CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3

It Beslút 18 september 2025, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Vaststellen wijziging omgevingsplan voor woningbouwlocatie Easternijtsjerk – Lou Sânen fase 3 en bijbehorende grondexploitatie19.582 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3

TAM-omgevingsplan 22 april 2025

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 TAM-omgevingsplan

COLOFON Opdrachtgever

: Gemeente Noardeast-Fryslân

Auteur

:

Rapportnummer

: 24-141-1

Versie

: Ontwerp

Datum

: 22 april 2025

INHOUDSOPGAVE MOTIVERING 1 1.1 1.2 1.3 1.4

Inleiding Aanleiding Ligging plangebied Planologische regeling Leeswijzer

1 1 1 2 3

2 2.1 2.2 2.3

Planbeschrijving De bestaande situatie Voorgenomen situatie Inpassing bij omgevingswaarden

5 5 6 7

3 3.1 3.2 3.3

Beleid en regelgeving Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

11 11 12 14

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Algemeen 4.2 Bedrijven en milieuzonering 4.3 Ecologie 4.4 Bodemkwaliteit 4.5 Geluid 4.6 Water 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Archeologie 4.9 Cultuurhistorie 4.10 Externe veiligheid 4.11 Kabels en leidingen 4.12 Verkeer en parkeren 4.13 Duurzaamheid 4.14 Beschermen van gezondheid 4.15 M.e.r.-beoordeling

18 18 18 19 20 20 21 24 24 26 27 28 28 29 30 31

5 5.1 5.2 5.3 5.4

33 33 34 34 35

Juridische vormgeving Inleiding Inleidende regels Functies en activiteiten Overgangsregels

6 6.1 6.2 6.3

Uitvoerbaarheid Participatie Maatschappelijke uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid

Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9

Uitgangspunten omgevingskwaliteit Ecologische beoordeling Stikstofonderzoek Verkennend bodemonderzoek Watertoets Archeologisch onderzoek Mer-beoordeling Participatieverslag Overlegreacties

36 36 36 39

1

Inleiding

1.1

Aanleiding In het zuidelijk deel van Easternijtsjerk wordt het nieuwe woongebied ‘Lou Sânen’ ontwikkeld. Dit gebied wordt sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw gefaseerd ontwikkeld vanuit het zuiden richting de dorpskern. In 2010 is door de voormalige gemeente Dongeradeel een bestemmingsplan vastgesteld voor waarmee fase 2 mogelijk is gemaakt en voor fase 3 een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen. Fase 2 is inmiddels volledig ingevuld en de gemeente Noardeast-Fryslân wil Lou Sânen nu afronden met de ontwikkeling van fase 3. Hiervoor is een plan met in totaal 22 woningen uitgewerkt. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet kan geen toepassing meer worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid en is hiervoor een wijzigingsbesluit van het omgevingsplan noodzakelijk. Deze ruimtelijke motivering bevat de toelichting voor de benodigde wijziging van het omgevingsplan en vormt de onderbouwing van het besluit. Gemotiveerd wordt dat met deze wijziging sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. Gemeente Noardeast-Fryslân werkt momenteel aan het omgevingsplan. Totdat dit gereed is wordt gebruik gemaakt van de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM-IMRO), voor de publicatie van wijzigingsbesluiten. Het omgevingsplan is volgens deze standaard opgesteld.

1.2

Ligging plangebied Het werkingsgebied van het wijzigingsbesluit (hierna: plangebied) is afgestemd op het wijzigingsgebied, zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Het betreft de kavel agrarisch grasland die ten noorden van het bestaande woongebied aan de weg Lou Sânen ligt en ten westen van De Dobbe. Dit gebied ligt in het zuiden van Easternijtsjerk, ten westen van de zuidelijke invalsweg Mûnewei. De ligging van het plangebied is weergeven op een topografische kaart in figuur 1.1.

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

1

Figuur 1.1

1.3

De ligging van het plangebied

Planologische regeling Het plangebied is geregeld in het Omgevingsplan gemeente Noardeast-Fryslân. Het gaat op moment van schrijven om het ‘tijdelijk omgevingsplan’, dat automatisch op 1 januari 2024 in werking is getreden en waarin primair de verschillende (ontwerp)bestemmingsplannen en de gemeentelijke verordening die betrekking hebben op de leefomgeving en de ‘Bruidsschat’, zijn opgenomen.

1.3.1

Bestemmingsplannen Het plangebied valt binnen het op 16 december 2010 vastgestelde bestemmingsplan Oosternijkerk – Lou Sanen Fase 2. Het heeft hierin de bestemming ‘Agrarisch’, met de aanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied’. Een fragment van de plankaart van het geldende bestemmingsplan is weergegeven in figuur 1.2.

2

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

Figuur 1.2

Fragment plankaart geldend bestemmingsplan

Binnen de agrarische bestemming wordt niet voorzien in het ontwikkelen van woongebied. Het project is daarmee in strijd met het bestemmingsplan. Binnen het wijzigingsgebied gold tot 1 januari 2024 de bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om de bestemming te wijzigen in ‘Wonen’, met de bedoeling om hier onder enkele voorwaarden ten hoogste 20 woningen toe te staan. Deze bevoegdheid geldt onder de Omgevingswet niet meer en is inhoudelijk inmiddels achterhaald. In elk geval wordt van het maximum aantal woningen afgeweken. 1.3.2

Andere verordeningen Er zijn voor de locatie nog geen andere verordeningen opgenomen in het omgevingsplan.

1.3.3

De bruidsschat De bruidsschat bestaat uit ongeveer 600 regels uit het voormalige Activiteitenbesluit, Bouwbesluit en het Besluit omgevingsrecht (Bor). De regels hebben betrekking op een grote diversiteit aan onderwerpen, zoals horeca, detailhandel, recreatie, lozingen, emissies van geluid, geur en trillingen door bedrijven en bouwen. De regels zijn aangepast aan de terminologie van de Omgevingswet. Dit is beleidsneutraal of beleidsarm gedaan: de essentie van de regels is ongewijzigd. De gemeente heeft de taak om uiterlijk in 2032 alle bruidsschatregels te hebben verwerkt tot eigen regels, of hebben laten vervallen.

1.4

Leeswijzer Na deze inleiding volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plan. Daar wordt zowel de huidige of uitgangssituatie, als de beoogde situatie beschreven. Vervolgens toetst hoofdstuk 3 dit plan aan de omgevingsvisies en instructieregels van het rijk en de provincie en aan het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

3

Hoofdstuk 4 vormt de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waarbij de omgevingswaarden en milieu- en gezondheidsaspecten centraal staan. In hoofdstuk 5 wordt het juridische systeem toegelicht. Ten slotte worden in hoofdstuk 6 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid van het plan besproken.

