikkelingen in gang gezet. Daarvoor gelden specifieke welstandscriteria die bij de gemeente en/of op de gemeentelijke website raadpleegbaar zijn. Op de kaart zijn deze per dorp genummerd zodat het eenvoudig is om de gegevens op te roepen. Welstandsbeleidskaart De gebieden zijn op de welstandsbeleidskaart aangegeven (zie bijlage 1). In de uitwerking van de gebieden is achtergrondinformatie gegeven ter onderbouwing van de welstandsambities.

De volgende indeling is van kracht: 1. beschermde stads– en dorpsgezichten 2. dorpskern 3. lintbebouwing 4. lintbebouwing 5. woonwijken voor 1950 6. woonwijken na 1950 7. sport- en groenvoorzieningen 8. recreatieterreinen 9. bedrijventerreinen 10. representatieve bedrijven en/of voorzieningen 11. buitengebied (terpengebied) 12. buitengebied (woudengebied)

beschermd bijzonder bijzonder regulier bijzonder bijzonder regulier regulier regulier bijzonder bijzonder regulier

Daarnaast zijn zogenaamde witte gebieden aangewezen. Hiervoor zijn zelfstandige criteria vastgesteld en via de gemeente beschikbaar. AJ1 Anjum aanvulling welstandsnota - uitbreiding wonen en werken AJ2 Anjum aanvulling welstandsnota - uitbreiding wonen AJ3 Anjum – Feart BD1 Burdaard Beeldkwaliteitsplan DK1 Dokkum Betterwird III fase 1a DK2 Dokkum De Trije Terpen DK3 Dokkum Appartementengebouw Rondweg Noord - Westerissestraat DK4 Dokkum Lyceumlocatie DK5 Dokkum Appartementengebouwen Fonteinslanden DK6 Dokkum Woon/werklocaties Dokkum-noord DK7 Oostrum Recreatieterrein Schreiershoek DK8 Dokkum supplement welstandsnota De Centrale As DK9 Dokkum Sportcentrum Tolhuispark DK10 Dokkum Houtkolk DK11 Dokkum Stadsdock DK12 Dokkum bedrijventerrein Betterwird 3 fase 2 E1 Ee aanvulling welstandsnota – uitbreiding wonen E2 Ee uitbreiding bedrijventerrein K1 Kollum Westenstein - Eiland

21

LS1 LS2 NW1 OM1 OT1 R1 R2 TN1 TN2

Lioessens De Kamp Lioessens De kamp 8 – 18 Niawier Tsjerkepaed Oostmahorn Nieuwbouw woningen Oosternijkerk Lou Sânen fase 2 Raard Lineleane Raard Van Kleffenswei (naast nr 3) Ternaard Woon-werklocatie Holwerterdyk Ternaard aanvulling welstandsnota – uitbreiding wonen

4.3 Beoordelingskader Voor elk type gebied is een beoordelingskader opgesteld, waarin steeds de volgende onderdelen aan de orde komen: Een korte beschrijving van het gebiedstype. Een samenvatting van het beleid, de aanvullende beleidsinstrumenten die de gemeente inzet, de te verwachten en/of gewenste ontwikkelingen en de waardering voor het gebied. De voor het gebied geldende welstandsambitie. De welstandscriteria. De kenmerkende aspecten van de bebouwing zijn als criteria omschreven, onderverdeeld naar plaatsing, hoofdvorm, aanzichten en opmaak. Plaatsing gaat over de situering van gebouwen ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de weg en hoofdvorm betreft de massa opbouw en de vormgeving van de bouwmassa’s. Aanzichten gaat over de indeling van de gevels en opmaak gaat over de detaillering en het kleur- en materiaalgebruik. Per gebied is een algemene beleidsintentie aangegeven. Deze intentie vloeit voort uit het ambitieniveau voor het betreffende gebied. Vervolgens is per criterium aangegeven of het criterium of kenmerk gehandhaafd dient te blijven of dat het gerespecteerd dient te worden of dat het incidenteel veranderbaar is. Handhaven betekent het behouden van hetgeen als kenmerk van een gebied is aangeduid. Andere ontwikkelingen ten aanzien van dat criterium/kenmerk worden niet mogelijk geacht.

