CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Bestemmingsplan Nes - Efterwei_ontwerp_aangepast bouwblok

It Beslút 12 juni 2025, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Nes-Efterwei14.684 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Nes - Efterwei Noardeast-Fryslân

DATUM IMRO IDN

27-10-2023 NL.IMRO.1970.BPEfterwei2756-ON01

PROJECT PROJECTLEIDER

Nes - Efterwei Rho Adviseurs

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Particuliere opdrachtgever 20230756

AUTEUR STATUS

Rho Adviseurs ontwerp

Inhoudsopgave

Toelichting

6

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Ligging plangebied

7

1.3

Planologische regeling

8

1.4

Leeswijzer

10

Planbeschrijving

11

2.1

De bestaande situatie

11

2.2

Voorgenomen situatie

11

Hoofdstuk 3

Beleidskader

14

3.1

Rijksbeleid

14

3.2

Provinciaal beleid

15

3.3

Regionaal beleid

17

3.4

Gemeentelijk beleid

17

Milieu- en omgevingsaspecten

21

4.1

Algemeen

21

4.2

M.e.r.-beoordeling

21

4.3

Bedrijven en milieuzonering

21

4.4

Ecologie

22

4.5

Bodem

23

4.6

Geluid

25

4.7

Water

26

4.8

Luchtkwaliteit

28

4.9

Archeologie

29

4.10

Cultuurhistorie

31

4.11

Externe veiligheid

32

4.12

Kabels en leidingen

32

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

33

5.1

Het juridisch systeem

33

5.2

Toelichting op de bestemmingen

33

5.3

Verbeelding

34

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 4

3/276

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

35

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

35

6.2

Economische uitvoerbaarheid

36

Bijlagen toelichting

39

Bijlage 1

Onderzoek stikstofdepositie

41

Bijlage 2

Verkennend en nader bodem- en asbestonderzoek

49

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

179

Bijlage 4

Watertoets

209

Bijlage 5

Archeologisch onderzoek

215

Regels Hoofdstuk 1

247 Inleidende regels

248

Artikel 1

Begrippen

248

Artikel 2

Wijze van meten

253

Bestemmingsregels

254

Artikel 3

Wonen

254

Artikel 4

Waarde - Archeologisch en/of cultuurhistorisch waardevol gebied

257

Hoofdstuk 3

Algemene regels

259

Artikel 5

Anti-dubbeltelregel

259

Artikel 6

Algemene bouwregels

260

Artikel 7

Algemene gebruiksregels

261

Artikel 8

Algemene afwijkingsregels

262

Artikel 9

Overige regels

264

Overgangs- en slotregels

265

Artikel 10

Overgangsrecht

265

Artikel 11

Slotregel

266

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 4

Bijlagen regels Bijlage 1 Verbeelding

4/276

269 Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten

271 275

5/276

Toelichting

6/276

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Op het perceel aan de Efterwei in Nes was in het verleden een woonboerderij gevestigd. Deze bebouwing is gesloopt. Sindsdien ligt het perceel braak. De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse drie twee-onder-een-kapwoningen te realiseren. Deze ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het geldende bestemmingsplan Doarpen, omdat het aantal te bouwen hoofdgebouwen binnen de bestemming 'Wonen' niet meer dan één mag bedragen per bouwvlak. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noardeast-Fryslân heeft aangegeven planologische medewerking te willen verlenen om de bouw van zes woningen in het plangebied mogelijk te maken. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch te kunnen regelen, is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Daarbij hoort een onderbouwing van een goede ruimtelijke ordening. Het voorliggende plan voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt in het noorden van het dorp Nes, aan de Efterwei, op een ongenummerd perceel. Het plangebied betreft de kadastrale percelen NES02-B-2767 en NES02-B-2756. Nes is gelegen in het noordoosten van de provincie Fryslân in de gemeente Noardeast-Fryslân. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1.1.

7/276

Figuur 1.1

1.3

Ligging van het plangebied (bron: PDOK Viewer)

Planologische regeling

Het plangebied is momenteel geregeld in het bestemmingsplan Doarpen, dat is vastgesteld op 25 juni 2010 door de voormalige gemeente Dongeradeel (nu: Noardeast-Fryslân). Een uitsnede van het bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is weergegeven in figuur 1.2.

8/276

Figuur 1.2

Uitsnede geldende bestemmingsplan Doarpen (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)

In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de enkelbestemming 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch en/of cultuurhistorisch waardevol gebied'. Met betrekking tot de bestemming 'Wonen' zijn de gronden bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een bedrijf genoemd in bijlage 1 onder categorie 1, en/of een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd. Een hoofdgebouw dient in een bouwvlak te worden gebouwd en het aantal te bouwen hoofdgebouwen mag per bouwvlak niet meer dan één bedragen, tenzij ter plaatse de aanduiding 'maximum aantal aaneen te bouwen wooneenheden' is aangegeven, in welk geval het in het aanduidingsvlak aangegeven aantal als maximum geldt. Van een dergelijke aanduiding is in het plangebied geen sprake. Van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om meer hoofdgebouwen toe te staan is ook geen sprake. De voorgenomen ontwikkeling is niet passend binnen de geldende woonbestemming, omdat het bouwen van meer dan één hoofdgebouw binnen één bouwvlak niet is toegestaan. De voor ‘Waarde - Archeologisch en/of cultuurhistorisch waardevol gebied’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische en archeologische waarden.

Op of in deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van bestaande bouwwerken, alsmede bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met ten hoogste 50 m² wordt vergroot, of bouwwerken ten behoeve van archeologisch onderzoek en bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 50 m² ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemmingen.

