Bijlage 2 - Reactienota Beleidskader Zonne-energie 2021 NF
Tekst van het document
Signed By: Dijkstra, Sytze <s.dijkstra@noardeast-fryslan.nl> 11/06/2021 12:13:56 CEST ID: cee78766-7f61-483f-827b-285122a43c56 Auth: Scribble
NOTA VAN INSPRAAK EN AMBTSHALVE WIJZIGINGEN
CONCEPT-BELEIDSKADER
‘ZONNE-ENERGIE 2020 NOARDEAST-FRYSLÂN’
1. Inleiding De gemeente Noardeast-Fryslân streeft naar het leveren van betekenisvolle bijdragen aan een duurzame samenleving. Bij de transitie van energie wordt gedacht aan het meer benutten van zonneenergie. Daarmee is er behoefte ontstaan om de gemeentelijke ambitie en beleidskoers ten aanzien van zonne-energie uit te spreken. Het ‘Beleidskader Zonne-energie 2020 Noardeast-Fryslân’ is bedoeld om richting te geven aan de mogelijkheden voor zonne-energieopwekking binnen de gemeente, en fungeert als een concreet toetsingskader. Op 3 december 2020 heeft de gemeenteraad van Noardeast-Fryslân ingestemd met het ‘conceptbeleidskader Zonne-energie 2020 Noardeast-Fryslân’ (28 oktober 2020, versie 6.0) en besloten dit beleidskader inspraakrijp te verklaren middels toepassing van de gemeentelijke inspraakverordening. Het conceptbeleidskader heeft van donderdag 14 januari tot en met woensdag 24 februari 2021 ter inzage gelegen. Hierover is tweemaal een kennisgeving gedaan in de Nieuwe Dockumer Courant en op de gemeentelijke website. Daarnaast zijn gericht betrokken personen en partijen geïnformeerd over deze terinzagelegging. Ingezetenen en belanghebbenden konden gedurende de inzagetermijn bij de gemeenteraad zowel schriftelijk als mondeling hun inspraakreactie over het conceptbeleidskader indienen. Van deze gelegenheid is achtmaal gebruik gemaakt.
Daarvan zijn zes inspraakreacties binnen de gestelde termijn ontvangen en daarmee ontvankelijk. - Twee inspraakreactie zijn daags na het verstrijken van de terinzagetermijn per mail ingediend, en daarmee niet-ontvankelijk. Wel zijn deze reacties uit oogpunt van zorgvuldigheid en coulance alsnog opgenomen in onderhavige inspraaknota en van een gemeentelijke reactie voorzien. - Eén inspraakreactie is tijdens de gestelde terinzagetermijn als pro forma inspraakreactie ingediend. Nadat conform de vaste jurisprudentie een aanvullingstermijn van twee weken is gegeven, is deze pro forma inspraakreactie tijdig aangevuld met inhoudelijke gronden. Deze inspraakreactie is daarmee ontvankelijk. Een overzicht van de ingekomen inspraakreacties is weergegeven in bijlage 1. In hoofdstuk 2 zijn de ingekomen inspraakreacties samengevat weergegeven, en voorzien van een gemeentelijke reactie. Indien aan de orde wordt aangegeven op welke wijze dit tot een wijziging van het conceptbeleidskader heeft geleid. Technische vragen met betrekking tot het beleidskader zijn als zodanig beantwoord, en niet als formele inspraakreactie gekwalificeerd. Ambtshalve is eveneens aanleiding geweest om wijzigingen door te voeren in het conceptbeleidskader. Deze ambtshalve wijzigingen worden besproken in hoofdstuk 3.
In hoofdstuk 4 zijn overige reacties opgenomen die wel van commentaar dienden te worden voorzien, maar niet tot wijzigingen in het beleidskader hebben geleid.
2. Inspraakreacties Opmerking Opbouw van de gemeentelijke duurzaamheidsopgave De berekeningen op pagina 15 zijn onduidelijk. Hoe komt men van MW naar MWh?
In de opgavebepaling wordt met een energiebesparing gerekend van 1,5%. Hoe is dit onderbouwd? Is dit wel een realistisch uitgangspunt?
Monitoring van de opgave Periodieke evaluatie door de raad moet opgenomen worden in dit plan. Immers in de praktijk moet blijken hoe e.a. zich ontwikkelt. Gezien de niet vrijblijvende ambities moet er dan wel geanticipeerd kunnen worden. Om zo alsnog aan de energiedoelstellingen te voldoen. Rolopvatting gemeente In Utrecht en Brabant worden zonnepanelen langs infrastructuur actief gestimuleerd. Zien Noardeast-Fryslân en Dantumadiel het als hun taak om dit ook actief te stimuleren?
Wij verwachten van de gemeente een veel actievere rol om 'huis-aan-huis’ inwoners en ondernemers de ambities en noodzaak ervan onder de aandacht te brengen. Aanstellen van een zonne-energie-coach welke helpt bij het
Reactie De berekeningen en de volgorde daarvan zijn aangepast. Ook is toegevoegd dat we van MW naar MWh komen door te rekenen met de vollasturen (aantal uren dat de zonnepanelen energie opwekken). Het streven van 1,5% energiebesparing per jaar komt voort uit het Energieakkoord van 2013. In het Klimaatakkoord van 2019 is helaas geen jaarlijkse energiebesparing opgenomen. Om die reden hanteren we een ietwat minder actuele doelstelling. Het is inderdaad de vraag of de doelstelling uit het Energieakkoord realistisch zijn. Vooralsnog gaan we wel uit van die 1,5%, omdat we ambitieus willen zijn op het gebied van besparing. Isolatie en andere maatregelen hebben namelijk geen of weinig impact op de fysieke leefomgeving. Hoe meer we besparen, hoe minder zonne-energie we hoeven te realiseren. Of de 1,5% realistisch is, dat hangt af van de mate van isolatie, efficiëntie van apparaten en de mate van elektrificatie (elektrische motoren en bv. warmtepompen hebben namelijk per definitie al een hoger rendement). 1,5% is mogelijk, zolang er gericht op wordt ingezet. De gemeente is actief op het gebied van energiebesparing. Zo is de RREW-regeling beschikbaar in Noardeast-Fryslân, waarmee inwoners subsidie kunnen krijgen voor energiebesparende maatregelen. De periodieke evaluatie zit onder andere in de planning en control cyclus van de gemeente.
