CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Uwv-duiding-arbeidsmarktontwikkelingen-sept_2019

It Beslút 3 november 2022, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Begroting 2023 Noardeast-Fryslân6.803 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen September 2019

Inhoudsopgave

Samenvatting

2

1. Uitgelicht: regionale prognoses banen werknemers 1.1. Inleiding 1.2. Verwachte banengroei voor vier zones 1.3. Verwachte banengroei per arbeidsmarktregio

3 3 3 5

2. Ontwikkeling WW-uitkeringen 2.1. Lopende WW-uitkeringen 2.2. Tijdreeksen WW-instroom en aantal verslagweken 2.3. Langdurige WW

9 9 10 11

3. Vacatureontwikkelingen 3.1. Totale vacaturemarkt 3.2. Vacatures naar beroepsniveau en beroepsklasse

13 13 14

4. Krapte op de arbeidsmarkt 4.1. Arbeidsmarkt blijft krap 4.2. Krapte naar beroep 4.3. Krapte naar arbeidsmarktregio

17 17 18 20

Bijlage I

Indeling arbeidsmarktregio’s 2019

21

Bijlage II

Specialisatie-index voor zeven groepen sectoren

22

Bijlage III Ontslagvergunningen

23

Colofon

24

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

1

Samenvatting Deze aflevering van de publicatie Duiding Arbeidsmarktontwikkelingen heeft als speciaal thema de regionale verschillen in de verwachte groei van het aantal banen van werknemers. Daarnaast komen enkele vaste onderwerpen aan de orde (ontwikkeling WW-uitkeringen, vacatures en krapte op de arbeidsmarkt).  In de sterk verstedelijkte regio’s in de Randstad wordt voor 2020 de hoogste groei van het aantal werknemersbanen verwacht (1,6 procent) en in de regio’s aan de rand van Nederland de laagste (0,6 procent). Dat scheelt dus een factor 2. De regio’s nabij de grote steden en de regio’s rond de Randstad zone nemen een tussenpositie in (beide 1,2 procent).  Regionale verschillen in de ontwikkeling van de bevolking van 18 tot 66 jaar zijn het meest bepalend voor de regionale groeiverschillen van het aantal werknemersbanen. Daarnaast is ook de ontwikkeling van de bedrijvigheid in omliggende regio’s van belang. Beide factoren werken in het voordeel van meer verstedelijkte en centraal gelegen regio’s en in het nadeel van regio’s die aan de rand van Nederland liggen.  UWV verstrekte eind augustus 2019 237 duizend lopende WW-uitkeringen. Vergeleken met een jaar eerder is het aantal uitkeringen met 42 duizend gedaald (-15 procent). Het aantal nieuwe WW-uitkeringen is deze zomer nog wel gedaald t.o.v. de vorige zomer, maar wel veel minder dan de afgelopen drie jaar.

 Het aantal personen met langdurige WW daalde in de eerste acht maanden van 2019 sterker dan vorig jaar. Dat komt niet doordat meer van hen de WW verlaten. De uitstroom is juist afgenomen. Er zijn nu minder WW’ers die de grens van 12 maanden bereiken. Deels doordat ze al eerder werk hebben gevonden, deels door verkorting van de WW-duur.  Het aantal vacatures is in het afgelopen kwartaal het sterkst gestegen bij bedrijfseconomische en administratieve beroepen. Daarbij gaat het vaak om specialisten in bedrijfsbeheer en administratie. Het grootste aantal vacatures is bij de technische beroepen.  De spanning op de arbeidsmarkt is weer verder gestegen. De krapte is sterk toegenomen in steeds meer beroepen en regio’s. De krapte is het hoogst bij ICT-beroepen. In Zeeland is de arbeidsmarkt zeer krap.

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

2

1. Uitgelicht: regionale prognoses banen werknemers 1.1. Inleiding UWV laat jaarlijks regionale prognoses maken van het aantal werknemersbanen per sector. Eind mei is in het landelijke prognoserapport alleen globaal op de resultaten ingegaan.1 In dit artikel worden de prognoses nog iets uitgebreider beschreven en toegelicht. Daarbij gaat het om algemene patronen en verklaringen. De resultaten van de afzonderlijke regio’s komen uitgebreider aan bod in Regio in Beeld (te verschijnen op 30 oktober 2019). De prognoses zijn gemaakt voor zestien sectoren, maar worden hier gebundeld in zeven groepen: 1. Industrie: industrie, delfstofwinning en energie. 2. Distributie: groothandel, vervoer & opslag. 3. Consumentendiensten: detailhandel (incl. auto’s), horeca, cultuur/sport/recreatie, overige diensten. 4. Zakelijke diensten: informatie & communicatie, financiële dienstverlening, specialistische zakelijke diensten, overige zakelijke diensten. 5. Collectieve sectoren: openbaar bestuur, onderwijs, zorg en welzijn. 6. Uitzendbureaus: uitzendbureaus en arbeidsbemiddeling. 7. Overige sectoren: landbouw, bouw. Tabel 1.1 geeft een overzicht van de verwachte omvang en ontwikkeling van de zeven groepen sectoren. De collectieve sectoren en de zakelijke diensten zorgen van 2019 op 2020 zowel absoluut als relatief voor de meeste groei.

Tabel 1.1 Prognose banen van werknemers voor zeven groepen sectoren, 2019-2020 Banen werknemers (prognose) Brede sector

Ontwikkeling 2019-2020 (prognose)

2019 x 1.000

2020 x 1.000

Absoluut x 1.000

Relatief %

Industrie

834

833

-1,5

-0,2%

Distributie

892

897

5,3

0,6%

Consumentendiensten

1.654

1.674

20,3

1,2%

Zakelijke diensten

1.436

1.459

22,7

1,6%

Collectieve sectoren

2.386

2.432

45,1

1,9%

Uitzendbureaus

852

861

9,0

1,1%

Overige sectoren

435

440

4,4

1,0%

8.490

8.595

105,3

1,2%

Totaal Bron: UWV

De regionale prognoses worden eerst beschreven op het niveau van vier groepen arbeidsmarktregio’s (paragraaf 1.2). Daardoor worden namelijk een aantal algemene patronen zichtbaar. Daarna op het niveau van 35 arbeidsmarktregio’s (paragraaf 1.3). In die paragraaf komen ook de factoren aan bod die de regionale groeiverschillen bepalen. Hierbij gaat het om de groei tussen 2019 en 2020.

