Bijlage 07 Ecologische beoordeling fietspad Súd Ie _A&W_mei 2021
Tekst van het document
Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
A&W-rapport 20-432
in opdracht van
Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
A&W-rapport 20-432
E. van der Heijden
Foto Voorplaat Impressie van het oostelijk deel van het tracé over de boezemkade van de Súd Ie. Zoals te zien is op de foto zijn de binnendijks gelegen graslanden zeer in trek als foerageergebied voor ganzen. Deze zijn vaak afkomstig uit het Lauwersmeer, foto: A&W
E. van der Heijden 2021 Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie. A&W-rapport20-432. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden
Opdrachtgever Gemeente Noardeast-Fryslân Postbus 13 9290 AA Kollum Telefoon0519 29 88 88
Uitvoerder Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv Suderwei 2 9269 TZFeanwâlden Telefoon 0511 47 47 64 info@altwym.nl www.altwym.nl
©
Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek bv. Overname van gegevens uit dit rapport is toegestaan met bronvermelding.
Projectnummer 20-432
Projectleider E. van der Heijden
Status Definitief versie 02
Autorisatie Goedgekeurd
Paraaf E. van der Heijden
Datum 12 mei 2021
Kwaliteitscontrole
Paraaf
E. Wymenga
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
Inhoud 1 2
3
4
5 6
Inleiding Plangebied en plannen 2.1 Situatieschets 2.2 Gebiedsomschrijving 2.3 De plannen Gebiedsbescherming en beoordeling 3.1 Natura 2000-gebieden 3.2 Ecologische Hoofdstructuur (EHS) 3.3 Natuur buiten de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) 3.4 Weidevogelkansgebied 3.5 Ganzenfoerageergebieden Soortbescherming en beoordeling 4.1 Vaatplanten 4.2 Ongewervelde diersoorten 4.3 Vissen 4.4 Amfibieën 4.5 Reptielen 4.6 Vogels 4.7 Vleermuizen 4.8 Overige zoogdiersoorten Conclusies Literatuur
1 2 2 2 3 6 6 9 9 11 12 13 13 13 14 14 15 15 16 17 19 21
Bijlage 1 Kaart met verstoringscontour fietspad, t.o.v. aangewezen weidevogelkansgebieden 22 Bijlage 2 Kaart met verstoringscontour fietspad, t.o.v. aangewezen ganzenfoerageergebieden 23 Bijlage 3 Kaart met ligging oostelijk deel fietspad, t.o.v. natuurbeheertypen in De Kolken24 Bijlage 4 Kaart met ligging westelijk deel fietspad, t.o.v. natuurbeheertypen in de Jouswierpolder 25 Bijlage 5 Verspreiding weidevogels in De Kolken 26 Bijlage 6 Verspreiding weidevogels in Jouswierpolder 27
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
1
1 Inleiding De gemeente Noardeast-Fryslân heeft het voornemen om een verhard fietspad aan te leggen tussen Oostmahorn en Dokkum. Om te bepalen hoe deze ingreep zich verhoudt tot de Wet natuurbescherming en de regelgeving omtrent het Natuurnetwerk Nederland (in Fryslân Ecologische Hoofdstructuur) is onderzoek in de vorm van een ecologische quickscan nodig. De gemeente Noardeast-Fryslân heeft Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek opdracht gegeven om dit ecologisch onderzoek uit te voeren. Indien van toepassing, worden aanbevelingen gedaan voor mitigatie en eventueel aanvullend onderzoek. In onderhavige notitie zijn de resultaten van het ecologisch onderzoek gepresenteerd. Het onderzoek naar de mogelijke aanwezigheid van relevante natuurwaarden is gebaseerd op twee benaderingen. Ten eerste zijn recente bronnen geraadpleegd (verspreidingsatlassen, overzichtswerken, onderzoeksrapporten en websites) over de aanwezigheid van beschermde gebieden en soorten in en nabij het plangebied. Er is daarbij onder andere gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en andere inventarisatierapporten, waaronder Verhagen (2012). Daarnaast is op 20 februari 2021 een oriënterend veldbezoek uitgevoerd, waarbij is gelet op de (mogelijkheden voor de) aanwezigheid van beschermde en/of kritische soorten.
Altenburg & Wymenga presenteert in deze notitie de resultaten van een onafhankelijk ecologisch onderzoek. Het onderzoek spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het onderhavige plan of een bepaalde ontwikkeling. Landschappelijke, archeologische of cultuurhistorische waarden komen niet aan de orde. Aan deze ecologische beoordeling kunnen geen rechten worden ontleend.
2
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
2 Plangebied en plannen 2.1
Situatieschets
Het plangebied bestaat uit een tracé voor een aan te leggen fietspad tussen Oostmahorn en Dokkum met een lengte van circa 12 km. De bedoeling is om 8 km nieuw fietspad aan te leggen en 4 km bestaand fietspad op te waarderen. Het tracé is conform het voorkeursalternatief zoals vastgelegd in het door Arcadis opgestelde rapport ‘Verkenning fietspad Súd Ie’. Omdat van het bestaande fietspad geen negatieve effecten te verwachten zijn, is dit deel niet meegenomen in deze beoordeling. Het tracé dat onderdeel is van onderhavige studie betreft alleen de delen van het fietspad die nu nog niet verhard zijn en in het kader van de aanleg nog verhard moeten worden. De ligging van het tracé is aangegeven in figuur 2.2. Uit de figuur kan worden afgeleid dat het tracé kan worden opgedeeld in een westelijke route en een oostelijke route. Het westelijk deel van de route start op de Tichelwei ten westen van Tilbuorren. Vanaf hier loopt het tracé naar het noorden richting de waterloop Súd Ie. Hier aangekomen buigt het tracé naar het oosten en volgt het de oevers van de Súd Ie richting Jouswier. Ter hoogte van Tilbuorren sluit een aftakking van de route langs de Mellemawei aan op de hoofdroute. Ter hoogte van de Jouswier buigt het tracé zich naar het zuiden alwaar het aansluit op de verharde Bergsmawei. Vanaf hier volgt het fietspad de verharde bestaande wegen.
Het oostelijk deel van het tracé begint waar de Súd Ie de Kriensenwei kruist. Hier volgt het tracé de noordoever van de Súd Ie richting het oosten tot aan de Saatenswei. Op deze weg aangekomen steekt de route de brug over en volgt het zijn verloop op de zuidoever van de Súd Ie. Het tracé eindigt dan op de Esonbuorren ter hoogte van Ezumazijl.