De informatie wordt verkregen vanuit de Klimaatmonitor.nl. Opmerking die hierbij kan worden gemaakt is dat er een vertraging zit in de gegevens van 2-3 jaar ten gevolge van het verwerken van de CBS informatie. In het beleid gaan we vooral uit van een faciliterende en ondersteunde rol van de gemeente. Gezien de bezetting is het niet mogelijk om allemaal verschillende vormen van opwek actief te stimuleren. Wij doen dit wel op het gebied van zon op dak, omdat dit nog wenselijker wordt geacht dan langs infrastructuur. Wel is het zo dat opwek langs infrastructuur op een lagere trede is gesitueerd dan zonneenergie in het landschap. In die zin wordt deze vorm van opwek niet actief gestimuleerd, maar wel ondersteund. Na verloop van tijd zou de gemeente zonnepanelen langs infrastructuur wel actief kunnen gaan stimuleren, als bijvoorbeeld blijkt dat de potentie voor zon op dak al grotendeels is bereikt. Vooralsnog is dit niet aan de orde. De gemeente ziet het inderdaad als haar taak om haar inwoners de noodzaak van de energietransitie bij te brengen en om inwoners te laten meeprofiteren van deze energietransitie. Wij zien het ook als onwenselijk dat de revenuen van zonneparken niet binnen de gemeente
aanvragen van subsidies, maar ook een vraagbak blijven. Het is echter buiten de scope van dit beleid om is voor problemen in communicatie met buurt, exact te beschrijven op welke vlakken de gemeente zich installateurs en andere overheden. Alleen inzet. Het huidige beleidskader is bedoeld als hierdoor zal voorkomen worden dat grote toetsingskader, waar initiatieven voor zonne-energie aan (buitenlandse) investeerders een voorsprong worden getoetst. De verdere rol van de gemeente komt hebben op de lokale ondernemers. Tevens terug in andere beleidsontwikkeling. kunnen op die manier wellicht meer dak opstellingen gerealiseerd worden. Verzoek: Actieve rol van de gemeente inzake het De opgave inzake de energietransitie is een opgave voor de oprichten van energiecoöperaties. Immers om de samenleving. Het faciliteren van energie-coöperaties maakt continuïteit en professionaliteit hiervan, ook op daar onderdeel van uit. Zowel de provincie als de gemeente langere termijn, te borgen. Met uitsluitend biedt hier verschillende mogelijkheden voor aan. Het sturen vrijwilligers is een dergelijke organisatie met op professionaliteit door de ontwikkeling van kennis en financiële verplichtingen een kwetsbare kunde én continuïteit is daarbij van evident belang. organisatie.
Ruimtelijke varianten van zonne-energieopwek • Algemeen • Trede 0: Gebouwgebonden zonnepanelen (dakopstellingen) Zon op dak is volgens de gemeente altijd meer Bij opwek van zonne-energie spelen er verschillende gewenst dan grondopstellingen. Netbeheerders belangen. Vanuit het perspectief van ruimtelijke inpassing moeten bij dit soort kleinschalige opwek echter en maatschappelijk draagvlak is zonne-energie op dak het meer in het elektriciteitsnetwerk investeren, meest gewenst. Het belang van systeemefficiëntie is zeker waardoor de energierekening van de inwoner aanwezig, maar in het huidige beleidskader ondergeschikt. hoger wordt. Hoe gaat de gemeente hier mee We zijn ons er van bewust dat veel kleinschalig initiatieven om? uiteindelijk leiden tot een hogere energierekening. Tegelijkertijd kunnen onze inwoners met zonnepanelen op hun eigen daken veel meer rendement halen, dan wanneer ze mee participeren in een groot zonnepark. Het is ons dus niet duidelijk of inwoners per saldo duurder uit zijn met kleinschalige opwek, d.w.z. op daken, dan zonneparken. • Trede 1: Grondgebonden zonnepanelen binnen Bestaand Stedelijk gebied of op bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied In de visie mist beleid over opstellingen op Grondopstellingen op een bedrijventerrein zijn in het beleid gronden bestemd als bedrijfsterrein cat. 1 en 2. opgenomen als ‘locatie binnen BSG (trede 1)’.
Voor zover het bedrijfsterrein geen onderdeel is van BSG, geldt dat het beleid is opgenomen als ‘locatie binnen een bestaand bouwperceel in het landelijk gebied (trede 1). Binnen deze trede 1 zijn er per locatie (BSG of bouwperceel in landelijk gebied) plaatsingsmogelijkheden voor zonnepanelen voor bedrijven. Het beleidskader onderscheidt geen milieucategorieën. De milieucategorisering heeft betrekking op de toegelaten bedrijfszwaarte op een locatie in relatie tot milieu-effecten op de omgeving. De milieucategorisering geldt dus in hoofdzaak voor het te vestigen/gevestigde bedrijf zelf, waar zonneopwek bij kan plaatsvinden. Indien zonneopwek monofunctioneel plaatsvindt, en daarmee een zelfstandig energie(opwek)bedrijf betreft, vindt m.b.t. de zonneenergieopwek wel toetsing plaats aan de milieucategorisering. Grondopstellingen op bedrijventerreinen krijgen Wij gaan bovenal uit van zonneopwek bij een gevestigd verhoudingsgewijs vrij eenvoudig toestemming regulier bedrijf. Trede 1 biedt hiervoor mogelijkheden. Deze van de gemeente. Voor de werkgelegenheid in zonneopwek vindt dan op of naast de bedrijfsbebouwing
onze gemeente kan het echter van groot belang zijn dat er voldoende braakliggend bedrijventerrein beschikbaar is. Kan er als voorwaarde aan trede worden toegevoegd om grondopstellingen op bedrijventerreinen alleen toe te laten op overtollige bedrijfspercelen?
plaats (meervoudig ruimtegebruik). Het bouwperceel met het gevestigd bedrijf creëert werkgelegenheid wat de gemeente nadrukkelijk van belang vindt. Vestiging van deze reguliere bedrijvigheid heeft dan ook de voorkeur. De mogelijkheden voor bedrijventerreinen zijn beleidsmatig dan ook afgestemd op de regionale behoefte voor dergelijke bedrijfsvestiging. Ingeval van braakliggend bedrijventerrein zou het vanuit ruimtelijke oogpunt en indachtig de duurzaamheidsopgave toelaatbaar kunnen zijn om op deze bouwpercelen uitsluitend zonneopwek te realiseren (als energie(opwek)bedrijf). Dit is nadrukkelijk een situatie van maatwerk. Het hangt in dat geval van de regionale en lokale (markt)situatie af in hoeverre gesproken kan worden van ‘voldoende mate van braakliggendheid’. In ieder geval moet aangetoond zijn dat het bedrijfsbouwperceel langdurig te koop is aangeboden voor reguliere bedrijvigheid zonder animo/afname.
Op grond van uw beleid mag bij grondopstellingen op (agrarische) bedrijfspercelen in het landelijk gebied de opwekcapaciteit ruimer zijn dan voor eigen gebruik. De overproductie mag maximaal 50% zijn. Op grond van de verordening is dit niet toegestaan. Het op te stellen vermogen moet afgestemd zijn op het eigen energieverbruik op het perceel. De ruimte voor 50% overproductie dient dan ook te worden geschrapt.
