Bijlage 1 - Vast te stellen bestemmingsplan ‘Dokkum – Tusken de Fearten’ met beeldkwaliteitsplan
Tekst van het document
27
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
28
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Uit de bestaande omgevingssituatie kunnen (wettelijke) belemmeringen en/of voorwaarden voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan blijken. Uitgangspunt is dat er een goede omgevingssituatie bestaat voor het planvoornemen. In de volgende paragrafen zijn de relevante milieukundige en planologische randvoorwaarden beschreven en beoordeeld op eventuele beperkingen voor het plangebied.
4.1
Ecologie (en stikstof)
Wet- en regelgeving In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het conform artikel 3.1.6 Bro noodzakelijk om aandacht te besteden aan de effecten op natuurwaarden. Effecten dienen te worden beoordeeld in relatie tot geldende wet- en regelgeving op het terrein van zowel de soorten- als wel de gebiedsbescherming. Relevante wet- en regelgeving betreft de Wet natuurbescherming (Wnb) die per 1 januari 2017 in werking is getreden en het provinciale gebiedsgerichte natuurbeleid. Voor wat betreft de effecten op natuurwaarden moet onder meer aangegeven worden of er als gevolg van een plan vergunningen of ontheffingen noodzakelijk zijn en, zo ja, of deze verkregen kunnen worden. Onderzoek Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen is door BügelHajema Adviseurs ecologisch onderzoek ingesteld naar de effecten op eventuele beschermde waarden in het plangebied en in de omgeving daarvan. Op 22 augustus is hiervoor een veldbezoek uitgevoerd en zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en om het plangebied uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. BEKNOPTE NATUURTOETS In 'Bijlage 3 Beknopte natuurtoets' bij deze toelichting is de rapportage van deze zogeheten beknopte natuurtoets opgenomen met de verslaglegging van het inventariserend onderzoek naar de soorten- en gebiedsbescherming.
De conclusie van het ecologisch onderzoek is dat het veldbezoek en de verspreidingsgegevens nog een onvoldoende beeld op natuurwaarden in het gebied geven om de toetsing aan de Wnb op te baseren. Uit de toetsing komt naar voren dat de watergang ten zuiden van het plangebied geschikt is als leefgebied voor groene glazenmaker. Wanneer werkzaamheden in of aan de watergang worden uitgevoerd, is nader onderzoek naar groene glazenmaker nodig. De oevers van het plangebied zijn geschikt als leefgebied van waterspitsmuis. Wanneer de oevers worden vergraven of riet en watervegetatie wordt verwijderd, is nader onderzoek naar waterspitsmuis nodig. Negatieve effecten op een eventuele vliegroute van vleermuizen door lichtuitstraling moeten voorkomen worden door tijdens de bouw- en gebruiksfase directe lichtuitstraling op de omringende watergangen te vermijden. Verder moet bij de werkzaamheden rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. Dit betekent dat er bij voorkeur buiten het broedseizoen wordt gewerkt, dus buiten de periode half maart tot half juli. Het is ook mogelijk om voor het broedseizoen te starten met de werkzaamheden en continu door te werken. Dan is het waarschijnlijk dat vogels niet in het plangebied gaan broeden vanwege de continue verstoring.
Is de wens om de werkzaamheden in het broedseizoen te starten, dan is het nodig om het plangebied voorafgaand aan de start te (laten) inventariseren op broedgevallen. Zijn er op dat moment vogels aan het broeden, dan kunnen de werkzaamheden pas starten als de jongen zijn uitgevlogen.
29
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
Op basis van de stikstofberekening kan worden bepaald of een vergunning van de Wnb nodig is voor uitvoering van het plan. Een nadere analyse van het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid is niet noodzakelijk. De ontwikkeling is op het punt van provinciaal ruimtelijk natuurbeleid niet in strijd met de Verordening Romte Fryslân 2014. Het plan leidt tot slot niet tot negatieve effecten op in het kader van de Wnb beschermde houtopstanden. NADER ONDERZOEK BESCHERMDE SOORTEN De resultaten van de beknopte natuurtoets gaven aanleiding tot nader onderzoek naar waterspitsmuis en groene glazenmaker. Dit nader onderzoek is uitgevoerd. De rapportage hiervan is als 'Bijlage 4 Nader ecologisch onderzoek beschermde soorten' te raadplegen. In het onderstaande wordt ingegaan op de resultaten en conclusies van het nader onderzoek. Tijdens het onderzoek zijn diverse muizensoorten aangetroffen. Dit betreft de dwergmuis, bosspitsmuis, veldmuis, huisspitsmuis en waterspitsmuis. In totaal is er één waterspitsmuis gevangen tijdens het onderzoek. Voorts is in het nader onderzoek aangetoond dat het plangebied geen functie heeft als leefgebied voor groene glazenmaker. Het leefgebied van waterspitsmuis is op basis van de Wnb beschermd.
Hierdoor moet voorafgaand aan de werkzaamheden bij het bevoegd gezag (Provinsje Fryslân) een ontheffing op de verbodsartikelen van de Wnb worden aangevraagd ten behoeve van de waterspitsmuis. Dit traject is in de loop van 2024 onder de nieuwe Omgevingswet ingezet door indiening van een activiteitenplan met werkprotocol en te treffen maatregelen voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Aannemelijk is dat deze omgevingsvergunning van provinciewege zal worden verleend vanwege waterspitsmuis ten behoeve van de uitvoering van voorliggend planvoornemen. STIKSTOFDEPOSITIE-ONDERZOEK Als gevolg van het planvoornemen kan er in potentie sprake zijn van een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden tijdens de aanleg- en/of gebruiksfase. Vanwege het planvoornemen is daarom onderzoek ingesteld naar de stikstofdepoisitie vanwege het toekomstig gebruik van de woningen (aanleg- en gebruiksfase). De onderzoeksrapportage hiervan met daarbij de berekeningen, middels de meest recente AERIUS-calculator op 10 november 2023, met informatie over de invoergegevens is als 'Bijlage 5 Stikstofdepositie-onderzoek' bij deze toelichting opgenomen. Uit de berekeningen blijkt dat de totale emissie van het project in de aanleg- en gebruiksfase 176,5 kg NOx/jr en 7,1 kg NH3 /jr bedraagt.
Er zijn geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er treedt door de stikstofdepositie dan ook geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Het aspect stikstof staat de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan niet in de weg. Conclusie Ten behoeve van het planvoornemen is een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit bij Provinsje Fryslân voor uitvoering van het planvoornemen vanwege waterspitsmuis aangevraagd. Aannemelijk is dat deze omgevingsvergunning wordt verstrekt. Voorts hebben de uitgevoerde AERIUS-berekeningen uitgewezen dat het aspect stikstof geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan.