4

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

2

Planbeschrijving

2.1

De bestaande situatie Het wijzigingsbesluit ziet op de aanpassing van de toegedeelde functie van een agrarische kavel die grenst het woongebied van Easternijtsjerk. Deze locatie ligt aan de zuidelijke rand van de vroegere terp, die zich rondom De Buorren en De Terp bevindt. Tot in de jaren ’50 van de vorige eeuw was het toenmalige ‘Nijkerk’ geconcentreerd in dit gebied. Daarna is het in twee richtingen organisch uitgebreid, onder andere aan de Mûnewei. Planmatige uitbreidingen hebben in de 20ste eeuw zeer bescheiden plaatsgevonden, vooral in het noordwestelijk deel van het dorp. Rond de eeuwwisseling is begonnen met de gefaseerde ontwikkeling van het woongebied Lou Sânen, aan de westzijde van de Mûnewei. Dit woongebied wordt in drie fasen ontwikkeld, vanuit het zuiden naar het dorp toe. Fase 2 van deze ontwikkeling omvat 14 woningen aan De Dobbe en aan de Mûnewei, in combinatie met een brede groene en waterrijke zone, waarop het plangebied voor fase 3 aansluit. Het plangebied is een kavel grasland in extensief beheer. Deze sluit aan de noordzijde aan op enkele dierenweiden (schapen en paarden) die bij een woonboerderij aan de Buorren horen. Daarachter ligt een gemengd bebouwingslint, bestaande uit hoofdzakelijk woningen. Ook staat hier een voormalig bedrijfsgebouw dat wordt gebruik als stallingsruimte. Een luchtfoto van het plangebied is weergegeven in figuur 2.1.

Figuur 2.1

Luchtfoto plangebied

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

5

2.2

Voorgenomen situatie

2.2.1

Het voornemen Het plan omvat de realisatie van fase 3 van Lou Sânen. Dit nieuwe woongebied vormt een vervolg op de ruimtelijke structuur van het bestaande deel van de wijk. Het programma bestaat uit 6 vrijstaande woningen, 8 tweekappers en 8 rijwoningen. Deze worden ontsloten via een nieuwe weg die logisch aansluit op de bestaande wegen. De beoogde invulling van het gebied is weergegeven in figuur 2.2.

Figuur 2.2 2.2.2

Beoogde situatie plangebied

Basis voor het ruimtelijk kader Voor de ontwikkeling van Lou Sânen fase 3 is ervoor gekozen om niet de auto, respectievelijk het stratenpatroon, de ruimtelijk structurerende basis te laten zijn maar juist de aanwezige landschappelijke kwaliteiten. Zo is ervoor gekozen om de ruimtelijke en de juridische voorkant om te draaien. De representatieve gevels zijn dan ook gericht op de aanwezige landschappelijke kwaliteiten, te weten het zicht op het open landschap, de oude terp, de waterzone en de paardenweide. Daarbij zijn de in eerste instantie geplande (asfalt)wegen langs de waterzone en de paardenweide vervangen voor groene zones met halfverharding waarbij deze zone niet wordt vormgegeven voor de auto maar voor de voetganger. Aan de ruimtelijke achterzijde, respectievelijk juridische voorzijde, ontstaat nu een aanrijdroute voor de auto. Deze wordt ook niet standaard vormgegeven, maar betreft een wezenlijk element voor klimaatadaptatie en meervoudig ruimtegebruik. De weg betreft namelijk een overrijdbare

6

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

wadi, waar door middel waterdoorlatende verharding in de middenzone alsmede het toepassen van ‘greenbricks’ een weg gecreëerd wordt met maximale waterinfiltratie. De overgangen tussen de erven en de openbare weg worden bovendien vormgegeven in groene erfafscheidingen in verschillende types en hoogte om de biodiversiteit te vergroten. In combinatie met de groene zones met halfverharding rondom het plan wordt zodoende een trendbreuk vormgegeven in relatie tot de aangrenzende bestaande nieuwbouw. Er wordt dus maximaal ingezet op beperken van hittestress, waterinfiltratie op de plek en toename in ruimte voor groen alsmede het versterken van de biodiversiteit. In de overgang met het open landschap, alsmede de waterzone, wordt bovendien ingezet op natuurvriendelijke oevers om ook hier een wezenlijke toevoeging te doen die zowel ruimtelijk als qua natuurinclusiviteit meerwaarde biedt. In de erfinrichting van de kavels wordt specifiek ingezet op beplanting als erfafscheidingen in plaats van schuttingen. Bovendien maakt het uitgangspuntenkader omgevingskwaliteit ruimte voor het maken van circulaire houtbouw, waardoor niet alleen de ruimtelijke opzet maar ook de architectonische invulling bij kan dragen aan een milieuvriendelijke uitvoering. Zodoende wordt ingezet om de landschappelijke overgangen ruimtelijk te benutten en niet als achterzijde vorm te geven.

Het landschap wordt daarmee als het ware in het plan getrokken waarbij verblijfskwaliteit en vergroening voorop staan. Waar de naastgelegen nieuwbouw inzet op wonen naast het landschap wordt in fase 3 ingezet op wonen in het landschap.

2.3

Inpassing bij omgevingswaarden Voor de locatie en de omgeving daarvan zijn geen specifieke omgevingswaarden aangegeven. Wel is van belang dat de ontwikkeling zich voegt in de landschappelijke structuren en kwaliteiten. Daarbij gelden zowel voor het bebouwingslint als voor het landelijk gebied uitgangspunten. Stedelijke/landschappelijke inpassing Zoals in de vorige paragraaf beschreven is gekozen de gebiedsbenadering om te keren en de woningen niet te richten op de wegen, maar juist op het landschap. De gebiedskwaliteiten worden vooral gevormd door de uitzichten op het open landschap en op de oude terp, de brede groene ‘water as’ aan de zuidzijde en de dierenweiden aan de noordzijde. Om de gebiedskwaliteiten goed te benutten is gekozen de woningen met de voorzijde naar de buitenkanten (zuidwest- en noordwest- én noordoostrand) van het plan geprojecteerd. Langs de randen worden voetpaden aangelegd, die samen met de wegen een ommetje mogelijk maken. Door de beoogde oriëntatie ontstaat geen achterkantsituaties met een wildgroei van hoge schuttingen en bijgebouwen in de randen van het plan. Deze invulling zorgt, mede door het contrast met de bebouwing in fase 1 en 2, voor een fraaie, afwisselende dorpsrand. Een visualisatie van de inpassing van het plan bij de gebiedskwaliteiten is weergegeven in figuur 2.3. Een impressie van het plan is weergegeven in figuur 2.4.

