CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

B-4 (Plan)Toelichting en (Plan)Regels

It Debat 7 december 2023, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Debat - Administratieve onteigeningsprocedure t.b.v. bestemmingsplan ‘Fietspad Súd Ie’32.677 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Rapport Projectnummer: 374308 Referentienummer: Toelichting ontwerp Bestemmingsplan Sud Ie_12 jan 2022.docx Datum: 12-01-2022

Bestemmingsplan Fietspad Súd Ie Toelichting

Status: Vaststellingsversie

Opdrachtgever: Programmabureau Súd Ie De heer. W. Hoeksma Postbus 13 9290 AA KOLLUM

Sweco Rozenburglaan 11 9727 DL Groningen Postbus 7057 9701 JB Groningen

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V.

Daniël Peereboom

Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

M +31 6 53 60 73 34

Verantwoording Titel

Bestemmingsplan Fietspad Súd Ie

Subtitel

Toelichting

Projectnummer

374308

Referentienummer

Toelichting ontwerp Bestemmingsplan Súd Ie_12 jan 2022.docx

Datum

12-01-2022

Auteur

Daniël Peereboom

E-mailadres

daniel.peereboom@sweco.nl

Gecontroleerd door

Alice Schuiling

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Tim Verver

Paraaf goedgekeurd

2 (49)

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................. 5

1.1

Aanleiding ................................................................................................................ 5

1.2

Ligging en begrenzing ............................................................................................. 5

1.3

Vigerende bestemmingsplannen ............................................................................. 6

1.4

Leeswijzer ................................................................................................................ 7

2

Planbeschrijving .................................................................................................... 8

2.1

Gebiedstypering....................................................................................................... 8

2.1.1

Landschap ............................................................................................................................8

2.1.2

Cultuurhistorie .......................................................................................................................9

2.1.3

Huidige situatie .....................................................................................................................9

2.2

Het belang van de fietsverbinding ......................................................................... 11

2.3

Recreatieve en toeristische potentie ..................................................................... 12

2.4

Planinhoud ............................................................................................................. 13

2.4.1

Fietspad de Súd Ie, het voorkeurstracé ..............................................................................13

2.4.2

Waterbelevingsstekjes ........................................................................................................17

3

Beleidskader ........................................................................................................ 20

3.1

Rijk ......................................................................................................................... 20

3.2

Provincie ................................................................................................................ 21

3.3

Regionaal beleid .................................................................................................... 23

3.4

Gemeente .............................................................................................................. 25

3.5

Conclusie ............................................................................................................... 26

4

Omgevingsaspecten ........................................................................................... 27

4.1

Bodem ................................................................................................................... 27

4.2

Archeologie en cultuurhistorie ............................................................................... 27

4.3

Ecologie ................................................................................................................. 30

4.4

Stikstof ................................................................................................................... 33

4.5

Water ..................................................................................................................... 34

4.6

Verkeer .................................................................................................................. 36

4.7

Geluid .................................................................................................................... 37

4.8

Luchtkwaliteit ......................................................................................................... 38

4.9

Externe veiligheid .................................................................................................. 38

4.10

Kabels en leidingen en beschermingszones ......................................................... 39

4.11

M.e.r.-beoordeling.................................................................................................. 39

5

Juridische toelichting ......................................................................................... 41

5.1

Algemeen ............................................................................................................... 41

3 (49)

5.2

Beschrijving van de bestemmingen ....................................................................... 41

6

Inspraak en overleg ............................................................................................. 46

6.1

Inspraak ................................................................................................................. 46

6.2

Vooroverleg ........................................................................................................... 46

6.3

Van ontwerp naar vaststellingsversie .................................................................... 48

7

Uitvoerbaarheid ................................................................................................... 49

7.1

Financiële uitvoerbaarheid .................................................................................... 49

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................... 49

Bijlagen: Bijlage 1

Rapport Verkenning fietspad Súd Ie, Arcadis (2020)

Bijlage 2

Analyse gebruik fietspad, Sweco (2021)

Bijlage 3

Feitenrelaas fietspad Sud Ie - Belanghebbenden tracé 4 en 5 (2020)

Bijlage 4

Reactie op Feitenrelaas, Arcadis (2021)

Bijlage 5

Fietspad Súd Ie aanpassing deeltracé 4a_Arcacis (2021)

Bijlage 6

Archeologisch onderzoek Fietspad Súd Ie, Sweco (2022)

Bijlage 7

Ecologische beoordeling fietspad Súd Ie, Altenburg en Wymenga (v2, 2021)

Bijlage 8

Aanvulling ecologisch onderzoek - Waterspitsmuis_A&W (2021)

Bijlage 9

Optimalisatie tracédeel 4a – ecologie, Arcadis (2021)

Bijlage 10

Afstemming weidevogels – brief provincie Fryslân (2021)

Bijlage 11

AERIUS-berekening (mei 2021)

Bijlage 12

Wateradvies Wetterskip Fryslân – digitale watertoets (2021)

Bijlage 13

Beoordelingsnotitie verhoging brug Saatsenwei, Antea (2018)

Bijlage 14

Verkeerskundige quickscan Súd Ie, Sweco (2021)

Bijlage 15

Inspraakverslag

Bijlage 16

Nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

4 (49)

1

Inleiding

1.1 Aanleiding De gemeente Noardeast-Fryslân werkt sinds 2013 samen met de provincie Fryslân en Wetterskip Fryslân aan het uitvoeringsprogramma Súd Ie en Wetterfront Dokkum. Doel van het programma is het opwaarderen van recreatieve verbindingen in de regio om recreatie en toerisme gericht op cultuurhistorie, natuur, watersport en sportvisserij te bevorderen en ecologische en landschappelijke waarden te versterken. De uitvoering van het programma maakt het mogelijk om naast de vaarverbinding Súd Ie ook de ontbrekende fietsverbinding in het fietsroutenetwerk tussen de recreatieve speerpunten Dokkum en Oostmahorn te gaan maken. Het fietspad zal ook door wandelaars gebruikt kunnen worden. Omdat het pad wordt uitgevoerd als fietspad wordt in deze toelichting van fietspad gesproken. Het uitvoeringsprogramma Súd Ie en Wetterfront Dokkum is in lijn met het vigerend beleid van de gemeente, zoals verderop in deze toelichting beschreven. Het programma bestaat uit drie verschillende uitvoeringsfases, die elkaar beïnvloeden en versterken. Fase 1 bestaat uit het op diepte brengen van het vaarwater van de Súd Ie, de aanleg van vispassages en het ecologisch verrijken van de oevers. De tweede fase bestaat uit het op hoogte brengen van de bruggen over de Súd Ie, zodat motorboten de route van Dokkum naar Oostmahorn kunnen bevaren. De eerste twee fasen zijn inmiddels nagenoeg afgerond.

Fase 3, de laatste fase, bestaat onder andere uit het realiseren van een fietspad langs de Súd Ie, het maken van enkele toeristisch-recreatieve rustpunten langs de route (waterbelevingstekjes) en enkele lokale recreatieve overstappunten. Fase 3 is daarmee de complementerende stap die het programma Súd Ie en Wetterfront Dokkum tot afronding brengt. Ten behoeve van de realisatie van het fietspad langs de Súd Ie heeft adviesbureau Arcadis een tracéonderzoek uitgevoerd, dat geresulteerd heeft in een voorkeurstracé (bijlage 1). De gemeenteraad van Noardeast-Fryslân heeft in juni 2020 met dit voorkeurstracé ingestemd (zaaknr. 2020 / Z266622-2020). Dit voorkeurstracé is als vertrekpunt genomen voor dit bestemmingsplan. Het fietspad, de waterbelevingsstekjes en de lokale recreatieve overstappunten, passen niet geheel binnen de vigerende bestemmingsplannen. Om de voorgenomen plannen juridischplanologisch mogelijk te maken, dient daarom een nieuw bestemmingsplan te worden vastgesteld voor de delen van de route die niet de bestaande wegen volgen. De nieuwe delen van de route krijgen hiermee een eenduidige bestemming, afgestemd op de bestemming van andere recreatieve paden binnen de gemeente. Voorliggend document bevat de toelichting bij de bestemmingsplanregels en de verbeelding.