30
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
4.2
Erfgoed
Wet- en regelgeving De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Voor het onderzoek naar erfgoed wordt uitgegaan van de Cultuurhistorische Kaart 2 (CHK2) van de Provinsje Fryslân, waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt.
Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden. 4.2.1
Archeologie
Toetsing De FAMKE biedt informatie over in de provincie bekende of te verwachten archeologische waarden. Ten aanzien van archeologie geeft de provinciale archeologische advieskaart voor het plangebied aan dat er een verwachting bestaat voor het aantreffen van resten uit de periode Steentijd-Bronstijd en de periode IJzertijd-Middeleeuwen. Het provinciaal advies is voor het plangebied als volgt ten aanzien van: de periode Steentijd-Bronstijd: grotendeels 'karterend onderzoek 2' en in mindere mate 'karterend onderzoek 3' in geval van ruimtelijke ingrepen groter dan 2.500 m2 respectievelijk 5.000 m2 . de periode IJzertijd-Middeleeuwen: grotendeels 'karterend onderzoek 2' in geval van ruimtelijke ingrepen groter dan 2.500 m2 en in mindere mate 'geen onderzoek noodzakelijk'. ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK Gelet op vorenbeschreven provinciale advisering is door De Steekproef archeologisch onderzoek in het plangebied verricht. De rapportage hiervan is als 'Bijlage 6 Archeologisch onderzoek' bij deze toelichting opgenomen. Tijdens het planproces is de stedenbouwkundige opzet van het planvoornemen diverse keren gewijzigd. Dit heeft als gevolg dat een oudere versie van het stedenbouwkundig plan als uitgangspunt voor het onderzoeksgebied is gehanteerd voor het archeologisch onderzoek. Bij dit veroudere onderzoeksgebied is de westzijde van het plangebied niet onderzocht.
Echter worden op deze plek van het plangebied geen woningen gebouwd, grootschalige bodemingrepen gedaan of andere werkzaamheden uitgevoerd. Dit deel van het plangebied blijft bestemd voor agrarische doeleinden en wordt ingericht als plas-drasgebied (vandaar de nu opgenomen bestemming 'Agrarisch - Extensief beheer'). Zie ter verduidelijking de verbeelding van dit bestemmingsplan. Het hanteren van de voornoemde, gedateerde versie van het plangebied heeft dan ook geen negatieve gevolgen voor archeologie en de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. In het onderstaande wordt ingegaan op de relevante onderzoeksresultaten en conclusies op de plekken waar wel grond wordt geroerd en gebouwen worden gerealiseerd. Het onderzoek wijst uit dat het plangebied van oorsprong in een dekzandgebied ligt, dat omstreeks 2750 vC bedekt raakte met veen. Voor de top van het dekzand geldt er een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de steentijd. Archeologische indicatoren die hierop kunnen wijzen zijn onder meer vuursteen/natuursteen artefacten, houtskoolresten en (verbrande) botresten. Tijdens de bronstijd en de eerste helft van de ijzertijd lag het plangebied onder een laag veen, waardoor voor deze periode een lage
31
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
archeologische verwachting geldt. De paleogeografische kaart van 250 vC geeft aan dat het veen gedurende de midden-ijzertijd verdween, waarna het plangebied in de kwelder kwam te liggen. Hierdoor kunnen eventueel resten van menselijke activiteit aanwezig zijn uit de late ijzertijd en de vroege middeleeuwen. Archeologische indicatoren voor bewoning uit deze perioden kunnen bestaan uit onder meer terp/ophogingslagen, botresten, metaal, hout, aardewerkscherven en baksteenresten. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn binnen het plangebied 26 boringen gezet. Tevens zijn 6 extra boringen gezet. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de top van het dekzandlandschap oploopt van -2,9 m NAP op het noordelijke deel tot -2,2 m NAP op het zuidelijke deel van het plangebied. Het dekzand wordt afgedekt door een pakket veen dat regelmatig wordt onderbroken door kleilaagjes. Boven het veen is klei aangetroffen die met name onderin, venig is. Het bovenste deel van het kleipakket is veelal geoxideerd en matig stevig. De toplaag binnen het plangebied bestaat uit een pakket vermoedelijk opgebrachte klei van 30 tot ruim 50 cm dikte. De enige mogelijke archeologische indicator die in het plangebied is gevonden bestaat uit een fragment houtskool dat in de top van het dekzand is aangetroffen.
Hoewel om dit boorpunt heen 6 extra boringen zijn gezet, zijn verder geen archeologische indicatoren meer aangetroffen. In verband hiermee en in verband met de vaststelling dat het houtskoolfragment de vorm en positie heeft van een verkoolde boomwortel, wordt geconcludeerd dat het een overblijfsel vormt van een natuurlijk brand. Consequenties voor het planvoornemen Bij het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. De bovenste 30 tot 50 cm van de bodem bestaat uit opgebrachte klei. De onderzoeksresultaten wijzen uit dat nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het planvoornemen kan wat het aspect archeologie betreft uitvoerbaar worden geacht. Nota bene De archeologische meldingsplicht blijft te allen tijde van kracht. Dit betekent dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente Noardeast-Fryslân. 4.2.2
Cultuurhistorie
Toetsing Bestudering van de CHK2 van Provinsje Fryslân leert dat in het plangebied geen bijzonderheden ten aanzien van nog bestaande cultuurhistorische waarden hoeven te worden verwacht. Conclusie Dit bestemmingsplan wordt niet belemmerd vanwege de mogelijkheid op het verstoren van onderkende cultuurhistorische waarden; de noodzaak van een beschermingsregeling ten behoeve van cultuurhistorie ontbreekt.
4.3
Waterparagraaf
Wet- en regelgeving Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel hiervan is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten.
32
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
Door middel van de watertoets als procesinstrument wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Het gaat hierbij om de thema's waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. Waterwet De Waterwet, die per 22-12-2009 van kracht is geworden, heeft gezorgd voor een ingrijpende bundeling van deze wetgeving. Daarnaast heeft het Nationaal Waterplan (NWP), waarvan de eerste versie tegelijk met de Waterwet is verschenen, een formele rol in de ruimtelijke ordening. Het eerste Nationaal Waterplan is tevens een structuurvisie op basis van de Waterwet en de Wro. Toetsing Bij alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient vanwege de wettelijk verplichte watertoets in het kader van de Waterwet aandacht te worden besteed aan het wateraspect. Hiervoor wordt het planvoornemen ingediend bij Wetterskip Fryslân. De aanvraag digitale watertoets heeft op 9 juni 2023 plaatsgevonden. Stukken hieromtrent zijn als 'Bijlage 7 Digitale watertoets' bij deze toelichting opgenomen. Uit de watertoets blijkt dat de normale procedure van toepassing is op het planvoornemen. Dit betekent dat het plan vanuit het oogpunt van Wetterskip Fryslân, grote invloed heeft op het water of de wateraspecten in de omgeving.