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

7

Figuur 2.3

Visualisatie inpassing bij gebiedskwaliteiten

Figuur 2.4

Impressie vogelvlucht

8

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

Ruimtelijke kwaliteit Voor plannen in het landelijk gebied waar extra bouwmogelijkheden worden geboden voor stedelijke functies, zoals wonen, moet op basis van het provinciaal beleid aangegeven worden op welke wijze rekening wordt gehouden met de draagkracht van het landschap voor de opvang en inpassing van de nieuwe functies en hoe het plan invulling geeft aan de blijvende herkenbaarheid van de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. In de structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' heeft de provincie Fryslân het belang, dat zij hecht aan goede verankeringen van ontwikkelingen in het landschap, aangegeven. Op basis van de uitgangspunten uit deze structuurvisie is de voorgenoemde ontwikkeling getoetst. Het is van belang dat de ontwikkeling op een verantwoorde manier wordt ingepast in het landschap. Het plan ligt in het Kleigebied Oostergo, op de brede kwelderwal langs de vroegere Middelzee. Belangrijke kernkwaliteiten zijn het open kleiterpenlandschap en de vrij lege kweldervlakte met groene puntverdichtingen in de vorm van terpen, terpdorpen (met kerk), terpnederzettingen (zonder kerk), terpdorpen en (veelal verhoogde) boerderijerven en eendenkooien met een ondergrond van zeeklei, een rijk stelsel van geulen, kreken en prielen en de vaarten en opvaarten naar dorpen en boerderijen.

De(terp)dorpen liggen op de kwelderwal, waarbij de kerktorens belangrijke oriëntatiepunten zijn in het dorpssilhouet. Een belangrijke eigenschap van de kwelderwal is het aanwezige microreliëf, zowel natuurlijk als kunstmatig (akkers en terpen). Behalve enige zware wegbeplanting en verspreid voorkomende erfbeplanting bij dorpen en boerderijen is er geen opgaande beplanting. Het lineaire karakter van de kwelderwal dient gerespecteerd te worden. Daarbij is de herkenbaarheid van de dorpssilhouetten van belang. De dorpsranden zijn geen 'muur', maar een homogene structuur en laten de relatie van het dorp met het landschap eromheen beleefbaar en zichtbaar. De invulling van het plangebied is een logische afronding van de dorpsrand. Deze rand zal als geheel geen muur vormen, mede door de eerder beschreven omgekeerde oriëntatie van de woningen, waarbij de woningen meer ín het landschap liggen dan ertegenaan. Hierdoor ontstaat een evenwichtig beeld vanuit het omliggende open landschap. De ‘uitbreiding’ vindt in dit geval juist inwaarts plaats en de gedeeltelijk open ‘wig’, die uitkomt op de Sint Ceciliatsjerke, wordt gerespecteerd, waarmee het dorpssilhouet ongewijzigd blijft. De kernkwaliteiten van het kleigebied worden door dit plan niet aangetast en mogelijk versterkt.

Koppelen en verbinden Bij nieuwe functies of uitbreidingen van bestaande functies vraagt de provincie een onderbouwing van de wijze waarop nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het plan bijdragen aan één of meerdere opgaven voor de leefomgeving, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of het versterken van de biodiversiteit, door het maken van slimme combinaties en het benutten van koppelkansen. Zoals beschreven in paragraaf 2.2.2 wordt het nieuwe woongebied vanuit die door de provincie beschreven gedachte ontwikkeld. De randen vormen een gebied van bewegen en ontmoeten en het de centrale weg vormt in feiten een berijdbare wadi, waarin de kansen voor ecologie én klimaatadaptief ontwikkelen maximaal worden benut.

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

9

Algemene Criteria Noardeast Fryslân Het uitgangspunt is dat ontwerpen passen binnen de ruimtelijke (en historische) context en de geschetste ontwikkeling daarvan. Bouwplannen dienen dan ook een positieve aanvulling te zijn op de omgevingskwaliteit. Essentieel hiervoor is om de (toekomstige) ruimtelijke (en historische) context van het ontwerp te begrijpen alsmede de ontwikkeling van de ruimtelijke structuur waarbinnen het ontwerp een rol speelt, zodat het ontwerp reageert op en past binnen deze context. Een ruimtelijk-historische analyse van de plek en de ontwikkeling daarvan is dan ook onontbeerlijk, evenals een ontwerpconcept dat op deze analyse is gebaseerd. Elk ontwerp dient een ruimtelijk-historisch passende en consequente uitwerking van een deugdelijk onderbouwd ontwerpconcept te zijn. Een ontwerpconcept dient om zowel over de historische context van het ontwerp, de ruimtelijke structuur waarbinnen het ontwerp wordt vormgegeven, de erfinrichting van het perceel, de overgangen van het perceel naar de openbare ruimte, de positie van het ontwerp op het perceel, het gebouw op zichzelf en de uitwerking daarvan als een overtuigend geheel vorm te geven, zodat een ontwerp kundig is geworteld op de specifieke plek.

De volgende algemene criteria gelden dan ook als uitgangspunten, respectievelijk toetsingscriteria, voor elk ontwerp: • Een overtuigende ruimtelijk-historische analyse ligt ten grondslag aan het ontwerp. Deze analyse dient helder te worden gepresenteerd. • ovengenoemde analyse is de basis voor een passend en samenhangend ontwerpidee op de planlocatie en komt duidelijk tot uiting in de presentatie van het ontwerp. • Het bovengenoemde ontwerpidee komt overtuigend tot uiting in het ontwerp van zowel het hoofdgebouw, de bijgebouwen, de erfinrichting alsook de overgangen met de openbare ruimte. • Het ontwerp is van positie, volumeopbouw, hoofdvorm, gevelordening, tot in detail, materiaalkeuze en kleur consequent uitgewerkt conform het gepresenteerde ontwerpidee, alsmede de analyse van de omgeving. Een ontwerp kan dan ook naadloos passen binnen de omgeving, maar mag daarvan ook afwijken zolang deze afwijking overtuigend is gemotiveerd en er een duidelijke ruimtelijke meerwaarde ontstaat. De inzet van ontwerpkracht en ruimtelijke ambitie dient dan ook bij elk ontwerp en elk bouwplan de basis te zijn. De ruimtelijke kwalitatieve inhoudelijke dialoog is daarbij relevanter dan het kwantitatief afvinken van regels.

