B-4 (Plan)Toelichting en (Plan)Regels
Tekst van het document
Archeologie en cultuurhistorie
Wet- en regelgeving De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is.
27 (49)
De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Hiertoe is op 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd, waarbij dit voorschrift in artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a is opgenomen. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Onderzoek Middels archeologisch bureauonderzoek (Sweco, april 2021) is voor het plangebied een gespecificeerde verwachting opgesteld. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 6 bij deze bestemmingsplantoelichting. Het plangebied is in een voormalig kweldergebied gelegen. De Súd Ie is een voormalige kreek; de getij- en kreekbedding heeft een lage archeologische verwachting voor resten uit de IJzertijd-Middeleeuwen, want hier heeft geen bewoning kunnen plaatsvinden.
De relatief iets hoger gelegen vlakte van getijafzettingen heeft volgens de FAMKE wel een middelhoge verwachting op resten uit de IJzertijd-Middeleeuwen (Middeleeuwen karterend onderzoek 2, 6 boringen per ha). Hier kunnen mogelijk resten van nog niet bekende nederzettingen en (huis)terpen aanwezig zijn. Resten van vroegmiddeleeuwse veenontginningen kunnen zich eveneens binnen het plangebied bevinden. Nederzettingen uit deze periode hebben een archeologische laag, een cultuurlaag, terpvoet of terpzool. Deze archeologische laag bevindt zich direct onder het maaiveld of kan door latere mariene afzettingen zijn bedekt. Aan de Eastrumer Opfaert ligt een boerderij met een mogelijk middeleeuwse oorsprong en eventueel oudere fases. Op dit terrein staan vooralsnog geen ingrepen gepland en deze dienen vermeden te worden. Bij eventuele ingrepen in de watergang die het terrein omringt dient rekening gehouden te worden met resten uit de IJzertijd – Middeleeuwen. Het plangebied heeft grotendeels een lage archeologische verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Bronstijd. Het dekzand uit het Pleistoceen is afgedekt door veenpakketten en mariene sedimenten. De verwachting op resten uit de Steentijd is daarom laag. Dit maaiveld uit het Laat-Paleolithicum - Mesolithicum helt af richting het noorden.
Aan de landzijde van het voormalige kweldergebied kan er nog Basisveen aanwezig zijn dat niet is geërodeerd en hieronder bevindt zich in de ondiepe ondergrond dekzand. Ten noorden van Tilburen heeft het plangebied volgens de FAMKE een middelhoge archeologische verwachting voor de periode Steentijd-Bronstijd, omdat het dekzand hier opduikt en zich op basis van reeds uitgevoerd onderzoek binnen 2 meter onder het maaiveld ligt. Vanwege de afdekkende lagen is de top van het dekzand mogelijk nog intact en zijn archeologische resten goed geconserveerd. De FAMKE adviseert booronderzoek (Steentijd: karterend onderzoek 3) bij ingrepen groter dan 5000 m2. Advies Op basis van deze gespecificeerde verwachting is het advies om in het plangebied een karterend booronderzoek ter plaatse van enkele zones uit te voeren. Bodemingrepen ter hoogte van het reeds genoemde AMK-terrein moeten bodemingrepen worden voorkomen. Deze zones zijn op de advieskaart weergegeven: 1. Bij ingrepen langs het AMK-terrein bij de Eastrumer Opfaert, bijvoorbeeld in de sloot of watergang, wordt een karterend veldonderzoek (IJzertijd – Middeleeuwen) aanbevolen. Ingrepen op het terrein worden afgeraden gezien het beleid om te streven naar behoud van dit terrein. Mochten er geen ingrepen plaatsvinden op het AMK-terrein of in de
28 (49)
2.
3.
watergang dan kan archeologisch onderzoek achterwege worden gelaten. Indien de ingrepen op grotere afstand van het AMK-terrein plaatsvinden, bijvoorbeeld bij een ligging van het fietspad aan de westzijde van de Opfaert, dan is archeologisch onderzoek niet nodig. Bij ingrepen (groter dan 2500 m2) ter plaatse van getijafzettingen dient karterend veldonderzoek (6 boringen per ha) uitgevoerd te worden. Bij lijnelementen (fietspad) wordt geadviseerd elke 40 meter één boring uit te voeren. Aangezien 2300 meter van de fietsroute ligt in voormalige getij-afzettingen, dienen er 61 boringen verricht te worden (zie figuur 12). Bij ingrepen dieper dan 30 cm en groter dan 5000 m2 ter hoogte van opduikend dekzand dient archeologische onderzoek plaats te vinden (Karterend booronderzoek, 3 boringen per ha). Vooralsnog vindt in deze zone geen diepe bodemverstoring (> 30 cm) plaats. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk.
Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden toch onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de minister verplicht (vondstmelding via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).1 De bevoegde overheid, de gemeente Noardeast-Fryslân, heeft ingestemd met het bureauonderzoek.
Figuur 12 Advies archeologisch vervolgonderzoek 1 https://formulier.cultureelerfgoed.nl/archis/vondstmeldingsformulier
29 (49)
4.3
Ecologie
Wet- en regelgeving Plannen, projecten en andere handelingen dienen getoetst te worden aan de wet- en regelgeving voor natuur. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: − Wet natuurbescherming (Wnb): o Natura 2000-gebieden. De Wnb zorgt voor de bescherming van Natura 2000 gebieden. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn ('door externe werking') op die beschermde natuurgebieden, gelden strenge restricties. o Soorten. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen.
Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen − Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen ecologische hoofdstructuur (EHS), en eventueel gebieden buiten het NNN, zoals weidevogelleefgebieden, akkervogelgebieden en ganzenfoerageergebieden. Het natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden en een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegd gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN. Onderzoek In vervolg op de Ecologische quickscan plan Súd Ie (Oranjewoud, 2012) heeft Altenburg en Wymenga in 2021 de Ecologische beoordeling realisatie fietspad Súd Ie opgesteld. Het rapport is opgenomen in bijlage 7 bij deze bestemmingsplantoelichting. De conclusie uit deze ecologische beoordeling is onderstaand beknopt weergegeven.
Zoals in paragraaf 2.4 beschreven is naar aanleiding van zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan een tracéoptimalisatie doorgevoerd nabij Jouswier. Dit tracédeel is ook ecologisch onderzocht. Het verslag hiervan is in bijlage 8 opgenomen en aan het eind van deze paragraaf staat een korte weergave van het aanvullende onderzoek voor tracédeel 4a. Gebiedsbescherming Wet natuurbescherming: Natura 2000 De plannen veroorzaken geen significant negatieve effecten op natuurwaarden waarvoor het 'Lauwersmeer' en ‘Waddenzee’ is aangewezen als Natura 2000-gebied. Een Aeriusberekening dient de stikstofdepositie inzichtelijk te maken (paragraaf 4.4). Natuurnetwerk Nederland De plannen veroorzaken geen conflict met de ecologische wet- en regelgeving ten aanzien van het NNN. In het ecologisch rapport wordt nog van EHS gesproken omdat deze
30 (49)
benaming nog in de Provinciale verordening wordt gebezigd. In de Ontwerp Omgevingsverordening wordt inmiddels van NNN gesproken. Natuur buiten Natuurnetwerk Nederland De aanleg en het gebruik van het fietspad leidt tot aantasting en verstoring van een beschermd gebied dat aangewezen is als ‘Natuur buiten de EHS’. In lijn met de Verordening Romte van de Provincie is bij de tracékeuze in het onderliggende onderzoek van Arcadis nadrukkelijk rekening gehouden met de natuurwaarden ten opzichte van de ruimtelijke ingreep, zie ook bijlage 1. Daarbij is het effect op natuurwaarden zoveel beperkt als fysiekruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is. Door verder geen brommers en dergelijke toe te staan op het recreatieve fietspad en ook geen openbare verlichting toe te passen wordt aan de bron een effectieve maatregel genomen om de invloedsfeer van het verstoringseffect te beperken. Binnen fase 3 Súd Ie is ook sprake van een bijzondere vorm van mitigerende maatregelen door een deelproject vernatting van de noordoosthoek van het natuurgebied Eanjumer Kolken op te pakken met It Fryske Gea als opdrachtgever. Daarmee wordt dit deel van het natuurgebied niet alleen voor diadrome vissen ontsloten, maar ontstaat ook door een meer vochtige omgevingsbiotoop, dat vervolgens weer een beter broedgebied voor weidevogels is.