1.2 Ligging en begrenzing In figuur 1 zijn de beoogde fietsverbinding langs de Súd Ie tussen Dokkum en Oostmahorn en de waterbelevingsstekjes weergegeven. De fietsverbinding is in totaal circa 12 kilometer lang. Hiervan wordt circa 8 kilometer nieuw fietspad gerealiseerd. De overige 4 kilometer bestaat uit bestaande wegen waar enkele maatregelen worden genomen om de verkeersveiligheid te verbeteren. Op deze delen van de fietsverbinding blijft ook het reguliere verkeer gebruik maken van de wegen. De route van de recreatieve verbinding volgt zoveel mogelijk de Súd Ie om de beleving van fietsen langs het water te stimuleren. De aanlegplaats van de Marrekrite onder Metslawier ligt halverwege de vaar- en fietsroute Súd Ie bij de provinciale bruggen in de Humaldawei. Deze plek wordt voor fietsers ontsloten.

5 (49)

Naast de fietspaden wordt voorliggend bestemmingsplan ook gebruikt om de realisatie van twee waterbelevingsstekjes mogelijk te maken. Dit zijn toeristisch-recreatieve rustpunten aan het water waar zowel waterrecreanten als fietsers en wandelaars gebruik van kunnen maken. Het ene waterbelevingsstekje ligt oostelijk van de Kriensenwei en het andere stekje noordelijk van de Bergsmawei. Tot slot worden er twee lokale recreatieve overstappunten gemaakt. Deze zijn gelegen op logische punten aan het water en hebben enkele voorzieningen zoals een aanlegsteiger en een picknicktafel. Het ene lokale recreatieve overstappunt ligt nabij de Hjellingswei en het andere lokale recreatieve overstappunt ten noorden van Jouswier.

Figuur 1 Ligging fietspad langs de Súd Ie

In bovenstaande figuur is ook het te realiseren pad tussen Dokkum en het Bolwerk langs de Lauwersseewei te zien. Dit stukje van de fietsverbinding langs de Súd Ie maakt geen deel uit van dit bestemmingsplan omdat het planologisch al is geregeld in onderliggend bestemmingsplan ter plaatse en qua uitvoering geen deel uitmaakt van het project fietsverbinding Súd ie. 1.3 Vigerende bestemmingsplannen Het plangebied is nu geregeld in drie bestemmingsplannen, namelijk: • bestemmingsplan Dokkum Regiostad, vastgesteld op 28 juni 2018; • bestemmingsplan Bûtengebiet Dongeradeel, vastgesteld op 27 juni 2013; • bestemmingsplan Wijziging van het Bestemmingsplan Bûtengebiet, vastgesteld op 18 mei 2015; • bestemmingsplan Bûtengebiet Dongeradeel, herziening 2015, vastgesteld op 31 maart 2016.

6 (49)

In de bestemmingsplannen is de bestaande situatie vastgelegd, waaronder agrarische gebieden en bestaande wegen en de Súd Ie. Hoewel recreatief medegebruik in de onderliggende bestemmingen mogelijk is, is er voor gekozen voor de nieuw aan te leggen paden een nieuw bestemmingsplan op te stellen met een nieuwe bestemming ‘Verkeer – Fiets- en voetpaden’. Agrarisch medegebruik blijft ook mogelijk binnen de nieuwe bestemming. De bovenstaande bestemmingsplannen worden op de locatie van het fietspad vervangen door nieuwe enkel- en dubbelbestemmingen van het bestemmingsplan Fietspad Súd Ie. 1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is een uitgebreide beschrijving van het plan weergegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op voor dit bestemmingsplan relevant Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. In hoofdstuk 4 komen de milieuaspecten aan bod en de daaraan verbonden onderzoeken. Hoofdstuk 5 bevat een beschrijving van het juridisch deel van het bestemmingsplan. Hoofdstuk 6 gaat vervolgens in op de verantwoording van inspraak en overleg. In hoofdstuk 7 komt de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid aan de orde.

7 (49)

2

Planbeschrijving

Dit hoofdstuk beschrijft het algemeen belang van de recreatieve fietsverbinding langs de Súd Ie en de relatie van de fietsverbinding tot haar landschappelijke en cultuurhistorische omgeving. Allereerst wordt de ontstaansgeschiedenis van het landschap en de bewoning kort beschreven. Daarna wordt de huidige situatie geschetst en tot slot volgt de nut en noodzaak van het plan en de planinhoud. 2.1

Gebiedstypering

2.1.1 Landschap Het gebied waardoor de Súd Ie stroomt maakt deel uit van het Lauwersmeergebied. De oorspronkelijke Lauwerszee (nu het Lauwersmeer) is van oorsprong een inham van de Waddenzee in de Waddenkust. Het is ontstaan doordat de zeeslenken het Dokkumer Grutdjip, de Dokkumer Ie en de Peazens en de rivieren de Lauwers en het Reitdiep hier uitmondden in de Waddenzee. De vroegere dynamiek van de Waddenzee en de Waddenkust is nog altijd herkenbaar in het kustgebied rond de Lauwersmeer. De Súd Ie is bijvoorbeeld een oude zeeslenk die het land verbond met de zee. Qua landschap valt het plangebied volgens de Landschapstypenkaart van de provincie Fryslân in het kleigebied van Oostergo. Dit landschap is ontstaan vanaf ± 500 na Chr. als gevolg van landaanwas en de latere landwinning. Oostergo wordt gekenmerkt door kwelderwallen, kweldervlakten en een kleiterpengebied. Vanaf Dokkum naar Ezumazijl stroomt de Súd Ie door een kweldervlakte, een kwelderwal en tot slot weer een kweldervlakte om uiteindelijk uit te monden in het Lauwersmeer (figuur 2). De laaggegelegen gronden bestaan uit zware zeeklei met veelal open graslanden, begrensd door dijken. De dorpen liggen op de hogere gronden aan de randen van de kweldervlakten.

Figuur 2 Landschappen en functies (Bron: Schetsboek Súd Ie, Antea, 2014)

8 (49)

Op de lager gelegen delen is in de Middeleeuwen op grote schaal veen afgegraven voor de zoutwinning. Door de zoute veenlagen in de bodem uit te graven, vervolgens te verbranden en de as uit te koken, werd het zout uit de bodem gewonnen. De percelen kwamen hierdoor nog lager te liggen. In het natuurgebied De Kolken en Jouswierpolder zijn op deze wijze grote oppervlaktes veen afgegraven. Deze gebieden zijn vandaag de dag duidelijk in het landschap te herkennen door hun uitgestrektheid en lagere ligging. Een uitgebreide beschrijving van het ontstaan van het landschap is te vinden in de onlangs verschenen Landschapsbiografie Noardeast-Fryslân, It Ferhaal van it Lânskip. 2.1.2 Cultuurhistorie In de Verkenning fietspad Súd Ie (2020) dat in bijlage 1 is opgenomen is een uitgebreide beschrijving van de cultuurhistorische waarden van het gebied opgenomen. Onderstaande paragraaf is hier een verkorte weergave van. Een uitgebreidere analyse is te vinden in de Landschapsbiografie Noardeast-Fryslân dat de gemeente recent heeft laten maken. Noardeast-Fryslân kent een rijke cultuurhistorie, mede gevormd door de strijd en omgang met de zee. Deze strijd met de zee is vaak nog zichtbaar door de historische sluizen, terpen, beschermde dorpsgezichten en rijksmonumenten. De eerste bewoning in het gebied ontstond op de relatief hoog gelegen kwelderwal.