10

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

3

Beleid en regelgeving

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 16 aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVEX-gebied. Het plangebied valt niet in één van deze gebieden. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie. 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden. 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Gezien het hoge abstractieniveau van de nationale belangen uit de NOVI, heeft het NOVI geen directe implicaties voor de ontwikkeling en kan de voorgenomen ontwikkeling in algemene zin bijdragen aan de belangen uit het NOVI. Het NOVI heeft geen consequenties voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.1.2

Instructieregels Rijk (AMvB’s) Gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is een aantal besluiten in werking getreden. Het gaat om het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), om het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en om het Omgevingsbesluit. Het Bal stelt rijksregels aan (milieu)activiteiten, het Bkl gaat voornamelijk over omgevingswaarden en beperkingsgebieden (onder andere natuur en water) en het Bbl stelt regels aan veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid van bouwwerken. In het Omgevingsbesluit staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het DSO. Het plan wordt aan deze regels getoetst in hoofdstuk 4. Voortbouwend op de hiervoor genoemde AMvB’s, stelt de Omgevingsregeling eisen aan omgevingsplannen in aangewezen gebieden. Het gaat dan om beperkingengebieden van nationaal belang. Deze regeling volgt de voormalige Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) op. Voor het plangebied gelden geen specifieke beperkingen.

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

11

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Fryslân 2020: De romte diele Het ruimtelijk beleid van de provincie vormt een belangrijk kader voor het gemeentelijk (omgevingsplan)beleid. Dit is neergelegd in de Omgevingsvisie Provincie Fryslân. Deze is op 23 september 2020 vastgesteld. In de omgevingsvisie gaat de provincie voor een vitale economie door te investeren in omgevingskwaliteiten. Dit zorgt onder andere voor leefbaarheid en voorkomt leegstand en verpaupering van bebouwing. Daarnaast gaat de provincie voor een veerkrachtig beleid, waarin ingrijpende ontwikkelingen opgevangen kunnen worden, het behoud van de karakteristiek van de provincie, door het beschermen van de eigen identiteit en voor een gezonde leefomgeving. De provincie bevordert verder het natuurinclusief ontwerpen bij nieuwe ontwikkelingen. Ook het rekening houden met een veranderend klimaat bij nieuwe ontwikkelingen is een provinciale ambitie. De Provincie streeft naar ‘waterrobuust bouwen’. Dit houdt in dat gebouwen en straten op voldoende hoogte worden aangelegd en dat er voldoende ruimte is voor water in het plan. In dit plan is hier nadrukkelijk rekening mee gehouden. De waterparagraaf gaat hier nader op in.

3.2.2

Instructieregels provincie Het projectgebied valt binnen het werkingsgebied van de Omgevingsverordening provincie Fryslân. Deze onderbouwing beperkt zich tot hoofdstuk 2, ruimtelijk omgevingsbeleid, voor zover relevant: Artikel 2.1 De omgevingsverordening gaat uit van het principe ‘Omgevingskwaliteiten als basis’. In een omgevingsplan (of afwijking daarvan) wordt aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de archeologische waarden en de archeologische verwachtingswaarden, waarbij gebruik wordt gemaakt van FAMKE. Paragraaf 4.4 gaat hierop in. Voor projecten buiten het bestaand stedelijk gebied wordt gemotiveerd op welke wijze het plan rekening houdt met de landschappelijke- en cultuurhistorische kernkwaliteiten, zoals omschreven in Grutsk op ‘e Romte. Paragraaf 2.3 beschrijft dit. Artikel 2.4 De omgevingsverordening vraagt aandacht bij nieuwe functies of uitbreiding van stedelijke functies in het landelijk gebied om onderbouwing van de wijze waarop nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het plan bijdragen aan één of meerdere opgaven voor de leefomgeving, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of het versterken van de biodiversiteit, door het maken van slimme combinaties en het benutten van koppelkansen. Paragraven 2.3 en 2.2.2 beschrijven hoe hieraan invulling wordt gegeven.

Artikel 2.5 Ook vraagt de Omgevingsverordening de effecten op gezondheid en veiligheid af te wegen, wateroverlast of overstroming vanuit de Friese Boezem te voorkomen en te borgen dat waterrobuust wordt gebouwd. Hoofdstuk 4 beschrijft deze onderwerpen. Artikel 2.6 De Omgevingsverordening gaat verder uit van het bundelen van stedelijke functies in het bestaand stedelijk gebied. Het projectgebied ligt buiten het bestaand stedelijk gebied. De begrenzing hiervan is weergegeven in figuur 3.1.

12

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

Figuur 3.1

Begrenzing bestaand stedelijk gebied

Op gronden buiten het bestaand stedelijk gebied mogen nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden worden opgenomen voor nieuwe stedelijke functies, indien deze aansluiten op het bestaand stedelijk gebied en wat betreft aard en schaal passen bij de stad of het dorp. Hieraan wordt in dit geval voldaan. Wel moeten aanvullende regels, zoals zuinig en meervoudig ruimtegebruik (artikel 2.3), waarbij moet worden afgewogen dat het redelijkerwijs niet mogelijk is om gebruik te maken van een bestaand bouwperceel en dat de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en indien mogelijk worden benut. Aan deze voorwaarden wordt voldaan. Het bestaand stedelijk gebied is strak om het dorp begrenst. Binnen dit dorp zijn onvoldoende open plekken om het programma te ontwikkelen. Bovendien hebben de open ruimten in het dorp ook een belangrijk kwaliteit voor de leefbaarheid. De beoogde locatie is in het verleden al aangemerkt als een potentiële volgende fase van een woningbouwontwikkeling. Er is sprake van een inwaartse uitbreiding, die logisch aansluit op de aard en schaal van het dorp. In de inrichting wordt nadrukkelijk ingezet op het benutten van kansen voor meervoudig ruimtegebruik. Paragraaf 2.2.2 beschrijft dit. Artikel 2.7 Voor het toevoegen van woningen geldt dat deze moeten passen binnen de regionale woningbouwafspraken. Hierop wordt in paragraaf 3.3 getoetst.

Artikel 2.14 Dit omgevingsplan biedt mogelijkheden voor kleinschalige recreatieve voorzieningen als nevenfunctie bij de woning. Het gaat dan om logies. De regeling hiervoor is afgestemd op het beleidskader logiesaccommodaties, dat weer is afgestemd op de kaders van artikel 2.14 lid 1 onder a en b.