Respecteren daarentegen biedt meer ruimte voor veranderingen, omdat de criteria gerespecteerd dienen te worden, zonder daarmee nieuwe ontwikkelingen direct op slot te zetten. Respecteren betekent wel dat de hoofdkarakteristiek van een gebied gehandhaafd dient te blijven. Incidenteel veranderbaar

22

betekent dat wijzigingen best mogelijk zijn. Op het criteriumniveau betekent dit dat het criterium niet ‘heilig’ is, maar dat het een leidraad biedt voor nieuwe ontwikkelingen, terwijl een andere richting ook (incidenteel) goed mogelijk wordt geacht. Niet elk plan wordt even zwaar getoetst door de Welstandscommissie. De zwaarte van de toetsing is afhankelijk van de welstandsambitie. De kwaliteit van een gebied, het gevoerde ruimtelijk kwaliteitsbeleid en de verwachtte ontwikkelingen zijn hiervoor bepalend. De hierna volgende vier welstandsambities zijn mogelijk: Beschermd (rood). De aangewezen stads- of dorpsgezichten gezichten worden van groot algemeen belang geacht en worden onder meer beschermd door een bestemmingsplan. De algemene beleidsintentie is vooral gericht op het handhaven en versterken van de bestaande kwaliteiten. Bijzonder (oranje). Het gaat hier om de gebieden waar extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk wordt geacht en de gemeente naast het welstandstoezicht ook aanvullende beleidsinstrumenten inzet (of in de nabije toekomst zal doen). In deze gebieden moet het welstandstoezicht een bijdrage leveren aan het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. Regulier (groen). Reguliere gebieden kunnen afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen.

In deze gebieden is het welstandstoezicht gericht op het respecteren van de basiskwaliteit. Incidentele veranderingen zijn over het algemeen goed mogelijk. Welstandsvrij. Voor deze gebieden en objecten wordt welstandstoezicht niet van toepassing verklaard. In Noardeast-Fryslân is een dergelijk gebied alleen opgenomen in het specifieke kader voor D2 Dokkum De Trije Terpen.

23

1.

BESCHERMDE STADS- EN DORPSGEZICHTEN

Gebiedsbeschrijving Dokkum De binnenstad van Dokkum is op twee terpen gebouwd. In de 16e eeuw is de zeskantige omwalling gerealiseerd, die thans in grote lijnen de grens vormt van het beschermde stadsgezicht. De totale historische structuur van de binnenstad van Dokkum is nog zeer gaaf, ondanks incidentele aantastingen. De ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis zijn door de gehele stad duidelijk visueel herkenbaar. De bebouwing is overwegend aaneengesloten gebouwd en gesitueerd in een naar de weg gekeerde bebouwingsgrens. De panden zijn in meerderheid in twee dan wel één bouwlagen met een kap gebouwd. Hier en daar komt ook drie bouwlagen voor. De gebouwen zijn afwisselend haaks op en parallel aan de weg gebouwd. Er is sprake van kleine onderlinge verschillen in goot- en nokhoogte. De gebouwen zijn bijzonder zorgvuldig gedetailleerd, hetgeen tot uitdrukking komt in onder andere kozijnen, daklijsten, dakgoten en metselwerk. Nieuwe invullingen hebben zich grotendeels in dit bebouwingsbeeld gevoegd. Bijzondere functies, zoals het gemeentehuis, nemen een bijzondere plaats in en kunnen afwijken van de hierboven geschetste kenmerken, maar kennen een zo mogelijk nog fijnere detaillering.

Dorpskernen De 10 dorpskernen die als beschermd dorpsgezicht zijn aangewezen (Burdaard, Ee, Ferwerd, Hegebeintum, Hallum, Holwerd, Janum, Kollum, Metslawier, Moddergat en Veenklooster) zijn divers van karakter, variërend van de lintbebouwing van Moddergat tot het dichtbebouwde (winkel)centrum van Holwerd. Het straatbeeld in de beschermde gezichten worden gekenmerkt door een grote variatie in goot- en bouwhoogten. Bovendien is er een verscheidenheid aan kapvormen en –richtingen. De vaak strakke voorgevelrooilijn en de relatief dichte bebouwingswanden zorgen daarentegen voor samenhang in deze gebieden. De panden in de beschermde gezichten kennen over het algemeen een hele zorgvuldige detaillering. Dit komt tot uitdrukking in onder andere kozijnen, daklijsten, dakgoten en metselwerk. Het materiaal- en kleurgebruik is traditioneel. Nadere informatie staat beschreven in de toelichting op de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht.