De bewoners wierpen terpen op om zich te beschermen tegen hoog water. Later maakten de bewoners dijken om zich nog beter tegen het water te kunnen beschermen. Daarmee verloren de terpen hun oorspronkelijke functie. Ze zijn echter nog steeds goed in het landschap zichtbaar. Aalsum, Wetsens, Oostrum, Metslawier, Jouswier, Ee en Anjum zijn bijvoorbeeld terpen die nabij het fietspad liggen. Deze terpdorpen kenmerken zich door de hoger gelegen positie in het landschap en de aanwezigheid van een kerk. De dorpen hebben een karakteristieke ronde opbouw. Naast de terpdorpen zijn er ook verhoogde boerderijplaatsen. Wat betreft verkaveling van landbouwpercelen zijn rondom de terpen radiale verkavelingspatronen zichtbaar. Op de hoger gelegen kwelderwal staat de verkaveling haaks op de kwelderwal. Het grondgebruik bestaat hier veelal uit akkerbouw. In de lagergelegen kweldervlakte en het aansluitende kleiterpengebied bestaat het grondgebruik uit grasland. De dorpen in het gebied zijn met elkaar verbonden via kronkelende (historische) wegen en vaarten. Vroeger was het waterwegennet van opvaarten en miedvaarten uiterst belangrijk. Het vormde veelal de enige ontsluiting voor boerderijen of dorpen. Nu nog liggen vele dorpen en boerderijen aan op- of miedvaarten. De ontsluitingswegen liggen op oude kreekruggen (verhogingen) of radiaal rond de terpen.

Veel paden en wegen lopen dood in de lagere delen (insteekwegen) of zijn later doorgetrokken als ruilverkavelingswegen. Rond de terpdorpen komt een terpgericht stelsel van kerkepaden voor. 2.1.3 Huidige situatie Het tracé van het fietspad langs de Súd Ie bestaat op dit moment wisselend uit gras- en akkerland, polderdijken en landwegen. Het tracé is op dit moment grotendeels niet ingericht als fietspad. Voor zover het fietspad over bestaande openbare infrastructuur gaat, is daar fietsen vanzelfsprekend reeds mogelijk. Het foto-overzicht van figuur 3 geeft een beeld van de huidige situatie. Figuur 4 geeft de posities weer waar de foto’s zijn genomen.

9 (49)

Figuur 3 Overzicht van de locaties van de foto's

10 (49)

Figuur 4 Locatie van de foto's

2.2 Het belang van de fietsverbinding In de huidige situatie wordt de potentie die het gebied heeft op het gebied van recreatie en toerisme niet volledig gehaald. In het rapport van Arcadis van april 2020 zijn de factoren benoemd die hieraan ten grondslag liggen. Onderstaand een korte toelichting uit dit rapport: In het huidige fiets- en wandelroutenetwerk bevinden zich een aantal ’missing links’ (figuur 5). Dit zijn ontbrekende verbindingen tussen twee knooppunten of routes naar bezienswaardige plekken. In de huidige situatie vormen relatief veel fietsroutes noordzuidverbindingen tussen de dorpen, haaks op de Súd Ie. Aantrekkelijke oostwestverbindingen zijn schaarser. In de Jouswierpolder, tussen Jouswier en Oostrum, liggen bijvoorbeeld enkele doodlopende wegen waardoor hier nu geen verbinding is. Ook ten noorden van de Eanjumerkolken is er geen oost-west fietsverbinding (tussen knooppunt 47 en knooppunt 13). Door het ontbreken van deze verbindingen zijn er minder mogelijkheden voor (kortere) fiets- of wandelrondjes. Op een hoger schaalniveau ontbreekt een aantrekkelijke fietsverbinding tussen de stad Dokkum en het natuurgebied Lauwersmeer. Het huidige fietsnetwerk bestaat uit routes over bestaande wegen. Periodiek maakt ook zwaar landbouwverkeer gebruik van deze wegen.

In de praktijk is dit voor fietsers niet altijd optimaal, zowel in het gebruik (veiligheid) als de beleving. Ook heeft het huidige fietsnetwerk weinig interactie met de recreatievaart. Waterrecreanten worden daardoor nauwelijks verleid het gebied per (vouw)fiets te verkennen. Dit heeft uiteraard ook een economische kant; er vinden vanuit de recreatievaart nauwelijks bestedingen plaats in de dorpen.

11 (49)

Figuur 5 Missing links in het fiets- en wandelnetwerk

2.3 Recreatieve en toeristische potentie De realisatie van de nieuwe fietsverbinding langs de Súd Ie, de waterbelevingsstekjes en de lokale recreatieve overstappunten heeft een grote recreatieve en toeristische potentie die zonder realisatie niet volledig benut wordt. Het fietspad verbindt de historische regiostad Dokkum en het Nationaal Park Lauwersmeer, twee van de grootste toeristische en recreatieve hotspots in de nabije omgeving. De ligging langs de oude stroom de Súd Ie biedt een unieke fietsbeleving langs het water. De combinatie fietsen en water komt meer voor in de omgeving. Het fietspad sluit aan op de fietsroute ’Rondje Lauwersmeer’, een fietsroute van circa 40 km die de fietser alle prachtige plekjes van het Lauwersmeer laat zien. Rond het Lauwersmeer wordt zowel aan Friese als aan Groningse kant veel geïnvesteerd in ecologie, landschap en recreatie, zie bijvoorbeeld de bouw van het Werelderfgoedcentrum. Bovendien wordt in de nabije toekomst een aantrekkelijke buitendijkse fietsroute langs de Waddenkust (‘Op paad lâns it Waad’) gerealiseerd, waardoor deze recreatieve fietsroutes elkaar bijzonder kunnen versterken. In 2021 is door Sweco berekend dat het fietspad een recreatieve potentie heeft van circa 200 à 250 fietsbewegingen per dag gedurende de maanden april tot en met september (bijlage 2).

Het fietspad zal daarnaast gebruikt worden door ongeveer 30 utilitaire fietsers per dag. Naast fietsers kan het pad ook gebruikt worden door wandelaars die een langere afstand willen wandelen. Het fietspad creëert langs de Súd Ie samenhang tussen land en water. Deze samenhang, het kunnen beleven van het landschap, in relatie tot de recreatievaart, was een belangrijk afwegingscriterium bij het bepalen van het voorkeurstracé van het fietspad. De fietsroute is zo gekozen dat de Súd Ie zoveel mogelijk gevolgd wordt. Door het realiseren van waterbelevingsstekjes en lokale toeristische overstappunten worden waterrecreanten uitgenodigd om op land het landschap en de dorpen te verkennen. De fietsers en wandelaars kunnen omgekeerd van het water genieten. De dorpen en stad krijgen hierdoor meer bezoekers en kunnen meer omzet genereren uit dit bezoek.