Verder maakt de ligging van het fietspad aan de noordoever van de Súd Ie dat ganzen en smienten meer aan de andere kant van de Súd Ie zullen gaan foerageren tijdens het winterseizoen. Dat is in beginsel gunstig voor de natuurwaarde van natuurgebied Eanjumer Kolken ten zuiden van het hier brede water van de Súd Ie. Verder is mede in relatie tot het Programma Súd Ie een deelproject van kleinschalige inrichtingsmaatregelen in het natuurgebied Jouswiersterpolder reeds uitgevoerd door Staatsbosbeheer als eigenaar van dat natuurgebied. Deze kleinschalige inrichtingsmaatregelen hebben een gunstig effect op onder meer de weidevogels. Kortom binnen het Programma Súd Ie wordt gedaan wat redelijkerwijs mogelijk is om een verstoringseffect van het fietspad op weidevogels en ganzen in de beide natuurgebieden buiten de EHS in voldoende mate te compenseren. Weidevogelkansgebied • Door de aanleg van het fietspad gaat door fysieke aantasting en verstoring ongeveer 12 ha weidevogelkansgebied verloren. Dit verlies is meer dan 0,5 ha, zodat er een knelpunt is met het bovengenoemd beschermingsregime van de Verordening Romte. Geadviseerd wordt om hierover in overleg te treden met het bevoegd gezag (Provincie Fryslân) om na te gaan voor welk bedrag er gecompenseerd moet worden. • Door de aanleg en gebruik van het fietspad zal een deel van een goed ontwikkeld weidevogelgebied worden verstoord.
In het rapport wordt geadviseerd om naast een geldelijke compensatie, zoals in het eerste punt aangegeven, ook aandacht te besteden aan kwalitatieve compensatie in de vorm van verbetering van weidevogelbiotopen in de directe omgeving van het plangebied. Hiervoor wordt in de directe omgeving van het plangebied gewerkt aan de verbetering van. weidevogelbiotopen bij de Eanjumer Kolken als kwalitatieve. Daarnaast stort het planbureau Súd Ie een bedrag in het weidevogelfonds, ter financiële compensatie. • Het gebied rondom het fietspad is ook van belang voor overwinterende en doortrekkende steltlopers. Door het fietspad zal ook een deel van dit gebied verstoord worden. De effectafstand is vergelijkbaar met die van weidevogels in het broedseizoen, en daarmee ook de verstoorde oppervlakte.
31 (49)
Zoals in voorgaande alinea onder het kopje Natuur buiten Natuurnetwerk Nederland beschreven is ook ten aanzien van weidevogelgebieden bij de planvorming en tracékeuze zoveel als mogelijk rekening gehouden met de natuurwaarden. In hoofdstuk 2 en in de Verkenning Súd Ie (bijlage 1) is dit nader beschreven en gemotiveerd. Ganzenfoerageergebied Door de aanleg en het gebruik van het fietspad wordt in het ecologisch rapport geconcludeerd dat er aangewezen ganzenfoerageergebied zal worden verstoord en dus verloren gaat. Als verstoringseffect van een fietspad op ganzenfoerageergebied is overdag bij gebruik van het fietspad 50 meter van toepassing. ’s Nachts zal dit effect nihil zijn, omdat openbare verlichting langs het fietspad ontbreekt. Omdat er in principe voldoende alternatieve foerageergebieden voor ganzen en smienten in de omgeving aanwezig zijn, zal dit niet leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van deze soorten. Desondanks wordt geadviseerd om de functionaliteit van het hele foerageergebied voor ganzen en smienten op peil te houden en op een nabijgelegen locatie aanvullende beleidsinitiatieven te nemen. De provincie heeft beleidsmogelijkheden om elders of in de omgeving nieuw ganzenfoerageergebied aan te wijzen bij verlies van foerageergebied.
De beoordeling en motivering hoeveel oppervlak aan foerageergebied voor ganzen op een andere plek nieuw is aan te wijzen voor compensatie ligt bij de provincie. Aan het provinciaal beleid is een regeling voor (oogst-)schadevergoeding verbonden, via agrarische natuurvereniging Waadrâne. Deze is bedoeld voor agrariërs die ganzen op hun landbouwgronden gedogen. Soortbescherming • Ten aanzien van vissen en amfibieën dient de Zorgplicht in acht te worden genomen. Daarom wordt geadviseerd om bij het eventueel uitvoeren van werkzaamheden in de aangrenzende sloten zo veel mogelijk te werken richting een open einde, zodat dieren de mogelijkheid krijgen om te ontsnappen. • Om te voorkomen dat vliegroutes van Meer- en Watervleermuis worden geblokkeerd, is het van belang om eventuele fietsbruggen op een hoogte van meer dan 1,5 meter boven het wateroppervlak aan te leggen. Op deze manier kunnen vleermuizen makkelijk onder de bruggen door vliegen. • Om na te gaan of er een conflict is met de Wnb, wordt geadviseerd om een nader veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van Waterspitsmuis in het plangebied. Een dergelijk onderzoek is alleen nodig bij het vergraven van sloten. Uitkomsten van het onderzoek kunnen effect hebben op de wijze van uitvoeren van de werkzaamheden, waarbij verstoring van de Waterspitsmuis zo veel mogelijk wordt voorkomen.
Onderzoek naar de waterspitsmuis vindt vanuit ecologische overwegingen plaats voorafgaand aan de uitvoering van het project. Dit onderzoek heeft inmiddels plaatsgevonden in november 2021 (bijlage 9). Nadere inspectie heeft tot de conclusie geleid dat het westelijk deel van het plangebied niet geschikt is als leefgebied van de Waterspitsmuis. In het oostelijk deel is de Waterspitsmuis gedurende de onderzoeksperiode niet aangetroffen. Door het plan zal geen leefgebied van de Waterspitsmuis verloren gaan, waardoor er geen conflict is met de Wnb. Binnen het westelijk deel van het plangebied zijn wel soorten aangetroffen waarvoor de provincie Fryslân vrijstelling heeft verleend, namelijk Dwergmuis, Bosspitsmuis en Veldmuis. Op deze soorten is de Zorgplicht van toepassing. • Ten aanzien van overige beschermde soorten geldt dat de geplande werkzaamheden geen conflict met de Wnb veroorzaken, mits door de uitvoering van de geplande werkzaamheden geen broedende vogels en hun nesten worden verstoord. Om dat te voorkomen wordt geadviseerd om de werkzaamheden buiten de periode van het broedseizoen uit te voeren.