24

Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid is gericht op behoud en versterking van de historische kwaliteiten. De gebieden zijn in het kader van de Monumentenwet aangewezen als Beschermd dorpsgezicht. Daartoe is in alle gevallen een op bescherming gericht bestemmingsplan opgesteld. Het beleid is gericht op het versterken van de cultuurhistorisch waardevolle kenmerken. Nieuwe initiatieven dienen binnen de marges van de cultuurhistorische waarden tot ontwikkeling te komen. Welstandsambitieniveau De gebieden krijgen de welstandsbenadering van een beschermd dorpsgezicht. Het beleid is gericht op het handhaven en versterken van de bestaande kwaliteiten.

GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN - 1. BESCHERMDE STADS- EN DORPSGEZICHTEN Referentiefoto’s NO–Fryslân

Gebiedskenmerken en criteria Plaatsing Hoofdgebouwen staan overwegend in de historisch gegroeide rooilijn en in een historisch gegroeide parcellering.

Hh

Gesloten tot open bebouwingswanden, afgestemd op het bestaande omgevingsbeeld.

Gebouwen staan overwegend haaks op of evenwijdig aan de weg; de gebouwen zijn met de voorgevel georiënteerd op de openbare ruimte; bijzondere functies nemen een opvallende en dominante plaats in, afgestemd op het bestaande omgevingsbeeld.

Re

Iv

Hoofdvorm

Gebouwen haaks op en evenwijdig aan de weg; Bijzondere functies nemen een opvallende plaats in

Eén tot twee en incidenteel drie (of meer) bouwlagen met een duidelijke kap, afgestemd op het bestaande en afhankelijk van de mogelijkheden in het bestemmingsplan; bijzondere functies kunnen hiervan afwijken. De massa-opbouw is overwegend enkelvoudig, met een duidelijke verwantschap tussen de hoofdgebouwen, maar met kleine maatverschillen (zoals verschil in goot- en nokhoogte), afgestemd op het bestaande omgevingsbeeld. De gebouwen zijn hoofdzakelijk kantig opgezet en refereren aan of reageren op de (ambachtelijke) traditionele architectuur.

Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur of kennen een bijzondere en hoogwaardige eigentijdse architectuur die zich harmonisch voegt in de schaal en sfeer van de historische bebouwing.

 

Aanzichten Er is sprake van een duidelijke gerichtheid op de openbare ruimte.

Duidelijk evenwicht tussen verticaal gerichte gevelopeningen en horizontale accenten (zoals plinten en daklijsten e.d.).

Traditionele hoofdopzet, de vormgeving van de gevel op de begane grond hangt samen met die van de verdieping(en), de hoeken behouden massa en de verdieping behoudt daardoor de verbinding met de grond. Winkelpuien/gevels passen bij het historische karakter. De winkelpuien/gevels passen in de omgeving en bij het gebouw. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt in de volgende 3 situaties: Eén tot twee bouwlagen met kap 1. Historische gevel of pui van ca. voor 1940: wordt behouden en versterkt. Bij gevelwijziging van rijksmonumenten geldt over het algemeen dat behoud voor reconstructie gaat. 2. Historische gebouwen waarbij de historische gevel of pui is verdwenen: de voorkeur gaat uit naar herstel van de gevel of pui van voor ca. 1940, mits dit leidt tot een versterking van het historische karakter van het gebouw. Hoogwaardige eigentijdse architectuur is ook mogelijk als deze zich harmonisch voegt in de schaal en sfeer van de historische bebouwing. 3. Bij nieuwe gebouwen, na ca. 1940: hoogwaardige eigentijdse architectuur is ook mogelijk als deze zich harmonisch voegt in de schaal en sfeer van de historische bebouwing en dit leidt tot een verbetering van de bestaande situatie. Differentiatie in detaillering per bouwwerk, gerelateerd aan de historische ontwikkeling. Differentiatie in detaillering per bouwwerk

 

Opmaak Gevels hebben in hoofdzaak een stenig karakter; daken zijn voorzien van gebakken pannen of riet dan wel vergelijkbaar genuanceerde materialen; bij verbouw dient een zorgvuldige afstemming op het bestaande plaats te vinden. De voorkeur gaat uit naar traditionele materialen, passend bij het historische karakter.