1.2. Verwachte banengroei voor vier zones Figuur 1.1 geeft de indeling van de 35 arbeidsmarkregio’s in vier zones weer (zie bijlage I voor een grotere kaart met regionamen). 1. De sterk verstedelijkte zone bestaat uit de regio’s waarvan de vier grote steden deel uitmaken (Groot Amsterdam, Rijnmond, Haaglanden, Midden-Utrecht). Samen vormen deze vier regio’s het economische hart van Nederland. 2. De zone ‘Nabij de grote steden’ bestaat uit regio’s direct rond de grootstedelijke regio’s die daar o.a. via pendel nauw mee zijn verbonden. Hieronder vallen regio’s als de Zaanstreek, Midden-Holland en de Drechtsteden. 3. De intermediaire zone bestaat uit regio’s die weliswaar buiten de Randstad liggen, maar wel een vrij goede economische positie hebben, doordat ze bijvoorbeeld goede verbindingen met de Randstad hebben of plaats bieden aan activiteiten waar in de Randstad te weinig (betaalbare) ruimte voor is. Voorbeelden hiervan zijn West-Brabant, Zuidoost-Brabant, Midden-Gelderland en Regio Zwolle. 4. De nationaal decentrale zone bestaat uit regio’s die het verst weg liggen van de Randstad. Deze liggen in het noorden van het land en langs de oost- en zuidgrens (bijv. Drenthe, Achterhoek, Zeeland en Zuid-Limburg).

1

UWV (mei 2019), UWV Arbeidsmarktprognose 2019-2020.

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

3

Figuur 1.2 toont de verwachte groei van het aantal werknemersbanen per zone in 2020. In de vier sterk verstedelijkte regio’s wordt de hoogste groei verwacht (1,6 procent) en in de nationaal decentraal gelegen regio’s de laagste (0,6 procent). Dat scheelt dus een factor 2. De regio’s nabij de grote steden en de intermediaire zone nemen een tussenpositie in (beide 1,2 procent).2 Figuur 1.1 Indeling arbeidsmarktregio’s in vier zones

Figuur 1.2 Verwachte banengroei werknemers 20192020 per zone 1 Sterk verstedelijkt

1,6%

2 Nabij grote steden

1,2%

3 Intermediaire zone

1,2%

4 Nationaal decentraal

0,0%

0,8%

0,5%

1,0%

1,5%

2,0%

Bron: UWV

Bron: Bureau Louter

Voor alle zeven groepen sectoren is de verwachte banengroei het laagst in de nationaal decentrale zone (figuur 1.3). Waar de hoogste groei te verwachten is, verschilt per groep. Bij de zakelijke diensten, de consumentendiensten en de uitzendbureaus wordt de hoogste groei verwacht in de sterk verstedelijkte regio’s. Bij de distributie is de sterkste toename te verwachten in de intermediaire zone. De samenstelling van het aantal banen verschilt sterk tussen de vier zones (figuur 1.4). De sterk verstedelijkte zone heeft in verhouding bijvoorbeeld veel zakelijke dienstverlening en weinig industrie. In de nationaal decentrale zone is dat juist andersom.

2

Voor Nederland als geheel is de verwachte groei 1,2%.

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

4

Figuur 1.3 Verwachte banengroei per zone, o.b.v. zeven groepen sectoren

Figuur 1.4 Specialisatie-index3 per zone, o.b.v. zeven groepen sectoren

Industrie

Industrie

Distributie

Distributie

Consumentendiensten

Consumentendiensten

Zakelijke diensten

Zakelijke diensten

Collectieve sectoren

Collectieve sectoren

Uitzendbureaus

Uitzendbureaus

Overige sectoren

Overige sectoren

-1,5%

-0,5%

0,5%

1,5%

2,5%

0

50

100

1 Sterk verstedelijkt

2 Nabij grote steden

1 Sterk verstedelijkt

2 Nabij grote steden

3 Intermediaire zone

4 Nationaal decentraal

3 Intermediaire zone

4 Nationaal decentraal

Bron: UWV

150

Bron: UWV

1.3. Verwachte banengroei per arbeidsmarktregio Totale banengroei werknemers De verwachte ontwikkeling van het aantal banen van werknemers per arbeidsmarktregio 2019-2020 is te zien in figuur 1.5. Vooral Groot Amsterdam onderscheidt zich door een hoge groei, ook ten opzichte van de andere drie sterk verstedelijkte regio’s. De regio’s nabij de grote steden laten een wisselend beeld zien, met soms bovengemiddelde, en soms benedengemiddelde groei. In de intermediaire zone scoren Flevoland, Zuidoost-Brabant en Regio Zwolle relatief goed. Van de nationaal decentrale regio’s zijn de verwachtingen voor Twente het gunstigst. Figuur 1.5 Verwachte banengroei werknemers 2019-2020

Bron: UWV

3

Specialisatie-index = 100 * (Aandeel van sector in werkgelegenheid op regionaal niveau) / (Aandeel sector in werkgelegenheid op landelijk niveau). Waarden groter dan 100 betekenen oververtegenwoordiging en waarden lager dan 100 ondervertegenwoordiging.

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

5

Verklarende factoren voor banengroei De regionale prognoses van het aantal banen van werknemers (Bureau Louter) zijn een verfijning van de landelijke prognoses op sectorniveau (SEOR). Hierbij is onder andere gebruikt gemaakt van regressieanalyses om te bepalen welke locatiefactoren de regionale verschillen in de ontwikkeling van het aantal banen verklaren. Locatiefactoren zijn die regionale omstandigheden die de vestigingsplaatskeuze en/of het economisch functioneren van bedrijven bepalen. Voorbeelden zijn: dichtheid van een regio, Europese of nationale ligging, groei van de (potentiële beroeps-) bevolking en opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Welke locatiefactoren relevant zijn, verschilt per sector. Een locatiefactor kan voor de ene sector een positief effect hebben en voor de andere sector een negatief effect. Voor sommige sectoren is ook gekeken naar specifieke leeftijdsgroepen (onderwijs en zorg), of zijn trends uit het verleden ge-extrapoleerd. Tabel 1.2 geeft een korte omschrijving van de gebruikte locatiefactoren. Tabel 1.2 Korte omschrijving van de locatiefactoren Locatiefactor

Korte verklaring

Europese ligging

Dichtheid

Potentiële invloed van alle buitenlandse EU-regio’s (excl. VK en Ierland) o.b.v. toegevoegde waarde en afstand (hoe verder weg, hoe minder invloed). Gebaseerd op de gemiddelde rijtijd naar alle andere regio’s, gewogen met het aantal banen en de potentiële beroepsbevolking. Potentiële invloed andere Nederlandse regio’s o.b.v. aantal arbeidsplaatsen en afstand (hoe verder weg, hoe minder invloed). Verhouding tussen potentieel ruimtegebruik en beschikbare ruimte.