2.2
Gebiedsomschrijving
Het tracé van het fietspad is gelegen in een open agrarisch landschap bestaande uit gras- en akkerlanden. De route volgt voor een groot deel de boezemkade van de waterloop Súd Ie. Deze wordt aan de binnenzijde geflankeerd door een smalle sloot. Aan de buitenzijde van de kade ligt langs de oevers van de Súd Ie een smalle rietkraag (zie foto 1) of een natuurvriendelijke oever. Op een aantal plekken kruist het tracé waterlopen, waaronder de Eastrumer Opfeart en de Mûzerid. In de omgeving van de route liggen twee natuurgebieden. Langs het westelijk deel van het tracé betreft het de Jouswierpolder (zie ook figuur 3.1). Dit gebied wordt met name beheerd ten behoeve van weidevogels. Het tweede gebied is De Kolken dat naast een botanische doelstelling ook een weidevogeldoelstelling heeft. Deze gebieden worden verder beschreven in de relevante paragrafen in hoofdstuk 3. De graslanden en akkers die geen onderdeel uitmaken van de natuurreservaten worden veel gebruikt als foerageergebied door ganzen en smienten die in het Lauwersmeer rusten. De graslanden worden ook gebruikt door grote aantallen steltlopers die hier doortrekken of overwinteren. Recentelijk zijn op een aantal plekken delen van de oevers van de Súd Ie
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
3
geplagd ten behoeve van natuurontwikkeling. Het gaat hier om de oevers die ter hoogte liggen van de Tilbuorren.
Foto 1 – Impressie van het oostelijk deel van het tracé over de boezemkade van de Súd Ie. Zoals te zien is op de foto zijn de binnendijks gelegen graslanden zeer in trek als foerageergebied voor ganzen. Deze zijn vaak afkomstig uit het Lauwersmeer.
2.3
De plannen
De bedoeling is om een recreatief fietspad aan te leggen. Hierbij wordt uitgegaan van een 2 meter breed betonnen pad (figuur 2.1). Het is de bedoeling dat langs het fietspad een kavelsloot/teensloot komt te liggen. Dit belemmert het betreden van agrarische gronden door recreanten of bijvoorbeeld honden. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat een groot deel van de route binnendijks al geflankeerd wordt door een kadesloot. Het fietspad wordt niet voorzien van verlichting. Het zal jaarrond zijn geopend voor fietsers. Gemotoriseerd verkeer is niet toegestaan. In de effectbeoordeling in hoofdstuk 3 wordt als worst case ervan uitgegaan dat er hier en daar een deel van een sloot moet worden vergraven.
Figuur 2.1. Impressie van het fietspad (bron: Arcadis 2020)
4
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
Figuur 2.2 – Ligging van te verharden deel van de fietsroute Súd Ie.
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
5
Onderdeel van de effectbeoordeling zijn de nog niet verharde delen van het oostelijk en westelijk deel van het tracé. Het centrale deel van het fietspad volgt de bestaande verharde infrastructuur. Van dit deel zijn geen negatieve effecten te verwachten. Het gebruik van de bestaande verharde infrastructuur wordt daarom niet verder meegenomen in de effectbeoordeling van hoofdstuk 3 en 4.
6
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
3 Gebiedsbescherming en beoordeling In Nederland zijn de meeste beschermde gebieden beschermd volgens de Wet natuurbescherming (Natura 2000) of regels omtrent het Natuurnetwerk Nederland (in Fryslân Ecologische Hoofdstructuur, EHS genoemd). Daarnaast kunnen gebieden ook worden beschermd vanwege hun natuurwaarden via verordeningen of het bestemmingsplan.
3.1
Natura 2000-gebieden
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het 'Lauwersmeer'. Het gebied ligt op een afstand variërend van 1-8 km ten oosten van het plangebied (zie figuur 3.1). Het ‘Lauwersmeer’ is als Natura 2000-gebied aangewezen voor broedvogelsoorten en niet-broedvogelsoorten. Op ongeveer 5 km ten noorden van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’. Dit gebied is als Natura 2000-gebied aangewezen voor habitattypen, habitatrichtlijnsoorten, broedvogels en niet-broedvogels. Overige Natura 2000-gebieden liggen op een zodanig grote afstand dat er geen ecologische relatie is tussen het plangebied en deze Natura 2000-gebieden. Hieronder wordt nagegaan of er een ecologische relatie is tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden 'Lauwersmeer' en ‘Waddenzee’ en of er sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van deze Natura 2000-gebieden. Natura 2000-habitattypen & Habitatrichtlijnsoorten Waddenzee De habitattypen en habitatrichtlijnsoorten waarvoor de ‘Waddenzee’ is aangewezen als Natura 2000-gebied bevinden zich binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied en dus op grote afstand van het plangebied. Directe effecten op deze aangewezen natuurwaarden als gevolg van de aanleg en het gebruik van het fietspad zijn daarom niet aan de orde.
Natura 2000-Broedvogels De meeste broedvogels waarvoor het ‘Lauwersmeer’ en de ‘Waddenzee’ zijn aangewezen als Natura 2000-gebied zijn gebonden aan biotopen binnen deze Natura 2000-gebieden. Voor deze soorten is er dus geen of slechts een zwakke ecologische relatie tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten op de aangewezen broedvogels zijn daarom niet aan de orde. Mogelijke uitzondering vormen de Bruine kiekendief (‘Waddenzee’ en ‘Lauwersmeer’) en de Lepelaar (‘Waddenzee'). Beide soorten broeden binnen de Natura 2000-gebieden en kunnen ruim buiten de grenzen van de Natura 2000-gebieden foerageren. Voor de Lepelaar gaat dit slechts om een beperkte periode in het voorjaar, waarbij de vogels foerageren op stekelbaarzen in smalle sloten. Door de aanleg en het gebruik van het fietspad kan eventueel een beperkt deel van het foerageergebied van Bruine kiekendief en Lepelaar worden verstoord. In de directe en wijde omgeving van het Lauwersmeergebied en de Waddenzee zijn echter voldoende alternatieve foerageergebieden voor beide soorten aanwezig. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Lepelaar en Bruine kiekendief zijn daarom niet aan de orde.
