CConstaterende datNoardeast-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

221004 Bericht tbv debat geurverordening - bijlage 3

It Debat 6 oktober 2022, gemeente Noardeast-FryslânBij agendapunt: Debat: Geurverordening3.408 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

20 april 2022 20213554

De heer

Ons adres: Ons telefoonnr: Ons whatsapp nr: Ons e-mailadres: Ons kenmerk: OLO nummer Behandeld door:

Datum:

Postbus 13, 9290 AA Kollum (0519) 298888 (06)12083046 info@noardeastfryslan.nl 20213569

14 april 2022

Onderwerp: Beoordeling m.e.r. aanmeldnotitie voor de inrichting Foarwei 241 te Kollumerzwaag (zaaknummer 20213569)

Geachte Op 20 december 2021 hebben wij van Omgevingsburo Wiegersma, namens u, een m.e.r.- aanmeldnotitie ontvangen over het voornemen tot het bouwen van een nieuwe stal en het houden van 70 schapen (B1.100) voor de inrichting gelegen aan de Foarwei 241 te Kollumerzwaag. Hieronder treft u de beoordeling van de aanvraag aan. Besluit Op grond van onderstaande overwegingen en op basis van hetgeen is gesteld in artikel 7.17 Wm hebben wij besloten dat bij de voorbereiding van het besluit op de voorgenomen aanvraag van Foarwei 241 te Kollumerzwaag geen MER behoeft te worden opgesteld. Tegen dit besluit staat geen afzonderlijk bezwaar of beroep open, omdat sprake is van een voorbereidingsbeslissing als bedoeld in artikel 6:3 Algemene wet bestuursrecht. Eventuele bezwaren tegen dit besluit kunnen aangevoerd worden in de procedure omtrent de omgevingsvergunning. Beschrijving en locatie van de voorgenomen activiteiten Het voornemen houdt het volgende in: het bouwen van een nieuwe stal en het houden van 70 schapen (B1.100). De inrichting wordt opgericht aan de Foarwei 241 te Kollumerzwaag. Deze locatie is in het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied 2012” gelegen binnen de bestemming “Agrarisch-Kleinbedrijf”. De voorgenomen activiteit past binnen het bestemmingsplan. Procedure De in de artikelen 7.16 tot en met 7.18 Wm omschreven procedure is gevolgd.

De activiteit is genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) in categorie 14, kolom 2, onder 11° van de D-lijst. Op grond van artikel 2, vijfde lid onder b Besluit m.e.r. moet het bevoegd gezag, voor alle activiteiten die beneden de m.e.r.-beoordelingsdrempel liggen, formeel (en niet meer vormvrij) bepalen of de voorgenomen activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Dit dient gelet op artikel 7.17, derde lid Wm te gebeuren op grond van de criteria genoemd in bijlage III bij de EG-richtlijn milieueffectbeoordeling (2011/92/EU en 2014/52/EU). Volledigheid aanmeldnotitie en opschorting procedure Wij hebben de aanmeldnotitie getoetst op volledigheid. In verband met het ontbreken van een aantal gegevens hebben wij de indiener van de aanmeldnotitie in de gelegenheid gesteld om de aanmeldnotitie

aan te vullen. Wij hebben de aanvullende gegevens ontvangen op 1 maart 2022. Na ontvangst van de aanvullende gegevens hebben wij de aanmeldnotitie wederom getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanmeldnotitie voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanmeldnotitie is dan ook in behandeling genomen. Toetsingskader Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 7.17, derde lid Wm bij de beslissing rekening houden met de relevante criteria zoals aangegeven in bijlage III bij de EG-richtlijn milieueffectbeoordeling: 1. Kenmerken van het project. Bij de kenmerken van het project kan in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de omvang van het project; b. de cumulatie met andere projecten; c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; d. de productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. het risico van zware ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën; g. de risico's voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). 2. Plaats van het project. Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop projecten van invloed kunnen zijn kan in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bestaande grondgebruik; b.

de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. het opname vermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: - wetlands; - kustgebieden; - berg- en bosgebieden; - reservaten en natuurparken; - gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (=Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (=Habitatrichtlijn) - gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; - gebieden met hoge bevolkingsdichtheid; - landschappen van historisch, cultureel of archeologische belang. 3. Kenmerken van het potentiële effect.