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

13

Verder wordt artikel 6.5, eerste lid onder a (opstelling zonne-energie voor eigen gebruik) specifiek aangehaald. Daarbij geldt dat het op te stellen vermogen is afgestemd op het eigen energieverbruik op het perceel. Ook deze regeling heeft een vertaling gekregen in de beoordelingsregels van dit plan. Afdeling 4 van de omgevingsverordening regelt ontgrondingsactiviteiten. In principe moet voor afgraven van de landbodem een omgevingsvergunning voor een dergelijke activiteit worden aangevraagd bij de provincie. In artikel 4.1 is een aantal uitzonderingen op dit verbod opgenomen. Eén van deze uitzondering is het uitvoeren van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een afwijkactiviteit, mits de locatie van de ontgronding is opgenomen, grondlagen dieper dan 2 meter onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven, en niet meer dan 10.000 m3 grond wordt ontgraven. In dit geval wordt 577 m2 water gegraven tot een diepte van minder dan 2 meter. De locatie van de ontgronding is aangegeven op de situatietekeningen die zijn weergegeven in deze toelichting en in het matenplan dat als onderlegger is gehanteerd voor de verbeelding. Daarmee wordt voldaan aan de vrijstellingscriteria en is een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit niet nodig. Het plan is hiermee in overeenstemming met de instructieregels.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Woonvisie 2020-2025 De gemeente Noardeast-Fryslân heeft samen met inwoners, corporaties en belangenorganisaties de Woonvisie 2020-2025 gemaakt. De woonvisie vormt de basis voor het woonbeleid van de gemeente. In de visie wordt uitgelegd waar de gemeente in 2025 op het gebied van wonen wil staan. Ook wordt het gebruikt voor het maken van prestatieafspraken met de woningcorporaties en levert het belangrijke informatie op voor de Omgevingsvisie. De visie is op 21 januari 2021 door de raad vastgesteld. In de woonvisie staan 7 speerpunten uitgewerkt: 1. Toekomst geven aan bestaande woningen en buurten; 2. Nieuwbouw in stad, dorpen en wijken, omgang met groei en krimp; 3. Ontwikkeling van de sociale huurvoorraad: betaalbaar, beschikbaar en met kwaliteit; 4. Wonen en zorg in dorpen en wijken; 5. Energietransitie en verduurzaming; 6. Leefbare dorpen: sociaal en veilig, met bereikbare voorzieningen; 7. Samenwerking gemeente, belanghebbenden en bewoners. De ontwikkeling die dit omgevingsplan mogelijk maakt speelt vooral in op speerpunten 2 en 3, maar sluit direct of indirect ook aan op de andere punten, vooral op het gebied van duurzaamheid en participatie. In hoofdstuk 6, onder de maatschappelijke uitvoerbaarheid, wordt verder ingegaan op de wijze waarop participatie heeft plaatsgevonden.

De gemeente zet in op de realisatie van voldoende nieuwbouwwoningen, om in te spelen op de vraag naar woningen voor diverse doelgroepen en in verschillende segmenten. Dus bouwen naar reële behoefte. Gemengd bouwen is het uitgangspunt. De gemeente wil daarmee de doorstroming bevorderen en monotone buurten voorkomen. Samen met de corporaties houdt de gemeente de

14

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

vinger aan de pols (aan de hand van kengetallen) om keuzes te maken voor afname, stabiliteit of groei van de sociale voorraad. Voor de invulling van het stedenbouwkundig plan wordt veel aandacht gevraagd voor een goede omgevings- en beeldkwaliteit en klimaatadaptie. Flexibele woningbouwprogrammering In Noardeast-Fryslân zijn momenteel meer woningzoekenden dan woningen. Dat geldt voor zowel de koop- als de (sociale) huurmarkt. Dit zorg voor veel druk op de woningmarkt. De gemeente heeft de ambitie om dit in balans te brengen. Om dit proces te versnellen is een flexibel woningbouwprogramma en daarbij behorende afstemming met de provincie nodig. Om hierin te ondersteunen is de provincie in 2020 een experiment gestart met de regio Noordoost-Fryslân. Dit experiment loopt tot 2025. Dit houdt in dat de provincie niet actief stuurt op de verdeling van contingenten, maar de regie bij de regio legt. Gemeenten zijn binnen het experiment vrij in het programmeren van zowel binnen- als buitenstedelijke projecten. Gemeenten zijn binnen het experiment verantwoordelijk voor een onderbouwing van de programmering rekening houdend met de geprognosticeerde behoefte. Bij deze verantwoordelijkheid hoort ook de afweging van woningbouwplannen en de onderbouwing daarvan. Daarbij geldt duurzame verstedelijking als belangrijk vertrekpunt.

De gemeente geeft deze onderbouwing vorm aan de hand van de woningmarktanalyse, Dorpenatlas en monitoring. Behoefte Uit de verschillende provinciale prognoses en de woningmarktanalyse van de gemeente blijkt dat het aantal huishoudens de komende jaren zal stijgen. Dit leidt, samen met het nu al onder druk staande woningaanbod, de komende jaren tot een aanhoudende behoefte is aan goede, betaalbare en duurzame woningen. Daarbij moet rekening worden gehouden met een vergrijzende regio en grote vraag naar sociale huur in de voorzieningenkernen. Uit de woningmarktanalyse blijkt dat er in Easternijtsjerk nog wel vraag is naar woningen, maar dat er ook nog plancapaciteit hiervoor is. De aanbeveling voor dit dorp is het geven van ruimte aan maatwerk-nieuwbouw en geen projectontwikkeling met meerdere aantallen tegelijk. Ook moet vooral ingezet worden op het verbeteren van het bestaande aanbod. Kwalitatief is aangegeven dat er vooral vraag is naar vrijstaande woningen en tweekappers, maar dat er in rijenbouw meer aanbod is dan vraag. Deze analyse is echter opgeleverd in 2020, gebaseerd op cijfers uit 2018 en 2019. Sindsdien is met name in deze regio de woningmarkt volledig gekanteld. Van een ontspannen markt waarbij met name de voorbereiding op een krimpscenario noodzakelijk was, naar een overspannen markt waarin het aanbod te laag is.

Om het tekort aan woningbouw het hoofd te bieden is in dit kader is met de provincie de Regionale Woondeal gesloten, waarin de gemeente Noardeast-Fryslân voor de woningbouwopgave van 1.175 woningen in de periode 2022 tot 2030 staat. Deze woondeal komt voort uit actuele bevolkingsprognoses, die voor de komende tijd nog een groei van het aantal huishoudens laat zien. Eén van de sleutelprojecten binnen de Woondeal is het dorpenproject, waarvan de voorgestelde ontwikkelen een onderdeel is. Dit project is daarnaast ook aangedragen voor een toegekende rijkssubsidie.

