Bijlage 1 - Toelichting Ontwerp bestemmingsplan Uitkijktoren Kollumeroord
Tekst van het document
Rapport Projectnummer: 372597 Referentienummer: SWNL0244155 Datum: 18-09-2020
Bestemmingsplan Kollumerpomp Uitkijktoren Toelichting
Ontwerp
Opdrachtgever: Provincie Groningen Postbus 610 9700 AP GRONINGEN
Sweco Rozenburglaan 11 9727 DL Groningen Postbus 7057 9701 JB Groningen
T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl
Sweco Nederland B.V.
Mervin Rozema
Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt
T +31 88 811 47 93 M +31 6 51 59 30 57
Verantwoording Titel
Bestemmingsplan Kollumerpomp Uitkijktoren
Subtitel
Toelichting
Projectnummer
372597
Referentienummer
SWNL0244155
Revisie
Ontwerp
Datum
18-09-2020
Auteur E-mailadres
Gecontroleerd door Paraaf gecontroleerd
Goedgekeurd door Paraaf goedgekeurd
2
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
6
7
Inleiding .................................................................................................................. 5 1.1
Aanleiding ................................................................................................ 5
1.2
Ligging en begrenzing ............................................................................. 5
1.3
Achtergrond en historie............................................................................ 6
1.4
Vigerend bestemmingsplan ..................................................................... 7
1.5
Leeswijzer ................................................................................................ 7
Beleidskader .......................................................................................................... 8 2.1
Provinciaal beleid ..................................................................................... 8
2.2
Beleid waterschap Noorderzijlvest .......................................................... 9
2.3
Gemeentelijk beleid ................................................................................. 9
Planbeschrijving .................................................................................................. 11 3.1
Ruimtelijke en stedenbouwkundige structuur ........................................ 11
3.2
Beschrijving project ................................................................................ 12
Omgevingsaspecten ........................................................................................... 15 4.1
Bodem.................................................................................................... 15
4.2
Archeologie ............................................................................................ 16
4.3
Natuur .................................................................................................... 17
4.4
Water ..................................................................................................... 20
4.5
Verkeer .................................................................................................. 20
4.6
Geluid..................................................................................................... 22
4.7
Luchtkwaliteit ......................................................................................... 22
4.8
Externe veiligheid .................................................................................. 23
Juridische toelichting ......................................................................................... 24 5.1
Systematiek ........................................................................................... 24
5.2
Toelichting op de regels......................................................................... 24
Inspraak en overleg ............................................................................................. 26 6.1
Inspraak ................................................................................................. 26
6.2
Vooroverleg ........................................................................................... 26
6.3
Het vervolg ............................................................................................. 26
Uitvoerbaarheid ................................................................................................... 27 7.1
Financiële uitvoerbaarheid .................................................................... 27
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................... 27
3
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1
Natuurtoets Rondje Lauwersmeer, gebiedsbescherming
Bijlage 2
Passende Beoordeling Rondje Lauwersmeer
Bijlage 3
Nader onderzoek en effectbeoordeling jaarrond beschermde nesten Rondje Lauwersmeer
Bijlage 4
Notitie effecten realisatie Borneobrug en tokkelbaan op wezenlijke waarden NNN
Bijlage 5
Notitie tracé Borneobrug en tokkelbaan Diepsterbos
Bijlage 6
Nota van beantwoording inspraak en vooroverleg met bijlagen
4
1
Inleiding
1.1 Aanleiding De provincie Groningen (hierna te noemen: initiatiefnemer) is voornemens een uitkijktoren in Kollumeroord te plaatsen, aan de zuidwestkant van het Lauwersmeer. Dit is één van de deelprojecten van het Rondje Lauwersmeer. Het project ‘Rondje Lauwersmeer, beleef het Lauwersmeer’ zet in op de verdere duurzame ontwikkeling van recreatie en toerisme in het Waddengebied. Het doel is de belevingswaarde van het Nationaal Park Lauwersmeer te verhogen. Daarvoor wordt geïnvesteerd in het versterken en vergroten van het aanbod van recreatieve voorzieningen, zoals fiets- en wandelroutes, uitkijkpunten en speelplekken. Dit zonder de natuurlijke en landschappelijke waarden uit het oog te verliezen. De voorgenomen activiteit ligt op grondgebied van de gemeente Noardeast-Fryslân. Het vigerende bestemmingsplan Partiële en correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied van september 2017 voorziet echter niet in deze voorgenomen activiteit. Hierin is aan het gebied de bestemming Natuur – 1 toegekend. Ten behoeve van het plan zal een bestemmingsplanwijziging moeten plaatsvinden, omdat het vigerende bestemminsplan niet voorziet in een uitkijktoren en de toekomstige recreatieve voorzieningen rond de uitkijktoren. Dit bestemmingsplan maakt de uitkijktoren in het gebied Kollumeroord planologisch mogelijk.
1.2 Ligging en begrenzing Het plangebied ligt in natuurgebied Kollumeroord in de gemeente Noardeast-Fryslân, aan de zuidwestkant van Nationaal Park Lauwersmeer (zie figuur 1.1).
Figuur 1.1: Ligging plangebied (rood omlijnd) in Nationaal Park Lauwersmeer
5
In figuur 1.2 is het plangebied waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft in het rood omlijnd. Voor de begrenzing aan de noord-, oost- en westzijde is de binnenzijde van de omliggende waterschapsdijk gekozen. Aan de zuidzijde vormt de bosrand de begrenzing van het plangebied.
Figuur 1.2: Plangebied bestemmingsplan
1.3
Achtergrond en historie
Natuur en landschap De zee heeft lange tijd invloed gehad op het wonen en leven in het noordelijk kustgebied. Met de aanleg van dijken is de invloed van de zee ingeperkt. Aan de rand van het Lauwersmeer (toen nog Lauwerszee) ontstond een stelsel van bedijkingen met tussenliggende polders. Dit heeft geresulteerd in het polderlandschap. Het Nationaal Park Lauwersmeer is sinds 2003 één van de 20 Nationale Parken in Nederland, een Nationaal Park direct gelegen aan de Waddenzee. De Nationale Parken Lauwersmeer en Schiermonnikoog vormen samen met het Werelderfgoed Waddenzee een sterke drie-eenheid, waar natuur, toerisme, cultuur, rust, ruimte, duisternis en historie nog voelbaar, zichtbaar en herkenbaar zijn en op een natuurlijke manier in elkaar overgaan. Het Lauwersmeer is aangewezen als Natura 2000-gebied voor 13 soorten broedvogels en 29 soorten niet-broedvogels (trekvogels en wintergasten). Al deze soorten zijn kenmerkend voor het landschap van meren en moerassen waar het Lauwersmeer onderdeel van uit maakt. Het Lauwersmeer is de verbinding tussen het Natura 2000-gebied Waddenzee en diverse Natura 2000-gebieden in het achterland van Fryslân, Groningen en Drenthe.
