1 - Bestuurlijk rapport Jeugdzorg - Verantwoordelijkheid, sturing en uitvoering
Tekst van het document
Colofon Rekenkamercommissie Noardeast-Fryslân en Dantumadiel
Samenstelling Joop Roebroek, voorzitter Saskia de Graaf, lid Jacoba Westinga, lid Sjoeke Kooistra, secretaris e-mail: rekenkamercommissieRKC@noardeast-fryslan.nl. Nadere informatie op de websites van beide gemeenten bij de volgende links (onderaan de pagina’s): https://www.noardeast-fryslan.nl/gemeenteraad https://www.dantumadiel.frl/gemeenteraad Foto op voorkant rapport: Nanne Nicolai
Colofon Rekenkamercommissie Noardeast-Fryslân en Dantumadiel
Samenstelling Joop Roebroek, voorzitter Saskia de Graaf, lid Jacoba Westinga, lid Sjoeke Kooistra, secretaris e-mail: rekenkamercommissie@noardeast-fryslan.nl. Nadere informatie op de websites van beide gemeenten bij de volgende links (onderaan de pagina’s): https://www.noardeast-fryslan.nl/gemeenteraad https://www.dantumadiel.frl/gemeenteraad Foto op voorkant rapport: Nanne Nicolai
Bestuurlijk Rapport Inhoudsopgave 0 1.
Inleiding 1.1 Aanleiding onderzoek 1.2 Doelstelling 1.3 Vraagstelling: centrale vraag/deelvragen 1.4 Afbakening 1.5 Aanpak onderzoek 1.6 Rapportage
2 2 2 2 3 3 4
2.
Beantwoording onderzoeksvragen 2.1 Verantwoordelijkheid, beleid en uitvoeringsproces 2.2 Verantwoordelijkheid en rol van de raad 2.3 Informatievoorziening aan de raad 2.4 Beantwoording centrale onderzoeksvraag
5 5 6 7 9
3.
Aanbevelingen
10
1
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding onderzoek
De aanleiding voor het onderzoek vormt de motie die op 23 juni 2022 is aangenomen in de gemeenteraad van Noardeast-Fryslân met als onderwerp ‘Onafhankelijk onderzoek jeugdzorgbeleid’. De raad verzoekt in die motie de Rekenkamercommissie (RKC) van Noardeast-Fryslân en Dantumadiel “een onafhankelijk onderzoek te doen naar de vraag hoe hulpverleningsprocessen in de jeugdzorgketen verlopen in onze gemeente en welke bredere lering we daaruit kunnen trekken”. De motie van de raad van Noardeast-Fryslân vindt zijn oorsprong in de berichtgeving rond een casus van een jongere uit de gemeente. Volgend op die motie is de RKC op 29 september in gesprek gegaan met vertegenwoordigers van de raad van Noardeast-Fryslân om nader zicht te krijgen op de precieze vraag van de raad. Op basis van dit gesprek heeft de RKC de doelstelling en de nadere vraagstelling van het onderzoek geformuleerd. Het onderzoek is voor de gemeenten Noardeast-Fryslân en Dantumadiel uitgevoerd.
1.2
Doelstelling
Het onderzoek heeft tot doel de gemeenteraad scherper zicht te geven op zijn verantwoordelijkheid en rol binnen het domein van de jeugdzorg om de raad op die manier beter in staat te stellen zijn kaderstellende en controlerende rol goed te vervullen. Met andere woorden de raad in staat te stellen beter sturing te geven aan de jeugdzorg en zodoende de gewenste zorg voor de jongeren binnen hun gemeente veilig te stellen. Daarbij wordt ingegaan op de organisatie van de jeugdzorg, de beleidskaders, de uitvoering van beleid, de verdeling en afbakening van de verantwoordelijkheden en de vraag op welke wijze en door wie de raad wordt geïnformeerd om die kaderstellende en controlerende rol ook goed te kunnen invullen.
1.3
Vraagstelling: centrale vraag/deelvragen
De centrale vraagstelling van het onderzoek luidt: Welke mogelijkheden bezitten de gemeenteraden van Noardeast-Fryslân en Dantumadiel om hun verantwoordelijkheid en rol binnen het domein van de jeugdzorg gestalte te geven? En op basis van welke voorwaarden, met name in termen van informatievoorziening kan dat zo optimaal mogelijk gebeuren? De beantwoording van deze onderzoeksvraag is ter hand genomen door middel van zeven deelvragen:
Verantwoordelijkheid, beleid en uitvoering 1. Waar liggen de eigen verantwoordelijkheid en rol voor de jeugdzorg bij de gemeenten, en waar is die ondergebracht bij het Sociaal Domein Fryslân (SDF), dan wel bij gecertificeerde instellingen, de inspectie, etc.? 2. Binnen welke beleidskaders wordt de jeugdzorg uitgevoerd?