In het onderstaande wordt ingegaan op de aspecten die vanuit de watertoets belangrijk worden geacht door Wetterskip Fryslân. Toename verharding Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan 5 jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteert Wetterskip Fryslân de volgende compensatienorm: Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem; Polder 10%, Vrij afstromend, alternatieve maatregelen. In het kader van dit plan zijn de uitgangspunten ten behoeve van de toename van verharding en de daarbij behorende compensatiemaatregelen uiteengezet in een waterbalans.
De berekening is gebaseerd op het voorontwerp en wordt geactualiseerd op basis van het definitieve ontwerpplan. Die gegevens worden gebruikt bij de aanvraag watervergunning. Dit is in het navolgende schema weergegeven.
33
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
Tabel 1. waterbalans
Het geheel is opgesplitst in twee delen: het onderdeel van het plangebied dat zich op de boezem bevindt en het deel dat zich op de polder bevindt. In het boezempeil gebied is sprake van een compensatienorm van 5%. In het poldergebied bedraagt de compensatienorm 10%. Met dit in achtnemende kan uit het schema worden afgeleid dat er ruim aan de compensatienormen wordt voldaan en zelfs sprake is van overcompensatie. Wijzigen waterpeil Als men het waterpeil in een gebied wil wijzigen, moet daarvoor een watervergunning worden aangevraagd. Afhankelijk van de impact verloopt de afhandeling via een watervergunning of een peilbesluit. Onderdeel van het planvoornemen is dat een stuk polder voor de boezem wordt gebracht. Dit is positief, want de polder wordt kleiner en er ontstaat meer berging op de boezem (zie ook paragraaf 2.2). De peilwijzigingsprocedure wordt gestart parallel aan, maar los en afzonderlijk van de bestemmingsplanprocedure. Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) Wetterskip Fryslân heeft volgens de KRW en de Waterwet de plicht om maatregelen te nemen om ecologische doelen te bereiken die per waterlichaam zijn vastgelegd en ook om deze te beschermen. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig ontwerp is hier rekening mee gehouden.
Uit 'Bijlage 3 Beknopte natuurtoets' blijkt ook dat er met in achtneming van de in het onderzoek gestelde voorwaarden, geen sprake is van een verslechtering van de ecologische situatie in het plangebied. Er kan zelfs gesteld worden dat dit plan een bijdrage levert aan de versterking van de ecologische situatie nabij de watergangen in de omgeving. Het oostelijke deel van het plangebied krijgt een functie als greppeltjesland. Deze gronden worden vernat en vervolgens gebruikt voor waterberging en biodiversiteit. Dit geeft een impuls aan de ecologische situatie ter plaatse. Boezem Het wetterskip adviseert om toekomstige wateroverlast tegen te gaan door voldoende hoog te bouwen. In locaties die vrij voor de boezem liggen is het streefpeil -0,52 m NAP. In het oostelijke deel van het plangebied bevindt zich thans een boezemkade die het plangebied tegen hoog water beschermt. Met dit plan wordt echter een deel van de polder voor de boezem gebracht. De bebouwing die in dit gebied wordt gerealiseerd, zal boven -0,52 m NAP worden gebouwd. De nieuwe ontsluitingsweg krijgt tevens de functie van boezemkade. De weg krijgt een hoogte van +0,70 m NAP. Vloerpeilen van de woningen staan daar weer 20/30 cm boven en dus rond de +0,95/+1,00 m NAP. In
34
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
de toekomst is het de bedoeling om ook de westelijke landerijen voor de boezem te brengen. De boezemkade wordt dan verplaatst parallel aan de toegangsweg van het reinigingsterrein/volkstuinen, vervolgd zijn weg door de Geastmer Mar en sluit vervolgens aan bij de Trije Terpen. Ook de dam in de Wâldfeart wordt 200 m opgeschoven in westelijke richting. Duidelijkheidshalve is dit weergegeven op het onderstaande figuur.
Figuur 14. Weergave nieuwe dam ten westen van het plangebied. Dempen en graven oppervlaktewater Ten aanzien van het dempen en graven van oppervlaktewater verzoekt Wetterskip Fryslân om na te gaan of er een vergunning nodig is of eventueel een melding moet worden gedaan. In de nadere planuitwerking wordt dit verder uitgewerkt. Eventuele benodigde vergunningen zullen te zijner tijd worden aangevraagd. Voor het dempen van oppervlaktewater is het beleid van Wetterskip Fryslân dat dit voor 100% gecompenseerd moet worden in hetzelfde peilgebied. Hiermee is rekening gehouden bij de waterbalans (zie tabel 1). Er wordt een sloot gedempt die volledig wordt gecompenseerd. Het planvoornemen is dan ook in overeenstemming met het beleid dat het wetterskip in relatie tot het dempen van oppervlaktewater stelt. Advies regionale en lokale kering Bij het plan dient rekening te worden gehouden met aanwezige lokale en/of regionale waterkeringen. Binnen de zonering van dergelijke keringen zijn activiteiten vergunningsplichtig. Voor het plangebied geldt dat er aan de oostelijke zijde sprake is van een regionale kering. Dergelijke keringen worden beschermd door een beschermingszone. Uit de leggerkaart van Wetterskip Fryslân blijkt dat dergelijke beschermingszones zich in het oostelijke en zuidoostelijke deel van het plangebied bevinden.
Bij het stedenbouwkundig ontwerp zoals weergegeven en omschreven in paragraaf 2.5 is rekening gehouden met deze beschermingszone door de desbetreffende gronden in te richten als greppeltjesland/extensief beheerd gebied. Bovendien zijn deze gronden bestemd als 'Agrarisch - Extensief beheer'. Bebouwing is daardoor niet mogelijk. Er is een strook van 7,00 m toegevoegd waardoor de toegankelijkheid van de gronden wordt gewaarborgd (conform de advisering van de aan te houden beschermingszone van 5,00 m in navolgende bij het onderdeel 'Hoofdwater'). De omliggende landerijen zijn of komen in gemeentelijk eigendom. De gemeente of de boeren die de landerijen pachten, hekkelen de sloten jaarlijks. De hekkelplicht wordt opgenomen in de pachtcontracten. Hiermee is geborgd dat de watergangen niet verlanden. De strook wordt afgeschermd van de woonpercelen met schapenhekjes op heuphoogte.