9/276

1.4

Leeswijzer

Na deze inleiding, wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en het voorgenomen plan. Dit wordt in de hoofdstukken 3 en 4 getoetst aan het beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een uitleg aan de juridische regeling van het bestemmingsplan. Tenslotte gaat hoofdstuk 6 in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

10/276

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

Dit bestemmingsplan is opgesteld om de beoogde ontwikkeling (het initiatief) mogelijk te kunnen maken. In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. De ontwikkeling moet op een goede manier worden ingepast in de omgeving. Daarom is in dit hoofdstuk ook een beschrijving van de huidige situatie opgenomen.

2.1

De bestaande situatie

Het plangebied is gelegen aan de Efterwei in het noordelijke gedeelte van het dorp Nes. Voorheen was het plangebied ingericht ten behoeve van een woonboerderij. Vanwege de staat van dit gebouw is besloten de boerderij in zijn geheel te slopen. Sindsdien betreft het plangebied een braakliggend terrein. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2.600 m2. Het plangebied is gelegen in een dorp. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door de woonfunctie, enkele maatschappelijke functies en de agrarische functie buiten het dorp. Het plangebied is gelegen in een 30 km/uur-gebied. In figuur 2.1 is een luchtfoto van het plangebied weergegeven.

Figuur 2.1

2.2

Luchtfoto van de bestaande situatie (bron: PDOK Viewer)

Voorgenomen situatie

Het voornemen is om ter plaatse van het plangebied drie twee-onder-een-kapwoningen te realiseren. De woningen worden duurzaam opgeleverd en richten zich op starters en (pré-)senioren. Voor starters bieden de woningen de mogelijkheid om betaalbaar te kunnen wonen en voor senioren een gelegenheid om afstand te doen van hun vaak te grote woning. De percelen krijgen een gemiddelde oppervlakte van circa 430 m2.

11/276

In figuur 2.2 is de beoogde indeling van het plangebied weergegeven.

Figuur 2.2

Voorgenomen indeling plangebied

2.2.1 Ruimtelijke inpassing De kavels van de zes nieuwe woningen liggen aan de Efterwei. De Efterwei is gelegen midden in het dorp. In de huidige situatie betreft het plangebied een braakliggend terrein. De gemeente heeft in reactie op een informatieverzoek aangegeven dat het plangebied 'kaal en onherbergzaam' oogt ten gevolge van de sloop van de oorspronkelijke boerderij. Het invullen van deze open ruimte door nieuwe bebouwing wordt ruimtelijk gewenst geacht. In de toekomstige situatie worden drie twee-onder-een-kapwoningen gerealiseerd. De woningen krijgen een oriëntatie met de noklijn parallel aan de weg. Dit sluit aan op de noklijn van de overige woningen aan de

12/276

Efterwei. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat met de bouw van de woningen het straat- en bebouwingsbeeld in de Efterwei sluitend en gaaf zal worden. 2.2.2 Verkeer en parkeren Verkeersstructuur Het dorp Nes bestaat uit een 30 km/uur-zone. De nieuw te bouwen woningen bevinden zich ook binnen deze zone. De verkeersstructuur voor de woningen aan de Efterwei wordt niet gewijzigd; de woningen worden via de bestaande wegen ontsloten, te weten de Efterwei in zuidwestelijke richting en de Foarstrjitte in noordoostelijke richting. Deze wegen bieden een goede verbinding met de Ald Tún die aansluit op de provinciale weg N358. Op deze manier is het plangebied goed ontsloten. Verkeersgeneratie Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van drie twee-onder-een-kapwoningen. De toekomstige verkeersgeneratie is berekend op basis van de gemiddelde kentallen die afkomstig zijn van CROW (publicatie 381 Toekomstbestendig Parkeren). Gemeente Noardeast-Fryslân betreft een niet-stedelijke gemeente en het plangebied ligt in middenin een dorpskern (centrum). Aldus bedraagt de verkeersgeneratie in de toekomstige generatie 45,6 mvt/etmaal. Deze toename van verkeersgeneratie is dusdanig gering dat de toename zonder problemen kan worden opgevangen. Parkeren Voor de parkeerbehoefte zijn de parkeercijfers uit de CROW publicatie 381 gehanteerd.

Dit betekent dat voor de 6 woningen in het plangebied in totaal 10 parkeerplaatsen nodig zijn. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden om het parkeren op eigen terrein op te lossen. De omvang van het erf is ruim en voorziet in minimaal 2 parkeerplaatsen. Daarmee wordt voorzien in de parkeerbehoefte.

13/276

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. Het is de bedoeling er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.

Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie; 2. de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; 3. steden en regio's sterker en leefbaarder maken; 4. een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Realiseren opgaven In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren: 1. De Omgevingsagenda In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio. 2. De NOVI-gebieden Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie. De regio waarvan de gemeente Dongeradeel deel uitmaakt is niet aangewezen als NOVI-gebied. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de NOVI.

14/276

3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 door de minister vastgesteld. Met de Structuurvisie zet het kabinet het roer om in het nationale ruimtelijke beleid. Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen. Door de kleinschaligheid van het planvoornemen is het SVIR hier niet op van invloed. Wel past de aard van het planvoornemen binnen de rijksdoelen zoals deze in het SVIR worden geschetst. De plannen zorgen voor ontwikkeling en behoud van de leefbaarheid in het dorp Nes. 3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. Het Barro stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de SVIR. Dit plan raakt geen rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro. 3.1.4 Ladder voor Duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de Ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd.