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

15

De realisatie van het nieuwe woongebied Lou Sânen fase 3 sluit niet naadloos aan bij het gestelde in het rapport van KAW, aangezien er planmatig 22 woningen mogelijk worden gemaakt, waarvan 8 rijwoningen. Daarbij geldt wel dat dit plaatsvindt op de plek waar als zachte plancapaciteit was gereserveerd. De situatie is sinds de uitvoering van de woningmarktanalyse in 2020 fundamenteel gewijzigd. Met de afronding van Lou Sânen fase 2 is er geen plancapaciteit meer beschikbaar in Easternijtsjerk. Ook is er geen sprake van een groot aanbod van bestaande woningen. Daarbij geldt dat de woningbehoefte onverminderd groot is. Omdat er in de prognoses sprake is van een forse toename in het aantal huishoudens, maar er wel sprake is van verdunning van deze huishoudens is ook de typologische vraag gewijzigd en is er ruimte ontstaan voor het toevoegen van rijwoningen.

Uit het voorgaande blijkt dat er vraag is naar woningen in Easternijtsjerk en dat deze vraag zal aanhouden. Daartegenover staat momenteel geen aanbod in bestaande woningen of plancapaciteit. Dit resulteert in een behoefte aan nieuwe woningen. Kwalitatief wordt daarbij ingezet op een gedifferentieerd aanbod, zodat er voor een brede doelgroep wordt ontwikkeld en bovendien de doorstromingsmogelijkheden worden vergroot. Locatie Binnenstedelijk bouwen is zowel vanuit de ladder voor duurzame verstedelijk als binnen de Woonvisie voorkeursoptie. Dit plan voorziet in een uitbreidingslocatie. De behoefte kan niet binnenstedelijk worden ingevuld. 3.3.2

Omgevingsvisie 1.0 De gemeenteraad heeft op 11 juli 2024 de Omgevingsvisie voor Noardeast-Fryslân vastgesteld. Hierin wordt de gewenste ontwikkeling van de fysieke leefomgeving tot 2030 weergegeven. De gemeente wil in 2030 een vitale, gezonde, ondernemende en duurzame gemeente zijn, met een sterke ‘mienskipssin’. Daarbij gelden de bestaande kernkwaliteiten ‘Us Goud’ als uitgangspunt. Relevant voor dit project zijn de kernkwaliteiten van het landschap. Deze zijn in de planvorm benut. Op de kaarten behorende bij de visie is de onderhavige locatie aangemerkt als bebouwd gebied, behorende bij het dorp. Specifieke uitspraken met betrekking tot de locatie worden niet gedaan. Wel is het van belang dat bij ontwikkelingen de kenmerken en identiteit van het gebied centraal staan. Het project doet hieraan geen afbreuk. Wat betreft woningbouw heeft de gemeente de ambitie op een aantrekkelijk woongemeente te blijven en streeft daarvoor naar voldoende en een passend aanbod van woningen. Daarbij gaat herstructurering en inbreiding voor uitbreiding, waarbij inbreiding niet ten koste moet gaan van bestaande kwaliteiten. Het behoud van groen is ook van belang voor een aantrekkelijke woonomgeving. Om de vitaliteit te behouden kan ook buien de dorpen worden gebouwd, als er binnen het bestaand stedelijk gebied geen goede plek is.

16

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

Verder zet de gemeente in op een gezonde en veilige leefomgeving. Klimaatbestendigheid, waaronder meer groen ten hittestress en wateroverlast, is hierin een belangrijk element. Ook de mogelijkheid voor bewegen en ontmoeten speelt mee. Het plan voorziet hier nadrukkelijk in. Tot slot is het passend betrekking van de maatschappij een belangrijk uitgangspunt van de omgevingsvisie. Hiervoor wordt nog participatiebeleid gemaakt. In het kader van dit plan is een uitgebreid participatietraject doorlopen. Paragraaf 6.1 gaat hierop in. 3.3.3

Welstandsnota 2020 Het welstandsbeleid van de gemeente is vastgelegd in de Welstandsnota Noardeast-Fryslân (13 augustus 2020). Hierin is een indeling gemaakt in verschillende welstandsgebieden met verschillende ambitieniveaus. Voor het plangebied geldt het welstandskader voor het Buitengebied terpengebied. Voor de ontwikkeling is een op de locatie toegespitst beeldkwaliteitskader gemaakt, onder de noemer ‘Uitgangspunten omgevingskwaliteit’. Dit kader is opgenomen in bijlage 1.

3.3.4

Conclusie De voornomen wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid.

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

17

4

Milieu- en omgevingsaspecten

4.1

Algemeen In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met diverse milieu- en omgevingsaspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aspecten sluiten aan op (en dekken) de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.

4.2

Bedrijven en milieuzonering

4.2.1

Wettelijk kader Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van geur- en geluidgevoelige gebouwen en functies, maar ook om te zorgen dat bedrijfsactiviteiten niet worden beperkt. De VNG uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering’ biedt hiervoor een handvat. Deze nieuwe uitgave gaat over activiteiten als bedoeld in de paragrafen 5.1.4.2 (Geluid door activiteiten) en 5.1.4.6 (Geur) van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarvoor instructieregels zijn opgesteld. In tegenstelling tot de eerdere uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) wordt niet uitgegaan van richtafstanden, maar van de inpasbaarheid van de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied. Omdat de regeling vooral gericht is op het formuleren van regels in het omgevingsplan en deze implementatie nog niet heeft plaatsgebonden, wordt vooralsnog gebruik gemaakt van systematiek uit de VNG uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Dit is mogelijk omdat de achterliggende richtwaarden (45 dB(A) Lden in een rustige woonomgeving en 50 dB(A) Lden in een gemengd gebied) vergelijkbaar zijn met de waarden die zijn gehanteerd bij het bepalen van de afstanden uit de eerdere systematiek.

In het Bkl worden de geur- en geluidgevoelige gebouwen en functies aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. In het kader van de afweging van een evenwichtige toedeling van functies, zijn worden ook andere verblijfsobjecten beoordeeld.

4.2.2

Toetsing en conclusie De omgeving kenmerkt zich hoofdzakelijk als woongebied. In de omgeving komen enkele bedrijfsfuncties voor, waaronder in het gemengde lint aan de Buorren en aan de overzijde van de Mûnewei. Deze bedrijfsfuncties vallen ten hoogste onder zone 1 (voormalig categorie 2), waarbij een richtafstand van 30 meter wordt gehanteerd. Deze activiteiten vinden plaats op minimaal 50 meter vanaf de woningen in het plangebied. Daarmee is hinder voor de bewoners uitgesloten en kan er op dit vlak gesproken worden van een evenwichtige toelichting van functies.

18

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

Woningen zijn niet alleen geluidgevoelig maar kan zelf ook geluid produceren, bijvoorbeeld bij het gebruik van warmtepompen en airco’s. Deze installaties mogen op grond van het Bouwbesluit niet meer dan 40 dB geluid veroorzaken bij de buren. Bij de technische bouwaanvraag wordt aangetoond dat aan deze norm wordt voldaan.