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
Figuur 3.1 – Ligging van het plangebied in de omgeving en ten opzichte van beschermde gebieden. Gezien de grote afstand tot het Natura 2000-gebied “Waddenzee” is deze niet op de kaart aangegeven
7
8
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
Niet broedvogels Ganzen en smienten Ganzen en smienten, waarvoor de Natura 2000-gebieden 'Lauwersmeer’ en ‘Waddenzee’ zijn aangewezen, slapen en rusten in de Natura 2000-gebied en foerageren in gebieden buiten de grenzen van deze gebieden. Door de externe werking van de Wet natuurbescherming zijn bovengenoemde mobiele soorten ook beschermd buiten de begrenzing van Natura 2000gebieden. De directe omgeving van het fietspad bestaat grotendeels uit intensief en extensief beheerde graslanden. Met name de rustige delen worden frequent gebruikt als foerageergebied door ganzen en smienten uit het ‘Lauwersmeer’ en mogelijk ook uit de ‘Waddenzee’. Hierbij zullen met name de smienten in de avonduren gebruik maken van het gebied. Door de aanleg en het gebruik van het fietspad kan een beperkt areaal van dit foerageergebied worden verstoord en permanent worden aangetast. Uit paragraaf 3.5 (zie tabel 3.1) komt naar voren dat het gaat om ongeveer 12,4 ha verstoord gebied. Het gaat daarbij om extra verstoord gebied ten opzichte van gebieden die al door bestaande infrastructuur zijn verstoord. De verstoringscontouren zijn gevisualiseerd in de kaart van bijlage 2. Omdat er in principe voldoende alternatieve foerageergebieden voor ganzen en smienten in de omgeving aanwezig zijn, zal dit niet leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van deze soorten.
Wel is het advies om op een andere locatie een gebied aan te wijzen van minimaal 12 ha waar ganzen en smienten in de wintermaanden ongestoord kunnen foerageren. Omdat er wel sprake is van verstoring van foerageergebied van aangewezen ganzensoorten en Smient, wordt de initiatiefnemer geadviseerd om bij het bevoegd gezag (Provincie Fryslân) een melding te doen van het voornemen. Overige soorten niet-broedvogels Overige aangewezen soorten niet-broedvogels van het Natura 2000-gebied 'Lauwersmeer' en ‘Waddenzee’ verblijven voornamelijk binnen de grenzen van de Natura 2000-gebieden. Deze soorten hebben dus geen of nauwelijks een ecologische relatie met het plangebied. Er zijn dan ook geen negatieve effecten te verwachten op overige aangewezen Natura 2000 nietbroedvogelsoorten van de Natura 2000-gebieden ‘Lauwersmeer’ en ‘Waddenzee’. Stikstofdepositie Het is mogelijk dat door uitvoering van de plannen een toename in stikstofdepositie veroorzaakt wordt. Stikstofdepositie kan schadelijk zijn voor Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen ter bescherming van stikstofgevoelige habitattypen. Om de toename in stikstofdepositie te beperken, werd tot voor kort gewerkt volgens het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Op 29 mei 2019 heeft de Raad van State een uitspraak gedaan over het PAS, waaruit blijkt dat de regeling in de huidige vorm niet voldoet.
Op dit moment dient voor alle projecten een AERIUS berekening te worden uitgevoerd. Voor projecten waarvoor de AERIUS berekening voor geen enkel Natura 2000-gebied een depositie groter dan afgerond 0,00 mol/ha/jr laat zien, kunnen omgevingsvergunningen worden aangevraagd. Voor projecten die leiden tot een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/jr kunnen vooralsnog geen omgevingsvergunningen aangevraagd worden. Wij adviseren om voor die projecten door middel van intern of externe salderen de netto stikstofuitstoot dusdanig te verminderen dat deze projecten een netto depositie hebben van minder dan 0,00 mol/ha/jr.
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
9
Om duidelijkheid te verkrijgen over een mogelijke toename in stikstofdepositie, adviseren wij om een AERIUS berekening te laten uitvoeren. Conclusie voortoets • De plannen veroorzaken geen significant negatieve effecten op natuurwaarden waarvoor het 'Lauwersmeer' en ‘Waddenzee’ is aangewezen als Natura 2000-gebied. Omdat er mogelijk wel sprake is van verstoring van foerageergebied van aangewezen ganzensoorten en Smient, wordt de initiatiefnemer geadviseerd om bij het bevoegd gezag een melding te doen van de werkzaamheden. • Daarnaast is het advies om 12,4 ha verstoord foerageergebied van ganzen en smienten op een andere locatie te compenseren. • Om te bepalen of door uitvoering van de plannen een toename in stikstofdepositie te verwachten is op Natura 2000-gebieden, adviseren wij om een AERIUS berekening te laten uitvoeren.
3.2
Ecologische Hoofdstructuur (EHS)
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur. Het meest dichtbij gelegen EHS gebied betreft het Lauwersmeer (zie figuur 3.1), dat op enkele tientallen meters afstand ligt van de plek waar het fietspad eindigt. Het eindpunt betreft het dorp Esumazijl en de druk bereden Esonbuorren. Het gaat hier om een gebied waarvan de omgeving reeds is verstoord. Een aanvullende verstoring door de aanleg en gebruik van het fietspad alhier wordt daarom niet verwacht. Er is daarom geen knelpunt met het beschermingsregime van de EHS.
3.3
Natuur buiten de Ecologische Hoofdstructuur (EHS)
Ligging fietspad t.o.v. beschermd gebied Ter hoogte van de Kolken wordt het fietspad aangelegd op de boezemkade aan de noordzijde van de Súd Ie. Deze kade is in de Verordening Rome aangewezen als ‘Natuur buiten de EHS’ (zie figuur 3.1). Verder ligt ten zuiden van het aan te leggen fietspad ter hoogte van De Kolken ook een beschermd gebied dat onderdeel is van ‘Natuur buiten de EHS’ (figuur 3.1). Het gaat hier om een goed ontwikkeld weidevogelgebied met het beheertype N12.02 kruiden- en faunarijk grasland (zie kaart in bijlage 3). Het oostelijk deel van het fietspad passeert op ruime afstand de Jouswierpolder, dat ook onderdeel is van ‘Natuur buiten EHS’. Hier ligt het beheertype N13.01 Vochtig weidevogelgrasland (zie kaart in bijlage 4). Beschermingsregime ‘Natuur buiten EHS’ De Verordening Romte Provincie Fryslân stelt dat: “Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur, zoals aangegeven op de van deze verordening deel uitmakende kaart Natuur, voorziet in een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van natuurwaarden.