In het beleid zal worden toegevoegd dat alleen braakliggende bedrijfsterreinen kunnen worden benut voor grondopstellingen. Wij begrijpen in beginsel de provinciale voorwaarde om het opwekvermogen op het eigen energieverbruik af te stemmen, en hiermee de opwek qua aard en schaal passend te maken in zijn context. De opgave binnen de energietransitie is echter zodanig groot dat we dit niet geheel op daken en binnen BSG kunnen vormgeven. Ook locaties binnen het landelijk gebied zullen we hiervoor moeten inzetten. De gemeente is daarbij van mening dat juist de (agrarische) bedrijfskavels vanwege hun uitstraling, het bijbehorend grondareaal en het feit dat het grotere ruimtelijke eenheden binnen het landelijk gebied zijn, verantwoorde mogelijkheden hebben om tot maximaal 50% van de eigen energiebehoefte extra aan duurzame energie op te mogen wekken om daarmee een extra steentje bij te dragen aan de duurzaamheidsopgave. Uiteraard met verplichte inspanning op procesparticipatie en financiële participatie, en met een nadrukkelijke voorwaarde van landschappelijke aanvaardbaarheid en inpassing. Desalniettemin heeft de gemeente ervoor gekozen om -in overeenstemming met het op dit moment vigerend provinciaal beleid- de mogelijkheid voor 50%-overproductie voor (agrarische) bedrijfspercelen te schrappen.
Daarbij merken we wel de volgende twee zaken op: - Wij willen bovenal dat in voorkomende gevallen vanuit maatwerk afstemming/overleg mogelijk is omtrent de toelaatbare opwekcapaciteit van (agrarische) bedrijfspercelen. - Voor bedrijfslocaties bestaat vanuit planologisch oogpunt afwegingsmaatwerk voor het vestigen van een ‘energie(opwek)bedrijf’. Dergelijke bedrijven
zijn vanuit zijn opzet/insteek per definitie niet te beperken tot zonneopwek voor uitsluitend eigen energieverbruik. De duurzame energie is in deze gevallen juist het te verhandelen ‘product’. In het conceptbeleidskader is ook het volgende Dakopstellingen zijn veelal vergunningsvrij, en vanuit dat opgenomen: kader niet beperkt in opwekcapaciteit. In dat opzicht is het “Beleidsmatig vinden wij de vestiging van een voor agrariërs en ondernemers prima mogelijk om meer op energiebedrijf op een agrarisch erf onwenselijk. te wekken dan hun eigen energiebehoefte. Dit is Een energiebedrijf hoeft niet altijd de bestaande beleidsmatig ook prettig, aangezien dakopstellingen bedrijfsbestemming van een ondernemer te ruimtelijk gezien weinig impact hebben, en het agrarische overstijgen. De vestiging van een energiebedrijf karakter niet aantast. op een bestaand bedrijfsperceel vraagt (mits al Grondopstellingen zijn vergunningsplichtig, en om die reden niet met recht mogelijk) om een ook op opwekcapaciteit te sturen. Dit is ook gewenst, omdat maatwerkbeoordeling.” grondopstellingen een grotere ruimtelijke invloed hebben. Dit klinkt tegenstrijdig. Enerzijds wordt het Voor agrarische bedrijfspercelen is van belang dat de onwenselijk geacht en anderzijds wordt grondopstellingen qua aard en schaal bij de agrarische maatwerk geleverd.
En is het niet juist goed dat context past, en het agrarische karakter niet aantast. Om de grote daken bij agrarische bedrijven volop deze reden wordt voor agrarische grondopstellingen een worden benut voor zonnepanelen? Daar zullen beperking gezocht bij de eigen energiebehoefte. Zie ook weinig mensen problemen mee hebben. bovenstaande reactie. Dit geldt in principe ook voor (niet-agrarische) bedrijfspercelen. Echter, het industriële karakter van de zonnepanelen past in essentie al prima binnen de bedrijfsbestemming. Voor dergelijke bedrijfslocaties bestaat daarom vanuit planologisch oogpunt al afwegingsmaatwerk voor het vestigen van een ‘energie(opwek)bedrijf’. Zie ook bovenstaande reactie. • Trede 2: Grondgebonden zonnepanelen nabij Bestaand Stedelijk gebied, direct in aansluiting op bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied of op bijzondere locaties in landelijk gebied met een andere primaire functie dan agrarisch of natuur Op grond van de Wijziging Verordening Romte Wij begrijpen de ingebrachte reactie van de provincie vanuit (zon) zijn landbouwgronden pas nadrukkelijk in het oogpunt van het provinciaal Bestuursakkoord en de de laatste trede (4) aan de orde. Dit met het oog Omgevingsvisie dat landbouwgronden de uiterste optie op het behoud van landbouwgronden voor de zouden moeten zijn. De gemeente hecht eveneens waarde agrarische productiefunctie.
Multifunctioneel aan dit landbouwbelang. ruimtegebruik, zoals het benutten van De indeling van de treden van de gemeentelijke bijvoorbeeld zandwinputten, dient dan ook Zonneladder is echter gebaseerd op de landschappelijke eerder aan de orde te zijn. U plaatst impact van de opwekvormen. In dat opzicht hebben wij de landbouwgronden nabij het bestaand stedelijk ‘locaties nabij BSG’ en de ‘bijzondere locatie in het gebied (BSG) en locaties als zandwinputten op buitengebied (zoals zandwinputten)’ op een gelijke trede gelijke hoogte in de zonneladder. U kiest geplaatst. De ene vorm heeft landschappelijk beschouwd hiervoor, omdat er mogelijk situaties zijn dat een niet per definitie de voorkeur boven de andere vorm. Binnen zonne- park nabij het BSG landschappelijk gezien de Zonneladdertoepassing zal het landbouwbelang zonder een betere optie zou kunnen zijn dan een meer onderdeel zijn. multifunctionele locatie in het buitengebied. Wij In alle gevallen zullen de bijzondere locaties in het hebben begrip voor deze beweegredenen, maar buitengebied wel als wenselijker geschouwd worden ten conform het Bestuursakkoord en de opzichte van een locatie in het landschap (niet nabij BSG). Omgevingsvisie dienen landbouwgronden de uiterste optie te zijn. Concrete gevallen met Vanwege bovenstaande is er geen aanleiding om de bijbehorende ladderonderzoek zullen wij dan tredeindeling aan te passen.
Wel geven we onder trede 2 in ook op die wijze beoordelen. een voetnoot ter verduidelijking aan dat dit enigszins afwijkt van de provinciale zonneladder, en dat de provincie concrete gevallen met bijbehorende ladderonderzoek op haar wijze zal beoordelen.