2
Verantwoordelijkheid en rol van de raad 3. Welke verantwoordelijkheid en rol hebben de raden in het kader van de jeugdzorg? 4. Binnen welke kaders kunnen zij aan hun kaderstellende en controlerende rol gestalte geven? Hebben zij sturing op het jeugdzorgbeleid? 5. Op welke thema's en op welke momenten kunnen de raden invloed uitoefenen op het beleid van het Sociaal Domein Fryslân (SDF)?
Informatievoorziening aan de raad 6. Welke informatie is binnen de gemeenten beschikbaar en welke informatie hebben de raden tot nu toe ontvangen op het gebied van de jeugdzorg om hun kaderstellende en controlerende rol waar te nemen? Zowel van het college, als van het SDF. 7. Welke informatie hebben de raden nodig, c.q. welke wensen bestaan binnen de raden ten aanzien van de informatievoorziening met het oog op het versterken van hun kaderstellende en controlerende rol binnen het jeugdzorgbeleid?
1.4
Afbakening
Het onderzoek is als volgt afgebakend: • het onderzoek gaat niet in op de gehele decentralisatie binnen het sociale domein, maar alleen op het onderdeel jeugdzorg; • het onderzoek betreft niet een generieke evaluatie van de jeugdzorg. Landelijke onderzoeken en ook veel rekenkameronderzoeken die vanaf 2015 rond de jeugdzorg zijn verricht, schetsen een verhelderend en soms ook een onthutsend beeld van de stand van zaken rond jeugdzorg sinds de overdracht aan de gemeenten. De urgentie om de hervormingsagenda Jeugdzorg concreet vorm te geven (en voldoende middelen beschikbaar te stellen) is voor de RKC een gegeven. In dit onderzoek is de aandacht met name gericht op verheldering van de positie van beide raden binnen het model van de Jeugdzorg zoals dat in Fryslân via de centrumregeling is vormgegeven en op aanbevelingen voor een mogelijke versterking van de rol van de gemeenteraad. • Het onderzoek richt zich op de jaren 2021 – 2022. Alleen waar dat voor het onderzoek echt nodig is, gaat het onderzoek verder terug in de tijd. • Het onderzoek betreft niet de casus die aanleiding is voor de motie die de gemeenteraad van Noardeast-Fryslân heeft aangenomen. De RKC heeft zich laten informeren over de casus om mogelijke inzichten en verbeterpunten rond jeugdzorg in algemene zin, en de rol van de raden daarbinnen, beter zichtbaar te maken.
De uitvoering van een jeugdzorgtraject in dit specifieke geval, de rol van de diverse instanties, de communicatie tussen verschillende partijen in dat verband is uitdrukkelijk niet onderwerp van onderzoek geweest. De verantwoordelijkheid voor een adequate afhandeling en evaluatie van trajecten, en van mogelijke fouten of tekortkomingen en noodzakelijke verbeteringen acht de RKC een zaak van de professionele instellingen, de Inspectie, het SDF en de lokale toezichthouders (in het kader van hun kwaliteitszorg). De commissie gaat ervan uit dat deze partijen hierin ook hun verantwoordelijkheid nemen.
1.5
Aanpak onderzoek
Het hoofdbestanddeel van het onderzoek, bestaat uit deskresearch. Dat betreft de aspecten ‘uitgangspunten en kaders’, ‘eigen verantwoordelijkheid en rol van de gemeente’, ‘rolverdeling tussen SDF en gemeente’, ‘verantwoordelijkheid en rol van raad’, ‘kaders voor kaderstelling en controle’, ‘invloed van de raad op beleidsvorming binnen het SDF’, en de ‘informatievoorziening’ in het algemeen.
3
De RKC heeft de volgende bronnen gebruikt: • wet- en regelgeving rondom jeugdzorg; • visiedocumenten en beleidskaders rondom jeugdzorg; • landelijke onderzoeken en rekenkamerrapporten over de stand van zaken in de jeugdzorg; • het Metadossier jeugdhulp van de NVRR; • onderzoek en documenten met betrekking tot de casus. Daarnaast zijn enige verdiepende interviews gehouden met diverse betrokkenen uit/bij het jeugdzorgdomein van de gemeente Noardeast-Fryslân.