6
Rondje Lauwersmeer Het doel van het Rondje Lauwersmeer is het versterken van de beleving van het Lauwersmeer. De toeristische ondernemers, Staatsbosbeheer en de gemeente hebben samen de ambities voor Kollumeroord uitgewerkt in het masterplan Zuidelijke Poort Kollumeroord Lauwersmeer (2015). Maatregelen in dit masterplan zijn onder andere het verbeteren van de beleving van het landschap, het realiseren van wandelroutes, een speeloever en speelbos en de uitkijktoren. Kollumeroord heeft de potentie om verder uit te groeien tot een onderscheidende ‘zuidelijke toegangspoort’, waarbij de volgende termen centraal staan: Ruig, Actief en Puur. Hierbij wordt specifiek ingezet op de nieuwe bezoekers zoals gezinnen met kinderen fietsers, wandelaars en passanten. De uitkijktoren doet dienst als trekpleister en landmark. Ervaringen in andere (natuur)gebieden leert dat een mooie gebiedsspecifieke uitkijktoren van toegevoegde waarde is voor de beleving van natuur en landschap en een mooie aanvulling op het recreatief medegebruik van het Lauwersmeer. Kollumeroord is hiervoor een zeer geschikte plek. De uitkijktoren is zo ontworpen dat er een loopbrug, ook wel borneobrug genaamd, en tokkelbaan aan bevestigd kunnen worden. Deze voorzieningen, voegen naast het bestaande speelbos, extra waarde toe aan de beleving van Kollumeroord.
1.4 Vigerend bestemmingsplan Het volgende bestemmingsplan wordt gewijzigd met de vaststelling van dit bestemmingsplan: Bestemmingsplan Partiële en correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied
Huidige bestemming(gen) Enkelbestemming: Natuur – 1
Gemeenteraad Vastgesteld – 28-09-2017
1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op voor dit bestemmingsplan relevant provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 3 wordt het plan beschreven. In hoofdstuk 4 komen de milieuaspecten aan bod en de daaraan verbonden onderzoeken. Voor de totstandkoming van het bestemmingsplan Kollumerpomp Uitkijktoren zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd, waarvan de resultaten op hoofdlijnen in dit bestemmingsplan zijn verwoord. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridisch bestuurlijke aspecten. Hoofdstuk 6 gaat in op inspraak en overleg. In hoofdstuk 7 komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.
7
2
Beleidskader
Dit bestemmingsplan heeft haar vorm gekregen binnen de beleidskaders van provincie, waterschap en gemeente. Dit beleid stelt planologische en bestuurlijke beleidskaders (randvoorwaarden) aan de ruimtelijke (on)mogelijkheden voor het plangebied waarmee rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk wordt voor het plangebied het relevante algemene beleid samengevat. 2.1
Provinciaal beleid
Structuurvisie ‘Grutsk op 'e Romte’ (2014) Provinciale Staten hebben in 2014 de structuurvisie ‘Grutsk op ‘e Romte’ vastgesteld. In deze thematische structuurvisie zijn landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, inspireren en adviseren. Op deze wijze verwacht provincie Fryslân de doorwerking van provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten te borgen. Behalve een inventarisatie van de kwaliteiten is Grutsk op ‘e Romte vooral bedoeld om een ontwikkelingsrichting aan te geven voor de toekomst. Per landschapstype zijn provinciale belangen geformuleerd. Voor het Lauwersmeergebied gelden de volgende provinciale belangen: • Grootschalige openheid langs de voormalige Lauwerszeedijk met het bijbehorend watererfgoed, zoals dijken, sluizen en bebouwing op en aan de dijk, inclusief de afsluitende dijk met sluizen aan de noordzijde; • De openheid van platen en slikken en het zichtbare microreliëf van kwelderwallen, oude geulen, kreken, slenken en prielen; • Het contrast tussen het oude en nieuwe land langs de Nieuwe Zee- of Buitendijk; • Reliëf langs de voormalige getijdenstroom Dokkumer Grutdjip; • Het open en robuuste landschap met groene puntverdichtingen, zoals boerderijerven, daarin.
Met de voorgenomen activiteiten wordt historisch waterstaatkundige erfgoed behouden. De uitkijktoren komt op geruime afstand van de Lauwersmeerdijk. Aangezien de uitkijktoren opgaat in de hoogte van omliggende bomen, wordt aangesloten op het karakter, de maat en schaal van het open en robuuste landschap. Op dit moment is de Ontwerp Omgevingsvisie van de provincie Fryslân klaar. Ondanks dat deze visie nog niet definitief is worden de voorgenomen activiteiten ook getoetst aan de Ontwerp Omgevingsvisie. De provincie Fryslân wil borgen dat de omgevingskwaliteiten van landschap en cultuurhistorie, zoals weergegeven in de provinciale nota Grutsk op ‘e Romte, herkenbaar blijven en doorwerken en gebruikt worden in plannen en projecten. De provincie stimuleert gemeenten en andere partijen om deze kwaliteiten op een lager schaalniveau uit te werken en toe te passen. De Omgevingsvisie borduurt dus voort op de ingezette lijn in de visie ‘Grutsk op ‘e Romte’. Verordening Romte (2014) In 2014 is de Verordening Romte vastgesteld en gewijzigd in 2015 en 2018. In de Verordening Romte Fryslân worden regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Deze regels hebben betrekking op diverse onderwerpen. Voor dit plan is de bescherming van de ecologische hoofdstructuur van belang.
Het plangebied maakt hier onderdeel vanuit. Een
8
plan dat betrekking heeft op deze gronden mag geen activiteiten of ontwikkelingen mogelijk maken die leiden tot significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een significante vermindering van de oppervlakte van die gronden, of tot significante aantasting van de samenhang tussen gebieden die deel uitmaken van de ecologische hoofdstructuur. De mogelijkheden in het plangebied zijn wat betreft significante effecten op de ecologische waarden en kenmerken onderzocht (zie paragraaf 4.3). Hieruit blijkt dat de ontwikkelingen geen negatieve effecten hebben op de ecologische hoofdstructuur. Conclusie: Dit bestemmingsplan past binnen de ontwikkelingsrichtingen uit de structuurvisie Grutsk op ‘e Romte, Verordening Romte en de Ontwerp Omgevingsvisie. Hiermee conformeert dit bestemmingsplan zich aan het provinciaal beleid. 2.2 Beleid waterschap Noorderzijlvest In het Waterbeheerprogramma (WBP) 2016 - 2021 is het voorgenomen beleid en beheer van waterschap Noorderzijlvest opgenomen. In het plan staat wat het waterschap in de planperiode als watersysteembeheerder voornemens is te gaan doen om in het beheergebied schoon water en droge voeten te houden. In dit WBP zijn op strategisch niveau voor de planperiode de maatregelen geformuleerd, die nodig zijn om de beleidsdoelen ten aanzien van de thema’s “waterveiligheid”, “voldoende water” en “schoon water” te realiseren.