32 (49)
Optimalisatie tracédeel 4a In paragraaf 2.4 is de tracéoptimalisatie van deeltracé 4a beschreven. De fietsverbinding tussen de Bergsmawei en de Súd Ie ligt circa 400 meter westelijk dan in het voorkeurstracé, waardoor de route langer de bestaande Bergsmawei volgt. Dit alternatief tracédeel is geanalyseerd op verstoringsafstanden op aanwezige natuurwaarden (bijlage 8). Het gebied waardoor het tracé loop is aangemerkt als weidevogelkansgebied en algemeen ganzenfoerageergebied (voornamelijk weiland zonder specifieke inrichting of beheer). Het tracé volgt de Bersmawei op de rand van de Jouswierpolder dat naast weidevogelkansgebied ook is aangewezen is als natuur buiten EHS (ecologische hoofdstructuur) het huidige NNN (natuurnetwerk Nederland). Rondom het perceel van de Bergsmawei 9 zijn delen specifiek ingericht voor weidevogels door aanleggen van greppels en plasdras en het uitvoeren van nestbescherming en rustperioden (9 mei t/m 22 juni). In de analyse is bepaald welke oppervlakte aanvullend verstoord wordt ten opzichte van de huidige situatie voor het voorkeurstracé en het alternatief tracé. Hierin is onderscheid gemaakt tussen ‘natuur’ en ‘weiland’. Onder natuur worden het natuurgebied de Jouswierpolder en het omgevormd weiland verstaan waar ecologische maatregelen getroffen zijn voor ganzen en/of weidevogels.
Weiland is het gebied zonder specifieke inrichting/beheer voor weidevogels, dit betreft voornamelijk algemeen ganzenfoerageergebied. Ten opzichte van de huidige situatie zijn de volgende afwegingen van belang: • de huidige aanwezigheid van weidevogels en ganzen, ook in de directe omgeving; • de afstand(en) ten opzichte van belangrijk weidevogelkansgebied en ganzenfoerageergebied; • de verstoring en de (toename van) verkeersdrukte. De conclusie van de analyse luidt dat het alternatief tracé geen aanvullende verstoring op natuurgebieden veroorzaakt. Enkel weiland wordt verstoord met een oppervlakte van 1,25 ha. Op basis hiervan is geadviseerd om voor het alternatieve tracé te kiezen. Dit tracé geeft minder aanvullende verstoring van omliggende belangrijk weidevogelkansgebied en ganzenfoerageergebied dan het voorkeurstracé. Ook heeft meegeteld dat de directe omgeving van het voorkeurstraject specifiek is ingericht ten behoeve van weidevogels en ganzen. Een telling uit 2019 geeft aan dat hier belangrijke weidevogelsoorten aanwezig zijn. Deze soorten en specifieke inrichting ontbreken in de directe omgeving van het alternatief tracé. Conclusie Het planvoornemen leidt tot een zekere mate van verstoring van (foerageergebied van) enkele soorten en het gebied dat is aangewezen als ‘natuur buiten de EHS’ en weidevogelgebied.
Het advies uit het onderzoeksrapport luidt om hierover in overleg te treden met de provincie als bevoegd gezag. Dit overleg heeft plaatsgevonden. Met de provincie zijn (financiële) afspraken gemaakt, zoals in de Verordening Romte Fryslân 2014 voorgeschreven. De bevestiging van de afspraken staan in de brief van de provincie in bijlage 10. De provincie bepaalt hoe zij de middelen zo goed mogelijk inzet voor het verbeteren van de weidevogelgebieden en het behoud van de weidevogelstand. 4.4 Stikstof Voor elke vorm van additionele stikstofuitstoot moet aangetoond worden of een significant effect uitgesloten kan worden en zo niet dan dient een vergunning aangevraagd te worden, waaraan een passende beoordeling ten grondslag ligt.
33 (49)
Met de landelijk gebruikte AERIUS Calculator is de stikstofdepositie berekend op alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (gebieden met stikstofgevoelige habitattypen of stikstofgevoelige leefgebieden van soorten) waar een toename is van meer dan 0,00 mol/ha/jaar. Voor de aanlegfase van het fietspad, de waterbelevingsstekjes en de passeerstroken langs de bestaande wegen is de stikstofuitstoot doorgerekend De AERIUSberekening betreft alleen de aanlegfase, omdat tijdens de gebruiksfase van het fietspad geen sprake zal zijn van stikstofuitstoot. De berekening is opgenomen in bijlage 11. Vanwege de realisatie van het Fietspad Súd Ie is er een toename van 0,01 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied De Waddenzee. In alle andere stikstofgevoelige Natura 2000gebieden (waaronder de duinen van de Waddeneilanden) is de toename lager dan 0,00 mol/ha/jaar. Lauwersmeer is enkel aangewezen als vogelrichtlijngebied. In dit gebied komen geen stikstofgevoelige habitattypen of stikstofgevoelige leefgebieden van soorten voor. Dit gebied wordt daarom ook niet meegenomen in de AERIUS berekeningen. Voor de beoordeling van de vergunningplicht gaat het om toename op overbelaste habitattypen. Dat wil zeggen toename op habitattypen met een (naderende) overschrijding van de kritische depositiewaarde.
Uit de AERIUS-berekening is naar voren gekomen dat de maximale toename op een habitattype 0,01 mol/ha/jaar is. Echter deze toename vindt plaats op een locatie die niet is overbelast (de Waddenzee). De hoogste toename op een locatie die wel is overbelast is 0,00 mol/ha/jaar. Significante effecten op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten ten gevolge van stikstofdepositie zijn daarmee uitgesloten. Het aspect stikstofdepositie is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. Hiermee is er voor de projectontwikkeling voor het onderdeel stikstofdepositie ook geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig. Er moet hierbij tijdens de uitvoering wel worden voldaan aan de uitganspunten van het in te zetten materieel, waar de berekening op gebaseerd is. 4.5
Water
Wet- en regelgeving Op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, Bro dient inzicht te worden gegeven in de gevolgen voor de waterhuishouding, die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In deze waterparagraaf wordt uiteengezet of en in welke mate het fietspad langs de Súd Ie gevolgen heeft voor de waterkwantiteit en kwaliteit. Ook het waterveiligheidsaspect in relatie tot de waterkering komt in deze paragraaf aanbod. Deze waterparagraaf is uitgevoerd met inachtname van het Keur Wetterskip Fryslân; in de watertoets wordt uitgebreider ingegaan op het toetsingskader en de uitgangspunten. Op grond van artikel 3.3 van de Keur Wetterskip Fryslan2013 is een watervergunning nodig wanneer een oppervlakte van meer dan 200 m2 onverharde grond wordt bebouwd of verhard. Een grotere toename van het verharde oppervlak leidt mogelijk tot een versnelde afvoer van hemelwater. Zonder watervergunning is de initiatiefnemer verplicht om dit te compenseren. De watertoets is een belangrijk instrument bij het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. Als richtlijn bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werkt Wetterskip Fryslân met de Leidraad Watertoets.