1.6
Rapportage
De RKC heeft in dit onderzoek gekozen voor een tweeledig rapportage. Om te beginnen een ‘bestuurlijk rapport’, waarin antwoord wordt gegeven op de zeven deelvragen en de centrale onderzoeksvraag en waarin aanbevelingen zijn geformuleerd. Daarnaast ligt er het ‘onderzoeksrapport’, waarin de onderbouwing van de conclusies en aanbevelingen wordt aangereikt. Het onderzoeksrapport is voor ambtelijk/feitelijk wederhoor voorgelegd aan de ambtelijke organisatie; dit heeft niet tot wijzigingen in het rapport geleid.
4
2.
Beantwoording onderzoeksvragen
2.1
Verantwoordelijkheid, beleid en uitvoeringsproces
Vraag 1: Waar liggen de eigen verantwoordelijkheid en rol voor de jeugdzorg bij de gemeenten, en waar is die ondergebracht bij het Sociaal Domein Fryslân (SDF), dan wel bij gecertificeerde instellingen, de inspectie, etc.? Samenvattend antwoord Vanaf 1 januari 2015 zijn de gemeenten binnen de jeugdzorg verantwoordelijk voor preventie, de toegang tot en de uitvoering van de jeugdzorg, alsmede de uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering. Het uitgangspunt voor de uitvoering van de zorg is: lokaal wat lokaal kan, regionaal wat regionaal moet. De gemeenten Noardeast-Fryslân en Dantumadiel hebben belangrijke delen van de uitvoering van de jeugdzorg bij een regionale structuur neergelegd, de ‘Centrumregeling samenwerking Sociaal Domein Fryslân’ (SDF). Het SDF voert voor deze gemeenten, net als voor de overige deelnemende gemeenten in het SDF, de inkoop, regiocoördinatie en het accounthouderschap uit. De verantwoordelijkheid voor het doen en laten van het SDF in zijn algemeenheid ligt in handen van het college en burgemeester van de centrumgemeente Leeuwarden. De (gast)gemeenten Noardeast-Fryslân en Dantumadiel zijn en blijven verantwoordelijk voor de gemandateerde (uitvoerings) taken. Er zijn drie routes naar de jeugdzorg: 1. via het gebiedsteam van de gemeente (40%) 2. via de huisartsen, hun praktijkondersteuners of medische specialisten (ongeveer 30 %) 3.
via diverse zijden (30%) zoals zelfmelding door ouders, scholen, politie, crisisopvang of via de Raad van de Kinderbescherming. De route via het gebiedsteam heeft de afgelopen jaren aan betekenis gewonnen. Verwijzingen via het gebiedsteam zijn van 30% naar 40% gestegen. Deels komt dit door een intensievere samenwerking met het onderwijs (onder andere door de preventieaanpak binnen het Actieplan Zorg & Onderwijs). In de praktijk blijkt het moeilijk om de wettelijke verantwoordelijkheid van de gemeente voor de jeugdzorg handen en voeten te geven. Dit komt doordat 60 procent van de zorgtrajecten zich buiten het directe zicht van het gebiedsteam afspeelt. Wel blijkt uit ambtelijke informatie dat de zwaardere zorgtrajecten (bijvoorbeeld bij multiprobleemgezinnen) meestal wel via het gebiedsteam worden ingezet. Daarnaast is het gebiedsteam binnen hun casussen sterk afhankelijk van de onderlinge relaties in de ‘cruciale driehoek’ van elk zorgtraject – ouders en jeugdige, gebiedsteam en behandelende instelling.
Zeker daar waar het een gesloten machtiging in een vrijwillige kader betreft zijn de verantwoordelijkheden onduidelijk, en ontbreken heldere kaders en protocollen voor de rol van het verwijzende gebiedsteam.1 De verantwoording vanuit het SDF naar de gemeente is vooral procesmatig, (begroting, jaarverslag) en verloopt via een aantal halfjaarberichten en een monitor over Fryslân als totaal op basis van enquêtes onder gemeenten. Vanuit het behandelperspectief, c.q. vanuit het perspectief van de jeugdige, de ouders en het gezin en met name resultaten van ingezette jeugdzorg vindt geen 1
Deze constatering is gebaseerd op gesprekken met het gebiedsteam, Wammes, A. (ed.), ‘Betrek mij gewoon!’ Op zoek naar verbeterkansen voor de jeugdzorg in het casusonderzoek Ketenbreed leren, november 2022.