Zelfs wanneer de verwachte klimaatverandering en daarmee verdergaande stijging van de zeespiegel doorzetten, blijft de veiligheidsopgave tot minstens 2030 beperkt tot lokale kadeversterking. Conclusie: Dit bestemmingsplan past binnen het WBP van waterschap Noorderzijlvest. Hiermee conformeert dit bestemmingsplan zich aan dit beleid (zie ook paragraaf 4.4 Waterparagraaf). 2.3 Gemeentelijk beleid In de structuurvisie Buitengebied Dantumadiel en Kollummerland c.a. 2010-2020 geven de gemeenten hun visie op de ontwikkeling van het buitengebied in dit decennium. In de structuurvisie zijn de visie en uitgangspunten geformuleerd op basis waarvan beleid voor het buitengebied vorm wordt gegeven. Het Natura 2000-gebied Lauwersmeer wordt beschouwd als natuurgebied met een ondergeschikte recreatiefunctie. Nieuwe ontwikkelingen dienen op grond van de Wet natuurbescherming te worden beoordeeld op hun effecten op de kwalificerende soorten. Recreatieve ontwikkelingen zullen in en rond dit gebied worden toegestaan mits er geen sprake is van significant negatieve effecten op deze soorten. Vanwege de beleidsharmonisatie van de drie gemeenten die opgegaan zijn in de gemeente Noardeast-Fryslân is er op dit moment nog geen integraal gemeentelijk beleid beschikbaar.
In het project “Rondje Lauwersmeer, beleef het Lauwersmeer”, waar in hoofdstuk 1 al aan is gerefereerd, trekken de vijf overheden van het Lauwersmeergebied als stuurgroep Lauwersmeer samen op. Het project is in afstemming met de gemeenten ontwikkeld. Bij de betrokken gemeenten is veel draagvlak voor dit project. Binnen het vigerende bestemmingsplan zijn alle natuurgebieden in handen van natuurorganisaties bestemd voor ‘Natuur – 1’. Het gebied dat binnen het Lauwersmeergebied geschikt is om te worden gebruikt voor de watersport is bestemd voor
9
‘Natuur – 2’. Beide bestemmingen zijn gericht op het beschermen van de natuurwaarden en laten recreatief medegebruik toe. Conclusie: Het nieuwe bestemmingsplan is afgestemd op het gemeentelijke beleid in de structuurvisie. Met dit plan wordt ingezet op kleinschalige recreatie in het Lauwersmeergebied. Hiermee conformeert dit bestemmingsplan zich aan dit beleid. Aangezien het vigerende bestemmingsplan niet voorziet in de uitkijktoren wordt hiervoor een nieuw bestemmingsplan opgesteld.
10
3
Planbeschrijving
3.1 Ruimtelijke en stedenbouwkundige structuur In het zuidelijke en Friese deel van het natuurgebied Lauwersmeer bevindt zich een recreatiegebied van ongeveer 200 hectare genaamd Kollumeroord. Van deze 200 hectare is zo’n 40 jaar geleden een groot deel ingeplant met veelal zwarte populieren, elzen en abelen. Het westelijke deel van dit bos wordt het Diepsterbos genoemd en het oostelijke deel het Zomerhuisbos. De opzet van het Diepsterbos is vrij speels, zodat het bos niet alleen aantrekkelijk is voor dieren maar ook voor recreanten. Ten zuiden van het bos bevindt zich verblijfsaccommodatie 'Natuurlijk Kollumeroord' van waaruit buitensportactiviteiten worden georganiseerd. Sinds een aantal jaren leeft er bij de recreatieondernemers uit de omgeving en van Natuurlijk Kollumeroord de behoefte om het recreatieaanbod in het gebied te vergroten en toekomstbestendig en duurzaam te ontwikkelen. De wens is een toren die niet alleen als uitzichtpunt fungeert maar ook een spil kan zijn in het hoogteparcours voor de buitensportactiviteiten. De kwaliteit van het Lauwersmeergebied is de grote variatie aan landschappen en de bijbehorende openheid en geslotenheid. Deze verschillende landschappen trekken ieder jaar honderdduizenden water-, bos-, en weidevogels naar het gebied en daarmee ook enorm veel vogelkenners uit geheel Europa.
De locatie voor de uitkijktoren is gekozen aan de noordrand van het Diepsterbos (zie figuur 3.1). Op deze locatie eindigt het bos en begint het open landschap. Op deze manier kunnen verschillende landschappen worden beleefd vanuit de uitkijktoren.
Figuur 3.1: Locatie uitkijktoren in plangebied
Bijkomend voordeel van deze locatie is dat de hoogte van de bomen (circa 30-40 meter) niet meer bepalend is voor de toren. Hierdoor is een hoogte van circa 25 meter voldoende.
11
Door juist onder de boomtoppen te blijven wordt de toren meer ingebed in het landschap. Daarnaast is er voor gekozen de toren in te zetten als verbindend element tussen het bos en het open landschap. Op dit grensvlak komen beide biotopen het best tot hun recht. Aan deze rand bevindt zich namelijk bijzonder struikgewas zoals egelantier, hondsroos en duinroos die weer bijzondere vogels trekken. 3.2
Beschrijving project
Uitkijktoren Als concept voor de toren is er gekozen voor een soort frame waarbinnen zich verschillende stijgpunten bevinden. Deels zijn dit stijgpunten ten behoeve van het uitzicht en deels ten behoeve van het hoogteparcours. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid niet dezelfde weg te terug te nemen als de heenweg. Per verticaal niveau is een plek gecreëerd voor een informatiepaneel over de natuur en cultuur van het gebied. De bezoeker wordt als het ware tijdens zijn verticale tocht meegenomen op een reis door wat het gebied horizontaal te bieden heeft. Naast de bouw van de toren wordt er ook gewerkt aan een bijzondere beleefroute in het Diepsterbos. Omdat de toren onderdeel is van deze beleefroute zal de toren niet alleen gezien worden als hoogte-element maar ook als verbindingselement. Tezamen met de toren ontstaat er op deze manier een spannende en uitdagende manier om het natuurgebied te beleven. Door de toren te plaatsen aan een bestaand pad hoeven er geen nieuwe toegangswegen naar het gebied te worden gerealiseerd om de toren te kunnen bouwen. De toren wordt uitgevoerd in verzinkt staal. Het gewicht en de sterkte van het materiaal past het beste bij de slapheid van de bodem. Ook is het materiaal bestand tegen het zout/zoete klimaat en gemakkelijk te onderhouden. Er is voor gekozen om de toren deels te bekleden in Douglas Oregon pine en deels in groen gecoat staal.