4.3

Ecologie

4.3.1

Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). In het kader van dit project is een ecologische beoordeling uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 2. De resultaten zijn hierna beschreven.

4.3.2

Gebiedsbescherming Het plangebied heeft geen status als Natura-2000 gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (de Waddenzee en het Lauwersmeergebied) liggen op ongeveer 3 kilometer afstand. Gezien de aard van de ingreep doet het voornemen naar verwachting geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden. Wel kunnen de effecten van stikstof op grotere afstand effecten hebben. De dichtstbijzijnde (bijna) overbelaste stikstofgevoelige habitats liggen op de Waddeneilanden, op relatief grote afstand. De ecologische beoordeling adviseert om in overleg met de provincie te bepalen of onderzoek op dit punt nodig is. Gelet op de ervaringen hiermee is op voorhand stikstofonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 3. Hieruit is gebleken dat het plan zowel in de aanlegfase als in de gebruiksfase niet tot een relevante stikstofbijdrage op daarvoor gevoelige gebieden leidt. Effecten op Natura 2000-gebieden zijn hiermee uitgesloten. Verder is beoordeeld dat het plan niet in de directe invloedsfeer van gebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland ligt. Dat geldt ook voor andere beschermde gebieden, zoals weidevogelgebieden. Daarmee is er vanuit de gebiedsbescherming geen belemmering voor het plan.

4.3.3

Soortenbescherming In het kader van de ecologische beoordeling is ook binnen het plangebied gekeken naar ecologische potenties voor (beschermde) soorten. Op basis hiervan wordt niet verwacht dat het plan tot verstoring van beschermde soorten en hun verblijfplaatsen leidt. Wel moet rekening worden gehouden met het beperken van lichthinder tijdens de bouwfase en ook bij het bepalen van verlichting langs watergangen. Hiermee wordt bij de uitvoering van het plan rekening gehouden. Gelet op de inrichting van het plan, worden op dit vlak geen beperkingen verwacht.

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

19

Verder moet rekening worden gehouden met de zorgplicht en met broedende vogels. Het onderzoek geeft mogelijkheden voor een werkwijze die hieraan voldoet. Als op de hiervoor beschreven wijze wordt gewerkt, leidt het plan niet tot conflicten met de regels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

4.4

Bodemkwaliteit

4.4.1

Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

4.4.2

Toetsing en conclusie In het kader van de planvorming is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen in bijlage 4. Geconcludeerd wordt dat de locatie onverdacht is voor bodemverontreiniging. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt zijn er geen belemmeringen voor de nieuwbouwplannen.

4.5

Geluid

4.5.1

Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid in relatie tot een hoge geluidbelasting zijn geluidaandachtsgebieden bepaald. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Dit aspect is behandeld in paragraaf 4.2. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet

20

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Voor provinciale- en rijkswegen geldt dat de provincie c.q. het rijk verantwoordelijk is voor geluid langs de wegen. Om de onbeheerste groei aan geluid tegen te gaan, zal het systeem van Geluidproductieplafonds (GPP) worden gebruikt. Voor 2026 moeten de Geluidproductieplafonds worden vastgesteld. Zolang deze niet zijn vastgesteld, blijft de Wet geluidhinder van toepassing. In tabel 5.78t zijn standaardwaarden voor geluid op geluidsgevoelige gebouwen als gevolg van wegverkeer opgenomen. Voor gemeentewegen is dit 53 dB (etmaalintensiteit). 4.5.2

Toetsing en conclusie Voor gemeentelijke wegen geldt dat er van rechtswege geluidaandachtsgebieden gelden (200 meter bij wegen met 1 of 2 rijstroken). Gemeente moeten hier de basisgeluidemissie van de wegen bepalen en monitoren. Dit geldt in principe alleen voor wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 mvt/etmaal. Daarbij geldt een standaardwaarde van 53 dB (etmaalintensiteit). Voor dit plan zijn vooral de Mûnewei en de Dongerawei (N358) relevant. Het plangebied ligt gedeeltelijk in de aandachtsgebieden van deze wegen. In dit kader vindt nog een akoestisch onderzoek plaats.

4.6

Water

4.6.1

Wettelijk kader Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Voor het inventariseren van de wateraspecten van een plan wordt vaak een plan voor de waterhuishouding opgesteld of een plan met een andere benaming. In dit plan worden de wateraspecten niet alleen beschreven, maar ook wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het plan getroffen moeten worden. Hierbij vindt een toets plaats aan de waterkwaliteitsdoelstellingen uit de Kaderrichtlijn water. De beschrijving van wateraspecten kan onderverdeeld worden in verschillende subparagrafen. In deze paragrafen wordt achtereenvolgens een beschrijving gegeven van de relevante wetgeving en beleid, het opgestelde plan voor de waterhuishouding en volgens dat plan te treffen maatregelen. Hierbij worden de resultaten voorkomend uit het watertoetsproces betrokken. In het kader van de watertoets wordt over het plan advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder. Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht. Indien het advies niet wordt opgevolgd, dient de afwijking daarvan gemotiveerd te worden.

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

21

4.6.2

Weging van het waterbelang Deze 'waterparagraaf' gaat in op de watertoets. Hierin wordt beoordeeld wat de effecten van het project op de waterhuishouding zijn en of er waterschapsbelangen spelen. De belangrijkste thema's zijn waterveiligheid, de afvoer van schoon hemelwater en afvalwater en de waterkwaliteit. Het plangebied ligt in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Het plan is via de digitale watertoets kenbaar gemaakt bij het waterschap. Voor dit plan wordt de normale watertoetsprocedure doorlopen. De uitgangspuntennotitie voor de watertoets is opgenomen in bijlage 5. Waterafvoer/berging Het waterschap hanteert als uitgangspunt dat de toename verhard oppervlak voor een deel wordt gecompenseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater of waterberging. Het dempen van water en/of watergangen moet volledig gecompenseerd worden. Deze compensatie is bedoeld om wateroverlast door het versneld afvoeren van hemelwater vanaf de verhardingen te voorkomen. De toename aan verharding is in dit plan berekend op basis van het uitgangspunt dat 50% van de woonkavels wordt verhard. De berekening van de watercompensatie is weergegeven in de navolgende tabel. Hiermee wordt voldaan aan de compensatieopgave. De situering van het te graven water is in donkerblauw weergegeven in figuur 4.1.