Hierin staat voor alle wateraspecten uitgangspunten omschreven waarmee u rekening moet houden en
34 (49)
is informatie te vinden over de te nemen maatregelen. De leidraad is de te vinden via deze link: www.wetterskipfryslan.nl/vergunningen-wetten-en-regels/online-watertoets-voornieuwe-plannen. Watertoets Als eerste stap om te komen tot een waterparagraaf waarin alle relevante aspecten zijn beschreven is de digitale watertoets doorlopen. In het wateradvies dat Wetterskip Fryslân vervolgens heeft afgegeven zijn de volgende wateraspecten en aandachtspunten benoemd (het advies is in bijlage 12 bij deze bestemmingsplantoelichting opgenomen). Waterkeringen Het deel van het fietspadtracé tussen Ezumazijl en Oostmahorn ligt binnen de ‘beschermingszone binnenkant’ van de secundaire waterkering van het Lauwersmeer. Het betreft hier een opwaardering van het bestaande pad. De werkzaamheden hebben geen invloed op de stabiliteit en de functie van de dijk. Langs de Súd Ie liggen zogeheten ‘lokale waterkeringen’. Het nieuwe fietspad loopt deels over deze kering. Bij de planvoorbereiding is in overleg met het Wetterskip beoordeeld hoe het ontwerp voor de kering met daarop het pad vormgegeven moet worden. Dit ontwerp is de basis voor dit bestemmingsplan geweest. Het belang van waterveiligheid ten aanzien deze lokale keringen is hiermee geborgd.
De huidige bestemmingen en aanduidingen ten behoeve van de bescherming van de waterkering, en die van kracht zijn op de gebieden die binnen het bestemmingsplan Fietspad Súd Ie vallen, zijn opnieuw gevestigd in dit plan. De Súd Ie is aangemerkt als één van de ‘hoofdwateren’ met een belangrijke aan- af- en doorvoerfunctie. Aan weerszijden van een hoofdwatergang ligt een beschermingszone van 5 meter. Deze is nodig voor de bereikbaarheid voor beheer en onderhoud aan de hoofdwatergang. Om in de beschermingszone te mogen bouwen of opgaande beplanting aan te brengen is een Watervergunning op grond van de Waterwet nodig. Dit is het geval voor de waterbelevingsstekjes. De watervergunning volgt een separaat proces. De waterbelevingsstekjes hebben geen invloed op de waterfunctie van de Súd Ie als aan- afen doorvoerkanaal. Kaderrichtlijn water Vanuit de Kaderrichtlijn Water en de Waterwet heeft Wetterskip Fryslân een beslisnota opgesteld waarin de te bereiken ecologische doelen zijn beschreven. Middels inrichting en beheer wordt invulling gegeven aan deze doelen. De Sûd Ie is in dit verband aangemerkt als ’zwak brak polderkanaal’. Het fietspad langs de Sûd Ie staat de ecologische doelen niet in de weg. Toename verharding Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater.
Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Het Wetterskip hanteert hierbij de regel dat een watervergunning nodig is voor het versneld afvoeren van neerslag indien daarbij meer 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. In polders dient minimaal 10% van de toename van verhard oppervlak te worden gecompenseerd met de aanleg van oppervlaktewater. Bij vrije afstroom van het verhard oppervlak is maatwerk mogelijk.
35 (49)
Onderstaande tabel laat zien dat aan de compensatie opgave kan worden voldaan. Ingrepen Nieuwe verharding Te dempen water Nieuw water Verschil
4437 m2 5865 m2
Oppervlakte totaal 14.710 m2
Compensatie (10%) 1.471 m2
1.428 m2
1.428 m2 43 m2
De oppervlaktes zijn bepaald aan de hand van het ontwerp. Nagenoeg het volledig te compenseren areaal oppervlaktewater is aanwezig in het ontwerp. Omdat de verharding vrij afstroomt kan worden gesteld dat het plan in voldoende mate rekening houdt met de compensatieopgave. In het kader van het vooroverleg over het voorontwerp bestemmingsplan heeft het Wetterskip aangegeven geen op- en aanmerkingen ten aanzien van het plan te hebben. Dit vanwege het feit dat het Wetterskip participeert in het project en zich kan vinden in het plan. 4.6
Verkeer
Verwacht gebruik van het fietspad In 2021 is een analyse uitgevoerd naar het verwachte gebruik van het fietspad (bijlage 2). Daaruit komt naar voren dat het fietspad recreatieve potentie heeft, met ongeveer 200 á 250 fietsbewegingen per dag, gedurende de maanden april tot en met september. Deze aantallen zijn afhankelijk van het seizoen, het weer of moment van de week. Het utilitaire gebruik wordt veel kleiner geschat op ongeveer 30 fietsbewegingen per dag. Dat komt doordat er voor de dorpen in de omgeving vaak een directere route van en naar Dokkum aanwezig is dan langs de Súd Ie. Het te realiseren fietspad zal deel uit gaan maken van het recreatieve fietsnetwerk van de regio noord Fryslân en het Lauwersmeergebied. Als de huidige trends op het gebied van toerisme en fietsverkeer doorzetten, is het aannemelijk dat het gebruik van de recreatieve fietsverbinding in de komende jaren na realisatie zal toenemen. Verkeersveiligheid Ten aanzien van het onderdeel verkeersveiligheid zijn twee notities gemaakt. Het eerste is een beoordelingsnotitie van Anteagroup voor de verhoging van de brug in de Saatsenwei uit 2018 (bijlage 13). Het tweede is een Quickscan van Sweco uit 2021 over een verkeersveilige inrichting van de recreatieve fietsverbinding die deels over bestaande paden en wegen loopt (bijlage 14). De conclusies van beide notities worden beknopt weergegeven in deze paragraaf.
Ophoging Saatsenbrêge Onderdeel van het uitvoeringsprogramma Súd Ie en Wetterfront Dokkum is het bevaarbaar maken van de Súd Ie voor middelgrote motorboten. Om dit te realiseren worden alle bruggen over dit water opgehoogd, waaronder de Saatsenbrêge. Bij deze brug wordt met de verhoging ook ruimte gecreëerd om fietsers over het nog te realiseren fietspad over de zuidoever, parallel aan de Súd Ie, onder de Saatsenwei door te geleiden om vervolgens over de verhoogde brug aan de noordkant hun weg te laten vervolgen. In de notitie zijn de effecten van de verhoging van de brug beoordeeld, onder andere in relatie tot conflictkansen met kruisend en/of afslaand verkeer. Omdat het fietspad ongelijkvloers kruist met de Saatsenwei is er sprake van een verkeersveilige situatie. Op de Saatsenbrêge wordt het fietsverkeer gescheiden van het wegverkeer door een geleiderail. Het fietspad wordt hier bovendien iets smaller door een beperkte verbreding van
36 (49)
de brug. Het karakter en de vormgeving van de aansluitende fietspaden en het verwachte gebruik ervan maakt dat de smallere breedte op de brug acceptabel is. Verkeersveiligheid bestaande wegen Voor het thema verkeersveiligheid zijn met name de verkeersafwikkeling over de bestaande wegen en de kruisingen van de fietspaden met wegen belangrijk. Bestaande wegen die worden gebruikt zijn de Esonbuorren, de Hjellingswei, de Weardwei, de Kleasterwei, de Keechsdyk, de Reidswal, de Bergsmawei, de Mellemawei, en de Tichelwei. De situatie op deze plaatsen is verkeersveilig, maar er zijn wel maatregelen denkbaar om de verkeersveiligheid te bevorderen. Op een aantal van deze wegen wordt het fietsverkeer niet gescheiden van het wegverkeer. Formeel geldt op veel van deze wegen in de bestaande situatie een maximumsnelheid van 80 km/uur. Om de verkeersveiligheid te optimaliseren zijn enkele maatregelen denkbaar. Bij een toename van het gebruik van deze wegen voor fietsers en voetgangers is afwaardering naar 60 km/uur mogelijk om de veiligheid voor fietsers en voetgangers, maar ook van de automobilisten te verbeteren. Voor het tracédeel tussen de Wite Brêge en de Weardwei is dit vooral van belang. Hetzelfde geldt voor de andere tracédelen, zoals bij de Saatsenbrêge. De gemeente Noardeast-Fryslân zal hierover te zijner tijd verkeersbesluiten voorbereiden.