De vergrijsde, groene kleuren passen bij de beplanting en de grote rietvelden van het gebied.
Figuur 3.2: Impressie van de inpassing van de uitkijktoren
12
Figuur 3.3: Visualisatie van de west- en zuidzijde van de uitkijktoren
Tokkelbaan en Borneobrug De realisatie van de uitkijktoren in Kollumeroord staat niet op zichzelf. Zoals in bovenstaande paragraaf al is verteld ontstaan er met de komst van de toren ook andere dagrecreatieve mogelijkheden naast het reeds bestaande speelbos. Samen met de ondernemers rond Kollumeroord is bekeken of de uitkijktoren te combineren is met een loopbrug (borneobrug) en een tokkelbaan. De uitkijktoren wordt ongeveer 25 meter hoog en wordt tegen de bestaande bomen geplaatst, waardoor deze opgaat in de omgeving. Vanaf de toren ontstaat de mogelijkheid een tokkelbaan en loopbrug aan te sluiten op circa 21 meter hoogte. Deze lopen vervolgens in zuidelijke richting door het Diepsterbos (zie figuur 3.4). De uitkijktoren, de borneobrug en de tokkelbaan vormen een welkome aanvulling op de dagrecreatieve voorzieningen rond het Lauwersmeer. Mogelijk komen er in de toren touwen waarlangs mensen omhoog kunnen klimmen. Klimactiviteiten en het gebruik van de tokkelbaan zullen alleen plaatsvinden onder begeleiding.
13
Figuur 3.4: Tokkelbaan en Borneobrug vanaf de uitkijktoren in het Diepsterbos
14
4
Omgevingsaspecten
Dit hoofdstuk gaat in op de wijze waarop bij het maken van het bestemmingsplan rekening is gehouden met de omgeving. Aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten is aangegeven hoe de in het plangebied voorkomende functies op elkaar zijn afgestemd om overlast en ongewenste effecten op de omgeving te voorkomen. Centraal hierin staan de thema’s bodem, archeologie, natuur, water, verkeer, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. 4.1 Bodem Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een bestemmingsplan inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Hierbij moet worden opgemerkt dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen.
Figuur 4.1: Bodem (bron: Grondsoortenkaart Alterra, 2006)
De bodem van het plangebied bestaat volledig uit lichte zavel (zie figuur 4.1). Volgens het Bodemloket en Nazca-I zijn er in het plangebied geen onderzoeken uitgevoerd. Er vindt wel in geringe mate grondverzet plaats, maar dit gebeurt met gebiedseigen grond.
15
Bovendien zijn er geen milieugevoelige functies in het gebied voorzien. Bodemonderzoek is niet nodig. Het plan mag op het aspect bodem uitvoerbaar worden geacht. 4.2 Archeologie De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hiertoe is op 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij dit voorschrift in artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a is opgenomen.
Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Voor het gebied wordt vanuit de Friese Archeologische Monumenten Kaart Extra (FAMKE) het advies gegeven dat geen onderzoek noodzakelijk is binnen het plangebied (zie figuur 4.2). Dit advies wordt gegeven als op basis van eerder onderzoek is gebleken dat er zich geen archeologische resten in de bodem bevinden, of wanneer de archeologische verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de periode ijzertijd – middeleeuwen en steentijd – bronstijd op gefundeerde gronden zodanig laag is dat de kans op aantasting bij de meeste ingrepen zeer klein is. Omdat FAMKE onvoldoende zekerheid bood met betrekking tot de archeologische verwachtingswaarde van het grondgebied van de gemeente is nader onderzoek uitgevoerd naar de archeologische waarden in het bestemmingsplan Partiële en correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012. De uitkomsten van dit onderzoek zijn gerapporteerd in “Archeologische verwachtings- en onderzoeksadvieskaart van de gemeente Kollumerland en Nieuw Kruisland” (2012). Het plangebied heeft hierin de archeologische verwachtingswaarde ‘afgedekt landschap: laag’ gekregen.
Op basis van deze adviezen voldoet het plan aan de Erfgoedwet en kan het plan als uitvoerbaar worden beschouwd.
16
Figuur 4.2: Archeologie advies FAMKE (bron: Archeologische Kaart Provincie Fryslân, 2019)
4.3 Natuur In het kader van project Rondje Lauwersmeer is zowel gebiedsbescherming als de soortenbescherming beoordeeld in een vijftal onderzoeken (zie ook de bijlagen): Natuurtoets Rondje Lauwersmeer, gebiedsbescherming (Buro Bakker, 2017); Passende Beoordeling Rondje Lauwersmeer, passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming (Buro Bakker, 2018); Nader onderzoek en effectbeoordeling jaarrond beschermde nesten Rondje Lauwersmeer (Buro Bakker, 2018); Notitie effecten realisatie Borneobrug en tokkelbaan op wezenlijke waarden NNN (Buro Bakker, 2020); Notitie tracé Borneobrug en tokkelbaan Diepsterbos (Buro Bakker, 2020). De eerste drie onderzoeken zijn uitgevoerd voor het voorontwerp bestemmingsplan. Toen lag het tracé van de Borneobrug en tokkelbaan nog niet vast. Naar aanleiding van het vooroverleg zijn de tracés verder uitgewerkt en kon nader onderzoeken plaatsvinden naar de effecten. Deze zijn beschreven in de twee laatstgenoemde notities. De conclusies uit de eerste drie notities zijn samengevat als volgt. Het plangebied ligt in het Natura 2000-gebied (zie figuur 4.3). De uitkijktoren, tokkelbaan en loopbrug worden binnen het Natura 2000-gebied gerealiseerd. Het plangebied ligt ook binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
17
Figuur 4.3: Natuurgebieden (bron: Planologische EHS, Verordening Romte, 2014)
Voor de Natura2000-doelstellingen worden door verstoring (licht, geluid en beweging) geen negatieve effecten verwacht. Ook worden geen negatieve effecten verwacht op de kernkwaliteiten NNN en gaat geen areaal aan beheertype verloren. In de passende beoordeling is vermeld dat er een Aerius berekening is uitgevoerd met een inschatting van het in te zetten materieel tijdens de realisatiefase. De werkzaamheden voor het realiseren van de uitkijktoren, loopbrug en tokkelbaan leiden niet tot overschrijding van de drempelwaarde van de omliggende Natura 2000-gebieden. In het kader van het vooroverleg is de Aeriusberekening op verzoek van de provincie nogmaals uitgevoerd. Ook hieruit blijkt dat de depositie van stiktof niet boven de 0.00 mol/ha/jr uitkomt (zie bijlage 6). Omtrent de soortenbescherming zullen geen negatieve effecten ontstaan op beschermde soorten mits een aantal mitigerende maatregelen worden getroffen: • werk uitvoeren buiten broedseizoen; • voor de realisatie of het nieuwe gebruik geen kunstlicht aanbrengen; • bij bomenkap aanvullende inspectie naar aanwezige holtes; • maaiwerkzaamheden uitvoeren in oktober tot en met maart in verband met mogelijk voorkomen van waterspitsmuis. Voor de Natura2000-doelstellingen worden door verstoring (licht, geluid en beweging) geen negatieve effecten verwacht.