In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Toepassing Ladder voor duurzame verstedelijking en conclusie De Ladder is alleen van toepassing op plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. Op basis van de overzichtsuitspraak die is gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724), geldt dat bij woningbouwlocaties vanaf 12 woningen in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Is dit het geval, dan is een Laddertoets vereist en is daarmee een beschrijving van de behoefte nodig. Met het planvoornemen worden 6 woningen gerealiseerd. Hierdoor is het niet noodzakelijk het voornemen te toetsen aan de Ladder.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân - De romte diele Op 23 september 2020 is de omgevingsvisie Fryslân - De romte diele vastgesteld, waarin de ambities voor de provincie voor 2030-2050 zijn uitgesproken. Hierbij wordt gewerkt met 9 principes die richting geven bij het maken van keuzes. Enerzijds zijn de principes inhoudelijk van aard, zoals zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities, gezondheid en veilig. Anderzijds zijn er samenwerkingsprincipes, zoals rolbewust, decentraal wat kan, het ja, mits principe, aansluiting zoeken en sturen op proces, ruimer op inhoud.

15/276

Als uitgangspunt geldt dat veranderingen niet tegen moeten worden gehouden, maar dat ambities worden gerealiseerd door gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten. De planontwikkeling past binnen het principe van zuinig ruimtegebruik, omdat de ontwikkeling op een inbreidingslocatie plaatsvindt; reeds verwijderde bebouwing wordt vervangen door nieuwbouw die qua schaal en functie aansluit bij de omgeving. Het principe dat de bestaande omgevingskwaliteit de basis is voor het ontwerp wordt ook toegepast, omdat de situering en maatvoering van de nieuwbouw wordt afgestemd op de reeds aanwezige bebouwing in de directe omgeving. De principes van zuinig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit passen binnen de kwaliteiten die de provincie Fryslân wil behouden en bevorderen. Conclusie Het planvoornemen is in overeenstemming met de Omgevingsvisie. 3.2.2 Verordening Romte 2014 Op 25 juni 2014 is de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld, deze is daarna een aantal keren partieel herzien. In de verordening zijn regels opgenomen die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Het volgende artikel is van toepassing op de woningbouwontwikkeling in Nes: Artikel 3.1.1 1.

Een ruimtelijk plan kan mogelijkheden voor woningbouw bevatten indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw in overeenstemming zijn met een woonplan, dat de schriftelijke instemming van Gedeputeerde Staten heeft. 2. In afwijking van het eerste lid kan een ruimtelijk plan een woningbouwproject bevatten dat niet is opgenomen in een woonplan, indien: a. het woningbouwproject niet meer dan 3 woningen bevat dan wel, voor zover gelegen binnen het bestaand stedelijk gebied, niet meer dan 11 woningen bevat, en b. in de plantoelichting is gemotiveerd dat en op welke wijze overschrijding van het woningbouwprogramma van het woonplan kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten. Overeenkomstig artikel 3.1.1, lid 2, onder a is binnen het bestaand stedelijk gebied de mogelijkheid opgenomen om tot 11 woningen te kunnen realiseren. Het planvoornemen van 6 woningen overschrijdt dit maximum niet. Daarnaast geeft artikel 3.1.2 de mogelijkheid om medewerking te verlenen indien de aantallen en de kwaliteit van de woningbouw passen bij de aard en schaal van de overige kern. De planontwikkeling ziet op de ontwikkeling voor wonen op een perceel dat reeds een woonbestemming heeft. Op basis van de huidige bestemming kan een hoofdgebouw worden gerealiseerd dat ruimte biedt aan meerdere huishoudens.

De oppervlakte van de gewenste hoofdgebouwen zal, hoewel dat wordt verdeeld over meerdere woningen, het huidige oppervlak benaderen. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling op basis van de verordening mogelijk is. De provincie en de gemeenten Achtkarspelen, Dantumadiel, Noardeast-Fryslân en Tytsjerksteradiel hebben vorig jaar aanvullende afspraken met elkaar gemaakt over de woningbouw in de regio Noordoost-Fryslân voor de

16/276

komende 10 jaar. In Noordoost-Fryslân kunnen 2.400 woningen gebouwd worden. Deze worden verdeeld over alle kernen, waarbij de nadruk ligt op binnenstedelijke locaties. Met de nieuwe afspraken heeft de provincie de verantwoordelijkheid meer bij de gemeenten neergelegd. De provincie schrijft: ''We onderkennen de behoefte aan bouwtempo en flexibiliteit voor inbreidingslocaties, zodat niet voor elk project afzonderlijk een toets aan de woningbouwcapaciteit hoeft plaats te vinden. We willen immers net als u dat eerst het bestaand bebouwd gebied optimaal wordt benut voordat uitbreiding plaatsvindt. Dat spaart ruimte, maar het bevordert ook hergebruik van bestaande bebouwing en beschikbare transformatielocaties''. Binnen het dorp Nes heeft de afgelopen 10 jaar geen woningbouw plaatsgevonden. Met het planvoornemen wordt een stuk braakliggend terrein benut voor nieuwbouw. Dit sluit aan bij het voornemen om bestaand bebouwd gebied optimaal te benutten en hergebruik van bestaande bebouwing en beschikbare transformatielocaties te bevorderen. Artikel 2.2 Archeologie In artikel 2.2.1 van de verordening is opgenomen dat in en plantoelichting van een ruimtelijk plan moet worden aangegeven op welke wijze het plan rekening houdt met de wijze van onderzoek naar en bescherming van archeologische waarden en verwachtingswaarden zoals aangegeven op de FAMKE.

Deze onderbouwing is opgenomen in paragraaf 4.9. Conclusie Het voornemen is in overeenstemming met de provinciale omgevingsverordening.