De gemeente kan er voor kiezen een groter deel van de polderwegen af te waarderen naar 60 km/uur. Bij dit alles zal ook worden verkend of er de komende jaren inrichtingsmaatregelen genomen moeten worden om er voor te zorgen dat het autoverkeer zich aan de nieuwe maximum snelheid gaat houden. Andere maatregelen die genomen kunnen worden om de fietsverbinding veiliger te maken zijn de aanleg van vergevingsgezinde bermen, verbeteren zichtlijnen, aanleg van gefundeerde grasbetonstenen, wegverbreding, aanleg van passeerplaatsen en fietswachtplaatsen, verleggen van sloten, verbreden van wegen en plaatsing van spiegels en uitwijkmogelijkheden op korte afstand van bochten. Deze maatregelen kunnen binnen de bestaande bestemmingen die op de wegen rusten tot stand worden gebracht en behoeven daarom geen bestemmingswijziging. Hoewel de verkeersveiligheidsmaatregelen niet in dit bestemmingsplan zijn opgenomen maken ze wel deel uit van het totale project Fietspad Súd Ie. Hierdoor kan gesteld worden dat de aanleg van het fietspad geen negatief effect heeft op de verkeers(veiligheids)situatie. Conclusie De aanleg van de fietsverbinding tussen Dokkum en Oostmahorn heeft geen negatief effect op de verkeers(veiligheids)situatie. 4.7
Geluid
Wet- en regelgeving De Wet geluidhinder (Wgh) noemt geluidsbronnen die in de ruimtelijke ordening van belang zijn: wegverkeer, railverkeer en bedrijven. Deze bronnen hoeven niet binnen het plangebied te liggen. De geprojecteerde geluidgevoelige functies binnen de zone van een bron moeten op het aspect geluidbelasting getoetst worden. Wegen die deel uitmaken van een woonerf of van een 30 km-gebied zijn hiervan uitgezonderd. De Wgh benoemt functies die gevoelig zijn voor geluidsbelasting van de genoemde bronnen. Dit zijn bijvoorbeeld woningen en scholen. Betekenis voor het planvoornemen Een fietsverbinding valt niet onder het begrip wegverkeer als bedoeld in de Wet geluidhinder en is dan ook niet onderzoeksplichtig. De fietsverbinding krijgt een geslotenverklaring voor gemotoriseerd verkeer (met uitzondering van elektroscooters). Daardoor vormt de
37 (49)
fietsverbinding geen geluidsbron als bedoeld in de Wet geluidhinder en is bovendien geen geluidgevoelige functie. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de wet- en regelgeving met betrekking tot het thema geluid. 4.8
Luchtkwaliteit
Wet- en regelgeving De Wet Milieubeheer geeft het kwaliteitsniveau aan waaraan de buitenlucht moet voldoen om ongewenste effecten van luchtverontreiniging op de gezondheid van mensen te voorkomen, onder andere als gevolg van het verkeer. In deze wet staan luchtkwaliteitsnormen voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10). Een groot deel van de luchtverontreiniging in Friesland wordt van elders aangevoerd met de wind. Dit geldt vooral voor fijn stof. Met name voor NO 2 komen langs drukke wegen verhoogde concentraties voor. Indien het uitoefenen van bevoegdheden, zoals het vaststellen van bestemmingsplannen, gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, kunnen bestuursorganen die bevoegdheden uitoefenen wanneer aannemelijk is gemaakt dat sprake is van één van onderstaande gevallen (artikel 5.16 Wm): • het bestemmingsplan leidt niet tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden; • de luchtkwaliteit verbetert per saldo door het bestemmingsplan / blijft ten minste gelijk; • het bestemmingsplan draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen; • de ontwikkeling is opgenomen in een vastgesteld programma, zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Betekenis voor het planvoornemen Dit bestemmingsplan voorziet in het realiseren van een fietspad.
Hiermee wordt voldaan aan het criterium dat de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan ten minste gelijk blijft aan het vigerende bestemmingsplan. Verder onderzoek naar het effect van dit plan op de luchtkwaliteit kan achterwege blijven. Conclusie Voor het thema luchtkwaliteit voldoet het planvoornemen aan de wet- en regelgeving. 4.9
Externe veiligheid
Wet- en regelgeving Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Bij een nieuw bestemmingsplan moet het plangebied worden getoetst aan het vigerende beleid voor externe veiligheid. Om de ontwikkeling verder in procedure te kunnen brengen is het noodzakelijk aan te tonen dat de omgeving geen onaanvaardbare risico’s veroorzaakt voor de ontwikkeling. Het plaatsgebonden risico vanwege inrichten en het transport van gevaarlijke stoffen voor kwetsbare objecten mag niet hoger zijn dan de daarvoor geldende grenswaarde. Ook mag de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet worden overschreden en op basis van onderzoek (en advies van de regionale brandweer) moet blijken dat er
38 (49)
voldoende mogelijkheden zijn tot zelfredzaamheid en bereikbaarheid voor hulpverlening en rampenbestrijding. Betekenis voor het planvoornemen Als gevolg van dit bestemmingsplan, dat de aanleg van een extentief gebruikt recreatief fietspad mogelijk maakt, ontstaan geen nadelige gevolgen ten aanzien van externe veiligheid. Het plan maakt geen kwetsbare objecten mogelijk, heeft geen invloed op het plaatsgebonden risico en heeft geen effect op de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de wet- en regelgeving met betrekking tot het thema externe veiligheid. 4.10 Kabels en leidingen en beschermingszones Bij ontwikkelingen is het van belang om te kijken of er door of nabij het besluitgebied kabels, leidingen en hoogspanningslijnen zijn gelegen waar rekening mee gehouden moet worden. Betekenis voor het planvoornemen Uit het vigerend bestemmingsplan en de risicokaart komt naar voren dat er een kabel in het plangebied aanwezig, met een beschermingszone. Het gaat om een dubbelbestemming voor een gastransportleiding van de Gasunie evenwijdig aan de Saatsenwei. Met de Gasunie heeft overleg plaatsgevonden over de aanleg van het fietspad. Binnen het project worden ter plaatse van de dubbelbestemming geen werkzaamheden uitgevoerd die de aanwezigheid en veiligheid omtrent de gastransportleiding in de weg staan.