Er hoeft daarom geen ontheffing of vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd voor verstoring van habitatsoorten door de aanleg van de uitkijktoren, loopbrug en tokkelbaan. Ook worden geen negatieve effecten verwacht op de kernkwaliteiten NNN en gaat geen areaal aan beheertype verloren. Ook hiervoor hoeft geen vergunning aangevraagd te worden of compensatie plaats te vinden. Het plan mag op het aspect natuur uitvoerbaar worden geacht.
18
De conclusies van de twee laatstgenoemde notities zijn kort samengevat als volgt. Toets wezenlijke waarden NNN In de hiervoor beschreven onderzoeken is vooral gekeken naar de effecten van de aanpassingen van wandelpaden. Nu het voornemen voor realisatie van de tokkelbaan en de Borneobrug verder zijn geconcretiseerd is duidelijk geworden dat er voor de aanleg bomen zullen moeten worden gekapt. Dit is nader beoordeeld. Naast het kappen van bomen is het onderdeel Houtopstanden van de Wet natuurbescherming aan de orde. Areaalverlies De tracés inclusief een zone van 2,5 m aan weerszijden daarvan beslaan een totale oppervlakte van circa 2.170 m2. In totaal worden ca. 217 bomen gekapt. Dit gaat ten koste van het areaal van beheertype Haagbeuken- en essenbos. Tegelijkertijd wordt een aantal paden afgesloten. Het totale oppervlak hiervan bedraagt 10.200 m2. Hier kan het beheertype weer tot ontwikkeling komen. Het zal dan op korte tot middellange termijn vooral gaan om ontwikkeling van de kruid- en struiklaag. Struweel en open plekken maken ook deel uit van het beheertype. Het totale areaalverlies is daarmee aanzienlijk kleiner dan het areaal dat er bij komt vanwege sluiting van de paden. Er is hiermee geen nettoverlies aan areaal en daarom is het niet nodig om de oppervlakte die verloren gaat als gevolg van de aanleg van de tracés extra te compenseren.
Aantasting kwaliteit Door de realisatie van de tokkelbaan, uitkijktoren en de Borneobrug neemt de recreatiedruk in het noordelijk deel van het plangebied toe. In het midden en zuidelijk deel van het plangebied worden paden verwijderd, waardoor hier de intensiteit van het gebruik afneemt en de rust toeneemt. Ook in het noordelijk deel zullen enkele paden verwijderd. Het noordelijk deel van het plangebied zal door de ontwikkelingen minder geschikt zijn als broedgebied, maar de rest van het Diepsterbos wordt juist rustiger en daarmee meer geschikt als broedgebied. Dat geeft de kritische broedvogels de mogelijkheid om uit te wijken. Er is daarmee geen sprake van significante aantasting van de kwaliteit van het Diepsterbos als gevolg van het voorgestelde recreatieve gebruik. Tracé Borneobrug en tokkelbaan Diepsterbos i.r.t. buizerdnest Voor de nadere uitwerking van de tracés heeft provincie Groningen Buro Bakker gevraagd om het uitzetten van het tracé van zowel de Borneobrug als de tokkelbaan door het Diepsterbos ecologisch te begeleiden. De loop van het tracé is van tevoren bepaald. Met de ligging van het tracé is rekening gehouden met de locatie van het door Buro Bakker aangetroffen buizerdnest in 2018. Dit nest is inmiddels uitgewaaid.
De notitie bevat de volgende conclusies: • In de aanlegfase van de tokkelbaan en Borneobrug dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van de buizerd en overige broedvogels. Door in de periode september-februari te werken is de kans op verstoring of vernietiging van nesten nihil. • Het eerste voorgestelde tracé van zowel tokkelbaan als Borneobrug weergegeven op kaartbeeld ALG-100371-078, 18 maart 2020 zal op basis van de huidige informatie in de gebruiksfase niet leiden tot verstoring of vernietiging van een buizerdnest. • Er bestaat een kans dat het paartje buizerd in het broedseizoen van 2021 terugkeert naar het oude nest in de berk. • In het broedseizoen voor de aanleg van de tokkelbaan dient wederom gecontroleerd te worden of het oude nest gebruikt wordt en of er op nieuwe locaties binnen 75 m van het tracé en toren nesten zijn gebouwd.
19
• • • •
• •
Om de buizerd te ontmoedigen kan gekozen worden om de nestboom in september 2020 preventief te rooien. Dit heeft inmiddels plaatsgevonden. De betreffende boom is gerooid. Door het afsluiten van een aantal paden kan er rust voor meerdere soorten broedvogels in het bos worden gecreëerd. Op het eerste geplande tracé van kaartbeeld ALG-100371-078 en op enkele tientallen meters afstand daarvan zijn geen bomen met holtes aangetroffen. De vernietiging of verstoring van vleermuisverblijf-plaatsen is niet aan de orde. Door de aanleg en in gebruik name van de toren worden geen jaarrond beschermde nesten verstoord of vernietigd. Het is mogelijk dat het paartje buizerd in 2021 terugkeert. Daarom dient voor aanleg vastgesteld te worden dat er geen buizerdnesten of andere jaarrond beschermde nesten binnen 75 m van de toren aanwezig zijn. De uitkijktoren dient aangelegd te worden buiten het broedseizoen van de voorkomende broedvogels. In de periode september tot februari is de kans op verstoring en vernietiging van nesten nihil. Door aanleg van de uitkijktoren worden geen bomen met holtes gekapt. De vernietiging of verstoring van vleermuisverblijfplaatsen is niet aan de orde.
