CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Zwagerbosch - Spoarbuorren Noard 1

It Beslút 13 oktober 2022, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan ‘Zwagerbosch – Spoarbuorren Noard 1’20.343 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

17/23

nen voor het verwijderen van houtsingels en het inrichten van houtsingels. In elke bestemming waar deze houtsingels aanwezig zijn is een beschermingsregime opgenomen, die verwijst naar bijlage 2 bij de regels. Bijlage bij de regels Bijlage 2 landschapskenmerken Beschrijving landschapswaarden – besloten gebied - Semi-besloten landschap door de aanwezigheid van houtsingels en houtwallen. - In de overgang naar nat en open landschap worden de singels dunner of zijn ze verdwenen. - Sterk opstrekkende verkaveling en daarmee een duidelijke gerichtheid. - Bebouwing in linten en beplanting langs wegen. - Doorkijkjes tussen verschillende bebouwde percelen in linten. Voor alle houtsingels en houtwallen zijn richtlijnen opgenomen om de specifieke inrichting te bewaken en te bevorderen. Beschrijving landschapswaarden besloten gebied: - Semi-besloten landschap door de aanwezigheid van houtsingels en houtwallen. - In de overgang naar nat en open landschap worden de singels dunner of zijn ze verdwenen. - Sterk opstrekkende verkaveling en daarmee een duidelijke gerichtheid. - Bebouwing in linten en beplanting langs wegen. - Doorkijkjes tussen verschillende bebouwde percelen in linten.

Richtlijnen voor de inrichting van houtsingels Het verlies aan houtsingels dient te worden gecompenseerd overeenkomstig de provinciale notitie “Uitvoering van de Boswet”, zoals vastgesteld door GS van Fryslân op 21 oktober 1997. Herstel of compensatie van houtsingels dient in ieder geval plaats te vinden door het realiseren van een eenzijdige houtsingel langs de perceelgrens. De houtsingel mag worden verdeeld over de eigendommen van buren, mits er in landschappelijk opzicht

sprake is van één singel. Zo kan een singel voor de helft aan de ene zijde van de sloot worden geplant, terwijl het andere deel langs de andere zijde wordt geplant. Indien een tweerijige houtsingel (een singel die aan weerszijden van een sloot staat) dient te worden hersteld of gecompenseerd dan mag dit plaats vinden in de vorm van een nieuwe tweerijige singel of in de vorm van twee enkele singels. In het laatste geval dient twee maal de lengte van de te verwijderen singel te worden gerealiseerd.

4.2.2

Structuurvisie Buitengebied Dantumadiel en kollumerland 2010- 2020

Bij het herstel of de compensatie van houtsingels gelden de volgende richtlijnen. Tijdstip aanplanten van houtsingels Het aanplanten c.q. bijplanten van houtsingels dient plaats te vinden in het plantseizoen. Het plantseizoen is de periode van 1 november tot en met 15 april. In het daarop volgende groeiseizoen dient niet aangeslagen beplanting voor 15 december dat jaar te worden vervangen (het zogenaamde inboeten). Richtlijnen voor het aanbrengen van houtsingels Bosplantsoen 2-jarig, maat 80 - 100 cm. Afstand in de rij: maximaal 1,00 m. Sortiment: 80% zwarte els (Alnus glutinosa), 20% aanvullen met bijvoorbeeld eik, es, berk, lijsterbes, vlier, meidoorn e.d.. De uiteindelijke bedekking van een houtsingel dient ten minste 90% te bedragen.

Figuur 12 landschapstypen uit Structuurvisie; woudenlandschap

Figuur 13 karakteristiek woudenlandschap

18/23

4.2.3 Handreiking inrichtingsplannen van de gemeente Noardeast-Fryslân In de structuurvisie voor het buitengebied worden verschillende ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De intentie van de gemeenten is om niet te beperkend te zijn in de ontwikkelingen die plaats kunnen vinden in het buitengebied, maar wel sterk te sturen op de wijze waarop deze ontwikkelingen een plek krijgen in het landschap. Daarbij staat het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit voorop. De meeste ontwikkelingen in het buitengebied hangen samen met de veranderingen rond het agrarisch bedrijf, zoals schaalvergroting, de groei van nevenactiviteiten en soms zelfs verandering van functie. Deze ontwikkelingen hebben impact op de uitstraling en de opzet van het agrarisch erf en daarmee op het buitengebied. In het vervolg van deze structuurvisie wordt daarom ingegaan op de meest te verwachten veranderingen in het buitengebied en de wijze waarop de gemeenten, met het oog op de ruimtelijke kwaliteit, willen dat deze veranderingen gestalte krijgen in het buitengebied. Richtlijnen In dit hoofdstuk worden daarom voor de meest voorkomende ontwikkelingen richtlijnen gegeven om de kwaliteit van het buitengebied nog verder te vergroten. Deze kwaliteitsrichtlijnen dienen voorafgaande aan de aanvraag als inspiratiebron, maar worden achteraf (na het indienen van een aanvraag) als toetsingskader gebruikt.

Deze richtlijnen staan naast de gemeentelijke welstandsnota en kunnen als aanvullend toetsingskader worden beschouwd. In het buitengebied van de gemeenten zitten landschappelijke verschillen, waarbij vooral het contrast tussen het besloten woudenlandschap en de open gebieden van het terpen-, mieden- en polderlandschap van belang is. De opzet van de erven en de landschappelijke verschijningsvorm zijn dermate anders, dat dat verschil ook in de richtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen doorvertaald is. Tussen de open gebieden wordt geen onderscheid gemaakt. De erven binnen deze gebieden zijn in grote mate vergelijkbaar.

19/23

Ontwikkelingen Niet alle veranderingen in het buitengebied kunnen worden voorzien. Aleen de meest voorkomende en verwachte ontwikkelingen komen aan bod. Daarbij gaat het om: schaalvergroting agrarisch erf functieverandering agrarisch erf, o.a. naar niet – agrarische bedrijvigheid nevenactiviteit agrarisch erf Functieverandering erf bij woning naar hondenkennel/ -fokkerij niet opgenomen, maar Is min of meer vergelijkbaar met ‘functieverandering agrarisch erf naar niet – agrarische bedrijvigheid’.

20/23

5. LANDSCHAPPELIJKE UITGANGSPUNTEN

-

Algemeen/ Kenmerken landschap -

Besloten woudenlandschap met zeer lange en smalle verkavelingsstructuur; Erfbeplantingen/ houtsingels op de rand van de percelen, met name elzensingels; De nieuwe ontwikkeling dient te passen binnen het besloten woudenlandschap; Elzensingels zijn veel voorkomend en waardevol in dit gebied; Behoud en versterking van de bestaande landschapselementen.