5
informatievoorziening plaats richting gemeente. Dat leidt ertoe dat de daadwerkelijke (maatschappelijke) effectiviteit van de zorg nauwelijks zichtbaar is. Van de SDF-informatie komt slechts een klein deel naar de gemeenteraad; in Noardeast-Fryslân heeft de raad in 2020 de laatste rapportage vanuit het SDF ontvangen.
Vraag 2: Binnen welke beleidskaders wordt de jeugdzorg uitgevoerd? Samenvattend antwoord In beide gemeenten is, zoals de Jeugdwet (2015) vereist, een verordening Jeugdzorg van kracht vanaf 1 januari 2020. De verordening volgt voor beide gemeenten de Jeugdwet en regelt dat de zorg, toegang, procedures, bezwaar en beroep, etc. conform de bedoeling van de wet voor de gemeenten vastgesteld zijn. De gemeenten Noardeast-Fryslân en Dantumadiel formuleren in oktober 2021 samen het ‘Actieplan Zorg & Onderwijs’, met als ondertitel ‘Normaliseren, verbinden en onderzoeken’. Het actieplan vormt een concrete vertaling van de al eerder geformuleerde ambities in de Kadernota ‘Samen leven, zorg voor elkaar’, het Beleidsplan Jeugdwet uit 2015 en de Visie Sociaal Domein, Regio Noordoost-Fryslân en visie Koersvast vooruit van het SDF in 2021. Met het actieplan willen de gemeenten de centrale beloften van de transformatie (zoals preventie aan de voorkant, laagdrempelig, integrale benadering etc.) waarmaken. In januari 2023 stemmen de raden van Noardeast-Fryslân en Dantumadiel in met de Fryske regiovisie jeugdhulp 2023-2026, ‘Mei-inoar for ús bern’. In deze regiovisie worden de ambities in de jeugdhulp voor de periode 2023 – 2026 geformuleerd. Of de doelstellingen van het beleid ook worden gehaald is niet duidelijk; hierover zijn namelijk geen specifieke gegevens voorhanden.
2.2
Verantwoordelijkheid en rol van de raad
Vraag 3: Welke verantwoordelijkheid en rol hebben de raden in het kader van de jeugdzorg? Vraag 4: Binnen welke kaders kunnen zij aan hun kaderstellende en controlerende rol gestalte geven? Hebben zij sturing op het jeugdzorgbeleid? Samenvattend antwoord De verantwoordelijkheden van de gemeenten en de raden zijn in de Jeugdwet vastgelegd. Daarnaast hebben de raden ieder een verordening opgesteld waarin alle verplichte aspecten van de wet zijn geregeld. De raad heeft op basis van zijn kaderstellende en controlerende rol een eigen verantwoordelijkheid in het jeugdbeleid. Daartoe kan de raad enerzijds beleidsinhoudelijke of politieke kaders, en anderzijds financiële (verslagleggings)kaders vaststellen. De controle volgt in grote lijnen deze tweedeling en is dus enerzijds een politiek-inhoudelijk controle (beleidsmatig) en anderzijds financieel van aard. Het sociaal domein, en specifiek de jeugdzorg, is een domein dat de raad feitelijk direct met het leven van alledag van de burgers in de gemeente in verbinding brengt. Daarnaast is het ook het domein waaraan het grootste deel van de begroting wordt uitgegeven. Reden temeer om die verantwoordelijkheid van de raad ook zo actief mogelijk vorm en inhoud te geven.
6
De verantwoordelijkheid voor een effectieve uitvoering van het jeugdzorgbeleid is echter onduidelijk en dat is terug te vinden in het ontbreken van de structurele monitoring van resultaten, de fragmentatie in verantwoordelijkheden en de regievoering bij problemen binnen een casus. De RKC stelt vast dat de raden voldoende informatie krijgen om hun kaderstellende en sturende taken te kunnen waarmaken. De uitvoering van die taken is, overeenkomstig het landelijke beeld, wel sterk volgend van aard. De aangereikte informatie (zie ook bij vraag 6) maakt het ook moeilijk om zicht te krijgen op de daadwerkelijke uitkomsten en maatschappelijke effecten van het jeugdzorgbeleid. Dat houdt in dat sturing en controle slechts marginaal kunnen plaatsvinden (bijvoorbeeld benutting middelen, vaststelling plannen, verordeningen e.d.). Daarbij past de expliciete nuance dat dit voor vrijwel alle vormen van beleid, op alle niveaus, van landelijk tot gemeentelijk geldt.