Overlooppotentie

Dichtheid in de omgeving van een regio ten opzichte van de dichtheid in de regio zelf.

Opleidingsindex

Gewogen gemiddelde van de beroepsbevolking naar vijf opleidingsniveaus (0=basis, 4=hoog).

Regionale marktgroei

Ontwikkeling totaal aantal arbeidsplaatsen in de omgeving van een regio, in verhouding tot de nationale ontwikkeling (gewicht andere regio’s neemt af met afstand). Dummy voor de vier sterk verstedelijkte arbeidsmarktregio’s.

Nationale ligging Nationale potentiaal

Grootstedelijk Groei potentiële beroepsbevolking Groei inwoners Relatieve vertegenwoordiging sector Bruto participatiegraad, laag Bruto participatiegraad, midden Bruto participatiegraad, hoog

Gemiddelde jaarlijkse procentuele ontwikkeling van bevolking van 15 jaar tot pensioenleeftijd, in afwijking van het nationaal gemiddelde. Gemiddelde jaarlijkse procentuele ontwikkeling van bevolking, in afwijking van het nationaal gemiddelde. Gebaseerd op de verhouding tussen aantal arbeidsplaatsen in sector en potentiële beroepsbevolking. Beroepsbevolking als percentage van potentiële beroepsbevolking voor laag opgeleiden. Incl. omliggende regio’s (gewicht hangt af van pendel). Beroepsbevolking als percentage van potentiële beroepsbevolking voor middelbaar opgeleiden. Incl. omliggende regio’s (gewicht hangt af van pendel). Beroepsbevolking als percentage van potentiële beroepsbevolking voor hoog opgeleiden. Incl. omliggende regio’s (gewicht hangt af van pendel).

Bron: UWV o.b.v. technische toelichting Bureau Louter

Uitsplitsing groeiverschillen in drie componenten Omdat voor iedere sector een ander model geldt, is het niet mogelijk om voor elke locatiefactor de bijdrage aan de verwachte totale regionale banengroei uit te rekenen. Wel heeft Bureau Louter per arbeidsmarkregio berekend welk deel van het groeiverschil wordt bepaald door de sectorstructuur, de ontwikkeling van de bevolking van 18 tot 66 jaar en overige factoren. Het groeiverschil tussen sterk verstedelijkte en nationaal decentrale regio’s wordt voor het grootste deel verklaard door verschillen in de ontwikkeling van de bevolking van 18 tot 66 jaar. De sterkst groeiende sector op landelijk niveau, die ook in vrijwel alle regio’s de sterkste invloed heeft op de totale banengroei, is de sector zorg en welzijn. Bij de prognose voor deze sector speelt de bevolkingsontwikkeling in specifieke leeftijdscategorieën een belangrijke rol, afhankelijk van het soort zorg (bijv. jeugdzorg, ouderenzorg). Dat laatste geldt ook voor het onderwijs. Maar ook in andere sectoren is de groei van de potentiële beroepsbevolking van invloed op de regionale banengroei. Bijvoorbeeld vanwege de invloed op het aantrekken van personeel of de consumptieve bestedingen. Verschillen in sectorstructuur spelen maar een beperkte rol.

De sectorstructuur speelt een positieve rol in regio’s waar sectoren zijn oververtegenwoordigd die op landelijk niveau sterk groeien (en omgekeerd: waar sectoren met ongunstige ontwikkeling zijn ondervertegenwoordigd). Het effect is negatief in regio’s die sterk zijn gericht op sectoren die zich op landelijk niveau ongunstig ontwikkelen (en omgekeerd: minder gericht op sectoren met gunstige ontwikkeling). Nadat de effecten van bevolking en sectorstructuur zijn berekend, blijven er nog verschillen over die kunnen worden verklaard op basis van andere locatiefactoren zoals ligging en marktgroei (zie tabel 1.2). Die komen in de volgende subparagraaf aan de orde, bij de behandeling van de verwachte banengroei per groep sectoren.

Banengroei voor zeven groepen sectoren Voor de zeven groepen sectoren zijn kaarten gemaakt van de afwijkingen van de verwachte regionale banengroei van de verwachte landelijke banengroei (figuur 1.6). Voor het effect van groeiafwijkingen op de totale regionale banengroei maakt het nogal uit hoe sterk een sector in een regio is vertegenwoordigd. Dat is in kaartvorm te zien in bijlage II.

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

6

Figuur 1.6 Afwijkingen regionale t.o.v. landelijke banengroei per groep sectoren Procentpunten

Bron: UWV

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

7

Industrie Het aandeel van de industrie in het aantal banen van werknemers loopt regionaal sterk uiteen. De industrie is buiten de Randstad sterker vertegenwoordigd dan binnen de Randstad. In verschillende nationaal decentrale regio’s blijven de groeiverwachtingen echter achter bij de landelijke prognose. De locatiefactoren werken voor de industrie twee kanten op. Aan de ene kant hangt de banengroei negatief samen met dichtheid en het opleidingsniveau van de beroepsbevolking (in de industrie werken relatief veel middelbaar en lager opgeleiden). Aan de andere kant hebben de groei van de potentiële beroepsbevolking en de regionale marktgroei een positieve invloed. In o.a. Limburg, Groningen en Drenthe valt de balans daardoor negatief uit. Distributie De distributie vertoont een minder scherp specialisatiepatroon dan de industrie. Deze groep sectoren is minder sterk vertegenwoordigd in het noorden van het land. Gunstige factoren voor de banengroei zijn o.a. Europese ligging en regionale marktgroei. Regio’s met een bovengemiddelde groeiverwachting liggen zowel in de intermediaire zone (Midden-Brabant, Flevoland) als de nationaal decentrale zone (Noord-Limburg, Twente) Consumentendiensten De consumentendiensten zijn redelijk gelijkmatig over het land verdeeld. De hoogste banengroei wordt verwacht in het noordelijke deel van de Randstad.