10
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
Van bovenstaande regel kan worden afgeweken met inachtneming van de volgende voorwaarden: a) de natuurwaarden worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep; b) schade aan natuurwaarden door mitigerende maatregelen wordt zoveel beperkt als fysiekruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is c) de resterende schade aan natuurwaarden gecompenseerd wordt”. Hieronder wordt nagegaan in hoeverre de aanleg en gebruik van het fietspad leidt tot een knelpunt met het voornoemde beschermingsregime. Effectbeoordeling Effectbeoordeling oostelijk deel fietspad langs De Kolken Door de aanleg van het fietspad op de boezemkade gaat ongeveer 0,31 ha beschermd gebied fysiek verloren. Dit verlies is gevolg van het verharden van dit deel van de dijk. Daarnaast zal door het gebruik van het fietspad door recreanten een deel van het weidevogelgebied ten zuiden van de Súd Ie door verstoring in kwaliteit afnemen. Uitgaande van een verstoringscontour van 50 meter gaat het daarbij om een oppervlak van 2,4 ha (zie tabel 3.1). Omdat er fysiek ‘Natuur buiten de EHS’ verloren gaat en een deel wordt verstoord, is er een knelpunt met het beschermingsregime zoals verwoord in de Verordening Romte Provincie Fryslân.
Om deze reden wordt de initiatiefnemer geadviseerd om hierover in overleg te treden met het bevoegd gezag (Provincie Fryslân) om na te gaan hoe dit verlies het beste kan worden gecompenseerd. Tabel 3.1 – Oppervlakte verstoord beschermd gebied als gevolg van het gebruik van het fietspad Súd Ie. Het gaat daarbij om extra verstoord gebied ten opzichte van gebieden die al door bestaande infrastructuur en bebouwing zijn verstoord*. Aangegeven is het verstoorde oppervlak weidevogelkansgebied (kaart in bijlage 1), ganzenfoerageergebied (kaart in bijlage 2) en ‘Natuur buiten de EHS’ met het natuurbeheertype N12.02 (zie kaart in bijlage 3). Bij het berekenen van het oppervlak verstoord gebied is gebruik gemaakt van een verstoringscontour voor fietspaden van 50 meter. Deze wordt gehanteerd bij zowel weidevogelkansgebieden (Bruinzeel & Schotman 2011, zie ook Verordening Romte) als ganzenfoerageergebieden (Brenninkmeijer et al. 2011).
Weidevogelkansgebied Ganzenfoerageergebied Natuur buiten EHS N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland
Verstoord gebied 12 ha 6,9 ha 2,4 ha
Fysiek aangetast
0,31 ha
*De gehanteerde verstoringsafstanden van bestaande infrastructuur en bebouwing zijn ten aanzien van weidevogelkansgebieden (zie Verordening Romte): provinciale weg (100 meter), gemeentelijke weg (50 meter), bebouwing buiten bebouwde kom (200 meter), bosschage (200 meter). Voor ganzenfoerageergebieden zijn voor de bestaande infrastructuur en bebouwing de volgende verstoringsafstanden gebruikt (Brenninkmeijer et al. 2011): provinciale weg (100 meter), gemeentelijke weg (100 meter), bebouwing buiten bebouwde kom (100 meter), bosschage (100 meter).
Effectbeoordeling westelijk deel fietspad langs De Kolken Het westelijk deel van het fietspad (Jouswierpolder) maakt geen onderdeel uit van een beschermd gebied dat onderdeel is van ‘Natuur buiten EHS’ (zie figuur 3.1). Wel ligt het grootste deel van het fietspad op meer dan 200 meter van het beschermde gebied. Gezien deze grote afstand zijn er geen negatieve effecten te verwachten van het fietspad op de weidevogelwaarden in het beschermde gebied.
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
11
Een klein deel van het fietspad komt uit bij de noordoostrand van de Jouswierpolder. Van dit deel van het fietspad worden geen aanvullende verstorende effecten verwacht op het beschermde natuurgebied, omdat de door het fietspad veroorzaakte verstoring valt binnen de verstoringscontour van de hier liggende boerderijen en infrastructuur. Daarnaast passeert het fietspad ter hoogte van Tilborg een moerasgebied, dat recentelijk is aangelegd langs de noordoever van het Súd Ie. Het moerasgebied is door het water van de Súd Ie gescheiden van het fietspad. Verder wordt het moerasgebied al in grote mate verstoord door het wegverkeer van de hierlangs liggende Centrale As alsook door een hier aanwezige parkeerplaats. Naar verwachting zal het gebruik van het fietspad daarom niet leiden tot een extra negatief effect op het betreffende moerasgebied. Om bovenstaande redenen kan worden geconcludeerd dat het westelijk deel van het fietspad niet leidt tot knelpunten met de Verordening Romte ten aanzien van ‘Natuurgebied buiten EHS’. Conclusie De aanleg en het gebruik van het fietspad leidt tot aantasting en verstoring van een beschermd gebied dat aangewezen is als ‘Natuur buiten de EHS’. Daarbij gaat het om een fysieke aantasting van 0,31 ha en een verstoring van 2,4 ha. Om deze reden is er een knelpunt met het beschermingsregime zoals verwoord in de Verordening Romte Provincie Fryslân.
Daarom wordt de initiatiefnemer geadviseerd om hierover in overleg te treden met het bevoegd gezag (Provincie Fryslân) om na te gaan hoe dit verlies het beste kan worden gecompenseerd.
3.4
Weidevogelkansgebied
Kwantitatieve effecten Een groot deel van het tracé ligt in een gebied dat door de Provincie Fryslân is aangewezen als weidevogelkansgebied (zie kaart in bijlage 1). Het beschermingsregime van de weidevogelkansgebieden is vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Deze stelt dat: “Een ruimtelijk plan voor landelijk gebied dat betrekking heeft op gronden die gelegen zijn in of grenzen aan gebieden die op de kaart weidevogelbieden zijn aangewezen als weidevogelkansgebieden of weidevogelparels, voorziet in een regeling waarmee voldoende openheid en rust van die gebieden wordt gehandhaafd. Van bovenstaande regel kan worden afgeweken met inachtneming van de volgende voorwaarden: a) de natuurwaarden worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep; b) schade aan natuurwaarden door mitigerende maatregelen wordt zoveel beperkt als fysiekruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is c) indien sprake is van het verloren gaan van gebied groter dan 0,5 ha dat vanwege rust en openheid voor weidevogels geschikt is, wordt dit financieel gecompenseerd door storting van een bedrag in een weidevogelfonds, volgens door Gedeputeerde Staten vast te stellen”. Door de aanleg van het fietspad wordt door fysieke aantasting en verstoring 12 ha weidevogelkansgebied verstoord (zie tabel 3.1 en de kaart in bijlage 1). Dit verlies is meer dan
12
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
0,5 ha, zodat er een knelpunt is met het bovengenoemd beschermingsregime van de Verordening Romte. Geadviseerd wordt om hierover in overleg te treden met het bevoegd gezag (Provincie Fryslân) om na te gaan voor welk bedrag er gecompenseerd moet worden. Kwalitatieve effecten Oostelijk deel van het fietspad (De Kolken) Uit de verspreidingskaart in bijlage 5 komt naar voren dat het beschermde gebied ten zuiden van het fietspad van belang is als weidevogelgebied. Hier broeden relatief grote aantallen Tureluur, Grutto, Kievit en Scholekster. Door de aanleg en gebruik van het fietspad zal een deel van dit weidevogelgebied worden verstoord. Geadviseerd wordt om naast een geldelijke compensatie, zoals aangegeven in de vorige paragraaf, ook aandacht te besteden aan kwalitatieve compensatie in de vorm van verbetering van weidevogelbiotopen in de directe omgeving van het plangebied. Op dit ogenblik is hier al een start mee gemaakt met het ‘Plan van aanpak optimalisatie Eanjumer Kolken’ dat in opdracht van It Fryske Gea in 2020 is opgesteld. Westelijk deel van het fietspad (Jouswierpolder) Het westelijk deel van het fietspad ligt op meer dan 200 meter afstand van gebieden in de Jouswierpolder met goed ontwikkelde weidevogelpopulaties (zie figuur 3.1 en kaart in bijlage 6).