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Afwegingskader Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningbouwinitiatieven aansluiten bij de actuele, kwalitatieve woningbehoefte en de volkshuisvestelijke ambities van de gemeente, willen de regio Noordoost-Friesland en de provincie de komende jaren sturen op basis van een gezamenlijke set van criteria. Hiervoor is in regionaal verband als werkdocument een Afwegingskader opgesteld waarmee nieuwe woningbouwinitiatieven op kwaliteit worden getoetst. Aan de hand van dit Afwegingskader wordt gekeken in hoeverre nieuwe plannen aantoonbaar inspelen op de kwalitatieve woningbehoefte en of zij bijdragen aan andere kwalitatieve ambities, zoals langer zelfstandig wonen, verduurzamen of het oplossen van een ruimtelijk knelpunt (bijvoorbeeld transformatie van leegstaand vastgoed). De woningbouwontwikkeling in Nes is getoetst op behoefte en kwaliteit.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Woonvisie 2020-2025 De Woonvisie van de gemeente Noardeast-Fryslân legt op hoofdlijnen vast wat de basis is voor verder uitgewerkte woonplannen en -afspraken in de komende vijf jaar. De hoofdlijnen worden uitgewerkt in een woonagenda.

17/276

De woonvisie bevat de volgende speerpunten: 1. Toekomst geven aan bestaande woningen en buurten; 2. Nieuwbouw in stad, dorpen en wijken, omgang met groei en krimp; 3. Ontwikkeling van de sociale huurvoorraad: betaalbaar, beschikbaar en met kwaliteit; 4. Wonen en zorg in dorpen en wijken; 5. Energietransitie en verduurzaming; 6. Leefbare stad en dorpen: sociaal en veilig, met bereikbare voorzieningen; 7. Samenwerking gemeente, belanghebbenden en bewoners. Op basis van de woonvisie wordt de uitvoeringsagenda vastgesteld. De woonvisie is een dynamisch document waarbij aan de hand van het woonprogramma, de woningbouwprogrammering, de prestatieafspraken en overleg met de stakeholders jaarlijks zal worden bepaald of en op welke onderdelen een actualisatie nodig is. Mede gezien de actuele ontwikkelingen op de woningmarkt en de impact van de coronacrisis is deze actualisatie extra urgent en noodzakelijk. Op basis van de nieuwe Woonvisie zal het college ook de woningbouwprogrammering heroverwegen en bijstellen. Deze programmering moet aansluiten op de doelen in de eigen woonvisie en op de regionale woningbouwafspraken die de regiogemeenten en de provincie Fryslân hebben gemaakt. Daarbij worden het reeds aanwezige Afwegingskader voor bouwplannen en de woningmarktmonitor gebruikt als hulpmiddelen.

De gemeente Noardeast-Fryslân heeft samen met de gemeenten Achtkarspelen, Dantumadiel en Tytsjerksteradiel zowel op bestuurlijk als ambtelijk niveau structureel afstemming over het woningbouwprogramma. De uitwerking krijgt een plek in de Woonagenda. Speerpunt 1 Door het realiseren van woningbouw in Nes wordt voorzien in de behoefte van starters en (pre)senioren. Dit maakt ook deze laatste groep ruimte maakt in het midden- en hogere segment, doordat zij verhuizen van een grote woning naar een woning die qua formaat en voorzieningen passender is. Het planvoornemen zorgt voor vernieuwing die leidt tot versterking en toekomstbestendigheid van het dorp. Bovendien vindt de ontwikkeling binnenstedelijk plaats, waardoor geen ruimte van het buitengebied in gebruik wordt genomen. Nes ligt in de omgeving van meerdere kleine dorpen waarbij het lastig is binnenstedelijk ruimte te bieden aan woningbouw en waarbij het niet wenselijk is buitenstedelijk het karakter van deze dorpen aan te passen. Niet alleen voor Nes, maar ook voor de naastliggende omgeving biedt deze ontwikkeling dan ook kansen. Speerpunt 2 In de woonvisie wordt aangegeven dat in de woonkernen altijd ruimte is voor nieuwbouw. Dit moet wel op maat, passend bij de schaal en de behoefte in het dorp zijn. De bouw van de woningen in Nes past binnen het principe dat inbreiding voor uitbreiding moet gaan.

Bovendien is er behoefte aan koopwoningen. Speerpunt 5 Dit speerpunt ziet op energietransitie en verduurzaming. De gemeente acht het van belang dat sprake is van energieneutraal bouwen met oog voor de bouwkundige kwaliteit. Er wordt bewust ingezet op eenvoudige twee-onder-een-kapwoningen. Deze woningen zullen volledig energieneutraal worden gebouwd. In het kader van de bouwkundige uitwerking zal worden voldaan aan de eisen van welstand. Speerpunt 6

18/276

Het toevoegen van woningen houdt het inwoneraantal op peil. Dit in combinatie met het gegeven dat woningen worden toegevoegd aan een momenteel braakliggend terrein, komt dit de leefbaarheid van het dorp ten goede. Hierdoor kan het voorzieningenniveau op peil blijven. Speerpunt 7 Om te komen tot de ontwikkeling is draagvlak en samenwerking tussen initiatiefnemers, gemeente en het dorp noodzakelijk. Ten behoeve van de ontwikkeling van het planvoornemen is allereerst een verzoek tot vooroverleg ingediend bij de gemeente. Hierop heeft de gemeente positief gereageerd. In navolging daarop is het plan verder uitgewerkt en op 3 april 2023 gepresenteerd aan Dorpsbelangen Nes. Ook zij heeft zich positief uitgelaten over de planontwikkeling, zie ook paragraaf 6.1. Het ontwerpplan zal ter inzage worden gelegd, waarmee aanvullend eenieder de gelegenheid krijgt zijn/haar zienswijze op het plan kenbaar te maken. Conclusie Het planvoornemen sluit aan bij de uitgangspunten van de woonvisie. 3.4.2 Woonprogramma De gemeente Noardeast-Fryslân heeft een woonprogramma opgesteld waarin de woningbouwprojecten en -initiatieven zijn opgenomen. In november 2021 heeft de provincie Friesland hierop akkoord gegeven. 3.4.3 Woningmarktanalyse Noordoost-Fryslân en Woningmarktmonitor In 2020 is een woningmarktanalyse opgesteld om op regionaal niveau inzicht te krijgen in de woningbouwbehoefte.