De nieuwe gebouwen en parkeren tbv de hondenkennel -

De locatie van de twee nieuwe gebouwen dient zodanig te worden gekozen, dat deze de zichtlijnen vanaf de Spoarbuorren niet verstoren; Situering van de bijgebouwen achter de bestaande woning; Bijgebouwen dienen ondergeschikt te zijn aan het hoofdgebouw; Grootte van de twee bijgebouwen: circa 70 m2 en circa 120 m2; Bijgebouwen in lijn met de bestaande landschapsstructuren, de lijnen van het landschap volgend (dus niet schuin erop, bij voorkeur ook niet haaks erop); Compact bouwen, dus zo dicht mogelijk bij de bestaande woning; Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden, achter de voorgevelrooilijn. De gemeente heeft aangegeven dat er minimaal 3 parkeerplekken dienen te zijn. Hiervoor is voldoende ruimte aan de oostzijde van de woning; hier ligt een verharde strook van circa 5 bij 20 meter.

Landschappelijke inpassing -

21/23

Inpassing vindt plaats op eigen terrein (en is niet afhankelijk van bijvoorbeeld singels die op grond van buren liggen);

-

-

-

-

-

Behoud en versterking van de bestaande landschapselementen; de twee poelen met het slootje, het bosje achterop het perceel, de houtsingels aan beide zijden van het perceel (deels in eigendom buurman) en de grote, meerstammige populieren aan de weg; Ook indien buurman de elzen op zijn grond zou verwijderen, blijft over het algemeen een voldoende brede singel over. Mogelijk is er dan ruimte om nieuwe beplanting in de vorm van elzen bij te planten. Hierbij zal rekening gehouden worden met de eis om de beplanting minimaal 5 meter uit het hart van de sloot aan te planten; Verwijderen twee naaldbomen aan oostzijde; Toepassing van inheemse beplanting, passend in het woudenlandschap; Bij versterking houtsingels en bosje met name zwarte els (Alnus glutinosa) gebruiken. Overige soorten van natte gronden als berk, eik, abeel, populier, wilg, meidoorn, vlier en lijsterbes gebruiken. Aanplant 2-jarig, maat 80 - 100 cm.

Het voorterrein krijgt door de recent aangelegde border nabij de weg een groen en natuurlijk karakter; Op de erfgrens, aan de oostzijde, naast de inrit en het toekomstige hondenverblijf een veldesdoorn- of meidoornhaag ( 50 – 100 cm hoog); afstand in de rij: 20 – 50 cm; Aan de oostzijde in de haag een aantal elzen aanplanten (circa 3 stuks); Op het achterterrein minimaal twee fraaie solitaire bomen aanplanten; soorten als (meerstammige) berk, eik, (meerstammige) els, iep, wilg en/of eventueel linde. Onderhoud elzensingels: hakhoutbeheer, dus ongeveer 1 x per 5 tot 10 jaar hakken, gefaseerd een strook van minimaal 50 meter singel afzetten.

6. ERFINRICHTING/ LANDSCHAPPELIJKE INPASSING

meidoorn- of veldesdoorn haag

els

solitaire, inheemse boom

bestaande beplanting

22/23

Korte toelichting op de schets De bijgebouwen ten behoeve van de hondenkennel worden achter het hoofdgebouw gesitueerd, en zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Aan de oostzijde van het perceel, naast de woning, is voldoende parkeerruimte aanwezig. Er wordt inheemse beplanting, passend in het woudenlandschap toegepast. De nieuwe landschappelijke inpassing vindt met name aan de oostzijde van het perceel aan de Spoarbuorren Noard 1 plaats: hier komt een veldesdoorn- of meidoornhaag met een aantal elzen. Op het achterterrein komen een aantal fraaie, solitaire bomen als (meerstammige) berk, eik, (meerstammige) els, iep, wilg en/of eventueel linde. Een belangrijk onderdeel van de landschappelijke inpassing bestaat verder uit het goed beheren en onderhouden van de bestaande elzensingel rondom het perceel en behoud van de bestaande landschapselementen zoals de twee poelen, het bosje en de populier aan de weg.

23/23

Bijlage 3 Watertoets

datum 24-4-2020 dossiercode 20200424-2-23125 Wateradvies korte procedure Project: Zwagerbosch - Spoarbuorren Noard 1 Gemeente: Noardeast-Fryslân Aanvrager: Jan - Jacob Posthumus Organisatie: Rho Adviseurs

Geachte heer/mevrouw Jan - Jacob Posthumus, Voor het plan Zwagerbosch - Spoarbuorren Noard 1 heeft u een watertoets aangevraagd op www.dewatertoets.nl. De uitkomst is dat de korte procedure moet worden gevolgd. Het plan Zwagerbosch - Spoarbuorren Noard 1 heeft een beperkte invloed op de wateraspecten die van belang kunnen zijn bij ruimtelijke plannen. Werkwijze watertoetsprocedure Vanaf 2018 worden alle aanvragen uit de digitale watertoets digitaal afgehandeld. Dit betekent dat Wetterskip Fryslân voor de korte procedure standaard een wateradvies verstrekt. Wanneer noodzakelijk geacht ontvangt u op dit standaard wateradvies nog een aanvulling per email. Waterparagraaf Dit wateradvies geeft u handvatten om de uitkomsten en aandachtspunten van de watertoetsaanvraag mee te nemen in het opstellen van het ruimtelijke plan of besluit. Het is de bedoeling dat u op basis van dit document het plan uitwerkt. Uit de waterparagraaf moet duidelijk blijken wat voor wateraspecten van toepassing zijn en hoe u hier in het plan rekening mee houdt. Indien nodig verzoeken wij u om de wateraspecten te borgen op de Verbeelding en in de Regels van het plan. Ruimtelijke plannen hebben soms een lange doorlooptijd. Tegelijkertijd ontstaan er soms veranderende inzichten in het beleid ten aanzien van de waterketen, waterkeringen en het watersysteem.

Om te garanderen dat de juiste uitgangspunten worden toegepast in de planvorming hanteert het waterschap een uiterste houdbaarheidsdatum van maximaal 1 jaar. Wanneer deze termijn verstreken is kunt u contact opnemen met het waterschap voor een eventuele verlenging van nogmaals 1 jaar. Leidraad Watertoets De watertoets is een belangrijk instrument bij het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. Als richtlijn bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werkt Wetterskip Fryslân met de Leidraad Watertoets. Hierin staat voor alle wateraspecten uitgangspunten omschreven waarmee u rekening moet houden en is informatie te vinden over de te nemen maatregelen. De leidraad is de te vinden via deze link: www.wetterskipfryslan.nl/vergunningen-wetten-en-regels/online-watertoets-voor-nieuwe-plannen Wateraspecten en aandachtspunten Hieronder staan de eventuele wateraspecten die van invloed zijn op het plan en aandachtspunten om mee rekening te houden.