Binnen huidige beleid zijn er mogelijkheden om zonneparken te plaatsen, grenzend aan het bestaand stedelijk (BSG) gebied en in het landelijk gebied. Kan het gebied rond Kollum en het gebied rond Augsbuurt vanwege hun landelijke karakter worden uitgesloten van grondgebonden zonnepanelen? De toegestane oppervlakte rond Kollum van 20 hectare is bovendien te groot. Het huidige zonnepark van 8 hectare is al meer dan voldoende.
In trede 3 van de ladder stelt u dat het denkbaar is dat grootschalige zonneparken juist niet aangrenzend of nabij het BSG gesitueerd moeten worden, maar eerder op enige afstand. In de verordening is opgenomen dat opstellingen in beginsel dienen aan te sluiten bij het BSG of aansluiting hebben of krijgen op het stedelijk weefsel van de kern (artikel 9.6.3 lid 1). In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een opstelling voor zonne-energie worden toegestaan nabij het bestaand stedelijk gebied, mits: 1) de opstelling voor zonne-energie voortvloeit uit een lokaal maatschappelijk initiatief van één of meer samenwerkende dorpen, en 2) uit de belangenafweging blijkt dat de landbouwgronden minder waardevol zijn dan de landbouwgronden op alternatieve locaties aansluitend aan de kern. Wat nog als ‘nabij’ kan worden aangemerkt is in belangrijke mate een bevoegdheid van de gemeente zelf. Wij vinden het belangrijk dat de locatie een zekere connectie/verbondenheid heeft met één of meerdere nabijgelegen kernen. U zult een dergelijk concreet geval goed moeten motiveren. Het is niet de bedoeling dat een zonnepark geheel solitair in het landschep landschap ligt.
Bijlage 1: waarom worden zonneparken tot 1 hectare toegestaan bij hele kleine kernen. Kunnen deze kernen deze oppervlakte van 1 hectare wel verdragen? Hebben deze kleine kernen überhaupt wel BSG?
Als gemeente is het belangrijk om gelijke gevallen op een gelijke manier te behandelen. Er zijn in onze gemeente veel gebieden met een landelijk karakter. Het is dus voor ons niet mogelijk om Kollum en Augsbuurt uit te sluiten, terwijl we dit in de rest van de gemeente ook niet doen. Bovendien worden zonneparken nabij of verder in het landschap op hogere treden van de Zonneladder geplaatst, waardoor deze gebieden een (veel) kleinere kans hebben om benut te worden voor zonne-energie. Het borgen van het landelijke karakter is dus nadrukkelijk onderdeel van het beleidskader. We willen echter bij voorbaat niet te veel uitsluiten, omdat we de ruimte willen bieden aan maatwerk. De toegestane oppervlakte van 20 hectare rond Kollum is gebaseerd op de eigen energiebehoefte. We zijn dus van mening dat deze schaal bij de schaal van het dorp past. Het huidige zonnepark van 8 hectare betekent wel dat er al 40% van de toegestane oppervlakte is gerealiseerd. Er mag dus niet nog eens 20 hectare worden geplaatst. In artikel 9.6.3, lid 1 van de Verordening Romte Fryslân is samengevat bepaald dat in het landelijk gebied een opstelling voor zonne-energie mogelijk is op agrarische gronden die aansluiten op het bestaand stedelijk gebied of die hierop een redelijke aansluiting hebben of krijgen.
Wij stellen ons voor dat het in bepaalde situaties vanuit – als voorbeeld – stedenbouwkundige, landschappelijke en/of cultuurhistorische overwegingen wenselijk is dat een opstelling niet direct in aansluiting op het bestaand stedelijk gebied wordt aangelegd of gebouwd in die zin dat dit plaatsvindt op de gronden direct naast de gronden van het bestaand stedelijk gebied. Vanuit de hier bedoelde overweging kan het voor de aanvaardbare inpassing van de opstelling namelijk wenselijk zijn om enige ruimte tussen het bestaand stedelijk gebied en de opstelling te waarborgen. Het is een kwestie van maatwerk om te beoordelen op ‘enige ruimte’ nog onder de provinciale noemer van ‘nabijheid’ valt. De gemeente heeft er bewust voor gekozen om onderscheid te maken tussen trede 2 (‘nabij BSG’) en trede 3 (‘op enige afstand’). Als uit de toets van de Zonneladder blijkt dat een initiatiefnemer goed kan motiveren waarom trede 2 niet mogelijk is (bv. stedenbouwkundige of cultuurhistorische overwegingen) dan is er in uitzonderlijk geval e.e.a. mogelijk in trede 3. We zijn ons er van bewust dat dit een nuanceverschil oplevert met de provinciale toets. Wij nemen de opmerking voor kennisgeving aan nu hierin ook is opgemerkt dat ‘wij dat zelf in een concreet geval goed moeten motiveren’. En op dit moment ligt er (nog) niet een dergelijke situatie voor een beoordeling voor.
In een eerdere versie zijn we uitgegaan van de kernen en niet van bestaand stedelijk gebied (BSG). Het blijkt nu inderdaad dat er kleinere kernen zijn die geen BSG hebben. Deze zullen dan ook worden verwijderd uit Bijlage 1. De
Bijlage 1: gaat het in de bijlage om bruto of netto hectares? Of in andere woorden, is dit inclusief of exclusief landschappelijke inpassing?
Bijlage 1: kan de maximale opwek per kern worden verminderd met de reeds bestaande zonneparken? Bijlage 1: Per kern wordt de toegestane oppervlakte zonnepark buiten het bestaand stedelijk gebied aangegeven. De maximale oppervlakte is afgestemd op het aantal inwoners van de kern. Hoewel wij positief zijn over de gekozen insteek kan hiermee wel de door ons gestelde maximale omvang worden overschreden (artikel 9.6.3 lid 4c). Hier kan echter worden afgeweken, mits de opstelling voortvloeit uit een lokaal maatschappelijk initiatief en tegemoet komt aan de energiebehoefte van één of meerdere samenwerkende kernen. Concrete gevallen zullen wij hierop beoordelen. Zijn de postcodegrenzen leidend voor de splitsing van de maximale hectare buiten BSG per kern? Of is er een kaart beschikbaar waarop deze grenzen staan?
•
bijlage heeft namelijk betrekking op trede 2, die gebaseerd is op BSG en niet op kernen. De genoemde hectares in bijlage 1 zijn exclusief de landschappelijke inpassing. Het gaat dus echt om de hectares aan zonnepanelen, en niet het hele plangebied. De reden hiervoor is dat de maximale hectares per kern in bijlage 1 gebaseerd zijn op de energiebehoefte van die kern. Het is dan ook logisch om uit te gaan van de netto hectares aan zonnepanelen. Ja. In het beleidskader is reeds opgenomen dat de bijlage de totale hectares betreft. Bestaande zonneparken moeten dus worden afgetrokken van het maximum. Deze opmerking nemen wij voor kennisgeving aan nu hierin is opgemerkt dat ‘met afwijking de ruimte die wij willen bieden onder voorwaarden mogelijk is’ en ‘dat de provincie concrete gevallen hierop zal beoordelen’. Op dit moment ligt er (nog) niet een dergelijke situatie voor een beoordeling voor.