35
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
Hoofdwater De Wâldfeart ten zuiden van het plangebied is door Wetterskip Fryslân aangemerkt als hoofdwater. Hoofdwateren hebben een belangrijke aan-, af- en doorvoerfunctie. Aan weerszijden van een hoofdwatergang ligt een beschermingszone van 5,00 m. De beschermingszone is nodig voor de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud aan de hoofdwatergang. Werkzaamheden binnen de beschermingszone zijn vergunningsplichtig. Eventueel benodigde watervergunningen zullen worden aangevraagd. Conclusie Voorwaarden met betrekking tot relevante waterhuishoudkundige aspecten worden met dit bestemmingsplan in acht genomen. Met het oog daarop wordt er dan ook van uitgegaan dat het planvoornemen van dit bestemmingsplan uitvoerbaar is. Nota bene Watervergunning (en/of Keurontheffing) van Wetterskip Fryslân als waterbeheerder is nodig voor werkzaamheden in, onder, langs, op, bij of aan open water, waterkeringen en wegen in het beheer van het waterschap, het onttrekken van grondwater en het lozen op het oppervlaktewater (dus ook de voorgenomen demping in voorliggend plan). Voor zover noodzakelijk om tot realisatie van het planvoornemen te komen, zullen te zijner tijd de benodigde vergunningen dan wel ontheffingen bij het waterschap moeten worden aangevraagd.
4.4
Hinder van bedrijven en voorzieningen
Uit oogpunt van ruimtelijke ordening Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals die uitgangspunt is van de Wro, geldt eveneens de noodzakelijkheid tot een voldoende ruimtelijk-functionele afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en hindergevoelige functies (waaronder woningen). Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst in de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) uit 2009. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van bedrijfsactiviteiten (betreffende geluid, geur, stof en gevaar) redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De grootste afstand is bepalend. In de genoemde VNG-publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden. Bij het omgevingstype 'rustige woonwijk of rustig buitengebied' wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies inhoudt. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk.
Hiertoe mogen de aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2, et cetera). Uit oogpunt van milieu Bedrijvigheid in de directe omgeving van (recreatie)woningen (of (andere) milieugevoelige gebieden) kunnen daar (milieu)hinder vanwege geluid, geur, stof, gevaar en dergelijke veroorzaken. Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen van een AMvB, dan wel een milieuvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Door middel van milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder voor hindergevoelige functies, zoals woningen, zo veel mogelijk voorkomen.
36
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
Toetsing Interne werking Bij interne werking gaat het om de vraag of nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving. Met het planvoornemen van dit bestemmingsplan is sprake van het juridisch-planologisch mogelijk maken van een nieuwe woonwijk. Woonfuncties gelden als hindergevoelig en daarom moet worden bestudeerd of sprake is van hinderveroorzakende functies zoals bedrijven en voorzieningen in en nabij het plangebied. In dit kader heeft de FUMO een onderbouwing ten aanzien van bedrijfshinder en milieuzonering opgesteld in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling. Deze onderbouwing is als 'Bijlage 8 Onderbouwing bedrijven- en milieuzonering' bij de toelichting te raadplegen. In het navolgende wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten uit de onderbouwing van de FUMO. Het advies van de FUMO gaat wat het aspect bedrijfshinder en milieuzonering betreft, in op de effecten van geluid en geur voor uitbreidingsmogelijkheden en bestaansrecht van het naastliggende agrarische bedrijf aan de Birdaarderstraatweg 88. Het agrarisch bedrijf betreft een melkveehouderij. Op grond van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' geldt hiervoor een richtafstand van 100 m (vanwege geur).
De richtafstanden uit de VNG Handreiking dienen gemeten te worden vanaf de grens van de bestemming die een milieubelastende functie toelaat tot de uiterste situering van de gevel van de woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. Concreet wordt er daarom in dit geval gemeten vanaf het bouwvlak van het agrarische bedrijf tot aan de meest nabije, te realiseren woonbestemming. De afstand tussen het agrarische bouwperceel en de dichtstbijzijnde woonbestemming bedraagt in dit geval circa 114 m. Er wordt dan ook aan de richtafstand voldaan. Feitelijke situatie Het is niet de bedoeling om door nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen bestaande bedrijven te beperken in hun ontwikkelingsmogelijkheden die op grond van het bestemmingsplan mogelijk zijn. Er is daarom ook gekeken naar de feitelijke situatie. Het bouwblok van het agrarische bedrijf aan de Birdaarderstraatweg 88 ligt op meer dan 100 m van de toekomstige woonbestemmingen aan de oostzijde van het bedrijf. Aan de noordoostzijde van het bedrijf ligt al een woonbestemming op circa 50 m afstand. Helemaal aan de oostzijde op het terrein ligt een deel van de voeropslag buiten het bouwvlak. Verdere uitbreiding aan de oostzijde is in principe niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan.
Het bedrijf wordt niet extra beperkt in haar mogelijkheden door de geplande woningen, omdat de bestaande woning aan de noordoostzijde al de maatgevende woning is. Deze woning zal vanwege de kortere afstand ook in de nieuwe situatie de hoogste geluidbelasting ondervinden vanwege het agrarische bedrijf en het inkuilen van voer en uitrijden van mest. Ter plaatse van deze bestaande woning moet het bedrijf nu al voldoen aan de geldende geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit. Wanneer er op deze bestaande woning wordt voldaan, kan ook bij de nieuw geplande woningen worden voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit. De nieuwe woningen vormen daarmee geen extra belemmering voor de mogelijkheden van het bestaande agrarische bedrijf. Bedrijfsbestemming Birdaarderstraatweg 86 Binnen de bedrijfsbestemming aan de Birdaarderstraatweg 86, ten zuidwesten van het woningbouwplan, zijn bedrijven in de categorie 1 en 2 toegestaan. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 m tot aan de toekomstige woonbestemmingen. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan, aangezien de woonbestemmingen op circa 63 m afstand van het bedrijf worden gesitueerd. Er is wat deze situatie betreft, sprake van een goede ruimtelijke ordening.
37
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
Externe werking Bij externe werking gaat het voornamelijk om de vraag of het plan leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar gezien, in strijd kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. Hiervan is sprake indien het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast of als de realisatie van het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor bedrijven uit de omgeving. Met het voorliggende plan worden geen nieuwe hinderveroorzakende functies mogelijk gemaakt. Het plan is in het kader van externe werking daarom niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Voorliggend bestemmingsplan mag uitvoerbaar worden geacht ten aanzien van het onderdeel hinder van bedrijven en voorzieningen.