Toename verharding Wij willen u verzoeken om in de waterparagraaf de volgende passage op te nemen over het onderdeel toename verharding. Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve

maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel. Zie de Leidraad watertoets voor meer informatie over compenserende maatregelen of neem contact op met Cluster Plannen van Wetterskip Fryslân. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. Gebied

Stedelijk (>200 m²)

Landelijk (>1.500 m²)

Boezem

5%

5%

Polder

10%

10%

Vrij afstromend

Maatwerk mogelijk

Maatwerk mogelijk

Toelichting tabel ● 5% heeft alleen betrekking op de Friese boezem; ● de algemene regels keur zijn in de onderstaande tabel verwerkt; ● maatwerk kan bestaan uit bijvoorbeeld infiltratie of berging van het overtollig hemelwater.

Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. Meer informatie hierover is te vinden op De Friese klimaatatlas : www.frieseklimaatatlas.nl Waterwet Voor bepaalde werkzaamheden heeft u een watervergunning nodig. Bijvoorbeeld als u een sloot wilt dempen, afvalwater wilt lozen op oppervlaktewater of grondwater wilt onttrekken. Soms is het doen van een melding voldoende. Een watervergunning aanvragen is dan niet nodig. Op onze website www.wetterskipfryslan.nltreft u meer informatie aan over de Waterwet en u kunt daar onder andere ook meldingsformulieren en het aanvraagformulier voor een watervergunning downloaden. Via Omgevingsloket online (www.omgevingsloket.nl ) kunt u vooraf nagaan of u een watervergunning nodig heeft of een melding moet doen (vergunningcheck). U kunt hier ook meteen de vergunning aanvragen of de melding doen.

Afronding watertoetsprocedure In de besluitvormingsfase, ten tijde van het toesturen van het voorontwerp bestemmingsplan of ontwerp omgevingsvergunning, controleert Wetterskip Fryslân of de waterbelangen voldoende zijn meegenomen en geborgd in het ruimtelijke plan of besluit. Privacyverklaring Wetterskip Fryslân verwerkt uw naam, adres, telefoonnummer, e-mailadres en kadastrale gegevens om uw aanvraag te behandelen. De grondslag van de verwerking van deze gegevens zijn taken in het algemeen belang die in het Besluit Ruimtelijke Ordening aan het waterschap zijn opgedragen. Wij hebben gegevens van u ontvangen en verdere gegevens zullen wij opvragen uit het kadaster en ons geografische informatie systeem. Uw gegevens worden na afronding van uw aanvraag permanent bewaard. U heeft recht op inzage, een kopie, rectificatie, wissing, beperking, bezwaar en het indienen van een klacht bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Een verzoek daartoe kunt u doen via privacy@wetterskipfryslan.nl. Nadere informatie over de verwerking van uw gegevens en uw rechten vindt u op https://www.wetterskipfryslan.nl/over-de-site/privacyverklaring

Met vriendelijke groet,

Wetterskip Fryslân Postbus 36 8900 AA Leeuwarden T 058 292 2222 E Info@wetterskipfryslan.nl

www.dewatertoets.nl

Bijlage 4 Overlegreactie provincie

Ö

provinsje fryslân provincie fryslân ^

<rö

postbus 20120 8900 hm leeuwarden tweebaksmarkt 52 (058) 292 59 25

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Noardeast-Fryslan Postbus 13 9290 AA KOLLUM

www.fryslan.frl provincie@fryslan.frl www.twitter.com/provfryslan

V co

Ö

• fH

O

Leeuwarden, 30 mei 2022 Verzonden. 3 1 MEI 2022

a

Ons kenmerk Afd./Opgave Behandeld door Uw kenmerk Bijlage(n)

01999610 Omgevingszaken Omgevingszaken / (058) 292 59 25 of romte(gfryslan.frl

Onderwerp

: advies vooroverleg bestemmingsplan Zwagerbosch - Spoarbuorren Noard 1

Geacht college, Op 26 april 2022 is bovengenoemd plan ter advisering ontvangen. De provinciale belangen in het plan geven aanleiding tot het maken van de volgende op­ merking. Hergebruik vrijkomende bebouwing (cat. 2 Motivering Verordening Romte) Om mee te kunnen werken aan het initiatief op het perceel Noard 1 Zwagerbosch maakt u gebruik van artikel 1.2.1 van de Verordening Romte. Op basis van artikel 1.2.1, derde lid van de verordening is het mogelijk om bij hergebruik van bestaande bebouwing ook enige aanvullende bebouwing toe te staan. De bebouwing moet qua omvang duidelijk onderge­ schikt zijn aan het hoofdgebouw. Ik ben van mening in de toelichting nog niet voldoende is gemotiveerd dat hier sprake is ‘enige aanvullende bebouwing’. In de toelichting staat aan dat in de huidige situatie alleen een hoofdgebouw op het perceel is gesitueerd. Het gaat dan om een woning, inclusief aanbouw met een oppervlakte van ongeveer 325 m2. Er is in de huidige situatie volgens u geen ondergeschikte bebouwing op het perceel aanwezig. Op grond van het voorliggende bestemmingsplan mag 450 m2 aan ondergeschikte be­ bouwing gebouwd worden. Dit betekent dat een oppervlakte aan nieuwe bebouwing mo­ gelijk is die niet meer ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

-1/2-

Ons kenmerk:

01999610

ö

provinsje fryslân provincie fryslân ^

<nj C/D

Ik adviseer u de mogelijkheden voor nieuwbouw van ondergeschikte bebouwing in de re­ gels te beperken zodat voldaan kan worden aan de voorwaarden voor aanvullende be­ bouwing in artikel 1.2.1, derde lid van de Verordening Romte. Voor het overige geeft het plan aanleiding tot de volgende opmerking.

<V

Archeologie (cat. 4 goede ruimtelijke ordening) Ik kan instemmen met uw conclusie dat op basis van de FAMKE op dit moment geen ar­ cheologisch onderzoek nodig is. Wel adviseer ik u de verwachtingswaarden te beschermen door een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ op te nemen.

ö

• pH Voor de betekenis van de categorie-aanduiding venvijs ik naar de brief van Gedeputeerde Staten van 8 februari 2019, betreffende 'Aanpassing Notitie Inwerkingtreding Verordening Romte Fryslân'.