De maximale opwek per kern is gebaseerd op energiebehoefte en kerngrootte, door een benadering via inwoneraantal (postcodegebied). Op deze wijze wordt geborgd dat het zonnepark ruimtelijk qua aard en schaal in verhouding staat tot de kern en op het meeste draagvlak kan rekenen. Voor de situering van het zonnepark is het postcodegebied niet van belang. Van belang is een ruimtelijke aansluiting op of nabijheid van de kern (BSG).
Trede 3: Grondgebonden zonnepanelen in het buitengebied/landschap In het coalitieakkoord staat: ‘Zonneweiden In het coalitieakkoord is inderdaad opgenomen dat er in eerste aanleg en in principe geen zon op landbouwgrond willen we in eerste aanleg niet op mag worden gerealiseerd. De nuance zit hem in de landbouwpercelen. We houden vast aan de onderstreepte zinsdelen. Bij voorkeur worden andere bestemming landbouw’. Is dit integraal gronden benut. Er is echter nog een klein kiertje mogelijk, opgenomen in het beleid? Wordt er van dit waarbij er met maatwerk en met nadrukkelijk uitgangspunt afgeweken in het beleid? maatschappelijk draagvlak wel het één en ander mogelijk is. Het is natuurlijk mogelijk dat de coalitie er nu Zo is dit ook in het beleid opgenomen. Landbouwgronden anders over denkt dan bij het opstellen van het vallen binnen de hogere treden van de Zonneladder en coalitieakkoord maar voor de betrouwbaarheid hebben daarmee een kleinere of zelfs zeer kleine kans van van de politiek is het goed om daarover wel realisatie. Tegelijkertijd zijn we van mening dat er vooraf uitleg te geven. niet te veel moet worden dichtgetimmerd. Er zijn uitzonderlijke gevallen denkbaar, waarbij zon op landbouwgrond juist wel een goed idee is.
In die zin wordt er dus niet afgeweken van het coalitieakkoord. De politiek committeert zich nog steeds aan de onwenselijkheid van zon op landbouwgrond. Meervoudig ruimtegebruik Bij het onderdeel meervoudig ruimtegebruik stelt u dat het altijd gewaardeerd wordt als een initiatiefnemer ruimte maakt voor biodiversiteit. Op deze plaats willen wij u wijzen op artikel 9.6.3 lid 4 onder d. Hierin is nadrukkelijk opgenomen dat voor opstellingen in het landelijk gebied in ieder geval ruimte moet worden gemaakt voor het versterken van biodiversiteit. Dit is niet vrijblijvend maar een voorwaarde. Wij vragen u dat nadrukkelijk in uw beleidskader te benoemen, zodat bij de planontwikkeling hier tijdig rekening mee gehouden kan worden. Maatschappelijk draagvlak en participatie M.b.t. lokale participatie moet verder gekeken worden. Ook bijvoorbeeld inwoners uit de binnenstad van Dokkum moeten de mogelijkheid kunnen hebben om middels een postcoderoos of postcoderups financieel deel te nemen aan dergelijk lokale energieprojecten.
De Sinnetafel moet plaatsvinden voordat een locatie is bepaald. Dit betekent dat ontwikkelaars in beginsel niet kunnen beginnen met een grondpositie en verwachten dan in voorkomend geval een goede ladderonderbouwing. De gemeente gaat echter wel uit van een vooringenomen locatie.
Verzoek: Opnemen mogelijkheden voor een effectieve vorm van samenwerking tussen commerciële ontwikkelaars bij lokale coöperaties. Dit omdat in de praktijk blijkt dat het heel moeilijk is om een lokaal project voor 100% lokaal vol te krijgen. Door het betrekken van commerciële partijen ( zonnepanelendelen
In de conceptversie van dit beleid was het versterken van biodiversiteit inderdaad een streven en geen eis. Bij nader inzien is het versterken van biodiversiteit voor opstellingen in het landelijk gebied dusdanig gewenst dat het geëist dient te worden. In de definitieve versie zullen we het versterken van biodiversiteit als eis opnemen, bij treden 2 en 3. Het vergt echter wel maatwerk om te bepalen wat precies bedoeld wordt met ‘versterken’.
Het is inderdaad gewenst dat ook de inwoners van binnenstad Dokkum de mogelijkheid hebben om mee te participeren in een zonnepark. In het beleid wordt gesteld dat de ‘lokale omgeving’ moet worden betrokken bij een zonnepark. De precieze afbakening van ‘lokaal’ is echt maatwerk. Bij een grootschalig zonnepark aan de rand van Dokkum is het zeker denkbaar dat de binnenstad ook mee kan doen. Onder de oude postcoderoosregeling was het alleen maar mogelijk om mee te participeren in een zonnepark dat in hetzelfde postcodegebied lag. Met de nieuwe Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SEC) mogen echter ook alle postcodegebieden die daaraan grenzen mee-participeren. Dit betekent dat inwoners van de binnenstad Dokkum dus ook mee kunnen doen in een project dat aan de rand van Dokkum wordt gerealiseerd. In een eerdere reactie naar de provincie is dit vraagstuk ook aan de orde geweest. De provincie beoogt geen vooringenomen locatie. In de praktijk zien we echter veelal dat initiatiefnemers hun eigen gronden willen benutten, of in elk geval redeneren vanuit dit vertrekpunt. Natuurlijk moet daarna nog openstaan of dit ook de locatie wordt, of dat het mogelijk is om de zonnepanelen op lagere treden van de Zonneladder te plaatsen. De locatie staat ook in ons beleid dus zeker niet vast, maar in de praktijk is de locatie in eerste instantie wel vooringenomen.