Bij de potentiële aanzienlijke effecten van de projecten kunnen in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in overweging worden genomen: a) de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); b) de aard van het effect; c) het grensoverschrijdend karakter van het effect; d) de intensiteit en de complexiteit van het effect; e) de waarschijnlijkheid van het effect; f) de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; g) de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; h) de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen. Daarnaast moet het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17, vierde lid Wm, indien aan de orde, verwijzen naar de kenmerken van de voorgenomen activiteit of van de door uw inrichting geplande maatregelen waarmee belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu vermeden of voorkomen worden.

Informatiebronnen Voor de beoordeling of sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben wij gebruik gemaakt van de volgende informatie: 1. Het eerste voornemen van 20 december 2021 was niet volledig. We hebben dan ook het aangepaste voornemen van 28 februari 2022 en de daarbij ingediende gegevens en bescheiden beoordeeld. Overwegingen De gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het milieu zijn minimaal. De in de D lijst opgenomen drempelwaarde van 2000 schapen wordt niet gehaald. Er is dan ook naar onze mening geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die maken dat een MER vereist is. Overwegingen ten aanzien van artikel 7.17, derde lid Wm: Ad.1. Kenmerken van het project. Het project bestaat uit het bouwen van een nieuwe stal en het houden van 70 schapen (B1.100) aan de Foarwei 241 te Kollumerzwaag. Voor deze locatie is nog niet eerder een vergunning verleend. De emissies van ammoniak, geur en fijnstof zijn weergegeven in de tabel hieronder; Tabel gewenste situatie: stal

Nieuw te bouwen stal

Diersoort

Schapen

Stalsysteem

Overige huisvestingsyst emen

Rav code

B1.100

Aan tal dier en 70

Emissi efactor Kg NH3/d ./j. 0,7

Totaal kg NH3

Totaal

49

G. PM1

Tot. G. PM10

Factor geur

Totaal geur

nvt

7,8

546

0/dr/jr

49

nvt

nvt

546

Voor zover er sprake kan zijn van cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten, is van belang dat de inrichting is gelegen in het buitengebied van de gemeente Noardeast-Fryslân. Gelet op de afstanden tussen de inrichting en andere (intensieve) veehouderijen en de afstand tot omliggende woningen van derden vormt eventuele cumulatie van emissies geen aanleiding om een MER te verlangen. Ten aanzien van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan worden gemeld dat dit in hoofdzaak betrekking heeft op het gebruik van voer en drinkwater voor de dieren. Het gebruik is niet zodanig dat hierover een MER moet worden opgesteld. Het energieverbruik binnen het bedrijf is voornamelijk ten behoeve van de verlichting. De verwachting is dat, gezien de verandering binnen het bedrijf, de toename beperkt is. De effecten op het verbruik van energie en grondstoffen zijn niet zodanig dat in verband hiermee een MER dient te worden opgesteld. Als bedrijfseigen afvalstoffen kunnen o.a. dierlijke mest, papierafval, metaalafval, landbouwplastic, restanten medicijnen, kadavers en bedrijfsafvalwater aangemerkt worden. Vrijkomende mest en spuiwater worden overeenkomstig de Meststoffenwet uitgereden over de landbouwgronden en dienen daarmee als voedingsstof voor de te telen gewassen. Papierafval wordt gescheiden gehouden en opgehaald door stichtingen en verenigingen.

Metaalafval wordt afgevoerd naar een oud ijzerhandelaar. Landbouwplastic wordt afgevoerd naar folienet. Restanten medicijnen wordt afgevoerd naar de dierenarts. Kadavers worden opgehaald en verwerkt door een daartoe aangewezen destructiebedrijf (Rendac). Huishoudelijk afvalwater van de bedrijfswoning wordt geloosd op het gemeentelijk riool. De effecten op doelmatig beheer van afvalstoffen zijn niet zodanig dat in verband hiermee een MER dient te worden opgesteld.

Ten aanzien van verontreiniging en hinder zijn de thema’s bodem, lozing van afvalwater, geur, lucht, en geluid naar verwachting relevant. Deze aspecten worden dan ook hieronder beoordeeld. Conclusie kenmerken van het project Gezien de kenmerken van het project zien wij geen reden om een MER te verlangen. Ad.2. Plaats van het project. De locatie waar het voorgenomen project wordt gerealiseerd is thans al in gebruik als veehouderij. De wijzigingen betreffen het bouwen van een nieuwe stal en het houden van 70 schapen en vinden niet plaats binnen de bestaande bebouwing. Gelet hierop heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratieve vermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied. Het project is gelegen in het landelijk gebied van de gemeente Noardeast Fryslân en in de nabijheid van een natuurgebied. De afstand bedraagt circa 4000 meter. Er is geen sprake van de onder 2. Plaats van het project onder c, genoemde typen gebieden. In het bestemmingsplan “Buitengebied 2012” is de locatie bestemd als “Agrarisch-Kleinbedrijf”. Het bedrijf is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied of een beschermingsgebied voor stilte. Toetsing aan archeologische kaart (FAMKE).