Samenwerking binnen de regio, zowel tussen gemeenten als tussen dorpen, is van belang bij het vaststellen van de woonprogrammering. De woningmarktanalyse biedt een kwalitatief afwegingskader waar gemeenten gebruik van kunnen maken bij het ontwikkelen van woningbouwplannen. De provincie Fryslân vraagt de regio om een offensieve regionale visie te maken. Dat betekent dat er geen dorp op slot wordt gezet en dat er ruimte is voor toekomstbestendig en zorgvuldig toevoegen van woningen. Daarbij houdt de provincie vast aan de lijn "binnendorps vrij, buitendorps beperkt". In de woningmarktanalyse is per dorp inzichtelijk gemaakt hoe de woningmarkt er nu voor staat en welke ontwikkelingen er te verwachten zijn. Op deze manier kan snel worden ingespeeld op ontwikkelingen. Uit de Dorpenatlas van Noardeast-Fryslân volgt dat in de koopsector van Nes vooral behoefte is aan vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen. Met de planontwikkeling in Nes worden drie twee-onder-een-kapwoningen aan de koopsector toegevoegd. Deze ontwikkeling voorziet in de behoefte en past binnen de beleidskaders. 3.4.4 Welstandsnota Noardeast-Fryslân Het welstandsbeleid van de gemeente Noardeast-Fryslân is vastgelegd in de Welstandsnota Noardeast-Fryslân, die is vastgesteld op 13 augustus 2020. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid.

De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor alle bouwplannen. Er worden 12 welstandsgebieden onderscheiden. Het plangebied ligt in de kern Nes. Dit valt onder het welstandsgebied 'dorpskern'. De bebouwing hier is overwegend in één bouwlaag met kap, maar hier en daar zijn ook woningen gebouwd in twee lagen met een kap. Het merendeel van de woningen heeft een individuele uitstraling, maar behoort wel tot dezelfde familie. Het materiaal- en kleurgebruik is overwegend traditioneel. De detaillering van de woningen is over het

19/276

algemeen sober, maar wel erg zorgvuldig. In de dorpskernen neemt de kerk vaak een prominente plaats in, door de omvang, situering en vormgeving. De welstandsambitie voor deze gebieden is gericht op het behoud en waar mogelijk het versterken van de bestaande en/of gewenste kwaliteit. De nadruk ligt op het handhaven en respecteren. Aan deze gebieden is dan ook een bijzonder ambitieniveau toegekend. De welstandscriteria bij het gebied 'dorpskern' worden bij de uitwerking van de plannen in acht genomen. Daarmee wordt aan het welstandsbeleid voldaan. Conclusie gemeentelijk beleid Uit het bovenstaande blijkt dat de ontwikkeling van drie twee-onder-een-kapwoningen in de koopsector in het dorp Nes past binnen het gemeentelijk woonbeleid. De ruimtelijke kwaliteit van de inbreidingslocatie wordt afgestemd op de reeds aanwezige basiskwaliteit.

20/276

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Algemeen

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet aandacht worden besteed aan wet- en regelgeving voor de verschillende omgevingsaspecten. Het gaat hierbij om het minimaliseren van de invloeden vanuit het plangebied op de omgeving en omgekeerd. Dat zijn de milieu- en omgevingsaspecten geluid, luchtkwaliteit, bodem, externe veiligheid, water, ecologie, archeologie, cultuurhistorie, bedrijven en milieuhinder, en kabels en leidingen.

4.2

M.e.r.-beoordeling

In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan plan-m.e.r-plichtig, project-m.e.r-plichtig of m.e.r-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r.-drempelwaarden opgenomen. Wanneer niet voldaan wordt aan de drempelwaarden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, daarbij lettend op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarbij de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van (meer dan) 100 hectare of indien een aaneengesloten gebied 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). In de voorgenomen ontwikkeling worden zes nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daarmee blijft de ontwikkeling onder de drempelwaarden. Voor ontwikkelingen die niet de drempelwaarde overschrijden, maar wel zijn aangewezen als categorie, is bepaald dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is.

Daarbij rijst de vraag of dat in alle gevallen nodig is. Volgens vaste jurisprudentie is dit afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling, de vormgeving en opzet, de schaalgrootte, de ligging, de voorgenomen functie-wijziging en de vraag of er sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk. Een concreet aantal voorbeelden is niet voorhanden in de jurisprudentie. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, de schaalgrootte en de ligging, wordt een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk geacht.

4.3

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;

21/276

rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. In geval van een gemengd gebied kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. Toetsing Het plangebied ligt in de dorpskern van Nes. In de directe omgeving van het plangebied is overwegend de woonfunctie aanwezig. Derhalve wordt het plangebied aangemerkt als 'rustige woonwijk'. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een kerkgebouw. Een kerkgebouw wordt als milieucategorie 2 aangemerkt, waarvoor een richtafstand van 30 meter geldt. De afstand tussen de beoogde woningen en het kerkgebouw bedraagt circa 30 meter. Aan de richtafstand wordt dus voldaan. Verder bevindt zich aan de Foarstrjitte 13 een voormalig bouwbedrijf / doe-het-zelf zaak.

De bedrijfsactiviteiten op het perceel zijn beëindigd. In de huidige situatie is het pand als woning in gebruik. Op basis van het geldende bestemmingsplan mogen op het perceel bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd. Het betreft bedrijfsactiviteiten uit een milieucategorie 1 en 2. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter. De afstand tussen het plangebied en dit bedrijfsperceel bedraagt circa 75 meter. Aan de richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor dit plan.

4.4

Ecologie

Toetsingskader Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de natuurwaarden van de omgeving en met beschermde plant- en diersoorten. Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura 2000-gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;

22/276

•

overige soorten.