4.5
Geluidhinder
Wet- en regelgeving De Wet geluidhinder (Wgh) is er op gericht om de geluidhinder vanwege onder andere spoorweglawaai, industrielawaai en wegverkeerslawaai te voorkomen en te beperken. De Wgh bepaalt dat de 'geluidsbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. In veel gevallen is deze norm 48 dB. Wanneer binnen een geluidzone langs (spoor)wegen of ten behoeve van industrielawaai nieuwe geluidgevoelige objecten, zoals woningen, worden gerealiseerd, moet door middel van akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wgh wordt voldaan. Spoorweglawaai en industrielawaai is op voorhand in het plangebied niet aan de orde. Daarom wordt hierna enkel op wegverkeerslawaai ingegaan. Wegverkeerslawaai In artikel 74 Wgh is aangegeven wanneer een weg zoneplichtig is. Elke weg heeft in principe een zone, behoudens wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. De breedte van een geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg binnen of buiten stedelijk gebied. In navolgende tabel is hiervan een overzicht gegeven. Tabel 2. Overzicht breedte geluidzones per type weg Aantal rijstroken
Wegligging binnenstedelijk gebied Wegligging buitenstedelijk gebied
2
200 m
250 m
3 of 4
350 m
400 m
5 of meer
n.v.t.
600 m
Met voorliggend bestemmingsplan is sprake van de realisatie van 29 geluidsgevoelige objecten betreffende woningen, waarvan een aantal woningen relatief op korte afstand langs de Birdaarderstraatweg zijn gelegen. De Birdaarderstraatweg is gedeeltelijk uitgevoerd als een 30 km/uur-gebied binnen de bebouwde kom, buiten de bebouwde kom betreft het een 60 km/uur-gebied. Voor de geprojecteerde woningen binnen de wettelijke geluidszone van 250 m van deze 60 km/uur-weg is akoestisch onderzoek ten aanzien van wegverkeerslawaai verplicht. Derhalve ligt het plangebied voor een groot deel binnen de wettelijk gestelde geluidszone. Onderzoek Door de FUMO is onderzoek naar wegverkeerslawaai met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan uitgevoerd. In de als 'Bijlage 9 Akoestisch onderzoek' opgenomen akoestisch onderzoeksrapportage van 27
38
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
november 2023 zijn de resultaten hiervan gepresenteerd. Op basis van de akoestische berekeningen blijkt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele woning in het plangebied te worden overschreden. De berekende geluidbelasting inclusief 5 dB aftrek volgens artikel 110g Wgh bedraagt ten hoogste 46 dB. Deze waarde ligt ruim onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de maximaal vast te stellen hogere waarde van 53 dB (art. 83, lid 1 Wgh). Omdat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden, bestaat er geen noodzaak voor het vaststellen van (een) hogere waarde(n). Conclusie Blijkens akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai kan het planvoornemen van dit bestemmingsplan ten aanzien van het aspect geluidhinder uitvoerbaar worden geacht.
4.6
Externe veiligheid
Wet- en regelgeving Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico’s voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, aardgas of LPG. Het aandachtsveld van externe veiligheid richt zich op zowel inrichtingen (bedrijven) waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn als het transport van gevaarlijke stoffen. Dit vervoer kan plaatsvinden over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit is verankerd in diverse wet- en regelgeving, zoals het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim; ook bekend als het Activiteitenbesluit). De volgende normen worden onderscheiden: Plaatsgebonden risico (PR): Dit betreft afstandseisen, die moeten worden gezien als grenswaarde (harde norm) waarvan niet kan worden afgeweken. Groepsrisico (GR): Het groepsrisico is afhankelijk van de bevolkingsdichtheid rondom een risicovolle activiteit. Dit betreft geen harde norm, maar een oriëntatie waarde. Daarvoor bestaat een verantwoordingsplicht. Toetsing
Figuur 15. Fragment van risicokaart met aanwezige risicobronnen (in rood) in de omgeving van het plangebied (bron: Atlas Leefomgeving, 2022).
39
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is een zogenoemde risicokaart ontwikkeld. Hierin is informatie opgenomen die met risico te maken heeft; zowel risicobronnen als kwetsbare objecten worden getoond die aandacht verdienen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Om na te gaan of er voor het planvoornemen ook aandachtspunten (in dit geval risicobronnen) op het vlak van de externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Figuur 15 toont het kaartfragment hiervan. Zichtbaar is dat in de directe omgeving van het plangebied van dit bestemmingsplan geen risicobronnen aanwezig zijn. Op grotere afstand in het gebied zijn risicobronnen betreffende twee LPG-tankstations en een aardgastransportleiding aanwezig. De invloedsgebieden daarvan reiken echter niet tot in het plangebied. Conclusie Het planvoornemen kan wat het aspect externe veiligheid betreft als uitvoerbaar worden geacht.
4.7
Luchtkwaliteit (en verkeer)
Normstelling en beleid In hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) zijn de grenswaarden op het gebied van de luchtkwaliteit vastgelegd. Daarbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2 ), fijn stof (PM10 ) en zeer fijn stof (PM2,5 ) van belang. Grenswaarden ten aanzien van de jaargemiddelde concentratie betreffen 40 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10 en 25 µg/m3 voor PM2,5 . Projecten met een invloed van 'niet in betekenende mate' (nibm) op de luchtkwaliteit zijn verder vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: woningbouwprojecten met minder dan 1.500 woningen; projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10 ). Deze grens komt in 2022 overeen met 2.139 auto's dan wel 104 vrachtwagens per weekdagetmaal (Grenswaarden per 23-04-2022). PM10 en PM2,5 zijn overigens sterk gerelateerd, aangezien PM2,5 onderdeel uitmaakt van de emissie van PM10 . Als aan PM10 wordt voldaan, mag daarom worden aangenomen dat ook de grenswaarde van PM2,5 niet wordt overschreden. Toetsing Het toevoegen van woningbouw leidt tot een toename van de verkeersaantrekkende werking (van motorvoertuigbewegingen) van en naar het plangebied.
Voorgaande vrijstellingsregeling voor woningbouw is evenwel van toepassing op het planvoornemen van dit bestemmingsplan, omdat bij recht ten hoogste 29 woningen kunnen worden gerealiseerd. Conclusie Het planvoornemen van dit bestemmingsplan dient te worden beschouwd als een nibm-plan en wordt niet door de wettelijk gestelde eisen wat betreft het aspect luchtkwaliteit belemmerd.