Hoogachtend, Namens het college van Gedeputeerde Staten,

mevr. G. Samandijan afdelingshoofd Omgevingszaken

-2/2-

Ons kenmerk:

01999610

O

Bijlage 5 Overlegreactie brandweer

Toetsing 10 Blanco brief - 21503

Aan het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Noardeast-Fryslân T.a.v. K. Bakema Postbus 13 9290 AA KOLLUM

Datum 10 mei 2022 Onze referentie UIT/21503 Z/22/00008685 Uw referentie 21292

Postbus 612 8901 BK LEEUWARDEN T 088 22 99 666 F 088 22 99 661 I www.brandweerfryslan.nl E info@brandweerfryslan.nl

Behandeld door N. Kramer

Bijlagen 0

Doorkiesnummer 0628953635 E-mail nkramer2@vrfryslan.nl

Uw brief van 26 april 2022

Pand-ID

Onderwerp Adviesaanvraag omgevingsvergunning 2022 - Spoarbuorren Noard 1 - Zwagerbosch

Geacht college, Op 26 april 2022 heeft Brandweer Fryslân uw bericht ontvangen dat het voorontwerpbestemmingsplan ‘Spoarbuorren Noard 1 - Zwagerbosch’ ter inzage ligt. Ons belang is om de fysieke veiligheid en de brandweerzorg in Fryslân goed geregeld te hebben. De doelen die wij hiermee nastreven is het voorkomen en beperken van brand(gevaar) en slachtoffers en het borgen van een veilige en adequate incidentbestrijding. Daarom reageren wij middels dit advies op het toegezonden voorontwerpbestemmingsplan. Situatie Initiatiefnemer heeft bij de gemeente Noardeast-Fryslân de wens kenbaar gemaakt om in de nabije toekomst haar bedrijfsactiviteiten uit te breiden. Op het perceel Spoarbuorren Noard 1 te Zwagerbosch is een hondenkennel - / fokkerij gevestigd. Om de uitbreiding mogelijk te maken is initiatiefnemer voornemens om een nieuwe schuur (circa 80 m2) en een nieuw hondenhok (circa 150 m2) te realiseren. De activiteiten zijn op basis van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan. Om het gewenste gebruik en de inrichting daarvan juridisch-planologisch mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Het voorliggende bestemmingplan voorziet hierin.

Advies In overeenstemming met de punten die genoemd worden onder de kop ‘uitwerking’ van deze brief adviseert Brandweer Fryslân om: - een afstand van minimaal 5 meter aan te houden tussen de nieuwe bouwwerken en het woonhuis in verband met brandoverslag; - een brandkraan in het plangebied te realiseren met een minimale opbrengst van 60 m3 /uur die op maximaal 100 meter van de opstelplaats ligt; - het onderhoud van de te realiseren brandkraan als gemeente in beheer te houden; - ons op de hoogte te brengen van de mate waarin ons advies is overgenomen.

Toetsing 10 Blanco brief - 21503

Brief: UIT/21503 Z/22/00008685 Pagina 2 van 4

Uitwerking Het voorliggende advies betreft een advies op grond van de Wet veiligheidsregio’s in relatie tot omgevingsveiligheid en de brandweerzorg. Omgevingsveiligheid Brandweer Fryslân voorziet in het plangebied geen knel-/ aandachtspunten met betrekking tot omgevingsveiligheid. Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, buisleidingen met gevaarlijke stoffen en transportroutes met vervoer van gevaarlijke stoffen. Externe veiligheid is daarmee niet relevant. Advies risico’s en brandweerzorg Brandweer Fryslân heeft de mogelijkheid een advies risico’s en brandweerzorg te geven in het kader van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In een dergelijk advies komen aspecten aan bod die van belang zijn voor de basisbrandweerzorg. Hierbij valt te denken aan onder meer de opkomsttijd, de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van bluswater. Scenario ‘compartiment brand’ Gelet op de aard van de bouwwerken is een volledig ontwikkelde brand over het gehele compartiment een realistisch scenario. Dit beschouwende als scenario zal de inzet van de brandweer primair zijn gericht op het behouden van de omliggende bebouwing. In geval de brand beheersbaar is of er nog personen aanwezig zijn, zal de prioriteit mede worden gelegd op blussing en redding.

Opkomsttijd Brandweer Fryslân voorziet in het plangebied geen knel-/ aandachtpunt met betrekking tot de opkomsttijd. Kader Op grond van Dekkingsplan 2.0 van Brandweer Fryslân valt het plangebied onder brandrisicogebied 3, waarbij een norm van 15 minuten geldt voor de opkomsttijd. Hoe hoger de opkomsttijd, des de groter de kans dat het volledige pand verloren gaat. Ook de kans op een succesvolle redding van in nood verkerende personen of het behouden van omliggende bebouwing neemt af naarmate de opkomsttijd toeneemt. Toets De berekende opkomsttijd voor het eerst aankomende blusvoertuig in het plangebied ligt nabij de 7 á 8 minuten en voldoet daarmee aan de geldende normen. Bereikbaarheid Brandweer Fryslân voorziet in het plangebied een knel-/ aandachtspunt met betrekking tot de bereikbaarheid. Kader Om het plangebied te kunnen bereiken is een (openbare) weg nodig die meer dan 4,5 meter vrije breedte heeft en meer dan 4,2 meter vrije ruimte in de hoogte heeft, die in de breedte meer dan 3,25 meter verhard is en die berekend is op een totaalgewicht van 30 ton en een asbelasting van 11,5 ton. De benodigde bochtenstraal is R5.5 en

Toetsing 10 Blanco brief - 21503

Brief: UIT/21503 Z/22/00008685 Pagina 3 van 4

R10. Om een brandweervoertuig te kunnen opstellen en om gebruik te maken van alle rondom aangebrachte materiaalkasten zijn deze afmetingen ook nodig. De brandweer hanteert als uitgangspunt voor de incidentbestrijding dat een locatie via een tweede onafhankelijke route benaderbaar moet zijn. Dit is noodzakelijk, omdat niet gegarandeerd kan worden dat de voor de hand liggende route altijd bruikbaar is. Toets Kijkende naar het plangebied/situatieschets: • is deze gelegen aan een breed aangelegde weg; • is deze via een tweede onafhankelijke route te benaderen; • is het voornemen om de bouwwerken achter het woonhuis te realiseren. In geval van brand zal de brandweer de nieuwe bouwwerken moeilijk kunnen bereiken. Dit bemoeilijkt de brandbestrijding. Van belang is daarom dat er enkele afstand is tussen de nieuwe bouwwerken en de overige bebouwing (woonhuis) in verband met brandoverslag. Advies Brandweer Fryslân adviseert: - een afstand van minimaal 5 meter aan te houden tussen de nieuwe bouwwerken en het woonhuis in verband met brandoverslag. Bluswatervoorzienning Brandweer Fryslân voorziet in het plangebied een knelpunt met betrekking tot het bluswater. Kader Gelet op het eerder geschetste scenario is gewenst dat binnen 6 minuten minimaal 1.000 l/min aan bluswater beschikbaar is.

Dit kan gerealiseerd worden door af te leggen op een brandkraan met een opbrengst van minimaal 60 m3 /uur die op maximaal 100 meter van de opstelplaats ligt. Toets Kijkende naar de brandbestrijding in het plangebied ligt er op circa 250 meter afstand een brandkraan op een waterleiding met een opbrengst van 1000 l/min. De situatie voldoet daarmee niet aan de vereisten. In geval van brand in de nieuwe bouwwerken is de huidige bluswatervoorzienning ontoereikend voor de bestrijding van het geschetste scenario. In de praktijk is men voor een effectieve brandbestrijding hierdoor afhankelijk van een tweede brandweerauto. Dit kost tijd en verhoogt de kans op brandoverslag naar - of het verloren gaan van - andere bouwwerken in het plangebied. Advies Brandweer Fryslân adviseert om: - een brandkraan in het plangebied te realiseren met een minimale opbrengst van 60 m3 /uur die op maximaal 100 meter van de opstelplaats ligt; - het onderhoud van de te realiseren brandkraan als gemeente in beheer te houden.