Vraag 5: Op welke thema's en op welke momenten kunnen de raden invloed uitoefenen op het beleid van het Sociaal Domein Fryslân (SDF)? Samenvattend antwoord De uitvoering van het jeugdbeleid is voor een groot deel overgedragen (gemandateerd) aan de gemeente Leeuwarden (centrumgemeente) via de ‘Centrumregeling samenwerking Sociaal Domein Fryslân’, die deze heeft uitbesteed aan het SDF. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ligt bij de gastgemeenten Noardeast-Fryslân, Dantumadiel en de overige Friese gemeenten. In de regeling zelf wordt geen aandacht besteed aan de verantwoordelijkheid en rol van de gemeenteraden van de gastgemeenten. De invloed van de raden is op basis van de regeling indirect en beperkt. Dat wil zeggen dat de raad input kan geven aan de portefeuillehouder die de gemeente vertegenwoordigt in het portefeuillehoudersoverleg van het SDF; daar komen de belangrijkste zaken die binnen de centrumregeling spelen, aan de orde. Er zit een zekere spanning in het onderbrengen van taken van de jeugdzorg binnen een centrumregeling. De beweging binnen het beleid en de zorg is in toenemende mate omlaag gericht, meer richting de sociale basis, mienskip, meer eigen verantwoordelijkheid, laagdrempelig en preventief. Die spanning wordt door raden in den lande ook gevoeld.
Onderzoek dat meer op casuïstiek is gericht, met name door lokale rekenkamers, laat zien dat de indirecte sturings- en controlerelatie, de groeiende complexiteit en de moeizame informatievoorziening het voor veel raadsleden moeilijk maken om voldoende controle uit te oefenen op de taken die op regionaal niveau worden uitgevoerd.
2.3
Informatievoorziening aan de raad
Vraag 6: Welke informatie is binnen de gemeenten beschikbaar en welke informatie hebben de raden tot nu toe ontvangen op het gebied van de jeugdzorg om hun kaderstellende en controlerende rol waar te nemen? Zowel van het college, als van het SDF. Samenvattend antwoord: Een goede informatievoorziening is voor de raden wezenlijk om hun kaderstellende, sturende en controlerende taken te kunnen uitvoeren. Uit de analyse van de informatievoorziening van de afgelopen periode wordt die informatie vanuit een aantal invalshoeken gegeven: ‘beleidsinformatie’,
7
‘informatie over uitvoering, resultaten en maatschappelijke effecten’ en ‘informatie rond actuele thema’s. Beide raden krijgen in 2021 en 2022 een gestage stroom aan beleidsinformatie over jeugdzorg aangereikt, en worden goed geïnformeerd over de meer financiële aspecten van dat beleid en actuele thema’s. Denk hierbij aan de beantwoording van schriftelijke vragen over noodkreet jeugdzorg, te veel betaalde jeugdzorggeld, artikel in Leeuwarder Courant over het ‘papieren meisje’ enz. Voor de informatie over uitvoering, resultaten en maatschappelijke effecten van de jeugdzorg zijn de raden voornamelijk aangewezen op de P&C-documenten, en dan vooral de begroting, de Turaps, met als sluitstuk het jaarverslag en de jaarrekening. In dat kader dient een onderscheid te worden gemaakt tussen ‘financiële sturings- en controle informatie’, en ‘sturings- en controle-informatie op basis van resultaten en maatschappelijke effecten’. Voor laatstgenoemde effecten is de informatie in de begroting aan de magere kant. Dit komt vooral doordat er aan beleidsinitiatieven nauwelijks concrete maatschappelijke waarden en doelen, en dus ook geen concreet, SMART-geformuleerde indicatoren zijn verbonden. Voor de Turaps geldt dat zij eigenlijk alleen maar activiteiten vermelden. Er wordt veel ondernomen, maar de vraag blijft met welke uitkomsten. En hetzelfde geldt voor de jaarstukken van2020 en 2021.
Vanuit het SDF komt wel informatie naar de gemeente, maar slechts weinig daarvan gaat richting de gemeenteraad. De laatste SDF-rapportage naar de raad dateert uit 2020. Gebleken is ook dat in geval van een calamiteit de informatievoorziening aan raad (in termen van wat mag wel en wat mag niet, en wie moet waar toestemming voor geven) onduidelijk is. Overigens is een gemeenteraad ook niet het gremium waar evaluatie van individuele hulpverleningstrajecten beoordeeld moeten, c.q. kunnen worden. Voor raden is het natuurlijk wel belangrijk welke lessen er geleerd kunnen worden t.a.v. kaderstelling en beleid.