Om deze reden zijn er in dit deel van het weidevogelkansgebied geen kwalitatieve effecten te verwachten op weidevogelwaarden. Het gebied tussen het weidevogelkansgebied en het fietspad wordt echter ook gebruikt door weidevogels. Omdat de verstoringscontour van het fietspad alhier samenvalt met de verstoringscontour van de provinciale weg, zal dit per saldo niet leiden tot een negatief effect.
3.5
Ganzenfoerageergebieden
Gedeputeerde Staten van Fryslân heeft in samenwerking met Agrarische natuurverenigingen in de omgeving van Natura 2000-gebieden zogenaamde ganzenfoerageergebieden aangewezen. Hier kunnen ganzen en smienten vanuit de Natura 2000-gebieden in de wintermaanden ongestoord foerageren. Voor de ontstane vraatschade ontvangen de landeigenaren een vergoeding. Een groot deel van het fietspad is gelegen in een ganzenfoerageergebied. Door de aanleg en gebruik van het fietspad zal een deel van dit foerageergebied worden verstoord en zijn functionaliteit verliezen. In totaal gaat het ongeveer om 6,9 ha (tabel 3.1, zie kaart in bijlage 2). Ten opzichte van het totale beschikbare areaal is dit slechts een beperkt verlies. Zoals aangegeven in paragraaf 3.1 zal dit daarom niet leiden tot een negatief effect op de Natura 2000-instandhoudingsdoelen van aangewezen ganzensoorten en Smient van het Lauwersmeer en Waddenzee. Om de functionaliteit van het hele foerageergebied voor ganzen en smienten te behouden wordt wel geadviseerd om het verlies op een nabijgelegen locatie te compenseren.
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
13
4 Soortbescherming en beoordeling Soortbescherming is in Nederland sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Aan de Wet natuurbescherming zijn drie lijsten met soorten gekoppeld. Het gaat om artikel 3.1 waar soorten van de Vogelrichtlijn onder vallen, artikel 3.5 waar soorten van de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn onder vallen en artikel 3.10 voor overige soorten. Soorten uit de eerste twee artikelen zijn daarmee Europees beschermd, terwijl soorten van artikel 3.10 nationaal beschermd zijn. Provincies hebben de mogelijkheid om voor soorten uit artikel 3.10 een vrijstelling te verlenen van enkele verbodsbepalingen. De Provincie Fryslân hanteert vanaf 1 januari 2017 een dergelijke lijst met (dier)soorten die een vrijstelling genieten bij o.a. ruimtelijke ontwikkeling.
4.1
Vaatplanten
Wettelijk beschermde plantensoorten Het fietspad wordt grotendeels aangelegd op de boezemkade van de Súd Ie. De kade bestaat uit voedselrijk grasland dat ongeschikt is voor wettelijk beschermde plantensoorten. Deze worden hier dan ook niet verwacht. De aanleg en het gebruik van het fietspad leidt daarom niet tot een negatief effect op wettelijk beschermde planten. Er is geen knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van vaatplanten. Plantensoorten Rode Lijst Op de boezemkade waarop het fietspad wordt aangelegd groeit wel een plantensoort die opgenomen is in de Rode lijst van kwetsbare plantensoorten. Het gaat met om de soort Kamgras. Door de aanleg van het fietspad kunnen hier en daar exemplaren van deze soort worden aangetast. Uit gegevens van de NDFF blijkt dat Kamgras wijd verbreid aanwezig is in de omgeving van het geplande fietspad. Bovendien zijn de grootste concentraties van de soort te vinden in de nabijgelegen natuurgebieden en niet op de boezemkaden waar het fietspad op wordt aangelegd. Het vergraven van enkele exemplaren Kamgras zal daarom niet leiden tot een negatief effect op de huidige staat van instandhouding van de soort in de omgeving. Er is daarom geen knelpunt met de Zorgplicht van de Wet natuurbescherming.
4.2
Ongewervelde diersoorten
De afgelopen vijf jaren zijn er in en rond het plangebied geen waarnemingen gedaan van wettelijk beschermde ongewervelde diersoorten, ondanks het gegeven dat het gebied rondom het tracé goed is onderzocht op ongewervelden (NDFF). Het gaat dan om bijvoorbeeld Groene glazenmaker, Gevlekte witsnuitlibel, Platte schijfhoren en Gestreepte waterrroofkever. In het plangebied liggen binnendijks voedselrijke sloten met vaak steile oevers. Dergelijke biotopen zijn ongeschikt voor voornoemde ongewervelde diersoorten. Om deze redenen worden er geen wettelijk beschermde ongewervelde diersoorten in en rond het plangebied verwacht. Negatieve effecten op deze soortgroep zijn daarom niet aan de orde. De uitvoering van de plannen
14
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
veroorzaakt geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van ongewervelde diersoorten.
4.3
Vissen
Beschermde vissoorten De wettelijk beschermde Grote modderkruiper (art. 3.10 Wnb) leeft in Fryslân vooral in waterlopen op de hogere zandgronden en in veengebieden. In kleigebieden wordt de soort zelden aangetroffen (Melis & Koopmans 2015). Het plangebied is gelegen op de klei buiten het verspreidingsgebied van de Grote modderkruiper. Daarom wordt de soort hier niet verwacht. Overige vissoorten in relatie tot Zorgplicht Ten aanzien van niet beschermde vissensoorten is het noodzakelijk om de Zorgplicht in acht te nemen. Daarom wordt geadviseerd om bij het eventueel uitvoeren van werkzaamheden in de binnendijkse gelegen sloten te werken in een rustig tempo richting een open einde van een waterloop, zodat vissen de mogelijkheid krijgen om te ontsnappen. Conclusie vissen Er zijn geen knelpunten met de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde vissoorten. Wel dient voor alle vissoorten rekening te worden gehouden met de Zorgplicht.