De dubbelbestemming ter plaatse van de leiding wordt opnieuw gevestigd in dit bestemmingsplan. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Verder zijn er geen kabels en leidingen die een beschermende bestemming behoeven. Conclusie Voor het thema kabels en leidingen voldoet het planvoornemen aan de wet- en regelgeving. 4.11
M.e.r.-beoordeling
Wet- en regelgeving De Europese richtlijn m.e.r. (2011/92/EU) is door de Nederlandse wetgever overgenomen en verwerkt in het Besluit milieueffectrapportage. Hierin zijn de activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-procedure of -beoordeling nodig is. De directe verplichting voor een m.e.r.-procedure (project-m.e.r.-plicht) ontstaat als de voorgenomen activiteit is vermeld in bijlage C van het Besluit milieueffectrapportage, minimaal gelijk is aan de daarbij vermelde drempelwaarden én de activiteit mogelijk wordt gemaakt in één van de in het Besluit milieueffectrapportage aangewezen wettelijke plannen of besluiten. In aanvulling daarop kan een plan-m.e.r.-plicht gelden wanneer significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied niet zijn uit te sluiten. In een dergelijk geval geldt (conform art. 2.7 t/m 2.9 Wet natuurbescherming) de verplichting tot het uitvoeren van een Passende Beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming en conform artikel 7.2a van de Wet milieubeheer daarmee de verplichting tot het uitvoeren van een plan-m.e.r. Daarnaast kan een activiteit m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn op basis van het Besluit milieueffectrapportage.
Dit is het geval wanneer de voorgenomen activiteit is vermeld in onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage, de activiteit minimaal gelijk is aan de vermelde drempelwaarden en de activiteit mogelijk wordt gemaakt in de aangewezen plannen of besluiten. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een m.e.r-procedure nodig.
39 (49)
Voor activiteiten ónder de drempelwaarde van onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage bestaat de verplichting tot een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.beoordeling’. Ook daarbij concludeert het bevoegd gezag of er wel of geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog m.e.r.-procedure nodig. Betekenis voor het planvoornemen De activiteit ‘aanleggen van een fietspad’ is als zodanig niet opgenomen in de activiteitenlijst van het Besluit m.e.r. Het is de vraag of dit project zich laat kwalificeren als een ’landinrichtingsproject’ (categorie D 9 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.). Deze categorie heeft betrekking op een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan. De term ‘landinrichtingsproject’ in het Besluit m.e.r. is echter niet nader gedefinieerd. De term ‘landinrichting’ wordt over het algemeen gebruikt voor maatregelen en voorzieningen als gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) dan wel het reconstructieplan of de uitwerking daarvan als bedoeld in de artikelen 11 en 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden. Deze ontwikkeling betreft niet een dergelijk geval van landinrichting of reconstructie. Echter worden termen van de bijlage bij het Besluit m.e.r. vaak ruimer bedoeld en geïnterpreteerd.
Zo oordeelt de rechtbank van Overijssel dat deze term (blijkens de kolommen 2 tot en 4 van categorie D 9 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) ook betrekking kan hebben op andere grootschalige projecten in het buitengebied dan alleen landinrichtingsprojecten in de zin van de Wilg. Echter is naar het oordeel van deze rechtbank de term ‘landinrichtingsproject’ in categorie D 9 evenwel niet zo ruim dat iedere ontwikkeling in het buitengebied hieronder valt. De categorie is met name bedoeld voor grootschalige projecten in het buitengebied. De aanleg van een recreatief en extensief gebruikt fietspad valt op basis van jurisprudentie niet aan te merken als een grootschalig project in het buitengebied en is daarom niet m.e.r.-beoordelingsplichtig. Conclusie Het project is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig.
40 (49)
5
Juridische toelichting
5.1
Algemeen
Dit hoofdstuk biedt inzicht in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en planregels. De verbeelding heeft een functie als visualisering van de geldende bestemmingen en aanduidingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. In paragraaf 5.2 worden per hoofdstuk de bepalingen toegelicht. De toelichting maakt juridisch geen deel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Omgevingswet Dit bestemmingsplan vindt zijn basis in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en is conform de huidige wet- en regelgeving opgesteld. Na inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingswet zal dit bestemmingsplan, net als de andere huidige gemeentelijke bestemmingsplannen, integraal deel uitmaken van het omgevingsplan. Voor het omgevingsplan zal het overgangsrecht uit de Invoeringswet Omgevingswet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet gelden. De ‘overgangsfase’ geldt tot 2029.
In deze fase kan de gemeente de huidige regels uit bestemmingsplannen omzetten naar het nieuwe omgevingsplan. 5.2
Beschrijving van de bestemmingen
De regels moeten in samenhang met de verbeelding worden gelezen, waarbij een bestemming op de verbeelding verwijst naar het corresponderende artikel in de regels. In het bestemmingsplan komen de volgende bestemmingen voor: − Agrarisch − Verkeer − Verkeer – Fiets en voetpaden − Water − Leiding – Gas − Waarde - Archeologie De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zijn de diverse regels artikelsgewijs besproken. Hoofdstuk 1 Inleidende regels In hoofdstuk 1 staan de inleidende bepalingen van de regels beschreven. Artikel 1: Begrippen Artikel 1 geeft de betekenis aan een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie van de begrippen vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot. Artikel 2: Wijze van meten Het tweede artikel geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend.
41 (49)
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die in het plangebied voorkomen. De artikelen bevatten de regels die direct verband houden met de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Bij de indeling van de bestemmingsregels is conform de SVBP 2012 een vaste volgorde aangehouden. De regels van de bestemmingen in dit plan zijn als volgt opgebouwd en benoemd (niet alle onderdelen komen in iedere bestemming voor): − bestemmingsomschrijving (omschrijving van de toegestane functies en gebruiksdoelen); − bouwregels (regels waaraan de bebouwing dient te voldoen); − afwijking van de bouwregels (regels op grond waarvan in concrete situaties onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van de bouwregels); − specifieke gebruiksregels (omschrijving van functies en werkzaamheden die als strijdig met de bestemming moeten worden aangemerkt); − omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalige aanlegvergunningplicht) Hiermee worden bepaalde beschreven grondwerkzaamheden vergunningplichtig. Hieronder worden de verschillende bestemmingen inhoudelijk toegelicht. Artikel 3 Agrarisch Tijdens de aanleg van het fietspad en de recreatieve voorzieningen is meer ruimte nodig dan de gronden waarop het fietspad is gepland.
Een strook van circa 15 langs het pad is nodig voor zaken als het werkverkeer, parkeergelegenheid voor personeel en materieel en opslag van materialen. Juridisch gezegd: deze zone is nodig om de bestemming te kunnen verwezenlijken. Om deze reden is een stook langs het fietspad van de agrarische bestemming voorzien, waarbinnen volgens de bestemmingsomschrijving, lid 3.1 onder d, ook de tijdelijke rij- en werkstroken mogelijk zijn voor zover gelegen binnen de op de verbeelding aangegeven aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - tijdelijke rij- en werkstrook'. Als het fietspad en de bijbehorende voorzieningen, zoals de waterbelevingsstekjes, gereed zijn kan het college de aanduiding verwijderen op grond van lid 3.5. De bestemming Agrarisch is eveneens van toepassing op de ontsluitingssituatie van twee boerderijen aan de Mellemawei. De huidige weg zal de functie als toegangspad richting de boerderijen behouden, maar zal geen deel meer uitmaken van de openbare weg. Hierin voorziet een nieuw deel van het fiets- en voetpad dat ook een functie krijgt als toegangspad naar de achtergelegen woonboerderij. De ontsluiting van de boerderijen kan hiermee binnen de bestemming agrarisch worden gebracht, zoals dat over het algemeen geregeld is in het bestemmingsplan Buitengebied.