4.8
Bodemkwaliteit
Wet- en regelgeving In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een ruimtelijk plan inzicht verkregen moet worden in de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder meer inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering in een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is derhalve onderdeel van de onderzoeksverplichting bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Uitgangspunt ten aanzien van de bodemkwaliteit is dat deze bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zodanig goed moet zijn dat er geen risico’s voor de volksgezondheid bestaan bij het gebruik van het plangebied voor wonen of een andere functie. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel
40
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
worden voorkomen. Onderzoek Om uitspraken te doen over de milieuhygiënische bodemkwaliteit is het bodemloket geraadpleegd. Op basis van het bodemloket is het gehele plangebied voldoende onderzocht en/of gesaneerd. Vanwege het planvoornemen van dit bestemmingsplan is in aanvulling hierop door WMR Rinsumageest BV verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (d.d. 27 juli 2022, rapportnummer 220522). De onderzoeksrapportage hiervan is als 'Bijlage 10 Verkennend bodemonderzoek' opgenomen. Doel van het onderzoek is geweest om de milieuhygiënische bodemkwaliteit vast te stellen om op basis daarvan te kunnen bepalen of de gronden voldoende geschikt zijn voor de voorgenomen woningbouwontwikkeling van het plan Tusken de Fearten. De conclusies en aanbevelingen van het onderzoek kunnen als volgt worden samengevat: In het plangebied zijn verschillende boringen uitgevoerd, waaronder er drie zijn afgewerkt met een peilbuis. Het maaiveld en de opgeboorde grond van iedere boring is zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van bodemvreemde en/of asbestverdachte materialen. Hierbij zijn in meerdere boringen puinrestanten (baksteen) aangetroffen. Verder zijn geen bijzonderheden waargenomen. Van zowel de boven- als ondergrond zijn meerdere mengmonsters samengesteld. Van het grondwater zijn separaat monsters genomen. De monsters zijn vervolgens geanalyseerd.
De analyseresultaten van het verkennend bodemonderzoek zijn als volgt: in geen van de mengmonsters van de grond zijn verhoogde gehalten gemeten; in het grondwater (peilbuis 1) zijn geen verhoogde concentraties gemeten; in het grondwater (peilbuis 2) is voor barium een licht verhoogde concentratie gemeten; in het grondwater (peilbuis 3) is voor barium een licht verhoogde concentratie gemeten. Demping Ter plaatse van de demping zijn meerdere boringen uitgevoerd. Hierbij zijn geen bijzonderheden waargenomen. Aangenomen mag worden dat de demping is uitgevoerd met gebiedseigen grond. Zintuiglijke waarnemingen In meerdere boringen zijn puinrestanten in de grond aangetroffen. De aanwezigheid van puinrestanten kan een aanwijzing zijn dat de bodem asbesthoudend materiaal bevat. Zintuiglijk is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Het aangetroffen puin is gedefinieerd als baksteen en kan daarom als niet asbestverdacht worden beschouwd. Een verkennend onderzoek naar asbest is niet noodzakelijk. Verhoogde concentraties in het grondwater Van zware metalen is het bekend dat deze in (sterk) verhoogde concentraties in het grondwater voor kunnen komen zonder dat voor deze metalen verhoogde gehalten in de grond worden gemeten of er een andere directe verontreinigingsbron aanwezig is (verspreiding vanuit de omgeving).
De gemeten concentratie aan barium heeft vermoedelijk dan ook een natuurlijke oorzaak. De gemeten concentratie is daarnaast dusdanig (alleen overschrijding van de streefwaarde) dat een aanvullend onderzoek naar deze parameter niet noodzakelijk is. Conclusie De in het onderzoek aangetoonde verhoogde concentraties in het grondwater zijn dusdanig dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. Bovendien zal bij het bouwrijpmaken van het plangebied nog eens bodemonderzoek plaatsvinden ter vaststelling van de milieuhygiënische bodemgeschiktheid. Gelet op
41
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
voorgaande is de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan ten aanzien bodemkwaliteit niet in het geding. Nota bene Voor toekomstig te ontgraven en eventueel buiten het plangebied af te voeren gronden kan op basis van het Besluit bodemkwaliteit een milieuhygiënische verklaring van de gronden noodzakelijk zijn. Dit is evenwel sterk afhankelijk van de toepassingslocatie. Een milieuhygiënische verklaring is middels bodemonderzoek te verkrijgen.
4.9
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.9.1
Inleiding
Het voorgenomen woningbouwplan is vanwege zijn omvang aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiervoor is in verband met een zorgvuldig ruimtegebruik een uitgebreide onderbouwing in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de Ladder) noodzakelijk. De Ladder is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik, met een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. De toelichting bij een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient namelijk een beschrijving/toetsing van de behoefte aan die ontwikkeling te bevatten. In navolgende vindt die toetsing van de behoefte aan de ladder plaats aan het bij recht in het bestemmingsplan op te nemen aantal van 29 woningen. Door de beleidsadviseur voor wonen van de gemeente Noardeast-Fryslân is hiervoor de informatie aangeleverd om de laddertoets verder te onderbouwen. Gebruik is gemaakt van de volgende relevante achtergrondinformatie voor de volkshuisvestelijke motivering voor het project Tusken de Fearten: Woonvisie Noardeast-Fryslân 2020-2025 (definitief d.d. 20-05-2020); Woningmarktanalyse Noordoost-Fryslân 2020-2030 (definitief d.d. 19-06-2020); Dorpenatlas Dokkum (19-06-2020); Versnelling op de woningmarkt; Experiment Provincie (presentatie d.d.
20-01-2022), en; ook de meer gebiedsgerichte, integrale visiedocumenten betreffende zijn betrokken: Structuurvisie Bundelingsgebied Regiostad Dokkum (vastgesteld d.d. 21-12-2009); Stadsrandvisie It Nije Bolwurk (definitieve versie, juli 2010); Visie Dokkum West (d.d. 07-02-2020). 4.9.2
Wettelijk kader
Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De Ladder staat als instrument niet op zichzelf, maar geeft mede vorm aan de systeemverantwoordelijkheid van de minister van Infrastructuur en Milieu voor een goede ruimtelijke ordening. Deze verantwoordelijkheid brengt met zich mee, dat de minister er voor zorgt dat decentrale overheden over de juiste instrumenten kunnen beschikken voor een zorgvuldige benutting van de ruimte. Hieronder wordt begrepen het voorkomen van overprogrammering, het faciliteren van groei, het anticiperen op stagnatie en het leefbaar houden van krimpregio's. De Ladder is onder andere van toepassing op woningbouwplannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast, zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3.
Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
42
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
4. 5.
Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
4.9.3
Toetsing
Ad 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt dat voor woningbouwlocaties vanaf 12 woningen of meer sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Dit bestemmingsplan bevat mogelijkheden voor 29 grondgebonden woningen in het plangebied. De locatie speelt in op de grote woningbehoefte die er momenteel bestaat. Gelet op de omvang van het woningbouwplan is sprake van een stedelijke ontwikkeling. Ad 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Het plangebied is onderdeel van het geldende bestemmingsplan Regiostad (als vastgesteld op 28-06-2018, geconsolideerde versie daterend van 24-06-2020, na het onherroepelijk worden van het Reparatieplan Dokkum Regiostad als vastgesteld op 04-06-2020) dat voor grote delen van de stad geldt.
