Bijlage 2 - Passage ledenbrief VNG 14 juli 2020 m.b.t. artikel lachgasverbod
Tekst van het document
Verordeningen in het omgevingsplan Op het moment van inwerkingtreding zijn alle bestemmingsplannen van rechtswege een omgevingsplan en hetzelfde geldt voor een beperkt aantal gemeentelijke verordeningen. Andere regels op het gebied van de fysieke leefomgeving (die bijvoorbeeld in de APV kunnen staan, maar ook in andere verordeningen) worden bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet automatisch beschouwd als onderdeel van het omgevingsplan. Heel kort samengevat geldt voor die regels het volgende. Een deel van deze regels moet worden opgenomen in het omgevingsplan, een ander deel mag worden opgenomen in het omgevingsplan (artikel 2.1 van het Omgevingsbesluit). Tot 2029 is er een overgangsfase waarin een en ander vorm moet krijgen en waarin een omgevingsplan tot stand moet komen dat voldoet aan de eisen van de Omgevingswet. Handreiking In opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en in nauwe samenwerking met de VNG wordt een handreiking geschreven om een beeld te geven van de keuzes die gemeenten hebben bij de integratie van gemeentelijke regelgeving in het omgevingsplan. Het streven is om de handreiking in het najaar te publiceren. 2.2 Lachgas In de VNG ledenbrief ‘Lachgas’ van 14 mei 2020 (Lbr.
20/015) zijn wij ingegaan op de gevaren van oneigenlijk gebruik van lachgas en hebben wij gewezen op het kabinetsvoornemen om dit oneigenlijk gebruik tegen te gaan door lachgas te plaatsen op lijst II van het Opiumbesluit. Hierdoor zal onder meer de verkoop, het afleveren, het verstrekken en het aanwezig hebben van lachgas voor oneigenlijk gebruik verboden worden. Dat heeft een gunstig effect op de mate van overlast in de openbare ruimte. Inmiddels heeft dit kabinetsvoornemen geleid tot een internetconsultatievoorstel (https://www.internetconsultatie.nl/lachgasbesluit). Wij ondersteunen dit verbod. In die ledenbrief hebben wij aangegeven welke bestaande Model-APV-bepalingen (in totaal 11) gemeenten kunnen gebruiken om overlast door lachgas aan te pakken. Deze bepalingen zijn goed bruikbaar om hinder en overlast door lachgas tegen te gaan. Een specifieke bepaling over lachgas brengt met zich dat moet worden aangetoond dat de hinder of overlast inderdaad is veroorzaakt door het gebruik van lachgas. In de praktijk kan het lastig zijn. Een aantal gemeenten heeft toch gevraagd om een specifieke APV-bepaling met een verbod op het gebruik van lachgas als roesmiddel. Er zijn ook al gemeenten met verbodsbepalingen. De rubricering en de formulering verschilt.
Wij denken dat een verbod het beste kan worden ondergebracht in afdeling 8 van hoofdstuk 2 van de APV, Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade. Gebruikmakend van verschillende praktijkvoorbeelden (te vinden op https://www.overheid.nl/lokale_wet_en_regelgeving), komen wij tot het volgende voorbeeldartikel.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
4/7
Artikel 2:48a Lachgasverbod 1. Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden. Toelichting op voorbeeldartikel Een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en is vanuit oogpunt van proportionaliteit ook niet te verdedigen. Daarmee zou er geen evenredigheid meer zijn tussen middel en doel, en dat zou in strijd zijn met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht.
Daarom beperkt het verbod in het eerste lid zich tot concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik, die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat of anderszins hinder tot gevolg hebben. Bij de handhaving moet de gemeente kunnen aantonen dat genoemde situaties de oorzaak zijn van de overlast en dergelijke. Op grond van het tweede lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen of het bij zich hebben van hulpmiddelen voor dat gebruik op voorhand verboden is, los van de vraag of dat in de concrete situatie tot ordeverstoring en dergelijke leidt. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan – als dat afdoende lijkt te zijn – in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld tijdens de uitgaansavonden (derde lid). In artikel 6.1 van de APV (sanctiebepaling) moet artikel 2:48a in de opsomming van de strafbaarstelling worden opgenomen.
Hierdoor is strafrechtelijke handhaving mogelijk als het verbod wordt overtreden. Een overtreding wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie (€ 4.350,00). 2.3 Consumentenvuurwerk Uitbreiding landelijk vuurwerkverbod Om de jaarwisseling veiliger te laten verlopen bereidt het kabinet een wijziging voor van de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk (hierna: Ract). Er komt een verbod op enkelschotsbuizen, F3 vuurwerk, knalvuurwerk (inclusief knalstrengen) en vuurpijlen. Verkoop en afsteken van deze vuurwerkproducten is dan niet meer toegestaan. De voorgenomen wijziging van de Ract heeft geen gevolgen voor artikel 2:72 (vuurwerkverkoopvergunning) van de Model-APV.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
5/7