Inhoudelijk is de bestemming zoveel mogelijk in overeenstemming gelaten met de geldende bestemming in het buitengebied. Dat betekent dat de bestemming, naast de agrarische gebruiksfunctie, ook tot doel heeft de landschappelijk en natuurlijke waarden zoveel mogelijk te beschermen. Het oprichten van gebouwen binnen deze bestemming is dan ook niet mogelijk. In de bestemming is een opsomming van werkzaamheden gegeven waarvoor een vergunning moet worden verkregen voordat deze werkzaamheden mogen worden uitgevoerd. Hierbij geldt als toetsingskader dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden van het open landschap en de cultuurhistorische en archeologische waarden.
42 (49)
Artikel 4 Verkeer Voor het ophogen van de Saatsenbrêge zijn gronden nodig om het talud te kunnen verbreden en verhogen. Omdat deze gronden bij de functie van de Saatsenwei horen zijn ze van dezelfde verkeersbestemming voorzien. Het tracé van de weg zelf, dat voor de ophoging van de brug al een toereikende verkeersbestemming heeft, is buiten het plangebied gelaten. Artikel 5 Verkeer – Fiets en voetpaden Het hele tracé van de nieuw aan te leggen fiets-/voetpaden is van de bestemming Verkeer – Fiets- en voetbaden voorzien. De bestemming volgt het pad langs de Súd Ie en de aantakkingen van het pad op de bestaande wegen bij de Bergsmawei, Mellemawei en de 39 (42) Tichelwei. Ter plaatse van het lokaal recreatief overstappunt bij Jouswier ligt de bestemming op de verbinding vanaf de Humaldawei naar het overstappunt. Binnen de bestemming komen de volgende aanduidingen voor: de lokale recreatieve overstappunten zijn voorzien van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – LROP’. Ten behoeve van deze functie zijn overkappingen met een hoogte van 3 meter toegestaan en bouwwerken mogen maximaal 5 meter hoog zijn. daar waar het fiets-/voetpad op waterkeringen ligt, waarvoor in het nu vigerend plan ook al een bestemming of aanduiding Waterkering geldt, zijn deze overgenomen. De aanduiding ligt op het tracé langs de Lauwerszeedijk en deels op het tracé oostelijk van de Kriensenwei.
Binnen de aanduiding zijn bouwwerken en gebouwen ten behoeve van de waterkering toegestaan. op de aan de zuidzijde van de Súd Ie gelegen gronden van It Fryske Gea, nabij de Saatsenbrêge, is de aanduiding ‘natuur’ gelegd. Dit om tot uitdrukking te brengen dat de lus van het fietspad om van de onderdoorgang onder de brug tot op de brug te komen ligt in het gebied dat momenteel een natuurbestemming heeft. Voor de aanduidingen ‘waterkering’ en ‘natuur’ is in lid 5.4 van dit artikel een opsomming gegeven van zaken die in ieder geval als strijdig met de aanduiding moeten worden beschouwd. Dit ter bescherming van de werking van de waterkering en de natuurfunctie. Inhoudelijk is de bestemming afgestemd op de bestemming van de al bestaande recreatieve fiets- en voetpaden in de gemeente. Ook deze hebben de bestemming Verkeer – Fiets- en voetpaden. Artikel 6 Water Ter plaatse van de twee waterbelevingsstekjes is de bestemming Water van toepassing. Dit vanwege het feit dat de stekjes in de waterlijn en boven het water zijn gesitueerd. De begrenzing van de aanduiding aan de waterzijde is afgestemd op de rand van de steiger. Hiermee is gegarandeerd dat de verplichte doorvaartbreedte vrij blijft, ook als er vaartuigen aangemeerd liggen. Inhoudelijk sluit de bestemming aan op de waterbestemming uit het plan Wijziging van het Bestemmingsplan Bûtengebiet.
Hier is de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – waterbelevingsstekje’ aan toegevoegd met de bijbehorende bouwregels. De uitzichtpunten ter plaatse van de waterbelevingsstekjes mogen maximaal 6 meter hoog zijn, gemeten vanaf N.A.P., zoals opgenomen in het begrip Peil in de begripsomschrijvingen in artikel 1. Artikel 7 Leiding – Gas Aan de oostzijde van de Saatsenbrêge kruist het fietspad de hoofdgasleiding die langs de Saatsenwei ligt. Ter plaatse is de bubbelbestemming Leiding – Gas opnieuw gevestigd. Deze bestemming strekt tot het beschermen van het functioneren de leiding.
43 (49)
Artikel 8 en 9 Waarde – Archeologie 1 en 2 Volgens het archeologisch bureauonderzoek, zoals in paragraaf 4.2 beschreven, kruist het fietspadtracé op enkele plaatsen potentieel archeologisch waardevol gebied. Hier zijn mogelijk resten uit de IJzertijd – Middeleeuwen en Steentijd - Bronstijd aanwezig. De archeologische lagen bevinden zich direct onder het maaiveld of kan door latere mariene afzettingen zijn bedekt. Voor de waarden uit de IJzertijd – Middeleeuwen is in de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 1 is geregeld dat ingrepen met een grotere oppervlakte dan 2.500 m2 of dieper dan 30 cm beneden maaiveld, vergunningplichtig zijn. Voor de waarden uit de Steentijd – Bronstijd is de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2 opgenomen. Hiervoor geldt de vergunningplicht voor ingrepen met een grotere oppervlakte dan 5.000 m2 of dieper dan 30 cm beneden maaiveld. Een vergunning kan worden verkregen als nader archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden waarin de archeologisch waarden in voldoende mate zijn vastgesteld en is aangegeven op welke wijze de waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. Hoofdstuk 3 Algemene regels Deze artikelen bevatten algemene regels die op de bestemmingen van toepassing zijn. De diverse artikelen zullen hieronder kort worden toegelicht.
Artikel 10 Anti-dubbeltelregel Deze regeling, waarvan de tekst overeenkomstig het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald, is bedoeld om te zorgen dat gronden waarvoor een vergunning is verleend, niet nogmaals worden meegeteld voor een vergunning. Artikel 11 Algemene gebruiksregels In dit artikel is aangegeven welke gebruiksvormen in ieder geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Door deze regeling op te nemen sluit het strijdig gebruik aan bij de naast het fiets-/voetpad gelegen agrarisch gebied. Artikel 12 Algemene aanduidingsregels Binnen het plangebied is één gebiedsaanduiding opgenomen. Deze gebiedsaanduiding betreft de ‘vrijwaringszone – recht van afpaling’. Deze gebiedsaanduiding heeft tot doel de rust in het gebied rondom eendenkooien te beschermen. Het is niet toegestaan de rust in dat gebied zodanig te verstoren dat daarmee het functioneren van eendenkooien wordt geschaad. Het recht van afpaling is belangrijk omdat geregistreerde kooien worden beschermd door de Flora- en faunawet en gebruik mogen maken van het afpalingsrecht. Met dit recht kan de kooiker rust in de omgeving van zijn eendenkooi van rechtswege afdwingen. Artikel 13 Algemene afwijkingsregels In het bestemmingsplan zijn algemene regels opgenomen om af te kunnen wijken van het bestemmingsplan bij omgevingsvergunning.