In het geldende bestemmingsplan is het plangebied voor woningbouw gesitueerd op gronden met de bestemming 'Agrarisch - Cultuurgrond', buiten de bebouwde kom van Dokkum. Hiervoor gelden geen stedelijke bebouwingsmogelijkheden. De stedelijke ontwikkeling geldt dus als nieuw. Met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan wordt bij benadering een oppervlakte van 1,8 ha aan uitgeefbare kavels voor woningbouw mogelijk gemaakt. Het op te stellen bestemmingsplan gaat regelen dat vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen, met bijbehorende bouwwerken, kunnen worden gerealiseerd in het plangebied. Omdat bij de totstandkoming van het geldende bestemmingsplan (door middel van bijvoorbeeld een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsverplichting) niet is voorgesorteerd op toekomstige woningbouw in het plangebied, zal met het op te stellen bestemmingsplan sprake zijn van de daadwerkelijke juridisch-planologische verankering en derhalve sprake zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling ter plaatse. Ad 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen.
Voor wonen kan dit schaalniveau de gemeentegrens overstijgen. Woonvisie 2020-2035 De gemeente Noardeast-Fryslân heeft samen met inwoners, corporaties en belangenorganisaties de Woonvisie 2020-2025 gemaakt. De woonvisie vormt de basis voor het woonbeleid van de gemeente. In de visie wordt uitgelegd waar de gemeente in 2025 op het gebied van wonen wil staan. Ook wordt het gebruikt voor het maken van prestatieafspraken met de woningcorporaties en levert het belangrijke informatie op voor de Omgevingsvisie. De visie is op 21 januari 2021 door de raad vastgesteld. Speerpunten van beleid In de woonvisie staan zeven speerpunten uitgewerkt: 1. 2.
Toekomst geven aan bestaande woningen en buurten; Nieuwbouw in stad, dorpen en wijken, omgang met groei en krimp;
43
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
3. 4. 5. 6. 7.
Ontwikkeling van de sociale huurvoorraad: betaalbaar, beschikbaar en met kwaliteit; Wonen en zorg in dorpen en wijken; Energietransitie en verduurzaming; Leefbare dorpen: sociaal en veilig, met bereikbare voorzieningen; Samenwerking gemeente, belanghebbenden en bewoners.
Het woningbouwplan Tusken de Fearten zet met name in op speerpunten 2 en 3. Daarnaast zal direct of indirect ook sprake zijn van aansluiting op andere punten, zoals verduurzaming van het woningbestand (speerpunt 5) en participatie (speerpunt 7) met de omgeving van de projectlocatie. De gemeente zet in op de realisatie van voldoende nieuwbouwwoningen om in te spelen op de vraag naar woningen voor diverse doelgroepen en in verschillende segmenten. Dus bouwen naar reële behoefte. Gemengd bouwen is het uitgangspunt, waarmee de gemeente onder meer de doorstroming in de woningmarkt wil bevorderen. Samen met de corporaties houdt de gemeente de vinger aan de pols (aan de hand van kengetallen) om keuzes te maken voor afname, stabiliteit of groei van de sociale voorraad. Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan gaat veel aandacht uit naar een goede omgevings- en beeldkwaliteit en klimaatadaptie. Positie van Dokkum in de woningmarktregio De vestingstad Dokkum is met haar 12.600 inwoners het stedelijk centrum van de regio Noardeast-Fryslân.
Dit is onder meer vastgelegd in de Structuurvisie Bundelingsgebied Regiostad Dokkum (2009) waarin onder andere de volgende uitgangspunten zijn benoemd: Het behoud en de verdere ontwikkeling van de regionale functie van Dokkum, zowel vanuit het oogpunt van verzorging als van werkgelegenheid; Het behoud en de versterking van de cultuurhistorisch waardevolle binnenstad; Voldoende ruimte bieden voor de ontwikkeling van nieuwe woongebieden en bedrijfslocaties in Dokkum; Daarmee neemt Dokkum een bijzondere positie in binnen de gemeente Noardeast-Fryslân maar ook binnen de regio. Ad 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Zoals hiervoor al staat vermeld, dient de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, te worden beschreven. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. Kortgezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende 10 jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als dit aanbod feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). Naast kwantitatieve aspecten kunnen ook kwalitatieve aspecten een rol spelen bij de beschrijving van de behoefte. Daarbij kan vooral worden gedacht aan specifieke woontypen, wooncategorieën en woonmilieus.
Flexibele woningbouwprogrammering (experiment) In Noardeast-Fryslân zijn momenteel meer woningzoekenden dan woningen. Dat geldt voor zowel de koopals de (sociale) huurmarkt. Dit zorgt voor veel druk op de woningmarkt. De gemeente heeft de ambitie om dit in balans te brengen. Om dit proces te versnellen is een flexibele woningbouwprogrammering en daarbij behorende afstemming met de provincie nodig. Om hierin te ondersteunen is de provincie in 2020 een experiment gestart met de regio Noordoost-Fryslân. Dit experiment loopt tot 2025. Dit houdt in dat de provincie niet actief stuurt op de verdeling van contingenten, maar de regie daarin bij de regio legt. Gemeenten zijn binnen het experiment vrij in het programmeren van zowel binnen- als buitenstedelijke projecten (uitgangspunt is wel dat binnenstedelijk voor buitenstedelijk gaat, waarbij woningbouwlocaties in een juiste verhouding van 50% binnen- en 50% buitenstedelijk worden gevonden). Gemeenten zijn binnen het experiment verantwoordelijk voor een onderbouwing van de programmering rekening houdend met de geprognosticeerde behoefte. Bij deze verantwoordelijkheid hoort ook de afweging van woningbouwplannen en de onderbouwing daarvan. Daarbij geldt duurzame verstedelijking als belangrijk vertrekpunt. Provinsje
44
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
Fryslân heeft de gemeente daarnaast geadviseerd om in het experiment van de flexibele woningbouwprogrammering te prioriteren en te faseren om zo de inzet te kunnen plegen op de meest kwalitatieve plannen. Prioritering en fasering woningbouwplannen in Noardeast-Fryslân In de collegevergadering van 6 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders een prioriteitenlijst samengesteld van woningbouwprojecten in Dokkum die met voorrang worden behandeld. Deze lijst is Provinsje Fryslân per mail van 24 juni 2021 toegezonden. Het betreft zes locaties voor appartementen en acht locaties voor grondgebonden woningen in Dokkum. Eén van die projecten is Tusken de Fearten, het gaat hier om de bouw van 29 woningen (vrijstaand, twee-onder-één-kap). Als toevoeging op bijgevoegde stukken is in een ambtelijk memo van 8 maart 2022 door gemeente Noardeast-Fryslân aan Provinsje Fryslân in het digitale inloopspreekuur aanvullend achtergrondinformatie gegeven over de volkshuisvestelijke motivering om onder andere het project Tusken de Fearten nu op te pakken in relatie tot een aantal andere actuele projecten. Naast de prioritering in het college van burgemeester en wethouders van 6 april 2021 is er ook een fase 1en fase 2-lijst opgemaakt die de woningbouwprojecten binnen de gemeente in de tijd uitzet, voorzien van een reële planning ook met het oog op beschikbare capaciteit. Tabel 3.