12 (49)

Bovenop de gestelde recreatiedoelen draagt het fietspad bij aan verbetering van de leefbaarheid van inwoners van dorpen en platteland. De dorpen en boerderijen langs de route worden (in)direct verbonden met het fietspad en daarmee wordt hun bereikbaarheid vergroot. Zo wordt het voor inwoners en bezoekers van het dorp Oostrum bij de realisatie van de fietsroute Súd Ie weer mogelijk om meer rondjes te gaan wandelen of fietsen. Dit versterkt de leefbaarheid van het dorp. Dit heft een deel van de teloorgang van verdwenen oude paden als gevolg van een vroegere ruilverkaveling op. 2.4 Planinhoud Fase 3 van het programma Súd Ie en Wetterfront Dokkum bestaat uit 15 samenhangende en elkaar aanvullende deelprojecten. Deelprojecten die met dit bestemmingsplan worden gerealiseerd zijn: • Een verhard fietspad als belevingsroute langs de vaarroute Súd Ie, tussen Oostmahorn (Lauwersmeer) en Dokkum. Het gaat om een vitale schakel in het regionale fiets- en wandelroutenetwerk; • Een tweetal waterbelevingsstekjes voor de pleziervaart als ‘eilandjes’ in het water langs de oever van de Súd Ie; • Enkele toeristische overstapplaatsen langs de vaarroute Súd Ie die het aantrekkelijk maken om, via aansluitende paden, de terpdorpen en het landschap te verkennen. 2.4.1 Fietspad de Súd Ie, het voorkeurstracé Het grootste deelproject is de aanleg van een fietspad langs de Súd Ie.

Het pad wordt aangelegd als fietspad waarop wandelen als medegebruik mogelijk is. In het vervolg wordt daarom van fietspad gesproken. In totaal bestaat de verbinding uit 12 km en loopt vanaf Oostmahorn, langs de Lauwerszeedijk en voor een groot deel langs de Súd Ie, richting Dokkum. Het gedeelte nieuwe aanleg bestaat uit circa 8 km. Over een lengte van circa 4 km volgt de route de bestaande wegen in het gebied. In het plan is geen verlichting voorzien. Het recreatief gebruik zal zich daarom beperken tot de periode met daglicht. Over de gehele lengte ligt langs het pad een sloot of hek zodat het voor gebruikers niet mogelijk is om de aangrenzende percelen te betreden en op die manier vee of weidevogels in de weilanden te benaderen of verstoren. Met toepassing van expert judgement heeft Arcadis zo objectief mogelijk onderzoek uitgevoerd naar het voorkeurstracé. Het rapport van Arcadis maakt als bijlage 1 integraal onderdeel uit van deze toelichting. Het hierbij gebruikte afwegingskader wordt gevormd door vier hoofdcriteria. Bij alle criteria is een gelijkwaardige weging toegepast. 1. Doelbereik

2. Effecten op huidige waarden en functies

Het afwegingskader is voor een groot deel gevormd door het hoofdcriterium ‘doelbereik’. Het gaat hierbij om de kwaliteit van de fietsverbinding voor de gebruiker (recreant). Daarbij is aan de volgende subcriteria getoetst: de herkenbaarheid van de route, de beleving van landschappelijke-, cultuurhistorische-, en natuurwaarden en de relatie die de route legt met de waterrecreatie op en langs de Súd Ie en het bestaande fiets- en wandelroutenetwerk. Ook is het fietspad beoordeeld op verkeersveiligheid. Het tweede hoofdcriterium omvat de effecten op huidige waarden en functies in het gebied tijdens de aanleg- en gebruiksfase. Hierbij is enerzijds getoetst aan de huidige landschappelijke-, cultuurhistorische- en ecologische waarden in het gebied en anderzijds aan de effecten op het huidige landbouwkundig gebruik en de omgeving.

13 (49)

3. Planning en kosten

4. Vergunbaarheid

Het derde hoofdcriterium betreft de planning en kosten voor aanleg en beheer. Hierbij is getoetst aan de investeringskosten en benodigde verwerving van gronden. Daarnaast is door middel van subcriteria ook getoetst aan onderhoudskosten, levensduur en financiering. Het laatste hoofdcriterium gaat over vergunbaarheid. Hierbij is naar de realiseerbaarheid van het fietspad gekeken.

Bij het opstellen van de beoordelingsmatrix is door Arcadis gebruik gemaakt van een opzet die algemeen gangbaar is bij dergelijke verkenningen. Daarbij is in beeld gebracht hoe een variant bijdraagt aan het doel, welke effecten er zijn op huidige waarden en functies in het gebied en hoe deze scoort qua planning, kosten en vergunbaarheid. Met deze hoofdcriteria is tot een zorgvuldige belangenafweging gekomen. Daarbij is het algemeen belang (bijvoorbeeld: recreatiemogelijkheden, natuur, economische ontwikkeling) afgewogen tegen het individuele belang (bijvoorbeeld: privacy, bedrijfsvoering). Duidelijk is toegelicht dat het initiatief en de daaraan gekoppelde financiering gericht zijn op de realisatie van een fietsverbinding tussen Dokkum en Oostmahorn aan het Lauwersmeer gekoppeld aan de Súd Ie. Omdat het zowel financieel als vanuit het afwegen van belangen niet mogelijk is gebleken het water steeds letterlijk te volgen, heeft Arcadis gezocht naar een voorkeursvariant die zoveel mogelijk recht doet aan het initiatief en de hiermee verbonden financiering. De afwegingscriteria ‘beleving landschap (Waddenlandschap/Súd Ie)’ en ‘relatie met waterrecreatie’ geven hierbij niet de ruimte de koppeling met de Súd Ie helemaal los te laten.

Na het verschijnen van het rapport van Arcadis in april 2020 zijn er vanuit uiteenlopende partijen reacties bij de gemeente Noardeast-Fryslân binnengekomen. Na bestuurlijke beantwoording van het college van burgemeester en wethouders van de op dat moment bekende reacties heeft de gemeenteraad in juni 2020 beslist akkoord te gaan met het voorgestelde voorkeurstracé. Daarbij heeft de gemeenteraad tevens ingestemd met een bijbehorende uitgewerkte grondstrategie van minnelijke verwerving ter voorkoming van onteigening. In de maanden na de beslissing over het voorkeurstracé zijn er nog vervolgbrieven van enkele groepen naar het gemeentebestuur gezonden. Daar heeft het college van burgemeester en wethouders in verschillende antwoordbrieven op gereageerd. Deze brieven maken onderdeel uit van deze toelichting, inclusief de onderliggende brief van Arcadis van 3 februari 2021 over een zogenoemd ‘feitenrelaas’. Dit heeft niet tot verandering van het voorkeurstracé geleid. Alle vervolgcorrespondentie is in de bijlage 3 en 4 bij deze toelichting opgenomen. Het voorkeurstracé vormt de basis voor het bestemmingsplan. Voorkeurstracé in delen Het voorkeurstracé is opgedeeld in zeven tracédelen, met de volgende nummering: 1, 2, 3b, 4a, 4, 5b en 5a (figuur 6). Op een aantal tracédelen maken fietsers gebruik van vrijliggende fietsvoorzieningen.

Op de andere tracédelen mengt het fietsverkeer zich met het overige verkeer op de rijbaan. Hier worden maatregelen genomen om de verkeersveiligheid te bevorderen. De Saatsenbrêge wordt bijvoorbeeld verhoogd, waardoor het fietsverkeer ter hoogte van de brug gescheiden kan worden afgewikkeld. In het vervolg van deze deelparagraaf worden de tracédelen kort besproken.