Toetsing 10 Blanco brief - 21503

Brief: UIT/21503 Z/22/00008685 Pagina 4 van 4

Afsluiting Mocht u naar aanleiding van dit advies een nadere toelichting willen, dan kunt u hiervoor contact opnemen met de behandelaar. De contactgegevens vindt u bovenaan in deze brief. Hoogachtend, namens het dagelijks bestuur van Veiligheidsregio Fryslân, voor deze,

ing. S. Veerbeek clusterhoofd risicobeheersing en planvorming

Deze brief is in een automatisch proces opgemaakt en geaccordeerd en daarom niet ondertekend.

Regels

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 het plan het bestemmingsplan Zwagerbosch - Spoarbuorren Noard 1 met identificatienummer NL.IMRO.1970.BpZbSpoarbnoard1-ON01 van de gemeente Noardeast-Fryslân; 1.2 het bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 agrarisch medegebruik een agrarisch gebruik van gronden, niet zijnde (al dan niet ondergeschikte) intensieve veehouderijen, dat ondergeschikt is aan de hoofdfunctie van de bestemming waarbinnen dit agrarische gebruik is toegestaan. 1.6 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.7 bêd en brochje logiesruimte in de vorm van een kleinschalige recreatief verblijf met een kortstondig karakter en ondergeschikt aan de woonfunctie. 1.8 bedrijfsbebouwing bebouwing ten behoeve van een bedrijf, waaronder ook wordt verstaan bedrijfswoningen al dan niet in combinatie met ondergeschikte bebouwing.

1.9 beroep/bedrijf aan huis een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.10 besloten gebied het gebied waar in de bij deze regels behorende Bijlage 2 'Landschapskenmerken' houtsingels zijn gesitueerd.

47

1.11 bestaand het gebruik dat en/of de bebouwing die ten tijde van de inwerkingtreding van het plan legaal plaatsvindt, respectievelijk aanwezig is, dan wel bebouwing die kan worden gebouwd krachtens een verleende bouw- en/of omgevingsvergunning. 1.12 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.13 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.14 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, als mede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen van een standplaats. 1.15 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.16 bouwlaag een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en kapverdieping. 1.17 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.18 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel. 1.19 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.20 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.21 dak iedere bovenbeëindiging van een gebouw. 1.22 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik, of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

48

1.23 duurzame energie: energie waarover de mensheid voor onbeperkte tijd kan beschikken en waarbij, door het gebruik ervan, het leefmilieu en de mogelijkheden voor toekomstige generaties niet worden benadeeld. 1.24 evenement een voor publiek toegankelijke gebeurtenis op of aan de weg, binnen gebouwen of op het openbare water, met uitzondering van betogingen, samenkomsten en vergaderingen, jaar- en weekmarkten, bioscoop- en theatervoorstellingen. Waarbij onderscheid kan worden gemaakt in de volgende categorieën: 

Categorie 1: lokale evenementen op dorps/wijk en buurtniveau. Deze evenementen dragen in belangrijke mate bij aan de binding tussen inwoners in het dorp. Deze evenementen zijn vooral gericht op participatie, ontmoeting tussen burgers en toeristisch-recreatieve promotie van het dorp; Categorie 2: lokale en regionale evenementen met groeipotentie. Dit zijn middelgrote evenementen die zich kenmerken door een min of meer vaste deelnemers/publieksgroep en die zich door een onderscheidende programmering/activiteiten richten op groei. Het programma richt zich op een duidelijke hoofdactiviteit met eventueel side-events Bij deze categorie evenementen is een sterke variatie in bezoekersaantallen van een paar honderd tot enkele duizenden; Categorie 3: boegbeeldevenementen. Dit zijn (jaarlijks) terugkerende evenementen met een internationaal karakter, bovenregionale uitstraling die een belangrijke bijdrage leveren aan de promotie van het dorp. De evenementen vinden vooral plaats op historische locaties, in en rond het water en hebben een economische spin-off voor het dorp. De evenementen kenmerken zich door authenticiteit, uitstraling, goede organisatie en promotie.

1.25 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.26 hoofdgebouw een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmeting, dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken, met uitzondering van ondergeschikte bebouwing. 1.27 hondenkennel en -fokkerij een bedrijf waar bedrijfs- of hobbymatig honden worden voortgebracht en/of worden gehouden; 1.28 houtsingel cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol lintvormig landschapselement bestaande uit inheemse boom- en struikbeplanting, waarvan bomen het hoofdbestanddeel vormen, al dan niet dienende ter eigendomsmarkering en/of perceelscheiding. 1.29 houtwal cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol lijnvormig landschapselement bestaande uit een wallichaam van enkele meters breed voorzien van een inheemse boom- en struikbeplanting, waarvan bomen het hoofdbestanddeel vormen, al dan niet dienende ter eigendomsmarkering en/of perceelscheiding.

49

1.30 huishouden persoon of groep personen die een huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan; 1.31 inrichtingsplan een plan waarbij ten minste aandacht dient te worden besteed aan de begrenzing van het (beoogde) bouwperceel en de inpassing van de nieuwe ontwikkeling met aangeven van de ligging van erfverhardingen, de plaatsing en vormgeving van (bouw)werken en de erfbeplanting, waarbij Bijlage 3 'Handleiding inrichtingsplan' als behorende bij deze regels dient als richtinggevend kader voor het opstellen van een inrichtingsplan. 1.32 kampeermiddel een mobiel en/of vast kampeermiddel dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. 1.33 kampeerplaats een al dan niet afgescheiden gedeelte van een kampeerterrein, bedoeld voor de plaatsing van een kampeermiddel al dan niet met een bijzettentje. 1.34 kampeerseizoen het kampeerseizoen begint op 15 maart en loopt door tot en met 31 oktober van elk kalenderjaar. 1.35 kleinschalig kampeerterrein een kampeerterrein waar een beperkt aantal kampeerplaatsen voor kampeermiddelen worden verhuurd als toeristische standplaatsen.