Op de archeologische kaart is het projectgebied aangemerkt als terrein waarvan bekend is dat het waardevolle archeologische resten uit de middeleeuwen en bronstijd bevat (Bijv: “IJzertijdmiddeleeuwen” en “Steentijd-bronstijd”). Deze aanduiding op de archeologische kaart vormt, gelet op het huidige gebruik en reeds aanwezige bebouwing, naar onze mening geen aanleiding om een MER te verlangen. Wel zal in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning worden beoordeeld of er een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Het gebied waarin het project is gelegen kan niet worden aangemerkt als een gebied met een hoge bevolkingsdichtheid. Conclusie plaats van het project Gezien de plaats van het project zien wij geen reden om een MER te verlangen. Ad 3. Kenmerken van het potentiële effect. Effecten op mensen, dieren, planten en goederen: Geluid: De bedrijfsactiviteiten hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Binnen de inrichting zijn geluidsbronnen aanwezig als gevolg van onder andere de aan- en afvoerbewegingen van vrachtwagens ten behoeve van onder andere de aan- en afvoer van dieren, de afvoer van meststoffen, kadavers, afvalstoffen en interne transportbewegingen. Het aantal transportbewegingen zal naar verwachting niet toenemen door de wijziging in dieraantallen. De transportbewegingen vinden zoveel mogelijk plaats in de dagperiode tussen 7:00 en 19:00 uur.

De inrichting ligt in een landelijke omgeving. De aangrenzende percelen zijn in gebruik als landbouwgrond. Voor een dergelijke omgeving geldt op grond van de ‘Handreiking industrielawaai en vergunningverlening 1998’ een richtwaarde van 40 dB(A) etmaalwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Voor het maximale geluidsniveau wordt een grenswaarde van 70 dB(A) per etmaalwaarde toelaatbaar geacht. De dichtstbijzijnde woning (Foarwei 239) van derden, is gelegen op circa 2,5 meter van de grens van de inrichting.

Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteit, de omgeving waarin deze activiteit plaatsvindt en de afstand tot het geluidgevoelig object, zijn wij van mening dat het aspect geluid geen aanleiding vormt tot het opstellen van een milieueffectrapport. Flora en Fauna Habitat- en vogelrichtlijn en natuurmonumenten / Flora en Fauna/Natura 2000-gebieden Soortenbescherming wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt inheemse dier- en plantensoorten, waarbij onderscheid wordt gemaakt in verschillende beschermingscategorieën. Voor alle activiteiten met een mogelijk effect op beschermde dier- en plantensoorten is toetsing aan de Wet natuurbescherming verplicht. Als een project niet in een Natura 2000-(deel)gebied plaatsvindt, kan het mogelijk toch schade toebrengen aan de natuurwaarden van het betreffende gebied (de zogenaamde externe werking). Als er geen sprake is van mogelijke externe werking of cumulatie, is geen vergunning ingevolge de Wet natuurbescherming nodig. De wet gaat uit van het “voorzorgsbeginsel”, hetgeen inhoudt dat alle aspecten die met het project samenhangen die de instandhoudingsdoelstellingen van het natuurgebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden onderzocht.

Onder negatieve effecten moet in dit verband worden verstaan: aantasting van de natuurlijke kenmerken van het gebied en verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten dan wel verstoring van soorten. Komt uit deze toets naar voren dat er geen kans bestaat op het optreden van negatieve effecten, dan is geen vergunning of ontheffing ingevolge de Wet natuurbescherming nodig. Bestaat er kans op een negatief effect, dan is er een vergunning noodzakelijk en zullen de mogelijke effecten nader moeten worden onderzocht om te kunnen beoordelen of de vergunning al dan niet kan worden verleend. Het project voorziet in het wijzigen van het aantal te houden dieren binnen bestaande dierenverblijven. Er is sprake van een afname van ammoniak ten opzichte van de huidige situatie. Doordat de ammoniakuitstoot afneemt heeft het project geen negatieve milieugevolgen voor kwetsbare gebieden. Gezondheidsrisico’s Het aspect bestrijding van besmettelijke ziekten is een aspect dat in verschillende wetgeving is geregeld. Op basis van alle tot nu toe bekende rapporten kunnen geen eenduidige conclusies worden getrokken om duidelijke uitspraken te kunnen doen over de onaanvaardbare gezondheidsrisico’s van wonen in de buurt van veehouderijen.