Toetsing Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van beschermde gebieden als Natura 2000 en Natuur Netwerk Nederland (voormalige EHS). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Waddenzee op circa 890 meter afstand tot het plangebied. In dit kader is het van belang om na te gaan of het plan significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van dit Natura 2000-gebied. Om dit te kunnen bepalen, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Voor de berekening is uitgegaan van elektrisch aangedreven materieel. Uit het onderzoek blijkt dat er geen stikstofdepositie is. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 1. Soortenbescherming Het plangebied maakt onderdeel uit van een beschermende natuurwaarde. Dit wil echter niet zeggen dat ter plaatse van het plangebied geen (beschermende) natuurwaarden kunnen voorkomen. Bij de uitvoering van de plannen is echter geen verstoring van beschermde soorten te verwachten. Het perceel wordt momenteel gebruikt als grasveld en wordt tussendoor regelmatig gemaaid. Gelet op het gebruik is geen sprake van een geschikte verblijfsplek voor (beschermde) natuurwaarden. Bij de uitvoering van het plan dient de algemene zorgplicht bepaling in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming onverminderd in acht te worden genomen. Conclusie Het aspect ecologie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.5

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Toetsing Om inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is ten behoeve van de ontwikkeling in het plangebied een verkennend bodem- en asbestonderzoek en nader bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn opgenomen in bijlage 2.

23/276

Verkennend asbestonderzoek Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat de voor de onderzoekslocatie gestelde hypothese 'verdachte locatie met verdachte deellocatie', deels juist is. Er is immers in de bodem ter plaatse van RE1 op het perceel, op basis van analytische waarnemingen, een verhoogde concentratie aan asbest aangetroffen, waardoor de hypothese wordt gehandhaafd. Ter plaatse van de druppelzone onder de dakgootlijn van de voormalige boerderij is geen verhoogd gehalte aan asbest aangetoond, waardoor de hypothese wordt verworpen. Echter, de asbestconcentraties ter plaatse van RE1, RE2 en RE3 liggen onder de grens van 0,5 maal de interventiewaarde en vormen geen aanleiding tot het instellen van nader asbestonderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten van het asbestonderzoek bestaan er, vanuit milieuhygiënisch oogpunt, geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het perceel en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning ten behoeve van de geplande bouwactiviteiten op het terrein. Verkennend bodemonderzoek Gezien de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de voor de onderzoekslocatie opgestelde hypothese 'verdachte locatie', juist is. Er zijn immers op de locatie enkele licht tot sterk verhoogde gehalten aangetroffen, waardoor de hypothese wordt gehandhaafd.

Nader bodemonderzoek Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend en nader bodemonderzoek is getracht de omvang van de aanwezige bodemverontreinigingen met PAK en lood in de grond in kaart te brengen. De geconstateerde verontreiniging van PAK en lood kan mogelijk worden toegeschreven aan de aanwezigheid van puin en baksteenhoudende grond en het eeuwenlange gebruik van het terrein. Vooralsnog wordt uitgegaan van een oud geval van bodemverontreiniging, welke is ontstaan voor 1987, waardoor er op het perceel volgens de Wet bodemverontreiniging geen sprake is van een nieuw geval van bodemverontreiniging. De matige verontreiniging met PAK is in zowel horizontale als verticale richting afgeperkt tot concentraties onder de tussenwaarde. Met onderhavig onderzoek is geconcludeerd dat de omvang van de sterk verontreinigde grond met lood op het perceel ongeveer 0,5 m3 grond bedraagt. Gezien het feit dat beide verontreinigingen niet voldoen aan de criteria voor een ernstig geval van bodemverontreiniging (meer dan 25 m³ met concentraties boven de interventiewaarde) is op het plangebied geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Gezien de omvang van de aanwezige grond verontreiniging niet voldoet aan de criteria zoals gedefinieerd in de Wet bodembescherming, bestaat ter plaatse van het perceel geen verplichting tot saneren van sterke verontreiniging.

Wel dient rekening te worden gehouden met het feit dat indien ter plaatse van de sterke verontreiniging civiele werkzaamheden worden uitgevoerd, mogelijk een plan van aanpak moet worden opgesteld. Voorafgaand aan sanerende of civiele activiteiten met lood, dient het plan van aanpak te worden goedgekeurd door het bevoegde gezag. Vrijkomende grond met sterk verhoogde gehalten aan lood dient te worden afgevoerd naar de erkende verwerker. Voor eventuele civiele werkzaamheden ter plaatse van gat 4 en boring 1014 zijn geen beperkingen, derhalve is alleen sprake van matige verontreinigingen.

24/276

Civiele werkzaamheden c.q. sanerende activiteiten ter plaatse van sterk verontreinigde grond dienen te worden uitgevoerd door een erkend bodemsaneerder. Conclusie Indien ter plaatse van de aanwezige sterke verontreiniging civiele werkzaamheden worden uitgevoerd, dient mogelijk een plan van aanpak te worden opgesteld. Dit plan van aanpak dient te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Dit advies wordt opgevolgd.

4.6

Geluid

Toetsingskader Op grond van de Wet geluidhinder geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', een geluidzone. Bij de ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Toetsing Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een spoorweg of inrichting die in belangrijke mate geluidhinder veroorzaakt. De wegen aan de Efterwei en Foarstrjitte hebben een 30 km/uur-regime. Daardoor hebben deze wegen geen wettelijke geluidzone en zijn de grenswaarden uit de Wet geluidhinder niet van toepassing. Op basis van vaste jurisprudentie dient voor dergelijke wegen bij een ruimtelijke procedure wel een akoestische afweging te worden gemaakt. Ten behoeve hiervan is door GeluidMeesters BV een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 3. Uit de resultaten blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting op woningniveau ten hoogste 52 dB Lden bedraagt.