14 (49)

Figuur 6. Tracédelen (Arcadis, 2020)

Tracédeel 1 Het tracé begint vanuit het noordoosten beschouwd, naast de parkeerplaats in Oostmahorn. Vanaf daar volgt de route een pad langs de Lauwersmeerdijk en de Nije Feart. Ter hoogte van Ezumazijl sluit het pad aan op de Esonbuorren. Dit is het punt waar de Súd Ie via de sluis Ezumazijl uitmondt in het Lauwersmeer. De route volgt vanaf hier zoveel mogelijk stroomopwaarts de Súd Ie. Vanaf de Esonbuorren wordt een pad en een brug aangelegd om op de zuidelijke dijk van de Súd Ie het tracé te vervolgen tot aan de Saatsenbrêge. De Saatsenbrêge wordt verhoogd zodat motorboten onder de brug door kunnen varen. Aan de zuidkant van de brug komt een paperclipconstructie (figuur 7) zodat fietsers ongelijkvloers de brug kunnen kruisen. Het fietsverkeer wordt op de brug gescheiden van het overige verkeer. Aan de noordzijde van de brug slaat het fietsverkeer linksaf om de route langs de Súd Ie stroomopwaarts te vervolgen.

Figuur 7. Technische tekeningen Saatsenbrêge. Links: zuidzijde. Rechts: noordzijde (nog definitief te maken).

15 (49)

Tracédeel 2 Het fietspad ligt hier parallel aan de Súd Ie. Vlak na het gemaal, nabij de Weardwei, wordt een waterbelevingsstekje gerealiseerd. Aan de noordoostzijde van de Wite Brêge, waar de Kriensenswei/Hjellingswei overheen loopt, ligt een lokaal recreatief overstappunt. Deze wordt opgewaardeerd. Fietsers moeten vervolgens ca. 300 m gebruikmaken van de Hjellingswei om bij deeltracé 3B, op De Weardwei te komen. In het rapport van Arcadis (2020) is gekozen voor deze variant vanwege een positiever effect op natuurwaarden van zowel weidevogels als ganzen. De aanleg van het fietspad kan gecombineerd worden met de ontwerpopgave voor de lokale waterkering. Deeltracé 3b Deeltracé 3b bestaat uit de Weardwei, Kleasterwei, Keechsdyk en de Reidswâl tot aan de oversteek van de N358. In de huidige situatie maakt deze route al deel uit van het fietsknooppuntennetwerk. De wegen worden mede gebruikt door gemotoriseerd verkeer (bestemmingsverkeer en landbouwvoertuigen). Vlak voor de kruising met de N358 is het tweede lokale recreatieve overstappunt gesitueerd. De Reidswâl sluit aan op de N358 (80km weg), met aan de westzijde een vrijliggend fietspad. Ter hoogte van de Bergsmawei kruist de route de N358. De kruising wordt aangepast zodat fietsers veilig en prettig de N358 kunnen oversteken om de route via de Bergsmawei te vervolgen.

In het rapport van Arcadis (2020) is gekozen voor deze variant omdat het minder negatieve effecten heeft op de huidige waarden en het huidige gebruik. Ook kan deze variant op het meeste draagvlak rekenen en wordt efficiënt omgegaan met beschikbare middelen. Aandachtspunt is wel de herkenbaarheid van de route. Ook de verkeersveiligheid verdient aandacht omdat de route ook door overig verkeer gebruikt wordt. Deeltracé 4a (voorkeurstracé) Op deeltracé 4a loopt de route ca. 800 meter langs de Bergsmawei. Aan de zuidkant van Jouswier slaan fietsers rechtsaf via een vrijliggend fietspad om weer aan te sluiten op de Súd Ie. Nabij deze aansluiting op de Súd Ie bevindt zich het tweede waterbelevingsstekje. Daarna volgt het fietspad de zuidelijke oever van het hier grotendeels gekanaliseerde Súd Ie. Bij de Eastrumer Opfeart bevindt zich de afslag richting Tilbuorren en Oostrum. Hier begint tracédeel 5b. Tracédeel 4a loopt vervolgens nog circa 850 meter in zuidwestelijke richting tot een punt ter hoogte van de parkeerplaats van de N361. Deze is aan de andere zijde van de oever gelegen. Het pad vervolgt landinwaarts. In het rapport van Arcadis (2020) is gekozen voor deze variant vanwege de beleving van het terpdorp Jouswier en het natuurgebied de Jouswierpolder. Daarnaast is het draagvlak goed en is het een financieel gezien aantrekkelijke optie.

Aandachtspunt is het effect op natuur, de ontwerpopgave van de lokale waterkering en de fietsbrug over de Eastrumer Opfeart.

16 (49)

Deeltracé 4a (optimalisatie) Naar aanleiding van een ingebrachte zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan is een optimalisatie van tracédeel 4a doorgevoerd. De zienswijze is ingebracht door de eigenaar van een agrarisch erf met inliggende landerijen aan de Bergsmawei vanuit het oogpunt dat dit de weidevogels ontziet. Gezamenlijk is vervolgens naar maatwerk gezocht. Het alternatief is beschouwd vanuit de oorspronkelijke doelstelling van een fietspad als belevingsroute van de Súd Ie tussen de recreatieve speerpunten Dokkum en Oostmahorn/Lauwersmeer. Het is langs dezelfde lat van de integrale beoordeling en afweging gelegd, zoals die door Arcadis eerder heeft plaatsgevonden met betrekking tot het voorkeurstracé (zie bijlage 5). Hiervan is de conclusie geweest dat het aangedragen alternatief beter scoort ten opzichte van het voorkeurstracé. De voordelen in de beoordelingsmatrix komen naar voren rondom ecologie, agrarisch grondgebruik, de financiën en het draagvlak van de eigenaren én omgeving. De verstoring die uitgaat van het fietspad valt nu meer samen met de al bestaande verstoring van de Bergsmawei, waardoor de feitelijke verstoring minder zal toenemen. Het nieuw aan te leggen fietspad wordt met een halve kilometer verminderd, en het oppervlakteverlies van landbouwgronden is ter plaatse minder ingrijpend.

Op de andere onderdelen is er geen noemenswaardig onderscheid tussen het alternatief en het oorspronkelijk beoordeelde deeltracé. Hierdoor vormt deze maatwerkoplossing een optimalisatie van tracédeel 4a. De tracéoptimalisatie is ook ecologisch getoetst (zie paragraaf 4.3). Deeltracé 5a en 5b Deeltracé 5b dient om de kern van Oostrum te bereiken. Het fietspad wordt aangelegd op de oostelijke oever, om de woonboerderij heen, en sluit vervolgens aan op de Mellemawei. Vlak voor Tilbuorren slaat het linksaf richting de Eastrumer Opfeart om iets zuidelijker weer aan te sluiten op de Mellemawei. Op dit stuk wordt een nieuw fietspad aangelegd. Ter hoogte van de bocht met de twee boerderijen wordt de huidige route iets omgelegd in oostelijke richting, zodat de bestaande route een functie als ontsluiting van de boerderijen kan krijgen en het pad niet vlak langs de erfgrens loopt. Vanuit verkeersveiligheid is dit gunstiger. Deeltracé 5a creëert een aansluiting op de Tichelwei om uiteindelijk via het vrijliggende fietspad naast de Tichelwei het eindpunt Dokkum te bereiken. In het rapport van Arcadis (2020) is gekozen voor beide varianten omdat ze complementair aan elkaar zijn. Bij variant 5b dient wel rekening gehouden te worden met het negatieve effect van de fietsroute op de huiskavels, de privacy en het landbouwkundig gebruik van de boerderijen en woningen in het buurtschap Tilbuorren.