Vraag 7: Welke informatie hebben de raden nodig, c.q. welke wensen bestaan binnen de raden ten aanzien van de informatievoorziening met het oog op het versterken van hun kaderstellende en controlerende rol binnen het jeugdzorgbeleid? Beleid formuleren is één ding, maar de vraag welke effecten het beleid heeft, is net zo belangrijk voor de raden om hun sturende en controlerende rollen te kunnen waarmaken. Vanuit deze invalshoek zou een min of meer omvattende informatie-schema met betrekking tot de jeugdzorg als oriëntatie voor de toekomst er als volgt kunnen uitzien: • Demografische informatie: de gemeenteraad moet weten hoeveel kinderen en gezinnen gebruikmaken van de jeugdzorgdiensten in de gemeente en hoe deze groep zich ontwikkelt. Daarbij zouden het SDF en Fries Sociaal Planbureau een rol kunnen spelen. • Beleid en wet- en regelgeving: De gemeenteraad moet op de hoogte zijn van de beleidskaders en wet- en regelgeving die van toepassing zijn op jeugdzorg in de gemeente. • Plannen, nieuw beleid en verandering van beleid: de gemeenteraad moet op de hoogte zijn van de plannen voor de toekomst van de jeugdzorg in de gemeente, evenals van eventuele veranderingen in wet- en regelgeving. • Financiële informatie: de gemeenteraad moet op de hoogte zijn van de uitgaven voor jeugdzorg in de gemeente, inclusief budgetten en uitgavenverantwoording, en bijbehorende toekomstprognoses.
• Werkwijze en samenwerking: de gemeenteraad moet weten hoe de jeugdzorg wordt geleverd, welke partners hierbij betrokken zijn, en hoe de dienstverlening wordt georganiseerd.
8
•
•
•
Kwaliteit en toezicht: de gemeenteraad moet weten hoe de kwaliteit van de jeugdzorg wordt gemonitord en gewaarborgd, en hoe de gemeente toezicht houdt op de dienstverlening in de jeugdzorg. Daarbij is het ook van belang toe te zien op de wijze waarop de aan het SDF overgedragen taken ter zake ingevuld worden. Resultaten van jeugdzorg: de gemeenteraad moet weten hoe effectief de jeugdzorgdiensten zijn in termen van de gezondheid en het welzijn van de kinderen, evenals de effecten van de diensten op ouders en gezinnen. Wordt bijvoorbeeld iedereen die dat nodig heeft bereikt, en is er ook meteen hulp of bestaan er wachtlijsten? Ervaringen, beelden en opvattingen van ouders en kinderen over de jeugdzorg op basis van verhalen, gesprekken, focusgroep-discussies, opstellen en tekeningen van kinderen
NB de RKC ziet bovenstaande opsomming niet als voorschrift maar als een mogelijkheid die als basis voor nader overleg en uitwerking kan dienen binnen de gemeenten en het SDF.
2.4
Beantwoording centrale onderzoeksvraag
Centrale onderzoeksvraag: Welke mogelijkheden bezitten de gemeenteraden van Noardeast-Fryslân en Dantumadiel om hun verantwoordelijkheid en rol binnen het domein van de jeugdzorg gestalte te geven? En op basis van welke voorwaarden, met name in termen van informatievoorziening kan dat zo optimaal mogelijk gebeuren?
De RKC komt in het onderzoek en op basis van bevindingen uit diverse landelijke rapporten tot de volgende conclusie: Hoewel ‘de gemeente’ in de Jeugdwet de verantwoordelijkheid heeft gekregen voor de Jeugdzorg is het voor de gemeenteraden van Noardeast-Fryslân en Dantumadiel moeilijk om hun sturende, kaderstellende, en met name hun controlerende rollen goed uit te kunnen oefenen. Dat wordt mede veroorzaakt door het wettelijke systeem zoals dat is ingevoerd. We lichten dat toe. De gemeenteraden vervullen hun rol bij de totstandkoming van verordeningen en beleidskaders. Daarnaast bepaalt de raad het jaarlijkse budget voor jeugdzorg via vaststelling van de begroting. Op deze wijze zorgen de raden voor het regelen van toegang tot Jeugdzorg. Echter, door het instellen van de Centrumregeling en het gegeven dat het SDF nu de taken uitvoert voor gezamenlijke inkoop, contractering en monitoring, zijn de afzonderlijke raden, hoewel ze verantwoordelijk blijven, op afstand geplaatst; zeker daar waar het de informatievoorziening over uitvoering van de jeugdzorg in de eigen gemeenten (resultaten, effecten, wachtlijsten, toe of afname ed.) betreft. Ook in de uitvoering van de jeugdzorg door gemeenten doen zich problemen voor die inherent zijn aan de manier waarop de zorg is ingericht.