Bovendien lijkt het ook niet mogelijk om dit anders te doen: als gemeente moeten we eerst bepalen waar het initiatief op landt op de Zonneladder. Dit kan niet zonder vooringenomen locatie. Tegelijkertijd zijn we er dus zeer alert op dat de locatie niet in beton moet zijn gegoten. In het beleidskader gaan we er vanuit dat commerciële partijen inderdaad een rol spelen bij zonneparken. Als een energiecoöperatie een zonnepark helemaal zelf kan realiseren, dan is dit vanzelfsprekend gewenst. In de praktijk kan er echter een gebrek aan investeringsmogelijkheden of een gebrek aan expertise zijn. Het is daarom inderdaad gewenst dat commerciële partijen en energiecoöperaties
etc.) kunnen dergelijke, niet helemaal volgeschreven projecten toch gerealiseerd worden. Dergelijke partijen hebben ook ervaring op de ontwikkeldynamiek tussen bewoners, coöperaties, gemeenten (toetsingskaders), grondeigenaars en commerciële partners. Verzoek: Het actief betrekken van inwoners met een smalle beurs bij dergelijke initiatieven. Men kan denken aan op korte termijn hulp bij energiebesparende maatregels en op lange termijn aan het betaalbaar houden van groene energie. Techniek De netbeheerder legt infrastructuur aan voor een periode van 40 jaar of langer. Een initiatiefnemer kan een zonnepark al ruimen na de verleende vergunningstermijn. Wordt de vrijgekomen capaciteit daarna nog benut? Eerder verwijderen heeft namelijk een versnelde afschrijving tot gevolg.
samenwerken. Ook wanneer een commerciële partij zelf een plan initieert, dan is het gewenst dat ze daarbij een energiecoöperatie bij betrekken. Dit is ook voordelig voor de commerciële partij, omdat zo draagvlak wordt vergroot. Dit beleidskader biedt dan ook zeker de mogelijkheden voor dit soort samenwerkingsvormen. De samenwerking met het Sociaal domein op dit onderdeel is gaande, recent hebben we een landelijk subsidie ontvangen voor de RREW regeling die ons in staat stelt om aan de gestelde vraag concreet invulling te geven.
Het is inderdaad gewenst dat de netcapaciteit zo goed mogelijk wordt benut, met name om de energierekening van de inwoner zo laag mogelijk te houden. Het is echter niet mogelijk om netcapaciteit één van de criteria te laten vormen voor het wel of niet verlenen van een vergunning voor een zonnepark. Of er na de looptijd van een zonnepark opnieuw een vergunning wordt verleend op de betreffende locatie, is afhankelijk van het dan geldende beleid. We kunnen dus niet garanderen dat de netcapaciteit altijd weer wordt gebruikt. Echter, omdat een zonnepark al eerder is gerealiseerd, is de kans sowieso aanwezig dat er opnieuw een vergunning wordt afgegeven. Immers, het initiatief is eerder ook positief getoetst.
Overig Indien een grondopstelling niet binnen het bestemmingsplan past en er afgeweken wordt met toepassing van art. 2.12 lid 1 onder a3 Wabo is een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad nodig. De gemeenteraad heeft op 4 september 2019 voor veel categorieën gevallen bepaald dat er geen verklaring van geen bedenkingen nodig is. Daarin is “het realiseren van bouwwerken ten behoeve van duurzame energie” doorgehaald. Betekent dit dat er voor een grondopstelling zonnepanelen waarbij 2.12 lid 1 a3 Wabo van toepassing is, er altijd een vvgb van de gemeenteraad zal worden gevraagd? Of kan de grondopstelling soms ook onder andere categorieën van het raadsbesluit van 4 september 2019 worden gebracht, zodat dit buiten de gemeenteraad om kan gaan? Kan de gemeente subsidies openstellen en ondersteuning bieden in projecten m.b.t. asbest eraf en zonnepaneel erop? Idem voor het maken van constructieberekeningen t.b.v. dakverzwaring van bestaande bedrijfsgebouwen.
Met het doorhalen van de onder 2, onder d. opgenomen geval (het realiseren van bouwwerken ten behoeve van duurzame energie) heeft de raad bedoeld om dit niet aan te wijzen als één van de categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen van de raad nodig is. Met andere woorden: wanneer er een omgevingsvergunning voor de aanleg of bouw van bouwwerken voor duurzame energie wordt voorbereid wil de raad dat deze vergunning pas wordt verleend nadat zij heeft verklaard dat zij tegen die verlening geen bedenkingen heeft.
De gemeente heeft recent de Duurzaamheidslening beschikbaar gesteld. Hierin zit ook een optie voor het verwijderen van asbest en het plaatsen van PV. Bij het plaatsen van PV panelen kan de lening ook gebruikt worden voor de constructieberekening ten behoeve van het plaatsen van PV-panelen. Toevoegen: een actieve verplichting tot het De optie om dit via een actieve verplichting te organiseren, uitdiepen combinatie van zon-wind-waterstof. lijkt ons niet haalbaar. De gemeente volgt de ontwikkelingen Immers de zonne-energie op zich is punt 1, met betrekking tot de opslag van energie op de voet. De opslag is een tweede. Hierdoor kan gelijk een
hele slag gemaakt worden in het onafhankelijk maken van aardgas. Verzoek: uitdiepen van slimme netten, coöperatieve batterij cable pooling, gecombineerde aansluiting voor wind- en zonneparken op één aansluitlocatie.
Er moet de mogelijkheid worden opgenomen tot het plaatsen van tijdelijke velden op bijvoorbeeld industriegronden, bouwkavels etc.
De mogelijkheid van maatwerk moet opgenomen worden in dit plan. Ook in het plan van de provincie blijkt dat veel goede projecten net niet aan 1 van de regels voldoen. Hiervoor moet (gemotiveerd) maatwerk mogelijk zijn.
verhouding tussen kosten en rendement worden daarbij telkens nadrukkelijk meegenomen. De gemeente is groot voorstander van de hiernaast genoemde innovaties, maar de verantwoordelijkheid voor deze casuïstiek ligt grotendeels bij de netbeheerder. De gemeente onderhoudt goed contact met de netbeheerders en zal bij het aandragen van dit soort innovaties zeker medewerking verlenen. Binnen het huidige beleid zijn tijdelijke velden mogelijk. Echter, bij industriegronden en bouwkavels geldt dat er vaak concurrerende functies zijn (denk bijvoorbeeld aan werkgelegenheid). Het is dus de vraag of tijdelijke velden ook in de praktijk haalbaar zijn. Maar het beleidskader staat dit zonder meer toe. De gemeente is van oordeel dat in het (concept)beleidskader voldoende ruimte is opgenomen voor maatwerk binnen de voorwaarden die in het kader zijn opgenomen. Daarbij blijkt de gemeente uit de inspraakreactie ook niet welke mogelijkheden voor maatwerk naar de mening van de inspreker nog ontbreken. De inspraakreactie wekt het beeld op dat het wenselijk is om in het beleid een algemene afwijkingsmogelijkheid op te nemen op grond waarvan het mogelijk is om af te wijken van alle onderdelen van het beleidskader. Die mogelijkheid heeft de gemeente altijd. Daarvoor is alleen wel een goede onderbouwing nodig, maar daarover is ook geen verschil van mening met de inspreker zo blijkt uit de inspraakreactie.
Het is dan ook niet nodig (of wenselijk) om een dergelijke algemene afwijkingsmogelijkheid op te nemen.
3. Ambtshalve wijzigingen
Opmerking op eerste concept Opbouw van de gemeentelijke duurzaamheidsopgave Hoe wordt in de opgavebepaling rekening gehouden met de ambitie die de gemeente in februari 2021 heeft vastgesteld?