2.4.2 Waterbelevingsstekjes Voor een optimale beleving van het water en het land wordt op twee bijzondere plekken langs de Súd Ie een waterbelevingsstekje aangelegd. Dit zijn rust- en uitkijkpunten waar voorbijgangers worden uitgenodigd stil te staan en het landschap te beleven. Het uitkijkpunt bevindt zich op circa vijf meter hoogte. De illustraties in figuur 8 zijn indicatief. Nadere uitwerking vindt nog plaats. De waterbelevingsstekjes komen half in het water en half op het

17 (49)

land te staan en zijn toegankelijk voor zowel water- als fiets- en wandelrecreanten. De stekjes bieden op een bijzondere en educatieve wijze uitzicht over het uitgestrekte gebied van noordoost Frylsân en vertellen het verhaal van het landschap en de natuurwaarden. De waterbelevingsstekjes komen te liggen nabij de Wite Brêge en nabij Jouswier. Wite Brêge Vlak na het gemaal De Kolk wordt één van de waterbelevingsstekjes gerealiseerd. Dit is een uitstekende locatie voor zicht op het natuurgebied van It Fryske Gea de Anjumer Kolken en de dorpen Anjum, Morra en Ljoessens (figuur 9). Jouswier Op de plek waar tracédelen 4 en 4a bij elkaar komen is aan de Súd Ie een prachtig uitzicht op de terp van Jouswier en haar karakteristieke kerk. Ook andere dorpen liggen goed zichtbaar in het landschap (figuur 10). De beoogde locatie van dit waterstekje is als gevolg van de optimalisatie van tracédeel 4a ongeveer 400 meter in westelijke richting opgeschoven ten opzichte van de locatie in het ontwerpbestemmingsplan.

Figuur 8: Impressie van de waterbelevingsstekjes Lokale recreatieve overstappunten (LROP)

Een lokaal recreatief overstappunt (verder: LROP) is een voorziening bij recreatiegebieden of aan een recreatief routenetwerk waar toeristen of recreanten kunnen wisselen tussen water- en landrecreatie. Het is volgens Recreatieschap Marrekrite een startpunt om de omgeving te gaan ontdekken. Op deze punten zijn enkele voorzieningen aanwezig en ze zijn over het algemeen eenduidig en herkenbaar ingericht. De twee overstappunten langs de fietsverbinding Súd Ie hebben een wat bescheidener status en minder intensief gebruiksprofiel en worden daarom lokaal recreatief overstappunt (LROP) genoemd. Het overstappunt bij de Wite Brêge wordt heringericht en opgewaardeerd (figuur 9). Hier zijn reeds een aantal parkeerplaatsen aanwezig en deze worden behouden. De tweede LROP komt bij de aanlegplaats van de Marrekrite ten noorden van Jouswier (figuur 10). Hier komen geen parkeerplaatsen. Op beide overstappunten zijn verder bankjes voor een tussenstop of picknick en een aanlegsteiger. Ook zal op het overstappunt een

18 (49)

informatiepaneel over de omgeving aanwezig zijn. De twee overstappunten zijn een mooie aanvulling op het versterken van de recreatieve verbinding tussen Dokkum en Oostmahorn.

Figuur 9 Locatie waterbelevingsstekje en LROP bij de Wite Brêge, indicatief.

Figuur 10 Locatie waterbelevingsstekje en LROP bij Jouswier, indicatief.

19 (49)

3

Beleidskader

De ontwikkelingen die in het project mogelijk worden gemaakt, dienen aan te sluiten bij de voor het plan en plangebied relevante beleid, wet en regelgeving. In dit hoofdstuk wordt het project aan het ruimtelijk/planologisch beleid van het Rijk, Provincie Fryslân en gemeenten getoetst. 3.1

Rijk

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het Rijk laat de ruimtelijke ordening over aan gemeenten en provincies en kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 14 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk voor de resultaten. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het bestemmingsplan voor het Fietspad langs de Súd Ie raakt geen nationale belangen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) stelt regels omtrent de 14 aangewezen nationale belangen zoals genoemd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). Dit bestemmingsplan raakt geen Rijksbelangen zoals deze genoemd zijn in het Barro. Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige duurzame leefomgeving. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van ons land de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van rond de 1 miljoen nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw.

Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en werkt gebiedsgericht, dat wil zeggen bij de aanpak van de opgaven worden de kenmerken van het gebied als uitgangspunt genomen. De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten. Deze vier integrale prioriteiten betreffen: Klimaat & Energie; ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzame economie; duurzaam economisch groeipotentieel; Stad & Regio; sterke en gezonde steden en regio’s; Landelijk gebied; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Behoud van omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle ontwikkelingen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid plaatsvinden. De NOVI maakt hierbij gebruik van drie afwegingsprincipes: 1) Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2) Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3) Afwentelen wordt voorkomen. Het bestemmingsplan Fietspad Súd Ie heeft te maken met een aantal nationale belangen: 2. Het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 8.

Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving;

20 (49)

19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze belangen zullen worden versterkt door het uitvoeren van het project. Ladder voor de duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is opgenomen dat gemeenten en provincies verplicht zijn om in de toelichting van een ruimtelijk besluit de zogenaamde 'ladder voor duurzame verstedelijking' op te nemen, wanneer een zodanig ruimtelijk besluit een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zie art. 1.1.1 Bro) mogelijk maakt. In de toelichting moet hiervoor een verantwoording plaatsvinden aan de hand van een drietal opeenvolgende treden. De eerste trede in deze ladder is een beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. De vervolgstappen hebben betrekking op de vraag of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ingepast kan worden (trede 2) en als dat niet mogelijk is op andere locaties (trede 3) die vooral goed ontsloten moeten zijn. De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de ontwikkeling waarvoor dit bestemmingsplan opgesteld is aan te merken is als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het antwoord hierop is 'nee'. Een stedelijke ontwikkeling is (volgens art.

1 Bro) te definiëren als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet niet in deze functies. Een nadere toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is daarom niet aan de orde. Basisvisie Recreatietoervaart Nederland 2015-2020 (BRTN) De BRTN biedt een kader voor landelijke, regionale en lokale besluitvorming en investeringen die bijdragen aan het behoud, beheer en verdere ontwikkeling van een aantrekkelijk, samenhangend en bevaarbaar landelijk basistoervaartnet. Belangrijk voor een samenhangend recreatietoervaartnet is de doorvaarthoogte van de bruggen. Bruggen mogen niet lager worden dan de BRTN-doorvaartmaten, wil de vaarweg zijn functie in de toekomst niet verliezen. De beheerders van de vaarwegen hebben de vrijheid én de verantwoordelijkheid om ‘naar boven’ van de minimumnorm af te wijken. Het onderhavige project is niet opgenomen in de BRTN, maar sluit wel aan op de gestelde ambities. 3.2

Provincie

De Romte Diele - Omgevingsvisie Fryslân 2020 Op 23 september 2020 is door Provinciale Staten de provinciale Omgevingsvisie, De Romte Diele, vastgesteld. In de Omgevingsvisie staat waar de provincie met de leefomgeving van Fryslân naar toe wil: de ambitie en doelen voor de toekomst. Het is een visie voor de lange termijn op een tamelijk hoog abstractieniveau. Het is geen blauwdruk voor hoe Fryslân er over 20 à 30 jaar bij ligt. Wel geeft de visie de richting aan waar de provincie met allerlei partijen naar toe wil werken. De provincie wil inzetten op vier urgente, integrale opgaven: − Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar houden; − Energietransitie met kracht voortzetten; − Fryslân klimaatadaptief inrichten; − Versterken biodiversiteit.