1.36 maatschappelijke voorzieningen levensbeschouwelijke, medische, sociale, culturele en educatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening 1.37 milieusituatie de waarde van een gebied in milieuhygiënische zin, die wordt bepaald door de mate van de scheiding tussen milieugevoelige en milieubelastende functies, daarbij in het bijzonder gelet op het voorkómen dan wel beperken van hinder door geluid, luchtkwaliteit, geur, stof en gevaar (externe veiligheid). 1.38 mobiel kampeermiddel een tent, tentwagen, kampeerauto, toercaravan of enig ander onderkomen met de bedoeling deze te plaatsen op een kampeerterrein gedurende niet meer dan 3 aansluitende maanden per kampeerseizoen. 1.39 nevenactiviteiten  aan de hoofdfunctie ondergeschikte activiteiten zoals:bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in categorie 1 of 2 van de bij deze regels behorende Bijlage 1 'Staat van bedrijven' dan wel andere bedrijven, mits deze bedrijven naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woongebieden, al dan niet onder nader te

50

    

stellen voorwaarden, voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid kunnen worden gelijkgesteld aan deze bedrijven; een loonbedrijf met een bedrijfsoppervlak van minder dan 500 m²; een theeschenkerij en naar aard en schaal daarmee gelijk te stellen horecavoorzieningen; ambachtelijke bedrijven; een groepsaccommodatie; een paardenhouderij.

1.40 niet-permanente bewoning bewoning van een verblijf voor recreatieve bewoning. 1.41 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, apparatuur voor telecommunicatie en vergelijkbare voorzieningen, maar met uitzondering van zonnevelden voor de opwekking van energie; 1.42 onderbouw een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,2 m boven peil is gelegen. 1.43 ondergeschikte bebouwing a. ondergeschikte gebouwen of delen van gebouwen; b. een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overkapping en niet of slechts gedeeltelijk met wanden is omsloten. 1.44 ondergeschikte gebouwen of delen van gebouwen a. een gebouw dat als afzonderlijke ruimte dan wel als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan de hoofdvorm; b. een op zichzelfstaand gebouw, dat gelet op de bestemming en door zijn ligging en/of architectonische verschijningsvorm ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

1.45 ondergeschikte detailhandel detailhandel die qua oppervlakte en qua gebruik ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit. 1.46 peil a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst, de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst, de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw dan wel het aansluitend afgewerkte maaiveld; c. indien in of op het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil dan wel het ter plaatse geldende waterpeil.

51

1.47 permanente bewoning bewoning als hoofdverblijf. 1.48 productiegebonden detailhandel detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie. 1.49 prostitutie het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.50 recreatie-appartement een afzonderlijke ruimte in een groter bestaand gebouw, bestemd voor recreatieve bewoning. 1.51 recreatieve bewoning de bewoning die plaatsvindt in het kader van de verblijfsrecreatie door recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben. 1.52 risicovolle inrichting een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde dan wel richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. 1.53 seksinrichting een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.

Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.54 vast kampeermiddel een stacaravan, trekkershut of ander recreatief verblijf, dat naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en al dan niet direct steun vindt in of op de grond en daardoor als bouwwerk is aan te merken. 1.55 verkoopvloeroppervlakte de gezamenlijke oppervlakte van de verkoopruimte exclusief de ruimte voor opslag van (winkel)goederen. 1.56 voorgevel de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een gebouw met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel. 1.57 windwatermolen kleinschalige windturbine die water oppompt of overpompt. 1.58 wokkel (ook wel turbi) kleinschalige windturbine voor de opwekking van veelal (particuliere) elektriciteit.

52

1.59 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden. 1.60 wonen het gehuisvest zijn van een huishouden in een woning / wooneenheid of ander daartoe bedoeld object;

53

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2 de goothoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met dien verstande dat met het meten van de goothoogte ondergeschikte bouwdelen zoals wolfskappeneinden en goten van dakkapellen niet worden meegerekend. 2.3 de inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. 2.6 de bouwhoogte van een windturbine (inclusief windwatermolens, maar niet zijnde een wokkel/turbi) vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

2.7 afstanden afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot erfafscheidingen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.8 ondergeschikte bouwdelen Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen van bouwwerken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt. 2.9 gemiddelde ruimtelijke kavelmaat Voor het bepalen van de gemiddelde ruimtelijke kavelmaat dienen alle kavels in eigendom of duurzame huur van het bedrijf in de beschouwing te worden betrokken voor zover deze in het gebied zijn gesitueerd waarin volgens de bij deze regels behorende Bijlage 2 'Landschapskenmerken' houtsingels zijn gesitueerd (besloten gebied).

54

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Tuin

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen; en tevens voor: b. het behoud en herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden, waarvan de landschappelijke waarden zijn gespecificeerd in de bij deze regels behorende Bijlage 2 'Landschapskenmerken'; c. een speelweide voor honden ter plaatsen van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - hondenkennel en -fokkerij' ; d. groenvoorzieningen; e. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; f. water; g. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding. 3.2 Bouwregels 3.2.1 Gebouwen algemeen Op of in deze gronden: a. mogen geen gebouwen worden gebouwd; b. mag geen ondergeschikte bebouwing worden gebouwd met uitzondering van: 1. erkers tot een breedte van 50% van de breedte van de gevel van het hoofdgebouw, met een maximale diepte van 1,5 m en een maximale bouwhoogte van niet meer dan 30 cm boven de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; 2. bestaande ondergeschikte bebouwing. 3.2.2 Bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt niet meer dan 8 m; b.

de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen vóór (de lijn die in het verlengde kan worden getrokken van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, bedraagt niet meer dan 1 m, met dien verstande dat daarop een open gaasconstructie met een minimale maaswijdte van 10 cm is toegestaan, waarbij de gezamenlijke bouwhoogte van de terrein- en erfafscheiding en de gaasconstructie niet meer dan 2 m bedraagt; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, vóór (de lijn die in het verlengde kan worden getrokken van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, bedraagt niet meer dan 1 m; d. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen achter (de lijn die in het verlengde kan worden getrokken van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat daarop een open gaasconstructie met een minimale maaswijdte van 10 cm is toegestaan, waarbij de gezamenlijke bouwhoogte van de terrein- en erfafscheiding en de gaasconstructie niet meer dan 2,5 m bedraagt;

55

e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, achter (de lijn die in het verlengde kan worden getrokken van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, bedraagt niet meer dan 2 m. 3.3 Afwijken van de bouwregels 3.3.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken conform het bepaalde in 3.2.1 en 3.2.2, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, waaronder de bezonnings- en privacysituatie; b. de landschapskenmerken als opgenomen in Bijlage 2 'Landschapskenmerken' behorende bij deze regels; c. de verkeersveiligheid. 3.3.2 Sanitaire gebouwen Er kan worden afgeweken van 3.1 en 3.2 voor het oprichten van sanitaire gebouwen ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein, mits aantoonbaar geen ruimte is binnen de bestemming 'Wonen - 2' op het perceel, met dien verstande dat: a. de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen; b. de goothoogte niet meer dan 5 m bedraagt; c. de bouwhoogte niet meer dan 6 m bedraagt; d. er niet mag worden gebouwd tussen de weg en de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw op het perceel. e. zo veel mogelijk wordt aangesloten op bestaande bebouwing; f.