25

Traditionele kleurstellingen (afgestemd op het bestaande) zijn leidend en passen bij het historische karakter.

Zorgvuldige en soms fijne (ambachtelijk traditionele) details; gebruik van kunststof en aluminium materialen is niet toegestaan indien zichtbaar vanaf openbaar gebied. Bij hoogwaardige eigentijdse architectuur is afwijkend materiaalgebruik mogelijk als deze zich harmonisch voegt in de schaal en sfeer van de historische bebouwing. Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt.

Overige Voor reclame-uitingen: zie de objectgerichte criteria voor reclame-uitingen Beschermde Stads- en dorpsgezichten.

Voor de binnenstad van Dokkum geldt dat de massa, korrelgrootte, dakvorm en geleding van de gevel in overeenstemming is met de historisch gegroeide kenmerken (zie daarvoor ook de ‘straatwandtekeningen’ voor sommige straten in Dokkum). Voor zonnepanelen: zie objectgerichte criteria voor zonnepanelen in beschermde stads- en dorpsgezichten.

Voor (voormalige) boerderijen wordt verwezen naar de objectgerichte criteria.

Beleidsintentie: Hh – Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar

26

27

2.

DORPSKERN

Gebiedsbeschrijving De meeste dorpen in de gemeente Noardeast-Fryslân kennen een duidelijk te onderscheiden dorpskern. Veel van deze dorpen zijn als terpdorp ontstaan. In dorpen zoals Brantgum, Foudgum en Oostrum is de radiale structuur van wegen en het bebouwingspatroon nog duidelijk aanwezig. Deze dorpen kennen een vrij open bebouwingsstructuur, met een kerk, enkele woonhuizen en boerderijen. Bij Marrum is de radiale structuur ook herkenbaar. Het bebouwingspatroon is daar meer verdicht. Dat is ook het geval bij veel andere terpendorpen waardoor vrij gesloten bebouwingswanden zijn ontstaan, zoals de Tsjerkestrjitte in Anjum of een aantal straten in Marrum. Naar de randen van de dorpskern neemt de openheid toe. Er zijn ook dijk- en zijldorpen (Paesens-Moddergat, Munnekezijl, Kollumerpomp), wegdorpen (Oudwoude en Warfstermolen) en een vleck (Kollum) in de gemeente aanwezig. Bij dijkdorpen en wegdorpen is de oorspronkelijke structuur meer lineair langs de dijk of de weg. De bebouwing is overwegend in één bouwlaag met kap, maar hier en daar zijn ook woningen gebouwd in twee lagen met een kap. Het merendeel van de woningen heeft een individuele uitstraling, maar behoort wel tot dezelfde familie. Het materiaal- en kleurgebruik is overwegend traditioneel. De detaillering van de woningen is over het algemeen sober, maar wel erg zorgvuldig.

Soms, zoals bij een aantal winkels, is sprake van een afwijkende vormgeving en kleurgebruik. In de dorpskernen neemt de kerk vaak een prominente plaats in, door de omvang, situering en vormgeving. Voor de cultuurhistorisch waardevolle boerderijen zijn objectgerichte welstandscriteria geformuleerd. Voor de beschrijving van deze boerderijen en de daarbij behorende welstandscriteria wordt naar de objectgerichte criteria verwezen.

28

Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid is erop gericht het bestaande historische karakter te behouden. Voor deze gebieden wordt extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit wenselijk geacht. Een deel van deze extra aandacht is verwerkt in het welstandstoezicht. Welstandsambitieniveau De welstandsambitie voor deze gebieden is gericht op het behoud en waar mogelijk het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. De klemtoon ligt op het handhaven en respecteren. Aan deze gebieden is dan ook een bijzonder ambitieniveau toegekend.

GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – 2. DORPSKERN Referentiefoto’s NO–Fryslân

Gebiedskenmerken en criteria Plaatsing Hoofdgebouwen staan overwegend in de historisch gegroeide rooilijn en in een historisch gegroeide parcellering

Hh

Gesloten tot open bebouwingswanden, afgestemd op het bestaande

Gebouwen staan overwegend haaks op of evenwijdig aan de weg; de gebouwen zijn met de voorgevel georiënteerd op de openbare ruimte; bijzondere functies nemen een opvallende en dominante plaats in

Re

Iv

Hoofdvorm

Woningen in een historisch gegroeide rooilijn en parcellering

Eén tot twee bouwlagen met een duidelijke kap, afgestemd op het bestaande en afhankelijk van de mogelijkheden in het bestemmingsplan; bijzondere functies kunnen hiervan afwijken De massa-opbouw is overwegend enkelvoudig, en wordt gekenmerkt door kleine maatverschillen (zoals verschil in goot- en nokhoogte) tussen de hoofdgebouwen De gebouwen zijn hoofdzakelijk kantig opgezet en refereren aan of reageren op de (ambachtelijke) traditionele architectuur

   

Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur of kennen een bijzondere vormgeving Aanzichten

Kantig opgezet en refererend aan ambachtelijke traditionele architectuur

Evenwicht tussen verticaal gerichte gevelopeningen en horizontale accenten

Er is sprake van een duidelijke gerichtheid op de openbare ruimte

Duidelijk evenwicht tussen verticaal gerichte gevelopeningen en horizontale accenten (zoals plinten en daklijsten e.d.)

Traditionele hoofdopzet, waarbij winkelpuien een moderne uitstraling (passend bij de karakteristiek) mogen hebben, mits de hoeken massa behouden en daardoor de verdieping verbinden met de grond Differentiatie in detaillering per bouwwerk, gerelateerd aan de historische ontwikkeling

 

Opmaak Gevels hebben in hoofdzaak een stenig karakter; daken zijn voorzien van (gebakken) pannen of riet dan wel vergelijkbare genuanceerde materialen; bij verbouw dient een zorgvuldige afstemming op het bestaande plaats te vinden Traditionele kleurstellingen overheersen (afgestemd op het bestaande)

Sobere, maar zorgvuldige (ambachtelijk traditionele) details; nieuwe moderne invullingen zijn mogelijk, mits goed ingepast in het huidige bebouwingsbeeld Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt

Overige Voor reclame-uitingen geldt ingetogenheid en integratie in straat- en gevelbeeld

Aanbeveling: hoogglanzende dakpannen bij voorkeur niet gebruiken Voor (voormalige) boerderijen wordt verwezen naar de objectgerichte criteria Beleidsintentie: Hh – Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar

29

3.

LINTBEBOUWING (BIJZONDER)

Gebiedsbeschrijving Een groot deel van de dorpen heeft een groei gekend langs belangrijke doorgaande verbindingswegen of waterlopen. Dit komt bij zowel de oorspronkelijke streekdorpen, maar ook bij de terpdorpen voor. Op sommige plaatsen is deze lintbebouwing van een bijzondere kwaliteit, zoals bijvoorbeeld in Anjum aan de Pfeifferbuorren en in Kollum (bijvoorbeeld Van Limburg Stirumweg-Voorstraat). Deze kwaliteit komt tot uitdrukking in de individuele bebouwing langs deze straten. De woningen zijn doorgaans op enige afstand van de weg gesitueerd, waardoor het straatbeeld iets voornaams uitstraalt. Op sommige plaatsen wordt dit voorname karakter versterkt door de aanwezige hoog opgaande erfbeplanting. De woningen zijn bovendien royaal van omvang en kennen een fijne en soms rijke, maar in ieder geval zorgvuldige detaillering. De woningen zijn hoofdzakelijk in één bouwlaag met kap gebouwd. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid in deze linten is gericht op het behoud van de aanwezige ruimtelijke karakteristiek met een historische uitstraling. Verbouw of uitbouw van woningen in deze gebieden dient met respect voor en afgestemd op het bestaande plaats te vinden.

Dit neemt niet weg dat bij (ver)nieuwbouw nieuwe invullingen eveneens mogelijk zijn, maar deze dienen zich te voegen in het bestaande straat- en bebouwingsbeeld en dienen van een bijzondere architectonische kwaliteit te zijn. Grootschalige veranderingen worden in deze gebieden niet voorgestaan. Welstandsambitieniveau De welstandsambitie voor deze gebieden is gericht op het behoud en waar mogelijk het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. De klemtoon ligt op het handhaven en respecteren. Aan deze gebieden is dan ook een bijzonder ambitieniveau toegekend.