Indien aansluiting wordt gezocht bij de grenswaarden uit de Wet geluidhinder voor wegen met een geluidzone, blijkt dat de voorkeursgrenswaarde voor afzonderlijke wegvakken van 48 dB Lden wordt overschreden. Wel wordt ruimschoots voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB Lden. Iedere woning heeft minimaal één geluidluwe gevel ( 48 dB Lden). Aan deze geluidluwe zijde is voldoende ruimte om een geluidluwe buitenruimte te realiseren. Maatregelen ter beperking van de gevelgeluidbelasting kunnen, mede gezien de beperkte omvang van het plan, niet doelmatig worden uitgevoerd. In het kader van woongenot zal de gevelgeluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie (die de scheiding vormt tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht), worden afgestemd op het verschil tussen de gevelbelasting (excl. aftrek art. 110g Wgh = 52 + 5) en een binnengrenswaarde van 33 dB (conform Bouwbesluit). Dit komt neer op een benodigde gevelgeluidwering van (57-33 =) 24 dB voor de maatgevende gevel. Met de huidige stand van de bouwtechniek is een dergelijke gevelgeluidwering geen knelpunt. Conclusie Op basis van de resultaten kan worden gesteld dat er ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai sprake is

25/276

van een akoestisch goed woon- en leefklimaat. Het aspect geluid staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg.

4.7

Water

Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Wetterskip Fryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het project wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Voor het plan is een digitale watertoets uitgevoerd. Deze is in Bijlage 4 opgenomen in de toelichting van dit plan. Uit de digitale watertoets blijkt dat de normale procedure doorlopen dient te worden. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente Noardeast-Fryslân nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Waterschapsbeleid Het beleid van Wetterskip Fryslân is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2016-2021.

In het Waterbeheerplan 2022-2027 beschrijft Wetterskip Fryslân de doelen ten aanzien van waterveiligheid, voldoende water, schoon water en water in de samenleving voor de komende jaren. Het wetterskip beschikt over een leidraad watertoets. Het doel van de leidraad is dat alle aspecten meegenomen worden, hiermee wordt voldaan aan de thema's voldoende veilig en schoon water. Hiernaast zorgt de leidraad voor een betere samenwerking doordat het duidelijkheid geeft over de juridische status van het wateradvies. De leidraad bevat een overzicht van onderwerpen die vanuit het oogpunt van water belangrijk zijn bij ruimtelijke plannen.

26/276

Toetsing Waterkwantiteit In het wateradvies is aangegeven dat door ruimtelijke ontwikkelingen de hoeveelheid verhard oppervlak toeneemt met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in het wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. In het plangebied is in de huidige situatie sprake van braakliggend terrein. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2.600 m2. Als uitgangspunt voor woningbouwontwikkelingen geldt dat circa 50% van het plangebied verhard wordt. Dit betekent dat met de bouw van de woningen de verharding in het plangebied met ongeveer 1.300 m2 zal toenemen.

Omdat het plangebied in een dorpskern ligt en derhalve als stedelijk gebied wordt aangemerkt, wordt de grenswaarde van 200 m2 overschreden. Compensatie van 10% van de toename van verhard oppervlak, is van toepassing op de ontwikkeling. Het opwaarderen van de bestaande greppel/sloot aan de zuidoostzijde van het plangebied behoort tot een van de mogelijkheden. Daarmee wordt tevens voorkomen dat nog meer wateroverlast ontstaat door de nieuwe ontwikkeling. Uit de Friese Klimaatatlas volgt dat in de huidige situatie sprake is van wateroverlast in het plangebied. Om te voorkomen dat nog meer wateroverlast ontstaat door de toename van verharding, is meer ruimte voor berging in het oppervlaktewater noodzakelijk. Momenteel is de rayonbeheerder van het Wetterskip deze mogelijkheid aan het onderzoeken. Wetterskip Fryslân heeft de locatie aan de Efterwei bezocht om te beoordelen of compensatie binnen het plangebied tot de mogelijkheden behoort. Het Wetterskip heeft geoordeeld dat de projectlocatie zelf geen goede mogelijkheden heeft tot compensatie door het opwaarderen van de bestaande sloot/greppel door de hoge ligging van het perceel. Omdat de compensatie van het verhard oppervlak niet op het perceel kan plaatsvinden is het Wetterskip in overleg getreden met de gemeente Noardeast-Fryslân en de initiatiefnemer om de mogelijkheden elders in de omgeving te bespreken.

Er is afgesproken om de watercompensatie (10% verhard oppervlak) elders buiten het plangebied te realiseren. Voor de watercompensatie zal een bestaande watergang, ten noordwesten van de Noarderwei worden verbreedt. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;

27/276

afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. In dit geval wordt aangesloten op de bestaande riolering aan de Efterwei. Bij de planontwikkeling ligt de nadruk meer op afvoer naar oppervlaktewater en in mindere mate op infiltratie, omdat infiltratie door de slechte doorlatendheid van de bodem in het plangebied minder goed mogelijk is. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Hier wordt in de uitvoeringsfase rekening mee gehouden. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap een vergunning te worden aangevraagd op grond van de Keur. Dit geldt bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. Het plangebied valt niet onder een beschermingszone. Bij de uitvoering van het plan zal in het kader van de vergunningsaanvraag ervoor gezorgd worden dat wordt voldaan aan de bepalingen die in de Keur zijn opgenomen.

Hierbij wordt onder meer getoetst wat de hydrologische gevolgen zijn voor de omgeving. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de planontwikkeling.

4.8

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven.

28/276

Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Toetsing Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2020) is er in de directe omgeving van het plangebied sprake van een goede luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

Op voorhand kan gesteld worden dat dit plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Bovendien valt het project, met de bouw van 6 woningen, onder de NIBM-regeling.

4.9

Archeologie

Toetsingskader In de Erfgoedwet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. FAMKE Voor een globaal inzicht in mogelijke waarden heeft de provincie Friesland de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) gepubliceerd. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd-bronstijd (300.000 - 800 v.Chr.) en één voor de periode ijzertijd-middeleeuwen (800 v.Chr. - 1500 n Chr.).