21 (49)

Voor het project Fietspad Súd Ie is het eerste aandachtsstreepje relevant. Om Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar te houden heeft de visie als doelstelling om fietsgebruik toe te laten nemen, met verbetering van de knooppunten. De provincie zet in op (cultuur)toeristen die geïnteresseerd zijn in de kwaliteit en identiteit van de provincie, meer jaarrond bezoek in plaats van pieken, en meer bezoek in heel Fryslân. Het vergroenen van de economie is hierbij een belangrijk uitgangspunt. Voor slimme groei van (cultuur)toerisme is ruimte nodig voor complete dag-recreatieve netwerken. Er is ruimte nodig voor nieuwe ontwikkelingen waarbij de verbinding land-water wordt versterkt. Ook recreatieve vaarverbindingen die het recreatieve vaarnetwerk versterken, passen hier in. Een uitstekend en goed onderhouden netwerk aan fiets- en wandelpaden zal een impuls geven aan de landrecreatie in Fryslân. Nieuwe ontwikkelingen worden bij voorkeur ingezet voor behoud van vitaliteit van (voorzieningen in) dorpen en steden, passend bij de Friese identiteit en de doelgroep cultuurtoerisme. Over Dokkum wordt het volgende genoemd in de omgevingsvisie: ’In Noordoost Fryslân is Dokkum centrum van werk en voorzieningen, met een recreatieve uitstraling voor de hele regio. De Centrale As biedt kansen voor verdere ontwikkeling van bedrijvigheid, passend bij de cultuurhistorische en recreatieve kwaliteiten.

De regionale samenwerking is een prima aanknopingspunt om Dokkum speerpunt te maken in verdere ontwikkeling van een vitale, leefbare en bereikbare regio.’ Het projectplan draagt bij aan het uitbouwen van de recreatieve potenties van het cultuuren natuurtoerisme in de regio Dokkum en stimuleert daarbij het fietsgebruik. Daarmee is het plan in overeenstemming met de omgevingsvisie. Verordening Romte Fryslân 2014 (geconsolideerd 2021) In de Verordening Ruimte Fryslân (2014) zijn bepalingen opgenomen voor de omgang met kernkwaliteiten bij ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur. In de begripsbepaling zijn de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten gedefinieerd als gebiedsoverschrijdende en per deelgebied onderscheiden landschappelijke en cultuurhistorische samenhangende structuren van provinciaal belang zoals die waren omschreven in de vorige Structuurvisie Grutsk op e Romte. De provinciale belangen en daarbij behorende doelstellingen uit de structuurvisie zijn juridisch verankerd in de verordening. De verordening is een juridisch instrument, dat doorwerkt van de provincie naar gemeenten. De regels in de verordening moeten in gemeentelijke bestemmingsplannen worden overgenomen. In art.

2.1.1 lid 3b is bepaald dat een ruimtelijk plan in het landelijk gebied dient te voorzien in een zorgvuldige inpassing binnen de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten. Dit geldt onder ander voor plannen die betrekking hebben op (nieuwe) infrastructuur of (nieuwe) recreatieve voorzieningen. In art. 7.2.1. is opgenomen dat een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op natuurgebieden buiten de ecologische hoofdstructuur (EHS) een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling natuurwaarden. Art. 7.2.2. bevat een vergelijkbare regel voor de aangewezen weidevogel(kans)gebieden of weidevogelparels. De regeling voor deze gebieden dient gericht te zijn op de handhaving van voldoende openheid en rust.

22 (49)

In art. 7.2.4. lid d is bepaald dat vanwege openbaar belang kan worden afgeweken van art. 7.2.1. en 7.2.2. De natuurwaarden moeten worden afgewogen ten opzichte van de ruimtelijke ingreep en de schade aan natuurwaarden moet zo veel mogelijk worden beperkt. Als er sprake is van resterende schade aan natuurgebieden buiten de EHS is compensatie aan de orde als dat fysiekruimtelijk en wat betreft uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling redelijkerwijs mogelijk is. Tot slot is financiële compensatie nodig wanneer een gebied groter dan 0,5 ha verloren gaat voor weidevogels. Dit bestemmingsplan conflicteert niet met de Provinciale verordening Romte. De voorgenomen ontwikkeling is van openbaar belang gezien de recreatieve en economische ambities. Voor het project en de tracékeuze heeft een integrale afweging ten aanzien van de ruimtelijke ingreep en de natuurbelangen plaatsgevonden. In hoofdstuk 2 en in de Verkenning Súd Ie (bijlage 1) is een en nader nader beschreven en gemotiveerd. Ontwerp Omgevingsverordening Fryslân 2022 De op handen zijnde omgevingswet en de nieuwe omgevingsvisie hebben op sommige punten geleid tot aanpassing van de hiervoor beschreven verordening. De meeste regels blijven gelden en maken weer deel uit van de ontwerp Omgevingsverordening Fryslân 2022 die op 16 februari 2021 in procedure is gegaan.

Momenteel verwerkt de provincie de reacties en past de Omgevingsverordening waar nodig aan. Daarna volgt besluitvorming door Gedeputeerde en Provinciale Staten. Voor het fietspad Súd Ie zijn onderstaande artikelen relevant. • In art. 2.1 is beschreven dat een omgevingsplan voor gronden buiten het bestaand stedelijk gebied een onderbouwing bevat van de wijze waarop het plan rekening houdt met de aanwezige omgevingskwaliteiten. • In art. 2.2 is beschreven dat een nieuwe functie voorziet in een behoefte, er geen andere plek is om aan deze behoefte te voorzien en dat de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik zijn afgewogen en indien mogelijk benut. • In art. 2.48 is beschreven dat beschermende regels moeten worden opgesteld voor natuurgebieden buiten NNN. • In art. 2.49 is beschreven dat onder voorwaarden van artikel 2.48 kan worden afgeweken als er sprake is van openbaar belang. • In art. 2.52 staat het beschermingsregime voor wiedevogelkansgebieden en weidevogelparels. • In art. 2.53 staat dat onder voorwaarden kan worden afgeweken van art. 2.52 voor een noodzakelijke ruimtelijke ingreep van openbaar belang. • In afdeling 3.2 is beschreven dat de regionale waterkeringen dienen te voldoen aan de geformuleerde omgevingswaarden.

Voor de Lauwerszeedijk, een regionale waterkering, is aangegeven dat deze behouden blijft in de toestand van 2014, uitgezonderd zetting en bodemdaling. Het huidige pad langs deze dijk krijgt een opwaardering en is onderdeel van de nieuwe recreatieve verbinding tussen Oostmahorn en Dokkum. Deze opwaardering heeft geen invloed op de functie van de dijk als regionale waterkering. Dit bestemmingsplan is in overeenstemming met Ontwerp Omgevingsverordening Fryslân 2022. 3.3

Regionaal beleid

Een gezamenlijke visie op Toerisme en Recreatie in Noordoost-Fryslân 2020-2030 (2019) Recreatie en Toerisme is voor Noordoost-Fryslân één van de vier sterkste sectoren, samen met agrofood, metaaltechniek en bouwnijverheid. Daarom hebben de samenwerkende gemeenten een totaalvisie gemaakt op toerisme en recreatie. Het opstellen van deze visie recreatie en toerisme maakt onderdeel uit van de Agenda Netwerk Noordoost II (ANNO).

23 (49)

De ambitie in de visie is om economische groei te realiseren en een prettige leefomgeving te creëren. De toerisme- en recreatiesector moet de komende jaren flink gaan groeien. Een vitale vrijetijdseconomie zorgt voor (1) een prettige en gezonde woon- en leefomgeving, (2) draagt bij aan het behoud van natuur- en cultuurerfgoed en (3) biedt toekomstbestendige banen (people, planet, profit). De groei van recreatie en toerisme moet bijdragen aan de volgende maatschappelijke opgaven: − het instandhouden van lokale voorzieningen; − het instandhouden van cultureel erfgoed; − een prettige leefomgeving voor eigen inwoners; − het welbevinden van inwoners; Het project voorziet in de realisatie van een recreatief fietspad langs een aantrekkelijke route. Door het vergroten van de recreatieve routestructuren in de regio draagt het project bij aan een prettige leefomgeving en het welbevinden van inwoners. Het project past bij de opgaven uit de visie. Waterrecreatievisie Noordoost Fryslân 2025 (2013) In de visie wordt het volgende toekomstbeeld geschetst: "Noordoost Fryslân staat op de kaart als aantrekkelijk waterrecreatiegebied. Het vaarwegennetwerk is op orde en kenmerkt zich door een dicht netwerk van vaarten en kanalen en heeft een sterke verbinding met de cultuur en natuur in het achterland. De camper- en sloepenvaarder zijn de voornaamste doelgroepen.