de afwijking van de omgevingsvergunning ten behoeve van een nieuw kleinschalig kampeerterrein, kan slechts plaatsvinden na, dan wel gelijktijdig, met de afwijking van de omgevingsvergunning als bedoeld in 3.6.2. 3.3.3 Lichtmasten voor paardenbakken Er kan worden afgeweken van 3.2.2 ten behoeve van het bouwen van lichtmasten voor paardenbakken, met dien verstande dat: a. de bouwhoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 6 m; b. onevenredige lichthinder voorkomen dient te worden door het aandragen van (technische) maatregelen door de initiatiefnemer; c. tevens de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 3.6.3 is verleend. 3.3.4 Voorzieningen duurzame energie opwekking Er kan (conform het bepaalde in artikel 9.4.1, sub 1b van de Verordening Romte) worden afgeweken van 3.2.2 voor het oprichten van een bouwwerk, geen gebouw zijnde voor de opwekking van duurzame energie ten behoeve van de naastliggende woonfunctie , met dien verstande dat: a. de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde voor de opwekking van duurzame energie niet meer bedraagt dan 1,5 meter; b. de oppervlakte in relatie dient te staan tot de energiebehoefte van het bijbehorende bouwperceel; c. deze achter de achtergevelrooilijn wordt gesitueerd.

56

3.3.5 Toepasbaarheid Bij toepassing van de in 3.3.2 en 3.3.4 bedoelde afwijkingsmogelijkheden bij omgevingsvergunning geldt dat door de initiatiefnemer conform de richtlijnen uit de bij deze regels behorende Handleiding inrichtingsplan (Bijlage 3) een inrichtingsplan is opgesteld dat door burgemeester en wethouders is goedgekeurd voorafgaand aan van de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. 3.4 Nadere eisen Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met het oog op het voorkomen van onevenredige aantasting van: a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, waaronder de bezonnings- en privacysituatie; b. de landschapskenmerken als opgenomen in Bijlage 2 'Landschapskenmerken' behorende bij deze regels; c. de verkeersveiligheid. 3.5 Specifieke gebruiksregels Tot een gebruik in strijd met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen: a. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als standplaats voor kampeermiddelen; b. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden als opslag-, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte goederen en materialen; c. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden voor verblijfsrecreatie; d.

het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor paardenbakken; e. het gebruiken of laten gebruiken van gronden ten behoeve van horeca. 3.6 Afwijken van de gebruiksregels 3.6.1 Algemeen Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken conform het bepaalde in 3.6.3 mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, waaronder de bezonnings- en privacysituatie; b. de landschapskenmerken als opgenomen in Bijlage 2 'Landschapskenmerken' behorende bij deze regels; c. de verkeersveiligheid. 3.6.2 Kleinschalig kampeerterrein Er kan worden afgeweken van 3.1 en 3.5 voor het gebruik van een kleinschalig kampeerterrein dan wel het uitbreiden van het gebruik van een kleinschalig kampeerterrein bij woningen, met dien verstande dat: a. het totaal aantal kleinschalige kampeerterreinen binnen het plangebied niet meer bedraagt dan 20; b. het kleinschalig kampeerterrein op gronden direct aansluitend bij de bestaande bebouwing moet worden gesitueerd; c.

niet meer dan 15 kampeerplaatsen zijn toegestaan indien de afstand van een kampeerplaats tot de dichtstbijzijnde bestemmingsgrens van een bestemming waarop een (bedrijfs)woning is toegestaan, anders dan de (bedrijfs)woning op hetzelfde perceel, 30 m of meer bedraagt en indien sprake is van een perceel, inclusief de bestaande (woon)bebouwing, van een oppervlakte van ten minste 0,5 hectare;

57

d. niet meer dan 25 kampeerplaatsen zijn toegestaan indien de afstand van een kampeerplaats tot de dichtstbijzijnde bestemmingsgrens van een bestemming waarop een (bedrijfs)woning is toegestaan, anders dan de (bedrijfs)woning op hetzelfde perceel, 50 m of meer bedraagt en indien sprake is van een perceel, inclusief de bestaande (woon)bebouwing, van een oppervlakte van ten minste 0,75 hectare; e. uitsluitend mobiele kampeermiddelen op een kleinschalig kampeerterrein zijn toegestaan; f. uitsluitend in de periode van het kampeerseizoen kampeermiddelen op een kleinschalig kampeerterrein zijn toegestaan; g. ten behoeve van sanitaire voorzieningen een gebouw mag worden gebouwd met: h. een oppervlakte van niet meer dan 50 m²; i. een bouwhoogte van niet meer dan 6 m, j. met dien verstande dat de afstand tot de bestaande woning niet meer dan 25 m bedraagt. 3.6.3 Paardenbakken Er kan worden afgeweken van 3.1 en 3.5 voor het toestaan van paardenbakken op de gronden bestemd voor 'Tuin' die zijn gelegen in het verlengde van het achtererf van een woning.

3.6.4 Toepasbaarheid Bij toepassing van de in 3.6.3 bedoelde afwijkingsmogelijkheid bij een omgevingsvergunning geldt dat door de initiatiefnemer conform de richtlijnen uit de bij deze regels behorende Handleiding inrichtingsplan (Bijlage 3) een inrichtingsplan is opgesteld dat door burgemeester en wethouders is goedgekeurd voorafgaand aan de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. 3.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.7.1 Verbod Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren in de vorm van het wijzigen van de verkavelingsstructuur die mede wordt bepaald door het slotenpatroon en door de houtsingels, zoals die zijn weergegeven op de bij deze regels behorende Bijlage 2 'Landschapskenmerken' als "houtsingels overig", met dien verstande dat: a. onder wijzigen wordt begrepen het geheel of gedeeltelijk verwijderen van houtsingels; b. onder wijzigen wordt eveneens begrepen het geheel of gedeeltelijk dempen, verbreden of aanleggen van watergangen; c. een omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend op basis van een door de aanvrager in te dienen landschapsplan dat in overeenstemming is met: 1.

de beschrijving landschapskenmerken - besloten gebied, zoals die zijn weergegeven in de bij deze regels behorende Bijlage 2 'Landschapskenmerken'; 2. de richtlijnen voor het verwijderen van houtsingels, zoals die zijn weergegeven in de bij deze regels behorende Bijlage 2 'Landschapskenmerken'; 3. de richtlijnen voor de inrichting van houtsingels (compensatie voor verlies), zoals die zijn weergegeven in de bij deze regels behorende Bijlage 2 'Landschapskenmerken', met dien verstande dat compensatie uitsluitend binnen het besloten gebied mag plaatsvinden langs watergangen waar nog geen houtsingels aanwezig zijn '.