4.4
Amfibieën
Amfibieën artikel 3.5 Wnb Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van Heikikker, Poelkikker en Rugstreeppad die beschermd zijn volgens artikel 3.5 van de Wnb (Van Delft et al. 2019). De aanwezigheid van deze soorten kan daarom worden uitgesloten. Amfibieën artikel 3.10 Wnb Gezien de verspreidingsgegevens van amfibieën (NDFF, Van Delft et al. 2019) en de aanwezige biotopen, wordt een aantal beschermde amfibieënsoorten van artikel 3.10 Wnb verwacht. Door de werkzaamheden zal mogelijk een deel van het leefgebied (tijdelijk) verloren gaan. Het gaat om foerageergebied voor soorten als Gewone pad, Bruine kikker, Meerkikker en de Kleine watersalamander. Mogelijk dat door werkzaamheden in sloten er tijdelijk ook voortplantingsbiotoop van voornoemde soorten verloren gaat. In de omgeving is voldoende alternatief leefgebied voor deze soorten aanwezig, zodat de huidige staat van instandhouding van deze soortgroep niet wordt aangetast. Bovendien geldt voor de betreffende soorten dat Provinciale Staten van Fryslân een vrijstelling heeft verleend voor het overtreden van de verbodsbepalingen van artikel 3.10 Wnb bij projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling.
Andere amfibieënsoorten, die zijn beschermd onder 3.10 Wnb en waarvoor geen vrijstelling geldt, worden niet binnen het plangebied verwacht, omdat het plangebied geen geschikt leefgebied vormt en buiten het verspreidingsgebied van deze soorten ligt. Zorgplicht Ten aanzien van alle amfibieënsoorten is het noodzakelijk om de Zorgplicht in acht te nemen. Daarom wordt geadviseerd om bij het eventueel uitvoeren van werkzaamheden in sloten te werken in een rustig tempo richting een open einde van een waterloop, zodat amfibieën de mogelijkheid krijgen om te ontsnappen.
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
15
Conclusie amfibieën De plannen veroorzaken geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van amfibieën. Voor amfibieën is wel de Zorgplicht van toepassing.
4.5
Reptielen
Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van reptielen. Deze soortgroep wordt hier daarom niet verwacht. Er zijn daarom geen negatieve effecten te verwachten op reptielen. Er is geen knelpunt met de Wet natuurbescherming ten aanzien van reptielen.
4.6
Vogels
Broedvogels algemeen De omgeving van het plangebied bestaat grotendeels uit intensief en extensief beheerd agrarisch grasland. Hier broeden verscheidene soorten weidevogels, zoals Scholekster, Kievit en Tureluur. Aan deze soortgroep is in paragraaf 3.4 (weidevogelkansgebieden) al uitgebreid aandacht besteed. Langs de oevers van de Súd Ie kunnen watervogels tot broeden komen, daarbij gaat het om soorten zoals bijvoorbeeld Waterhoen, Wilde eend en Meerkoet, terwijl in de rietkragen gebroed kan worden door bijvoorbeeld Rietzanger. Alle in Nederland voorkomende vogelsoorten vallen onder de bescherming van artikel 3.1 Wnb. Bij werkzaamheden moet volgens de Wet natuurbescherming rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is dat verstoord kan worden. Verstoring van nesten is niet toegestaan. Om conflicten met de Wet natuurbescherming te voorkomen wordt geadviseerd om de aanlegwerkzaamheden van het fietspad buiten het broedseizoen van vogels uit te voeren. Overwinterende en doortrekkende steltlopers Het gebied van de Súd Ie en de omgeving van de Jouswierpolder is van groot belang voor doortrekkende en overwinterende steltlopers, in het bijzonder Goudplevier, Wulp, Kievit en in het voorjaar ook Regenwulp.
Het is buiten de IJsselmeerkust in Fryslân één van de gebieden waar de grootste aantallen voorkomen, in orde grootte van duizenden wulpen en goudplevieren (Wymenga & Jalving 2005, Wymenga et al. 2020). Zo sliepen bijv. in 2019 in het voorjaar 1.100 Wulpen in de Jouswierpolder (Wymenga et al. 2020). De wulpen en goudplevieren foerageren overdag in de graslanden in omgeving, zowel op natte laaggelegen graslanden als de wat hogere graslanden. Net als broedende weidevogels houden ook deze steltlopers een bepaalde afstand aan ten opzichte van verstoringsbronnen. De verstoring voor deze overwinterende en doortrekkende steltlopers is vooral in de periode maart – april van belang, en overlapt deels met het broedseizoen voor de weidevogels. De effectafstand is vergelijkbaar met die van weidevogels in het broedseizoen, en daarmee ook de verstoorde oppervlakte, zoals aangegeven in tabel 3.1.
16
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Buiten het broedseizoen vallen de meeste nestplaatsen niet onder de bescherming van de Wet natuurbescherming, maar een aantal vogelsoorten maakt gedurende het gehele jaar gebruik van de nestplaats of keert bijvoorbeeld jaarlijks terug op dezelfde plaats. Hun nesten en de functionele leefomgeving daarvan worden daarom het gehele jaar beschermd. In augustus 2009 is onder de Flora- en faunawet een indicatieve lijst opgesteld van soorten met jaarrond beschermde nestplaatsen. Deze lijst is onveranderd overgenomen in de Wet natuurbescherming. Binnen het plangebied en/of in de directe omgeving ervan zijn geen jaarrond beschermde nestplaatsen vastgesteld. Er zijn daarom geen negatieve effecten te verwachten op vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaatsen. Conclusie vogels Ten aanzien van algemene broedvogels geldt dat de plannen geen conflict veroorzaken met de Wet natuurbescherming, mits broedende vogels en hun nesten niet worden verstoord en/of aangetast. Hierboven is beschreven hoe aan deze voorwaarde kan worden voldaan. De plannen veroorzaken geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen. Voor wat betreft de effecten van het gebruik van het fietspad door recreanten op de vogelwaarden in de omgeving, wordt verwezen naar de paragrafen 3.1 t/m 3.5 (effectbeoordeling t.a.v.
gebiedsbescherming).
