Aanvulling zienswijze Aalsum
Tekst van het document
Aan: College van Burgemeester en Wethouders van Noardeast-Fryslân Postbus 13 9290 AD Kollum , 5 oktober 2022 Betreft: Aanvulling zienswijze verordening geurhinder en veehouderij Noardeast-Fryslân Geacht college, Ons is ter ore gekomen dat de zienswijze door ons ingediend op 30 april 2022 verduidelijking behoeft. In deze aanvulling willen wij onze zienswijze toelichten. In onze zienswijze wijzen wij u op de genoemde afstanden in het huidige concept-verordening geurhinder en veehouderij Noardeast-Fryslân. In de toelichting punt 6 (verordening) wordt gesteld: “In deze verordening worden de minimale afstanden tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden, waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissie-factor is vastgesteld, en de buitenzijden van een geurgevoelig object vastgesteld op minimaal:..” In de toelichting punt 7 (uitvoering) wordt genoemd dat er een bijlage met “inventarisatie van de afstanden van de binnen de gemeente aanwezige veehouderijen tot geurgevoelige objecten” is opgenomen. In deze beide zinssneden zitten woordkeuzes en formuleringen waar onze zienswijze op wijst. In de verordening wordt aangegeven dat de afstanden gaan gelden tot de buitenzijden van geurgevoelige objecten en dat de afstanden die in de inventarisatie zijn opgenomen tot de geurgevoelige objecten berekend zijn.
Echter is niet het, nu al aanwezige, geurgevoelige object de meetgrens en daarmee bepalend voor de afstand, maar de perceelgrens van het perceel waar het geurgevoelige object zich op bevindt. De Raad van State heeft in de zaak ECLI:NL:RVS:2019:2146 in artikel 8.2 gesteld dat er “in beginsel rekening [dient] te worden gehouden met de maximale planologische en vergunningsvrije uitbreidingsmogelijkheden op het perceel”. Bij het meten van de afstanden gaat het dus niet om de huidige bebouwing, maar dient ook rekening gehouden te worden met eventuele uitbreidingsmogelijkheden op het perceel. In deze zaak wordt het (mogelijk) plaatsen van een mantelzorgwoning als voorbeeld genoemd. Indien een mantelzorgwoning geplaatst wordt, wordt deze, in het geval van de verordening, ook een geurgevoelig object en kan het zijn dat de afstand tussen de veehouderij waar dieren worden gehouden en het geurgevoelig object veranderd, wanneer men, zoals de inventarisatie en formuleringen van de verordening nu veronderstellen, gemeten wordt tot de buitenzijden van het geurgevoelige object. Daarom is het van belang dat de afstanden gemeten worden tot de perceelgrens omdat er rekening gehouden dient te worden gehouden met de extra bouwmogelijkheden op het perceel.
Gezien de uitspraak van de Raad van State, verzoeken wij het college dan ook de formuleringen en de afstandsbepaling die genoemd worden in de verordening geurhinder en veehouderij Noardeast-Fryslân aan te passen. Vriendelijke groeten,