Reactie In de conceptversie van het beleidskader waren er twee ijkpunten opgenomen: de ANNO-ambitie voor 2025 en de (inter)nationale ambities voor 2050. De ANNO-ambitie (40% duurzame energie in 2025) wordt inmiddels niet meer gedragen door de ANNO-gemeenten en is daarom uit het beleidskader verwijderd. In het kader van de RES heeft de gemeente NoardeastFryslân een eigen ambitie vastgesteld voor 2030. De ambitie luidt dat in 2030 70% van de benodigde elektriciteit op een duurzame wijze wordt opgewekt. Bij de formulering van deze ambitie is reeds doorgerekend hoeveel grootschalige zonne-energie nodig zou zijn. Omgerekend komt de ambitie neer op 68 hectare aan grootschalige zonne-energie in 2030. Deze opgave is opgenomen in het beleidskader. Voor 2050 is ook een nieuwe opgave doorgerekend. Dit komt uit op 165 hectare en is iets lager dan in de conceptversie, omdat er met de nieuwste inzichten is gerekend. Deze 165 hectare is bovendien niet alleen maar grootschalig. Een deel kan ook nog op daken worden gerealiseerd.
Meervoudig ruimtegebruik Op pag. 36 wordt aangegeven dat periodieke monitoring van de biodiversiteit onderdeel zal uitmaken van de omgevingsvergunning. Wie gaat dat doen? En wat moet er dan specifiek worden gemonitord?
Periodieke monitoring is essentieel om het belang van biodiversiteit te borgen. Er dient gemonitord te worden of biodiversiteit ook daadwerkelijk is ‘versterkt’. Dit is een nadrukkelijke vereiste voor grondopstellingen in het landelijk gebied. In de conceptversie was de veronderstelling dat de gemeente de monitoring zou ondernemen. Het blijkt echter meer gebruikelijk dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor het organiseren van periodieke monitoring. Dit is als zondag verwerkt in de definitieve versie.
Maatschappelijk draagvlak en participatie Is het mogelijk voor de gemeente om een Bij de conceptversie van het beleidskader waren proces- en resultaatsverplichting te vereisen bij proces- en financiële participatie als vereiste opgenomen, en zou de financiële participatie? mate van participatie integraal worden afgewogen tegenover de ruimtelijke criteria. Nu blijkt echter dat deze resultaatsverplichting juridisch niet afdwingbaar is. Het wel of niet verlenen van een vergunning mag namelijk alleen maar op ruimtelijke criteria zijn gebaseerd. Het is voor een gemeente alleen mogelijk om een inspanningsverplichting te vereisen voor procesparticipatie. Bij onvoldoende inspanning mag een gemeente wel de aanvraag voor een omgevingsvergunning weigeren. Dit is dan ook als zodanig opgenomen in het beleidskader. Qua financiële participatie is zelfs een inspanningsverplichting niet juridisch houdbaar. De gemeente kan alleen financiële participatie stimuleren, o.a. door te verwijzen naar het Klimaatakkoord en de ‘Gedragscode zon
op land’. Gebrek aan financiële participatie mag geen weigeringsgrond vormen als het niet gekoppeld is aan een ruimtelijk belang. Om die reden is financiële participatie niet meer als vereiste opgenomen, maar als stimulans. Daarbij blijft de gemeente zich sterk maken voor lokaal eigendom en als alternatief een omgevingsfonds. Verwacht wordt dat initiatiefnemers hier in de praktijk welwillend tegenover staan.
In het hoofdstuk participatie wordt gesteld dat de gemeente de initiatiefnemer bij de hand neemt in het participatieproces (is dat een bewuste keuze?) en daarnaast een toehoordersfunctie heeft. Is dit ook al de huidige manier van werken of totaal iets nieuws? Wie doet dat vanuit de gemeente? Of wie moet dat gaan doen? Is het voorstelbaar dat vóór 2022 (Omgevingswet) nog zo’n traject gaat lopen?
In hoofdstuk 5 van het beleidskader (participatie) is aangepast op basis van bovengenoemde inzichten Het bij de hand nemen van de initiatiefnemer is misschien te uitgebreid gedefinieerd. Er wordt bedoeld dat de initiatiefnemer al voor het participatietraject met de gemeente doorspreekt wat de plannen zijn. Iemand van team RO of team duurzaamheid kan zo de participatie aan de voorkant iets bijsturen. De term ‘toehoordersfunctie’ was eerder geïntroduceerd, omdat er vanuit gegaan werd dat de mate van draagvlak kon meetellen in het wel of niet vergunnen van een project. Nu blijkt echter dat zo’n resultaatsverplichting juridisch niet afdwingbaar is. Er is alleen een inspanningsverplichting voor de initiatiefnemer om aan procesparticipatie te doen. Om die reden is er niet altijd noodzaak voor een toehoordersfunctie van de gemeente. De inspanningsverplichting kan ook getoetst worden zonder deelname van een ambtenaar de procesparticipatie. Wel is een medewerker van RO of duurzaamheid bereid om aan te schuiven als daarom gevraagd wordt. Dit is echter niet structureel. Deze wijziging is doorgevoerd in paragraaf 5.4.
Overig Op pag. 17 wordt aangegeven dat de gemeente Er is inderdaad sprake van een verschrijving. Er wordt binnenkomende omgevingsvergunningen bedoeld dat binnenkomende aanvragen zullen worden toetsen aan de Wet Bibob. Hier zal sprake zijn getoetst aan de wet Bibob. van een verschrijving. Er zal bedoeld zijn binnenkomende aanvragen om een omgevingsvergunning.
4. Overige reacties
Opmerking op eerste concept Reactie Energiebesparing Paragraaf 2.5: Is er in het Energieakkoord Het Energieakkoord is van 2013 en zodoende is er nog geen rekening gehouden met een gasloze rekening gehouden met een aardgasvrije samenleving. In samenleving? het Klimaatakkoord van 2019 is dit wel opgenomen. Het Klimaatakkoord gaat echter alleen in kwalitatieve zin in op energiebesparing. Er is geen doelstelling voor jaarlijkse energiebesparing in opgenomen. Om die reden hanteren wij vooralsnog het Energieakkoord, ook al zijn de bevindingen niet allemaal even meer actueel. Contextbepaling duurzaamheidsambities en -opgave Kan er in het beleidskader worden opgenomen In het beleidskader is niet met een plafond aan dat de opwek van zonne-energie in Noardeastopwekvermogen gewerkt, omdat dit nog lang niet aan de Fryslân de energievraag niet overstijgt? orde is. De huidige opwek van zon, inclusief de pijplijn, is nog maar goed voor 5% van de energievraag in 2050. Met de hectares die in de opgavebepaling worden genoemd (165 ha in 2050), zouden we nog maar 30% van de totale energievraag invullen. Zonne-energie zal in de praktijk de energievraag niet zo snel overstijgen. Als dit wel het geval blijkt, dan kan dit altijd worden opgenomen in een herijking van dit zonnebeleid.