Fase 1-lijst d.d. 24-12-2021
Het college van burgemeester en wethouders heeft ingestemd met het opnemen van onder andere het project Tusken de Fearten op de fase 1-lijst. Binnen de gemeentelijke organisatie is een programmabureau gebiedsontwikkeling opgericht, waar de woningbouwprojecten volgens vaste structuren (stuurgroep, regiegroepen uitvoeringsteam) worden uitgevoerd. In de fase waarin de projecten nu zitten en de beschikbare capaciteitsinzet is het uitvoeringsteam inmiddels aan de slag met onder meer de planvoorbereiding voor Tusken de Fearten, dat nu als één van de eerste buitenstedelijke projecten wordt opgepakt. Informatie over de woningbouw(voortgang) is raadpleegbaar via de gemeentelijke website onder:
45
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
https://www.noardeast-fryslan.nl/voortgang-woningbouw; en, https://www.noardeast-fryslan.nl/woonvisie. Gezien de genoemde prioriteringslijst en de fase-1 en fase-2 lijst voldoet dit dan ook aan het principe 50/50 (binnen- en buitenstedelijk). Volgende fase experiment Op 29 november 2021 heeft de gedeputeerde vertrouwen in de regionale aanpak uitgesproken met als uitkomst dat de provincie een stap terug zet. Het regionale woningbouwprogramma is niet meer afhankelijk van de bestuurlijke goedkeuring van de provincie, waardoor die nog meer bij de regio komt te liggen. Gemeenten kunnen daardoor flexibeler in planontwikkeling zijn en daardoor sneller te werk gaan. Niet voor ieder plan is een onderbouwing van het woningaantal richting provincie meer nodig. Dat ontslaat de gemeente niet van de verplichting om een onderbouwing op te stellen op basis van de Ladder, het criterium zorgvuldig ruimtegebruik bij bijvoorbeeld nieuwe functies buiten bestaand stedelijk gebied én of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De gemeente is verantwoordelijk voor de afweging en de onderbouwing daarvan, die vormgegeven wordt aan de hand van de woningmarktanalyse, Dorpenatlas en monitoring. Behoefte Uit de verschillende provinciale prognoses en de woningmarktanalyse van de gemeente blijkt dat het aantal huishoudens de komende jaren zal stijgen.
Dit leidt, samen met het nu al onder druk staande woningaanbod, de komende jaren tot een aanhoudende behoefte aan goede, betaalbare en duurzame woningen. In de woningmarktanalyse Noordoost-Fryslân uit 2020 wordt ook geadviseerd daar het gemeentelijk woningbouwoffensief op in te zetten, mede om de trend van afgelopen jaren (vertrekoverschot) te keren. Rekening moet worden gehouden met een vergrijzende regio en grote vraag naar sociale huur in de voorzieningenkernen. De laatste woningmarktanalyse, mede gebaseerd op uitgevoerde monitoring van de eerdere woningmarktanalyse, geeft aan dat er de komende jaren binnen Dokkum nog een stevige woningbehoefte blijft bestaan. Er wordt daarbij in eerste instantie ingezet op herstructurering (sloop/nieuwbouw) en inbreiding. Daarnaast zal in beperkte mate ook buitenstedelijk gebouwd moeten worden om aan de algehele woningbehoefte binnen Dokkum te kunnen voldoen. De woningbehoefte voor Dokkum kan als ruim bestempeld worden, waar als uitkomst van de woningmarktanalyse van 2020 nog ruimte is voor alle segmenten en woningtypen. Vernieuwing van het woningbestand kan door woningverbetering, maar ook nieuwbouw is wenselijk omdat de woonvraag verandert en de gewenste woningkwaliteit soms alleen met nieuwbouw te bieden is. De vraag naar nieuwe, soms andersoortige, woningen zou netto en verspreid over de regio om circa 515 woningen tot 2030 gaan.
Dit is uitgewerkt in een drietal scenario's (afgevlakt, gemiddeld en progressief tot 2030) die alle op dit aantal uitkomen. Gemeentelijk is geconstateerd dat in relatie tot andere actuele woningbouwprojecten het project Tusken de Fearten voornamelijk de toevoeging van thans onvoldoende bediende en ontbrekende woningmarktsegmenten betreft, die wel nodig zijn om in te spelen op de grote behoefte aan woningbouw binnen de gemeente in het algemeen en de stad Dokkum in het bijzonder. Zo blijkt uit de woningmarktanalyse uit 2020 dat nieuw, direct bewoonbaar (dus compleet afgebouwd en afgewerkt) en grondgebonden het meest populair zijn. Het gaan dan vooral om koop(bungalows) in de grotere kernen, op korte afstand van voorzieningen. Hiervan is in de woningmarktanalyse gesteld dat deze nauwelijks voor handen zijn. Tusken de Fearten is een project wat in het kader van de prioritering hierbinnen daarom dan ook een duidelijke plek heeft gekregen. Voor wat betreft deze buitenstedelijke locatie zet de gemeente in op de realisatie van met name het midden en hoge segment. Een stad als Dokkum (plus-kern) heeft behoefte aan een mix van segmenten, waarbij met dit project de bovenkant van de woningmarkt kan worden bediend. Zeker nu een project als Stadsdock inmiddels (vrijwel) volledig is verkocht en er in dit segment geen aanbod meer is in Dokkum. Bovendien
46
bestemmingsplan Dokkum - Tusken de Fearten
brengt het bouwen voor het midden en hoge segment een verhuisketen op gang door bewoners de kans te bieden wooncarrière te maken. Door deze doorstroming kunnen ook starters op de woningmarkt meer kansen worden geboden. Hierover is de woningmarktanalyse uit 2020 klip-en-klaar met betrekking tot de uitkomsten van gesprekken met makelaars. Als bekend hebben starters en eenpersoonshuishoudens tegenwoordig de grootste moeite bij het vinden van een woning vanwege de hoge huizenprijzen. Wellicht kunnen starters met regelgeving worden geholpen, en dat mensen met een lager inkomen voorrang wordt gegeven op bepaalde woningen. Een andere genoemde optie die als meest kansrijk in de praktijk wordt beschouwd, is de toevoeging van woningen aan de bovenkant van de markt (dan wel voor ouderen) zodat doorstroming op gang komt en goedkopere woningen vrijkomen. Nieuwbouw is te duur tegenwoordig om nog goedkope woningen te kunnen realiseren. Tabel 4. Programma-indicatie voor plus-kern Dokkum betreffende verwachte behoefte aan koopwoningen (Bron: Woning-marktanalyse 2020)