Met het vertroetelen van deze doelgroepen varen in hun kielzog ook andere waterliefhebbers die aangenaam verteren en verblijven in de regio". Het toekomstbeeld wordt uitgewerkt en uitgevoerd aan de hand van een zestal thema's: 1. Water en land verbinden; 2. Vaarwegen verbinden; 3. Bijzondere bestemmingen; 4. Promotie en positioneren; 5. Onderling verbinden; 6. Duurzame regio. Aan de hand van maatregelen en acties zijn deze thema's uitgewerkt in een bij de visie behorend projectenboek. Het project draagt bij aan het beleven van de Súd Ie vanaf het land, en draagt daarmee bij aan de eerste doelstelling: Water en land verbinden. Koepelvisie Centraal Waddengebied (2013) De visie beschrijft de recreatieve en ecologische ontwikkeling van het Lauwersmeergebied. Het prachtige natuurlandschap van het Lauwersmeer heeft een grote aantrekkingskracht op toeristen en recreanten. De Koepelvisie stelt dat dit gebiedspotentieel beter benut kan worden door de regio. De Súd Ie ligt in het Lauwersmeergebied en heeft hier een grote (historische) verbondenheid mee (figuur 11). Het programma Súd Ie en Wetterfront Dokkum is geschreven naar aanleiding van de opgave die geschetst is in de Koepelvisie en sluit hier dus uitermate goed op aan. Daarmee is dit project in overeenstemming met de Koepelvisie.

24 (49)

Regiodeal fase II: De versnellingsagenda (2018) Agenda Netwerk Noordoost (ANNO I en II), de regionale samenwerking in Noordoost Fryslân van zes gemeenten, de provincie en Wetterskip, heeft de afgelopen jaren samen met maatschappelijke en economische partners in de regio gewerkt aan de sociaaleconomische ontwikkeling van de regio, met als doel een aantrekkelijke regio om te wonen, werken en recreëren. Met deze Versnellingsagenda wil de regio de economische structuur versneld versterken. De Agenda geeft aandacht aan destinatie- en regiomarketing met als doel de verschillende toeristisch-recreatieve elementen in de regio beter met elkaar te verbinden en beter te vermarkten. Daarbij richt het zich op een groei van het duurzaam toerisme als pijler voor economische groei, in combinatie met onder andere natuurontwikkeling. Het project draagt bij aan het beter verbinden van de diverse toeristisch-recreatieve elementen in de regio.

Figuur 11 Toerisme en recreatiekaart Koepelvisie centraal waddengebied

Ferbining mobiliteitsvisie voor Noordoost-Fryslân (2020) In de mobiliteitsvisie van de regio Noordoost-Fryslân (‘Ferbining’) is als een van de speerpunten benoemd dat de fiets een gezond en duurzaam alternatief is voor autogebruik. Mede door de opkomst van de elektrische fiets is het belangrijk om als regio kwalitatief goede fietsverbindingen te bieden, waarin beleving langs de route onderdeel van de kwaliteit is. De fiets is een gezond alternatief voor de auto en met de elektrische fiets worden de mogelijkheden voor een verhoogde actieradius nog groter. Daarmee is het project in overeenstemming met de mobiliteitsvisie. 3.4

Gemeente

Structuurplan Dongeradeel 2025 (2002) Het Structuurplan Dongeradeel bevat de ruimtelijke visie op de gemeente Dongeradeel tot het jaar 2025. Hierbij is vanwege de status van het plan een onderscheid gemaakt tussen de kortere termijn (periode 2000-2005 en 2005-2010) en de langere termijn (na 2010). Het

25 (49)

bevat een onderbouwing van de keuzes die in dit kader zijn gemaakt. Hiervoor is een sectorale benadering gekozen, wat wil zeggen dat de gemaakte keuzes per thema zijn onderbouwd. Daarbij zijn de thema's, bevolking en wonen, werkgelegenheid en werken, voorzieningen, recreatie en toerisme, de verkeerssituatie en het landelijk gebied behandeld. Algemeen richtinggevende principes zijn: − behouden en versterken van de hoge ruimtelijke kwaliteit; − zorgdragen voor een vitaal en bruisend karakter; − zorgdragen voor stevige economische dragers; − bereiken van een duurzaam en dynamisch evenwicht. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het structuurplan. Ferkenning Takomst gemeente Noardeast-Fryslân (2018) De Ferkenning is geschreven om een eerste beeld te geven van hoe de nieuwe gemeente Noardeast-Fryslân haar toekomst ziet en welke opgaven er zijn. Dit is een eerste stap richting de Omgevingsvisie. In de Ferkenning worden kansen toebedeeld aan de sector toerisme en recreatie om te groeien, met speciale aandacht voor het Lauwersmeer. Het project draagt bij aan deze groei. De Ferkenning wordt momenteel (april 2021) verder uitgewerkt tot een uitgangspuntennotitie voor de nieuwe Omgevingsvisie. 3.5 Conclusie Het op te stellen bestemmingsplan is in overeenstemming met het landelijke, provinciale en gemeentelijke beleid.

26 (49)

4

Omgevingsaspecten

Dit hoofdstuk gaat in op de wijze waarop bij het maken van het bestemmingsplan rekening is gehouden met de omgeving. Aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten is aangegeven hoe de in het plangebied voorkomende functies op elkaar zijn afgestemd om overlast en ongewenste effecten op de omgeving te voorkomen. Centraal hierin staan de thema’s bodem, archeologie, natuur, water, verkeer, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. 4.1

Bodem

Wet- en regelgeving Het aspect bodem is geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). Het doel van het Wbb is voorkomen van nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. Voor bestaande bodemverontreinigingen is aangegeven in welke situaties (omvang en ernst van verontreiniging) en op welke termijn sanering moet plaatsvinden. Hierbij dient de bodemkwaliteit ten minste geschikt te worden gemaakt voor de functie die erop voorzien is, waarbij verspreiding van verontreiniging zoveel mogelijk wordt voorkomen. De wet gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Het besluit en de regeling bodemkwaliteit bevatten algemene regels en kwaliteitseisen waaraan grond, bouwstoffen en baggerspecie moeten voldoen wanneer deze op of in de bodem of in het oppervlaktewater worden toegepast. Betekenis voor het plangebied Om de kwaliteit van de bodem te bepalen is de bodemkwaliteitskaart van de FUMO geraadpleegd. De bodem heeft de functieklasse Landbouw/Natuur. Er wordt in het kader van het project geen grond afgevoerd. Alle grond wordt ter plekke verwerkt. Er is daarom geen aanvullend bodemonderzoek nodig. Dammen een dempingen dienen nog wel nader te worden onderzocht omdat deze veelal bestaan uit puinhoudend materiaal. Dit wordt nader beoordeeld ten tijde van de uitvoering.

In het plangebied is sprake van autonome bodemdaling én een daling als gevolg van gaswinning. Deze bodemdaling heeft in zoverre invloed op het project fietspad Súd Ie, dat de waterkerende werking van de polderdijken waar het fietspad hier en daar overheen loopt, moet worden geborgd. Zie ook paragraaf 4.5. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de wet- en regelgeving met betrekking tot het thema bodem. 4.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=10f50f24-ace8-48ee-8a09-6c7dd7289205