29/276

Toetsing Voor de planontwikkeling zijn de archeologische kaarten van FAMKE geraadpleegd. Deze kaarten geven de actuele status op het gebied van archeologie weer. Uit de advieskaart van FAMKE voor de periode steentijd-bronstijd volgt dat geen onderzoek noodzakelijk is, zie figuur 4.1. Uit de advieskaart van de FAMKE voor de periode ijzertijd-middeleeuwen volgt dat wordt gestreefd naar behoud, zie figuur 4.2.

Figuur 4.1

Uitsnede advieskaart FAMKE steentijd-bronstijd

Figuur 4.2

Uitsnede advieskaart FAMKE ijzertijd-middeleeuwen

Het onderzoeksgebied is gelegen in een gebied waarvoor het nodig is om bij ingrepen groter dan 50 m2 archeologisch onderzoek uit te voeren. Hoewel het plangebied reeds is bestemd voor wonen, kan het zijn dat in de bodem zich nog archeologische waarden bevinden. Ten behoeve hiervan is door archeologisch onderzoeks-

30/276

en adviesbureau de Steekproef een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in Bijlage 5. Uit de resultaten van het onderzoek volgt dat vanaf de vroege middeleeuwen terpen werden opgericht in Nes, op verhoogde delen van het landschap. Uit de vroege middeleeuwen tot nieuwe tijd kunnen nederzettingen, terplagen en de resten van oude boerderijplaatsen worden verwacht. Archeologische indicatoren kunnen onder andere bestaan uit scherven aardewerk, puinresten en grondsporen. Daarnaast bevinden zich mogelijk nog resten van het oude kerkhof van de middeleeuwse kerk in de ondergrond van het plangebied. Eventuele archeologische waarden kunnen zijn aangetast door afgravingen, tuin- en boombouw en egalisatiewerkzaamheden. In het noorden van het plangebied kunnen archeologische waarden aanwezig zijn vanaf 20 cm onder het maaiveld. In het zuiden zijn archeologisch relevante lagen aangetroffen vanaf 50 cm onder het maaiveld. Verder zijn in de directe omgeving van het plangebied meerdere archeologische vindplaatsen bekend vanaf de vroege middeleeuwen. De archeologische verwachting van het plangebied is daarom hoog. Geadviseerd wordt om voorafgaand aan de werkzaamheden een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren.

Hiermee wordt circa 10 procent van het gebied onderzocht en kan een eventuele archeologische vindplaats worden opgespoord en gewaardeerd. Conclusie Het advies om voorafgaand aan de werkzaamheden een proefsleuvenonderzoek uit te voeren, wordt opgevolgd en is gewaarborgd in de planregels door middel van een vergunningsstelsel. Het aspect archeologie staat de voorgenomen ontwikkeling daarmee niet in de weg.

4.10 Cultuurhistorie Toetsingskader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in een ruimtelijk plan een beschrijving opgenomen moet worden van de manier waarop met de aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Toetsing Om te onderzoeken of sprake is van cultuurhistorische waarden is gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân. Hieruit volgt dat Nes als terpdorp wordt aangemerkt. Ook bevinden zich enkele karakteristieke bouwwerken (niet-woningen) in de nabijheid van het plangebied. Vroeger heeft op deze locatie een (woon)boerderij met schuur gestaan. Deze plek was ruimtelijk onderdeel van een ensemble van bebouwing rondom de terp/kerk. Met de ontwikkeling worden de landschappelijke kenmerken en karakteristieke gebouwen niet aangetast. Historisch gezien heeft op deze locatie een verdichte bebouwingscontour gestaan met een boerderijwoning en grote boerderijschuur. Deze voormalige dichte bouwmassa wordt in de nieuwe situatie opener van opzet waardoor er meer ruimte ontstaat voor zicht op de achterliggende bebouwing en percelen. Hierdoor past de korrel en maat van de nieuwe bebouwing beter in het bebouwingsbeeld van het dorp. De nieuwe bebouwingscontour sluit aan op de omliggende bebouwing en is passend in het dorp Nes.

31/276

Conclusie Het aspect cultuurhistorie staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.11 Externe veiligheid Toetsingskader Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen, zoals vuurwerk, LPG en munitie. Sinds een aantal jaren is er wetgeving over 'externe veiligheid' om de burger niet onnodig aan te hoge risico's bloot te stellen. De normen voor externe veiligheid zijn vastgelegd in onder andere het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid heeft vorm gekregen in de risicobenadering. Er wordt getoetst aan twee verschillende normen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Ten aanzien van het plaatsgebonden risico geldt een kans van 10- 6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de zogenaamde PR 10- 6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden toegestaan. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten, geldt deze norm als streefwaarde. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het onderscheid tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Toetsing In het kader van het aspect externe veiligheid is de risicokaart geraadpleegd. In de nabijheid van het plangebied is geen sprake van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waarmee rekening moet worden gehouden. Daarom vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de ontwikkeling in het plangebied.

4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader In (de omgeving van) het plangebied kunnen kabels en leidingen aanwezig zijn die beperkingen opleggen voor de bouwmogelijkheden in het plangebied. Hierbij valt te denken aan hoogspanningsverbindingen, waterleidingen en straalpaden. Bij leidingen, zoals gas-, water- en rioolpersleidingen, volgen deze belemmeringen uit het zakelijk recht. Bij hoogspanningsverbindingen gaat het om veiligheid en gezondheid. De beperkingen bij straalpaden zijn van belang voor het goed functioneren van de straalpaden. Toetsing en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

32/276

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Het juridisch systeem

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld conform deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=4d422be7-6bf5-4f83-b6bf-b1801fc58cd1