De regionale marktgroei is een belangrijke verklarende factor voor de regionale groeiverschilllen. De regio’s met de laagste verwachte groei liggen allemaal in de nationaal decentrale zone. Zakelijke diensten De zakelijke diensten hebben de meest uitgesproken regionale specialisatie. Ze zijn het sterkst vertegenwoordigd in het noordelijke deel van de Randstad en in Zuidoost-Brabant. De sterkste banengroei wordt verwacht in Groot Amsterdam, Midden-Utrecht en Holland-Rijnland. Dat heeft o.a. te maken met de regionale marktgroei en het opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Collectieve sectoren De collectieve sectoren vertonen geen uitgesproken specialisatiepatroon. Ze zijn wel wat sterker vertegenwoordigd in Groningen, Friesland en Regio Zwolle. Bij twee van de drie sectoren in deze groep speelt de ontwikkeling van de bevolking in specifieke leeftijdscategorieën een centrale rol (onderwijs, zorg en welzijn). Uitzendbureaus De regionale groei van het aantal banen in deze sector hangt af van de ontwikkeling van andere sectoren die veel met uitzendkrachten werken. Daarom is de verwachte groei van de uitzendbureaus afgeleid van de prognoses voor die sectoren. De hoogste groei wordt verwacht in sterk verstedelijkte regio’s en de laagste groei in nationaal decentrale regio’s.

Overige sectoren Dit is nogal een diverse groep (bouw, landbouw), zowel qua regionale spreiding als regionale verschillen in banengroei. De prognose voor de landbouw is niet gebaseerd op een regressieanalyse, maar op extrapolatie van regionale trends. De ontwikkeling van het aantal werknemersbanen in de bouw hangt o.a. af de regionale marktgroei, de dichtheid van de regio en de bruto participatiegraad van lager en middelbaar opgeleiden.

Belangrijkste oorzaken regionale groeiverschillen per sector Eerder hebben we al in het algemeen gewezen op het belang van de ontwikkeling van de bevolking van 18 tot 66 jaar voor de regionale groei van het aantal werknemersbanen. Maar daarnaast valt op bij hoeveel sectoren de regionale marktgroei een duidelijk effect op de regionale banengroei heeft. Dat wijst op het belang van ontwikkelingen in omliggende regio’s. Beide factoren werken in het voordeel van meer verstedelijkte en centraal gelegen regio’s en in het nadeel van regio’s die aan de rand van Nederland liggen.

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

8

2. Ontwikkeling WW-uitkeringen 2.1. Lopende WW-uitkeringen UWV verstrekte eind augustus 2019 237 duizend lopende WW-uitkeringen. Vergeleken met een jaar eerder is het aantal uitkeringen met 42 duizend gedaald (-15 procent). In augustus 2019 waren er volgens het CBS 321 duizend werklozen. Dat is 9 procent minder dan in augustus 2018. De werkloosheid lag eind augustus op 3,5 procent van de beroepsbevolking, een jaar eerder nog op 3,9 procent. Daarmee ligt het iets lager dan bij het begin van de economische crisis, inmiddels tien jaar geleden.4 De ontwikkeling van het aantal WW-uitkeringen volgt niet precies de ontwikkeling van de werkloze beroepsbevolking (figuur 2.1). Niet iedereen met een WW-uitkering wordt tot de werkloze beroepsbevolking gerekend.5 Wie naast een baan een gedeeltelijke WW-uitkering heeft valt daar bijvoorbeeld niet onder. Sinds de invoering van de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) in 2015 komt dat meer voor dan voorheen. Uitkeringen worden pas beëindigd nadat is vastgesteld dat er voldoende inkomsten zijn. Daardoor daalt het aantal WW-uitkeringen pas vanaf 2016, terwijl de werkloosheid al vanaf 2014 daalt. Niet elke werkloze heeft een WW-uitkering. Dat kan zijn omdat er nog onvoldoende gewerkt is om recht op een WW-uitkering te hebben, of omdat de WW-uitkering is afgelopen zonder dat iemand nieuw werk heeft gevonden.

Er kan wel sprake zijn van een andere uitkering, zoals een bijstandsuitkering of arbeidsongeschiktheidsuitkering. Figuur 2.1 Lopende WW-uitkeringen en werkloze beroepsbevolking Aantal per maand, in duizendtallen 800 700 600 500 400 300 200 100

2008

2009

2010

2011

2012

2013

WW-uitkeringen

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Werkloze beroepsbevolking

De werkloze beroepsbevolking is door het CBS gecorrigeerd voor seizoensinvloeden. Het aantal WW-uitkeringen wordt niet gecorrigeerd. Bron: UWV en CBS

4

CBS(september 2019), Maandbericht beroepsbevolking augustus 2019. Volgens de internationale definitie vallen daar alleen mensen zonder werk (van minimaal een uur per week) onder die willen werken en recent actief hebben gezocht naar werk. 5

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

9

2.2. Tijdreeksen WW-instroom en aantal verslagweken UWV publiceert in de Nieuwsflits Arbeidsmarkt de WW-cijfers per maand, maar een verslagmaand kan bestaan uit vier of vijf weken.6 Vooral bij instroom- en uitstroomcijfers is het daarom lastig om (groepen) maanden met elkaar te vergelijken, want de verslagperiode is niet altijd even lang. De afwisseling van vier- en vijfweekse verslagperioden maakt tijdreeksen grilliger. Seizoenspatronen zijn daardoor minder goed te zien. Door het aantal nieuwe WWuitkeringen per maand te delen door het aantal verslagweken, ontstaat een duidelijker beeld. Figuur 2.2 vergelijkt het resultaat met de oorspronkelijke maandcijfers. Nu is elk jaar een piek in de WW-instroom te zien in januari. De piek in de maandcijfers is in januari 2019 wat extremer dan in voorgaande jaren, onder andere doordat januari 2019 een verslagmaand is met vijf weken. Ook de stijging van het maandcijfer van augustus 2019 komt deels door een verschillend aantal weken.7

60

12

48

9

36

6

24

3

12

Maandcijfers x 1.000

15

jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug

Gemiddeld per week x 1.000

Figuur 2.2 Instroom in WW-uitkeringen, gemiddeld per week (linkeras) en maandcijfers (rechteras) In duizendtallen

2016

2017

Gemiddeld per week (L)

2018

2019

Maandcijfers (R)

Bron: UWV

Door de cijfers van juni, juli en augustus te combineren kunnen we een beeld geven van de ontwikkeling van de gemiddelde WW-instroom per week in de zomer (figuur 2.3). Deze zomer is het aantal nieuwe WW-uitkeringen met 3 procent gedaald ten opzichte van de vorige zomer. Dat is veel minder dan de afgelopen drie jaar, toen er nog dalingen van tussen de 15 en 18 procent waren. Maar toen kwam de WW-instroom nog vanaf het hoge niveau van de economische crisis.