Nu gebleken is dat de nader uitgewerkte tracés met in achtneming van een aantal voorwaarden op grond van de natuurwaarden uitvoerbaar geacht kunnen worden, kunnen de tokkelbaan en loopbrug bij recht in het bestemmingsplan opgenomen worden. 4.4 Water Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een zogenoemde waterparagraaf te worden opgenomen. In deze waterparagraaf moet uiteengezet worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding. Het is de schriftelijke neerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundige ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Uitgangspunt van waterschap Noorderzijlvest is dat er zowel kwalitatief als kwantitatief geen verslechtering mag optreden door het plan. In het kader van het bestemmingsplan worden de kaders geschapen voor beperkte ontwikkelingen als gevolg waarvan de waterhuishouding in beperkte mate kan veranderen. De gemeente heeft het bestemmingsplan aan waterschap Noorderzijlvest voorgelegd en met de reacties rekening gehouden.
De toename van het verharde oppervlak is circa 90 m2 op basis van de beoogde afmetingen van de toren. Op 15 april 2019 is het waterschap Noorderzijlvest met de Digitale Watertoets op de hoogte gesteld van de voorgenomen realisatie van de uitkijktoren. Het toetsresultaat geeft aan dat voor de geplande ingrepen de normale procedure gevolgd kan worden. Vanuit het waterschap is aangegeven dat vanuit water geen specifieke aandachtspunten zijn. Het plan mag op het aspect water uitvoerbaar worden geacht. 4.5
Verkeer
Bereikbaarheid De uitkijktoren is opgenomen in het Masterplan Kollumeroord (2015) als onderdeel van het project Rondje Lauwersmeer. Met het Rondje Lauwersmeer wordt geïnvesteerd in het versterken en vergroten van het aanbod van recreatieve voorzieningen, zoals fiets- en
20
wandelroutes, uitkijkpunten en speelplekken. Met het gehele programma wordt getracht de belevingswaarde van Nationaal Park Lauwersmeer te verhogen. De verkeerssituatie van de uitkijktoren moet dan ook in dit groter geheel worden beschouwd. De locatie van de toren in het Diepsterbos is te bereiken via de Slikweg en de Rijsdammen (zie figuur 4.4). Parkeergelegenheid is aanwezig nabij de groepsaccommodatie Natuurlijk Kollumeroord en aan de Rijsdammen, achter kampeerterrein De Pomp, op enige afstand van de toren. Vanaf de parkeerplaatsen is de toren alleen te voet bereikbaar langs de bestaande wandelpaden in het bos. De bezoekers van het Villapark Lauwerssee en kampeerterrein De Pomp zullen vanaf hun accommodatie te voet naar de toren gaan. Deze bezoekers genereren geen extra parkeerdruk. Mocht het in de toekomst nodig zijn, dan zijn er mogelijkheden de parkeerterreintjes iets uit te breiden. Planologisch is dat nu al mogelijk. Vooralsnog wordt dat niet noodzakelijk geacht. Het gaat in het Lauwersmeer om extensief recreatief medegebruik van het natuurgebied waaraan de uitkijktoren ondersteunend is.
Figuur 4.4: Ontsluiting plangebied
Bezoekersaantallen Voor het projectplan Rondje Lauwersmeer is destijds een inschatting gemaakt van het aantal extra bezoekers dat het totale project zou kunnen opleveren. Naast een effect op specifieke doelgroepen als watersporters en hengelsporters wordt met het gehele project gestreefd naar een toename van 20.000 extra toeristen op jaarbasis. Vanuit de nabije regio wordt daarnaast een toename van 50.000 recreanten (dag-bezoekers) verwacht. Om dit doel te bereiken worden rondom het Lauwersmeer voorzieningen. Een inschatting van het aantal extra bezoekers die deze investeringen aantrekken is mogelijk te maken door de omvang van de investeringen te relateren aan de verwachte groei. De uitkijktoren behelst
21
ongeveer 21% van de totale investering in het project Rondje Lauwersmeer en dat zou dan een toename van circa 15.000 extra bezoekers kunnen betekenen. Om deze inschatting re verifiëren is naar bezoekersaantallen van vergelijkbare uitkijktorens gezocht. Op dit vlak is weinig informatie beschikbaar, maar wel kan een vergelijking worden gemaakt met de Bosbergtoren bij Appelscha. Deze toren staat in het Nationaal Park Drents Friese Wold en is 33 meter hoog. De toren is uitgerust met een lift en voor de toegang wordt entree gerekend. Deze toren is halverwege het jaar 2016 geopend. Het bezoekersaantal ligt gemiddeld per kalenderjaar op zo’n 20.000 bezoekers (gebaseerd op de periode half 2016 tot eind augustus 2019. Bij de doorvertaling van deze bezoekersaantallen naar de te bouwen uitkijktoren in Kollumeroord moet rekening gehouden worden met de schaal van toerisme in beide gebieden. Het jaarlijkse bezoekersaantal van de nieuwe toren bij Kollumeroord zal vermoedelijk lager liggen dan het drukker bezochte Appelscha en het Drents Friese Wold. De uitkijktoren zal naar verwachting zeker een aantrekkende werking hebben op bezoekers. Daarbij speelt dat de toren zich bevindt aan de rand van het Diepsterbos en voor bezoekers uitsluitend is te bereiken via wandelpaden en fietspaden in het gebied.
Ook wordt de zuidkant van het Lauwersmeergebied in de praktijk minder druk bezocht dan het noorden in de nabijheid van Lauwersoog. Dit blijkt o.a. uit een fietstelling in het Lauwersmeergebied van 2018. Op basis van de berekening en vergelijking met de bostoren lijkt een inschatting van zo’n 15.000 tot 17.500 bezoekers per jaar realistisch. 4.6 Geluid In deze paragraaf wordt ingegaan op geluidbronnen in en grenzend aan het plangebied. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een zone heeft (met uitzondering van een woonerf en 30 km-zone), waarbinnen onderzoek plaats moet vinden naar de geluidbelasting aan de gevels van nieuw te bouwen woningen en gebouwen ten behoeve van andere geluidgevoelige functies. Aangezien rondom het plangebied 60 km-wegen liggen, gelden deze uitzonderingsregels niet. De zone geeft aan in welke gevallen wel en in welke gevallen geen geluidsonderzoek behoeft te worden verricht. Voor het bouwen van woningen of een ander geluidsgevoelig object buiten de ‘geluidszone’ is een geluidsonderzoek niet verplicht. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidsgevoelige objecten of nieuwe wegen mogelijk. De beoogde natuurontwikkeling leidt ook niet tot geluidsuitstraling ten opzichte van omliggende geluidgevoelige functies. Het uitvoeren van een akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
Dit betekent dat de uitvoering van het plan niet wordt belemmerd door geluidhinder vanwege wegverkeerslawaai. 4.7 Luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit is een onderdeel van de Wet milieubeheer. In de wet zijn normen opgenomen voor de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteitseisen vormen onder andere geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde of als een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is omschreven dat een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit als het project maximaal 3% van de grenswaarde bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO 2 en PM10. Dit betekent dat projecten voldoen aan de Wet milieubeheer als de jaargemiddelde concentratie van zowel NO2 en PM10 met niet meer dan 1,2 μg/m3 toeneemt.