Zo zijn gemeenten (ic de gebiedsteams of wijkteams) wettelijk verantwoordelijk voor ‘de’ jeugdzorg in zijn algemeenheid, terwijl circa 60 procent van de verwijzingen naar geïndiceerde jeugdzorg via andere wettelijke verwijzers plaatsvindt. Uit informatie van het gemeentelijke gebiedsteam blijkt dat het zicht houden op de eigen verwijzingen soms moeizaam en onvolledig is. Over de overige 60 procent ontvangen gemeentelijke teams zelf in principe geen informatie2. Uit dit onderzoek blijkt dat het moeilijk is om als gemeente daadwerkelijk als regisseur op te treden. Daarvoor is in ieder geval inzage in alle informatie en doorzettingsmacht bij eventuele problemen, incidenten enz. nodig. En dat is binnen het bestaande systeem niet gegeven. 2
De RKC heeft hier geen specifiek onderzoek naar gedaan. Over de manier waarop de informatievoorziening vanuit instellingen naar andere wettelijke verwijzers (bv huisarts) exact verloopt is geen informatie beschikbaar.
9
Het antwoord op de vraag op welke wijze de rol van de gemeenteraad via informatievoorziening zo optimaal mogelijk kan worden versterkt is daarom niet eenvoudig. De RKC is van mening dat er in ieder geval minimaal 2 maal per jaar actuele informatie over de benutting van de jeugdzorg moet worden verstrekt: de gemeenteraad moet weten hoeveel kinderen en gezinnen gebruik maken van de jeugdzorgdiensten in de gemeente en welke trends zich ontwikkelen. Daarbij kunnen het SDF en het Fries Sociaal Planbureau een rol spelen en dit ook voor alle gemeenten doen. Daarnaast constateert de RKC dat het ontbreekt aan een regelmatige evaluatie van de uitvoering en resultaten van de ingezette jeugdzorg in beide gemeenten, op basis waarvan het beleid zo nodig kan worden aangepast. Over uitvoering van adequate hulpverleningstrajecten, goede communicatie tussen jongeren, gezin en hulpverleners, melding van incidenten, kwaliteitszorg etc. is de RKC van mening dat dit tot de professie van de instellingen, en alle toezichthoudende organen behoort. De stand van zaken stemt, o.b.v. actuele informatie, niet hoopvol. In ieder geval is het voor de RKC duidelijk dat een gemeente (i.c. een gebiedsteam) binnen het huidige systeem, zeker daar waar het complexe casussen betreft, de regierol moeilijk kan waarnemen. Een simpele oplossing is nu ook niet te geven.
Dat zal toch uit de Hervormingsagenda Jeugd (opgesteld door vertegenwoordigers van het ministerie van VWS, zorgaanbieders, cliëntenvertegenwoordigers, professionals en VNG) en in goed overleg met het jeugdzorgdomein en de gemeenten moeten gebeuren. Dat hierin slechts moeizaam voortgang wordt geboekt stemt niet hoopvol. Tot slot is de RKC is van mening dat er juridisch advies ingewonnen moet worden over de vraag welke gegevens met wie gedeeld mogen worden binnen de jeugdzorgverlening. Op basis van dit advies dient een protocol opgesteld te worden waar eenieder bij de informatievoorziening op terug kan vallen.
3.
Aanbevelingen
Aanbeveling 1 Dring er bij het college op aan dat de verantwoordelijkheden op basis waarvan in het gebiedsteam wordt gewerkt, helder omschreven zijn, werkbaar zijn, en worden omschreven in kaders/protocollen. Zorg bij de inkoop/aanbesteding (door het SDF) dat aanbieders een heldere informatie en rapportageplicht krijgen richting het gebiedsteam.