Dit wordt als zodanig ook bevestigd door alle tot nu toe gedane uitspraken door de ABRvS en rechtbanken, waaruit blijkt dat er geen algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten zijn om in verband met de volksgezondheid een omgevingsvergunning milieu te weigeren of extra voorschriften op te nemen. Voor het opstellen van één beoordelingskader is onvoldoende wetenschappelijke kennis aanwezig. Ook kan geen relatie worden gelegd tussen de afstand tot veehouderijen en de gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Wij hebben mogelijke gezondheidsrisico’s in relatie gebracht met de hiervoor genoemde emissies die voortvloeien uit de factoren van bijlage III. Vooral de emissies van geur, geluid en fijnstof zouden aan gezondheidsrisico’s gerelateerd kunnen zijn. Deze emissies leiden niet tot onacceptabele concentraties of situaties. Wij concluderen dat mogelijke gezondheidsrisico’s geen factor is die aanleiding geeft tot het opstellen van een MER. Effecten op bodem en grondwater Op locaties waar bodembedreigende activiteiten plaatsvinden worden bodembeschermende maatregelen en voorzieningen overeenkomstig de Nederlandse richtlijn bodembescherming 2012 en het Activiteitenbesluit milieubeheer getroffen. Hierdoor zal sprake zijn van een verwaarloosbaar bodemrisico.

Effecten op het oppervlaktewater en op een doelmatig beheer van afvalwater Er komt afvalwater vrij als gevolg van het houden van schapen. Het afvalwater wordt opgeslagen in de aanwezige opvangputten en vervolgens afgevoerd. Het afvalwater van de bedrijfswoning wordt geloosd op het gemeentelijk riool. Het schone hemelwater wordt geïnfiltreert in de omringende sloten en in de bodem.

Effecten op de lucht Kwetsbare gebieden ammoniak Onder de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) worden zeer kwetsbare gebieden extra beschermd. In de provincie Fryslân zijn de gebieden die in dit kader als zeer kwetsbaar moeten worden beschouwd, bij besluit van 29 januari 2008 door Gedeputeerde Staten vastgesteld. De dierenverblijven liggen niet in een zeer kwetsbaar gebied zoals bedoeld in de Wav dan wel in een zone van 250 meter daaromheen. De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) bepaalt de mogelijkheden voor ammoniakemissie. Bepalend hiervoor is de ligging van het bedrijf ten opzichte van zeer kwetsbare gebieden. De ammoniakemissie vanuit de stallen zal als gevolg van de uitbreiding gaan toenemen. Er is een toename van 49 kg NH3. Besluit emissiearme huisvesting Voor diercategorieën waarvoor het redelijk is om emissie-eisen te stellen zijn maximale emissiewaarden voor ammoniak opgenomen in het Besluit emissiearme huisvesting. Het besluit geeft een goed beeld van de 'stand der techniek'. Het principe van het besluit is dat alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. De diercategorie en het tijdstip waarop het dierenverblijf is opgericht bepalen of en welke maximale emissiewaarde van toepassing is.

Wanneer een huisvestingsysteem voldoet aan de in het Besluit emissiearme huisvesting gestelde eisen kan ervan worden uitgegaan dat dit huisvestingsysteem een voor de inrichting in aanmerking komende BBT is. Wanneer op basis van dit besluit geen maximale emissiewaarde van toepassing is moet elk huisvestingssysteem worden aangemerkt als de BBT. Voor de diercategorie schapen (B1.100) geldt geen maximale emissiewaardes. Geur Het Activiteitenbesluit milieubeheer vormt het toetsingskader voor geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De geurbelasting van een inrichting is onder andere afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. Beoordeling dieren met geuremissiefactoren In artikel 3.115 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn normen opgenomen. De maximale geurbelasting mag voor geurgevoelige objecten gelegen binnen de bebouwde kom 2 ouE/m3 bedragen en voor geurgevoelige objecten gelegen buiten de bebouwde kom maximaal 8 ouE/m3. De inrichting ligt niet in de nabijheid van de bebouwde kom en niet in een concentratiegebied.