22
Op basis van artikel 5.16 Wm kan een ruimtelijk plan worden vastgesteld indien aannemelijk is gemaakt dat de planologische mogelijkheden die het plan biedt “niet in betekenende mate” bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof. Een activiteit draagt pas mogelijk 'in betekenende mate' bij een verkeersaantrekkende werking van meer dan 1370 motorvoertuigbewegingen per etmaal (NIBM-tool versie maart 2019). Omdat onderhavig ruimtelijk plan niet zoveel extra motorvoertuigen aantrekt, wordt dit aangemerkt als 'niet in betekenende mate'. Het aspect luchtkwaliteit vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.8 Externe veiligheid Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Daarbij gaat het om de risico’s verbonden aan ‘risicovolle inrichtingen’, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en anderzijds om het ‘vervoer van gevaarlijke stoffen’ via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen.
Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen milieubeheer of een buisleiding voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De Risicokaart bevestigt dit. Deze laat zien dat het dichtstbijzijnde object (gasproductielocatie) op een afstand van ongeveer 1500 meter is gelegen. In en rond het plangebied zijn geen gastransportleidingen aanwezig. De dichtstbijzijnde gastransportleiding is gelegen op circa 1100 meter vanaf het plangebied. Daarnaast zijn er geen andere risicovolle inrichtingen in de nabijheid van het plangebied. Door de realisatie van de uitkijktoren in combinatie met recreatieve functies zal het gemiddelde aantal aanwezige personen enigszins toenemen ten opzichte van de huidige situatie. De bezoekers van het naastgelegen Natuurlijk Kollumeroord, de camping De Pomp en Villapark Lauwerssee zijn al aanwezig of in de nabijheid van het plangebied en dit blijft ook ongewijzigd. De toename van aanwezige personen wordt met name veroorzaakt door bezoekers welke specifiek voor de uitkijktoren komen. Aangezien de uitkijktoren enkel voor extensief recreatief medegebruik in het natuurgebied wordt gebruikt, is dit niet noemenswaardig.
Het aspect externe veiligheid ten aanzien van voorkomende aardgastransportleidingen en risicovolle inrichtingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
23
5
Juridische toelichting
5.1 Systematiek Het bestemmingsplan Kollumerpomp Uitkijktoren overlapt het bestemmingsplan Partiele en correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied (september 2017) voor dit deel van Kollumeroord. De systematiek (inhoud en de opbouw) van de bestemming in de regels is daarom afgestemd op dit plan. De basisfunctie is vastgelegd in de bestemming. Een verbijzondering van de basisfunctie is met functieaanduidingen geregeld. Deze zijn eveneens zichtbaar op de verbeelding. Het voorliggend bestemmingsplan heeft slechts één bestemming waarin een specifieke functie is geregeld, de bestemming natuur. De regels van het bestemmingsplan voor de uitkijktoren bestaan uit 4 hoofdstukken. In hoofdstuk 2 staat de bestemming Natuur met de twee aanduidingen. De overige hoofdstukken bevatten een aantal algemene artikelen en bepalingen. Onderstaand een korte toelichting per hoofdstuk en artikel. 5.2
Toelichting op de regels
Hoofdstuk 1 Artikel 1 en 2 In deze artikelen zijn definities opgenomen van de in de regels voorkomende begrippen. Artikel 2 geeft weer hoe de percentages, maten en afstanden uit de regels gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2 Artikel 3 Natuur - 1 Hoofdstuk 2 bevat één inhoudelijke bestemming, Natuur - 1. Deze bestemming komt grotendeels overeen met de bestemming van de directe omgeving. De voorzieningen voor de uitkijktoren, de Borneobrug en de tokkelbaan zijn nu toegevoegd. Zo is in de bestemmingsomschrijving (lid 3.1) opgenomen dat er één uitkijktoren gerealiseerd mag worden binnen het daarvoor bedoelde aanduidingsvlak, zoals weergegeven op de verbeelding. Hetzelfde geldt voor de tokkelbaan en brug. Deze aanduidingsvlakken hebben een breedte van 5 meter (2,5 meter aan weerszijden van het hart van het tracé van de tokkelbaan en de Borneobrug). In de bouwregels zijn de maximale maten, zoals oppervlakte en bouwhoogte opgenomen. De bouwregels bevatten ook de mogelijkheid om de constructies waarop de brug rust of waaraan de tokkelbaan hangt te realiseren, buiten de aanduidingsvlakken, zoals aangegeven op de verbeelding. Deze mogen maximaal 5 meter uit de lijn van het aanduidingsvlak staan. Voor geringe wijzigingen aan het tracé van de tokkelbaan en de Borneobrug is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen.
Hiermee heeft het college de bevoegdheid met maximaal 1 meter af te wijken van de lijn van de aanduidingsvlakken van de tracés van de tokkelbaan en de burg. Als voorwaarde is hierbij gesteld dat de totale breedte van het tracé van 5 meter niet mag toenemen. Hiermee is het mogelijk om bij de inpassing van de tokkelbaan of de brug iets van het aangegeven tracé op de verbeelding af te wijken zonder dat er een groter oppervlakte nodig is. De planologische mogelijkheden blijven zo in overeenstemming met de onderzochte ecologische effecten, waarvoor eveneens een zone van 5 meter als uitgangspunt is genomen.