6 7

Het aantal weken per maand hangt af van het aantal donderdagen per maand. Daarnaast is er in de zomermaanden een gebruikelijke seizoenspiek bij de pedagogische beroepen die voor wat meer instroom zorgt.

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

10

Figuur 2.3 Gemiddelde WW-instroom per week in de zomer (juni t/m augustus) In duizendtallen 12

10

8

6

4

2

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Bron: UWV

2.3. Langdurige WW Het aantal personen dat al een jaar of langer een WW-uitkering heeft gehad daalt sneller dan het aantal personen met een verstreken WW-duur korter dan een jaar.8 Tussen augustus 2018 en augustus 2019 nam het aantal langdurige WW’ers af met 33 procent en het aantal kortdurende WW’ers met 5 procent. Daardoor daalde het aandeel van de WW’ers met een uitkering van een jaar of langer onder alle personen met een WW-uitkering van 33 naar 26 procent. Tot halverwege 2018 waren het juist de kortere uitkeringen die het snelst daalden. Binnen de groep personen met een langdurige WW-uitkering daalde tussen augustus 2018 en augustus 2019 het aantal met een WW-duur van 24 maanden of langer bijna twee keer zo snel als het aantal met een WW-duur van 12 tot 24 maanden (figuur 2.4). De afname bedroeg respectievelijk 47 en 24 procent. Vanaf januari 2019 laat de groep van 24 maanden en langer een versnelling van de afname zien. Dat heeft voor een deel te maken met de geleidelijke verkorting van de WW-duur sinds 1 januari 2016. In de notitie Duiding Arbeidsmarktontwikkelingen van juli 2019 zijn we hier uitgebreider op ingegaan. Het aantal personen met langdurige WW daalde in de eerste acht maanden van 2019 sterker dan vorig jaar. Dat komt niet doordat meer van hen de WW verlaten. De uitstroom is juist afgenomen.

Er zijn nu minder WW’ers die de grens van 12 maanden bereiken (deels doordat ze al voor die tijd werk hebben gevonden, deels door een minder snelle opbouw van WW-rechten9). Daardoor komen er minder nieuwe langdurige WW’ers bij.

8 9

Het gaat hier dus om de verstreken WW-duur, niet om de totale WW-duur waarop iemand recht heeft! Meer hierover in hoofdstuk 1 van de publicatie Duiding Arbeidsmarktontwikkelingen Juli 2019.

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

11

Figuur 2.4 Personen met langdurige WW-uitkering, tot en vanaf 24 maanden (x 1.000) 80

60

40

Jan Feb Mrt Apr Mei Juni Juli Aug Sep Okt Nov Dec Jan Feb Mrt Apr Mei Juni Juli Aug Sep Okt Nov Dec Jan Feb Mrt Apr Mei Juni Juli Aug Sep Okt Nov Dec Jan Feb Mrt Apr Mei Juni Juli Aug

20

2016

2017 12 tot 24 maanden

2018

2019

24 maanden of langer

Bron: UWV

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

12

3. Vacatureontwikkelingen 3.1. Totale vacaturemarkt Het aantal openstaande vacatures was volgens CBS eind juni 2019 met 284 duizend groter dan ooit. In het eerste kwartaal van 2019 ontstonden er 313 duizend nieuwe vacatures en werden er 307 duizend vacatures vervuld.10 Het aantal openstaande vacatures neemt nu al zes jaar lang elk kwartaal verder toe. Figuur 3.1 Aantal openstaande, ontstane en vervulde vacatures (na correctie voor seizoenseffecten) per kwartaal (x 1.000) 350 300 250 200 150 100 50 0 2008

2009

2010

2011

2012

Openstaand

2013

Ontstaan

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Vervuld (incl. vervallen)

Bron: CBS

Vacaturegraad De vacaturegraad meet het aantal openstaande vacatures per 1.000 banen van werknemers. Dat is een goede maatstaf om de vacatureontwikkeling per sector te vergelijken, ongeacht de omvang van sectoren. In het tweede kwartaal van 2019 is de vacaturegraad over alle sectoren: 34 vacatures per 1.000 banen. Dat aantal is hoger dan tijdens de hoogconjunctuur van 2007 en 2008. Vergeleken met een jaar geleden is de vacaturegraad in bijna alle sectoren toegenomen. De ICT-sector heeft nog steeds de hoogste vacaturegraad (65 vacatures per 1.000 banen), gevolgd door de horeca (58) en de bouwnijverheid (57). Volgens de Conjunctuur-enquête (COEN) ervaren deze drie bedrijfstakken de grootste belemmeringen in de bedrijfsuitvoering vanwege personeelstekorten.11

10

Bovenstaande aantallen zijn na correctie voor seizoeneffecten. Bron: CBS, Kwartaalbericht Arbeidsmarkt, 14 augustus 2019: https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/33/bijna-net-zoveel-vacatures-als-werklozen 11 https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/33/kwart-bedrijven-ervaart-personeelstekort Zie verder 4. Krapte op de arbeidsmarkt

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

13

Figuur 3.2 Vacaturegraad per bedrijfstak 31 34

Alle economische activiteiten Landbouw, bosbouw en visserij

21

Delfstoffenwinning

25 43

25

Industrie Energievoorziening

27 26

Waterbedrijven en afvalbeheer

32 31 32 33

Bouwnijverheid

53

Handel

37

Vervoer en opslag

32

57

41

35

Horeca

53

58

Informatie en communicatie

63

65

43 42

Financiële dienstverlening 30

Verhuur en handel van onroerend goed

34

Specialistische zakelijke diensten

43

Verhuur en overige zakelijke diensten

16

Openbaar bestuur en overheidsdiensten

24

Onderwijs

16 0

10

2019 2e kwartaal*

47

18 28

18

20

30

40

50

60

70

2018 2e kwartaal*

Bron: CBS (*=voorlopige cijfers)

Ook het aantal banen groeit verder Het aantal banen groeit nu al vijf jaar onafgebroken. Volgens de tweede berekening van het CBS zijn er sinds het tweede kwartaal van 2014 in totaal 947 duizend banen bij gekomen. Het tempo van de banengroei neemt wel af. De banengroei in het tweede kwartaal van 2019 betreft vooral werknemersbanen (+42 duizend), het aantal banen van zelfstandigen blijft gelijk.12 De banengroei is het sterkst in de zorgsector, gevolgd door de handel, vervoer en horeca, de bouwnijverheid en de zakelijke dienstverlening. In de financiële dienstverlening is het aantal banen verder gedaald.