Het is dan aan te raden om niet een plafond voor alleen zonne-energie op te nemen, maar om één plafond voor de gehele mix aan duurzame energie te hanteren. • Trede 1: Grondgebonden zonnepanelen binnen Bestaand Stedelijk gebied of op bestaande bouwpercelen in het landelijk gebied In het beleidskader is (op pag. 21) opgenomen De maximalisering van de opwekcapaciteit heeft als doel om dat ten aanzien van de toelaatbare de uitstraling van de zonne-opwek in ruimtelijk (en naar opwekcapaciteit wij beleidsmatig (t.o.v. de verwachting ook maatschappelijk) opzicht qua aard en geldende bestemmingsplannen) extra ruimte schaal passend te maken in zijn context. willen bieden voor de overige bestemmingen Relevant verschil is dan dat de situering binnen bestaand binnen BSG dan wonen (bijvoorbeeld bedrijf, BSG een bestaande bebouwde context betreft. Een locatie maatschappelijk etc.). Voor deze overige nabij/aangrenzend aan het BSG beschouwen we -ondanks bestemmingen kan en mag beleidsmatig de de nabijheid/aangrenzendheid- toch als een situering in de opwekcapaciteit ruimer zijn, en meer in relatie landschappelijke context. Om die reden speelt nadrukkelijk worden gebracht met de energiebehoefte van ook het landschappelijke beoordelingskader een rol bij deze het betreffende BSG. Waarom geldt dit niet voor laatste locatie.
Dit is dan ook de reden waarom de percelen met een bedrijfsbestemming die geen bedrijfsbouwpercelen in het landelijk gebied nabij BSG een onderdeel uitmaken van het BSG (maar daarop beperktere opwek toegekend krijgen, hoewel dit nog steeds wel aansluiten)? meer is dan enkel de eigen energiebehoefte. • Trede 3: Grondgebonden zonnepanelen in het buitengebied/landschap Afgaande op het coalitieakkoord van Noardeast- Het coalitieakkoord gaat terecht in op de onwenselijkheid van zon op landbouwgrond. Er staat echter ‘bij voorkeur’ Fryslân (‘bij voorkeur geen zonnepanelen op geen zon op landbouwgrond. Er staat niet dat landbouwgrond’), moet trede 3 dan niet landbouwgronden volledig moeten worden uitgesloten van helemaal worden uitgesloten? zonneparken. Binnen het huidige beleidskader worden landbouwgronden ook als zeer onwenselijk beschouwd. Via de Zonneladder worden initiatieven zoveel mogelijk weggestuurd van landbouwgronden. Het beleidskader is daarmee in overeenstemming met de uitgangspunten van het coalitieakkoord. Trede 3 is echter niet helemaal
uitgesloten, omdat er in zeer uitzonderlijke gevallen nog het één en ander mogelijk is. Dit vraagt om maatwerk. Meervoudig ruimtegebruik Gaat het niet te ver om versterking van de biodiversiteit te vragen voor zonneparken op percelen waarop bij rechte gebouwd mag worden of wat bij rechte verhard mag worden? Als voor ander gebruik wordt afgeweken van het bestemmingsplan, dan vragen we ook niet om meer biodiversiteit te realiseren. Werpen we hier niet te veel drempels mee op, terwijl we de toepassing van zonnepanelen juist willen stimuleren? Overig Wat voor effect heeft het plaatsen van zonnepanelen op de WOZ-waarde? Ga je dan meer belasting betalen?
BIBOB: wat gebeurt er als het bedrijf dat een omgevingsfonds moet vullen failliet gaat? Wat als de eigenaar verandert? Is er voldoende juridische borging om de aanspraak van de lokale omgeving op het omgevingsfonds te garanderen?
Het zou denk ik goed zijn om in paragraaf 3.1.1 nog een zinsnede op te nemen over de welstandscriteria voor zonnepanelen in beschermde stads- en dorpsgezichten. Het is de vraag of het welstandsbeleid voor zonnepanelen, zoals is opgenomen in de welstandsnota, misschien niet te streng is.
We stellen biodiversiteit alleen als eis bij grondopstellingen in het landelijk gebied. Binnen deze smaken zijn er geen gevallen van ‘waarop bij rechte gebouwd mag worden.’ Bij bouwpercelen geldt dus niet de eis voor biodiversiteit.
Zonnepanelen worden gerekend als onroerend goed en gemeenten zijn derhalve verplicht om zonnepanelen mee te rekenen in de WOZ-waarde. Omdat de WOZ-waarde stijgt, ga je inderdaad meer ozb-belasting betalen met zonnepanelen. Echter, de financiële voordelen van zonnepanelen overtreffen de extra kosten ruimschoots. Noardeast-Fryslân hanteert een ozb-belasting van 0,17%. Met een gemiddelde investering van 5.000 euro in zonnepanelen stijgt de belasting jaarlijks dus met nog geen 10 euro. Dit terwijl de extra opbrengsten gemiddeld rond de 200 euro per jaar liggen (bron: NOS). In het beleid is bepaald dat financiële participatie bij initiatieven voor zonneparken in de eerste plaats plaatsvindt doordat “50% van de productie in handen komt van de lokale omgeving”. In de tweede plaats kan dit door ‘het storten van een financiële bijdrage in een omgevingsfonds door de initiatiefnemer’. Voor alle twee de mogelijkheden zullen overeenkomsten nodig zijn waarin de gemaakte afspraken zijn opgenomen. Dit kunnen ook afspraken zijn over de manier van handelen bij een faillissement van de initiatiefnemer (of andere rechtspersoon) die moet bijdragen aan het omgevingsfonds. De hier bedoelde overeenkomst is dan ook de aangewezen plaats voor het voldoende waarborgen van de (blijvende) bijdrage aan het fonds.
Dit is op zichzelf een goede opmerking maar de gestelde vraag is een vraag die in overweging genomen moet worden bij het beoordelen van het welstandsbeleid.
Bijlage 1 Overzicht van ingekomen inspraakreacties
Nummer indiener 1. 2. 3. 4. 5 6.
7. 8.
Datum van ontvangst 2 februari 2021 17 februari 2021 18 februari 2021 23 februari 2021 23 februari 2021 24 februari 2021 (pro forma) 15 maart 2021 25 februari 2021 25 februari 2021
Indiener inspraakreactie
Ontvankelijk?
Liander Provinsje Fryslân Initiatiefnemer Inwoners (2) Inwoner Inwoner
Ja Ja Ja Ja Ja Ja
Doarpsbelang Engwierum Doarpsbelang Marrum-Westernijtsjerk
Nee Nee