24
Voor het geval er grotere wijzigingen aan de tracés nodig zijn kan het college gebruik maken van de wijzigingsbevoegdheid die aan de bestemming is gekoppeld. Dit kan aan de orde zijn als de ecologische situatie zodanig verandert dat de nu vastgelegde tracés niet zijn te realiseren. Als voorwaarde is bij deze wijzigingsbevoegdheid opgenomen dat opnieuw moet worden aangetoond dat aan ecologische wet en regelgeving wordt voldaan. Zowel bij de wijzigingsbevoedheid als bij de afwijkingen van de bouwregels is als voorwaarde gesteld dat deze geen afbreuk mogen doen aan de landschapskenmerken die beschreven zijn in de bij de regels behorende bijlage. Dit is de bijlage Landschapskenmerken die ook aan het vigerend bestemmingsplan Buitengebied is gekoppeld. Recreatief medegebruik en speelvoorzieningen zijn in het bestemmingsplan Buitengebied al geregeld en deze regeling is overgenomen in het bestemmingsplan Kollumerpomp Uitkijktoren. Het bestaande speelbos was daarmee planologisch geregeld maar niet fysiek op één locatie voorgeschreven. Vanwege de toevoeging van recreatieve voorzieningen is er nu wel voor gekozen het speelbos meer af te baken zodat er ruimte tussen de verschillende activiteiten blijft en het avontuurlijke karakter van ‘spelen in de natuur’ behouden blijft. Het speelbos is nu op de verbeelding aangeduid.
Hoofdstuk 3 Artikel 4, 5, 6 en 7 Dit hoofdstuk bevat de algemene regels, zoals de anti-dubbeltelbepaling, ter voorkoming dat gronden die eenmaal zijn bebouwd in verschillende regelingen meerdere keren meegeteld worden. In de algemene gebruiksregels staat een aantal activiteiten die te allen tijde strijdig zijn met dit bestemmingsplan. In artikel 6 staat een bevoegdheid waarmee het college op een aantal onderdelen in beperkte mate af kan wijken van het bestemmingsplan. Met de algemene wijzigingsregels uit artikel 7 biedt dit de mogelijkheid om de bestemmingsgrenzen te overschrijden als bijvoorbeeld meetverschillen in het veld daartoe aanleiding geven. Deze regels zijn afgestemd op de omliggende bestemmingen. Hoofdstuk 4 Artikel 8 en 9 In dit hoofdstuk is het wettelijk voorgeschreven overgangsrecht beschreven. In de slotregel staat op welke wijze naar het plan verwezen kan worden.
25
6
Inspraak en overleg
6.1 Inspraak In het kader van de Inspraakverordening heeft het college het voorontwerpbestemmingsplan van 20 juni tot en met 31 juli 2019 voorgelegd aan bewoners en belangstellenden. Dit is een vast onderdeel van een goede voorbereiding van plannen. Er zijn geen inspraakreacties binnengekomen. 6.2 Vooroverleg Tot de voorbereiding van dit bestemmingsplan behoort ook het overleg met de daarvoor in aanmerking komende instanties. Instanties die blijkens hun werkterrein, belangen vertegenwoordigen of bevoegdheden krachtens de Wro hebben, worden bij de totstandkoming van bestemmingsplannen betrokken in het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro). De provincie en het waterschap zijn de vaste overlegpartners. Het waterschap heeft in dit kader te kennen gegeven zich te kunnen vinden in het plan. De provincie Fryslân heeft enkele inhoudelijke opmerkingen over ecologie en natuur. De brief is in bijlage 6 samengevat en van een reactie voorzien. De hierin voorgestelde wijzigingen aan het bestemmingsplan zijn inmiddels doorgevoerd. 6.3 Het vervolg Nu de fase van inspraak en vooroverleg zijn afgerond wordt het ontwerp van dit bestemmingsplan overeenkomstig afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kan eenieder zienswijze indienen tegen het plan.
Na de ter inzagelegging wordt het bestemmingsplan vastgesteld door de gemeenteraad. Hier worden de ingediende zienswijzen bij betrokken. Na vaststelling van het bestemmingsplan volgt de beroepstermijn van zes weken. Tijdens deze periode kunnen belanghebbenden die een zienswijze hebben ingediend in beroep gaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Na de beroepstermijn treedt het plan in werking en is onherroepelijk als er geen beroep wordt ingesteld. Als er wel beroep wordt ingesteld wordt het plan pas na de uitspraak van de Raad van State onherroepelijk maar treedt wel eerder in werking.
26
7
Uitvoerbaarheid
Naast het toetsen van het planvoornemen aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient het ook getoetst te worden aan de uitvoerbaarheid van het planvoornemen. Hierbij wordt gekeken naar de financiële uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. 7.1 Financiële uitvoerbaarheid De bouw van de uitkijktoren betreft een publieke ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer, de provincie Groningen in dit geval, als directievoerder van de projectgroep Rondje Lauwersmeer. Door de provincie Fryslân en de gemeente Noardeast-Fryslân wordt wel een bijdrage in de kosten geleverd. Voor de uitkijktoren heeft de Stuurgroep Rondje Lauwersmeer, waarin diverse betrokken instanties vertegenwoordigd zijn, inmiddels voldoende subsidiemiddelen gereserveerd. De gemeente reserveert middelen voor beheer en onderhoud en neemt deze structureel op in de begroting. De mogelijkheden voor de loopbrug en de tokkelbaan worden te zijner tijd door lokale ondernemers opgepakt en uitgevoerd. In de toren zijn dan al de voorzieningen aanwezig ter bevestiging van de loopbrug en de tokkelbaan. De gemeente is in beginsel verplicht om op grond van artikel 6.12 eerste lid Wro een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur (hierna: Bro) aangewezen bouwplan is voorgenomen.
Het onderhavige plan maakt geen bouwplan mogelijk zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De kosten zijn anderszins verzekerd. Hierdoor kan worden afgezien van vaststelling van een exploitatieplan. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de financiële uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd. 7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het planvoornemen draagt bij aan de uitvoering van het programma Rondje Lauwersmeer en wordt landschappelijk ingepast. Voor het Kollumeroord als één van de poorten naar het Lauwersmeergebied is in 2015 een Masterplan opgesteld. In dit plan is de uitkijktoren als onderdeel van het recreatief medegebruik van Kollumeroord opgenomen. Gezien dit algemeen belang en de relatief beperkte impact als gevolg van de kleinschaligheid van de uitkijktoren met recreatieve functies op de omgeving kan – ook gezien de conclusies uit voorgaande hoofdstukken van deze toelichting – redelijkerwijs worden gesteld dat met onderhavig planvoornemen geen waarden of belangen (onevenredig) zullen worden geschaad. Bij de situering van de uitkijktoren met recreatieve functies is ernaar gestreefd om deze op een zo goed mogelijke manier in het landschap in te passen. Ook wordt er gebruik gemaakt van bestaande faciliteiten zoals parkeerterreinen en bestaande toegangsroutes.
Het planvoornemen zal daarom naar alle waarschijnlijkheid niet op bezwaren uit de omgeving stuiten. De inspraakprocedure heeft dit bevestigd (zie ook paragraaf 6.1).
27
28