Uitzendwerk Sinds begin november 201813 is het aantal door de ABU gemeten uitzenduren in elke periode steeds lager dan in dezelfde periode van het voorgaande jaar. Begin augustus lag het aantal uitzenduren 9 procent lager dan begin augustus 2018.14 Het aanbod van uitzendkrachten neemt af, omdat uitzendbedrijven door de krapte meer tijd nodig hebben voor het vinden van geschikte uitzendkrachten. Ook de vraag naar uitzendkrachten neemt af.15

3.2. Vacatures naar beroepsniveau en beroepsklasse UWV heeft op basis van gegevens van CBS en Jobfeed een schatting gemaakt van het aantal vacatures per beroep en per arbeidsmarktregio.16

12

https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/39/bbp-groeit-met-0-4-procent-in-tweede-kwartaal-2019 Omdat de ABU per 4-weekse periode rapporteert kan een periode ook aan het begin van de maand eindigen. 14 https://www.abu.nl/kennisbank/marktcijfers/uren-en-omzet-uitzendbranche-periode-8-2019-week-29-32/ 15 ING, Markten in beweging, 6 september 2019 (Focus: Het tij is gekeerd voor de uitzendbranche). 16 Deze aantallen zijn niet gecorrigeerd voor seizoeneffecten. Voor het CBS geeft seizoenscorrectie een zuiverder beeld van de arbeidsmarktontwikkeling. Voor een uitvoeringsorganisatie als UWV is het belangrijker om te weten hoeveel vacatures er feitelijk zijn. Bovendien worden deze vacaturecijfers als input gebruikt voor de spanningsindicator (zie Box 4.1). 13

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

14

Figuur 3.3 Openstaande vacatures naar beroepsklasse en beroepsniveau Technisch Economisch en administratief Commercieel Transport en logistiek Dienstverlenend Zorg en welzijn ICT Managers Pedagogisch Openbaar bestuur Creatief en taalkundig 0 Beroepsniveau 1

10.000 20.000 30.000 40.000 50.000 60.000 70.000 80.000 90.000 Beroepsniveau 2

Beroepsniveau 3

Beroepsniveau 4

Bron: UWV

Figuur 3.3 toont de openstaande vacatures in het tweede kwartaal van 2019 naar beroepsklasse en –niveau. De indeling naar beroepsniveau is op basis van de internationale ISCO-classificatie, die een indeling van niveau in vier categorieën kent:    

Beroepsniveau 1: eenvoudige routinematige taken, waarvoor elementair of lager onderwijs volstaat; Beroepsniveau 2: weinig tot middelmatig complexe taken, waarvoor lager of middelbaar onderwijs vereist is; Beroepsniveau 3: complexe taken, waarvoor middelbaar of hoger onderwijs vereist is; Beroepsniveau 4: zeer complexe gespecialiseerde taken, waarvoor hoger of wetenschappelijk onderwijs vereist is.

ISCO is een internationale classificatie. ISCO classificeert beroepen volgens de belangrijkste taken en activiteiten. Een belangrijk verschil met het SBC-beroepsniveau, dat in vorige versies van de ‘Duiding Arbeidsmarktontwikkelingen’ werd gebruikt, is de actualiteit van de classificatie. ISCO wordt nog steeds geactualiseerd, terwijl SBC juist een verouderde classificatie is die door CBS niet meer wordt bijgewerkt. Hierdoor ontbreken nieuwe beroepen in SBC en doet deze classificatie onvoldoende recht aan ontwikkelingen die beroepen doormaken. Tabel 3.1 Openstaande vacatures naar beroepsniveau (ISCO) Aantal 2e kwartaal 2019

Aantal 1e kwartaal 2019

Aantal 2e kwartaal 2018

Mutatie t.o.v. vorig kwartaal

Mutatie t.o.v. jaar geleden

13%

ISCO beroepsniveau 1

39.400

37.500

34.900

5%

ISCO beroepsniveau 2

146.900

137.300

136.700

7%

7%

ISCO beroepsniveau 3

42.600

41.200

32.300

3%

32%

ISCO beroepsniveau 4 Totaal

63.500

61.900

56.700

3%

12%

293.800

278.900

260.600

5%

13%

Bron: UWV

De sterkste stijging t.o.v. van een jaar geleden is te zien bij beroepsniveau 3: complexe taken, waarvoor middelbaar of hoger onderwijs vereist is. Het gaat om een breed scala van beroepen. In het 2e kwartaal van 2019 zijn er op beroepsniveau 3 veel vacatures voor bedrijfseconomische beroepen (zoals accountants en bedrijfskundigen), voor technische personeel (zoals bouwkundigen en productieleiders in bouw en industrie) en voor personeel in de zorg (zoals medisch praktijkassistenten en verpleegkundigen). Op beroepsniveau 1, eenvoudige routinematige taken, waarvoor elementair of lager onderwijs volstaat, is het aantal vacatures in een jaar tijd ook sterk gestegen. Het gaat vooral om dienstverlenende beroepen, zoals horeca en schoonmaak, technische beroepen (bouw en industrie) en transportberoepen. De sterkste stijging t.o.v. van het vorige kwartaal is bij beroepsniveau 2: weinig tot middelmatig complexe taken, waarvoor lager of middelbaar onderwijs vereist is. In het 2e kwartaal van 2019 zijn er op dit beroepsniveau veel vacatures voor technische beroepen, zoals metaalarbeiders, machinemonteurs, elektriciens en elektronicamonteurs.