30

GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – 3. LINTBEBOUWING (BIJZONDER) Referentiefoto’s NO–Fryslân

Gebiedskenmerken en criteria Plaatsing Hoofdgebouwen staan overwegend in de historisch gegroeide rooilijn

Hh

Iv

 

Overwegend vrijstaande bebouwing Gebouwen staan haaks op of evenwijdig aan de weg; de gebouwen zijn met de voorgevel georiënteerd op de openbare ruimte; bijzondere functies nemen een opvallende en dominante plaats in

Re

Hoofdvorm

Historisch gegroeide rooilijn

Overwegend één bouwlaag met duidelijke kap; bijzondere functies kunnen hiervan afwijken

De massa-opbouw is overwegend enkelvoudig tot samengesteld en kent individuele uitstraling

De gebouwen zijn hoofdzakelijk kantig opgezet en refereren aan of reageren op de traditionele architectuur

 

Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur of kennen een bijzondere vormgeving Aanzichten Er is sprake van een duidelijke gerichtheid op de openbare ruimte

Duidelijk evenwicht tussen verticaal gerichte gevelopeningen en horizontale accenten (zoals plinten en daklijsten e.d.)

 

Traditionele hoofdopzet Differentiatie in detaillering per bouwwerk, gerelateerd aan de historische ontwikkeling Overwegend vrijstaande bebouwing

Opmaak Gevels hebben in hoofdzaak een stenig karakter; daken zijn voorzien van (gebakken) pannen of riet dan wel vergelijkbaar genuanceerde materialen; bij verbouw dient een zorgvuldige afstemming op het bestaande plaats te vinden Traditionele kleurstellingen overheersen (afgestemd op het bestaande)

Sobere, maar zorgvuldige en soms rijke (ambachtelijk traditionele) details; nieuwe moderne invullingen zijn mogelijk, mits goed ingepast in het huidige bebouwingsbeeld en van een bijzondere architectonische kwaliteit Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt

Overige Rijke (ambachtelijk traditionele) Voor reclame-uitingen geldt ingetogenheid en integratie in straat- en gevelbeeld details Aanbeveling: hoogglanzende dakpannen bij voorkeur niet gebruiken

Voor (voormalige) boerderijen wordt verwezen naar de objectgerichte criteria Beleidsintentie: Hh – Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar

31

4.

LINTBEBOUWING (REGULIER)

Gebiedsbeschrijving De meeste linten kennen een meer divers bebouwingsbeeld dan in de bijzondere linten het geval is. Bovendien komt in een groot aantal van de reguliere linten verschillende functies voor, zoals bedrijvigheid, detailhandel, maatschappelijke instellingen en wooncomplexen. Het bebouwingsbeeld is vrij open en hoe verder van de dorpskern verwijderd hoe groter de open ruimte tussen de bebouwing. Met andere woorden: verder van het dorp verwijderd zijn de erven doorgaans groter. De bebouwing kent een individueel karakter. Hier en daar zijn ook rijenwoningen in het lint gebouwd, vaak als verdichting van het bebouwingslint. Naast woonhuizen zijn in deze linten ook boerderijen, kerken, bedrijfspanden en dergelijke gebouwd. De 19e eeuwse en vroeg 20e eeuwse bebouwing overheerst in deze linten. De bebouwing is doorgaans in één bouwlaag met kap gebouwd. Het materiaal- en kleurgebruik is overwegend traditioneel. Bijzondere functies wijken vaak af qua maat en schaal en soms qua materiaal- en kleurgebruik. De bebouwing volgt in de meeste gevallen beloop van de weg, maar is niet altijd in een strakke rooilijn gebouwd. In sommige linten zijn open plekken ingevuld met

32

nieuwbouwwoningen. Over het algemeen voegen deze woningen zich in het bestaande bebouwingsbeeld. Voor de beschrijving van de boerderijen en de daarbij behorende welstandscriteria wordt naar de objectgerichte criteria verwezen. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid in de linten is gericht op het beheer van de bestaande situatie. Voor deze gebieden worden over het algemeen geen ingrijpende veranderingen verwacht. Wel zal er in de toekomst incidenteel vervangende nieuwbouw worden gepleegd. Deze nieuwbouw dient zich te voegen in de kwaliteit van de bestaande omliggende bebouwing.