58

d. een omgevingsvergunning is niet vereist voor het verwijderen van houtsingels en het realiseren van dammen ter plaatse van gronden die op de landschapskaart (deel uitmakende van de bij deze regels behorende Bijlage 2 'Landschapskenmerken') zijn aangegeven met "houtsingels overig", voor zover: 1. het te verwijderen deel van "houtsingels overig" en het gedeeltelijk dempen van watergangen ten behoeve van het realiseren van niet meer dan twee dammen in iedere lange zijde van een perceel betreft, met een breedte van niet meer dan 10 m per dam, mits na verwijdering van de houtsingel ter plaatse van de nieuwe dam of dammen ten minste 75% van de oorspronkelijke lengte van de houtsingel resteert; 2. het te verwijderen deel van "houtsingels overig" en het gedeeltelijk dempen van watergangen ten behoeve van het realiseren van niet meer dan één dam in iedere korte zijde van een perceel betreft, met een breedte van niet meer dan 10 m, mits na verwijdering van de houtsingel ter plaatse van de nieuwe dam ten minste 75% van de oorspronkelijke lengte van de houtsingel resteert. 3.7.2 Uitzondering Het in 3.7.1 bedoelde verbod is niet van toepassing op vergunde werken of werkzaamheden die: a. het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan.

3.7.3 Toepasbaarheid Bij een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.7.1 gelden de volgende regels: a. een omgevingsvergunning als bedoeld in 3.7.1 kan alleen worden verleend als hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en landschappelijke waarden, waarbij de landschappelijke waarden zijn gespecificeerd in de bij deze regels behorende Bijlage 2 'Landschapskenmerken'. b. Indien het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in 3.7.1 gevolgen kan hebben voor de waterhuishouding, wordt de aanvraag voor de omgevingsvergunning voorgelegd aan het bevoegde waterschap met het verzoek de aanvraag te voorzien van een deskundigenadvies. c. burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.7.1 onder c met betrekking tot de richtlijnen voor het verwijderen van houtsingels bij ruimtelijke kavels indien het verwijderen en herplant van een houtsingel betreft waarbij; 1.

de bestaande houtsingel (tussen twee aansluitende percelen) zodanig wordt verplaatst dat de lengterichting van de verwijderde en de nieuw aangeplante singel gelijk blijft en de lengte gelijk blijft of langer wordt, met dien verstande dat het tevens is toegestaan om de nieuwe houtsingel (in zijn geheel dan wel gedeeltelijk) op niet-aansluitende percelen te situeren waarbij de ter plaatse overheersende lengterichting van houtsingels in acht wordt genomen en de totale lengte van de nieuwe houtsingel gelijk blijft of langer wordt; 2. de gemiddelde ruimtelijke kavelmaat van de betrokken percelen niet toeneemt; 3. de maximale ruimtelijke kavelmaat van de nieuwe ruimtelijke kavel(s) na verplaatsing niet meer bedraagt dan 6,1 hectare.

59

Artikel 4 4.1 a.

Wonen - 2

Bestemmingsomschrijving wonen,

en daaraan ondergeschikt voor: b. agrarisch medegebruik; c. een hondenkennel -/fokkerij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - hondenkennel en -fokkerij'; en tevens voor: d. het behoud en herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden, waarvan de landschappelijke waarden zijn gespecificeerd in de bij deze regels behorende bijlage 2 ‘Landschapskenmerken’. e. groenvoorzieningen; f. ontsluitingswegen; g. parkeervoorzieningen; h. water; i. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, j. voorzieningen ten behoeve van opwekking van duurzame energie (conform het bepaalde in artikel 9.4.1, sub 1b van de Verordening Romte). 4.2 Bouwregels 4.2.1 Hoofdgebouwen Ten aanzien van hoofdgebouwen ten behoeve van wonen gelden de volgende regels: a. hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd; b. het aantal woningen mag niet meer dan 1 per bestemmingsvlak bedragen; c. de goot- en bouwhoogte van niet-inpandige woningen bedraagt niet meer dan 3,5 m respectievelijk 9,5 m; a. de dakhelling van niet-inpandige woningen dient ten minste 30° en niet meer dan 50° te bedragen; b. de afstand van een hoofdgebouw tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt ten minste 3 m. 4.2.2 Ondergeschikte bebouwing Voor het bouwen van ondergeschikte bebouwing gelden de volgende regels: a.

ondergeschikte bebouwing dient te worden gebouwd binnen een bouwvlak en/of op de gronden ter plaatse van de aanduiding “erf”; b. ondergeschikte bebouwing wordt ten minste 3 m achter (de lijn welke kan worden getrokken in het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw gebouwd; c. de goothoogte van ondergeschikte bebouwing bedraagt niet meer dan 3 m, dan wel niet meer dan 30 cm boven de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van het hoofdgebouw, voor zover aan dit hoofdgebouw wordt gebouwd, met dien verstande dat ten minste 70% van de totale gootlengte van ondergeschikte bebouwing dient te voldoen aan de voorgeschreven maximale goothoogte; d. de bouwhoogte van ondergeschikte bebouwing bedraagt niet meer dan 6 m;

60

e. de gezamenlijke oppervlakte van ondergeschikte bebouwing buiten het bouwvlak bedraagt niet meer dan 230 m². 4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden ten minste 3 m achter (de lijn die kan worden getrokken in het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw gebouwd, met uitzondering van terreinen erfafscheidingen en vlaggenmasten; b. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen vóór (de lijn die in het verlengde kan worden getrokken van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, bedraagt niet meer dan 1 m, met dien verstande dat daarop een open gaasconstructie met een minimale maaswijdte van 10 cm is toegestaan, waarbij de gezamenlijke bouwhoogte van de terrein- en erfafscheiding en de gaasconstructie niet meer dan 2 m bedraagt; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, vóór (de lijn die in het verlengde kan worden getrokken van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, bedraagt niet meer dan 1 m; d.

de bouwhoogte van overige terrein- en erfafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m, met dien verstande dat daarop een open gaasconstructie met een minimale maaswijdte van 10 cm is toegestaan, waarbij de gezamenlijke bouwhoogte van de terrein- en erfafscheiding en de gaasconstructie niet meer dan 2,5 m bedraagt; e. de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt niet meer dan 8 m; f. de bouwhoogte van nieuwe damwanden mag niet meer bedragen dan 40 cm boven het peil; g. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 5,5 m; h. er mogen geen windturbines worden gebouwd; i. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van paardenbakken, met uitzondering van lichtmasten die niet zijn toegestaan, bedraagt niet meer dan 1,5 m. 4.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats van bouwwerken met het oog op het voorkomen van onevenredige aantasting van:  de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, waaronder de bezonnings- en privacysituatie;  de landschapskenmerken als opgenomen in Bijlage 2 'Landschapskenmerken' behorende bij deze regels;  het woon- en leefklimaat en de landschappelijke kenmerken zoals deze blijken uit de bij deze regels behorende Handleiding inrichtingsplan (Bijlage 3);  de verkeersveiligheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=aef52641-b07d-4887-8b04-57ecfe39a7e8