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

15

Tabel 3.2 Openstaande vacatures naar beroepsklasse (BRC) Aantal 2e kwartaal 2019 Agrarische beroepen Bedrijfseconomische en administratieve beroepen Commerciële beroepen Creatieve en taalkundige beroepen Dienstverlenende beroepen

Aantal 1e kwartaal 2019

Aantal 2e kwartaal 2018

Mutatie t.o.v. vorig kwartaal

Mutatie t.o.v. jaar geleden

4.400

4.600

4.800

-4%

-8%

60.300

57.400

45.800

5%

32%

31.100

30.200

27.700

3%

12%

1.900

1.800

1.700

6%

12%

25.600

23.300

22.800

10%

12%

17.300

17.600

14.200

-2%

22%

14.000

13.700

10.800

2%

30%

4.900

4.900

5.100

0%

-4%

6.700

5.700

6.100

18%

10%

Technische beroepen

77.800

72.900

74.800

7%

4%

Transport en logistiek beroepen

26.700

25.800

28.900

3%

-8%

ICT beroepen Managers Openbaar bestuur, veiligheid en juridische beroepen Pedagogische beroepen

Zorg en welzijn beroepen Totaal

21.500

20.000

17.900

8%

20%

293.800

278.900

260.600

5%

13%

Bron: UWV

In het 2e kwartaal van 2019 tellen de technische beroepen het grootste aantal vacatures. De sterkste stijging t.o.v. van een jaar geleden is bij de bedrijfseconomische en administratieve beroepen. De sterkste stijging t.o.v. van het vorige kwartaal is bij de pedagogische beroepen. Hier speelt vooral het seizoen een sterke rol. In het 2e kwartaal vindt werving van onderwijspersoneel voor het komende leerjaar plaats.

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

16

4. Krapte op de arbeidsmarkt 4.1. Arbeidsmarkt blijft krap De krapte aan personeel is in het tweede kwartaal van 2019 weer verder toegenomen en is zelfs hoger dan in het ‘recordjaar’ 2008. Dat blijkt uit de spanningsindicator van UWV (de blauwe lijn in figuur 4.1). Dat is een objectieve maatstaf voor de verhouding tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt (zie voor uitleg box 4.1). De krapte blijkt ook uit de belemmeringen die ondernemers in de bedrijfsuitvoering ervaren, omdat het moeilijk is om geschikt personeel te vinden (de grijze stippellijn in figuur 4.1). Volgens de COEN-enquête blijkt dat een kwart van de ondernemers een tekort aan arbeidskrachten als belemmering ervaart.17 Figuur 4.1 De ontwikkeling van de spanning op de arbeidsmarkt (linkeras) en belemmeringen door het tekort aan arbeidskrachten (rechteras) 3,0

0,3

2,5

0,25

Krap 2,0

0,2

1,5

0,15

Gemiddeld

1,0

0,1

Ruim

0,5

0,05

Zeer Ruim 0,0

0 2008

2009

2010

2011

2012

2013

2014

Spanningsindicator Arbeidsmarkt

2015

2016

2017

2018

2019

Tekort arbeidskrachten

Bron: UWV (Spanningsindicator) en COEN-enquête

17

https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/33/kwart-bedrijven-ervaart-personeelstekort

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

17

Box 4.1. UWV Spanningsindicator Arbeidsmarkt UWV berekent de Spanningsindicator Arbeidsmarkt door het aantal openstaande vacatures te delen door het aantal personen met een WW-uitkering met een verstreken WW-duur van minder dan een half jaar. Deze grootheden worden gebruikt als benadering van de openstaande vraag en direct beschikbaar aanbod. De Spanningsindicator Arbeidsmarkt kan een getal opleveren tussen 0 en oneindig. Hoe hoger het getal, hoe hoger de spanning op de arbeidsmarkt voor werkgevers. Bij een indicator van 0 is de arbeidsmarkt zeer ruim, want er zijn geen openstaande vacatures en wel kortdurend werklozen. Bij veel openstaande vacatures ten opzichte van het aantal kortdurend werklozen is de arbeidsmarkt zeer krap. Er wordt uitgegaan van een indeling in vijf categorieën: zeer ruim, ruim, gemiddeld, krap en zeer krap. De indeling en typeringen zijn als volgt: 0 tot 0,25: zeer ruim; 0,25 tot 0,67: ruim; 0,67 tot 1,5: gemiddeld; 1,5 tot 4,0: krap; 4,0 of meer: zeer krap. Deze grenzen zijn bepaald door een tijdreeksanalyse uit te voeren. Het CBS heeft ook een spanningsindicator. CBS meet het aantal vacatures per 100 werklozen. Uitsplitsing naar beroep en arbeidsmarktregio is echter niet mogelijk. 18

4.2. Krapte naar beroep Tabel 4.1 Spanningsindicator per beroepsniveau (ISCO) Spanningsindicator 2e kwartaal 2019

Spanning

Typering

ISCO beroepsniveau 1

2,28

krap

ISCO beroepsniveau 2

2,90

krap

ISCO beroepsniveau 3

2,29

krap

ISCO beroepsniveau 4

2,12

krap

2,31

krap

Totaal Bron: UWV

Vanaf het tweede kwartaal van 2018 is de krapte op alle beroepsniveaus zichtbaar. Opmerkelijk is dat ook op beroepsniveau 1 de arbeidsmarkt krap is. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om assemblagemedewerkers, heftruckchauffeurs, verkeersregelaars en schoonmakers.19 Tabel 4.2 Spanningsindicator per beroepsklasse (BRC) Spanningsindicator 2e kwartaal 2019

Spanning

Typering

Agrarische beroepen

2,28

krap

Bedrijfseconomische en administratieve beroepen

2,23

krap

Commerciële beroepen

2,17

krap

Creatieve en taalkundige beroepen

0,61

ruim

Dienstverlenende beroepen

2,99

krap

ICT beroepen

6,25

zeer krap

Managers

1,34

gemiddeld

Openbaar bestuur, veiligheid en juridische beroepen

1,95

krap

Pedagogische beroepen

1,59

krap

Technische beroepen

3,79

krap

Transport en logistiek beroepen

2,51

krap

Zorg en welzijn beroepen

2,08

krap

2,31

krap

Totaal Bron: UWV

Uit tabel 4.2 blijkt dat in het 2e kwartaal van 2019 de arbeidsmarkt voor ICT-beroepen zeer krap is. In de ICT-sector ervaart bijna een derde van de ondernemers belemmeringen in de bedrijfsvoering door tekort aan personeel, dus ruim boven het gemiddelde van een kwart.20 Ook de technische beroepen en de dienstverlenende beroepen scoren hoog op de spanningsindicator. De krapte heeft zich sinds het 2e kwartaal van 2018 uitgebreid naar een steeds groter aantal beroepsgroepen, zoals figuur 4.2 laat zien.