Deze afwijkingen van de regels zijn bedoeld om de nodige flexibiliteit in het plan te brengen, zodat kan worden gereageerd op onvoorziene omstandigheden. Het gaat daarbij om relatief kleinschalige ruimtelijke ingrepen. Bij grotere ingrepen ligt het voor de hand dat door middel van een planherziening te doen. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de laatste bepalingen van de bestemmingsregels. Hieronder worden de verschillende artikelen toegelicht.
44 (49)
Artikel 14 Overgangsrecht Het overgangsrecht is tweeledig en heeft betrekking op bouwwerken en gebruik. Hierin is geregeld dat bestaande bouwwerken mogen worden gehandhaafd en bestaand gebruik mag worden voortgezet. Ook mogen bestaande bouwwerken gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, mits de afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot. Gelet op de jurisprudentie wordt onder gedeeltelijk vernieuwen of veranderen verstaan het renoveren dan wel verbouwen van een bouwwerk, dat er niet toe mag leiden dat in een betrekkelijk korte periode in feite een compleet nieuw bouwwerk wordt gerealiseerd. Artikel 15 Slotregel Dit artikel geeft de naam van het bestemmingsplan aan.
45 (49)
6
Inspraak en overleg
6.1 Inspraak In het kader van de inspraak heeft het college het voorontwerpbestemmingsplan vrijgeven, zodat bewoners en belangstellenden hierop kunnen reageren. Dit is een vast onderdeel van een goede voorbereiding van het plan. De inspraakperiode is langs de gebruikelijke weg kenbaar gemaakt, met daarbij de aankondiging van een informatiebijeenkomst. Deze heeft plaatsgevonden op 6 juli 2021 in de eerste week van de ter inzag periode van zes weken. Vanwege COVID 19 konden belangstellenden zich op vooraf bepaalde tijdstippen laten informeren over het bestemmingsplan en onderliggende stukken. Een samenvatting van de inspraak is in bijlage 15 opgenomen. Het inspraakverslag heeft deel uitgemaakt van de besluitvormingsstukken van het ontwerp bestemmingsplan. Voor zover de inspraak daartoe aanleiding toe gaf, zijn de wijzigingen doorgevoerd in het ontwerpplan. Het ontwerpbestemmingsplan gaat de wettelijke vaststellingsprocedure in (zie paragraaf 6.3). De resultaten van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan worden te zijner tijd ingevoegd. 6.2 Vooroverleg Instanties die blijkens hun werkterrein, belangen vertegenwoordigen of bevoegdheden krachtens de Wro hebben, worden bij de totstandkoming van bestemmingsplannen betrokken in het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).
De gemeente heeft dit plan toegestuurd aan de provincie Fryslân, de Brandweer en Wetterskip Fryslân. De Brandweer heeft aangegeven geen opmerkingen ten aanzien van het voorontwerpplan te hebben. Het Wetterskip heeft aangegeven geen op- en aanmerkingen ten aanzien van het plan te hebben. Dit vanwege het feit dat het Wetterskip participeert in het project. De brief van de provincie is onderstaand samengevat en voorzien van het standpunt van het college. Provincie Friesland Archeologie en cultuurhistorie De provincie geeft aan er van uit te gaan dat er nader onderzoek wordt uitgevoerd naar archeologische waarden ter plaatse van de aan te leggen sloot en dat de resultaten in het ontwerpbestemmingsplan worden verwerkt. Verder vindt de provincie de paragraaf cultuurhistorie erg op hoofdlijnen en vraagt nader in te gaan op mogelijke relevante waarden. Ook vraagt de provincie aandacht voor materiaal- en kleurgebruik passend in het landelijk gebied, voor de kleinschalige voorzieningen. Reactie:
In het archeologisch onderzoek, dat in paragraaf 4.2 is beschreven, is geconstateerd dat er mogelijk archeologisch sporen aangetroffen kunnen worden op twee plaatsen langs het tracé waar in het planvoornemen sloten zijn gepland. Ter plaatse van deze middelhoge archeologische verwachting dient vooraf karterend booronderzoek te worden uitgevoerd. Om te borgen dat dit gebeurt, is in het bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen. De archeologische waarden zijn hiermee planologisch goed beschermd. Voorafgaand aan de aanleg van het fietspad zal het karterend onderzoek uitgevoerd moeten worden. In hoofdstuk 2 van de bestemmingsplantoelichting is onder andere een cultuurhistorische beschrijving van het gebied opgenomen. Deze is gebaseerd op de cultuurhistorische informatie uit de rapporten die in de bijlagen bij het bestemmingsplan zijn opgenomen, zoals de Verkenning (bijlage 1) en het
46 (49)
Archeologisch onderzoek (bijlage 6). Ook de Landschapsbiografie van de gemeente Noardeast-Fryslân is hiervoor geraadpleegd. Met name uit de Verkenning blijkt dat in de analyse om tot de voorkeursvariant te komen ook de ontstaansgeschiedenis en de daaruit voortvloeiende cultuurhistorische waarden zijn betrokken. De relevante en/of aangetroffen historische elementen zijn hierin nadrukkelijk betrokken. We zijn het met de provincie eens dat de kleinschalige voorzieningen in en langs de fietsverbinding passend moeten zijn bij het gebied. Bij de verdere uitwerking en detaillering zal dit een belangrijke wegingsfactor zijn. Natuur buiten EHS en weidevogelkansgebied De uitkomsten van de gesprekken tussen het projectbureau Súd Ie en de provincie over de weidevogelcompensatie dienen te worden opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Het plan dient ook aandacht te schenken aan de verantwoording van de ruimtelijke ingreep op basis van de Verordening Romte, waarbij de ingreep van openbaar belang moet zijn en de natuurwaarden ten opzichte van de ruimtelijke ingreep moeten zijn afgewogen. Schade dient zoals gezegd te worden gemitigeerd of gecompenseerd, waarbij het in geval van weidevogelkansgebied om financiële compensatie gaat en deze voor vaststelling van het plan is gestort in het provinciale weidevogelfonds. Reactie:
Zoals in de overlegreactie beschreven is er overleg geweest tussen het projectbureau Súd Ie en de provincie over de compensatie van verlies aan weidevogelkansengebied. Inmiddels zijn hierover afspraken gemaakt. Deze zijn beschreven we in de toelichting van het bestemmingsplan. Voor de volledigheid is nu in paragraaf 3.2 artikel 7.2.4. van de Verordening Romte Fryslân opgenomen omdat hier expliciet aan is getoetst. De voorgenomen ontwikkeling dient gezien de recreatieve en economische ambities het openbaar belang. In hoofdstuk 2 van de bestemmingsplantoelichting en in de Verkenning (bijlage 1) is beschreven dat landschap en natuurwaarden belangrijke wegingsfactoren zijn geweest om tot dit project en de keuze tot een tracé te komen. Bij het vaststellen van de voorkeursvariant heeft de raad (besluit 4 juni 2020) deze informatie betrokken en heeft daarmee een gedegen integraal afgewogen besluit kunnen nemen.