4.7
Vleermuizen
Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn beschermd onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor gelden voor deze soorten striktere beoordelingscriteria bij ontheffingsaanvragen dan bij de meeste andere beschermde zoogdiersoorten.Om deze redenen worden de vleermuizen in een aparte paragraaf besproken en worden de 'overige zoogdiersoorten' in §4.8 behandeld. Volgens verspreidingsgegevens van vleermuizen komen in de ruime omgeving van het plangebied acht vleermuissoorten voor (NDFF, Melis 2012), namelijk Baardvleermuis, Gewone dwergvleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Meervleermuis, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger en Watervleermuis. Voor vleermuizen zijn drie onderdelen van het leefgebied te onderscheiden, die van belang zijn voor de functionaliteit van het leefgebied. Deze zijn: verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Hieronder zijn deze drie elementen besproken. Verblijfplaatsen In de zomerperiode hebben vleermuizen in Nederland hun verblijfplaatsen voornamelijk in gebouwen en bomen. In de winter verblijven zij onder andere in gebouwen, bomen, bunkers en kelders. Er zijn in het plangebied geen gebouwen en bomen aanwezig. Er zijn daarom geen verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied aanwezig. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen zijn daarom niet aan de orde.
Vliegroutes Bij verplaatsingen tussen verblijfplaats en foerageergebied maken vleermuizen gebruik van lijnvormige landschapselementen om zich te oriënteren. Het open water van de Súd Ie en de waterlopen die hier op uit komen, zoals de Eastrumer Opfeart en de Mûzerid, doen mogelijk
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
17
dienst als vliegroute voor vleermuissoorten, zoals de Meervleermuis en Watervleermuis. Om te voorkomen dat vliegroutes van deze soorten worden geblokkeerd is het van belang om bij een eventueel aan te leggen fietsbrug een hoogte aan te houden van minimaal 1,5 meter boven het wateroppervlak. In dat geval kunnen meer- en watervleermuizen makkelijk onder de fietsbrug doorvliegen. Meer- en watervleermuizen zijn gevoelig voor lichtverstoring. Er worden geen lichtbronnen aangebracht bij het fietspad, zodat er geen negatieve effecten zijn te verwachten op Meer- en Watervleermuis als gevolg van lichtverstoring. Foerageergebied Het is mogelijk dat het plangebied en de omgeving door vleermuizen gebruikt worden om te foerageren. De plannen leiden niet tot verlies van foerageergebied van vleermuizen.Negatieve effecten op foerageergebied van vleermuizen zijn daarom niet aan de orde. Conclusie vleermuizen De plannen veroorzaken geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van verblijfplaatsen en foerageergebied van vleermuizen. Mogelijk worden de watergangen in het plangebied door vleermuizen gebruikt als vliegroute. Om te voorkomen dat vliegroutes van de Meer- en Watervleermuis worden geblokkeerd is het van belang om bij een eventueel aan te leggen fietsbrug een hoogte aan te houden van minimaal 1,5 meter boven het wateroppervlak.
In dat geval veroorzaken de plannen geen conflict met de Wet natuurbescherming ten aanzien van vliegroutes van vleermuizen.
4.8
Overige zoogdiersoorten
Overige zoogdiersoorten artikel 3.5 Wnb Otter De boezemkade waar het fietspad op wordt aangelegd en de aangrenzende rietkragen en moeraspercelen zijn smal en daarom niet geschikt als voortplantingsplaats voor Otter. Het is niet uitgesloten dat de Otter af en toe gebruik maakt van de oevers van het plangebied om te foerageren en zich te verplaatsen in het landschap (NDFF). Gezien de grote actieradius van de Otter is de kans dat door werkzaamheden otters worden verstoord verwaarloosbaar klein. Ook tijdens het gebruik van het fietspad is deze kans gering, aangezien de meeste otters in de avond en nachtelijke uren foerageren. De functionaliteit van het foerageergebied van otters gaat daarom door het voornemen niet verloren. Overige soorten Het plangebied vormt geen geschikt leefgebied voor overige soorten zoogdieren die beschermd zijn volgens artikel 3.5 van de Wnb. Overige zoogdiersoorten artikel 3.10 Wnb (vrijgesteld) Uit verspreidingsgegevens van zoogdieren blijkt dat in de omgeving van het plangebied een aantal meer of minder algemeen voorkomende zoogdiersoorten voorkomt, die zijn beschermd volgens artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Het betreft soorten zoals Egel, Haas, Ree en diverse marterachtigen (NDFF, Melis 2012).
Provinciale Staten van Fryslân heeft vrijstelling van de verbodsbepalingen bij artikel 3.10 Wnb verleend voor deze soorten bij projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling.
18
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
Overige zoogdiersoorten artikel 3.10 Wnb (niet vrijgesteld - Waterspitsmuis) In de wijde omgeving van het plangebied komt de volgens artikel 3.10 Wnb beschermde Waterspitsmuis voor (NDFF). De sloten die langs het geplande fietspad liggen zijn in principe geschikt als leefgebied van de soort. Bij het uitvoeren van graafwerkzaamheden in sloten kunnen vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van deze soort verloren gaan. In dat geval is er een overtreding van de Wet natuurbescherming en dient er een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag (Provincie Fryslân). Om na te gaan of er ook daadwerkelijk een knelpunt is met de Wet natuurbescherming wordt geadviseerd om naar de aanwezigheid van Waterspitsmuis een aanvullend veldonderzoek uit te voeren. Een dergelijk onderzoek is alleen noodzakelijk indien er sprake is van het uitvoeren van werkzaamheden in aangrenzende sloten. Overige zoogdiersoorten artikel 3.10 Wnb (niet vrijgesteld) In het plangebied komen geen andere zoogdiersoorten voor die beschermd zijn volgens artikel 3.10 Wnb en die niet zijn vrijgesteld.
Conclusie overige zoogdiersoorten Om na te gaan of er een knelpunt is met de Wet natuurbescherming wordt geadviseerd om naar de aanwezigheid van Waterspitsmuis nog een aanvullend veldonderzoek uit te voeren.Een dergelijk onderzoek is alleen noodzakelijk indien er sprake is van het uitvoeren van werkzaamheden in aangrenzende sloten. Ten aanzien van overige beschermde soorten zoogdieren veroorzaken de plannen geen knelpunt met de Wet natuurbescherming.