Welstandsambitieniveau Voor deze gebieden geldt een aanduiding als regulier welstandsgebied. De criteria zijn gericht op het handhaven en respecteren van de aanwezige basiskwaliteiten.

GEMEENTE NOARDEAST-FRYSLÂN – 4. LINTBEBOUWING (REGULIER) Referentiefoto’s NO–Fryslân

Gebiedskenmerken en criteria Plaatsing Hoofdgebouwen staan overwegend in de historisch gegroeide rooilijn

Hh

Iv

 

Overwegend vrijstaande bebouwing Gebouwen staan overwegend haaks op of evenwijdig aan de weg; de gebouwen zijn met de voorgevel georiënteerd op de openbare ruimte; bijzondere functies nemen een opvallende en dominante plaats in

Re

Hoofdvorm

In dit geval: woningen met de voorgevel onder eenzelfde hoekverdraaiing t.o.v. de weg

Overwegend één bouwlaag met een duidelijke kap; bijzondere functies kunnen hiervan afwijken

De massa-opbouw is enkelvoudig tot samengesteld en kent individuele uitstraling

De gebouwen zijn hoofdzakelijk kantig opgezet en refereren aan of reageren op de traditionele architectuur

Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur of kennen een bijzondere vormgeving

Aanzichten Er is sprake van een duidelijke gerichtheid op de openbare ruimte

 

Duidelijk evenwicht tussen verticaal gerichte gevelopeningen en horizontale accenten (zoals plinten en daklijsten e.d.)

Traditionele hoofdopzet is uitgangspunt bij verbouw Differentiatie in detaillering per bouwwerk, gerelateerd aan de historische ontwikkeling

Differentiatie gerelateerd aan de historische ontwikkeling

Opmaak Gevels hebben in hoofdzaak een stenig karakter; daken zijn voorzien van (gebakken) pannen of riet dan wel vergelijkbaar genuanceerd materiaal; bij verbouw dient een zorgvuldige afstemming op het bestaande plaats te vinden Traditionele kleurstellingen overheersen (afgestemd op het bestaande)

Sobere, soms zorgvuldige (traditionele) details; nieuwe moderne invullingen zijn mogelijk mits goed ingepast in het bebouwingsbeeld

Aan-, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zijn ondergeschikt

Overige Voor reclame-uitingen geldt ingetogenheid en integratie in straat- en gevelbeeld

Aanbeveling: hoogglanzende dakpannen bij voorkeur niet gebruiken Traditionele kleurstellingen overheersen

Voor (voormalige) boerderijen wordt verwezen naar de objectgerichte criteria Beleidsintentie: Hh – Handhaven/herstel en restauratie; Re - Respecteren en interpreteren; Iv - Incidenteel veranderbaar

33

5.

WOONWIJKEN VOOR 1950 (BIJZONDER)

Gebiedsbeschrijving In een aantal dorpen en in Dokkum (Bronlaan, Eelaan en Schapedijkje) zijn duidelijke dorps- en stadsuitbreidingen gerealiseerd in de periode vóór 1950. In veel gevallen gaat het om architectuur in de zogenaamde Jaren’30 stijl. Ook komen delen voor die in meer traditionele stijl zijn ontwikkeld en getypeerd worden als Delfts Rood. De woningen in deze wijken hebben over het algemeen een individuele uitstraling, ook al zijn ze soms in rijen of dubbel gebouwd. Doordat bepaalde kenmerken in vrijwel alle woningen terugkomen, hebben deze wijken als geheel een grote samenhang. De kenmerken die daarvoor zorgen zijn de grote dakoverstekken, de vrij grote goot- en bouwhoogte, de mee-ontworpen erkers en dakkapellen en het gebruik van rode baksteen en overwegend antraciet en rode dakpannen. De detaillering van de woningen is zorgvuldig. In Dokkum is aan de Eelaan nieuwbouw gepleegd die zich grotendeels in dit bebouwingsbeeld voegt. Beleid, waardebepaling en ontwikkeling Het beleid in deze wijken is gericht op het behoud van de aanwezige ruimtelijke karakteristiek met een hoge mate van samenhang. Verbouw of uitbouw van woningen in deze gebieden dient met respect voor en afgestemd op het bestaande plaats te vinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=c5544cf1-3cb4-4005-afc6-49b4490ef1b2