Op grond van artikel 3.119 van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet een afstand tussen het geurgevoelige object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden; deze afstand bedraagt tenminste 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten in een bebouwde kom en tenminste 25 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten een bebouwde kom. Bij diercategorieën waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv), moet met behulp van het verspreidingsmodel 'V-Stacks vergunning' de geurbelasting op het geurgevoelige object worden bepaald. Voor de diercategorie schapen is een geuremissiefactor gesteld. Uit de berekening met ‘V-stacks vergunning, versie 2020’ blijkt dat wordt voldaan aan de norm voor geurbelasting. Het dichtstbijzijnde geurgevoelig object, Foarwei 239 te Kollumerzwaag ligt op ongeveer 47 meter van Foarwei 237 te Kollumerzwaag, is gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied. De hoogst berekende geurbelasting op deze woning bedraagt 0,7 OUE/m³. Hiermee wordt voldaan aan de emissienorm van 8 OUE/m3 zoals genoemd in artikel 3.115 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en aan de afstand van 25 meter als genoemd in artikel 3.119 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Conclusie: aan de geurnormen wordt voldaan.

De geuremissie vormt derhalve geen aanleiding tot het opstellen van een milieueffectrapport.

Luchtkwaliteit De voorgenomen activiteiten leiden niet tot een toename van de concentraties fijnstof vanwege de uitbreiding en toename van het aantal dieren. Voor de diercategorie schapen (B1.100) is geen emissiefactor voor fijnstof vastgesteld. Naast de dierenverblijven zorgen ook verkeersbewegingen voor emissies van fijn stof. De fijnstofemissies afkomstig van de verkeersbewegingen zijn, in vergelijking met de emissies afkomstig van dieren, echter zeer beperkt. Luchtkwaliteit vormt geen aanleiding tot het opstellen van een milieueffectrapport. Effecten op landschappelijk, natuurwetenschappelijke en cultuurhistorische waarden: Het voorgenomen project is gelegen in het buitengebied. Het dichtstbij gelegen natuurgebied is gelegen op een afstand van circa 4 km. Ter plaatse van het project zijn geen cultuurhistorische, archeologische of landschappelijke waarden aanwezig. Effecten op doelmatig beheer van afvalstoffen Binnen de inrichting komen agrarische afvalstoffen vrij zoals kadavers, landbouwfolie en overig bedrijfsafval. De afvalstoffen worden afgegeven aan een erkende inzamelaar. De effecten op doelmatig beheer van afvalstoffen zijn niet zodanig dat in verband hiermee een MER dient te worden opgesteld.

Effecten op het verbruik van energie en grondstoffen Ten aanzien van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen kan worden gemeld dat dit in hoofdzaak betrekking heeft op het gebruik van voer en drinkwater voor de dieren. Het gebruik is niet zodanig dat hierover een MER moet worden opgesteld. Effecten op het verkeer van personen of goederen van en naar de inrichting De vervoersbewegingen binnen de inrichting en van en naar de inrichting zullen nagenoeg gelijk blijven ten opzichte van de reeds vergunde situatie. Er is geen aanleiding om voor dit onderdeel een milieueffectrapport te verlangen. Conclusie kenmerken van het potentiële effect Gezien de kenmerken van het potentiële effect zien wij geen reden om een MER te verlangen Overwegingen ten aanzien van artikel 7.17, vierde lid van de Wm: Op grond van artikel 7.17, vierde lid Wm dienen wij, indien aan de orde, te verwijzen naar de kenmerken van de voorgenomen activiteit of naar de door uw inrichting geplande maatregelen waarmee belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu vermeden of voorkomen worden. In dit geval is van dergelijke kenmerken en/of maatregelen geen sprake. Conclusie Nu uitgesloten kan worden dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, is er geen aanleiding voor het opstellen van een MER. Van dit besluit wordt geen mededeling gedaan.

Tegen dit besluit staat geen afzonderlijk bezwaar of beroep open, omdat er sprake is van een voorbereidingsbeslissing als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Eventuele bezwaren tegen dit besluit kunnen in de procedure omtrent de omgevingsvergunning aangevoerd worden.

Hoogachtend, Namens het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân,

Teamleider Fergunningferliening cc.:

Omgevingsburo Wiegersma (j.wiegersma@omgevingsburo.nl) FUMO (info@fumo.nl)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=noardeastfryslan&id=50be44c0-45a0-4df5-9de3-9e44576f1585