Aanbeveling 2 Dring bij het college aan op een sterkere inhoudelijke verantwoording van het jeugdzorgbeleid en wel zodanig dat er meer zicht komt op de maatschappelijke effecten. Zorg ervoor dat de visie en plannen rond de jeugdzorg in meer concrete handvatten voor sturing en controle worden vertaald. Vraag het college om in de beleid- en P&C-stukken met zoveel mogelijk SMART geformuleerde doelstellingen en indicatoren te komen; zo nodig samen met andere gemeenten en het SDF vast te stellen. Pleit er in dat kader voor dat die verantwoording ook zodanig wordt ingericht en georganiseerd dat deze een optimale basis biedt voor leren en verbeteren.
Aanbeveling 3 Dring bij het college aan op een versterking van de positie van het gebiedsteam met name ten behoeve van de samenwerking binnen de driehoek jeugdige en ouders, gebiedsteam en behandelende instelling in het verdere verloop van het zorgtraject. Laat het college in overleg met de ambtelijke organisatie/gebiedsteam nagaan of en zo ja welke extra deskundigheid daarvoor binnen
10
het gebiedsteam nodig is (bijvoorbeeld diagnosestelling, en analyse, opstellen behandelplannen). Dat kan wellicht de hulpverlening vanuit het gebiedsteam zelf aan jeugdigen ten goede komen, maar ook de professionele samenwerking met de jeugdzorginstellingen.
Aanbeveling 4 Verzoek het college om het SDF opdracht te geven in de gesprekken met zorgaanbieders, c.q. de kwaliteitseisen die door het SDF gesteld worden, nadruk te leggen op een goede intake en verklarende analyse en de wijze waarop communicatie en terugmelding aan jeugdigen/ouders en gebiedsteams is geregeld. Ga in dit kader na of het zinvol is om met de gemeente, in samenwerking met andere Friese gemeenten, een eigen zelfstandige diagnose-unit te realiseren. Zorg wel voor goede afstemming met de vijf hoogspecialistische Friese instellingen.
Aanbeveling 5 Dring bij het college aan op een grondige evaluatie van de jeugdzorg per raadsperiode. Daarbij zou ingegaan moeten worden op: de toegankelijkheid en beschikbaarheid van zorg, de kwaliteit van de zorg, de efficiency van de dienstverlening, de mate van tevredenheid van jeugdigen en ouders, en – de belangrijkste factor – de effectiviteit van de geleverde zorg, maar ook op eventuele trends in de prestaties van jeugdzorg gedurende de evaluatieperiode, zoals veranderingen in het aantal kinderen, in de aard van de jeugdproblemen en in de beschikbare middelen en financiering voor jeugdzorg.
Aanbeveling 6 Zorg als raad dat je goed geïnformeerd wordt over de resultaten en maatschappelijke effecten van de jeugdzorg. In dat kader zouden aansluitend op informatiebijeenkomsten en werkbezoeken, ook bijeenkomsten georganiseerd kunnen worden met jeugdigen en ouders, experts over bijvoorbeeld nieuwe ontwikkelingen in de jeugdzorg, best practices van andere gemeenten, of onderzoek dat gedaan is naar de effectiviteit van bepaalde interventies gedeeld kunnen worden. Stel desgewenst een of meerdere rapporteurs of een commissie binnen de gemeenteraad aan die zich buigen over de problemen en uitdagingen in de jeugdzorg. Deze rapporteur(s)/commissie kan/kunnen informatie/onderzoeken verzamelen, aanbevelingen doen, en de gemeenteraad adviseren over beleidsmaatregelen die genomen kunnen worden om de jeugdzorg te verbeteren.
Aanbeveling 7 Verzoek het college om eens per jaar of twee jaar de informatie van het SDF over de resultaten van de jeugdzorg (afweging kosten en baten, monitoring en evaluatie, en zeker ook zicht op de effecten van de zorg vanuit het perspectief van de zorgontvangers) naar de raden te sturen. Aanleiding hiervoor kan het jaarverslag of de voorjaarsbrief van het SDF zijn. Zoek in dat kader contact met andere raden in Fryslân om tot een soort rapportageformat te komen voor de SDF-taken, zodat de raden zich ook gezamenlijk een oordeel kunnen vormen over de prestaties van het SDF binnen de centrumregeling.
Aanbeveling 8 Verzoek het college om advies van een daarin gespecialiseerd jurist in te winnen over de wijze waarop informatievoorziening naar de raad en betrokkenen (incl. de raad) kan plaatsvinden en op basis daarvan een helder protocol op te stellen met bevoegdheden (eigendom, recht op inzage enz.) van elke betrokkene hierin.
11