18 19 20

https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/33/bijna-net-zoveel-vacatures-als-werklozen https://www.werk.nl/arbeidsmarktinformatie/beroep/kansrijke-beroepen/moeilijk-vervulbare-vacatures/ https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2019/33/kwart-bedrijven-ervaart-personeelstekort

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

18

Figuur 4.2 Aantal BRC-beroepsgroepen per typering spanningsindicator zeer ruim

ruim

gemiddeld

krap

zeer krap 0

10

20 2e kwartaal 2018

30

40

50

60

2e kwartaal 2019

Bron: UWV

Op 6 september heeft UWV een lijst gepubliceerd van beroepen waar een groot tekort aan personeel heerst.21 Naast bekende tekortberoepen zoals metselaars, elektriciens, cnc-verspaners, programmeurs, verzorgenden, wijkverpleegkundigen, koks, vrachtwagenchauffeurs en leraren exacte vakken, zijn er nu ook moeilijk vervulbare vacatures in verkoopberoepen, overheidsberoepen en bij juridische beroepen. Zoals onder tabel 4.1 al is vermeld heeft de krapte zich ook uitgebreid tot een aantal beroepsgroepen, waarvoor geen instroomniveau is vereist.

21

https://www.uwv.nl/overuwv/pers/persberichten/2019/uwv-bijna-helft-vacatures-volgens-werkgevers-moeilijk-te-vervullen.aspx

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

19

4.3. Krapte naar arbeidsmarktregio Figuur 4.3 laat zien hoe de krapte op de arbeidsmarkt zich in het tweede kwartaal van 2019 weer verder verspreid heeft over nog meer regio’s dan in hetzelfde kwartaal van vorig jaar. Er zijn nu nog maar drie regio’s waar de spanning nog gemiddeld is. In Zeeland is de arbeidsmarkt zelfs zeer krap. Dat geldt daar voor zeven van de elf beroepsklassen. De krapte in Zeeland is het grootst in de dienstverlenende beroepen (vooral horeca en schoonmaak), de technische beroepen (vooral bouw, metaal en industrie) en de zorgberoepen.22 Figuur 4.3 Spanningsindicator per arbeidsmarktregio

2018 q2

2019 q2

Bron: UWV

22

https://www.werk.nl/arbeidsmarktinformatie/images/Regionale%20nieuwsflits%20arbeidsmarkt%20Zeeland.pdf (augustus 2019)

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

20

Bijlage I

Indeling arbeidsmarktregio’s 2019

Nr Arbeidsmarktregio 1 Groningen 2 Friesland 3 Drenthe 4 Regio Zwolle 5 Twente 6 Stedendriehoek en Noordwest Veluwe 7 FoodValley 8 Midden-Gelderland 9 Rijk van Nijmegen 10 Achterhoek 11 Rivierenland 12 Flevoland 13 Gooi en Vechtstreek 14 Midden-Utrecht 15 Amersfoort 16 Groot Amsterdam 17 Noord-Holland Noord 18 Zuid-Kennemerland en IJmond 19 Zaanstreek/Waterland 20 Zuid-Holland Centraal 21 Holland Rijnland 22 Midden-Holland 23 Haaglanden 24 Gorinchem 25 Rijnmond 26 Drechtsteden 27 Zeeland 28 West-Brabant 29 Midden-Brabant 30 Noordoost-Brabant 31 Zuidoost-Brabant 32 Helmond-De Peel 33 Noord-Limburg 34 Midden-Limburg 35 Zuid-Limburg

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

21

Bijlage II

Specialisatie-index voor zeven groepen sectoren

De specialisatie-index is de verhouding tussen het regionale en nationale aandeel in de banen van werknemers (x 100). Scores boven de 100 betekenen dat een groep sectoren is oververtegenwoordigd, scores beneden de 100 wijzen op ondervertegenwoordiging.

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

22

Bijlage III

Ontslagvergunningen

Figuur II.1 laat zien dat in de afgelopen maanden veel ontslagaanvragen die zijn ingediend om bedrijfseconomische redenen niet hebben geleid tot verleende ontslagvergunningen.23 Figuur II.1 Ingediende ontslagaanvragen (links) en verleende ontslagvergunningen (rechts) in de afgelopen maanden 100%

100% 224

218

236

80%

80% 145

60%

152

111

198

153

jul-19

aug-19

60%

40%

784

1 .3 1 1

1 .3 7 7

20%

40%

20%

0%

130

0% jun-19

Bedrijfseconomisch

jul-19

aug-19

Arbeidsongeschikt

jun-19

Bedrijfseconomisch

Arbeidsongeschikt

Bron: UWV

Het totale aantal ingediende ontslagaanvragen ligt in de eerste acht maanden van 2019 7 procent hoger dan in dezelfde periode van 2018, het aantal verleende ontslagvergunningen is juist met 4 procent gedaald.

23

Meer informatie over de ontslagprocedure is hier te vinden: https://www.uwv.nl/werkgevers/werkgever-en-ontslag/index.aspx

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

23

Colofon Uitgave UWV Arbeidsmarktinformatie- en advies, 26 september 2019 Postadres Postbus 58285 Postcode 1040 HG Amsterdam Inlichtingen Feike Reitsma feike.reitsma@uwv.nl Voor persvragen kunt u terecht bij onze woordvoerders via 020 687 5185. Auteurs Feike Reitsma Sake Wagenaar

Volg ons

Disclaimer Alles uit deze uitgave mag worden overgenomen, echter uitsluitend met bronvermelding. UWV © 2019 De kennispublicaties van UWV hebben betrekking op vier gebieden. Deze kennen een eigen kleurcodering. Zo kunt u snel zien op welk gebied een publicatie betrekking heeft:

ontwikkelingen in de sociale zekerheid

verder professionaliseren van de dienstverlening

arbeidsmarkt en arbeidsparticipatie

financiële aspecten van de sociale zekerheid

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

24

Duiding arbeidsmarktontwikkelingen - September 2019

25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=5564776b-fe0e-4826-b0bb-099c892560fe