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
19
5 Conclusies Op basis van de voorgaande hoofdstukken kunnen voor het plangebiedde onderstaande conclusies ten aanzien van de ecologische wet- en regelgeving (Wet natuurbescherming en overige gebiedsbescherming) worden getrokken: Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming: Natura 2000 • De plannen veroorzaken geen significant negatieve effecten op natuurwaarden waarvoor het 'Lauwersmeer' en ‘Waddenzee’ is aangewezen als Natura 2000-gebied. Omdat er wel sprake is van verstoring van foerageergebied van aangewezen ganzensoorten en Smient, wordt de initiatiefnemer geadviseerd om bij het bevoegd gezag een melding te doen van het voornemen. • Daarnaast is het advies om 6,9 ha verstoord foerageergebied van ganzen en smienten op een andere locatie te compenseren. • Om duidelijkheid te verkrijgen over het omgaan met stikstofdepositie wordt geadviseerd om een Aerius berekening uit te voeren. Ecologische Hoofdstructuur De plannen veroorzaken geen conflict met de ecologische wet- en regelgeving ten aanzien van de Ecologische Hoofdstructuur. Natuur buiten de Ecologische Hoofdstructuur De aanleg en gebruik van het fietspad leidt tot aantasting en verstoring van een beschermd gebied dat aangewezen is als ‘Natuur buiten de EHS’. Daarbij gaat het om een fysieke aantasting van 0,31 ha en een verstoring van 2,4 ha.
Om deze reden is er een knelpunt met het beschermingsregime zoals verwoord in de Verordening Romte ProvincieFryslân. Daarom wordt de initiatiefnemer geadviseerd om hierover in overleg te treden met het bevoegd gezag (Provincie Fryslân) om na te gaan hoe dit verlies het beste kan worden gecompenseerd. Weidevogelkansgebied • Door de aanleg van het fietspad gaat door fysieke aantasting en verstoring ongeveer 12 ha weidevogelkansgebied verloren. Daarom is er een knelpunt met het beschermingsregime van de Verordening Romte Provincie Fryslân. Geadviseerd wordt om hierover in overleg te treden met het bevoegd gezag (Provincie Fryslân) om na te gaan voor welk bedrag er gecompenseerd moet worden. • Door de aanleg en gebruik van het fietspad zal een deel van een goed ontwikkeld weidevogelgebied worden verstoord. Geadviseerd wordt om naast een geldelijke compensatie, zoals in het eerste punt aangegeven, ook aandacht te besteden aan kwalitatieve compensatie in de vorm van verbetering van weidevogelbiotopen in de directe omgeving van het plangebied. • Het gebied rondom het fietspad is ook van belang voor overwinterende en doortrekkende steltlopers. Door het fietspad zal ook een deel van dit gebied verstoord worden. De effectafstand is vergelijkbaar met die van weidevogels in het broedseizoen, en daarmee ook de verstoorde oppervlakte.
Ganzenfoerageergebied Door de aanleg en gebruik van het fietspad zal ongeveer 6,9 ha aangewezen ganzenfoerageergebied worden verstoord en dus verloren gaan. Om de functionaliteit van het
20
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
hele foerageergebied voor ganzen en smienten te behouden wordt geadviseerd om dit verlies op een nabijgelegen locatie te compenseren. Soortbescherming • Ten aanzien van vissen en amfibieën dient de Zorgplicht in acht te worden genomen. Daarom wordt geadviseerd om bij het eventueel uitvoeren van werkzaamheden in de aangrenzende sloten zo veel mogelijk te werken richting een open einde, zodat dieren de mogelijkheid krijgen om te ontsnappen. • Om te voorkomen dat vliegroutes van Meer- en Watervleermuis worden geblokkeerd, is het van belang om eventuele fietsbruggen op een hoogte van meer dan 1,5 meter boven het wateroppervlak aan te leggen. Op deze manier kunnen vleermuizen makkelijk onder de bruggen door vliegen. • Om na te gaan of er een conflict is met de Wet natuurbescherming, wordt geadviseerd om een nader veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van Waterspitsmuis in het plangebied. Een dergelijk onderzoek is overigens alleen nodig indien er sprake is van het vergraven van sloten ten behoeve van de aanleg van het fietspad. • Ten aanzien van overige beschermde soorten geldt dat de geplande werkzaamheden geen conflict met de Wet natuurbescherming veroorzaken, mits door de uitvoering van de geplande werkzaamheden geen broedende vogels en hun nesten worden verstoord.
Om dat te voorkomen wordt geadviseerd om de werkzaamheden buiten de periode van het broedseizoen uit te voeren.
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
21
6 Literatuur
Bruinzeel, L.W. & A.G.M. Schotman 2011. Onderbouwing verstoringsafstanden werkplan weidevogels in Fryslân, A&W rapport 1624/Alterra rapport 2184. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden/Alterra Wageningen. Hut, R.M.G, van de & A. Brenninkmeijer 2012. Handleiding voor de aanpak van verstoringseffectstudies aan vogels. A&W-rapport 1797. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. Melis, J. 2012. Werkatlas zoogdieren provincie Fryslân. Provincie Fryslân, Leeuwarden. Melis, J. & M. Koopmans, 2015. Fiskatlas Fryslân, verspreiding en ecologie van zoetwatervissen. Van Delft, J., J. Kranenbarg & P. Frigge 2019. Waarnemingenoverzicht 2017-2018. Bijlage bij RAVON 73, jaargang 21 (2). Verhagen, R. Ecologische quickscan plan Súd Ie. Projectnummer 244413, revisie 03, 27 november 2012, Oranjewoud Wymenga, E. , M. Sikkema, S. Scholten & R. Koffeman 2020. Steltlopers op slaapplaatsen in Fryslân in 2015 en 2019.Twirre 30: 15-21. Wymenga, E. & R. Jalving, 2005. Verspreiding van Goudplevier, Wulp, Regenwulp en Kemphaan in Friesland tijdens de voorjaarstrek in 1978 en 2004. Twirre 16: 185-194.
22
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
Bijlage 1 Kaart met verstoringscontour fietspad, t.o.v. aangewezen weidevogelkansgebieden
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
Bijlage 2 Kaart met verstoringscontour fietspad, t.o.v. aangewezen ganzenfoerageergebieden
23
24
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
Bijlage 3 Kaart met ligging oostelijk deel fietspad, t.o.v. natuurbeheertypen in De Kolken
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
Bijlage 4 Kaart met ligging westelijk deel fietspad, t.o.v. natuurbeheertypen in de Jouswierpolder
25
26
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
Bijlage 5
Verspreiding weidevogels in De Kolken
A&W-rapport 20-432Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie
Bijlage 6
Verspreiding weidevogels in Jouswierpolder
27
Adres Suderwei 2 9269 TZ Feanwâlden Telefoon 0511 47 47 64 info@altwym.nl
www.altwym.nl
Adres Amsterdam Gebouw Matrix II, unit 2.10 Science Park 400/K2.10 1098 XH Amsterdam