22

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

Figuur 4.1

Matenplan met watercompensatie (donkerblauw)

Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Kansen moeten benut worden om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Bij de inrichting van het plangebied wordt hierop geanticipeerd door het percentage verhard oppervlak laag te houden (circa 50%) en het plangebied groener in te richten. Door nú maatregelen te nemen, worden steden en dorpen mooier en wordt grote schade in de toekomst voorkomen. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen. Het uitgangspunt is dat onderhavige plan hieraan bijdraagt. In dit kader wordt de weg ingericht als soort overrijdbare wadi, waarbij water de mogelijkheid heeft te infiltreren. Wat betreft de aanleghoogte geldt dat het huidige maaiveld varieert van 0,80 tot 1,00 m +NAP. Het bestaande deel van Lou Sânen is op ongeveer 1,10 m +NAP aangelegd, waarbij de wegen op 0,80 m +NAP liggen. Deze aanleghoogte wordt in het nieuwe deel doorgezet, waarmee een drooglegging van 1,60 tot 1,90 meter wordt bereikt.

Daarmee is sprake van een waterrobuust plan en wordt ook voldaan aan het advies van het Wetterskip om boven het maatgevend boezempeil van 0 m NAP aan te leggen, rekening houdend met een bodemdaling van 3 cm tot 2050 als gevolg van het gaswinningsgebied: Nam-Anjum-Moddergat.

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

23

Waterkwaliteit Om een goede waterkwaliteit te realiseren is het nodig dat wordt voorkomen dat milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terecht komen. De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn. Ook is het nodig dat gebouwd wordt met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal. Dit wordt aan de ontwikkelaar meegegeven, maar valt buiten de reikwijdte van dit project. Afvalwater en regenwatersysteem Het uitgangspunt is om regenwater en rioolwater volledig gescheiden af te voeren. In dit geval wordt rioolwater aangesloten op het gemeentelijk riool. Schoon hemelwater wordt afgekoppeld en zoveel mogelijk rechtstreeks afgevoerd op het oppervlaktewater, waar nodig via een hemelwaterriool. Dit wordt in overleg met het waterschap vormgegeven.

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1

Wettelijk kader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een plan niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

4.7.2

Toetsing en conclusie In Fryslân zijn geen algemene knelpunten op het gebied van luchtkwaliteit. Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten blijkt dat in Easternijtsjerk en omgeving sprake is van een goede luchtkwaliteit. Met dit plan worden minder dan 1.500 woningen mogelijk gemaakt, waarmee het automatisch onder de regeling NIBM valt. Het plan is van dermate kleine omvang dat niet in betekenende mate wordt bijgedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

4.8

Archeologie

4.8.1

Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten

24

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. 4.8.2

Toetsing en conclusie In de wet zijn archeologische resten beschermd. Het basisbeginsel van de archeologie is sinds 2007; behoud ‘in situ’ ofwel in de bodem op de plek zelf. Slechts bij hoge uitzondering worden nog archeologische opgravingen uitgevoerd. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische in bepaalde gebieden zijn op basis van landschappelijk, historisch en archeologisch onderzoek archeologische gemeentelijke verwachtingskaarten opgesteld. Om de archeologische waarden voor het plangebied vast te stellen is de FAMKE geraadpleegd. Een fragment van deze kaarten is weergegeven in figuur 4.2.

Figuur 4.2

Fragment FAMKE

Voor de periode ijzertijd - middeleeuwen valt het plangebied gedeeltelijk in een terprand ligt (roze), waar bij ingrepen groter dan 50 m2 een waarderend onderzoek wordt aanbevolen. Het zuidelijk deel ligt in een gebied waar het advies geldt om bij ingrepen van meer dan 2.500 m² een archeologisch onderzoek te verrichten (geel). Voor het overige gebied en voor de periode steentijd – bronstijd is sprake van een lage verwachtingswaarde (groen). In het kader van de eerdere planvorming voor Lou Sânen is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek dateert van 2010, maar is gelet op het onderwerp nog steeds relevant. Het uitgangspunt van dit onderzoek is namelijk een gespecificeerde archeologisch verwachtingsmodel, uitgaande van de mogelijke aanwezigheid van archeologische resten uit de ijzertijd en de middeleeuwen en met de mogelijke aanwezigheid van terpresten op het noordelijke deel van het plangebied. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 6. Uit het onderzoek is gebleken dat het plangebied bestaat uit een aantal weilanden die in het verleden in gebruik moeten zijn geweest als akkers. Hierdoor is een dertig tot veertig centimeter dikke bouwvoor ontstaan. Het hieronder gelegen deel van de bodem vertoont een volledig natuurlijke opbouw. Uit deze opbouw blijkt dat het terrein waarop het plangebied ligt aanvankelijk deel uit-

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

25

maakte van een waddengebied. Dit is geleidelijk aan opgeslibd tot een kwelderwal. De hogere ligging van het noordelijke deel van het plangebied heeft een natuurlijke oorzaak. Terplagen zijn nergens aangetroffen, archeologische indicatoren ontbreken eveneens volledig. Het uitgevoerde onderzoek geeft derhalve geen aanleiding tot het adviseren van beschermende en/of beperkende maatregelen of archeologisch vervolgonderzoek. In alle gevallen geldt dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, daarvan direct melding moet worden gedaan.

4.9

Cultuurhistorie

4.9.1

Wettelijk kader Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

4.9.2

Toetsing en conclusie Om na te gaan of sprake is van cultuurhistorische waarden in de omgeving, is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Een fragment van deze kaart is weergeven in figuur 4.3. Het plangebied betreft geen cultuurhistorische waardevolle locatie. Wel liggen in de omgeving bijzondere gebieden (met name boerderijplaatsen) en historische wegen en paden. Ook de kerk heeft een bijzondere waarde. De invulling van het plangebied met woningbouw doet op geen enkele wijze afbreuk aan de aangemerkte cultuurhistorische waarden. Vanuit dit aspect bestaan dus geen belemmeringen voor het plan.

26

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

Figuur 4.3

Fragment CHK Fryslân

4.10

Externe veiligheid

4.10.1

Wettelijk kader De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar via de Atlas Leefomgeving.

4.10.2

Toetsing en conclusie Uit de kaarten van de Atlas Leefomgeving blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Het plangebied ligt ook niet in het invloedgebied van risicobronnen op grotere afstand. Vanuit dit aspect bestaan dan ook geen belemmeringen voor dit plan.

Hoofdstuk 22b Easternijtsjerk - Lou Sanen Fase 3 24-141-1 | Ontwerp

27

4.11

Kabels en leidingen

4.11.1

Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden.

4.11.2

Toetsing In of nabij het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels of leidingen. Ook gelden er geen specifieke beperkingsgebieden in relatie tot de beoogde woningbouw.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=fd3347a9-a970-48b2-80fd-e0be4028ce61